Een panorama van Constantinopel in het Huis te Heemstede

Tags

, , , , , , ,

Logo van Adriaan Pauw jaar Heemstede 16290-2020 (vierde eeuwfeest van aankoop ambachtsheerlijkheid Heemstede)
Vooromslag boek ‘Een verloren panorama van Constantinopel in het huis te Heemstede van Adriaan Pauw
Nieuwe boekuitgave: Een verloren panorama van Constantinopel in het Huis te Heemstede van Adriaan Pauw; door Hans Krol en Mehmet Tütüncü. Heemstede, Oblonguitgave met kleurenillustraties. 20 euro. SOTA, 2020. Brabantlaan 26 2101 SG Heemstede. Telefoon 023 5292883 20 euro. email: sotapublishing@gmail.com

EEN PANORAMA VAN CONSTANTINOPEL IN HET HUIS TE HEEMSTEDE VAN ADRIAAN PAUW;  beknopte geschiedenis van een verloren geraakt ‘schilderye’ door ambassadeur Cornelis Haga vanuit Istanbul aan de Staten van Holland geschonken en het verhaal van 3 overgeleverde gravures

Adriaan Pauw in zijn bibliotheek. Gravure door P.Soutman naar een verloren geraakt schilderij van Gerard van Honthorst

Adriaan Pauw, Heer Van Heemstede c.s. (1585-1653) zag in 1585 in Amsterdam het levenslicht. Zijn grootvader, Adriaan Pauw (1516-1578),  in 1516 te Gouda geboren, verhuisde na diens huwelijk naar Amsterdam waar hij een zeepziederij en groothandel in granen dreef vooral in het Oostzeegebied. Door de Spaanse landvoogd Alva voor de Raad van Beroerten in Brussel gedaagd week hij in 1568 uit naar Emden, later naar Hamburg. Bij de alteratie van Amsterdam op 26 mei 1578, waarbij de calvinisten de lokale macht overnamen van de tot dan katholieke stadsregering, keerde Adriaan terug naar de Amstelstad waar hij werd verkozen tot raad en schepen van de stad. Pauw overleed nog dat jaar op 8 oktober en is in de Oude Kerk begraven. Van zijn nagelaten kinderen zou zijn jongste zoon Reinier Pauw (1564-1636), vader van Adriaan Pauw, sinds 1620 Heer van Heemstede, hoofd worden van de Amsterdamse linie Pauw. Reinier Pauw ontwikkelde zich tot een voortvarend koopman en reder en daarnaast tot een succesvol magistraat Hij behoorde in 1594 bij de oprichters van de Compagnie van Verre, voorloper van de VOC. Bovendien werd hij na 1602 met Hendrik Hudde tot de belangrijkste bewindvoerders gerekend in de Verenigde Oost-Indische Companie (VOC). In 1605 is hij voor de eerste maal tot één van de burgemeesters van Amsterdam gekozen, een functie die hij tot en met 1620 zou vervullen.

Titelblad van de tragedie ‘Palamedes’ door Vondel. Editie 1626

Als stadhoudersgezind ten opzichte van prins Maurits behoorde Reinier Pauw tot de rechters die raadpensionaris Johan van den Oldenbarnevelt ter dood veroordeelden, door Vondel gesmaad in diens toneelstuk ‘Palamedes [= Oldenbarnevelt] oft Vermoorde Onnooselheyd’ (1625).

Adriaan Pauw op een 17e eeuwse schildering in de Senaat op het Binnenhof Den Haag, vervaardigd door de 17de eeuwse kunstschilders Andries de Haen en Nicolaas Willingh (foto Bob Verburg)

In 1611 bezorgde Reinier Pauw zijn talentvolle zoon Adriaan een baan als pensionaris (vergelijkbaar met de functie van secretaris) van de stad.

Adriaan Pauw werkte van 1611 tot 1627 in het oude stadhuis van Amsterdam De ingebruikname van het nieuwe stadhuis in 1655 , vanwege de Vrede van Munster extra groot gemaakt, heeft hij niet meer meegemaakt. Schilderij door Pieter Saenredam (Rijksmuseum Amsterdam)

Adriaan was het jaar daarvoor als ‘Doctor Juris’ afgestudeerd aan de Leidse Academie en vestigde zich in het voetspoor van zijn vader als koopman op de Dam.  Van zijn vader erfde hij de hem toegekende eigenschappen van onstuimigheid en doorzettingsvermogen. Schril zou echter het contrast blijken tussen de eenvoud van de vader en pronkzucht van de zoon. Als kooplieden dreven beiden handel met de Oostzeelanden ,Oost-Indië, de Levant en na 1640 met Moscovië (Rusland). In 1618 en de daarop volgende jaren kreeg Adriaan mede dankzij een goede verstandhouding van de familie Pauw met prins Maurits als diplomaat enige gezantschappen toebedeeld naar Duitsland, Denemarken, Frankrijk en Engeland. Na langdurige onderhandelingen is Adriaan Pauw december 1620 na aankoop voor 36.000 gulden van de erfgenaam van Hendrik Hovijne eigenaar geworden van het middeleeuwse kasteel Heemstede. Tevens is hij toen door de Staten van Holland en West-Friesland met de ambachtsheerlijkheid Heemstede beleend.

Afbeelding van het Huis te Heemstede op een kaart van Balthasar Floriszoon van Berckenrode

In de daarop volgende jaren zal hij zijn zomerresidentie grondig laten renoveren en de twee lage torens verhogen. Op de begane grond werd de zogeheten : ‘Groote Sael’ ofwel  ‘Geweersael’ ingericht met bijeengebrachte geweren, wapenen zoals kanonnen en enkele verdere rariteiten uit o.a. de Levant en Oost-Indië.

Schets van begane grond kasteel Heemstede door A.van Pernis , in: III Het Huis en de Heren van Heemstede…door J.G.N.Renaud. VOHB, 1952, pagina 26

In een aparte ruimte achter de Grote Zaal van het vernieuwde Huis te Heemstede is een ‘Kamer Constantinopelen’ ingericht, met een anoniem en ongedateerd panorama uit omstreeks 1612/1615 van de sinds 1453 Ottomaanse  stad Istanbul. Adriaan is zelf nooit in Turkije geweest. Als VOC-bestuurder (van 1618 tot 1641 was hij bewindvoerder van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, Kamer Amsterdam) behoorde hij tot de initiatiefnemers van de Compagnie op de Levant. In zijn functie als lid van de Staten van Holland stond hij mede aan de basis van betrekkingen met Turkije. De correspondentie  ten aanzien van de voorbereidingen voor een ambassade bij  het Ottomaanse Rijk is door Cornelis Haga vrijwel uitsluitend via Statenlid Adriaan Pauw verlopen.  In 1612 is de Schiedammer  Haga benoemd als gezant van de Republiek bij de Verhevene Porte in de hoofdstad van het Ottomaanse Sultanaat. Voorts had Adriaan regelmatige contacten met zijn jonge broer Cornelis Pauw, zich noemende ‘Cornelio’, die aanvankelijk als secretaris in Constantinopel en van 1613  tot 1622 de functie vervulde van eerste hoofdconsul in het Syrische Aleppo.

Anoniem portret van de in Schiedam geboren diplomaat, o.a. eerste ambassadeur in Turkije, Cornelis Haga uit 1645

Turkije omvatte in de 17e eeuw behalve het Nabije Oosten tot Perzië , een groot deel van Noord-Afrika alsook de Balkanstaten in Oost-Europa tot aan Wenen. Behalve enkele sculptures nam Cornelis voor de ‘Bibliotheca Heemstediana’ van zijn broer enige tientallen Oosterse manuscripten mee in het Turks, Syrisch en Arabisch. Deze zijn in 1654 gecatalogiseerd en getaxeerd door de Leidse oriëntalist  professor Jacob Golius, in leven bekend bij Pauw uit de tijd dat hij – van 1619 tot 1627 –  als curator fungeerde bij de Leidse Academie. Tijdens Golius’ verblijf in 1627  Constantinopel werd hij door Haga geïntroduceerd bij Ottomaanse geleerden en wist Golius voor zichzelf een waardevolle verzameling handschriften en boeken te vergaren, die na zijn overlijden door de erfgenamen grotendeels aan de universiteitsbibliotheek van Oxford zijn verkocht, terwijl de Leidse academie slechts enkele werken verwierf.

Portret van hoogleraar in de Oriëntalistiek (Arabische talen en oudheden) aan de Academie van Leiden Jacobus Golius (1596-667)

Cornelis Haga als ambassadeur naar de Verhevene Porte

In 1453 leidde Osmaanse sultan Mehmet II de val van Constantinopel in wat het einde betekende van het Oost-Romeinse ofwel Byzantijnse Rijk. De tiende sultan Soleyman 1 (14944-1566) wordt als de grootste van de sultans beschouwd. Hij was een groot veldheer, veroverde o.a. de Balkan en Noord-Afrika, maar ook een groot rechter en wetgever. Daarnaast zijn in deze periode talrijke bouwwerken in Istanbul tot stand gekomen. Daaronder de grote Süleymani moskee, waar deze sultan begraven ligt. Bovenstaande gravure is van de Vlaming Pieter Coecke van Aelst en dateert uit 1553. Het geeft de voorstelling van een optocht van Soleiman door Istanbul met zicht op de Egyptische obelisk en op de achtergrond onder andere de uit de zesde eeuw daterende kerk Hagia Sopya, welke het beleg van 1453 heeft overleefd.

Na Duitsland, Engeland, Frankrijk en Venetië is Holland, de vijfde Westerse staat geworden met een gezantschap bij het Ottomaanse Rijk , het hof van de regerende sultans in Constantinopel/Istanbul. In 1604 stuurden de Staten-Generaal een missive naar de Sultan van Turkije (aangeduid als ‘Grote Heer” ofwel ‘Grote Turk’),  waarin werd bericht over de langdurige vijandelijkheden met het Habsburgse koningen van Spanje en Oostenrijk, tegenstanders ook van Zijne Majesteit in Constantinopel. Tevens is in dit schrijven opgemerkt dat bij overwinningen op de Spaanse vloot talrijke Turkse Ottomanen zijn bevrijd en naar hun vaderland teruggezonden (1).

Vooromslag van boek Cornelis Haga 1578-1654 diplomaat en pionier in Istanbul. Door Hans van der Sloot & Ingrid van der Vlis (Amsterdam, Boom, 2012)

Verzocht werd om vrije handel voor de Nederlanders op Turkije, Syrië en andere Ottomaanse landen toe te staan (2). 

Pas op 25 oktober 1610 kwam een gunstig antwoord en richtte groot-admiraal van Turkije, tevens plaatsvervangend grootvizier, Halil Pasja [Pasja staat voor ‘excellentie’] (1570-1629) , opperbevelhebber van de Ottomaanse vloot (later zelf benoemd tot grootvizier en divan = president van de raad van ministers) een schrijven aan stadhouder prins Maurits – door hem aangesproken als ‘Grote Hertog van Vlaanderen’ . Op enige voorwaarden zou de vrije handel op Turkse Rijk  worden toegestaan Op 22 november is de vertaling voorgelezen in de Staten-Generaal. Het betrof een uitnodiging aan de Republiek om een diplomatieke vertegenwoordiging te sturen naar de Verhevene Porte, centrum van het Ottomaanse bestuur. De vlootadmiraal zag in Holland  een potentiële bondgenoot in de strijd tegen het Habsburgse Spanje.

