3 LUCHTVAARTPIONIERS: G.J.G. TE Roller – E.E.HULSEBOS – F.E.VAN DER GEEST

Tags

,

Drie luchtvaartpioniers: Gerrit Jan te Roller, E.E.Hulsebos en F.E. van der der Geest

 GERRIT JAN TE ROLLER (1869-1948)

Gerard-Johan Gerrit te Roller is op 13 december 1869 in het Gelderse Voorst ter wereld gekomen als zoon van Jan te Roller en Martina Leusveld. Alvorens aan een pilotenloopbaan te beginnen was hij als stuurman in dienst van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot-Maatschappij (KNSM). Omdat hij de Zeevaartschool te Den Helder had bezocht was hij vanzelfsprekend in aanraking gekomen met de Marine Luchtvaartdienst. Toen zich in oktober 1925 dankzij zijn stuurmansdiploma de gelegenheid voordeed om voor een jaar Officier-zeewaarnemer te worden met een opleiding voor vlieger bedacht hij zich geen moment. Na het behalen van zijn brevet F.A.O. op 25 november 1926 volgde zijn benoeming tot Officier-vlieger derde klas. Enkele maanden later had Te Roller het Marine-brevet op zak en in 1928 is hij bevorderd fot Officier-0vlieger tweede klas. Begin 1926 was hij verhuisd, komende van Haarlem, naar Heemstede. Eerst naar het adres Landzichtlaan 26 en twee jaar later naar een groter pand Crayenestersingel 6.

G.J.G.te Roller al gezagvoerder bij KLM

De Crayenestersingel in Heemstede waar Te Roller woonde van 1928 tot kort voor zijn verlijden in 1948

KLM en KNILM

G.J.C. te Roller sprekend over zijn Indië-vluchten (Haarlem’s Dagblad 17-11-1933

Vervolg van bericht over Te Roller’s Oosy-Indië vluchten (Haarlem’s Dagblad, 1711-1933)

In november 1928 begon Te Roller aan zijn opleiding bij KLM tot verkeersvlieger en eenmaal gebrevetteerd volgde na een proeftijd in december 1929 zijn aanstelling als piloot. Bij de nieuw opgericht KNILM met standplaats Bandung. Ondanks de zeer nauwe banden was de Koninklijke Nederlandse Indische Luchtvaart Maatschappij een apart bedrijf. In een ‘gentleman’s agreement’ werd overeengekomen, dat de lijn Holland Oost-Indië werkterrein bleef van de KLM en dat de KNILM de diensten binnen archipel zou onderhouden. Verder is besloten dat beide maatschappijen diensten met landen buiten Indië mochten onderhouden en dat de KNILM optrad als vertegenwoordiger van de KLM in de Oost. De eerste zes jaar had de KNILM zes vliegers in dienst: Koppen (chef-vliegdienst, woonachtig in Bloemendaal), Van Messel, Prillwitz, Moll en Te Roller). Vanwege ziekte van zijn vrouw repatrieerde Gerrit-Jan te Roller in 1931 en na een onderbreking van 63,5 maand kwam hij in dienst bij de KLM. Als gevolg van zijn opgedane ervaring volgde uiteindelijk een benoeming tot gezagvoerder op de Indië-lijn. Dat was vanaf vlucht 150 met de ‘Kwartel’ en met Van Balkom als tweede piloot, ook bij andere vluchten (o.a. de nummers 163 en 181). Op vlucht 208 met plaatsgenoot Abspoel als tweede vlieger moest Te Roller uit Djask (Perzië)een defecte motor melden. Het zou volgens hem achteraf zijn meest spectaculaire vlucht worden. In twee dagen van Djask naar Amsterdam ‘waarbij ik 28 augustus 1934 des morgens om 1 uur met de ‘IJsvogel’ uit Djask vertrok en op 29 augustus om 8 uur opSchiphol landde. Ik moest dit doen om de achterstand van slecht weer op Malakka in te halen.’

Roller2

Nog een foto van Te Roller ‘als KLM-vlieger, in de tijd dat de kerels nog van ijzer en de vliegtuigen van hout waren ‘(O.Rol)

 

 Vlucht 212 onder leiding van Tepas vertrok vervroegd met een extra boordwerktuigkundige aan boord die een motorstoring heeft weten te verhelpen, zodat de thuisreis kon worden vervolgd.

