DE NATUUR VAN GROENENDAAL IN HISTORISCHE BESCHRIJVINGEN

1. Uit: ‘Onkruid, botanische wandelingen’ door F.W.van Eeden. 1886 (herdruk 1974)

scannen0032

“De overplaats van de Hartekamp vormt met het liefelijk Groenendaal en Boschbeek een prachtige, bijna onafgebroken reeks binnenduinen en duintjes, die zich ten zuiden aansluiten aan de weelderig begroeide hoogten van Hillegom en Lisse. Daar eindigt de heuvelstreek om allengs plaats te maken voor eentoonige weilanden. De bouwvallen van Teylingen en van Brederode wijzen de zuidelijke en noordelijke grenspunten aan het paradijs van Holland, dat Haarlem tot middenpunt heeft. Wij verlaten den Hout zuidwaarts en slaan digt bij het dorp Heemstede een voetpad in, dat regts van den straatweg een weiland doorkruist. De bodem van dit weiland is golvend en ongelijk; er staan eenige schilderachtige groepjes met dennen, en voor ons verheft zich een hoogte, geheel met dennen begroeid. Hier ligt Groenendaal, gekenmerkt door zijn rijkdom aan dennen. Overoude beuken, eiken en abeelen zijn hier mede niet zeldzaam. Op sommige der hoogste punten is de natuur woest en oorspronkelijk. De dennen staan als hooge zuilen in groepjes, of ongeregeld door elkander en vormen donkere partijen; aan den voet dier dennen zien wij braamstruiken en wilde kamperfoelie; de grond is met welige en hooge mossen bedekt, waaronder het driekantig en het glanzend dekmos (Hylocomium trquetrum en H. splendens), twee der prachtige mossen va ons land, die in den Hout zeer zeldzaam zijn. – Diep in de laagte ligt een vijver, langs welken de grond als bezaaid is met violette en rooskleurige, welriekende bloemen, de Hollandsche standelkruiden (Orchideeën), vroeger zeer algemeen in onze drassige streken, thans meer en meer schaars te vinden. Vooral de violette (Orchis latifolia) vormt hier zeer krachtige planten, en van het veel zeldzamer gevlekte standelkruid (O. maculata) vinden wij enkele exemplaren in het gras langs den vijverrand. In groot aantal vindt men daar ook het sierlijke, minder stijve moeras-nieskruid (Epipactis palustris) met wit rooskleurige bloempjes en ook het kleine, groenbloeijende tweeblad (Herminim Monorchis). – Op de helling van den oever zien wij verder het duizendguldenkruid (Lysimachia nummularia) met hare kruipende stengels en gele bloemen, en eindelijk, nagenoeg in het water, het moeras-zoutgras (Triglochin palustre), een van die onaanzienlijke, groenachtig bloeijende planten, die men niet opmerkt als men ze niet kent. – Al deze bloemen zag ik aan de oevers van den vijver, op een schoone dag in de maand Junij, terwijl midden op het watervlak de groote ronde bladen en witte bloemen der waterlelie prijkten. Op Groenendaal groeit ook de zeldzame, witbloeijende Holosteum umbellatum, die om Haarlem alleen bij Bloemendaal en hier gevonden is. Al deze planten zijn oorspronkelijk en eenmaal in het oude Hollandsche bosch algemeen geweest. – Hier was het midelpunt, de overgang van de hoogere zandgronden tot de drassige veenen. – Het duizendguldenkruid vertegenwoordigt de eerste, het zoutgras de laatste gronden. Ook aan eigenaardige kryptogamen is Groenendaal rijk. – De meest in het oog loopende daarvan zijn in het najaar de aardsterren (Geaster triplex), de fraaije oranjegele Peziza aurantia, die als groote omgekrulde ooren tusschen het mos te voorschijn komt, en het Hydnum auriscalpium, een donkerkleurige kleine zwam, die op afgevallen dennenappels groeit.

Groenendaal was en is rijk aan kruidgewassen (kruiden)

Groenendaal was en is rijk aan kruidgewassen (kruiden)

Er is een steile hoogte, waar men onder hooge dennen het uitzigt heeft over uitgestrekte boschjes. In de schaduw der dennen gezeten, ziet men in het voorjaar de jonge wilgenboompjes in hun eerste groen als zachte wolkjes tusschen het dorre eikenhout; hun gele bloemen verspreiden een opwekkenden geur; de heldere zandgrond en het groene mos – dat alles draagt geenszins een verheven, ernstig karakter; meer dat van vrijheid en kinderrijke genieting.

Stinzenplaten komen vooral voor bij buitenplaatsen

Stinzenplaten komen vooral voor bij buitenplaatsen

Ter zijde van den vijver ligt een hooge heuvel met een sierlijke belvédère, van waar men den omtrek kan overzien. De heuvel is door menschelijke kunst opgehoogd, en langs een breed en effen voetpad kan men hem opklimmen. Van den top zien wij overal bosschen; de groote kerk van Haarlem en de torens der omliggende dorpen rijzen als tusschen het geboomte omhoog en wij denken weder aan het oude Haarlemsche wapen.

De Belvédère (uit: Cultuurhistorische wandelroutes: wandelbos Groenendaal en de Algemene Begraafplaats)

De Belvédère (uit: Cultuurhistorische wandelroutes: wandelbos Groenendaal en de Algemene Begraafplaats)

Op den belvédère was voorheen een wapen uitgehouwen, het wapen der familie Hope, met het onderschrift at spes non fracta (de hoop nogtans is niet vervlogen).

