HEEMSTEEDSE HERINNERINGEN AAN DR. JAAP MEIJER

Eerder beschreef Ab van der Steur in “Beschreven Bladen” zijn ‘Ontmoetingen met Jaap Meijer’. Zijn eerste kennismaking dateerde van 1959 en het contact werd na 1983 door Meijer eenzijdig verbroken.

Zelf heb ik hem zo’n 16/17 jaar, van 1976 tot kort voor zijn dood in 1993, persoonlijk gekend. Ik bezocht de historicus-dichter in totaal enige tientallen keren op zijn huisadres Herman Heijermanslaan 25, waar Meijer en echtgenote Lize Voet de laatste 30 jaar van hun leven woonachtig zijn geweest. Na terugkeer uit Paramaribo, waarheen hij met zijn gezin naar werd gezegd vanwege de koude oorlog was geëmigreerd, maar vrijwel zeker evenzeer uit rancune na een heftige botsing binnen het Nieuw Israëlitisch Weekblad, had de familie een flatwoning betrokken in Haarlem-Noord. In 1963 kon men dankzij een aanzienlijke erfenis van een Engelse tante van zijn vrouw naar een herenhuis in Heemstede verhuizen (1). Na hun turbulente oorlogs- en wederopbouwperiode was deze behuizing een rustpunt in hun leven, waar hard werd gewerkt aan ‘Diasporade; een reeks alternatieve cahiers’ en ‘Balans der ballingschap; bijdragen tot de geschiedenis der joden in Nederland’. Jaap Meijer had meer ideeën dan hij menselijkerwijs kon realiseren en sommige projecten zoals ‘Lodewijk van Deyssel als collaborateur; analyse van een Tachtiger’ en ‘Joden zijn ook mensen; over antisemitisme in het na-oorlogse Nederland’ zijn nimmer gerealiseerd. In Heemstede òòk kwam onverwacht op 55-jarige leeftijd een nieuw facet tot leven: zijn dichterschap onder schuilnaam Saul van Messel. Joodse verzen waarin hij herinneringen aan zijn kampverleden kwijt kon, waarover hij essayistisch niet wil of kon schrijven. Daarnaast verschenen erotische gedichten en dichtbundels in het Gronings dialect, dat hij opmerkelijkerwijs nog voortreffelijk beheerste, ofschoon al op 13-jarige leeftijd vanuit Winschoten voor studie naar Amsterdam gestuurd.

Jaap Meijer in zijn huisbiblotheek te Heemstede (foto Bert Nienhuis, 1980)

Ik was enkel in 1987 korte tijd niet ‘on speaking terms’, nadat hem bekend was geworden dat een Koninklijke onderscheiding was aangevraagd. Die zou hij vrij zeker ontvangen hebben, maar met nog grotere zekerheid geweigerd. De boosheid was overigens van korte duur, want o.a. voor zijn publicistisch werk had hij mij – als bibliothecaris (Jaap Meijer was nimmer contribuerend lid van de Heemsteedse bibliotheek) (2) –  méér nodig, dan omgekeerd.

Twee briefkaarten van Jaap Meijer. Op één schreef hij “Heemstede boven al!”