Miniatuur in bibl. Topkapi museum Istanbul van grootadmiraal/grootvizier Halil Pasja

Gelet op het in 1609 gesloten bestand met Spanje waren niet alle Statenleden direct enthousiast. De voor de Republiek Holland der 7 Verenigde Provinciën te verwachten gunstige handelsbelangen en het gegeven dat talrijke Nederlandse schepelingen  op de Noord-Afrikaanse kust onder Ottomaans gezag als slaven gevangen werden gehouden hebben  de doorslag gegeven om een missie van 12 personen onder leiding van de  diplomaat Cornelis Haga (3) naar Istanbul te sturen  

Route van Cornelis Haga en zijn gezelschap van 7 september 1611 tot 14 maart 1612 (uit: boek Cornelis Haga, pagina 77)

Hij kreeg de titel van ‘orator’ wat zoveel betekende als tijdelijke ambassadeur met als bedoeling voor Nederlandse onderdanen gunstige privileges te verwerven.

Tekening van aankomst en begroeting Cornelis Haga in Turkije

Haga was vergezeld van Cornelis Pauw, Andries Suyderhoeff en Cornelis Sijms. Men reisde in koetsen van Den Haag naar Venetië en vervolgens per boot naar Istanbul. In totaal duurde de reis meer dan een halfjaar, van 7 september 1611 tot maart 1612. Op 14 maart kwam het gezelschap aan in San Stefano (Yesilköy) nabij Istanbul.  

Om sultan Ahmed gunstig te stemmen is door burgemeester Reinier Pauw als ontvanger-generaal van de VOC-konvooien in Amsterdam, in samenwerking met Lambertus Verhaer een aantal cadeaus uitgezocht. Aanvankelijk was een limiet gesteld van 5.000 gulden, maar uiteindelijk werd dat meer dan het viervoudige.  Schriftelijk vastgelegd door notaris Lelie en door twee geautoriseerde leden namens de Staten-Generaal,  de raadsheren dr. Dirck Bas en dr.Albert Joachimi goedgekeurd, ten overstaan ook van de heren Dierick Jacobszoon Schoonhove en Jacob Braet, als raden van de Admiraliteit.

Portret van sultan Achmed 1 met daaronder zicht op de in zijn opdracht gebouwde Achmed moskee, beter bekend als de Blauwe moskee met zes minaretten

Goed verpakt in 93 kisten is een speciale boot met een kostbare lading met een waarde van 20.563 gulden en 11 schellingen onder leiding van schipper Dirck Pieterssen Proost  op 14 december vanuit Amsterdam uitgevaren met als bestemming Istanbul. Het VOC-schip was uitgerust met 4 kanonnen ter bescherming voor kapers, en is begeleid door gezantschapsattaché Lambert Verhaer. Het geschenkenpakket was zeer gevarieerd. Dat betrof o.a. Haarlems linnengoed, goudlakens uit Leiden, 387 fluwelen en satijnen stoffen in verschillende kleuren en 120 meter andere fijne stoffen, 200 tulpenbollen [om aan te tonen dat de uit Turkije afkomstige tulp goed werd verzorgd], door Pauw persoonlijk gekocht om de sultan te laten zien dat de Turkse tulp in Holland in ere werd gehouden verrekijkers, gouden en zilveren overwinningspenningen, gobelins, 2 kroonluchters  (van welke mogelijk nog 1 aanwezig is in de tussen 1609 en 1616 naar een ontwerp van Sedefhar Mehmet Aga, leerling van de befaamde architect Sinan, gebouwde sultan Ahmed ofwel Blauwe Moskee) (4) , heraldische wapenafbeeldingen van de 7 Hollandse gewesten, snuisterijen van ivoor en parelmoer, 16 fruitschalen, een ‘gheamailleert harnasch om te voet ende te paerde te gebruycken, met rood fluweel ghevoert ende goude pessement beset’, meubilair verguld met lak- en inlegwerk, vier wandelstokken van gemarmerd hout, Delfts porselein (870 stuks!), kaarsen, pannen en lepels, schilderijen met de portretten van Prins Maurits en prins Frederik Hendrik (samen voor 120 gulden geschilderd door Dirck van Haerlem) van  de overleden Franse koning, de Engelse koning en de keurvorst van de Paltz (5), een Mercator-atlas gebonden in rood fluweel (gekocht voor 98 gulden), 29 boeken (een Griekse bijbel en voornamelijk calvinistische theologie en klassieke edities – gekocht bij boekhandel Chennier), prenten (met afbeeldingen van onder meer triomfwagens, Spaanse en Hollandse oorlogsschepen), twee globes van Willem Janszoon Blaeu (een wereldbol en een sterrenhemelglobe voor gezamenlijk 40 gulden),

Dezelfde aarde- en hemelglobe zoals aanwezig in het Rijksmuseum bevinden zich dankzij de ruimhartige Hollandse schenking ook in het Topkapi museum

4 ijzeren braadpannen, een vergulde kompas en ruim 60 kaarten (6). Verder nog Hollandse boter, 4 tonnen gezouten vlees en 408 stuks oude Edammer kaas. Ten slotte 1 kist  met 5.000 Hollandse daalders, bestemd voor bemiddelaar Halil Pasha. [een daalder was 1 gulden 50 ofwel 30 stuivers waard].  ‘Dat allemaal om de eeuwige vriendschap tusschen de beide volken te bezegelen’. Toen Halil Pasja bij aankomst 4 maanden later de bijgevoegde inventarislijsten doornam liet hij tot verbazing van Haga weten teleurgesteld te zijn omdat de schenking niet zo groot en veel was als voor de sultan, heerser van bijna de helft der destijds bekende wereld zou mogen worden verwacht. Halil was zo genereus en schoot 3000 goudstukken ofwel florijnen voor – later door de Hollandse rekenmeester vergoed – om in de bazaar als aanvulling een aantal kostbare vesten van fluweel en satijn voor de sultan te kopen.  

Gravure van panorama van Amsterdam door Pieter Bast en uitgegeven door Visscher, één van de schenkingen aan sultan Achmed 1.

Intussen hadden de Franse en vooral Venetiaanse ambassadeur pogingen ondernomen, om bij het Turkse hof de Nederlanders in een kwaad daglicht te stellen, omdat zij de Hollandse legatie als concurrentie zagen. Zij beschouwden hen als opstandige rebellen die geen gezag erkennen van de (Spaanse) koning en de sultan zullen verraden en bovendien in hun residentie te Istanbul een bandeloos leven zouden leiden. Halil Pasja gaf de brief door aan Haga en een Nederlandse vertaling is naar de Staten-Generaal verzonden. De inhoud van hun schrijven is zowel in Nederland als Turkije als kwaadsprekerij en lasterpraat opgevat en niet  serieus genomen. Ook de Hollandse gebroeders Carel  en Nicolaas Gijsbrechtsz., teleurgesteld omdat hun broer Jacob was gepasseerd als aanstaand ambassadeur, deden – vergeefse – moeite om het gezantschap te doen mislukken.

De grootadmiraal  regelde een audiëntie bij sultan Ahmed, welke op  1 mei 1612 met pracht en praal  plaatshad in het Topkapi paleis. Haga sprak in het Latijn en een dragoman ofwel tolk, de Venetiaan Paolo Antoni Bon, vertaalde zijn woorden in het Turks. Hierna zijn de geloofsbrieven overhandigd.

Audiëntiezaal in Topkapi paleis

Nog in datzelfde  jaar verleende sultan Ahmed 1 na kennis te hebben genomen van de voorstellen van raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt Nederland officieel een privilege [aangeduid met ‘capitulatie  en in het Turks ‘ahitname’’] voor handel en verkeer met het Ottomaanse Rijk, vastgelegd in een lange brief in de vorm van een rol met een lengte van 7 meter, gedateerd 6 juli 1612.  

Aanvang goedkeuring van Turks-Nederlandse diplomatieke betrekkingen 1612 (Nationaal Archief Den Haag)

Daarmee was de consulaire jurisdictie voor de Nederlandse gewesten tot stand gebracht.  Voorts is Ömer Aga met zijn gevolg in 1614 als eerste Turkse ambassadeur naar Nederland gezonden. Feitelijk is Turkije het eerste land in de wereld geweest dat de Republiek der 7 Verenigde Nederlanden als officiële staat heeft erkend.

Zicht op Topkapi paleizencomplex en serail (harem)gelegen aan de Bosporus (recent)

Een tweede audiëntie bij sultan Ahmed had plaats op 29 mei 1613  in het zomerpaleis in Üsküdar, op de Aziatische oever van de Bosporus. Bij die gelegenheid zijn alle uit Holland overgekomen geschenken + als aanvulling de in Istanbul gekochte kleding, allemaal  keurig uitgestald en als blijk van waardering overgedragen. In het door Haga geschreven memoriaal staat vermeld dat de geschenkenlijst is voorgelezen.  Deze ontvangst was minder formeel dan de vorige audiëntie. Ook nu was de sultan gezeten op een rijk met diamanten en robijnen versierde zetel. Na een korte toespraak van Haga in het Italiaans en vertaling in het Turks door een dragoman gaf de sultan – zonder, zoals bij de eerdere ontvangst,  ook maar 1 woord te spreken – via een hoofdknik aan de grootvizier te kennen dat hij instemde met de aangeboden cadeaus, waarmee de ontvangst ten einde kwam.

Een  ‘schilderye’ met een panorama van Constantinopel

Ambassadeur Haga die voornamelijk correspondeerde met zijn ‘goede vriend’  Statenlid Adriaan Pauw en er op diens aandringen zich veel moeite heeft getroost de op Turkse galeien gevangen genomen Nederlanders uit hun slavernij te verlossen,  zond op 1 oktober 1616 een schrijven aan de Staten-Generaal.

Daarin berichtte hij:  ‘Ick heb met een schip van Amstelredamme, genaemt den “Witten Arent”, een conterfeytsell van dese stadt, seer curieuselijck nae het leven gedaen, aen U[we] H[oog] M[ogenden]  gesonden, ’t welck gearriveert sijnde, van mijn broeder Johan Haga geconsigneert sall werden. Bidde dat u[we] H[oog] M[ogenden] ‘tselvige van haeren aldergetrousten ende onderdanichsten dienaer believe te accepteren.’  Het VOC-schip de ‘Witte Arend’  was in 1600 op de Amsterdamse VOC-werf gebouwd voor een lading van 300 last [= 600 tom] en voer voor het eerst uit met een vloot (de Zwarte Arend en Dordrecht) uit naar  Sumatra waar een deel van de bemanning is gevangen genomen. Na nog andere plaatsen in Indië te hebben aangedaan is zijn is de boot zonder de achtergelaten schepelingen in 1602 teruggekeerd in het vaderland. De reis naar Amsterdam in 1616 verliep goed, maar we vernemen niets meer over het panorama tot omstreeks 1630.  Adriaan Pauw, intussen vanuit Amsterdam naar En Haag verhuisd heeft in zijn vernieuwde slot een speciale ruimte ingericht, waar hij het ’schilderye Constantinopel’, naar wordt aangenomen een pentekening en ten dele geaquarelleerd, van naar schatting ongeveer 10 meter volgens tijdgenoten verspreid over drie wanden een plaats heeft gegeven. Een afbeelding ontbreekt helaas en ondanks veel archivalisch onderzoek is een naam van de anonieme kunstenaar – vermoedelijk een Vlaming werkzaam in Istanbul – onbekend gebleven. Weliswaar wijzen vergelijkingen op het voorbeeld van een panorama door een Tsjechische kunstenaar Hendrikofski, die was namens het Habsburgse Rijk omstreeks 1600 in Istanbul verbleef.  Dat algezicht, als afdruk opgenomen in het nieuwe boek, bevindt zich in de verzamelingen van de Oesterreichische National Bibliothek  in Wenen. Zie hiervoor het deel door Tütüncü in de uitgave ‘Een verloren panorama in het Huis te Heemstede van Adriaan Pauw’.