KLM-directeur J.A.Bach bij een geslaagd haringfeest zonder stropdas. Links van hem de echtgenote van KLM-vertegenwoordiger en KD-bedrijfsleider Te Roller (foto W.J.C.Dupont)

Oorlogsjaren in Oost-Indië en naar de West

Tijdens de inval van Duitsland in mei 1940 zijn verscheidene vliegers die onderweg naar Batavia waren verrast, waaronder G.J.te Roller maar ook Smirnoff, Evert van Dijk, E.E.Hulsebos, Dirk Rab, Pieter Deenik en Jan Stroeve die vervolgens gedurende vijf jaar van zijn familie in Nederland was afgesloten. Zijn broer Eddy te Roller, een luchtmacht vlieger, bevond zich ook in Indië en werd benoemd tot commandant in de derde fase van het 18de squadron met vlieger Dick Asjes als Chef Operations.

Vanaf 1942 toen Java door de Japanners was bezet verplaatste zich het strijdtoneel. Eind juni 1944 kreeg het vliegtuig van de commandant boven een eilandje van de Kei-groep een Japanse voltreffer waarbij Eddy te Roller en zijn hele bemanning een zeemansgraf vonden.

In tegenstelling tot uit Heemstede afkomstige Blaak, evenals nog zes Nederlandse verkeersvliegers, 3 boordwerktuigkundigen en 2 telegrafisten, ontglipte Gerrit-Jan te Roller in 1942 gedurende een vlucht boven zee toen hij de koers was kwijt geraakt, op het nippertje aan het noodlot. Met Japanse jachtvliegtuigen in het luchtruim herkende hij bij daglicht de ‘Krakatau’.

Gedurende en direct na de oorlog zijn voor zover mogelijk de KLM-verbindingen in de West in stand gehouden mede dankzij Te Roller, Van Balkom en enkele anderen, tevens oor telegrafisten en mecaniciens.

Collega-vliegers op 18 november 1938 bij het graf van de omgekomen piloot Jan Duimelaar op de algemene begraafplaats in Heemstede: v.l.n.r.: J.J.van Balkom, J.J.Abspoel, J.G.TE ROLLER en de Deense Nederlander S.A.Steinbeck

Na de bevrijding

Na terug in vaderland aanvaardde Te Roller, zoals ook o.a. Frijns en later Van Balkom, een grondfunctie op Schiphol en in 1952 als KLM-vertegenwoordiger In Nieuw-Guinea en bovendien is hij bij acclamatie tot voorzitter gekozen van de nieuwe ‘zusterafdeling’ van de KLM-vliegers op West-Indië.

Roller3

Links: op 19 februari 1952 voerde gezagvoerder B.A.A.van Berkum en bemanning met de PH-TCB een geslaagde proeflanding uit op het eiland Noemfoer in de geelvinkbaai. Rechts: tijdens een vlucht naar Tanah Merah, april 1952, zakte de TCB met zijn onderstelpoot weg in de door regen zacht geworden grond en werd uitgegraven door gevangenen uit de strafkolonie. In het midden boordwerktuigkundige P.G.A.Vriends Een bijschrift invoeren

 

Roller1

De Flessenbar achter het KLM-hotel was het trefpunt van de Nederlandse gemeenschap op Biak.  in 1952 is oud-gezagvoerder aanvankelijk als stationmanager en later als KLM-vertegenwoordiger aangesteld in Biak om de  nieuwe organisatie in Nieuw-Guinea te leiden. Daar kreeg hij de bijnaam ‘Roestige Gerrit’  omdat hij het vaak over vroeger had, over de tijd dat er nog houten vliegtuigen waren en niet, zoals na  WOII ijzeren vliegtuigen. (1).

(1) Uit: Rimboevliegers. De luchtvaarthistorie van Nederlands Nieuw-Guinea 1955-1960, Door Jan Hagens (Bergen N.H., Bonneville, 1966).

Bij zijn collega’s stond Te Roller er om bekend als nimmer om een grap verlegen te zitten. Na zijn pensionering heeft hij nog enige tijd als rentenier aan de Crayenestersingel gewoond, zich verpozend in de Haarlemmerhout of Groenendaal, tot hij op ruim 79-jarige leeftijd 5 maart 1948 in een Haarlems Ziekenhuis is overleden.

KLM-gezagvoerders op een luchtvaartentoonstelling met van links naar rechts: P.A.Deenik, G.J.te Roller en J.E.E.Duimelaar

 

Een groep vliegers die in binnen- en buitenland de KLM groot maakten, met Iwan Smirnoff, Evert van Dijk, Jan Hondong, Boon Sillevis, Hubert Frijns, Jam Balkpm en GERRIT TE ROLLER

E.E.HULSEBOS

In het boek ‘We vlogen naar Indië’ door vlieger-publicist A.Viruly worden 24 verkeersvliegers genoemd met woe de lijnvluchten van de KLM naar Ned. Oost-Indië zijn begonnen. Van hen hebben er 8 in Heemstede gewoond, de eerder beschreven piloten Smirnoff, Tepas, Duimelaar, Frijns, Blaak en Both. Verder E.E.Hulsebos en L.A.Brugman.