Wanneer ik aan Jaap Meijer terugdenk kan ik slechts bevestigen dat hij een erudiete persoonlijkheid was, in het bijzonder ten aanzien van zijn specialiteiten de Nederlandse joodse cultuurgeschiedenis en 19e/20e eeuwse joods-christelijke letterkunde. Verder een boekenkenner bij uitstek, uiteraard vooral van joodse en nederlandstalige letterkunde en alles wat met jodendom, zionisme en Israël te maken had. Indien niet zijn grote passie was uitgegaan naar speurwerk en schrijven had hij antiquaar kunnen worden, in welk geval echter de dominante en querulanterige omgang met het publiek hem op dat punt ongeschikt hebben gemaakt. Een ander probleem zou zijn geweest, dat hij waarschijnlijk allereerst voor zichzelf was gaan verzamelen, daarvoor was hij toch teveel bibliofiel en bibliomaan. Mijn eerste bezoek herinner ik me nog levendig, omdat ik Ischa ter sprake bracht. Dat was voor de eerste en laatste keer, want Jaap Meijer kapte mijn vraag onmiddellijk af door voor eens en altijd duidelijk te maken: “Daar wordt hier niet over gesproken”.  Een onderwerp wat mij persoonlijk interesseerde maar waaraan hij waarschijnlijk liever niet herinnerd wilde worden was zijn naoorlogse tijd als bibliothecaris van ‘Ets Haim’, de rijke bibliotheek van de Portugese gemeente (3). Naar de keurig in het gelid staande boeken in de woonkamer mocht ik kijken maar aankomen niet. Af en toe nam hij zelf een boek ter hand om iets te laten zien. In de hoek van de voorkamer stond een bureau waarop veelal brieven lagen. Eenmaal mocht ik naar boven om zijn speciale boekenkast met boeken in ‘art nouveau’-banden te zien. Zijn echtgenote Liesje zette en schonk thee, luisterde maar sprak over het algemeen zacht en weinig. Het was me bekend dat zij op de achtergrond alle werkzaamheden voor hem deed bij het typen en stencilen van talrijke specialistische boeken, die men in eigen beheer uitgaf, omdat deze voor reguliere uitgeverijen niet interessant genoeg waren. Jaap was levendig, nerveus en druk, als leraar het liefst zelf aan het woord. Soms kwamen er verrassingen, zoals toen ik moest vertrekken omdat een voetbalwedstrijd op televisie begon. Voordien dacht ik dat tv voor hem een nauwelijks interessant medium was, voor iemand die zijn heil zocht in steeds weer nieuwe publicaties en/of gedichten. Later vernam ik dat hij op school soms op maandag een nabeschouwing gaf over een wedstrijd van Ajax. Wat me zeer bijgebleven is dat Jaap echt hard kon schaterlachen, terwijl Liesje er stilletjes bijzat en hem met een schuin oog aankeek. Hij was maar wat trots Anne Frank tijdens de bezetting als leerling te hebben gehad op het Joods Lyceum, maar deed voorkomen dat hij dat niet van belang achtte. Zelf vermoed ik dat het hem achteraf heeft dwars gezeten dat hij de talenten van dit joodse meisje destijds niet heeft onderkend. In de zevende hemel was Jaap Meijer in ieder geval toen het vriendenboek ‘Neveh Ya’akov’ in 1982 uitkwam bij gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, samengesteld door zijn leerlinge professor Lea Dasberg in samenwerking met Jonathan N.Cohen.