Opschrift door Hendricus Bruno

Portret van de Hoornse rector, dichter en geleerde Henricus Bruno, gegravaard door R.A.Persijn

Aan Hendrik Bruno, conrector van de Latijnse school in Hoorn heeft Pauw verzocht Latijnse opschriften te maken voor de verschillende kamers, poorten en beelden van het kasteel in Heemstede. Op 31 augustus 1649 heeft Bruno daaraan voldaan. Als tekst voor onder het ‘Schilderye in de Kamer Constantinopelen’ gaf hij de volgende tekst door: ‘Urbs haec antiqissima in Finibus Thraciae condita, olim Byzantiam et Argos (7) appellata fuit, eaque ad Bosphorum e regione Asiae sita est. Post captam a Mahumete Turcarum Imperatore anno 1453 sedes Omperii Ottomannici fuit, et a Graecus hodiernis Stambolii, atque a Turcis Stamboul vocatur. Illustris viir Cornelius Haga, apud Portam orator, D.D. 9= donum datum) ordinibus Generalibus tramsmisit’

Handschrift Henricus Bruno met instructie voor inscriptie van de Bibliotheca Heemstediana (Heerlijkheidsarchief Heemstede in Noord-Hollands Archief)

De vertaling betreffende schilderyhe Constantinopel luidt: ‘Deze zeer oude stad, aan de grenzen van Thracië gegrondvest, is eertijds Byzantium en Argos (7) genoemd geweest. Zij is aan de Bosporus recht tegenover Azië gelegen. Na de inneming door Mohammed, de keizer der Turken, in het jaar 1453 is zij de zetel  van het Ottomaanse Keizerrijk geweest. Zij wordt thans door de Grieken Stambolii en door de Turken Stamboul genoemd. De doorluchtige Heer Cornelis Haga, gezant bij de Porte, heeft (dit schilderij) aan de Staten-Generaal ten geschenke gegeven en toegezonden’.

Het panorama is in het kasteel tot de afbraak in 1810 blijven hangen. Op een inventarislijst van goederen met taxatie in 1760 vervaardigd in opdracht van Aalbrecht Nicolaas, baron van Aerssen Beijeren, Heer van Hoogerheiden, die het vruchtgebruik van de heerlijkheid genoot, is vermeld dat ‘in Constantinopelen’ de volgende meubels stonden: ‘2 purpre armstoelen, tien dito stoelen en 2 gerridons, met een gezamenlijke waarde van 21 gulden.’ (Van Doorninck, inventarisnummer 178) In 1763 en volgende jaren liet ambachtsheer Jan Diderik Pauw de aanwezige schilderijen en portretten voor zover nodig in orde brengen door de kunstschilders Hendrik en Johannes Carré. Daarbij is  het prospect van Constantinopel gerestaureerd door Hendrik Carré (1656-1721). Diens nota aan Diderik Pauw geboren Hoeufft vermeldt: ‘Een groot stuk verbeeldende een gedeelte van Constantinopelen, veel defecten en meest overgeschildert’ 50 gulden. (Van Doorninck, nummer 486).

In deze periode werd het slot door de eigenaar hooguit nog als logeeradres gebruikt. Voor buitenstaanders was het gesloten, maar de rentmeester mocht met toestemming bezoekers voor een bezichtiging toelaten. In de jaren voor de afbraak van het kasteel in 1810 zijn vermeldingen van een bezoek te vinden van Willem de Clercq (dagboek 1806), Adriaan Loosjes (Hollands Arkadia, of wandelingen in de omstreken van Haarlem, 1809) en H.Potter in het verslag van een reis in 1807 en 1808, uitgegeven in 1809, die allen berichten van het aanwezige ‘Profil van Constantinopel’ in een afzonderlijke kamer. Toen de inhoud van het slot vanwege voorgenomen afbraak in 1810 ontruimd moest worden zijn enkele opkopers aangetrokken en is veel verloren gegaan. Enkele voorwerpen kunnen nog worden getraceerd, aanwezig in het Historisch Museum van Amsterdam. Het is met name Jacob van Lennep geweest die zich achteraf boos heeft gemaakt over de barbaarse wijze waarop met de inboedel van het Huis te Heemstede is omgegaan. Zo zijn toen alle wapenschilden van de familie Pauw die in de Bataafse tijd uit de kerk waren gehaald en op een bovenverdieping van het slot lagen opgeslagen verloren gegaan. Aangenomen wordt dat het panorama van Istanbul bij gebrek aan historisch besef eenzelfde lot onderging (8).

Fragment panorama Constantinopel door Lorck (Universiteitsbibliotheek Leiden)
Sultan Soleyman de Prachtvolle op het panorama van Lorich afgebeeld (UB Leiden)

Panorama’s van Constantinopel/Istanbul door Lorich (Lorck) – 1560, Pieter van der Keere – 1616/1617 en Claes Janszoon Visscher – 1626

De Deens-Duitse kunstenaar Melchior Lorck (Lorich) (1525/1527 – na 1583) is in 1555 toegevoegd aan het gezantschap van de Duitse koning Ferdinand 1 in Turkije. Hij verbleef enkele jaren in Istanbul en verhuisde in 1560 naar Wenen, waar hij onder meer in Turkije vervaardigde schetsen verder uitwerkte. Daartoe behoort een vanuit Galata/Pera getekend panorama van de Constantinopel, getekend en geaquarelleerd op papier in 21 bladen, en met een totale lengte van 11,5 meter en breedte van 45 centimeter. Door een toeval kwam het panorama via conciërge Nicolaas Stalpert van der Wiele, een relatie van bibliothecaris Bertius, terecht in de Academiebibliotheek van Leiden, waar het een wand in beslag nam en is te zien op een gravure van J.C.Woudanus uit 1610. Ten dele in de loop van de tijd beschadigd behoort de tekening, die in 21 stukken op karton is geplakt op het internet afgebeeld en intussen ook in facsimile uitgegeven Vandaag de dag  behoort het tot de topstukken van de Leidse universiteitsbibliotheek.

De veronderstelling dat Pauw eenzelfde panorama door Haga geschonken als kopie van Lorich in Heemstede tentoonstelde kan sowieso niet kloppen, omdat na 1560 gebouwde objecten, zoals moskeeën, niet voorkomen op het in Leiden aanwezige prospect.

Verkleind panorama van Constantinopel door Pieter van der Keere (Kaerius) in de Koninklijke Nationale Bibliotheek van Zweden, Stockholm (2 meter bij 40 centimeter) Een uitleg van moskeeën, monumenten e.d. in deel 2 van het boek door de Nederlands-Turkse historicus Mehmet Tücüncü.

Verondersteld mag worden dat het panorama bij aankomst vanuit Istanbul in ons land door kaartenmaker Pieter van der Keere  (9) in 1616/1617 als voorbeeld heeft gediend voor een verkorte uitgevoerde gravure van de belangrijkste delen van de stad in vier koperplaten, gezamenlijk met een lengte van ruim 2 meter.

Pieter van der Keere vervaardigde ook een (eenvoudig) panorama van Haerlem in 1616

Vooral door de Duitse geleerde Franz Babinger en in ons land door mr.B.van ’t Hoff (zie literatuuropgave) is onderzoek gedaan naar het ‘Nederlandse’ panorama van Konstantinopel’ uit het begin van de Gouden eeuw.

Verzameling steden-panorama’s van Magnus Gabriël de la Gardie

In de Nationale Bibliotheek van Zweden te Stockholm  bevindt zich een unieke serie 15e tot 17e eeuwse stadsgezichten in Europa. Deze zijn bijeengebracht door de Zweedse edelman en rijkskanselier Magnus Gabriël de  la Gardie (1622-1686). Enkele voorbeelden:  Amsterdam, Alkmaar, Luik, Londen, Parijs, Madrid, Venetië, Florence, Rome, Lissabon, Frankfurt, Keulen, Danzig, Hamburg, Augsburg, Krakau etc. Zo ook van Constantinopel. In totaal liefst 187 stadspanorama’s, die opgevouwen in een map zijn bewaard gebleven. Wat de provenance betreft kan op basis van correspondentie  worden vastgesteld dat de map is besteld door  Gustav II Adolf  (1584-1632) en vervolgens in opdracht van de koning werd aangekocht door de Nederlandse filoloog en diplomaat Johannes Rutgersius (1589-1625). De collectie is opgenomen geweest in de bibliotheek van kanselier graaf Gabriel de la Gardie  – die voorts in 1662 van Isaac Vossius de befaamde Gotische bijbel Codex Argenteus daterend uit de zesde eeuw kocht, tegenwoordig in de ub van Uppsala.  Na zijn overlijden in 1686 zijn de panorama-gravures eerst opgenomen in het door De la Gardie gestichte Zweedse Archief van Oudheden. Ten slotte  in 1770 overgebracht naar de collectie van de Nationale Bibliotheek  De stadsgezichten zijn in 1915 voor het eerst beschreven door bibliothecaris Izak Collijn.

Pieter van der Keere (1591-circa 1646)

We nemen aan dat het door Haga aan de Staten-Generaal  geschonken (anonieme) getekend/geschilderd panorama in 1616 / 1617 is gegraveerd door de in Gent geboren Zuid-Nederlandse cartograaf, graveur, uitgever en globemaker Pieter van der Keere (Kaerius) Deze werkte aanvankelijk voor de internationale drukkersfirma Plantijn in Antwerpen. Na een verblijf in Londen vestigde hij zich in 1593 met zijn zwager Jodocus Hondius (tevens cartograaf en graveur) in Amsterdam , dat na de val van Antwerpen een centrum is geworden van 17de eeuwse drukkunst en cartografie. In de Gouden Eeuw ontstond de vraag naar grootschalige, meerbladige stadspanorama’s. Van der Keere leverde hieraan zijn bijdrage met panorama’s van onder andere Utrecht, Keulen, Amsterdam en Parijs. Op het prospect van Constantinopel – 39.4 centimeter hoog en 214,6 cm. lang) staat afgedrukt: Byzantii, quae nunc Con-Stantinopolis, descritio’.

De stad is afgebeeld, gezien naar het zuiden van de overzijde van de haven de Gouden Hoorn. Op de voorgrond links zien we een deel van Galata (Pera) en op het eerste blad links onder ‘Asia;’, namelijk een stuk van Scutari ofwel Üsküdar, in het Aziatische deel van de stad Istanbul. Talrijke moskeeën, monumenten e.d. zijn afgebeeld met een Latijns opschrift.  Op het water zijn galeien van zowel Turkse als Hollandse schepen afgebeeld. Op de vierde koperplaat onder het portret van de regerende sultan Ahmed eindigt het kolofon als volgt: ‘Petrus Kaerius Flander Excudebat Amstelodami habitans in platea / vulgo de Calver-strate in intersignio incerto temporis,  anno 1616 CUM PRIVILEGIO.  Het opschrift in witte kapitalen op zwarte achtergrond luidt: ‘Constantinopolitanae urbis effigies ad vivum expressa, quam turcae Stampoldam vocant’.   Onder het panorama in 16 kolommen gedrukte latijnse beschrijving. Boven op het cartouche linksonder siert het portret van keizer Constantijn en op een tweede cartouche op het vierde blad rechtsonder  de heersende sultan Ahmed 1 met tekst ‘Hamet Huius Nominis / Primus Imperator Orientis’  Volgens dr.R.A.Skelton conservator van de atlas in de British Library bevindt zich sinds 1957 een tweede exemplaar van het prospect Constantinopel in Londen (Maps 89, b.14).

Detail – linkerdeel – van nadruk panorama Constantinopel door Claes Janszoon Visscher 1626 (Maritiem Museum Rotterdam (Links portret van keizer Constantijn de Grote)
Middendeel van 2 meter lang panorama van Constantinopel
Het rechterdeel van prospect Constantinopel met rechtsonder het portret van sultan Achmed I.