Engelbertus Evert Hulsebos is op 26 november 1895 in Amsterdam geboren. 16 november 1925 behaalde hij bij de luchtmacht in Soesterberg het F.A.I.vliegbevret. Hulsebos huwde met de op het eiland Texel geboren Grietje Kiljan en was sinds 194 komende van Nieuwe Amstel, gehuisvest op het adres Johannes Verhulstlaan 2, in welk straato.a. ook de vliegers Anceaux en Abspoel hebben gewoond.

In dienst bij de KLM

Hulsebos1

E.E.Hulsebos in KLM-uniform

 

Na een gebruikelijke proefperiode kwam Hulsebos op 1 februari 1931 officieel in dienst van de KLM. Na eerst op de Europese lijnen ervaring te hebben opgedaan heeft hij vanaf vlucht 31 (met Smirnoff als gezagvoerder) maart/april 1931 enkele vluchten naar Batavia en Bandung gemaakt. Eerst als copiloot en sinds 1934 als gezagvoerder (10.

In deze jaren hadden de bemanningen met problemen te naken die thans niet meer voorstelbaar zijn. Zo wees Hulsebos op het feit dat de revolvers en munitie aan boord van het vliegtuig (om zich bij een noodlanding tegenover vijandige inlanders te kunnen beschermen) onhandig waren opgeborgen Hij meende namelijk dat als men ze werkelijk eens nodig zou hebben, het veel te lang zou duren voordat men de wapens daadwerkelijk kon gebruiken. Overigens toen in 1932 de ‘Leeuwerik’ een noodlanding moest maken in de woestijn en de bemanning oog in oog kwam te taan met nomaden hadden de meegenomen chocoladerepen meer succes en in plaats van een verwachte overval mochten de KLM’ers zelfs een ritje op een kasteel maken, wat met een pistool op zak geen onverdeeld genoegen was.

Een ontmoeting onderweg: Smirnoff en Hulsebos treffen Soer en Kress met Mr.Sanghi, de agent voor de KLM in Jodhpur,India

Een ontmoeting in delucht: Fokker de ‘Havik van Smirnoff flitst langs de ‘Snip’ met Soer en Kress als piloten.

1934 een onfortuinlijk jaar

In 1934 heeft hij tweemaal wegen een motordefect met een ander toestel de retourvlucht moeten maken en op 5 december was hij zo ziek dat onmogelijk aan de terugreis kon worden begonnen, waarna een ander vliegtuig, de ‘Pelikaan’, de vlucht overnam. Een week later was Hulsebos gelukkig voldoende hersteld, zodat hij met de ‘Kwartel’ kon vertrekken en acht dagen later, op 20 december, kon ook deze reis – vlucht 210 – in de boeken orden bijgeschreven. Ondanks de vliegrampen die zich gedurende deze periode in met name in Europa hebben voorgedaan was Viruly van mening dat de Fokker-vliegtuigmotoren betrouwbaar waren. Hij berekend dat men over 1 vol jaar met 104 vluchten waarbij 1.486.000 kilometer werd afgelegd zich slechts drie technische mankementen van enig belang hebben voordeden en voegde daaraan toe: Op 20.000 draaiuren onzer motoren stopte er nooit een door materiaaldefect’.

Een hoogtepunt voor Evert Hulsebos was het vliegen van de 500ste vlucht op 13 november 1937 met Fokker-toetel de ‘Reiger’ Naast Hulsebos als gezagvoerder was P.Noomen copiloot. Men arriveerde op 19 november 1937 in Bandoeng en vervoerde 477 kilogram post. Bovenstaande enveloppe met postzegel ens tempel is een herinnering aan deze 500ste Indië-vlucht

Hulsebos vervulde enige tijd het penningmeesterschap van de Verkeersvlieger vereniging, maar toen hij na twee jaar nog geen gelegenheid had gevonden de kas op te maken was voor voorzitter Van Balkom de maat vol.

Oorlogstijd

Diverse KLM-vliegers zijn op de West- en Oost-Indië routes verrast door de oorlog in mei 1940, waaronder Gerrit-Jan te Roller, Cees Blaak, en Evert Hulsebos, evenals de legendarische Iwan Smirnoff, die zich met zijn echtgenote tijdens de Duitse inval in Napels bevond men met haar doorreisde naar Nederlands Oost-Indië. Meer dan vijf volle jaren was men van de thuisbasis en familie afgesneden. Van hen zou Blaak niet meer terugkeren.