De meeste keren dat ik hem bezocht nam ik boeken van joodse schrijvers of over joodse onderwerpen voor hem mee. Afkomstig van schenkingen aan de bibliotheek en die niet interessant waren om in de collectie opgenomen te worden. In totaal moeten het 150 tot 200 boeken zijn geweest van de circa 9.000 die na zijn overlijden in het huis werden aangetroffen en naar de bibliotheek van het Gemeentearchief Amsterdam verhuisden (4). Van de 500 meest bijzondere boeken – inclusief twee incunabelen uit 1485 – in de sectie hebraïca en judaïca verscheen in 1999 een Engelstalige catalogus, beschreven door Jonathan N.Cohen: ‘Hebraica and Judaica printed before 1900’ (Amsterdam, 1999). Jaap kon aardig opsnoeven. Een keer vertelde hij met 10 exemplaren de grootste collectie incunabelen van Heemstede te bezitten. Te zien kreeg ik de boeken echter niet. Af en toe ontving ik wat voor mezelf, maar het was eigenlijk steeds een toezegging: “Ik moet het nog uitzoeken, maar de volgende keer krijg je dit of dat…” en dat ging zo jaren door. Jaap Meijer zag van verre of iemand van joodse afkomst was, althans dat beweerde hij. Eenmaal ontmoette hij bij de bushalte de echtgenote van Herman Divendal uit Heemstede, een vrouw uit het joodse geslacht Belinfante. Het vluchtige gesprek met haar had grote indruk op hem gemaakt, gelet op het feit dat hij hier meer dan eens op terugkwam. Bij mij thuis zijn Jaap Meijer en zijn vrouw nooit geweest. Omstreeks 1980 nam ik hem een keer ’s avonds mee naar het huis van architect T. Jongh Visscher die in een deel van ‘de Gliphoeve’ woonde. Een voormalige buitenplaats waarvan ooit de Reveilman H.J. Koenen eigenaar was (5). Meijer vertelde me bij die gelegenheid dat het de eerste keer in minstens tien jaar was dat hij ’s avonds het huis verliet om ergens naar toe te gaan (6). Ooit vroeg ik hem voor een publicatie een gedicht te maken op het wandelbos Groenendaal. Hij zou het proberen, maar het lukte niet, kennelijk omdat hij hiermee geen of ieder geval te weinig affiniteit had. Het station Heemstede-Aerdenhout als voorbeeld, waar hij bijna dagelijks kwam om dichtbij vanuit zijn woning een krant te halen, was geen probleem geweest. In 1980 verscheen ter gelegenheid van de 5 mei-herdenking zijn monografie over de socialistische (èn joodse) dichter Abraham van Collem, die kort voor zijn overlijden in 1933 in Heemstede was komen wonen. Geschreven in opdracht van de Minister van CRM (1977). Aan zijn oud-leerling van het Coornhert in Haarlem, intussen wethouder te Heemstede [later Commissaris van de Koningin in de provincie Flevoland], werd een gemeentelijke bijdrage in de kosten gevraagd. Het verzoek was een bedrag van 100 exemplaren à 25 gulden = ƒ 2.500,- .  De gemeente nam het besluit 10 exemplaren voor 250 gulden af te nemen. Zijn persoonlijke reactie was dat het bestuur zich ‘kleinlich’ had gedragen en daarin kon ik hem geen ongelijk geven. In 1980 ook kwam zijn levensbericht van liedzangeres Julia Culp (1880-1970) uit, bij welke gedenkuitgave tevens de toen bijna 80-jarige zangpedagoge Coby Riemersma betrokken was.

Vertaling in het Hebreeuws van enkele Jaap Meijer aansprekende versregels van Camphuysen. Verschenen in 1988 in 100 exemplaren. Met foto van het huisje in Rijsburg waar Spinoza van 1661 tot 1663 woonde.

Mercator Pers

Ik bracht Jaap Meijer in contact met Willem Kramer die uiteindelijk 9 bundels met verzen van Saul van Messel op zijn privé-pers zou drukken en uitgeven, waaronder een aantal priapeeën: ‘Toverstaf’(1987) en mogelijk is een tiende uitgave voorzien. Jaap Meijer liet zich tegenover mij buitengewoon lovend uit over de druktechnische capaciteiten van Kramer. Bij gelegenheid van de 75ste verjaardag van graficus Sem Hartz, welke op 25 januari 1987 is gevierd met een tentoonstelling en een huldiging in de Heemsteedse bibliotheek schreef Jaap Meijer onder schuilnaam van Saul van Messel een poëtische lofprijzing: ‘Ad Sem Hartz’. Deze bibliofiele editie in 60 exemplaren kwam dankzij de Mercator Pers tot stand.