Claes Janszoon Visscher (1587-1652)

Na 1620 raakte Van der Keere in financiële problemen en uit een door kunsthistoricus A.Bredius gepubliceerde inventaris uit 1623 van de boedel van Pieter van der Keere blijkt dat 4 ‘plaeten van de stadt Constantinopelen a 20 gulden zijn verkocht. Aldus voor in totaal 80 gulden [naar de waarde van heden ongeveer 900 euro]  Deze zijn in handen gekomen van de Amsterdamse graveur en drukker Claes Janszoon Visscher (1587-1652) , die behalve van Amsterdam talrijke stadsgezichten en andere prenten heeft uitgegeven. Voor een nieuwe druk heeft hij de naam van Petrus Kaerius en jaartal 1616 schaamteloos weggehaald en deze vervangen door ‘Nicolaes Joannes Visscher Amsterdam 1626 . Op het in 1954 door het Maritiem Museum in Rotterdam verworven exemplaar heeft de koper op de achterzijde geschreven: ’1643 18 meij in Amsterdam bij Visscher, in 4 blaederen, 4  geschryft, betaelt st. 10 Constantinopelen’. Daaruit blijkt dat de anonieme koper het panorama op 18 mei 1643 in de winkel van Visscher heeft gekocht. De museumbibliotheek in Rotterdam beschikt tevens over het minder zeldzame stadspanorama van Amsterdam. Dat is vervaardigd door Pieter Bast afkomstig uit Antwerpen en verscheen in 1599 in 2 bladen (24 x 76 centimeter )vanaf het IJ, in 1611  herdrukt met wijzigingen onder naam van Claes Jansz. Visscher. (10).

In dit verband kan nog opgemerkt worden dat twee Venetiaanse  broers als tekenaar en plaatsnijder werkzaam: Giovanni en Alessandro Temini de Constantinopel-ets van Pieter van der Keere in 1642 voor hun  eigen doel hebben overgenomen. Daarmee is ten aanzien van een plaatwerk van Pieter van der Keere tweemaal plagiaat gepleegd, namelijk  door een Nederlander en een Italiaan. Laatstgenoemde is zelf nooit in Constantinopel geweest. Helaas is het niet gelukt de naam van de anonieme kunstenaar die het panorama tekende te achterhalen. Op de lijst van Nederlanders die in het gevolg van Haga naar Istanbul reisden is geen kunstschilder te vinden.

Franz Babinger wijst op een jonge Vlaamse schilder die zich omstreeks deze tijd in de Turkse stad bevond, zoals de Italiaan Pietro della Valle (1586-1652), musicus, reiziger en  auteur,- van 8 juni 1614 tot 25 september 1615 aanwezig in de stad mede om de taal te leren, in een brief van 8 augustus bericht, helaas zonder de naam te noemen. Hij reisde met de Vlaming vanuit Venetië naar Constantinopel , logeerde aldaar in de Franse ambassade bij Achille de Harley, Baron de Sancy, van 1610 tot 1619  ambassadeur van de Verheven Porte,  die raakte bevriend met de kunstenaar. Citaat: (…) ‘in casa del signor ambasciadore un giovane Fiammingo pittore, che venne appunto da Venezia nella medesima nave nella quale venni io, e che infin d’llora fattomi amico, ho anche voglia e sprenza di condurlo con me, quando io parta di qui per tutti i viaggi che farò, solo a fine di fargli dipiiringe molte cose curiose, che in diversi paesi anderõ trovando, mentre ancora in questa città ci traateniamo, ed egli spessi è meco, gli ho fatto fare diveesi rirtatti curiosi del naturale, ad olio in tela, in forma grande, da vedersi le persone tutte in oiedi, parte de’quali già ne ha finite, e parte ancora ne sta lavoando’.  Babinger meent dat deze Vlaming dezelfde is die door Pietro Della Valle een gezicht van Constantinopel vervaardigde, zoals deze in zin brief van 4 september 1615 bericht: ‘Sebben di Constantinopoli spero di portarne con me una dipinta, che adesso do fare, che se si formirà, sarà galantissiimae’. In een latere brief spreekt hij over zijn kunstzinnige vriend met enkel de voornaam: ‘Giovanni il mio pittore, pur fiammingo’ met wie hij Istanbul heeft verlaten. Het is mogelijk dat Haga, bekend met zijn Franse collega Achille de Harlay, het panorama door deze ‘Giovanni’  aan de Staten van Holland heeft geschonken, en Pieter van der Keere vervolgens heeft aangewend voor  een gravure, waarvan inclusief de nadruk door Visscher thans 3 exemplaren bekend zijn, in respectievelijk Stockholm, Londen en Rotterdam.

Van het exemplaar in de bibliotheek van Stockholm aanwezig is door Mehmet Tütüncü en mijzelf een goede afdruk met een lengte van ruim  meter verworden. 

Mr.B. van ’t Hof wijst nog op een tweede hypothese ten aanzien van de mogelijke tekenaar. Hij attendeert op een publicatie ‘Relation of a Journey begun anno Dom. 1610’ , door George Sandys, uitgegeven in Londen in 1615.

Panorama van Constantinopel in het reisboek van George Sandys
Gravure van prospect Constantinopel (Delaram / Sandys)

Daarin komt voor de illustratie van een “prospect of the Grand Signiors Seraglio from Galata’ , welke gravure is vervaardigd door de uit Vlaanderen afkomstige kunstenaar Francis Delaram (1590-1627) die naar Engeland verhuisde. Op deze afbeelding is een deel van Constantinopel zichtbaar tussen de haven de Gouden Hoorn en Bosporus, met het Serail van de sultan en de Aya Sophia, vergelijkbaar zoals op het eerste (linkse) blad van Pieter van der Keere. Van laatstgenoemde is bekend dat hij na zijn vestiging in Engeland contacten met kunstenaars uit dat land heeft voortgezet.

Uit de 17de eeuw dateren ook enige gegraveerde Duitse panorama’s van Konstantinopel, in 1606 vervaardigd door Wilhelm Dillich (1571-1650) en navolgers, zoals Mathäus Merian (panorama uit 1638) met als verschil dat de Nederlandse prenten verklarende bijschriften geven, veelal in drie talen: Nederlands, Latijns en Frans, maar nimmer in het Engels.

Konstantinopel door Wilhelm Dillich, 1616
Ingekleurd panorama door Matthäus Merian, 1638
Een 17de eeuws anoniem panorama van Constantinopel in de de collectie Bodel Nijenhuis van de Universiteitsbibliotheek Leiden
De Nederlander Cornelis de Bruijn (ca.1642-1727) maakte diverse wereldreizen. Uniek is zijn reisboek ‘Voyage au Levant’uit 1700 met gegraveerde prenten in kleurendruk. Zijn beschrijving van Constantinopel blijkt grotendeels geplagiëerd te zijn van een werk door Guillaime J.Grelot ‘Relation nouvelle d’un voyage de Constantinople’. Voor het panorama zal het niet anders zijn wat overigens voor meer panorama’s in de 17e/18e eeuw van toepassing
is.
Kleurenillustratie panorama Constantinopel in boek Cornelis de Bruyn (Wikimedia)
Scutari Üsküdar 1698 Seraglio di Constntinopolo (Cornelis de Bruyn)

In  de  verzameling van de Österreichische Nationalbibliothek bevindt zich een boek ’Bilder aus dem türkischen Volksleben’, 1589-1590  dat een gravure bevat met een panorama van Constantinopel, vervaardigd door de uit het Habsburgse Rijk afkomstige en in Istanbul woonachtige kunstenaar Heinrich Hendrowski, welke veel overeenkomsten heeft met het panorama via Pieter van der Keere bekend. Die afbeelding is opgenomen in het boek.

Noten

(1)In 1604 was de stad Sluis in Zeeuws-Vlaanderen veroverd door het Staatse leger. De verslagen Spanjaarden lieten 138 galeislaven achter,  meest Moren en moslims uit het Ottomaanse Rijk (Algiers en Marokko)  aangeduid als ‘Turcken’.  De Staten-Generaal lieten deze slaven vrij en boden hen de kans terug te keren naar hun vaderland. Schipper Thomas Gerritsz. van Staveren ontving de opdracht ten terug te brengen naar Noord-Afrika. [Helaas voor hen is een aantal nabij Marseille aangehouden en opnieuw als slaaf ingezet]. In het gehucht Turkeye in de gemeente Sluis wordt tot in onze tijd de herinnering aan voornoemde gebeurtenis levendig gehouden. Bovendien zijn in de Turkse steden Dalaman en Trabzon plaatsnaambordjes geplaatst met de tekst ‘Turkeye, gem. Sluis’.

dorpje Turkeye, gemeente Sluis
Herdenking in de Turkse plaats Dalaman aan de Egeïsche Zee in herinnering aan 400 betrekkingen tussen Nederland en Turkije.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog is door de protestantse anti-katholieke geuzen als leuze gebruikt ‘Liever Turks dan paaps’, zoals aangetroffen op geuzenpenningen in de vorm van een Turkse halve maan.

Een door de geuzen gebruikte geuzenpenning uit de 16e eeuw Have aan met opdruk Liever Turcx dan Paus (Paaps)

(2)Verscheidene Amsterdamse koopmanshuizen onder wie van Reinier en zoon Adriaan Pauw handelden al met de Levant, o.a. op Aleppo, sinds 1601 onder Engelse vlag. De Barbarijse kapers waren gevreesd door de VOC. Zij opereerden in de Middellandse Zee vanuit Noord-Afrika, Tunis, Algiers, Marokko, in die tijd Ottomaanse vazalstaten. Daar waren ook Hollanders bij soms bekeerd tot de Islam. Bekende namen zijn Claes Compaan afkomstig uit Zaandam, Dirk de Veenboer uit Hoorn  en Jan Janszoon van Haarlem, ook bekend als Murat Reis (1570-circa 1642). Deze tot de Islam bekeerde Jan Janszoon wordt beschreven in en recent verschenen monografie van Abdelkader Benali: ‘Reizigers van een nieuwe tijd; Jan Janszoon, een Nederlandse piraat in Marokkaanse dienst (De Arbeiderspers, 2020). In 1621 is één van de schepen van Reinier Pauw door Algerijnen gekaapt. Toen is met het terughalen van schip, lading en bemanning Wijnand de Keyser, tussen 1616 en 1627 de Nederlandse consul in Algiers, ressorterend onder Haga, belast. De consul stond op goede voet met zowel de bey van Algiers als de Barbarijse zeerovers van Nederlandse komaf.  Het was niet de gewoonte dat de Staten-Generaal geld fourneerden om o.a. de als slaven gevangengenomen bemanningsleden vrij te kopen. Omdat zeker 40 van de 100 gevangenen uit Schiedam kwamen hebben de stadsbesturen van Rotterdam, Delfshaven en Schiedam een bijdrage geleverd, en is een en ander door De Keyser en zijn secretaris Jan de Manrique mede ten gunste van Pauw geregeld.    

Vooromslag van boek ‘Reizigers van een nieuwe tijd’ door Abdelkader Benali (2020). De Haarlemmer jan Janszoon die zich tot de Islam bekeerde en zich als kaper ofwel piraat in Marokkaanse dienst trad.
Olafur Eggilssen (1564-1629) , een Luttherse predikant afkomstig uit IJsland, is met 241 andere personen gevangen genomen door Jan Janszoon van Haarlem. Na betaling van losgeld is hij na een jaar vrijgekomen. Over zijn ervaringen heeft hij een boek geschreven (Wikipedia)

Fungeerde al een Compagnie op de Levant, in 1625 is formeel een Directie voor handel op de Levant in het leven geroepen, welke tot 1826 heeft bestaan.

Schilderij door Reinier Nooms (1623-1663) met een voorstelling van 3 Hollandse oorlogsschepen voor de kust van het door de Ottomanen bezette Tunis (Rijksmuseum Amsterdam)
VOC schepen op de Bosporus

Aanvankelijk zijn Reinier en Adriaan Pauw met hun VOC-schepen actief geweest. Men vervoerde o.a. Leids linnen en Haarlems lijnwaad naar de Oriënt, evenals zilveren munten. Op de terugreis nam men voornamelijk angorawol, zijde, katoen en gedroogde vruchten mee. De directie Amsterdam was gevestigd in het stadhuis – in het nieuwe gebouw na 1650 in een vrij grote kamer op de tweede verdieping ter beschikking gesteld– en naast Amsterdam zijn vervolgens  nog directies opgericht in Rotterdam, Hoorn en Middelburg. Vooral na de Vrede van Munster is de Levantse handel opgebloeid.

