Breaking news: koningsbeeld van Ellen Wolff per 5 september 2013 in Stadhuis Haarlem

Ellen Wolff maakt koningsbeeld. Uit: Haarlems Dagblad van 14 mei 2013

Ellen Wolff maakt koningsbeeld. Uit: Haarlems Dagblad van 14 mei 2013

Vervaardigd door Ellen Wolff uit Heemstede
Borstbeeld van Hella Haasse onthuld in Bibliotheek Amsterdam

Op 2 februari 2013 is bij gelegenheid van de 95ste geboortedag van schrijfster Hella (Hélène) S(erafia) Haasse een borstbeeld onthuld door haar dochter in de centrale openbare bibliotheek van Amsterdam. Het bronzen beeld is vervaardigd door de Heemsteedse kunstenares Ellen Wolff. De manifestatie had plaats in de Hella Haassezaal op de zesde etage en werd vanuit Heemstede o.a. bijgewoond door wethouder mevrouw Christa Kuipers.

Openbare Bibliotheek Amsterdam
De op 7-7-2007 geopende openbare bibliotheek van Amsterdam (OBA) aan de Oosterdokskade is met 28.000 vierkante meter de grootste van Europa, zelfs 3.000 vierkante meter groter dan de Bijenkorf en zal in 2013 door de nieuwe bibliotheek van Birmingham worden overtroffen met 32.000 vierkante meter. Bovendien wordt de OBA gerekend bij de top-10 van openbare bibliotheken wereldwijd, naast New York, Seattle, Los Angeles, Vancouver, Stuttgart, Manchester, Mexico-City, Shanghai en Alexandrië. De hoofdstadbibliotheek is 7 dagen per week open van 10-20 uur en wordt dagelijks door gemiddeld 5.000 personen bezocht. Al 7 maanden na de openstelling kon de miljoenste bezoeker worden geregistreerd.

Centrale Openbare Bibliotheek Amsterdam (foto I.van de Boom)

Centrale Openbare Bibliotheek Amsterdam (foto I.van de Boom)

Het totale bezit bedraagt 1.6 miljoen boeken en andere media en het gebouw bestaat uit o.a. een jeugdbibliotheek, fonotheek, tentoonstellingszaal, studieruimten met ruim 1.000 zitplaatsen en meer dan internetcomputers, een Revemuseum, een theater op de 7e verdieping en 2 restaurants. De instelling beschikte al over beelden van Simon Vestdijk, Willem Frederik Hermans, Godfried Bomans, Harry Mulisch, Simon Vinkenoog, maar Hella Haasse ontbrak nog. Toch was het deze schrijfster die bij de officiële opening een lofrede hield waarin zij het belang van de bibliotheek voor haar ontwikkeling benadrukte.

Ellen van Lelyveld, dochter van Hella Haase (lnks) na de onthulling met Ellen Wolff

Ellen van Lelyveld, dochter van Hella Haase, (links) na de onthulling met Ellen Wolff

Programma
Na een welkomstwoord door directeur Hans van Velzen, hield Sylvia Dornseiffer (directeur Amsterdams Fonds voor de Kunst) een boeiende lezing ‘Ontmoeting met Hella Haasse’, waarin zij aangaf dat de schrijfster helaas nooit een Amsterdamse prijs kreeg en daarom de postume lofprijzing in de bibliotheek verdiend is. Vervolgens gaf Ellen Wolff, mede aan de hand van filmbeelden, een toelichting op haar werk afsluitend met een persoonlijk gedicht dat op de aanwezigen veel indruk maakte. De onthulling geschiedde door mevouw Ellen van Lelyveld, dochter van de in 2011 overleden letterkundige.

Met Job Cohen, de nieuwe voorzitter van de Raad va Toezicht van de OBA

Met Job Cohen, de nieuwe voorzitter van de Raad van Toezicht van de Openbare Bibliotheek Amsterdam

Hella Haasse’s 1 jarig verblijf in Heemstede
Hella Haasse is in 1918 geboren in Batavia. Na de ziekte van haar moeder, die in 1924 in een sanatorium in het Zwitserse Davos is opgenomen bleef de vader in Indië achter en zijn de twee kinderen vanuit Surabaya neer Nederland teruggekomen. De jonge Hella kwam aanvankelijk terecht bij de grootouders van moederskant, opa dr.A.C.G.de Vries [in 1936 in Heemstede overleden] en oma Hélène Serafia Weitzel [in 1933 gestorven] die in een huis met de gevelsteen de ‘Meermin’ woonden op het adres Jeroen Boschlaan 7.

Het huis de Meermin in Heemstede waar Hella Haasse als 7-jarig kind in 1924 bij haar grootouders woonde

Het huis de Meermin in Heemstede waar Hella Haasse als 7-jarig kind in 1924 bij haar grootouders woonde

In ‘Retour Grenoble’ zei ze in 2003 aan Anthony Mertens: “Die mensen en vooral wat er schuilging achter wat ik van ze zag en over ze hoorde, zijn erg belangrijk voor me geweest. Telkens ontdekte ik dat de dingen die ik dacht te weten anders moest interpreteren. Ze bestonden ook in hoofdzaak op afstand. Ik had vooral uit de verte, vanuit Indië, en via de mededelingen van anderen, met ze te maken. Ze waren de onbekende achtergrond van mijn leven, een voortdurende bron van raadsels.”

De grootouders van Hella Haasse op een foto genomen in Gent

De grootouders van Hella Haasse op een foto genomen in de zomer van 1898 in het Belgische Gent

Verder merkte ze over het verblijf in Heemstede en Baarn op: “Dat was een heel kenmerkende periode die belangrijk voor me geweest is, omdat je als kind bijna drie jaar niet thuis was. Dat heb ik achteraf wel ingezien. Toen heeft het fantaseren een belangrijke functie gekregen.” De grootvader die als antiquaar en veilinghouder in Amsterdam werkte was altijd druk met zijn werk en had weinig tijd voor Hella. Haar dominerende grootmoeder moet een nerveus-drukke vrouw zijn geweest, variërend van overdadige vrolijkheid tot driftbuien, die het kleinkind in een keurslijf van verboden en voorschriften snoerde ter wille van het vlekkeloze aanschijn van huis en huisraad met kastjes vol snuisterijen, kandelaars en bonbonnières, waar geen ruimte was voor kinderspel, laat staan om te spelen met leeftijdgenootjes. In haar autobiografische publicatie ‘Zelfportret als legkaart’ (1954) schreef zij voor een kind in een gepolijst huis te wonen, waar ze weer een in zichzelf besloten leventje leidde. Als er dan problemen met school komen wordt de 8-jarige Hella ondergebracht in een kinderpension te Baarn. Daar woonden ook de andere grootouders, evenals haar broer. Veel later, in 1962, zou de schrijfster een sleutelman publiceren onder de titel ‘de Meermin’ waarin reminiscenties aan haar tijdelijk verblijf in Heemstede zijn verwerkt.