Meester Meijer

In 1993 is het eerste exemplaar van ‘De factor arbeid: werkende mensen in de letteren’ van Ruud Vreeman in de Heemsteedse bibliotheek gepresenteerd aan schrijver Theun de Vries. Dit boek bevat een hoofdstuk over Vreeman’s leermeester geschiedenis op het Coornhert Lyceum: ‘Meester Meijer moet meester Meijer blijven’ (blz. 87-91). Genoemde bijdrage is tevens in NRC-Handelsblad gepubliceerd. Daarop reageerde zoon Ischa geërgerd met een ingezonden stuk: “Met veel aandacht las ik het goed bedoelde, doch helaas geenszins van idolatrie gespeende artikel door Ruud Vreeman. (…) Vooral deze passage viel mij op: ‘Ik lees de brief die zijn zoon Ischa aan zijn moeder schrijft. Het beeld dat hij van zijn vader geeft, is voor mij een pijnlijke confrontatie. Waarom worden dit soort brieven niet over de post gestuurd? Ik ga me er niet in verdiepen, meester Meijer moet meester Meijer blijven’.  Juist van een leerling van mijn vader had ik een groter stylistischer vermogen en, vooral, een kritischer instelling verwacht” (15 juni 1993).

Illustratie van Marisca Reinders bij artikel van Ruud Vreeman over 'meester Meijer' in boek: 'De factor arbeid' (1993).

Illustratie van Marisca Reinders bij artikel van Ruud Vreeman over ‘meester Meijer’ in boek: ‘De factor arbeid’ (1993).

Het boek: ‘Brief aan mijn moeder’ (1974), dat eigenlijk over zijn vader gaat, heb ik zelf als één van weinig boeken meerdere malen gelezen.

Een Koninklijke onderscheiding? “Neen, neen, neen!”

In 1987 spraken gemeenteraadslid Geert Hofland, tevens boeken- en kunstverzamelaar alsmede bewonderaar van Jaap Meijer, en ondergetekende met toenmalig burgemeester jhr. mr. O.R.van den Bosch over de mogelijkheid van een Koninklijke onderscheiding, uit te reiken op 18 november bij gelegenheid van diens 75ste verjaardag. De burgemeester stond positief tegenover dit verzoek, en verzocht een voorstel op papier te zetten met Meijer’s  verdiensten en publicaties. Verder zou hij het verzoek graag ondersteund willen zien door een vertegenwoordiger uit de joodse gemeenschap (waarbij hij Judith Belinfante, directeur van het Joods Museum suggereerde) en de literaire wereld. Brieven gingen uit naar mw. Belinfante en literair criticus Wim Zaal. Eerstgenoemde sprak ik tevens telefonisch waarin zij toezegde een aanbeveling te sturen naar de burgemeester van Heemstede. Naar ik me meen te herinneren sprak zij haar lichte twijfel uit of Jaap Meijer een dergelijke decoratie zou waarderen. Hoe dit ook zij, achteraf bleek dat een aanbevelingsbrief van haar hand uitbleef. Wim Zaal reageerde enthousiast en schreef in een brief van 15 juni 1987 “Een voordracht van Jaap Meijer voor een Koninklijke onderscheiding kan ik, als literair criticus en als essayist op enkele terreinen die ook door Jaap Meijer worden bestreken, geheel ondersteunen. Als dichter neemt hij een bijzondere plaats in, vooral door uit joodse ervaringen ontstane poëzie: het werk van iemand die door alle smart heen verzoening wenst. Als essayist legt hij in zijn onderzoek vasthoudendheid aan de dag, in zijn stijl helderheid, in zijn opinies persoonlijkheid. Hij is geen schrijver met wie men het altijd eens is: zijn grote verdienste bestaat hierin, dat hij steeds animeert en tot nadenken en stelling nemen dwingt. Een beroemde uitspraak van Jakob Grimm over Bilderdijk, ‘Ik heb altijd van hem geleerd, al was het niet steeds wat hij me wilde onderwijzen’, is ten volle op Jaap Meijer van toepassing. En het zou mij verheugen indien een Koninklijke onderscheiding zijn werkkracht, talent en onafhankelijkheid van geest zou eren”.  W.g. Wim Zaal, Kunstredactie Elseviers Magazine. Omdat Judith Belinfante was afgevallen schreef ik nog naar Abel Herzberg, professor dr. L.de Jong en Marga Minco. Eerstgenoemde achtte zich gelet op zijn leeftijd, 94 jaar oud, niet meer in staat om een schrijven te concipiëren. Dr. L.de Jong liet me schriftelijk weten: “Vriendelijk dank  voor uw briefje van 28 juni. Een uitstekend denkbeeld! Ik heb burgemeester Van den Bosch een brief gestuurd”.  Marga Minco ten slotte berichtte: “Aangezien ik enige weken met vakantie was, kan ik nu pas reageren op uw brief van 28 juni. Wat uw verzoek aangaat het volgende: ik heb er geen bezwaar tegen om de heer Meijer voor een koninklijke onderscheiding te laten voordragen. Ik gun het de heer Meijer van harte en ik geloof dat hij die onderscheiding in elk opzicht verdient. Misschien kunt u mijn aanbeveling aan de burgemeester van Heemstede doorgeven. W.g. Marga Minco.