17de eeuwse gravure van het VOC-gebouw ofwel het Oostindisch Huis, tegenwoordig deel uitmakende van de Universiteit van Amsterdam
Huidige situatie van Bewindhebberskamer in het voormalig VOC-gebouw. Adriaan Pauw was een van de bewindvoerders van 1618 tot 1641. (foto Eelco Hofstra)

(3) Cornelis Haga (1578-1654), telg  uit een prominente Schiedamse familie van kooplieden en reders was al enigszins bekend met Constantinopel omdat hij in tussen 1599 en 1602  zijn ‘Grand tour’ naar Turkije had gemaakt en de snel groeiende stad grote indruk op hem had achtergelaten. Bovendien had Haga in 1610 ervaring opgedaan als diplomaat in Zweden en succesvol geweest bij het vervullen van zijn opdracht om twee gekaapte schepen met kostbare lading naar Holland terug te brengen. Hij onderhield goede contacten met Adriaan Pauw met wie hij een uitvoerige correspondentie voerde en diens jongere broer Cornelis als secretaris meenam naar Constantinopel en in 1613 als consul in het Syrische Aleppo, gelegen aan de Chinese zijderoute benoemde. Cornelis bleef daar tot 1619  en na verslag te hebben uitgebracht bij de Staten-Generaal reisde hij nogmaals naar Aleppo, maar weinig succesvol keerde hij drie jaar later definitief terug naar Nederland,  waarna hij nog enkele gezantschapsfuncties o.a. naar Zweden vervulde.  Zijn vader Reinier had hem een grote som geld naar Syrië meegegeven, met de bedoeling dat hij vervolgens uit consulaire inkomsten zich zou kunnen bedruipen, wat in de praktijk erg tegenviel. Als reiziger door Ottomaans Noord-Afrika mag aangenomen worden dat de ‘zuil van Carthago’ uit Tunis en het beeld van ‘de Egyptische  vrouw met de hiëroglyphen in de Heemstede-verzameling van Adriaan Pauw door zijn broer naar Holland zijn vervoerd. Verder nam hij een aantal Turkse, Syrische en Arabische manuscripten mee .

Detail van lijkstoet 1647 bij de begrafenis van stadhouder prins Frederik Herdruk. Haga derde van links, herkenbaar aan zijn lange baard. Adriaan Pauw was afwezig en bevond zich op dat moment in Munster.

Kenmerkend voor Haga was zijn indrukwekkende lange baard, welke bij de Turken in goede smaak viel, omdat het viriliteit uitstraalde. Hij verbleef tot 1639 in de Turkse hoofdstad en is de geschiedenis ingegaan als een kleurrijk en hoogst bekwaam bekwam diplomaat. Vanaf 1612 konden VOC  schepen onder Hollandse vlag varen. In samenspraak met de Engelse gezant  heeft hij veel bereikt. Haga richtte consulaten op in Alexandrië, Smyrna (Izmir), Chios, Cyprus en Aleppo. Daarmee heeft de diplomaat  veel betekend voor de Levantse handel en zette hij zich in om het gevaar van de Barbarijse kapers terug te dringen. Ene Osman Bey, militair assistent van Halil Pasha, heeft Haga begeleid op zijn reizen door het Ottomaanse Rijk dat reikte van Marokko tot Perzië. Tot zijn vriendenkring rekende hij de Griekse oecumenische patriarch van Istanbul Cyrillus Lucaris, het hoofd van de Grieks-orthodoxe kerk in het Ottomaanse Rijk.  Voorts onderhield hij goede contacten met de Britse diplomaten sir Thomas Glover (van 1610-1611 gezant) en sir Thomas Roe (1621-1628).  Haga en zijn echtgenote Aletta Brasser maakten in Istanbul de pestuitbraak  mee en een opstand van  janitsaren (het elite- ofwel keurkorps van de Ottomaanse heersers) die het ook op hem gemunt hadden. Voorjaar 1639 kon hij de terugreis naar Nederland aanvaarden en op 2 november van dat jaar heeft hij zijn eindverslag bij de Staten-Generaal ingediend In 1645 is Haga benoemd tot president van de Hoge Raad van Holland, West-Friesland en Zeeland.  In 1654 overleden is Haga met zijn echtgenote begraven in de Grote of Sint Janskerk van Schiedam, waar een door de erfgenamen aangebrachte gedenkplaat aan hem herinnert, zoals ook een straat in zijn geboorteplaats.  Het onlangs in opspraak geraakte Islamitische Cornelius Haga Lyceum te Amsterdam is naar hem vernoemd. In Stockholm bevindt zich voorts een Haga park.

Epitaaf ter ere van Cornelis Pauw en zijn vrouw Aletta Brasser in de Grote of Janskerk van Schiedam.

(4)Het pièce de résistance onder de geschenken was ongetwijfeld de grote lantaarn die in totaal meer dan 1200 gulden kostte. De kroonluchter was gemaakt van uitgesneden en verguld hout. Het snijwerk was het werk van de beroemde Amsterdamse stadarchitect Hendrik de Keyser. Voor de vensters van de lantaarn  werd “Russisch glas” gebruikt. In deze houten lantaarn bevind zich een vergulde koperen luchter met glazen lampen. In totaal werden 60 glazen lampen geleverd. Twintig hiervan hadden vergulde randen en waren elk gedecoreerd met zes vergulde halve manen. Deze laatste waren ongetwijfeld bedoeld voor de kostbare lantaarn. De 180 kaarsen op de geschenkenlijst waren eveneens voor deze kroonluchter en de twee andere koperen kroonluchters die naar Istanbul verscheept werden.

(5)Raadsheer dr. Dirck Bas gaf opdracht aan Dirk van Haarlem om geschilderde portretten te vervaardigen van prins Maurits en van diens broer Frederik Hendrik van Nassau. 1 november 1612 gaf de kunstenaar  na betaling de volgende kwijting: ‘Ick, ondergescreven Dirck van Haarlem, schilder, bekenne wel  ende deugdelick te hebben ontvangen uyt handn van den Eerbiedighen Heer Bass, de somma  van hondert XX Carolus gulden, procederende over leveringe van twee pourtraiten , te weten eene van  zijne Prinselijke Excellentie ende zijne Genade  Graaf Heyndrick van Nassau, en bedanckende der goede betalinge hebben ick deze onderteykent op den 1sten November 1612’  (get. Dirck van Haarlem).

(6)Opsomming van de geleverde kaarten: 6 van de aldergrootste wereltkarten à 7 gulden;  2 ruyterkarten van de werelt à 6 gulden; 2 nieuwe grote kaerten van Duytslant à 6  gulden en 10 schellingen;  4 kaerten van de werelt à 6 gulden en 10 penningen; 4 kaerten van de werelt à 4 gulden; 2 kaerten van Hispanien à 3 guldenen 10 schellingen; 1 groote kaert vann Engeland à 2 gulden en 10 schellingen; 1 kaert van Franckrijk à  1 gulden en 16 schellingen: 2 kaerten van Noordholland , fijn à 5 gulden en 10 schellingen; 6 afbeeldingen van de stad Amsterdam , geheel fijn, à 3 gulden en 15 schellingen; idem 2 van deselve , wat slechter à 2 gulden en 15 schellingen; ; 2 Vitorie van de Spaansche vloot à 1 gulden en 15 schellingen; 4 jachten van Sijne Excellentie à 1 gulden en 10 schellingen; 6 triumfwagens idem van  Syn Excellentie à 1 gulden en 10 schellingen; 6 Plancius- kaarten van de wereld à 6 gulden; 2 groote kaerten Europa à 5 gulden en 10 schellingen; 2 groote kaerten van de Nederlanden à 6 gulden; 2 kleine kaerten van Nederland à 3 gulden en 10 schellingen’. 

(7) Opmerkelijk is dat Bruno  naast Byzantium ook ‘Argos’ noemt, omdat die naam eigenlijk slaat op een antieke stad in de Peleponnesos in Griekenland. Weliswaar hebben bewoners van Megara, Corinthe en Argos zich in de zevende eeuw voor Christus aan de Bosporus gevestigd en werd Byzantium in 330 hoofdstad van het (Christelijke) Oost-Romeinse Rijk, vernoemd naar keizer Constantijn Tot 1453 toen Seldsjoeken uit het oosten van Anatolië donder sultan Mehmet II na een langdurige belegering de stad innamen en het mohammedaanse Osmaanse ofwel Ottomaanse Rijk hier is gevestigd. Vernoemd naar een dynastie van sultans, te beginnen in 1281 met sultan Osman 1.

(8)Jacob van Lennep die op het moment van de sloop acht jaar was maakte zich bijna een halve eeuw nadien nog kwaad over deze vorm van cultuurbarbarisme.  Bij zijn uitgave van de Werken van Vondel, vierde deel, bladzijde 34 (Amsterdam, Gebroeders Binger, 1858)  noteerde hij als voetnoot bij een gedicht waarin Pauw en het slot ter sprake komen: ‘Ik herinner mij nog flaauw de prachtige antieke standbeelden, waarmede het voorportaal prijkte, de keurig gebeitelde opschriften en wapenborden, en de groote zaal die een waar arsenaal bevatte van middeleeuwsche rustingen en handwapenen; doch levendig daar tegenover herinner ik my mijn smart, toen dat prachtige gebouw. ’t Welk ik ‘zomers alle Zondagen, als ik met mijn grootvader naar Heemstede ter kerke reed, uit het geboomte zag oprijen, door sloopers handen wreedaardig werd vernield. Nimmer ging de verwoestende hand van het Vandalisme op meer barbaarsche wijze te werk dan te deze gelegenheid. ’t Is waar, de liefde voor de middeleeuwsche gedenkwaardigheden was toen nog niet, als later, ontgloeid en de gevolgen der treurige beroeringen, welke men had doorgestaan, en waarvan men het eind nog niet voorzag maakten de ingezetenen huiverig om hun geld aan kurioziteiten te besteden, en deed zelfs de slooping van het kasteel van Heemstede schier onopgemerkt plaats hebben: – doch hier traden nog bovendien de verkoopers, door hun slordigheid en onoplettendheid, hun eigen belang met voeten.

Een van de 2 schildpadschilden (die als decoratie dienden) uit circa 1640-1650 afkomstig uit het Slot te Heemstede. Vermoedelijk in 1810 bij de inboedelopruiming door Willem Hekking senior (1796-1862) en via zijn zoon in het Oude Doolhof van Amsterdam terecht gekomen. Tegenwoordig in de collecties van het Amsterdam Museum Bevat het heraldisch wapen van Adriaan Pauw Jr., tevens wapen van Bennebroek

Fraaie marmersteenen met Grieksche opschriften, door een der Pauwen uit de Levant medegebracht, en welke mijn vader aan den rentmeester van ’t slot gelast had voor hem te koopen, werden voor een spotprijs aan steenkoopers weggeworpen; lansen en deegens, waarvan de scheeden en gewesten van louter goud waren, gingen voor oud yzer weg: in een woord ’t was of men zich had toegelegd, hier alles wat waarde had, te versmijten. Het eenige wat mijn vader van de geheele verkooping bekwam, was een schilderij, een vaandrig voorstellende, en voor welke hy, geloof ik, acht gulden betaalde, en welke Vaandrig, hangende in de kamer waarin ik sliep, my elke morgen by ’t ontwaken met norsche blikken aanzag en een heimelijke angst inboezemde. Wat van hem geworden is, weet ik niet.’