Het motto van de Hope-familie: At Spes Non Fracta ofwel nog is de hoop (Hope) niet verloren

Het motto van de Hope-familie: At Spes Non Fracta ofwel nog is de hoop (Hope) niet verloren

– Er is adel in die spreuk. – Zij is de spreuk der natuur, wanneer wansmaak haar geweld aandoet. Zij is de beste leus voor ons allen in den strijd des levens, en zelfs een “Vicit Vim Virtus’ ons niet meer redden kan, zeggen wij nog: “at spes not fracta”.”

scannen0033

Plattegrond van Groenendaal. Het wandelbos (80 hectare) is ontstaan door samenvoeging van een aantal landgoederen tussen Herenweg en Ringvaart. In 1913 kocht de gemeente Heemstede het bos van de erven Van Merlen om het vervolgens open te stellen voor het publiek. Bosbeek werd vervolgens afgescheiden en in 1949 een deel van het park Meer en Berg bij Groenendaal gevoegd. Het bosgebied wordt tegenwoordig op ecologische wijze beheerd. Deze aanpak, waarbij de natuur min of meer zijn gang kan gaan, zorgt voor een grote variatie aan flora en fauna. Afgevallen takken en omgewaaide bomen blijven in principe liggen. Zo blijven de voedingsstoffen in het bos en kunnen planten en dieren hiervan profiteren. Schotse Hooglanders grazen in een deel van het gebied voor de variëteit in de begroeiing. De takkenrillen zorgen voor rust- en schuilgelegenheid voor vogels en andere fauna. In het bos komen groepen watervleermuis en rosse vleermuis voor. Verder heeft het bos een variëteit aan vogels waaronder de grauwe vliegenvanger, ransuil en kleine bonte specht. Aan de randen van het bos kan men in het voorjaar stinzenplanten zoals holwortel en anemoon zien bloeien. Van enkele soorten is bekend dat zij overblijfselen zijn van de Flora-bloemententoonstellingen van 1925, 1935 en 1953.

Ransuil in het bos

Ransuil in het bos

(2) Het Heemsteedse wandelbos; door J.B.Schepers, in: Buiten, 19 april 1913. “Zo viel mij dan het voorrecht te beurt van jhr. mr. D.E. van Lennep, de Heemsteedse burgemeester, een vrij-geleidebrief te ontvangen voor een terrein, waarvan het bestaan voor mij het karakter had van het doorbos, waar de schone slaapster in sluimert. En waarlijk, het is hier een slapende schoonheid, die door het Heemsteedse gemeenteraadsbesluit tot het werkelijke leven zal terugkeren en duizenden verrukken. Welk een blijde ontroering heeft die aankoop van Groenendaal, zoals wel de gemeenschappelijke naam zal worden van de gehele Heerlijkheid, veroorzaakt. (…) En nu mochten dan mijn vrouw en ik een eerste indruk van dit onbekende landgoed ontvangen en een vriendelijke begroeting horen uit de mond van de Heer De Wilde, de tuinman van het Buiten, die er een goede vijftig jaar gewoond gad. Een oude knecht, die echter flink kon lopen, vergezelde ons ten slotte in het “paleis” (nu Gastenhuis) waar nog wel schoonheid in was. maar het leven, dat er hoorde, het achttiende-eeuwse, was er niet meer.  [(…) volgt een beschrijving van het huis Bosbeek]. Met die weemoed, die vergane schoonheid wekt, zagen we nog eens terug naar het statige huis met de mooie lantaarns aan weerszijden van het bordes, met vergezicht over verstomde ogen van dieren, die geen mensen gewoon zijn, hadden aangekeken, en bij onverwachte bewegingen van ons waren weggesprongen. De damherten, die er vroeger ook liepen, waren naar Gelderland verhuisd. We omvatten nog eens die gestileerde vijver, waar een zomer-eetkamer naast stond, de witte, rustige tuinmanswoning, vanwaar in de laatste jaren net meer zoveel kracht tot ontwikkeling van het landgoed uitging als vroeger toen Mijnheer nog leefde, omdat de eigenares er geen behoefte aan voelde. En we waren op weg naar huis, vervuld van het vele schone dat we hadden waargenomen en van de vreugde, dat dit alles nu binnenkort een genot voor velen zal zijn. Hoe is dit ook weer gegaan? Laat mij de tocht in gedachten nog eens doen. We beklommen het allereerst de Belvédère, waar de fotograaf van ‘Buiten’ nog bezig was, het uitzicht naar het Noorden te nemen. Welk een ruimte: dààr de oude Gothieke Bavo, ginds de Romaanse koepel van de nieuwe Bavo met Haarlem achter Heemstede, en bij de Hout afstekend, verder Amsterdam geheel uitgestald aan de horizont met gashouder, torens en fabrieken, het Spaarne, de Ringvaart en de Meer, en verder naar Zuid en West overal bosgezichten, wazig-groenen schoonheid van dennen en sparren, waar een houtduif de rust verbrak.