Toen Jaap Meijer vanuit het gemeentehuis werd gepolst of hij een ridderorde zou accepteren, was het antwoord kort maar krachtig en zonder motivatie van zijn kant: “Neen, neen, neen”. Deze eer dus niet, maar hem een beetje kennende ben ik er wèl zeker van dat hij trots zou zijn geweest wanneer hij had geweten dat in ‘zijn’  provincie Groningen, in Delfzijl, een Saul van Messelstraat  (voorheen Iersestraat) in een nieuwe schrijverswijk is vernoemd.

Na zijn overlijden

Met de dood in het verschiet heeft Jaap Meijer alles wat strikt privé was vernietigd en verder vastgelegd dat zijn boeken- en archiefcollectie aan het Gemeentearchief van Amsterdam zou worden gelegateerd. In 1992 publiceerde hij in de bundel ‘Net echt; ouderdomspoëzie’ een vers onder de titel: ‘Voorzorg’

ik ben mijn brieven

aan het ordenen

vandaag ben jij

aan de beurt

 verscheurd.

De laatste keer dat ik Jaap Meijer sprak was begin juli 1993, zoals achteraf zou blijken enkele dagen voor zijn plotse dood. Ik belde hem voor iets naar aanleiding van een publicatie. Hij leek geagiteerd en ik dacht toen hem wellicht uit een middagdutje te hebben gewekt. Hij vroeg me of ik later wilde terugbellen. Dat is er niet meer van gekomen. Het concentratiekamp Bergen-Belsen had hij overleefd, maar de dood van zijn vrouw op 3 juni maakte verder leven kennelijk zinloos voor hem.

Overleden op 9 juli, 80 jaar oud, publiceerde zoon Ischa zijn bekende stukje (van een verslagever) in Het Parool; ‘Jaap Meijer in Heemstede overleden’. Die wist niet hoe snel het huis – met toenmalig levenspartner Connie Palmen – te bezoeken, de woning te betreden. Het huis dat hij eigenlijk niet kende omdat Ischa vanuit Haarlem het ouderlijk huis definitief had verlaten. Beschreven in het boek I.M. (pagina’s 205-207) vond de begrafenis 13 juli op de Algemene begraafplaats in Heemstede plaats. Naar algemeen wordt aangenomen in strijd met de laatste wil van de overledene. In een huurgraf, naamloos zonder grafzerk maar met een stenen locatiepaaltje en inscriptie H-RR-293.

De drie kinderen, met wie de ouders alle drie gebrouilleerd waren plaatsten een kleine advertentie in NRC-Handelsblad: “Nu zijn verenigd in de dood onze vader en moeder”. Ondertekend door Ischa (Amsterdam), Mirjam Chorus-Meijer (Mechelen, België) en Job Meijer (Den Haag). 23 leerlingen, vrienden, antiquaren en bewonderaars plaatsten nog een overlijdensannonce ‘In Memoriam Dr. Jaap Meijer’, onder wie Lea Dasberg, Igor Cornelissen, Kees Hovingh, Max Israël, Adri Offenberg, Odette Vlessing en Louis Putman.