Olieverfportret van een onbekende dame, afkomstig uit het Slot te Heemstede. In 1864 door A.L.Dyserinck geschonken aan het Frans Hals Museum

(9) Dat Pieter van der Keere weliswaar het panorama door Lorich van Constantinopel in de Leidse Academie heeft gezien is vrij zeker. Hij was via zijn eerste vrouw Anneke immers een zwager van bibliothecaris Bertius en heeft diverse kaarten voor publicaties van laatstgenoemde gegraveerd. Zo werkten zij onder meer samen bij de uitgave van het panorama van Hamburg. Door de Antwerpse cartograaf Abraham Ortelius is in 1570 de eerste wereldatlas samengesteld: ‘Theatris Orbis Terrarum’. Pieter van der Keere komt de eer toe in 1617 de eerste atlas van de Nederlanden [omvattende 17 Verenigde Provinciën, de Benelux en een klein deel van Noord-Frankrijk) te hebben uitgegeven: ‘Germania Inferior id est XVII Provinciarum’  met een voorwoord van Petrus Montanus.

‘LEO BELGICUS’ Kaart door Pieter van der Keere van de 17 Verenigde Nederlanden

Na hem volgden de atlassen van Mercator-Hondius [in 1604 zijn de koperplaten van de beroemde wereldatlas van Gerardus Mercator (1512-1594) door Jodocus Hondius gekocht], Visscher,Janssonius en Blaeu. In de bibliotheek van Pauw waren de atlassen van Ortelius, Mercator en Blaeu aanwezig. In de Atlas Maior. Opmerkelijk is dat in laatstgenoemde atlas de kaart van de Alpen en Zwitserland is opgedragen aan Hadriano Pauw, Domino de Heemstede

Kaart van de Alpen en Zwitserland opgedragen aan Adriaan Pauw in de Blaeu- atlas maior

(10)Claes Janszoon Visscher is in Amsterdam geboren als zoon van een scheepstimmerman. Hij ontwikkelde zich een talentvol tekenaar, etser en kaartensnijder en was in de eerste helft van de 17de eeuw van belang als uitgever van landkaarten en prenten. Aanvankelijk versierde hij kaarten van Blaeu en Hondius. Hij vestigde zich in de Kalverstraat  waar zich ook de zaken van Hondius en Van der Keere bevonden. Visscher herdrukte onder zijn eigen  naam het algezicht van Istanbul, na de 4 koperplaten hiervoor van de failliete Pieter van der Keere te hebben gekocht. Jarenlang is ten onrechte verondersteld dat  dezelfde (Nicolaes) Claes Janszoon Visscher de  prent van het beleefdheidsbezoek van de Engelse koningin Henriëtte Maria aan Adriaan Pauw in 1642  vervaardigde, terwijl deze dankzij de bewaard gebleven tekeningen van de hand blijkt geëtst door Jan Martszen de Jonge. Het magnum opus   Van Visscher is de atlas ‘Belgium Sive Germania Inferior’ uit 1634, een afzonderlijke atlas van de Nederlanden, waarvan tevens een Latijnse en Franse editie zijn verschenen, overigens gebaseerd op de koperplaten van Pieter van der Keere’s in 1617 verschenen publicatie. Drie generaties heeft de uitgeversfirma Visscher bestaan tot 1726.

Nota Bene Onomstotelijk staat vast dat aan het begin van de betrekkingen tussen Turkije en Nederland veel te danken is aan Cornelis Haga, vanuit Amsterdam en Den Haag ondersteund door Reinier en Adriaan Pauw. Door kronikeur Emanuel van Meteren,  klakkeloos overgenomen door andere auteurs , is beschreven dat Jacob Gijsbrechtsz, een Vlaamse juwelier  te Constantinopel, de vroegste betrekkingen tussen beide staten heeft ingeleid, Latere historici hebben aangetoond dat de verdiensten hiervan toekomen aan Haga én aan Khalil Pasha, een der weinige Turkse diplomaten uit het begin der zeventiende eeuw, wiens doel het is geweest een verbond tussen Turkije, Nederland en Marokko tegen Spanje tot stand te brengen. Als tolk gebruikte fungeerde Jacob Gijsbrechtsz, die zelf graag de rol van gezant had willen vervullen. Laatstgenoemde  tussenpersoon heeft het gewicht van zijn eigen rol schromelijk overdreven, mogelijk zelfs een brief van Khalil vervalst.  Gesteund door Khalil wist Haga handig te manoeuvreren in een rijk waar zonder geschenken en steekpenningen weinig tot niets te bereiken viel. Haga vond behagen in de Oosterse eigenaardigheden, regelmatig geld tekort komende, in het vaderland steeds welwillend geholpen door Statenlid Adriaan Pauw. Het zijn de redenen geweest dat bij als diplomaat relatief lang in Turkije is gebleven

Schilderij door Jean-Baptiste Vanmour van een audiëntie bij sultan Achmed III
In 2012 is een tentoonstelling georganiseerd aan de Levant, over Hollandse kooplieden en Ottomaanse sultans, bij gelegenheid van 400 jaar betrekkingen, in het Amsterdam Museum, voorheen Historisch Museum Amsterdam

Literatuuropgave

Kaart van de Republiek der 7 Verenigde Noordelijke Nederlanden (gewesten of provincies genoemd), bestaande uit Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland, Utrecht Holland en West-Friesland, Zeeland + ‘generaliteitslanden’ Brabant en Limburg.

-Bülent Ari. The first Dutch ambassador in Istanbul. Cornelis Haga and the Dutch capitulations  of 1612. Ankara, 2003 (dissertatie);

Nog een anoniem portret van Cornelis Haga uit circa 1645

-Franz Babinger. Zwei Stambuler Gesamtansichten aus den Jahren 1616 und 1642. München, Verlag der Bayerischen Akademie der Wissenschaften, 1960;

-H.W.J.de Boer /H.Bruch, onder redactie van H.Krol. Adriaan Pauw (1585-1653), staatsman en ambachtsheer. Heemstede, Vereniging Oud-Heemstede-Bennebroek, 1985. Bevat bijdrage: Adriaan Pauw als verzamelaar van wapens, kunst en boeken; de Bibliotheca Heemstediana, p. 71-97;

Vooromslag boek: Adriaan pauw (1585-1653) staatsman en ambachtsheer. Heemstede, VOHB, 1985

-Isak Collijn. Magnus Gabriel de la Gardie’s samling af äldre stadsvyer och historiska planscher i Kungl. Biblioteket. 1915;

-Erik Wilhelm Dahlgren. Miscellanea, in: Nordisk tidskrift för bok- och biblioteksväsen. 1920;

-P.N.van Doorninck. Inventaris van het archief van de Heerlijkheid Heemstede. Haarlem, Gebr. Van Brederode, 1911;

-A.de Fouw Jr.  Onbekende raadpensionarissen, ‘s-Gravenhage, Daamen, 1946. Bevat: Adriaan Pauw, p. 45-90.

-K.Heering. Bronnen tot de geschiedenis van den Levantschen handel, deel 1 (1590-1660) ’s Rijks Geschiedkundige Publicatiën, nr.9. ’s-Gravenhage, 1910;

-Gey, P. Chistoforro Suriano; resident van de serenissime republiek van Venetië in Den Haag, 1616-1653. ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1913 [o.a. betreffende handel van Reiner en  Adriaan Pauw in het Middellandse zeegebied];

-B.van ’t Hoff. Grote stadspanorama’s, gegraveerd in Amsterdam sedert 1609. In: 47e Jaarboek van het Genootschap ‘Amstelodamum’, 1955, p.31-131;

-B.van ’t Hoff. Een panorama van Konstantinopel uit het begin van de gouden eeuw. Rotterdam, Maritiem Museum ‘Prins Hendrik’, 1956 (behoort bij het jaarverslag over 1954);

-Inventaris van het archief van de Levantse handel en de navigatie in de Middellandse zee (1614) 1625-1826 (1828); door A.A.H.van den Burgh. Den Haag, Nationaal Archief, 1882 (internetversie 12-5-2020)

-H.J.Koenen. Genealogie Pauw. In: Adelsarchief, jaarboek van den Nederlandschen adel. Redacteur D.G.van Epen. 1e jaargang.

Scheveningen-Brussel, Heraldisch-Genealogisch Archief, 1900, , p.115—262;

-Konstantinopel unter Sultan Suleiman dem Grossen, aufgenommen im Jahre 1559 durch Melchior Lorichs aus Flensburg nach der Handzeichnung des Künstlers in der Universitäts-Bibliothek zu Leiden mit andere alten Plänen; herausgegeben und erläutert von. Eug. Oberhummer. München, 190;

-Hans Krol. Adriaan Pauw (1585-1653) Catalogus van literatuur over Adriaan Pauw en het Oude Slot in de gemeentelijke openbare bibliotheek Heemstede;

-Nederland in Turkije. Leiden, University Press, 2012;

J.G.N.Renaud. Het Huis en de Heren van Heemstede tijdens de Middeleeuwen. Heemstede, VOHB, 1952;

-Hans van der Sloot & Ingrid van der Vlis. Cornelis Haga . Heemstede, 59o. [In 2003 is de Pauw-collectie verhuisd naar het Noord-Hollands Archief in Haarlem];, diplomaat & pionier in Istanbul. Amsterdam, Boom, 2012;

N.de Roever. Een vorstelijk geschenk. Een blik op de vaderlandsche nijverheid om den aanvang der zeventiende eeuw. In: Oud Holland, 1883, p. 169-188.

-J.C.Tjessinga. Het slot van Heemstede onder Adriaan Pauw. Heemstede, Vereniging Oud-Heemstede-Bennebroek, 1949;

-De briefwisseling (69 brieven omvattende in de periode 1613-1616) tussen Cornelis Haga en Adriaan Pauw bevindt zich in het Nationaal Archief (Huisarchief-Pauw);

-Topkapi & Turkomanie, Turks-Nederlandse ontmoetingen sinds 1600. Onder redactie van Hans Theunissen, Annelies Abelmnn, Wim Meulenkamp. Amsterdam, De Bataafsche Leeuw, 1989.

-Internetsites Delpher en Wikipedia.

-Inventaris van het archief van de familie Pauw van Wieldrecht in het Nationaal Archief Den Haag 2.20.43: nummer 56 Minuten van brieven van Adriaan Pauw in hoofdzaak aan de orateur C.Haga te Constantinopel en aan zijn broer Cornelis Pauw, consul te Aleppo. October 1612-,maart 1616; nummer 57 Particuliere brieven van de orateur C.Haga uit Constantinopel aan de pensionaris Adriaan Pauw. 19de eeuwse afschriften. November 1612-januari 1616; nummer 58 Memorie van Cornelis Haga omtrent het belang van een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging te Constantinopel. 17e eeuws afschrift.

Heemstede, Hans Krol in samenwerking met Mehmet Tütüncü, oprichter van de Stichting Onderzoekscentrum Turkse en Arabische Wereld (SOTA) (*)

(*) Mehmet Tütüncü, zie ook Türcica’ op de site Boekwinkeltjes, is auteur dan wel redacteur van de navolgende publicaties:

-(editor) Caucasus War and Peace. 1998.

-(editor) Turkish Jewish Encounters, Studies on Turkish Jewish Relations through the Ages. Haarlem, 2001

-Turkish Jerusalem (1516-1917), Ottoman Inscriptions, from Jerusalem and Other Palestine Cities. Haarlem, 2006

-Turkish Palestine (1069-1917). Inscriptions from Al-Kahalil (Hebron), Nebi Musa and Other Palestine Cities under Turkish Rule. Haarlem, 2008.