Hella Haasse op 12-jarige leeftijd

Hella Haasse op 12-jarige leeftijd

Handschrift van Hella Haasse. Fragment uit 'Het Huys met de Meermin' (Uit; Jong gedaan, Kinderwerk en beginnerswerk van 28 auteurs, Amsterdam, Querido, 1968).

Handschrift van Hella Haasse. Fragment uit ‘Het Huys met de Meermin’ (Uit; Jong gedaan, Kinderwerk en beginnerswerk van 28 auteurs, Amsterdam, Querido, 1968). Schriftcahier, thans in het Letterkundig Museum. Hella Haasse was op 11-jarige leeftijd begonnen aan ‘Het Huys met de Meermin.’

Vooromslag van roman de Meermin door Hella Haasse

Vooromslag van roman de Meermin door Hella Haasse uit 1962

In een vraaggesprek met dagblad ‘Trouw’ in 1997 vertelde Haasse “dat ze zich juist de laatste jaren zeer met haar persoonlijke levensgeschiedenis bezig was gaan houden. Ik zoek nu naar de ervaringen uit mijn jeugd. Ik wil de mythologie van de verbeelding en de naakte feiten scheiden.” Het boek verscheen nog in hetzelfde jaar onder titel ‘Zwanen schieten’, maar de aangekondigde ‘zekerheden’ ten aanzien van het verleden bleven grotendeels uit. Voor meer informatie over Hella Haasse zie ook het digitale Hella Haasse Museum op het internet. In haar autobiografische herinneringen ‘Zelfportret als legkaart’ van 2003 schreef zij: “Er was daar geen plaats voor een kind. Het glanzende witte lakwerk van trap en lambrizeringen, de spiegelende parketvloeren bestonden in al hun glorie louter en alleen bij de gratie van volwassenen zonder kleefvingers en krassende schoenen. De meubels met hun koperbeslag en gele en blauwe zittingen, de kastjes vol bibelots, de kandelaars en bonbonnières schenen omgeven door een was van ongenaakbaarheid. Alleen op kousevoeten, met ‘handjes thuis’ mocht ik deze pracht naderen. Ik was zo onder de indruk van mijn grootmoeders voorschriften en waarschuwingen, dat ik er een gewoonte van maakte in de kamers van het ene tapijtje op het andere te stappen, zonder het parket aan te raken. Lagen de kleedjes toevallig eens wat ver uit elkaar, dan bleef ik hulpeloos gekluisterd aan één plek. Ik kwam overigens niet vaak binnen. Mijn domein was het garderobekamertje naast de glazen tochtdeur in de gang. Daar zat ik dagelijks urenlang aan een tafel voor het raam halma en mens-erger-je-niet spelen met uitsluitend gefingeerde tegenstanders. Bij mooi weer werd ik op vaste tijden de achtertuin ingestuurd. Ook daar golden vele regels. Op het gras, dik en glanzend en kortgeschoren, egaal als fluweel mocht niet gelopen worden. Het was verboden de rozen aan te raken. Ik wandelde dus heen en weer over de kiezelpaden tussen de serre en de brede met kroos bedekte vaart die de tuin aan de achterzijde begrensde,”

Poserend voor de fotograaf als jong meisje (foto viirtueel Hella Haasse Museum)

Poserend voor de fotograaf als jong meisje (foto virtueel Hella Haasse Museum)

Foto van Hella Haasse op achterzijde van boek 'Oeroeg' in 2009 heruitgeven in het kader van de bibliotheekactie Nederland leest

Foto van Hella Haasse op achterzijde van de novelle ‘Oeroeg’, in 2009 heruitgeven in het kader van de bibliotheekactie Nederland leest

Fotoportret van Hella Haasse door Geert Kooiman. Uit: Schrijversgezichten. CPNB, 1990.

Fotoportret van Hella Haasse door Geert Kooiman. Uit: Schrijversgezichten. CPNB, 1990.

Veel lof voor Ellen Wolff
De beeldhouwster Ellen Wolff is lid van de kunstenaarsvereniging Kunst Zij Ons Doel (KZOD) in Haarlem. Zij maakte het borstbeeld van Adriaan Pauw bij het Oude Slot, een sculptuur ‘de Balans’ voor de Heemsteedse apotheek aan de Binnenweg, een beeld van natuurvorser Jac. P.Thijsse (in bewaarcollectie bibliotheek) en de karakteristieke kop van Harry Mulisch. Alvorens Hella Haasse te verbeelden heeft zij zich verdiept in haar leven en werk. Van het kleimodel zijn twee exemplaren in brons gegoten, 1 voor het Letterkundig Museum in Den Haag ten behoeve van de nationale schrijversgalerie en 1 voor de bibliotheek Amsterdam. Het beeld in klei zal van 14 februari tot en met 20 mei 2013 zijn te zien bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam op een expositie over vrouwen in de Nederlandse geschiedenis. Tegelijk met een rijk geïllustreerd boekwerk van meer dan 1.400 pagina’s: ‘1001 vrouwen uit de Nederlandse Geschiedenis’.

Rechts directeur Hans van Velzen naast het borstbeeld en voor kast met Hella Haasse-boeken

Links Ellen Wolff met directeur Hans van Velzen van de OBA  naast het borstbeeld en voor boekenkast met Hella Haasse-publicaties

Het beeld van Hella Haasse werd door de talrijke aanwezige personen bij de presentatie in Amsterdam enthousiast ontvangen.

Hans Krol in gesprek met Frank van der Voordt, secretaris van het Godfried Bomans Genootschap tijdens de presentatie in de OBA

Hans Krol in gesprek met links Frank van der Voordt, secretaris van het Godfried Bomans Genootschap tijdens de presentatie in de OBA

Toespraak gehouden door mevrouw Sylvia Dornseiffer (1)

Spreekster Sylvia Dornseiffer

Spreekster Sylvia Dornseiffer

Beste familie, vrienden en lezers van Hella Haasse,

Als ik kijk naar het borstbeeld van Hella Haasse van beeldend kunstenaar Ellen Wolff dan moet ik (vooral door de actualiteit natuurlijk ) denken aan het gedenkwaardige interview dat Hella de Majesteit ter gelegenheid van haar 50e verjaardag in 1988 afnam. Waarom is dat? Natuurlijk omdat we nu op het punt staan om een borstbeeld te onthullen; het genre bij uitstek dat de Majesteit graag beoefent. Maar ook, en vooral, omdat het bewuste interview haarfijn de essentie van Hella’s kracht blootlegt, namelijk haar empathisch vermogen. Dat klinkt misschien wat ‘soft’, maar wat ik bedoel is dat zij heel goed de mens Beatrix wist te portretteren. Niet de Majesteit, maar de mens, de moeder, de beeldhouwster, de vrouw achter de facade, achter het kapsel, zo u wilt. Niet voor niets zei Beatrix dat zij zo ingenomen was met het interview omdat Hella Haasse, als enige in staat was geweest om haar als mens te treffen. Hella gaf Queen B  ‘een gezicht’. En heeft zo, wellicht onbedoeld, een brugfunctie gehad tussen ‘volk’ en koningin. Beatrix had grote waardering voor het interview (en voor Hella Haasse) . Bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren in 2004 zei ze :

“U hebt mij enorm geholpen mijn gedachten te verwoorden in een vorm die voor het publiek interessant zou kunnen zijn.”