scannen0057

En ‘t was een solied getimmerte ook, met gemakkelijke trap onder de koepel met gekleurd glas, dat het grauwe aardig brak. Weer naar beneden, over mossige paden het seringembos langs, met beloften van komende schoonheid, dan door de prachtige sparrenlaan met breeduithangende naaldenschoonheid van nu; langs heldere vijvers met veel waterlelies – alweer voor later – en hele bossen nu al fris-groene vogelkers, onder hoogstaand geboomte; voorbij de roem van de plaats: de rododendronvijver, een wildernis van die planten, om er over het water, het pad versperrende, dat er moerassig onder was; hoe prachtig moet zich dat geboste weerspiegelen in ‘t stille watertje, als het vol paarsblauwe bloemen zit; langs heerlijke lanen, o.a. de Torenlaan en de Adriënnelaan van beuken, platanen en alweer sparren met klimop begroeid, langs berkenbosjes met sparaanplantingen met even een kijkje in een oude koepel op een hoogte, met fraai vergezicht, in een grot met schelpen ingelegd; een warme blik op de achttiende-eeuwse biljartkoepel, waar Ferdinand Huyck en Henriëtte Baeck elkaar zeker geheimen te vertellen hadden… De koepel was gesloten! Ik geloof zeker, dat deze uit die roman naar hier is overgebracht of omgekeerd. De Van Lenneps woonden ook in deze streek  van het Manpad, ja, een David van Lennep is in de 18e eeuw eigenaar van dit landgoed geweest. Zo gingen wij door als in een droom: onze geleider bracht ons voor een zeenymf in een nis, met een dolfijn aan de voeten. De nis was ook met witte schelpen in grize materie ingelegd en droeg bovenop een vaas in een gebroken klassiek driehoekje. We gingen langs een bank, van walviskaken en -ribben gemaakt, die vroeger een brug gevormd hebben en nu met mos overdekt waren: herinneringen als zovele in dit landgoed aan een rijk verleden in krachteloosheid ondergegaan, om nu des te krachtiger op te leven.

scannen0058

Het is niet wel te doen, alles wat men op zo’n wandeling ziet, terstond tot een terdegen beeld van schoonheid te maken, maar dit stukje wil ook alleen vreugde geven aan vreugde over genoten schoonheid en over de liefde voor de natuur, zoals die o.a. blijkt uit de aankoop van het Noordermeer en ‘t Oosterwijkse vennebos, zo bewaard voor verkaveling en ontwijding en uit deze aankoop, waarvan geslachten na geslachten de schoonheid zullen kunnen bewonderen, als het dode verleden voor nieuw leven geweken is. maar toch, hoe gelukkig en rustig vele wandelaars er later kunnen worden in de stilte, weinige zullen er die weemoed gevoelen, die ons doortrilde, toen wij als ontdekkers door dit sprookjesbos liepen, waar niemand was, waar wij een fazant opjoegen, waar alleen vogelgezang klonk. Zo kwamen wij langs het nu niet meer werkende molentje, aan de grenzen van het landgoed.”

(3) Paddestoelennieues uit Groenendaal; door G.D.Swanenburg de Veije, in: De Levende Natuur, jaargang XXVII, afl. 1, 1 mei 1922

“Hoewel een mycoloog niet spoedig met lege handen uit onze Haarlemse omstreken terug zal komen, durf ik toch wel beweren, dat wij ons hier niet kunnen verheugen in een buitengewoon rijke paddestoelenomgeving. Waar we de laatste tijd met onze vrije wandelingen op zo’n afdoende wijze worden gekortwiekt en de bouw-, hak- en spitmanie van de mens meestal op de mooiste plekjes hoogtij viert, daar is dat ook niet zo’n wonder. Het spreekt wel van zelf, dat de goede en vruchtbare plaatsen, die we desondanks nog wel degelijk bezitten, ook des te meer in ere gehouden worden. Over één dezer gebieden wilde ik nu een en ander mededelen naar aanleiding van enige mooie en interessante vondsten, welke ik er dit jaar deed, ondanks het het late verschijnen, de kortstondige duur en de vrij geringe kwantiteit der paddestoelen van 1921. Ik heb hier op ‘oog het uitgestrekte wandelbos ‘Groenendaal’ bij Heemstede, ook aan vele niet-Haarlemmers door zijn prachtige bos- en waterpartijen, waarvan de omgeving van de beroemde waterlelievijver wel een der schilderachtigste gedeelten vormt, goed bekend.

Waterlelievijver Groenendaal

Waterlelievijver Groenendaal

Naar mijn mening treft men hier, wat de fungi aangaat, een rijkdom aan als nergens anders in deze omgeving. Helaas weer veel te vroeg heeft de vorst het zwammenleven, dat zich na de laatste overvloedige regens juist zo volop begon te ontwikkelen, gereduceerd tot dat der winterharde sooren en van enkele, die op een beschutte, vorstvrije plaats aan het gevaar zijn ontsnapt.  Het Noordelijke deel van Groenendaal leek mij ongetwijfeld het belangrijkste en uit de aard der zaak heb ik daar dan ook het meest gebotaniseerd. Bovenden sluit zich bij dit gedeelte een stuk weiland aan, dat zonder meer een mycologisce excursie al dubbel en dwars waard is. Maar daarvover straks meer. Enkele stevige regenbuien, maar vooral de abnormaal vochtige en warme atmosfeer, brachten eindelijk half september wat leven in de dorre bosgrond. Een massaanval door het brutale honigzwammenleger was wel het voornaamste resulltaat, een ware ovverompeling van alles, dat maar enigszins leek op dood of ziek hout. Toch kwam langzamerhand  wat beters opdagen. Voor het eerst hun opwachting in Groenendaal maakten Boletus Satanas, Tricholoma acerbum,een forse geelwitte ridderzwam, Marasmius cohaerens (Mar. ceratopus), een zeldzaam mooi ding met donkerbruine hoed en lange, glimmende bruine steel en de typische, van een duidelijke cortina voorziene variëteit triste van Tricholoma terreum, welke ik het vorige jaar voor ‘t eerst in Elswout vond. Bijzonder in mijn schik was ik met een beukentakje, waarop een prachtig, heldergeel stekelzwammetje, Bij mijn determinatie door mej. Cool bleek het een voor ons lans nieuwe soort van het korstvormig groeiende geslacht der Odontia’s te zijn en wel Odontia aurea Tr.

