Tags

LIBRARIANA DEEL 11

Vooromslag katalogus 20  van antiquariaat De Friedesche Molen: Nederlandse Literatuur met nadruk op de 19e eeuw.

Vooromslag katalogus 20 van antiquariaat De Friedesche Molen: Nederlandse Literatuur met nadruk op de 19e eeuw.

 ANTIQUARIAAT DE FRIEDESCHE MOLEN ANNO 2007 IN HET NIEUWS

 In 2007 verscheen de ‘antiquarenbijbel’ van  professor Piet J.Buijnsters: ‘Geschiedenis van het Nederlandse Antiquariaat’. Een werk dat ik intussen diverse malen raadpleegde wanneer weer eens een antiquariaat of antiquaar op een of andere wijze in het nieuws was. Afgelopen jaar gold dat zeer nadrukkelijk voor antiquariaat ‘De Friedesche Molen’ van het echtpaar drs. Hein van Stekelenburg en echtgenote Marion Greidanus, maar hun namen ontbreken in genoemd standaardwerk Zij het tegen wil en dank was dit antiquariaat in 2007 zo ongeveer het meest geciteerd, na AioloZ in Leiden, tot 1 januari 2008 met passie gedreven door Piet van Winden. Op een Italiaanse site van een zekere Mario raadt deze aan om een bezoek aan Amsterdam met een bezoek aan de boekenzaak in de Rosmarijnsteeg te besluiten: “A sinistra si diparte: la Rosmarijnsteeg. Al n.6  l’antica libreria De Friedesche Molen propone veccho libri interessanti, questa è anche la via degli appasionati di numismatica.”  Dezelfde informatie vindt men in de Italiaanse reisgids ‘Amsterdam da 29,99 euro’.

H.G.L.M. (Hein) van Stekelenburg ken ik persoonlijk sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw. Er was meteen een band, omdat zijn vader oorspronkelijk uit de plaats Mierlo in Oost-Brabant kwam, waar mijn vader gedurende 13 jaar burgemeester was. De laatste jaren spreek ik hem sporadisch tijdens de boekenmarkt van Dordrecht en/of Deventer. Eind jaren negentig kocht ik van hem voor de Vereniging Oud Heemstede-Bennebroek een 50-tal mappen met ontwerptekeningen over van huizen, winkels en scholen [zoals de Dreefschool aan het Julianaplein, sinds 1986 huisvesting van de Heemsteedse Bibliotheek] door de architect Cornelis van Gelder ontworpen tussen 1920 en 1953. De Haarlemse ontwerptekeningen van deze bouwmeester zijn toen door Ab van der Steur overgenomen. C.van Gelder, die ook enige tijd als technisch tekenaar in dienst was van de gemeente Heemstede, overleed op 21 december 1987 op 87-jarige leeftijd. Zijn archief was echter al eerder bij zijn verhuizing naar een verzorgingstehuis weggedaan en langs een omweg bij Hein van Stekelenburg terecht gekomen.

De Friedesche Molen in Neer (Limburg) en molenaarsfamilie Van Stekelenburg

De Friedesse Molen in het Limburgse Neer

Friedesche molen met waterrad in Neer

Friedesche molen met waterrad in Neer

Friedesche5

Molensteen van de Friedseche molen in het Limburgse Neer. In 1948 verkocht Vennekens de korenmolen aan Alfons van Stekelenburg. De Duitser Paul Boden Köchl uit Berlijn werd de nieuwe eigenaar. In 1999 gaf hij zijn bezit in pacht aan de Stichting Friedesse Molen. Na zijn overlijden in 2014 nam Bouwbedrijf Geelen in Neer de vroegere korenmolen over