Ik vind dat mooi. Het schetst naar mijn gevoel heel goed hoe Hella’s schrijverschap staat voor toegankelijkheid, humaniteit en verdraagzaamheid en waarom het zoveel lezers in Nederland en daarbuiten heeft weten te raken.

Ook mooi is natuurlijk de wetenschap dat Hella principieel de ridderordes van het huis van Oranje weigerde, maar wel in 1992 de eremedaille in Goud voor Kunst en Wetenschap in de huisorde van Oranje aanvaardde. Dat zegt iets over de vrouw Hella Haasse.

Als ik kijk naar de beeltenis van Hella, die trouwens zeer goed is geslaagd, dan denk ik ook met ergernis aan het falen van de stad Amsterdam. Nu weet ik dat het Hella niet zo veel uitmaakte, maar als directeur van het Amsterdams Fonds voor de Kunst moet ik met spijt constateren dat prestigieuze literaire prijzen van de stad Amsterdam zoals De Multatuliprijs en de Busken Huetprijs nooit aan een werk van Hella Haasse zijn toegekend. Zelf heeft zij tot twee keer toe in de jury gezeten van de Multatuliprijs, toen de grote prozaprijs van de stad Amsterdam. Hoe bestaat het dat zij die niet zelf heeft gekregen voor bijvoorbeeld De Heren van de thee uit 1992 of de Busken Huet prijs voor de bundeling essays Het dieptelood der herinnering uit 2002?

Hoe bestaat het dat een schrijfster die als jonge vrouw uit de Nederlands –Indië in Amsterdam ging wonen, studeren, aan het toneel en cabaret ging, in Amsterdam debuteerde in 1948 met een opvallend  politiek getint boek en zich ontwikkelde tot een schrijfster van nationaal en internationaal formaat niet een eredoctoraat van de universiteit van Amsterdam ontving. Wél van de universiteiten van Utrecht en van Leuven, maar niet van de Universiteit van de gemeente Amsterdam of de Vrije Universiteit. Hoe kan dat?

Hella was een Amsterdamse vanaf haar 18e jaar. Amsterdam speelt altijd wel een rol in haar werk. Amsterdam met zijn boekenbal en boekenweekgeschenk dat Hella maar liefst drie keer mocht schrijven, was een puur Amsterdamse aangelegenheid. Hella schreef menig loflied, het laatste bij de opening van deze mooie bibliotheek Ode aan de OBA.  Hella was een boegbeeld en ambassadeur voor de stad, voor de literatuur, voor de Nederlandse tolerantie die toentertijd gerust gezien kon worden als een exportartikel van formaat. Ze kreeg er eretekens voor van het Franse legioen van Eer, maar niet van de stad Amsterdam.

Ze hield van Amsterdam. Vanwege de benoeming van haar man tot rechter aan de Haagse arrondissementsrechtbank verhuisde ze met haar gezin in 1967 naar Den Haag. Ze schreef in Persoonsbewijs uit hetzelfde jaar:

De dag van onze verhuizing komt dichterbij. Wat ik in mijn jeugd zonder pijn of moeite, soms tweemaal in één jaar, meemaakte: het “overgeplaatst worden, van Batavia naar Buitenzorg, van Rotterdam naar Soerabaja, van Heemstede of Baarn naar Bandoeng en weer naar Batavia , … dat onderga ik nu, na een ononderbroken verblijf van ruim 20 jaar in Amsterdam, als een cesuur in mijn leven. Hier hebben wij gewerkt en geleefd als volwassenen, hier zijn onze kinderen opgegroeid’.

Niet een literaire prijs, niet een ereteken van de stad Amsterdam ging er af. Ook niet toen ze na een jarenlang verblijf in Frankrijk terugkeerde naar de stad en in onze stad 80 en 90 jaar werd. Zeker weten doe ik het natuurlijk niet, misschien dat zij een eremedaille heeft geweigerd.

Wél plantte haar uitgeverij Querido in samenwerking met Stadsdeel Zuid ( die over het Vondelpark gaat) ter gelegenheid van haar 90e verjaardag een kastanjeboom in het Vondelpark. Vanuit het raam van haar appartement aan het park kon Hella naar de boom kijken.

Wat de pijn een beetje wegneemt is dat voor haar jubileum in 2008 een uniek digitaal Hella Haasse museum hier in de bibliotheek de lucht in ging die binnen een paar maanden door meer dan 50.000 mensen werd bezocht. En in opdracht (gelukkig maar) van het Amsterdams Fonds voor de Kunst schreef zij in 1987 het essay Kwaliteit, een verkenning. 

Een essay dat in de discussies over kwaliteit van de kunst in de jaren 80 en 90 van grote betekenis is geweest. Ik vind het fantastisch dat dit essay is opgenomen in de bundel Inkijk uit 2011 (samengesteld door Haasselogen par excellence Patricia de Groot en Margot Dijkgraaf); de bundel waarin zij zo gul schrijft over haar bewondering voor het werk van andere auteurs. Gedreven als zij was om kennis te delen.

“Opdat (en ik citeer nu de laatste zin uit het essay Kwaliteit) de wereld niet zal bestaan uit een steeds kleiner wordende minderheid van specialisten, en een steeds groeiende massa die niet kan meedenken, lijkt het van het hoogste belang dat de cultuur, alle cultuur, beschikbaar en bereikbaar blijft, en dat het overzicht van de ontwikkeling van de beschaving en van hun onderlinge samenhang als een van de prioriteiten in het onderwijs wordt beschouwd”.

Over deze wijze woorden straks meer.  Na de actualiteit en de ergernis neem ik u graag mee naar mijn persoonlijke ontmoetingen met Hella Haasse.

Natuurlijk las ik op de middelbare school Oeroeg. Tijdens mijn studie Nederlands in de jaren 70 in Groningen kwam ik het werk van Hella summier tegen in de ‘Knuvelder’en werd haar schrijverschap minnetjes en zuur geschetst in De Oost-Indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys. Niet bepaald een aansporing. Maar de Indische letterkunde had mijn speciale aandacht vanwege een schrijvende voorvader in Indië en dan kom je vanzelf bij het werk van Hella S. Haasse uit. Ik ga me hier in dit gezelschap met ongetwijfeld veel Haasselogen niet te buiten aan beschouwingen over haar indrukkende oeuvre.