In het begin ging de mare dat Ischa in het ouderlijk huis wilde gaan wonen, maar zover kwam het niet, want het huis werd verkocht en de opbrengst gedrieën verdeeld. C. van Dijk, die als Haarlems bibliothecaris èn margedrukker Jaap Meijer goed gekend heeft publiceerde een waardige necrologie in Jaarboek Haerlem 1993 (1994). In 1995 verscheen van journalist Igor Cornelissen, die een groot bewonderaar was van Jaap Meijer en hem tweemaal voor Vrij Nederland interviewde [“Ik ging niet naar Heemstede voor lof, ik kwam er om te leren en daarin heeft hij mij nooit teleurgesteld’] het boekje: ‘Een joodse dwarsligger. Jaap Meijer 1912-1993’. (Amsterdam, De Kan). Intussen was Ischa Meijer op 14 februari 1995 plotseling overleden. Als reactie op het overdreven eerbetoon in de pers aan diens broer publiceerde Mirjam Meijer een jaar later een in uiterst verzorgde stijl geschreven boekje: ‘Mijn broer Ischa” (De Kan, 1996; vijfde herziene druk: uitgeverij Vassallucci, 1997), dat uiteraard evenzeer over haar ouders gaat. Daarin schrijft zij onder meer: “Als ik terugdenk aan Ischa, is het zeker niet met liefde. Ik vond hem niet aardig, niet sympathiek. Als ik hem vergelijk met mijn ouders, dan concludeer ik dat zij, zelfs mijn vader, mij sympathieker waren dan Ischa. Mijn ouders waren naar mijn idee vooral ziek. Gefrustreerd, bang, labiel. En ook wel nu en dan onbetrouwbaar. Hun onbetrouwbaarheid heb ik echter nooit als opzettelijk gezien; meer als ‘bij het pakket labiliteiten inbegrepen’. Terwijl ik de onbetrouwbaarheid van Ischa beklemmend vond, omdat ik die als structureel heb ervaren.” Daarvoor gaf ze m.i. een goede karakteristiek van vader en zoon met de woorden: “Als ik iets van hem [= Ischa] las of als ik hem wel eens bezig zag of hoorde op televisie of radio, dan was het altijd of ik mijn vader voor me zag. Datzelfde agressieve gedrag, dat voortdurend een ander in de rede vallen. De kleine, driftige, corpulente gestalte. Zelfs die scherpe, kortaangebonden stem. Mijn broer werd steeds meer zijn vader.’

In 1999 publiceerde Odette Vlessing, als archivaris verbonden aan het Stadsarchief Amsterdam, een biografische schets: ‘Tussen heden en verleden; de historicus dr. Jaap Meijer’. In: Uitgelezen boeken 8, nr.1-2 (november. Amsterdam, De Buitenkant). In 1999 publiceerde dagblad ‘Het Parool’ een overzicht van 100 Amsterdammers van de eeuw. Op plaats 1 kwam burgemeester Arnold Jan d’Ailly. Als nummer 96; Ischa Meijer (1943-1995), 97 Jaap Meijer (1912-1993), [en 98 accordeonist Johnny Meijer (1912-1992) – geen familie].

Het eerste deel van een ‘definitieve’ biografie over de zeer ingewikkelde en gecompliceerde levens van vader en zoon: ‘Jaap en Ischa Meijer; een joodse geschiedenis 1912-1956’ is in 2007 door Bert Bakker uitgegeven en geschreven door de joodse historica professor Evelien Gans. De Haarlemse jaren van vader en zoon en Heemsteedse jaren van Jaap Meijer zullen in deel 2 aan de orde komen.