Hein van Stekelenburg, in zijn jeugd Henny genoemd, is afkomstig uit Neer, gelegen aan de Maas, tussen Roermond en Venlo, tegenwoordig gemeente Leudal. Zijn vader Alfons kwam uit een bekende molenaarsfamilie (o.a. Boxtel, Asten), die in 1948 vanuit Mierlo in Noord-Brabant naar Neer in Limburg verhuisde waar hij een watergedreven olie- en graanmolen met onderslagrad en molenaarshuis had gekocht. Ofschoon op die plek al sinds 1343 een molen staat dateert deze korenmolen uit 1717. De muurankers op de molengevel geven dat jaartal aan. Het waterrad was in 1891 vernieuwd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kon de molen een deel van het dorp van stroom voorzien. Na een flinke herstelbeurt kregen molen en huis weer een welvarende aanblik. Tevens schafte Van Stekelenburg een elektrische hamermolen en mengketel aan. Om gezondheidsredenen stopte Alphons van Stekelenburg in 1958 als beroepsmolenaar nadat hij de stuwrechten had verkocht aan het toenmalige waterschap Midden-Limburg. De Friedesche molen – tegenwoordig spreekt men in Neer veelal van de Friedesse molen – is vernoemd naar een vroegere eigenaar Godefridus Tobben. Alfons van Stekelenburg kwam ten slotte in een tehuis in Mierlo-Hout waar hij kort daarna overleed. De molen met toebehoren kwamen toe aan de drie kinderen Hein, Miel en Henriëtte en is verhuurd aan een zwager Lambert van Erp. In 1972 zijn huis en molen op de lijst van beschermde monumenten geplaatst. Na een grondige restauratie met behulp van een Europese subsidie functioneert de molen weer en kan ook het rad in de beek draaien. In 1998 verscheen bij gelegenheid van een tentoonstelling het boekje: ‘De Friedesse molen en zijn mulders 1717-1958’ Op 19 juli 2002 heeft gouverneur B.J. Baron van Voorst tot Voorst de officiële opening verricht en in de zomermaanden is de molen tijdens de weekeinden open voor het publiek In Probusclub Kennemerland 1, van welke ik lid ben, geldt dat tevens voor de bij Shell gepensioneerde ir. Pierre Geelen, die is opgegroeid in het Limburgse Neer. Ik informeerde bij hem naar de Friedesche molen en Hein van Stekelenburg en ontving de volgende reactie:

“Sinds twee jaar is mijn jongste broer eigenaar van de molen en het aanpalende woonhuis. Zoon Hein ken ik persoonlijk en ik zoek hem nog regelmatig op in zijn winkel in Amsterdam. Uit de jaren ’50 herinner ik mij dat ik in de winter met hem schaatste op de aan de watermolen gelegen Neerbeek. Nadien ben ik hem uit het oog verloren totdat ik hem een jaar of vier geleden weer in de hoofdstad ontmoette. Staande voor de etalage van het antiquariaat was ik zeer benieuwd hoe in godsnaam iemand in hartje Amsterdam zijn bedrijf de naam ‘De Fiedesche Molen’ meegaf. Daarom dus.”

Hein studeerde culturele antropologie in Nijmegen en is één van de weinige antiquaren met een academische graad. Boudewijn Büch duidde de antiquaar in sommige geschriften aan als “drs. H”.  Aanvankelijk wilde hij in het ouderlijk huis een antiquariaat beginnen. Maar de hoge stand van de Maas gedurende bepaalde perioden deed hem hiervan afzien. Hij belandde in het centrum van in 2008 wereldboekenstad Amsterdam.

Antiquariaat De Friedesche Molen in de Rosmarijnsteeg

In 1980 kocht Hein een pandje om de hoek van de Rosmarijnsteeg, waar zich nu een koffieshop bevindt, maar la twee jaar later nam hij bezit van zijn huidige winkel Rosmarijnsteeg 6. Voordien was hier Kunsthandel J.Barwegen sinds 1865 gevestigd. De vraag is hoeveel mensen weten dat deze boekenzaak is vernoemd naar een molen in Limburg en dus niet in Friesland, zoals soms wordt verondersteld. Buurvrouw op nummer 8 is de boekhandel van Straat Antiquaren, vernoemd naar schaakjournalist Evert Straat, die over een grote collectie titels klassieke talen beschikte. Tegenwoordig is deze winkel in handen van de in Vlaanderen geboren en getogen Christiane de Backer, die intussen al bijna 40 jaar met een Hollandse partner en compagnon Just Schadd de liefde voor elkaar én boeken deelt. De Rosmarijnsteeg is strategisch gelegen tussen de Spuistraat en Nieuwezijds Voorburgwal. In dezelfde steeg bevinden zich op de nummers 2 en 4 ook twee postzegel- en muntenhandelaren. Op 9 is de coffeeshop ‘Kadinsky en op 12 ‘Trunk’, een aantrekkelijk zaakje met bazaarsfeer. Op de hoe, Nieuwe Zijds Voorburgwal 304 was sinds 1932 de bekende boek- èn prenthandelaar S.Emmering (in 1999 overleden) gevestigd. In de Rosmarijnsteeg woonden in vroegere eeuwen de “verciersters”, die bloemen, kransjes en rozetten maakten voor doop- en bruiloftsfeesten. De bloem rozemarijn schijnt daarbij veel gebruikt te zijn.