Ik denk dat ik een van de eerste leden ben van de Werkgroep Indische Letteren van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, na Hella Haasse natuurlijk. Indische meisjes, Hella geboren in Batavia, ik in Jakarta. Dat schiep een band. Hella was een prominent lid, altijd belangstellend en als het even kon aanwezig bij de lezingen en symposia en de jaarlijkse ledendag op Bronbeek. In 2009, in het jaar dat Oeroeg door heel Nederland werd gelezen, hadden we haar ook graag in Arnhem in ons midden willen ontvangen als eregaste, maar zij kon het niet meer opbrengen. Telefoontjes van Peter van Zonneveld, en van mij, hielpen niet, hoe graag zij ook wilde, want temidden van de Werkgroep kon zij het Indische meisje zijn dat zij was.

Mijn laatste ontmoeting met Hella was in Carré bij de afsluiting van de succesvolle Nederland leest campagne op 20 november 2009.

In een Tjokvol Carré reageerde zij aan het einde van het programma geëmotioneerd op de kritiek van Tjalie Robinson, de Indische schrijver en journalist die Oeroeg in 1948 subiet naar de prullebak verwees vanwege de onwaarheden; de schrijfster was immers niet Indisch. Zij toonde begrip voor zijn standpunt, maar vond dat toentertijd iemand uit de Indo –Europese gemeenschap dan maar een eigen verhaal had moeten schrijven. De emotie was zo voelbaar omdat zij daarmee nogmaals rekenschap aflegde en nogmaals moest toegeven dat, hoe zeer zij zich ook Indisch voelde, de band met Indië berustte op een tijd die er niet meer was, op een land dat er niet meer was. Dat verlangen naar het onbereikbare en tegelijkertijd die drang om alles van het land Indonesië te weten en de complexheid te doorgronden, dat was wat mij toen, die middag, sterk verbond met Hella.

Bij mijn afscheid als directeur van het Fonds voor de Letteren in 2008 hier in het Theater van het woord, werd ik door de collega’s van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingen Fonds verrast met de tot dan verschenen prachtig gebonden delen uit het oeuvre van Hella.

Een mooi en passend cadeau omdat Hella Haasse als meest vertaalde auteur de belangrijkste ambassadeur van de Nederlandse literatuur in het buitenland is. Maar voor mij persoonlijk ook passend omdat zij nog voor de oprichting van het Fonds voor de Letteren als lid van de Vereniging van Letterkundigen ijverde voor de oprichting van een fonds dat schrijvers in staat stelde ” tijd te krijgen om te schrijven’.

Met de strijdleus “Geld is tijd” werd het Fonds voor de Letteren bij de overheid afgedwongen o.a. door het Boekenbal te boycotten. Met actievoerders van het eerste uur Garmt Stuiveling, Joop Klant en later Rienk Visser en H.A. Gomperts nam Hella van 1965 tot 1970 zitting in het eerste bestuur van het Fonds.

Het bleef niet bij besturen. Toen ik in 1985 als kersverse directeur de geschiedenis van het Fonds indook, ontdekte ik folders ( we zouden ze nu flyers noemen) met reclame-achtige teksten die opriepen te doneren voor het goede doel: schrijvers in staat te stellen te schrijven. Particulieren en bedrijven werden opgeroepen om een bedrag te storten. De tekstschrijvers waren … Dimitri Frenkel Frank én Hella S. Haasse.

Een andere aangename verrassing voor mij was dat Hella zitting had in de bezwaarcommissie van het fonds en directeur en bestuur adviseerde hoe om te gaan met bezwaren van schrijvers tegen negatieve besluiten.

Zij nam iedere protesterende schrijver of vertaler voor zich in door haar oprechte interesse en vond het voordurend sleutelen om betere oplossingen te vinden en het voortdurend aanbrengen van correcties een goed democratisch proces.

Haar actiebereidheid liet zij ook zien en horen toen zij de P.C. Hooftprijs in 1984 in ontvangst nam. In haar dankwoord pleitte Haasse er bij de minister voor niet verder te bezuinigen op cultuur. En dat deed zij in bewoordingen waar zelfs Halbe Zijlstra voor zou moeten zwichten en waar Jet Bussemakers hart sneller van gaat kloppen. Luistert u maar:

Ik hoop dat u een zeer grote plaats wilt inruimen voor al wat te maken heeft met de ontplooiing van schrijvers; met de bevordering van uitgaven, en van de bestudering en het onder de algemene aandacht brengen van literair werk; met de vorming van creatieve lezers – en die vorming begint vroeg in een land waar cultuur au sérieux genomen wordt. In deze zin is dat het werk van bezielde en bezielende leraren- en die zijn hun gewicht in goud waard”.

In 1986, ter gelegenheid van het 21- jarig bestaan van het Fonds voor de Letteren, ( onder het motto ‘Eindelijk volwassen’) kon ik ook een beroep doen op Hella. Zij kwam daar speciaal voor over uit Frankrijk om op een symposium in het Letterkundig Museum in aanwezigheid van de minister een vlammend betoog te houden over de waarde van lezers, de liefhebbers van literatuur, de ware amateurs die van onschatbare waarde zijn voor de literatuur.

Hella Haasse thus in haar werkkamer

Hella Haasse thuis in haar werkkamer

Een literaire cultuur, zo besloot zij, is ondenkbaar zonder taalbeheersing en verbeeldingskracht. Kosten noch moeite … moeten gespaard worden om dit voor zoveel mogelijk mensen bereikbaar te maken. En ik denk dat dit het beste is dat de overheid, naast bestaande voorzieningen zoals het Fonds voor de Letteren, voor de literatuur zou kunnen doen, namelijk het krachtig bevorderen van taalbeheersing en algemene culturele ontwikkeling in het onderwijs”.

Wat een vrouw, wat een schrijfster!

Wat mist Nederland Hella Haasse!

Sylvia Dornseiffer,    2 februari 2013 OBA ter gelegenheid van de onthulling van het borstbeeld van Hella Haasse in de Hella Haassezaal.

Mw. Sylvia Dornseiffer en de heer Job Cohen in de Hella Haassezaal van de OBA

Mw. Sylvia Dornseiffer en de heer Job Cohen in de Hella Haassezaal van de OBA

ANNEX (1)Een voorvader van Sylvia Dornseiffer is Wilhelm Leonard Ritter (1799-1862), geboren en overleden in Haarlem, die het grootste deel van zijn leven in Nederlands-Indië verbleef als bestuursambtenaar en oprichter was van de Java-bode en schrijver. Bij zijn terugkomst schreef hij zijn laatste vers ‘Een cent’, als 1 pagina gedrukt en dit unicum is aanwezig in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.