Odontia aurea Tr. op en beukentakje in Groenendaal

Odontia aurea Tr. op en beukentakje in Groenendaal, 13.9.1921

Een andere nieuweling voor onze flora presenteerde zich in de vorm van een sneeuwwitte, kleine Pleurotus, vastgehecht aan de baadjes van een mosje (Polytrichum) en aan dennennaalden. Mijn determinatie als Pleurotus hypnophilus Berk bleek juist te zijn.

Pleurotus hypnophilus Berk. (Groenendaal, 1921)

Pleurotus hypnophilus Berk. (Groenendaal, 3.11.1921)

Op een brok half vergaan hout groeide nog de grotere, veel minder zeldzame Pleurotus pubescens Sow. (Pl. septicus Tr.), welke op ‘t eerste gezicht veel gelijkt op de vrij algemeen voorkomende Claudopus variabilis, die echter door de bruine sporen, en verdere microscopische verschillen er duidelijk aan te herkennen zijn. Op mestrije plaatsen loop je altijd een grote kans wat aardigs te vinden. De Groenendaalse konijnen leverden zelfs het substraat voor een geheel nieuwe Coprinussoort, één van de allerkleinste inktzwammetjes, die er bestaan. Het dingetje was, zoals de figuur laat zien, nog heel wat kleiner, dan het konijnenbolletje, waar het zo parmantig uit te voorschijn komt. De determinatie gaf weinig moeilijkheden, daar het één van de weinige Corinussoorten is met een ring en bovendien slechts een halve centimeter groot. De naam is Coprinus Hendersonii Berk, vermoedelijk door de uitest geringe afmetingen tot nu toe over ‘t hoofd gezien

Coprinus Henesonii Berk op konijnenexcrementen (Groenendaal, 6.11.1921)

Coprinus Hendersonii Berk op konijnenexcrementen (Groenendaal, 6.11.1921)

Niet onvermeld wil ik verder nog laten de vondst door één van mijn kennissen van een nieuwe Inocybe, n.l. I. echinata Roth. met een bruine hoed en een typische tweekleurige steel, bovenaan rood, onderaan donkerbruin. De lamellen zijn ook rood en de sporen, eerst aardkleurig, schijnen ook roodachtig te worden, vandaar dat deze zwam, ook al, doordat de vorm vrij veel met die van een Lepiota overeenkomt. Als paddenstoelenverzamelaar overkomt het je natuurlijk herhaaldelijk, dat je met hooggespannen verwachtingen en onblusbare ijver de meest verleidelijk uitziende plekjes nasnuffelt, om in de meeste gevallen aan het eind van de tocht de meegejouwde tas nog bijna net zo leeg te zien als aan het begin. Dergelijke plekjes telt Haarlem bij massa’s in haar omgeving. Raak je echter, meestal bij toeval, eens verzeild op een plaats die je uiterlijk weinig belooft, dan vindt men dikwijls de interessantste dingen. In hoge mate ondervond ik dat dit jaar met een weiland, dat gedeeltelijk ingesloten ligt in het Noordelijke deel van Groenendaal, zeer schilderachtig gelegen, maar zo op ‘t eerste gezicht dor en onvruchtbaar. Groepjes populieren, staan hier en daar verspreid en zorgen in de herfst voor een plaatselijk vrij dicht bladerdek op de grond. Ik herinner me nog, dat grote witte vlekken in het gras, welke later reusachtige stuifballen (Lycoperdon caelatum) bleken te zijn, zo’n aantrekkingskracht op me uitoefenden dat ik besloot er eens even rond te kijken. Geen ogenblik heb ik daar spijt van gehad. Totdat half november de vorst inviel, vond ik er allerlei moois. Een overvloed van champignons, (Psalliota arvensis), verschillende Hygrophorus- en Nolanea soorten, Clitopilus orcella (weinig in ‘t westen van ons land voorkomend), Coprinus niveus, deze laatste bij honderden op paardenmest, waaronder exemplaren van 3-4 cm. hoedlengte, waren alleen al een bezoek waard. Groesgewijs verspreid stonden kolossale ridderzwammen met mooie, min of meer gemarmerde hoeden en meest aflopende plaatjes. Deze vrij zeldzame Tricholoma Panaeolum F. was begin november een der meest voorkomende paddestoelen van het weiland. Een buitenkansje was de vondst van een klein, wit ridderzwammetje in slechts enkele exemplaren tussen het lange gras, namelijk Trichomola cnista Tr. De rosesporigen waren er onder meer vertegenwoordigd door een paar zeer zeldzame soorten van het geslacht Entoloma en wel één exemplaar van de, op de plaatjes na, geheel witte Entoloma speculum Tr. en in grotere hoeveelheid een donkerbruine, zeer breekbare soort, Enoloma jubatum Tr., met typisch grauwachtige plaatjes, alleen door de sporen wat rose bestoven. Als ik mij niet vergis, is deze laatste nog slechts eens gevonden in een weiland bij Doetinchem. Ten slotte gaven de afgevallen populierenbladeren in november nog een aardige verrassing in de vorm van een nieuwe Typhula soort, T. Mucor Pat, doorschijnend witte knotsjes, veel gelijkend op Typhula Grevillei Tr., welke echter de steel behaard heeft.