Naast hem op nummer 23 in de Herman Heijermanslaan woonde Neerlandica professor dr. M.A. Schenkeveld-van der Dussen. Ze vertelde me na zijn dood een duidelijke mening over haar buurman te hebben, maar deze liever voor zich te houden. Toen in 2008 naar het graf van Jaap Meijer werd gevraagd ben ik daar voor het eerst naar toe geweest. Een naamloos steentje, meer zou hij ook niet gewenst hebben. In gedachten zag ik hem weer even door Heemstede lopen, een beetje toch als een vreemdeling in Jeruzalem.

Hans Krol

Gedicht Heemstede/wandeling in handschrift van Saul van Messel

In 2008 verscheen het eerste deel van een dubbelbiografie door professor Evelien Gans: Jaap en Ischa Meijer; een joodse geschiedenis 1912-1956 (Amsterdam, uitgeverij Bert Bakker).

Vooromslag deel 1 van dubbelbiografie over Jaap en Ischa Meijer

Vooromslag deel 1 van dubbelbiografie over Jaap en Ischa Meijer

Verschijning van . het tweede deel  (1956-1995) is in 2016 voorzien

Verschijning van het tweede deel (1956-1995) is in 2016 voorzien

Jaap Meijer in zijn domein als bibliothecaris van Portugees-Israëlitische bibliotheek Ets Haim in Amsterdam (foto collectie Mirjam Chorus-Meijer, uit: boek van Evelien Gans)

Jaap Meijer in zijn domein als bibliothecaris van Portugees-Israëlitische bibliotheek Ets Haim in Amsterdam (foto collectie Mirjam Chorus-Meijer, uit: boek van Evelien Gans)

Bij de heropening van Ets Haim op 30 november 1947. Links van Jaap Meijer zijn zwager Joop Voet (foto Boris Kowadlo, uit privécollectie Mirjam Chorus-Meijer, uit de biografie van prof. Evelien Gans)

Bij de heropening van Ets Haim op 30 november 1947. Links van Jaap Meijer zijn zwager Joop Voet (foto Boris Kowadlo, uit privécollectie Mirjam Chorus-Meijer, uit de biografie van prof. Evelien Gans)

NOTEN

(1) In 1952 heeft Jaap Meijer alvorens met zijn gezin naar Paramaribo te verhuizen korte tijd les gegeven aan de gemeentelijke HBS aan de Zijlvest in Haarlem. Tot zijn vervroegde pensionering gaf hij in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw geschiedenisles aan het Coornhert Lyceum. Verder was hij een aantal jaren op zijn verzoek privaatdocent in de geschiedenis van het Nederlandse Jodendom aan de universiteit van Amsterdam. Tot een zeer geambieerd hoogleraarschap is het nooit gekomen. Wat dat betreft kon hij zich meten met de geleerde veelschrijver Willem Bilderdijk die ook niet verder kwam dan baantjes als leraar en bibliothecaris. Opmerkelijk is dat in het Heemsteedse huis aan de Heijermanslaan tot maart 1942 de joodse familie Cohen-Spijer woonde. Philippus Cohen was in 1874 in Delfzijl geboren en zijn echtgenote in 1878 te Londen. Het echtpaar is 22 oktober 1943 in Auschwitz omgebracht.

(2) Een bekende uitspraak van hem was: “Je kunt het zo gek niet bedenken of ik ben er geen lid van.”

(3) Tijdens zijn bibliothecariaat is na de oorlogsperiode ‘Ets Haim’ officieel heropend op 30 november 1947.

(4) Zijn tot 1944 bijeengebrachte boekencollectie ging grotendeels verloren. Na de Bevrijding is hij opnieuw gaan verzamelen via antiquariaten, boekenmarkten, schenkingen en mogelijk ook diefstallen. Bij sommige antiquariaten had hij zich als wanbetaler een slechte naam verworven en van een collega van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam vernam ik dat hij met toneelspeler Ko van Dijk tot de ‘slechtste’ leners van deze instelling behoorde. Eind 1955 keerde Jaap Meijer terug uit Suriname. Pas een half jaar later kwam zijn boekerij in ruim 30 kisten in Nederland aan.