Het Haarlemse gedicht 'Een cent' van W.L.Ritter uit 1861

Het Haarlemse gedicht ‘Een cent’ van W.L.Ritter uit 1861

======================================================

Hella Haase met Godried Bomans op de Bijenkorf boekenmarkt in april 1966

Hella Haasse met Godried Bomans op de Bijenkorf boekenmarkt in april 1966

Informatie over antiquaar en veilinghouder A.G.C. de Vries
Anne (Anton) Gerard Christiaan de Vries (1) is op 14 augustus 1872 geboren als oudste zoon van R.W.P. de Vries (1841-1919), in zijn tijd een bekend antiquaar en veilinghouder, en stammend uit een familie van boekhandelaars. Dr. Piet Buijnsters wijdde in zijn boek ‘Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat’(2007) een heel hoofdstuk aan de opkomst en gloriejaren van R.W.P. de Vries, aangevuld met een paragraaf ‘Hoogste bloei en ondergang van R.W.P. de Vries & Zoon’

R.W.P. de Vries (1841-1919), antiquaar en veilinghouder op zeventigjarige leeftijd (Uit boek P.J.Buijnsters)

R.W.P. de Vries (1841-1919), antiquaar en veilinghouder op zeventigjarige leeftijd (Uit boek P.J.Buijnsters)

Overlijdensbericht van R.W.P.de Vries uit 1919

Overlijdensbericht van R.W.P.de Vries uit 1919

R.W.P. de Vries hield zijn eerste veiling hield op 16 juni 1865. Zijn catalogi van boeken en prenten werden steeds beter verzorgd.

Het eerste pand van antiquariaat-veilinghuis R.W.P.de Vries vanaf 1865, toen nog geassocieerd met de firma C.Weddepohl, was gevestigd in het smalle huis rechts, Keizersgracht 302 in Amsterdam (foto boek P.J.Buijnsters)

Het eerste pand van antiquariaat-veilinghuis R.W.P.de Vries van 1865-181, toen nog geassocieerd met de firma C.Weddepohl, was gevestigd in het smalle huis rechts, Keizersgracht 302 in Amsterdam (foto boek P.J.Buijnsters)

Begonnen in een smal huis Keizersgracht 302 en vervolgens in een pand aan de Warmoesstraat verhuisde hij in 1901 zijn zaak naar het Singel nummer 146 waar zoon Gerard de Vries hem zou volgen.

Het tweede pand Warmoesstraat 11, waar R.W.P.de Vries is geboren en waar de zaak van 1871 tot 1901 was gevestigd. Tekening van J.M.A.Rieke (collectie KVBB, Amsterdam)

Het tweede pand Warmoesstraat 11, waar R.W.P.de Vries is geboren en waar de zaak van 1871 tot 1901 was gevestigd. Tekening van J.M.A.Rieke (collectie KVBBB, Amsterdam)

Het derde pand Singel 146 bij de Torensluis waar het veilingbedrijf en antiquariaat De Vries vanaf 1901 was gehuisvest (Colectie KVBBB, Amsterdam)

Het derde pand Singel 146 bij de Torensluis waar het veilingbedrijf en antiquariaat De Vries vanaf 1901 was gehuisvest (Colectie KVBBB, Amsterdam)

Laatstgenoemde is in 1899 in Amsterdam gepromoveerd op een proefschrift : ‘De Nederlandsche emblemata; geschiedenis en bibliografie tot de 18e eeuw’, waarvan als standaardwerk in 1976 te Utrecht een herdruk uitkwam.

Promotiediner vn A.G.de Vries als doctor in de letteren (1899). Hij zit vierde van links (Beeldbank Amsterdam)

Promotiediner van A.G.C.de Vries als doctor in de letteren (1899). Hij zit derde van links (Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Toen de zoon vennoot werd in het antiquariaat/veilinghuis gingen de prijzen omhoog. De eerste belangrijke veiling van vader en zoon was de uitgebreide Vondelverzameling van A.Th.Hartkamp in november 1901. In 1907 vervaardigd dr. A.G.C.de Vries een ‘Antiquarian bookseller’s cataloque describing 684 items from the collection of the compiler of the Vondel Bibliography’. Die samensteller-verzamelaar was J.H.W.Unger wiens luxe-bibliotheek in 1908 is geveild, na eerder de boekencollecties van o.a. Chr. J.van Eeghen, professor J.G.de Hoop Scheffer en het instituut Noorthey.

Dr. A.G..C. de Vries (1872-1936), oudste zoon en opvolger van R.W.P. de Vries (Uit boek P.J. Buijnsters, 2007

Dr. A.G.C. de Vries (1872-1936), oudste zoon en opvolger van R.W.P. de Vries (Uit boek P.J. Buijnsters, 2007

In 1905 had de firma een nieuwe afdeling gekregen voor de handel in oude schilderijen en kunst waartoe Gerard de Vries zich meer en meer aangetrokken voelde. Steeds meer is door hem het accent gelegd van boeken naar antiek en kunst. In 1910 is de hele collectie van D.C.Meijer jr. bij de firma De Vries onder de hamer gekomen. Eerst de penningen, vervolgens zijn nagelaten atlas van Amsterdam en ten slotte de portretten en historieprenten. Als absoluut hoogtepunt worden beschouwd de 5 veilingen tussen 1911 en 1915 van grafiek en tekeningen van kunsthandelaar Vincent van Gogh (1866-1911), een oom van de schilder; in 1918 nog gevolgd door diens privébibliotheek met 4 verschillende door Marius Bauer ontworpen exlibris. (2). P.J.Buijnsters schrift in zijn ‘Geschiedenis van de Nederlandse Bibliofilie’ (2010) hierover: “Zijn bibliotheek bevatte de bloem van de Hollandse bloemproductie uit de Gouden Eeue: emblemata, liedboekjes, reisjournaals, vaderlandse geschiedenis en topografie. Bijna alles was kostelijk geïllustreerd en wat zo bijzonder was: dikwijls gedrukt in het voor boekillustratie ideale oblongformaat, dat hier tijdens het eerste kwart van de zeventiende eeuw ingang gevonden had. Antiquaren zowel als verzamelaars kenden de speciale liefde van Vincent van Gogh voor die langwerpige boekjes, met als gevolg dat de door A.C.G.de Vries geleide veiling extra druk bezocht werd.”