-Cezayir’ de Osmanli. Izleri 314 yillik Türk Hakimiyetinde Cezayirdin Kitabeler, Eserler, Portreter. Istanbul-Haarlem, 2012

-(i.s.m. Hüseyin Sen en Hanna de Vries) De Prins en de Pasja; 400 jaar Nederland Turkije. ’s-Gravenhage, Nationaal Archief: de Verdieping van Nederland,  2012.

The Prince & the Pasha

-Corpus of Ottoman Inscriptions from Albania and Montenegro. Haarlem, 2017

-Toplu makleler – Collected Studies I. Küdüs ve Türkler, Holanda Türkye Iliskiler, Osmanlilar ve Hac ve Evliya Celeb’nin Izinde. Haarlem, 2017

-Toplu makaleler II – Collected Studies II. Kitabe Arastimalari, Cezayir ve Akdeni, Arnavutluk ve cestitli Yazilar. Haarlem, 2017

-1565 Malta Kusatmasi Saray Freskleri. Haarlem, 2018

-Silsile-name-I Varsova, Resimli Peygamberler ve Sultanlar Silsilesi; Illustrated Genealogy of Prophets and Rulers. Haarlem, 2018

Vooromslag van ‘Varsova Illustrated Genealogy of Prophets and Rulers‘, door Mehmet Tütüncü

-Mehmet Tütüncü/Erik Swart/Bülent Ari,  400+ jaar vriendschap Yillik Hatir, Heemstede, 2019.

-Romanya ve Kardeniz cevresinde Osmanli Kitabeleri. Haarlem, 2019.

-Mirza’nin Merceginden Erken Mekke ve Medine Fotograflari / The Lens of Mirza, Early Mecca and Medina Photography. Haarlem, 2019

-Mehmet Tütüncü/Andrey Krasnazhon, Izmail, History of an Ottoman City on the Mouth of Danube. Odessa, 2019.

Mekka & Medina door Mehmet Tütüncü

-Mekka Medina Maps and Illustrations from 15th to 20th century. Heemstede, 2020. ISBN 978-0—6921-022-3.

Selectie van de Mehmet Tütüncü bibliotheek anno 2020

=========

Four centuries of diplomatic and economic relations between Turkey & The Netherlands (1612-2012). In memory of Cornelius Haga. Rotterdam, 2014
Het Ottomaanse Rijk bestreek na de veroveringen van vooral Soleiman de Prachtvolle, in 1566 overleden, een enorm gebied van het Midden- Oosten, Oost-Europa en Noord-Afrika. Bovenstaand een kaart van National Geographic. De beste kaart van het Osmaanse ofwel Ottomaanse Rijk in de 17de eeuw is onder sultan Murad IV vervaardigd en gedrukt door Willem Janszoon en Joan Blaeu in 1635
Bij onderlinge conflicten is meer dan eens een sultan om het leven gebracht. In bovenstaand pamflet uit 1623 werd gewezen op de gruwelijkheden aan het hof in Istanbul (Cornelis Haga, pagina 150)
Naast Constantinopel/Istanbul was Smyrna/Izmir aan de Westkust van Turkije een belangrijke handelsstad waar op het hoogtepunt zo’n 25 Nederlandse handelshuizen waren vertegenwoordigd O.a. het koopmanshuis Van Lennep o.l.v. David George van Lennep (1712-1797) We zien hem op bovenstaand schilderij, een familiegroep in Turkse kledij, uit circa 1770 in het Rijksmuseum. Jhr.F.J.E.van Lennep wijde in zijn boek ‘Late regenten’ en hoofdstuk aan ‘Een schilderij uit de Levant’ , p.208-221. We zien op de achterste rij afgebeeld v.l.n.r. schoonvader Justinus Johannes Leidstar, Hester Maria, Anna van Lennep-Leidstar, Jacob, DAVID GEORGE VAN LENNEP, gouverneur d’Antan. Voorste rij v.l.n.r.; David, George Justinus, Cornelia Jacoba (Lady Radstock), Anna (Marquise de Chabannes), en Elisabeth Clara (Mrs. Morier).

APPENDIX: CORNELIS PAUW

Verondersteld portret van Cornelis Pauw

De historicus H.J.Koenen bericht in zijn genealogie Pauw (Adelsarchief; jaarboek van den Nederlandschen Adel (onder reactie van D.G.van Epen) anno 1900, p. 200-03 het volgende over jonkheer Cornelis Pauw: ‘Zoon van koopman, reder en magistraat Reinier Pauw (1591-1641),Ridder, geboren te Amsterdam 22 mei 1593, vergezelde in 1611 de ambassadeur: Cornelis Haga, als edelman van gezantschap en tevens als secretaris naar Constantinopel, ging als hoofdconsul naar Aleppo (augustus 1613), buitengewoon gezant naar koning Gustaaf Adolf (1631), raad en rekenmeester van Frederik Hendrik, Willem II en Willem III (1632, 1635-1651), door Gustaaf Adolf van Zweden tot gulden ridder (eques auratus) verheven, begraven te ’s-Gravenhage 22 juni 1668. Hij huwde te Breukelen 16 augustus 1626 Anna Pels, geboren te Amsterdam 10 september 1598, begraven te ’s-Gravenhage in de Kloosterkerk 8 november 1666, dochter van Pieter Pels en Anna Willerserts. Over de lotgevallen op zijn reis naar Constantinopel vindt men bizonderheden aan zijn eigen manuscript, memoriën ontleend, bij: mr.H.J.Koenen “Cornelis Reiniersz. Pauw. Een bijdrage tot de Staats- en handelsgeschiedenis van de republiek der Vereenigde Nederlanden’.  In datzelfde geschrift vindt men een uiteenzetting van de betekenis zijner werkzaamheid als consul te Aleppo. In 1619 keerde Pauw naar Nederland terug om verslag uit te brengen, hetwelk hij deed in de vergadering der Staten-Generaal van 29 november 1619 [zie: register der Resolutiën van de Staten-Generaal van 1619 op 29 november en 13 december] , waarop hij door de ganse vergadering werd gedankt en met gelukwensen begroet, met het verzoek om het mondeling meegedeelde ter eeuwigdurende gedachtenis op schrift te stellen en aan H.H.Mog. over te reiken, wat hij op 11 december van dat jaar gedaan heeft. In het volgend jaar werd hij opnieuw naar Aleppo gezonden, doch vermits de handel destijds kwijnde, tengevolge van de jammerlijke toestand, die na de dood van de bekwame gootvizier Murad (1611), de regering van Achmed I meer en meer begon te kenmerken, verzocht hij naar Holland te mogen terugkeren en werd het consulaat te Aleppo weder opgeheven. In 1622 kwam hij in Holland aan. Op het eind van 1631 werd Pauw belast met een zending naar Gustaaf Adolf, die toen tot in het hart van Duitsland was doorgedrongen (Mainz) en na de dood van de koning (1632) wederom met een zending naar de kanselier Oxenstierna en de Duitse vorsten van evangelisch belijdenis, teneinde onder de omstandigheid de belangen van de protestantse zaak zoveel mogelijk te behartigen en de eensgezindheid der bondgenoten te bevorderen. Na de nederlaag der Zweden bij Nordlingen (7 september 1634) keerde Pauw naar Nederland terug en ontving 3 mei 1635 een acte waarbij hem de uitdrukkelijke verklaring werd afgegeven de opdracht tot genoegen zijner lastgevers te hebben vervuld. Zijn zwangere vrouw, die hij te Metz had moeten achterlaten, keerde vandaar terug, niet willende dat haar man zich wederom aan het krijgsgevaar zou blootstellen, daar de toestand der evangelische partij in Duitsland, na de slag bij Nordlingen, hachelijk was. Dit schijnt , aldus zegt Mr.H.J.Koenen (sr.), aanleiding gegeven te hebben dat Pauw na die tijd geen gezantschappen meer op zich nam. Prins Frederik Hendrik had hem in 1632 tot zijn raad en rekenmeester aangesteld, in welke betrekking hij later door Willem II (1647) en de vorstelijke voogdessen (1651) werd bevestigd, Hij werd bovendien met de griffier Musch en de ontvanger-generaal Van Berckel door Willem II in een bizondere commissie benoemd tot herstel van een behoorlijk beheer over zijn domeinen en derzelver inkomsten. Reinier Pauw’s zinpreuk was “Laus Deo Semper” – ten allen tijde lof aan de heer. Hun vijf kinderen waren: 1) jonkvr. Cornelia Pauw, geboren in 1627, overleden te Amsterdam 29 september 1632; 2) jhr. Pieter Pauw (1628-1695), die diverse functies vervulde in Ceylon, Coromandel en Ned. Oost Indië. Hij overleed in Batavia; 3) jhr. Reinier Pauw, geboren te Amsterdam 20 februari 1634. Vaandrig (1659), luitenant (1631), kapitein-luitenant (1664), kapitein van een compagnie mariniers (1665). Verdronken op 16 oktober 1667 in het Vlie voor Texel; 4) jhr. Cornelis Pauw, geboren te ;’s-Gravenhage 4 mei 1636, was schout van Geertruidenburg (1662-1689), ontvanger der convoyen en licenten aldaar (1662), controleur der licenten (1685). Hij overleed ongehuwd te Geertruidenberg in juli 1689); 5) jkvr. Anna Cornelia Pauw, geboren te ’s-Gravenhage 25 oktober 1638, ongehuwd aldaar overleden 8 maart 1702’.  Literatuur: H.J.Koenen, Cornelis Reiniersz. Pauw. Een bijdrage tot de staats- en Handelsgeschiedenis van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Arnhem, Nijhoff, 1848.

Herengracht 19d Den Haag was het woonpaleisje van Cornelis Pauw

K.Donselaar. Handeldrijven in ’t Gebied van den Grooten Heere; publieke handelsrelaties van de Nederlandse Levantse handel 1612-1672. Scriptie Universiteit Utrecht, 2013. Hoofdstuk CORNELIS PAUW

17e eeuws panorama van Aleppo (Nationale Bibliotheek Zweden)