(5) In 1982 verscheen van de hand van J.Meijer: ‘H.J.Koenen: Geschiedenis der joden in Nederland (1893): historiographische analyse.

(6) Oud-stadsbibliothecaris van Haarlem Cees van Dijk noteerde in zijn necrologie: “Zelf kwamen de Meijers ‘nergens’. Toen ze mijn vrouw en mij een keer met een bezoek vereerden merkte Jaap op: ‘Dit is de eerste keer in tien jaar dat we samen op visite zijn’. In hun eigen huis waren ze overigens zeer gastvrij en menigeen heeft er van Liesjes kookkwaliteiten kunnen genieten.”

Jakob Meijer is op 13 juli 1993 anoniem begraven op de Algemene Begraafplaats in Heemstede

BIJLAGEN:

1. Persoonsbewijs van Jakob Meijer. Geboren als zoon van een Groningse marskramer in Winschoten. Hij beschikte over een doctoraat in de letteren – in 1941 gepromoveerd over Isaac da Costa bij Jan Romein en had een opleiding gevolgd voor rabbijn aan het Nederlands Israëlitisch Seminarium. Gedurende zijn geschiedenisstudie met bijvak letterkunde heeft hij in een bakkerij gewerkt en een middenstandsdiploma voor het bakkerijwezen behaald. Dat laatste kwam hem naast zijn vermogen om te organiseren tijdens de oorlog goed van pas in de kampen van Westerbork en Bergen-Belsen, omdat hij daar in de keuken mocht werken.

2. Jaap Meijer verzorgde zelf de publiciteit van zijn ‘eenmansuitgeverij’.

3. Een herhaling, nu met succes, want de bibliotheek schreef in op zijn publicaties.

4/5/6 Jaap Meijer schreef “beleefd aanbevelende” briefjes voor publicaties van zijn hand en verzoeken om literatuur voornamelijk op briefkaarten.

7 Gedicht van Jan Hanlo, door Saul van Messel vertaald in het Hebreeuws.

8. Manuscript van vers ‘Station Heemstede-Aerdenhout’ Uit: ‘Het geluid hing te trouwen’ (De Windroos, 1972). Later opgenomen in bibliofiele uitgave: ‘Heemstede en omstreken’ door Saul van Messel. Een uitgave in 75 exemplaren van de Mercator Pers in 1986, met de hand gezet in de Cancellaresca Bastarda. Het bevat o.a. een gedicht dat is gewijd aan de zionistische rabbi S.R.de Vries uit Haarlem en een ander ter ere van publiciste Mea Nijland-Verwey uit Santpoort, dochter van Albert Verwey en Kitty van Vloten.

9. Handschrift gedicht: ‘Heemstede/wandeling’

10. Brief met verzoek om een gemeentelijk subsidie

Jaap Meijer (links) bij het huwelijk van Harry Prick

Jaap Meijer (links) bij het huwelijk van Harry Prick

P.S. De collectie ‘Heemstede’ met boeken en documenten betreffende Jaap Meijer/Saul van Messel bevindt zich tegenwoordig in het Noord-Hollands Archief, locatie Kleine Houtweg 18, Haarlem.

Uit; Bibliotheca Rosenthaliana; treasures of Jewish bookloere. Amsterdam University Press, 1994.

Uit; Bibliotheca Rosenthaliana; treasures of Jewish booklore. Amsterdam University Press, 1994

Vervolg bijdrage van Henriëtta Boas. (1994)

Vervolg bijdrage van Henriëtta Boas. (1994)

Beschreven editie: Groningen-Chassiedisch; door Saul van Messel. Bedum, Exponent, 1985

Beschreven editie: Groningen-Chassiedisch; door Saul van Messel. Bedum, Exponent, 1985

About these ads