Vier exlibris van kunsthandelaar Vincent van Gogh; geëts door Marius Bauer (Uit: P.J.Buijnsters, Geschiedenis van de Nederlandse Bibliofilie)

Vier exlibris van kunsthandelaar Vincent van Gogh; geëts door Marius Bauer (Uit: P.J.Buijnsters, Geschiedenis van de Nederlandse Bibliofilie)

Grootste kopers van de boeken waren, behalve de handelaren Martinus Nijhoff en Meyer Elte, de particuliere verzamelaars W.A.Engelbrecht (atlassen en reisjournalen), F.C.Koch (geografie en geschiedenis) en Frits Lugt (kunstgeschiedenis). In 1908 is ook R.W.P.’s jongste zoon Chris bij de firma toegetreden speciaal ten dienste van de kunstveilingen. De glansperiode van het veilinghuis lag tussen 1910-1918, maar dat gold zeker niet voor het antiquariaat want met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stagneerde die handel en bleven de magazijnen overvol. Voor het belangrijkste concurrerende boekenveilinghuis/ antiquariaat Frederik Muller & Co, geleid door Anton Mensing, gold de crisis minder omdat men over ruimere reserves beschikte. Nog in mei 1914 kocht Gerard de Vries een aanzienlijke hoeveelheid bibliofiele en zeldzame boeken, zoals 15e en 16e eeuwse volksboeken en Grolier-boekbanden bij Drouot in Parijs uit de collectie van Alphons Willems, de Elzevier-bibliograaf.

In 1919 overleed vader R.W.P. de Vries en volgens Buijnsters ging het daarna snel bergafwaarts met de firma. Menno Hertzberger achtte Chris totaal ongeschikt en schreef over broer Gerard dat die bijzonder geleerd was maar een slechte zakenman. “Hella Haasse herinnerde zich haar grootvader A.G.C. de Vries ‘met zijn prince-nez’ en zijn horlogeketting met grillig gevormde gouden breloques, altijd onberispelijk gekleed, geurend naar haarwater, als een zwijgzaam, verstrooid-vriendelijke oudere heer, die meestal zat te bladeren in boeken en plaatwerken.” (Zwanen schieten. Amsterdam, 1997, pagina 20). Chris de Vries stapte per 1 oktober 1926 uit de firma en werd uitgekocht. Die begon een antiquariaat in Parijs, maar dat mislukte en op 28 maart 1928 pleegde hij zelfmoord. Intussen gleed de firma van dr. De Vries af tot de grauwe middelmaat. De auctie in 1918 van aartsverzamelaar F.G.Waller was een van de laatste grote boekenveilingen. Van belang was nochtans in 1927 de veiling van een waardevolle collectie oude kunst afkomstig van C.Morin uit Paris en twee jaar later de verzameling J.Jonkman, bestaande uit tekeningen en prenten van Amsterdam en omgeving.

(1) In het algemeen aangeduid als A.G.C. de Vries, komt als voornaam zowel Gerard als Anton voor.

(2) Over deze collectie van Vincent van Gogh, zie: H.de la Fontaine Verwey, De verdwenen antiquaar, het hoofdstuk: Vincent van Gogh; kunsthandelaar en bibliofiel, blz. 161-173

Faillissementsbericht A.G.C. de Vries, uit Het Vaderland van 20 mei 1936

Faillissementsbericht A.G.C. de Vries, uit Het Vaderland van 20 mei 1936

Al met al liep het steeds minder en na een in september 1934 uitgesproken faillissement zijn alle restanten van schilderijen, meubilair, antiquiteiten evenals van boeken, prenten en tekeningen in 1934 geveild door respectievelijk kunstverzamelaar Bernard Houthakker en antiquaar Menno Hertzberger, die allebei als leerling bij De Vries hun loopbaan waren begonnen. Nog even heeft Gerard de Vries het – tevergeefs – opnieuw geprobeerd volgens een rondschrijven van april 1935 waarin wordt gemeld: “Dat wij onze, gedurende bijkans 40 jaren door mij bestuurde oude, van 1785 daterende, firma R.W.P.de Vries, vroeger Singel 146 gevestigd, thans in Poldershuis, Warmoesstraat te Amsterdam, weder voort zullen zetten, zij het in eenigszins gewijzigden vorm. Wij hebben hierbij de medewerking van den heer Mr.H.E.Tenkink verkregen. Een uitgebreid magazijn van oude boeken, prenten en teekeningen als vroeger, zullen wij – voorlopig althans – niet houden. In hoofdzaak zal ons bedrijf bestaan in het houden van kunstveilingen van bijzondere qualiteit, waartoe wij van de fraaie veilingzalen in het gebouw Arnhem, Rokin 13 te Amsterdam gebruik zullen maken.” Na een auctie op 14 mei kwam hieraan een einde. Vier dagen later 18 mei 1936 overleed De Vries op 63-jarige leeftijd. Bij de begrafenis op Zorgvliet in Amsterdam hield de enig overblijvende broer R.W.P.de Vries Jr. (1874-1953, van 1906 tot 1930 redacteur van Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift) het dankwoord en zijn laatste medewerker Tenkink plaatste een in memoriam in de veilingcatalogus van 9-10 juni 1936. Een aantal archiefstukken is te vinden in het Stadsarchief Amsterdam en catalogi, brieven e.d. betreffende zijn werk als antiquaar en veilinghouder in de bibliotheek van het Boekenvak (U.B.Amsterdam), waarvoor hij een aantal jaren als bibliothecaris heeft gewerkt.

Overlijdensbericht uit het Vaderland van 20 mei 1936

Overlijdensbericht uit het Vaderland van 20 mei 1936

In 1933 was zijn echtgenote Hélène Serafia de Vries-Weitzel in Heemstede gestorven. Voordien getrouwd geweest met Johan Diehm Winzenhöler – uit welk huwelijk de moeder van Hella Haasse is geboren – en in 1900 gescheiden, hertrouwd met Anne Gerard Christiaan de Vries op 24 september 1908. Zij is evenals later haar tweede echtgenoot begraven op Zorgvliet.

Hans Krol

Overlijdensadvertentie van mevrouw H.S. de Vries-Weitzel

Overlijdensadvertentie van mevrouw H.S. de Vries-Weitzel

P.S. Een andere zoon van R.W.P.de Vries (sr.), R.W.P.de Vries Jr. publiceerde in 1943 een boek ‘Nederlandsche Grafische Kunstenaars met monografieën van: M.W. van der Valk (1857-1935), M.A.J.Bauer (1867-1932), W.A.Witsen (1860-1923), Jan P.Veth (1864-1925), H.J.Haverman (1857-1928), W.H.P.J.de Zwart (1862-1931), A.J.der Kinderen (1859-1925), P.Dupont (1870-1911), G.C.Haverkamp (1872-1926) en Theo Hoytema (1863-1917).

Titelblad van 'Nederlandsche Grafische Kunstenaars' door R.W.P.de Vries Jr. (1943).