Typhula Mucor Pat. op populierenbladeren in Groenendaal, 6.1.1921

Typhula Mucor Pat. op populierenbladeren in Groenendaal, 6.1.1921

Een paar dagen na de de gedenkwaardige storm op 6 november 1921, waarin we juist onderhielden en het weiland in volle glorie aantroffen, maakte de plotseling invallende vorst helaas aan alles een eind. Ik twijfel er niet aan, of er was anders nog wel wat meer moois voor de dag gekomen. Aan mej. Cool breng ik hierbij nogmaals dank voor haar vriendelijke hulp bij het determineren. Moge het volgend jaar nog enig Groenendaal’s product zijn op weg naar ‘s Rijks Herbarium vinden. (Haarlem, november 1921).”

Mede dankzij veel dood hout komen hedentendage nog tientallen soorten in Groenendaal voor. IVN-Zuid-Kennemerland organiseert incidenteel paddestoelenwandelingen

Mede dankzij veel dood hout komen hedentendage nog tientallen soorten in Groenendaal voor. IVN-Zuid-Kennemerland organiseert hier incidenteel paddestoelenwandelingen

Houtzwammen in Groenendaal (foto IVN)

Houtzwammen in Groenendaal (foto IVN)

(4) FLORA EN FAUNA VAN HET WANDELBOS ‘GROENENDAAL’ door Jan P.Strijbos [in: Groenendaal, VOHB, 1978)

“Een van de belangrijkste longen van Kennemerland wordt gevormd door het wandelpark ‘Groenendaal’. Een fraai en flink stuk binnenduin met zwaar opgaand hout, voornamelijk bestaande uit loofhoutbomen van eerbiedwaardige ouderdom – sommige beuken zijn circa 175 jaar oud – en wat naaldhout. Wanneer wij de tennisbanen, de hertenbaan en de kinderboerderij met de volières, de speeltuin met fietsenstalling en de omgeving van het verversingshuis niet meerekenen beslaat het park zo ongeveer 75 hectare. De Algemene Begraafplaats ressorteert ook onder de plantsoenendienst, behoort niet tot het park, maar sluit hierbij wel aan. Indertijd zijn op meerdere plaatsen vijvers gegraven en de vrij komende grond zorgt er voor dat het terrein hier en daar nog sterker geaccidenteerd is, waardoor het gebied in ruime mate aan aantrekkelijkheid wint. Van de boomsoorten welke het bos vormen kunnen genoemd worden beuk, eik, verschillende soorten popel, wilgen, elzen, abeel, haagbeuk, paardekastanje, Amerikaanse eik, plataan, acacia, balsempopel, berk, hulst, linde en tal van heesters en struiken, zoals vlier, meidoorn, hazelaar, vogelkers, kardinaalshoedje en de uit Carolina stammende sneeuwklokjesboom. Het naaldhoutbestand is eveneens gevarieerd en bestaat uit verschillende soorten dennen, zilverspar, Douglasden en nog enkele andere soorten. Bij de Waterdel pronkt een Moerascypres. De bodem is uitgeloogd en arm aan kalk en geeft dan ook aan kalkminnende soorten weinig kansen. In het vroege voorjaar prijken daar de sneeuwklokjes en wat later komen dan de bosanemonen tot bloei, daarna verschijnen helmbloem en de schermdragende vogelmelk. De onderbegroeiing bestaat dan weldra uit het fluitekruid, brandnetels, dagkoekoeksbloem, kleefkruid en de wat lager blijvende ereprijssoorten, hondsdraf en lelietjes der dalen, look zonder look, salomonszegel, akkerhoornbloem en Stellariasoorten. Een voorjaarspaddestoel is de morielje en als het weer herfst is geworden, kunnen wij hier en daar genieten van de fraaie rood en wit gestippelde vliegenzwammen, tal van soorten inktzwammen. Bavisten en boleten, eekhoorntjesbrood, effenbankje, zwavelkopje, berkenzwam en biefstukzwam. Een bosmedewerker ontdekte op één plaats de herfstbloeier, een op de crocus gelijkende herfsttijloos.

Nestkastjes plaatsen in Groenendaal

Nestkastjes plaatsen in Groenendaal

De zoogdierfauna is niet rijk aan soorten. Het konijn en de eekhoorn zijn waarschijnlijk wel het talrijkst vertegenwoordigd. Veder komt er de mol, de hermelijn en de egel voor, een paar soorten vleermuizen die echter zoals overal elders veel minder talrijk zijn geworden. De rosse bosmuis, woelmuizen en veldmuizen ontbreken evenmin. De eekhoorns berokkenen aan de vogelstand veel schade en de loslopende honden van de bezoekers van het park vormen een plaag voor de grondbroeders onder de vogels, terwijl de eekhoorn de bewoners van de talrijke nestkasten belaagt. Hondenbezitters komen uit alle delen van Kennemerland, uit Lisse en Halfweg en zelfs uit Amsterdam met hun lievelingen omdat ze in ‘Groenendaal’ los mogen lopen. Er is een trend naar grote honden en de keutels worden steeds groter. Er zijn veel te veel honden in Nederland en zelfs meer dan in geheel West-Duitsland. Een grote hond is een statussymbool geworden en vele hondenliefhebbers bezitten meer dan één hond. De overlast die de honden bezorgen heeft overal grote vormen aangenomen en zijn oorzaak dat tal van grondbroeders zoals nachtegaal, fluiter en tuinfluiter uit ‘Groenendaal’ verdwenen zijn. De bosfazant en de fitis en de tjiftjaf, de roodborst en de zwartkop zijn in aantal sterk achteruit gegaan en dat wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de vele honden die hier komen dollen.