‘Cornelis Pauw was de zoon van Reiner Pauw, een belangrijke regent in de Republiek en onder meer  burgemeester van Amsterdam. Hij was een reisgezel van Cornelis Haga tijdens diens diplomatieke missie naar Istanbul en werd in 1612 al op 19-jarige leeftijd benoemd tot consul van Aleppo. Zoals gezegd was Aleppo op de Zijderoute een zeer belangrijke handelsplaats, waardoor de consul van die stad in theorie zeer invloedrijk was. De praktijk was echter weerbarstiger en er ontstonden al snel conflicten tussen Pauw en de (vooral Zeeuwse) handelaars, die zich reeds in Aleppo gevestigd hadden. Eind 1613 meldde Pauw aan de Staten-Generaal dat hij ontevreden was over de manier waarop de handelaars omgingen met zijn gezag. Veel van hen voeren op dat moment namelijk nog steeds onder Franse vlag, waardoor Pauw inkomsten misliep en zijn autoriteit werd aangetast. Er ontstond dus de vreemde situatie dat een  groep invloedrijke handelaars had aangedrongen op een consulaat, maar toen dat eenmaal was opgericht, maakten veel handelaars ter plaatse, in ieder geval in Aleppo, daar nauwelijks gebruik van. Hoe is dat te verklaren? In de eerste plaats valt op dat de meeste handelaars die hadden aangedrongen op een consulaat uit Amsterdam kwamen. Ook Pauw zelf kwam daarvan. Veel handelaars in Aleppo waren echter van Zeeuwse afkomst en lijken weinig respect te hebben gehad voor een 19-jarige Amsterdamse buitenstaander. Het is moeilijk te duiden hoe belangrijk deze verschillen in afkomt waren, maar feit is dat er vaker frictie bestond tussen Zeeuwse en Amsterdamse kooplieden. Volgens Gelderblom et al; [in: The Formative Years of the Modern Corporation; The Dutch East Indian Company VOC 1602-1623], stonden deze twee partijen ook tegenover elkaar bij de oprichting van de VOC. De Zeeuwen wilden eigenlijk geen gezamenlijke compagnie, uit verzet tegen de immer groeiende dominantie van Amsterdam. Iets vergelijkbaars kan ook meegespeeld hebben. In een brief aan de Staten-Generaal maakten de achterkamertjespolitiek van zijn invloedrijke Amsterdamse vader en dat de Zeeuwse handelaars daar geen enkele invloed op hadden gehad. Dat ligt weer in de lijn van Ogilvie’s conflictbenadering. Een groep invloedrijke handelaars had gelobbyd voor een institutie, maar blijkbaar was die institutie niet voor iedereen voordelig. In dit geval kan de scheiding hebben gelegen tussen de Zeeuwse en Amsterdamse handelaars, of tussen handelaars die vanuit de Republiek opereerden en handelaars die zelf in de Levant leefden. Waarom was het consulaat niet voordelig voor de (Zeeuwse) handelaars? Die vraag wordt beantwoord in enkele brieven van de “gemeene negotianten”(handelaars) van Aleppo. In 1615 stuurden zij een rechtstreekse brief naar Cornelis Pauw, waarin ze ingingen op zijn klachten. Hij had hen ervan beschuldigd dat ze hem te weinig betaalden, maar zij wezen er in de brief op dat ze hem al meer dan genoeg hadden betaald om zijn consulaire taken uit te voeren en dat hij zijn inkomsten niet netjes had doorgegeven aan de Staten-Generaal. In feite beschuldigden ze Pauw van corruptie. In een andere brief aan de Staten-Generaal, ditmaal, komen nog meer klachten naar voren. Pauw was te jong, te onervaren, en wist niets van de handel, aldus de kooplieden. Bovendien waren de kosten om van zijn diensten gebruik te maken, veel te hoog. De handelaars wilden een consulaatrecht van 2 procent accepteren, waar Pauw alle mogelijke kosten van zou kunnen betalen, maar op dat moment kwamen er nog te veel extra kosten bij, waardoor het simpelweg niet voordelig was om gebruik te maken van het systeem.  Deze klachten verklaren veel. Volgens de theorie van Williamson en Lamoreaux zijn handelsinstituties bedoeld om de transactiekosten van de handel omlaag te brengen. Dat is de voornaamste reden waarom handelaars gebruikmaken van een bepaalde institutie. Als de instituties deze verwachting niet waarmaken, in dit geval omdat de baten niet opwegen tegen de hoge  consulaire kosten, is er geen reden om ze te omarmen. “Elk van de kooplieden in Aleppo had z’n eigen wegen tot de belastinggaarder en de douaneautoriteiten”, aldus Van der Sloot [in: ”Cornelis Haga, pagina 118]. De ervaringen van Pauw geven dus een aanwijzing voor het idee dat handelaars zeer flexibel zijn en in verschillende situaties gebruikmaken van andere instituties, wat zowel Ogilvie en Edwards als Gelderblom bijvoorbeeld benadrukken. De conflicten tussen Cornelis Pauw en de handelaren van Aleppo werden nooit opgelost. In 1618 (1) gaf Pauw zijn baan als consul op, zonder ooit in staat te zijn geest om aan het consulaat enige autoriteit te verlenen. In hoeverre is deze casus echter representatief voor de algehele situatie in Aleppo? Kan het falen van het consulaat niet simpelweg hebben gelegen aan de persoonlijke fouten van Cornelis Pauw?  Wellicht, maar het laat zien dat zelfs na zes jaar het  consulaat  (nog) niet goed functioneerde. Bovendien zijn er weldegelijk aanwijzingen dat de problemen structureel waren. Ook in 1626, acht jaar na het vertrek van Pauw, berichtte Haga nog dat het consulaat in Aleppo niet effectief was, nauwelijks werd gebruikt, en dat het consulaatrecht op grote schaal werd ontdoken [Heering, Bronnen I, 527-536]. Kortom, het consulaire systeem leek in deze eerste periode  nog niet echt goed te werken. Het is echter wel belangrijk om te blijven beseffen dat de periode 1609-1621 een buitengewoon succesvolle periode was voor de Nederlandse handel, zoals in het vorige hoofdstuk duidelijk is geworden. De handel op Aleppo was tussen 1604 en 1613 verdrievoudigd. Hieruit blijkt dat het consulaire systeem weliswaar gen positieve invloed had op de handel, maar het falen van het systeem had ook geen negatieve gevolgen. De kooplieden leken zich best te redden, met of zonder consulaat’. 

De vroegere ambassade van Nederland in Istanbul in de wijk Pera (Galata) tegenwoordig consulaat sinds Ankara hoofdstad van Turkije is.

ERNST BRINCK (1582-1649) was taalkundige (hij beheerste een tiental talen waaronder Hebreeuws, Turks en Arabisch), wereldreiziger, verzamelaar, burgemeester van Harderwijk en eerste bibliothecaris van de Academie in de Gelderse stad. Hij reisde mee in 1612/1613 in het gezelschap van Haga naar Constantinopel, om na Cornelis Pauw (die als consul in Aleppo werd benoemd ) als secretaris op te treden. Verliet Constantinopel in 1914 om na een kort verblijf in Smyrna (Izmir) een rondreis door Europa te maken en pas februari 1615 weer in Harderwijk terug te keren.

Consent van de grootvizer Halil Pasha aan Ernst Brink om als gezant (secretaris) namens de Republiek Holland in het Ottomaanse Rijk op te treden
Vervolg van Turks vrijgeleide voor Ernst Brinck
Pagina uit het boek ‘Cornelis Haga’ door Hans van der Sloot & Ingrid van der Vlis (2012), pagina 114
Een album amicorum (in drie delen) dat Ernst Brinck bijhield bevat talrijke inscripties van bekende geleerden en hoogwaardigheidsbekleders uit zijn uit zijn tijd, zoals van Clusius, Vulcanius, Arminius, Gomarus, Baudius, Paludanus, Thijsius, koning Christiaan IV van Denemerken, diverse Hollandse edellieden en zelfs de befaamde Italiaanse astronoom Galilei. Daaronder ook van Cornelis Pauw, die ondertekende als eerste consul in Aleppo namens de Nederlanden. Het album bevindt zich tegenwoordig in de Koninklijke Bibliotheek en wordt beschreven in het boek: ‘Alba Amicorum; vijf eeuwen vriendschap op papier gezet’ (1990).

Cornelis Pauw is in 1626 getrouwd met Anna Pels (geportretteerd door Michiel van Mierevelt). Uit dit huwelijk zijn 5 kinderen geboren: 1) Cornelia Pauw (1627-1635), 2) Pieter Pauw (1628-1695), 3) Reinier Pauw (1634-1667), 4) Cornelis Pauw (1636-1689), 5) Anna Cornelia Pauw (1638-1702).

  • (1) Jaartal moet zijn 1621, nadat Cornelis Pauw na zijn tussentijds bezoek aan Holland in 1619 in Aleppo was teruggekeerd. Haga droeg de consulaire taken voorlopig over aan de consul van Engeland, met voorbijgaan aan de Franse consul tot de benoeming van een nieuwe consul vanuit Nederland was geregeld. Begin 1622 vertrok hij uit Constantinopel met twee Engelse schepen, over Venetië, Genua, Marseille, Vervolgde reisde hij ten tweede male per koets terug naar het vaderland. Eind juli 1622 is Cornelis Pauw teruggekeerd in Holland en vestigde hij zich in een stadspaleisje aan de Herengracht te ’s-Gravenhage. In 1625 is door de Staten van Holland Cornelis Witsen, zoon van de Amsterdamse burgemeester en koopman in specerijen Jonas Witsen, tot nieuwe consul in Aleppo benoemd.
Achteromslag van boek: Het verloren panorama van Constantinopel. Uitg. SOTA, 2020.

Nota Bene Reinier Pauw, Adriaan Pauw en Joost van den Vondel + Jacob van Lennep

Jacob van Lennep was een groot liefhebber van Vondel. Hij was initiatiefnemer van het standbeeld dat op 18 oktober 1867 is onthuld in het Vondelpark. Bovendien gaf hij de (gezamenlijke) werken van Vondel uit in 12 kloeke delen, naast een uitgave in klein formaat boekjes in 30 delen.

Overzicht van de 12-delige Vondeluitgave door Jacob van Lennep

De verhouding van de ‘Pauwen’ met Vondel was moeizaam. Zoals hierboven reeds gememoreerd was Reiner Pauw, als aanhanger van prins Maurits en leider van het verzet, dat van de stad Amsterdam uitging tegen de staatkunde van Oldenbarnevelt. Hij was voorzitter van het rechtscollege dat raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt in 1619 ter dood veroordeelde. Voor Vondel was dat aanleiding de tragedie ‘Palamedes oft Vermoorde onnooselheyd’ te publiceren in 1625. Daar kwam nog een hekel- ofwel spotdicht bij, getiteld ‘Een nieuw lietgen van Reyntgen de Vos’, vol hatelijkheden gericht tegen Amsterdams burgemeester van 1605 tot 1620 Reinier Pauw die als voorzitter van de vierschaar medeverantwoordelijk is geweest voor de dood van Oldenbarnevelt.

Portret van Reinier Pauw (1564-1636), vader van Adriaan Pauw

De zoon Adriaan Pauw nam het voor zijn vader op. Hij adviseerde de Procureur-Generaal te Den Haag om Vondel voor zijn kwetsende geschriften voor de rechtbank e vervolgen. Echter, de Amsterdamse ‘schepen Andries Bicker uit een in die periode niet minder roemrucht geslacht dan dat der Pauwen, heeft bij die gelegenheid opgemerkt: ‘als men onze burgers naar Den Haag zal voeten, wat hebben wij dan hier in Amsterdam te doen? Tot een proces is het niet gekomen. In de werken van Vondel komt in deel II, blz. 521 het Oude Slot voor en in deel IV, blz.29-34 is een vers opgenomen; ‘Ridderlijck Bancket voor Adam van Lockhorst en Kornelia Pauw‘ (geboren in 1617, dochter van Michiel Pauw, broer van Adriaan). Het lofdicht telt 168 regels, waarvan regel 48 luidt: ‘En hiel om ’t jawoord en, te Heemstede op het huis’. Vondel waardeerde overigens Adriaan Pauws’ diplomatieke werkzaamheden in Munster. In 1649 verscheen een verzameling gelegenheidspoëzie met betrekking tot de Vrede van Munster, getiteld ‘Olyf-krans der vrede, door de doorluchtigte geesten, en geleerdste mannen dezes tijds, gevlochten’ inclusief een loffelijke bijdrage van Vondel. Tevens is Vondel’s landspel ‘ De Leeuwendalers’ een speciaal voor de tot stand gebrachte vrede geschreven. Al of niet opmerkelijk is het dat in de uitgebreide bibliotheek van Adrian Pauw slechts 1 publicatie van Vondel was opgenomen.

Detail gravure door Pieter van der Keere (Petrus Kaerius) uit 1616 op het panorama van Constantinopel, met het portret van de Osmaanse sultan Achmed 1 (Nationale Bibliotheek Zweden, Stockholm)
Detail van een ruim 2 meter lange ets met een panorama van Constantinopel, in 1816 te Amsterdam vervaardigd door de uit Vlaanderen afkomstige gravure Petrus Kaerius + Pieter van der Keere met een portret van de Romeinse keizer keizer Constantijn de Grote, die zich bekeerde tot het Christendom. Hij verlegde de hoofdstad van het Romeins Rijk van Rome naar Byzantium (aanvankelijk ook Nova Roma geheten) en na zijn dood in 337 naar hem Constantinopel genoemd, sinds 359 officiële hoofdstad van het Oostromeinse/Byzantijnse Rijk tot 1453 toen de stad werd ingenomen door de Ottomanen afkomstig uit het oosten van Turkije. (Koninklijke Nationale Bibliotheek van Zweden)