Titelblad van ‘Nederlandsche Grafische Kunstenaars’ door R.W.P.de Vries Jr. (1943).

BIJLAGE 1:  MENNO HERTZBERGER OVER DE FIRMA DE VRIES

Menno Hertzberg als volontair bij antiquaar/veilinghuis De Vries in Amsterdam op 26 augustus 1915

Menno Hertzberger als volontair bij antiquariaat/veilinghuis De Vries in Amsterdam op 26 augustus 1915

In 1981 publiceerde antiquaar Menno Hertzberger zijn memoires onder de titel ‘Flashbacks’ toen hij 84 jaar was en kort daarna zou overlijden. Het boekje van twintig bladzijden verscheen in een kleine oplage. In 2008 is het heruitgegeven onder de titel: ‘Boeken, veel boeken – en mensen; herinneringen aan Internationaal Antiquariaat Menno Hertzberger 1920-1970′, bezorgd door Nico Kool en met een inleiding van Piet J. Buijnsters. Die uitgave verscheen ter gelegenheid van het afscheid van Ton Croiset van Uchelen als bestuurslid van de Stichting Vrienden van de Univeriteit van Amsterdam. Over zijn jeugd- en leesjaren schreef Hertzberger onder meer in relatie tot de firma De Vries het volgende. “Het is een toeval geweest, dat ik in het antiquariaat terecht kwam. Het was mijn bedoeling bibliothecaris te worden. In Leipzig was een opleidingsschool, maar de oorlog, in 1914 uitgebroken, verhinderde mij deze te bezoeken. Een huisvriend van mijn vader, de uitgever Van Druten ried mij aan de school voor de boekhandel in Amsterdam te volgen. Die oorlog zou toch maar drie à vier maanden duren. De secretaris van die school, dr. A.G.C. de Vries, firmant van het antiquariaat R.W.P.de Vries, moest mij mededelen dat tengevolge van de mobilisatie het niet doorging. Hij kon echter wel een volontair gebruiken die iets van Latijn en Grieks kende. Twee firmanten hadden de leiding van het bedrijf, zoons van R.W.P.de Vries. Het waren dr. A.G.C.de Vries en C.H.G.de Vries. Een betere schrijver dan ik zou een roman kunnen schrijven over dit belangrijke antiquariaat, gespecialiseerd in boeken over reizen, dat echter toen ik er kwam al zijn grootste roem reeds overleefd had. Vaak was het er stil, maar wanneer men des middags in het spionnetje van het pand op het singel, waar de firma was gevestigd, de grote verzamelaar Dieckmann [= M.Dieckmann uit Arnhem wiens ‘Bibliotheca Geographica’ op 10 mei 1921 is geveild] ontwaarde, gonsde het hele huis eensklaps van activiteit. Maar in de stille uren zat vaak een van de firmanten achter zijn bureau, een lade opengeschoven, waarin een opgewekt romannetje lag, zó dat wanneer iemand binnenkwam, de lade direct kon worden dichtgeschoven.

Gelithografeerd portret van R.W.P.de Vries door Jan Veth  (1902)

Gelithografeerd portret van R.W.P.de Vries door Jan Veth (1902)

Er was niemand behalve de 80-jarige oude heer R.W.P. die ook maar de minste controle op het personeel uitoefende. Ik bleef daar bijna twee jaar. Het is mij steeds bijgebleven dat R.W.P. met zijn calotje op het hoofd eens naast mij stond en opmerkte dat ik nooit een goede antiquaar zou worden. Verlegen vroeg ik wat ik kon doen om alsnog op de onderste sport van de ladder te komen. Niets kun je doen, zei hij, want je kunt geen pakjes maken. Ik kan het na vijftig jaar nog niet. Aan u de conclusie. Korte tijd ben ik er nog chef geweest, namelijk in 1918 en 1919, nadat ik in i917 volontair bij de firma Nijhoff in Den Haag was geweest, maar er bleken voor mij weinig vooruitzichten en weinig vrijheid van handelen te zijn.  

Oprichting van het Nederlandsch Verbond van Boekenvrienden (1925). Menno Hertzberger aan de tafel rechts.

Oprichting van het Nederlandsch Verbond van Boekenvrienden (1925). Menno Hertzberger aan de tafel rechts met naast hem dr.A.G.C. de Vries

Vooromslag van 'Herinneringen aan internationaal antiquaar Menno Hertzberger, 1920-1970. Nijmegen, 2008.

Vooromslag van ‘Herinneringen aan internationaal antiquariaat Menno Hertzberger (1897-1982), 1920-1970. Nijmegen, Van Tilt, 2008

Bijlage 2: J.F. Heijbroek: ‘R.W.P.de Vries, veilinghouder en antiquaar.

In de bundel ‘Waardevol oud papier; feestbundel bij het tienjarig bestaan van Bubb Kuyper Veilingen Boeken en Grafiek 1986-1996′ (Haarlem 1996) is een bijdrage opgenomen van J.F.Heijbroek waaruit het laatste deel betreffende met name A.G.C. de Vries: “Twee zoons in de zaak. In 1899 werd R.W.P.de Vries’ oudste zoon, dr.A.G.C. de Vries (1872-1936), die gepromoveerd was bij J.de Winkel op een proefschrift over emblematiek, vennoot in de drie zaken, namelijk in R.W.P.de Vries, in Ten Brink & De Vries en in Schleyer, De Vries & Kraaij. Zijn jongste zoon Chr.H.G.de Vries (1880-1928) volgde negen jaar later als deelhebbende. De middelste, naar hem vernoemde zoon, R.W.P.de Vries Jr. (1874-1952), had artistieke talenten. Hij werd sierkunstennaar en ontwierp tal van boekbanden, onder andere werk voor Louis Couperus. Ook verzorgde hij het uitgeversmerk van de zaak van zijn vader.

Twee uitgeversmerken van de firma R.W.P.de Vries, het bovenste ontworpen door Frits Ohrloff en het tweede door zoon R.W.P.de Vries Junior.

Twee uitgeversmerken van de firma R.W.P.de Vries, het bovenste ontworpen door Frits Ohrloff en het tweede door zoon R.W.P.de Vries Junior.