scannen0035

In totaal werden in het jaar 1977 niet minder dan 31 soorten vogels genoteerd. Deze tellingen hebben wij te danken aan L. van ’t Sant uit Haarlem die nu al meer dan 35 jaar de nestkastcontrole op zich nam en het park op vogels inventariseerde. De laatste jaren werden veel nestkasten vernield of gestolen. De zinloze vernielzucht van een deel van onze jeugdigen is een algemeen verschijnsel en wij tasten in het duister naar de oorzaken daarvan. Mogelijk heeft de jeugdwerkeloosheid daar iets mee te maken. Het staat vast dat de vernielingen de overheid enorme sommen kost. Van de vogels welke in de nestkasten broeden noemen wij in de eerste plaats kool- en pimpelmees. In de jaren 1974, 1975, 1976 en 1977 nestelden niet minder dan respectievelijk 78, 88, 77 en 89 koolmezen die jongen grootbrachten. Het aantal jongen dat uitvloog bedroeg respectievelijk 499, 596, 496 en 445. Daarna kwamen nog een flink aantal tweede broedsels tot ontwikkeling. Het aantal was in alle jaren veel minder goed vertegenwoordigd. Andere holenbroeders die graag gebruik maken van deze kunstmatige holen zijn spreeuw, huismus en ringmus.

Boomvalk met jongen, gefotografeerd door Jan P.Strijbos

Boomvalk met jongen, gefotografeerd door Jan P.Strijbos

Opmerkelijk is het teruglopen van het aantal grauwe vliegenvangers die gaarne in open nestkasten nestelden, ze zin zo goed als verdwenen, evenals de gekraagde roodstaart, die ook graag in nestkasten zijn broedsel groot brengt. Op 7 mei  werd in 1977 op de begraafplaats een zingend mannetje van de roodstaart gezien. Deze kan blijkbaar geen levenspartner ontdekken en verdween wat later ongetroost. Afgezien van de beide genoemde mezensoorten, is ook de glanskopmees en broedvogel in een enkel paar. De staartmees wordt wel min of meer regelmatig gesignaleerd, maar van broeden is niets gebleken. Zij trekken vlak na de broedtijd in kleine groepjes familiegewijs door het bos en ook de goudhaantjes, zijdelings aan de mezenfamilie verwant, worden vaak gezien, bij voorkeur in het naaldwoud. Boomkruiper en boomklever zijn elk jaar in enkele paren vertegenwoordigd. Van de spechten en dat zijn echte boombewonende vogels kunnen wij de grote bonte specht en de groene specht noemen. Er is ok een keer een zwarte specht waargenomen. Deze sinjeur, bijna zo groot als een kraai, kwam omstreeks 1915 in ons land binnen en wel zonder paspoort en werd in het oosten van het land een schaarse broedvogel. Hij wist zijn areaal steeds uit te breiden en verscheen ook in de duinstreek en de laatste jaren heeft deze spechtensoort op verschillende plaatsten genesteld, o.a. in ‘Elswout’. Dat is een winstpunt. Maar wat hebben wij niet verloren in de laatste jaren. De grauwe klauwier, in vroeger tijden een vrij algemene broedvogel in de duinstreek, die ook in Groenendaal voorkwam, is een rara avis geworden, evenals de wielewaal en de ijsvogel en nog enen heel rijtje. Van de Lijsters broeden in het wandelpark de merel, de zanglijster en ook de grote lijster, al is de laatste lang niet meer zo algemeen als veertig jaar geleden. In de herfst verschijnen er de koperwieken en in kleiner aantal ook de kraanvogels. Ze prefereren open stukken en zijn dan vaak te vinden op het stuk weiland dat aan de noordgrens van het park grenst. De holenduif verdween en werd gedurende een periode van tien jaar niet meer gezien. In 1977 werd echter weer het broeden vastgesteld, althans een poging daartoe, maar tot tweemaal toe werd dat verijdeld door de deugnieten van eekhoorns. Ook de eksters en de vlaamse gaaien zijn vaak nestenrovers, vooral in het voorjaar, wanneer de bomen nog niet volop in blad staan en de nesten van zangvogels wat eenvoudiger zijn te vinden. Van de andere kraaiachtigen noemen wij de zwarte kraai en de kauw. De bonte kraai is veel minder algemeen dan vroeger en arriveert ook veel later. Toen kon men op 1 oktober op de eerste bonte kraai rekenen, maar thans komt die wintergast pas in het laatste van deze maand. De roek is spoorloos en wordt niet meer gezien. Er is in geheel Noord-Holland geen enkele roekenkolonie meer. En wat hadden wij een halve eeuw geleden niet een plezier in de voorjaarsbedrijvigheid in de roekenkolonies van de Haarlemse bolwerken, langs de Nieuwe Gracht, bij de Cavaleriekazerne, het Frans Halsplein en in de Hertenkamp in de Haarlemmerhout.