Hulsebos gedroeg zich dapper in 1942 toen de vliegtuigen van KLM en KNLM vanuit Bandung naar Australië werden geëvacueerd. Hulsebos is na een kort verblijf in de West beroepsmilitair-vlieger geworden bij het 18e squadron in december 1941 had hij bij het bombardement door de Japanners op Medan in Sumatra zijn vliegtuig in vlammen zien opgaan, waarbij hij ongedeerd bleef en zijn tweede vlieger J. Hofman, ten gevolge van een granaatscherf in de rug gewond raakte. Ondanks alle rampspoed vloog men onverdroten met andere toestellen door. Op 3 maart 1942 werd de machine van Hulsebos door een nieuw bombardement van in horden aanvallende Japanse Zero’s totaal verwoest en zag Hulsebos in het Australische Broome – na eerder de ‘Nandoe’ in Medan – de ‘Oehoe’ in vlammen opgaan. De inzittenden redden zich in een greppel. Evenals Smirnoff maakte hij meer benauwde momenten mee, maar beiden wisten te overleven.

Terugkeer

Hulsebos is volgens gegevens uit het bevolkingsregister op 31 oktober 1945 in Heemstede teruggekeerd in zijn huis aan de J.Verhulstlaan, op de hoek van de Heemsteedse Dreef. Hier heeft hij in gepensioneerde staat tot december 1952 gewoond, toen hij verhuisde naar Putten in de provincie Gelderland.

 Noot

Route van de KLlM-luchtlijn van Schiphol naar Palembang, Batavia en Bandoeng

(1)De Oude Indië-route bedroeg ongeveer 15.340 kilometer. Deze liep van Schiphol zomers via Budapest en Athene en ’s winters naar Marseille en Rome via Cairo, Bagdad, Djask, Jodhpur, Allahabad, Calcutta, Akyaab, Rangoon, Bangkok, Alor Star, Singapore en Palembang naar Batavia en ten slotte Bandoeng

KLM-affichevan de Oost-Indië lijn

 FERRY VAN DER GEEST

Ofschoon eigenlijk niet meer behorend bij de vooroorlogse KLM-pioniers toch aandacht voor de eens zo populaire Jumbo-captain Ferry van der Geest die op 13 februari 1987 zijn laatste vlucht maakte. Hij had toen sinds 1952 in totaal ongeveer 18.200 vlieguren achter de rug. Een groep Amerikaanse passagiers, die op de tussenstop in Wenen aan boord was gekomen, en die gehoord had dat het de laatste vlucht was van deze gezagvoerder, vond dit zo geweldig, dat ze bij de uitgang van de slurf in de pier op hem bleef wachten en hem blij toezong bij het verlaten van de machine.

Ferry van der Geest als gezagvoerder na zijn laatste vlucht voor zijn pensionering net bloemen en twee stewardessen (foto V.C.Klep)

35 jaar voordien had hij zijn luchtmachtopleiding gekregen met het type Harvard en bij terugkomst van zijn vlucht in een Boeing-747 uit Dubai stapte hij als passagier over opeen lesvliegtuig uit Lelystad om door zijn collega Martin-Air gezagvoerder C.de Blij van Schiphol-Centrum naar Schiphol-Oost te worden gevlogen met een lucht-ereommetje boven het Amsterdamse Bos en langs het KLM-hoofdkantoor.

Laatste stunt van Ferry mag van KLM (het Parool, 23 februari 1987)

Van Surabaja tot Heemstede

Fergus Eduard van der Geest is op 9 april 1931 geboren in Soerabaja. Na repatriëring uit Oost-Indië hebben zijn ouders zich wederom in Groningen gevestigd. Van der Geest kreeg zijn opleiding bij de Koninklijke Luchtmacht op de Noord-Brabantse luchtmachtbasis Gilze en Rijen en de Rijksluchtvaartschool te Eelde. Als verkeersvlieger in dienst getreden van de KLM verhuisde hij in februari 1956 naar het adres Cloosterlaan 14 in Heemstede in welke gemeente hij tot zijn pensionering zou blijven wonen, achtereenvolgens in de woningen Heemsteedse Dreef 122, dr. Schaepmanlaan 1 en vanaf 1968 Alberdingk Thijmlaan 60.