Met de de intree van dr.A.G.C. en C.H.G. de Vries is de firma zich langzamerhand meer gaan toeleggen op het organiseren van kunstveilingen. Dit heeft het bedrijf geen goed gedaan. Doordat in 1912 met het vertrek van dr.F.C.Wieder naar de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, de boekenafdeling van Frederik Muller & Co werd geliquideerd, leek dit het uitgelezen moment voor de firma R.W.P.de Vries deze lacune op te vullen. Dr. A.G.C. en zijn broer dachten daar kennelijk anders over en hebben zich, net als Anton W.M.Mensing van Frederik Muller & Co, meer en meer toegelegd op het veilen van kunst, en dan met name van prenten en tekeningen. Een van hun meest spectaculaire aucties op dit gebied was die van de collectie tekeningen van de familie Andriessen. Het ging om zo’n 1700 getekende dagboekbladen van Christiaan Andriessen, die toen nog toegeschreven waren aan diens vader Jurriaan. Ruim tweehonderd bladen werden verworven door het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, waarvan R.W.P. jarenlang secretaris was en waarvoor hij samen met A.D. de Vries Azn. de eerste bibliotheekcatalogus samenstelde. Gaandeweg lieten de tekeningencatalogi van de firma De Vries nogal eens te wensen over. Ook de inzet van beide broers werd in die tijd al in twijfel getrokken door onder anderen Menno Hertzberger, die toen juist ervaring opdeed bij de firma. In de Eerste Wereldoorlog is veel bedijfskapitaal in de magazijnvoorraad gaan zitten. De liquide middelen bij de firma werden zo schaars dat men er in 1915 toe overging een obligatielening van  100.000 gulden uit te schrijven. Veel baat heeft de oude R.W.P. hier niet meer van gehad, want op 25 september 1919 overleed hij op 78-jarige leeftijd. Zijn vrouw Mathilde Ctaharina de Graaff (1841-1913) was hem al voorgegaan. Beiden zijn ter aarde besteld op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvliet. De twee zoons hebben de zaak voortgezet. In 1925 veilden zij de collectie van hun vader onder de titel ‘Oud en Nieuw Amsterdam’. In deze collectie is ook zijn collectie oude Amsterdamse adreskaarten opgenomen. In 1926 trok de jongste zoon, C.H.G. de Vries, zich terug uit de drie zaken. Hij overleed twee jaar later. Dr. A.G.C. de Vries werd de enige firmant. Nog tijdens zijn leven is het bedrijf geliquideerd. Bernard Houthakker en Menno Hertzberger, die beiden inmiddels een eigen kunsthandel en antiquariaat hadden, waren belast met de ontmanteling van het huis van R.W.P.de Vries. Het moet een wrange ervaring zijn geweest de firma op te heffen waar beiden hun opleiding hadden gehad. In 1934 kwam de gehele magazijnvoorraad onder de hamer. Ook de meubels, portefeuilles en prentenstandaards werden verkocht. De Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels slaagde erin de ruim 550 portretten van boekhandelaren, uitgevers, drukkers en bibliothecarissen aan te kopen. De meeste lots gingen naar de handel. Twee jaar later overleed dr. A.G.C. de Vries en kwam er een einde aan een familiebedrijf dat sindsdien vrijwel geheel in vergetelheid is geraakt.”  

Bijlage 3: H. de la Fontaine Verwey: ‘Vincent van Gogh; kunsthandelaar en bibliofiel’ [Uit: De verdwenen antiquaar, 1993]

“(…) Nu moesten de grote verzamelingen van Vincent van Gogh te gelde gemaakt worden. Met deze taak werd belast Vincents vriend, dr. Anton Gerard Christiaan de Vries, die optrad namens zijn hoogbejaarde vader R.W.P.de Vries, die acht jaar later overlijden zou. Dr. De Vries zorgde voor royaal uitgevoerde, zorgvuldig  bewerkte catalogi in groot formaat met veel illustraties. Gedurende vijf opeenvolgende jaren werd er telkens één veiling gehouden van een onderdeel van de collectie.

Kunsthandelaar en bibliofiel Vincent van Gogh (1866-1911)

Kunsthandelaar en bibliofiel Vincent van Gogh (1866-1911), vriend van dr.A.G.C.de Vries

In 1911 begon men met de etsen en lithografieën van moderne meesters; in 1912 volgden de houtsneden, gravures en etsen uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw, en in 1913 de oude en moderne tekeningen (tezamen met die nagelaten door P.A.M.Boele van Hensbroek, firmant van Martinus Nijhoff). De vierde veiling in 1914, betrof geïllustreerde werken en boeken over kunst en andere onderwerpen. Hierbij trad Wouter Nijhoff als medeveilinghouder op. Zoals uit bewaarde documenten blijkt, hadden zowel De Vries als Nijhoff veel eigen boeken in deze auctie ‘ingestoken’. De vijfde veiling in 1915, was evenals de eerste in 1911, gewijd aan etsen en lithografieën van moderne meesters. Hieronder bevonden zich het volledige lithografische werk van Mouilleron, afkomstig van Franken, Jan Veths portretten voor ‘De Amsterdammer’ en ‘De Kroniek’ in bijzondere afdrukken, vele tekeningen en etsen van Ch. Rochussen, en tenslotte alles wat er restte aan fragmenten, ontwerpen en proefdrukken van het mislukte ‘Gedenkboek van de Hollandse schilderkunst’. Van deze overvloed aan grafiek en tekeningen werd natuurlijk niet alles verkocht. De ondertussen uitgebroken wereldoorlog was niet bevorderlijk voor de kooplust. Lang bleven er ‘opgehouden’ nummers in het magazijn van De Vries liggen. Nog in 1930 organiseerde Anton de Vries een veiling van moderne tekeningen en etsen uit verschillende collecties, waarbij de naam van Vincent van Gogh als lokvogel diende. De voor ons doel belangrijkste veiling was de laatste, die plaats had in 1918. Van 12 tot 14 januari van dat jaar verkocht De Vries ‘La bibliothèque privée de M.Vincent van Gogh’. Behoorden de in 1914 verkochte boeken tot de boedel van de firma en waren deze zijn persoonlijk bezit? De ter veiling aangeboden boeken vormden een met zorg gekozen keurcollectie uit Vincents bibliotheek waarvan minder belangrijke delen op andere veilingen verkocht werden. Deze collectie van 900 nummers, niet groot van omvang maar van hoge kwaliteit, is mijns inziens een van de schoonste verzamelingen van Nederlandse boeken, ooit in ons land samengebracht. (…). De totale opbrengst bedroeg ƒ 38.935,75. Zo werden Vincents boeken wijd en zijd verspreid. Een aantal ervan belandde in veilige haven, in openbare bibliotheken. Andere verdwenen in de met jaloerse zorgen behoede kabinetten van verzamelaars om nu en dan bij het wisselen van de wacht op de boekenmarkt te verschijnen tot vreugde van de liefhebbers. Deze zijn er nog steeds op gespitst een boek te veroveren uit de bibliotheek van Vincent, herkenbaar aan één van de vier exlibrissen, die de bibliofiel liet ontwerpen door zijn grote vriend Marius Bauer, die ook voor de politieke prenten in ‘De Kroniek’ zorgde. Door zijn boeken heeft Vincent van Gogh, biblofiel in de beste zin van het woord, een duurzaam spoor achtergelaten.”

About these ads