Jan P.Strijbos (1891-1983) was een vermaard vogelkenner en natuurvorser. Geboren in Haarlem woonde hij een groot deel van zijn leven in de Claus Sluterweg, Heemstede, en de laatste jaren van zijn leven in huize Bodaan te Bentveld. Bij gelegenheid van zijn 90ste verjaardag in 1981 is een tentoonstelling aan Strijbos gewijd in de gemeentelijke openbare bibliotheek Heemstede. Hier rechts met burgemeester jhr.mr.O.R.van den Bosch (midden) en links de echtgenote van J.P.Strijbos

Jan P.Strijbos (1891-1983) was een vermaard vogelkenner en natuurvorser. Globetrotter ook en auteur van zo’n 25 boeken. Geboren te Haarlem woonde hij een groot deel van zijn leven in Heemstede, Herenweg 217, Claus Sluterweg 2 en sinds 1981 in huize Bodaan te Bentveld. Bij gelegenheid van zijn 90ste verjaardag in 1981 is een tentoonstelling aan Strijbos gewijd in de gemeentelijke openbare bibliotheek Heemstede. Hier rechts met burgemeester jhr.mr.O.R.van den Bosch en links de echtgenote van J.P.Strijbos

Het echtpaar Jan en Aje Strijbos in hun huis aan de Herenweg Heemstede in 1963 na een reis van 7 maanden in Nieuw Zeeland te hebben gemaakt om daar de flora en fauna te bestuderen

Het echtpaar Jan en Aje Strijbos in hun huis aan de Herenweg Heemstede in 1963 na een reis van 7 maanden in Nieuw Zeeland te hebben gemaakt om daar de flora en fauna te bestuderen

Portret van Jan P.Strijbos uit 1976 toen hij 85 jaar was geworden en bij die gelegenheid  zijn herinneringen publiceerde in het boek: 'Herinneringen; mensen en tijden die ik gekend heb." In 1984 is een laan naar Strijbos in Heemstede vernoemd.

Portret van Jan P.Strijbos uit 1976 toen hij 85 jaar was geworden en bij die gelegenheid zijn herinneringen publiceerde in het boek: ‘Herinneringen; mensen en tijden die ik gekend heb.” In 1984 is een laan naar Strijbos in Heemstede vernoemd.

Hoe komt het dat de wielewaal in vele delen van ons land veel minder talrijk is geworden? Sommige schuiven dat in de schoenen van de brave bandieten van Italianen, die elk jaar vele miljoenen trekvogels naar de andere wereld helpen. Vooral de voorjaarsjacht in Italië is funest. In Calabrië wordt nog op vogels gejaagd tot 15 april en zelfs nog wat later. Dat is dan juist de tijd dat de felbegeerde tortelduiven en wielewalen op de retourvlucht uit hun winterkwartieren in Afrika naar het boorden koersen. Vele duizenden van deze fraai gekleurde wielewalen vallen aan deze schutters ten offer en alle protesten uit vele delen van Europa lapt de Italiaanse regering aan haar laars. Van de uilensoorten staat het vast dat de bosuil tot de broedvogels van ‘Groenendaal’ gerekend mag worden.  Van de dagroofvogels is alleen de boomvalk een zekere broedvogel, de torenvalk ontbreekt er als zodanig. Van de meerkoet en het waterhoen zijn in verschillende jaren broedgevallen geconstateerd en dat geldt ook voor de wilde eend. Rest ons nog de heggemus, de spreeuw en de winterkoning te noemen. Zij behoren tot de vaste bewoners van het park evenals de vink, de groenvink en de koekoek. Deze laatste parasiteert voornamelijk op de heggemus en de gekraagde roodstaart. De boerenzwaluw nestelt elk jaar in de kap van het huisje in de kinderboerderij en brengt daar zijn jongen groot. Dat ik hier een bijdrage heb kunnen leveren over de flora en fauna van ‘Groenendaal heb ik te danken aan de vele gegevens die de heren J. Alberda en L. van ’t Sant beschikbaar stelden. Hiervoor blijf ik beide heren zeer erkentelijk.”

Schrijven van Ja. P.Strijbos uit 1981. Zijn motto was: 'Geen betere buur dan de natuur' en als symbool koos hij voor de schollevaer

Schrijven van Jan P.Strijbos uit 1981. Zijn motto was: ‘Geen betere buur dan de natuur’ en als symbool koos hij voor de schollevaer

Zwarte ofwel Canadese populier in Groenendaal

Zwarte populier in Groenendaal

Groenendaal1

Paddestoelengroei in Groenendaal

Paddestoelengroei in Groenendaal

Zomereik (foto Leo Goudzwaard)

Dubbele zomereik (foto Leo Goudzwaard)

Ooievaar op nest in het hertenkamp van Groenendaal

Ooievaar op nest in het hertenkamp van Groenendaal

Ooievaar op paalnest in Groenendaal (foto Cor111)

Ooievaar op paalnest in Groenendaal (foto Cor111)

===================================================================

(5) Vogels/nestkastjes in Groenendaal: uit Jaarverslag Bedrijf Openbare Werken (Groenendaal) over het jaar 1938

Nestkastjes Groenendaal 1938

Nestkastjes Groenendaal 1938

 

(6) Vogel-leven in Groenendaal (1941)

Knipsel over vogels in Groenendaal uit Oprechte Haerlemsche Courant van 16 augustus 1941

Knipsel over vogels in Groenendaal uit Oprechte Haerlemsche Courant van 16 augustus 1941

(7) De vogelstand in Groenendaal (1943)

Knipsel over de vogelstand in Groenendaal uit OHC van 26 maart 1943

Knipsel over de vogelstand in Groenendaal uit OHC van 26 maart 1943

(8) Herfsttaferelen wandelbos Groenendaal 1935 gefotografeerd door B.F.Eilers (Stadsarchief Amsterdam)

Herfst in Groenedaal (collectie Stadsarchief Amsterdam)

Herfst in Groenendaal (collectie Stadsarchief Amsterdam)

Herfsttafereel Groenendaal Heemstede (coll. Stadsarchief Amsterdam)

Herfsttafereel Groenendaal Heemstede (coll. Stadsarchief Amsterdam)

Herfst in Groenendaal, 1935 (coll. Stadsarchief Amsterdam)

Herfst in Groenendaal, 1935 (coll. Stadsarchief Amsterdam)

Groenendaal in de herfst, 1935 (coll. Stadsarchief Amsterdam)

Groenendaal in de herfst, 1935 (coll. Stadsarchief Amsterdam)

===========================================================================

In 1979 had zich een bosuil, die meestal in bomen huizen, gevestigd in een van de schoorstenen van restaraurant Groenendaal. Om niet geroosterd te worden had men de kachel onder de schoorsteen te zijnen gerieve uitgedraaid.