Bij het 60-jarig jubileum was Van der Geest voorzitter van de Commissie organisatie activiteiten herdenkingsjaar 1979 (C’79) en, de órganisator’ van de Vereniging van Verkeersvliegers en in dat jaar begeleidde hij Prins Bernhard naar ene slotzitting van het IFLAPA-congres te Amsterdam. Zijn echtgenote, met wie hij op 29 augustus te Laren in het huwelijk was getreden, mevrouw E.B.van der Geest-de Ruijter, organiseerde in het jubileumjaar de damesprogramma’s.

Ferry van der Geest, voorzitter van de commissie C’79 en Vereniging van Nederklandse Vliegers (VNV)-president Pim Kroon begeleiden Prins Bernhard baan de slotzitting van het IFALPA-congres in 1979 te Amsterdam

Stunten

Een stunt op 5 december 1985 leidde tot een berisping van chef-vlieger De Bruijne en zelfs tot een kortstondige schorsing door KLM-directeur Sergio Orlandini, nadat hij zich in zijn Boeing-747 boven Nederland voor de landing had laten escorteren door twee F-16’s. Eén daarvan werd gevlogen door zijn zoon, de in 1957 geboren Fergus Roelof van der Geest (jr.). Tijdens het officiële afscheid in 1987 was alles vergeten en vergeten en H.de Bruijne prees Van der Geest als een eersteklas vakman en sprak bij die gelegenheid met enige ironie de woorden uit: ‘Je had een F-16 nodig om die man bij te houden. Want geest dat had hij.’ De laatste stunt was met het leesvliegtuig boven Schiphol zorgvuldig voorbereid door Ferry junior, die – evenals zijn vader drie decennia eerder van de Koninklijke Luchtmacht als piloot overstapte naar de burgerluchtvaart. Bij de Rijksluchtvaartschool stond hij immers bekend als de Harvard-specialist.

Ferry van der Geest en zijn vrouw brengen tijdens de afscheidsreceptie een toast uit op een model van de vertrouwde Jumbo

Chef-vlieger De Bruijne neemt afscheid van Van der Geest senior

Van der Geest senior is zich a zijn pensionering gaan bezig houden met de bouw van zijn 40 voets Carena, een zeewaardige zeilboot, waarover bij zijn afscheid sprak: ‘Die gaat Corona Borealis (Noorderkroon) heten, en als die klaar is zakken mijn vrouw Erna en ik ermee af naar Spanje.’ Op 8 januari 1987 is hij inderdaad met zijn echtgenote uit Heemstede uitgeschreven naar Spanje.

Annex: F.van der Geest junior in de voetsporen van zijn vader

Piloot Ferry van der Geest van Turkish Airlines (foto Pim Ras)

De zoon Ferry werkte gedurende 26 jaar al piloot voor de KLM, na evenals zijn vader als vlieger bij de Koninklijke Luchtmacht was begonnen, maar moest op zijn 56ste (nu 59 jaar) met pensioen. Maar de intussen naar Ulvenhout In Noord-Brabant verhuisde captain, omschreven als ‘vlieger in hart en nieren’, had daar helemaal geen zijn in. Hij besloot te luisteren naar de lokroep van Turkisch Airlines. In het blad ‘De Ondernemer’ is daarover het volgende gepubliceerd: ‘Turkish Airlines is een enorm dynamische maatschappij. Ze groeien enorm hard, zijn al 6 jaar op rij uitgeroepen tot de beste airline van Europa. Het is een bedrijf om rekening mee te houden. Nu is hij bewindvoerder op een van de 777’s van Turkish Airlines. Van der Geest is een van de ongeveer vijftig Nederlandse bemanningsleden van ‘Turkish’, waarvan de helft bewindvoerder is en de andere helft copiloot. Ze hebben graag Nederlanders. Die hebben een goede opleiding gehad, ze komen uit een goed nest. Can do-mentaliteit in de cockpit is de cultuur iets anders van Van der Geest gewend was. “De Nederlandse piloten hebben echt een can-do-mentaliteit. We doen het gewoon, het is vrij losjes. De Turkse mentaliteit is erg strak, ze willen het gewoon heel graag goed doen. En daar is ook niks mis mee. De Turkse taal is Van der Geest niet machtig. “ Dat willen ze heel graag, maar het is een moeilijke taal. Het beleid is dat als er een buitenlands bemanningslid meevliegt, dat er Engels wordt gesproken. Ik heb wel iemand mijn public address, het praatje dat ik houd bij het opstijgen en het landen, in het Turks laten vertalen. Dat lees ik dan voor. Geen idee of het ergens op lijkt, maar ze vinden het prachtig.’