In 1979 had zich een bosuil, die meestal in bomen huizen, gevestigd in een van de schoorstenen van restaurant Groenendaal. Om niet geroosterd te worden is de kachel onder de schoorsteen te zijnen gerieve uitgedraaid.

===========================================================================

(9) Dikste zwarte populier staat in weiland van park Groenendaal. Deze is intussen minstens 150 jaar oud, heeft weliswaar een deel van zijn kruin verloren en is hol. De omtrek bedraagt in 2013: 735 centimeter

Uit: Vic Klep en Hans Krol: Kleine en verborgen monumenten in Heemstede en Bennebroek. VOHB, 1991

Uit: Vic Klep en Hans Krol: Kleine en verborgen monumenten in Heemstede en Bennebroek. VOHB, 1991

(10) Naar een ecologisch beheer: VERENIGING VRIENDEN VAN HET WANDELBOS GROENENDAAL (1989 – heden)

“Nadat in 1989 het gemeentebestuur van Heemstede in een druk bezochte hoorzitting een ecologisch beheersplan (opgesteld door het bureau Van der Lans) voor het wandelbos Groenendaal presenteerde ontstond bij een groot aantal van de aanwezigen onrust over de gang van zaken rondom wandelbos Groenendaal. Dit nieuwe beheersplan moest het beheersplan 1982-1992 vervangen met name als gevolg van gewijzigde beheers inzichten en de noodzaak tot bezuiniging (nota ‘beperken kosten beheer Wandelbos Groenendaal’, november 1988). Teneinde de belangen van de verontruste bezoekers van Groenendaal te bundelen, werd medio 1989 besloten tot het oprichten van een (belangen)vereniging. De vereniging werd per 21 juni 1989 opgericht onder de naam: ‘Vrienden van het wandelbos Groenendaal’.

Vooromslag van het blad Groenendaal dat na 1989 verscheen

Vooromslag van het blad Groenendaal dat na  28 juni 1989 verscheen als orgaan van de vereniging ‘Vrienden Wandelbos Groenendaal’.

Na 'Groenendaal' is 'Het Bosblad' de nieuwe naam als uitgave van 'Vrienden Wandelbos Groenendaal'. Hier nummer 8 van februari 1993

Na ‘Groenendaal’ is ‘Het Bosblad’ de nieuwe naam als uitgave van ‘Vrienden Wandelbos Groenendaal’. Hier nummer 8 van februari 1993

Het bestuur van de vereniging heeft vanaf de oprichting in 1989 tot op heden steeds getracht in overleg met het gemeentebestuur de belangen van de recreanten en het bos te behartigen. Dit heeft onder andere geleid tot de garantie dat het Noordelijk gedeelte van het Wandelbos vrij toegankelijk is voor mens en die. In dit licht is het belangrijk om te vermelden dat de toelichting bij het raadsbesluit op 27 maart 1913 tot aankoop van Groenendaal toentertijd vermeldde: “doel van de aankoop is de openstelling van de wandeling in het bos voor een ieder.”

In de loop van 1994 is een begin gemaakt met de tweede fase van het ecologisch beheersplan. Grote grazers (IJslandse ponies en Schotse Hooglanders), die onderdeel uitmaakten van het ecologisch beheersplan en tot dusverre in het zuidelijk deel van het bos (ten zuiden van de Sparrenlaan) hun ‘werkterrein’ hadden, zouden ook toegang krijgen tot het noordelijk deel van het bos. Deze periode kenmerkt zich door veel weerstand tegen de uitbreiding van begrazing en protestacties met gebundelde handtekeningen. Uiteindelijk heeft het gemeentebestuur de IJslandse ponies laten verwijderen uit het bos. Hierna wordt in 1999 een mogelijke overdracht van het wandelbos aan Stichting Noord-Hollands Landschap door het gemeentebestuur aangekaart, teneinde de beheerskosten te beperken. Ook dit kan bij de Heemsteedse burgers niet op bijval rekenen blijkens een massaal ingevulde, en aan het gemeentebestuur aangeboden, enquête. Het prachtige Wandelbos Groenendaal blijft uiteindelijk in eigendom van de gemeente.

Chinese boomstammenbrug in Groenendaal

Chinese boomstammenbrug in Groenendaal

Over het beheer van het wandelbos wordt momenteel intensief overleg gepleegd mat de gemeente. Wederzijdse initiatieven en suggesties worden afgewogen en besproken op een gelijkwaardige basis. Dit alles et als doel een evenwicht tussen de belangen van de vrije recreatie en de bescherming van de natuur.

Hooglanders in de sneeuw

Schotse Hooglanders in de sneeuw

Voor informatie uit 7 boskranten, jaarlijks verschenen tussen 2006 en 2012, zie:  http://www.wandelbosgroenendaal.nl

 scannen0036VERVOLG, zie: De natuur van Groenendaal (deel 2)

About these ads