=================================================================

In 1987 is de Limburgse molen door de erven verkocht aan de kunstenaar Bodo Köchel uit Berlijn, die deze voor 30 jaar in erfpacht gaf aan de Stichting Friedesse Molen. Sinds twee jaar is een telg uit het Neerse aannemersgeslacht Geelen de nieuwe eigenaar na aankoop van de erven van Bodo Köchel, diens levensgezellin de Duitse kunstenares Christiane Koken. In 2006 schreef Hein op een website van ‘pietvantoon’ uit Neer onder meer het volgende:  “Sjra Hansen en Sefke van Sjeen (destijds wethouder van Neer) benaderden mij indertijd om de molen door de gemeente te laten kopen voor een gulden en met kettingbedingen. Dat werd toen niks. (…) Wijlen Bodo Köchel kocht in 1987 voor ongeveer een appel en een ei, de molen, het molenhuis en bijna een halve hectaar van mij.” Bij de verkoop was ook o.a. een antieke  gedenksteen met korenharp (graanzeef) begrepen, die in 1987 naar Duitsland verhuisde maar onlangs terugkeerde in Neer.

=================================================================

Antiquariaat De Friedesche Molen is een algemeen antiquariaat met nadruk op Nederlandse letterkunde (19e eeuw), Amsterdam, Nederlands-Indië, Judaica, toegepaste kunst, economie, sociologie, psychologie, medische literatuur, geschiedenis van de wetenschappen en reisverslagen. Zijn belangstelling voor Duitse literatuur (vooral Exil- en Pressedrucke) zal te maken hebben met zijn geboortegrond nabij de Duitse grens. Hein en Marion van Stekelenburg waren met een kraam aanwezig op o.a. de vijfde Leipziger AntiquariatsMesse in 1999 en zijn de laatste jaren te vinden op de jaarlijkse boekenmarkten van Deventer, Dordrecht en Zutphen. Verder verhandelt Hein van Stekelenburg handschriften (o.a. van Martinus Nijhoff en Piet Mondriaan) en vanwege interesse van zijn partner Marion Greidanus ook ansichtkaarten. Veelal verschijnt 1 catalogus per jaar, o.a.:

1978  Nederlandse literatuur

1979 ‘In het verborgene gedrukt’ (W.O.II)

1992  ‘Deutsche Literatur, Wissenschaft’

1996  ‘Voyages & Travels’

1997  ‘E.F. Josnard (1777-1826): Les Monuments dela Géographie’

2000  Nederlandse literatuur met nadruk op de 19e eeuw.

2001  (Collectie E.J.Engels)

Men beschikt over een boekenzoekdienst en biedt boeken op het internet aan via de site van Antiqbook. De winkel is behalve op zondag dagelijks open van 12.00 tot 18.00 uur. Goede relaties zijn in de loop van de tijd opgebouwd met inboedelopruimers, verkopers van ambulante handel en vuilnisophalers. Het paar is kinderloos en woont elders in de hoofdstad. In het ‘Algemeen Dagblad’ van 19 januari 2001 zei Hein van Stekelenburg: “Je moet je onderscheiden, iets moois achter de hand houden. Je kunt je alleen maar staande houden door de aanschaf van fraaie dingen, die je in principe niet in de etalage legt.” Tot de regelmatige bezoekers van het boekenantiquariaat behoorden o.a. Boudewijn Büch en Henk Hofland. Eerstgenoemde kocht ooit een zeldzaam reisboekje uit 1827, gedrukt in slechts 30 exemplaren. Omdat de auteur niet vermeld stond vroeg Hein slechts 50 euro en was de deal gesloten. Tegenover Martijn Steenbergen van veilinghuis Geert Postma zei hij daarover later: “Veel te weinig natuurlijk. Later dacht ik nog: die man is hartstikke rijk – daar had ik veel meer voor moeten vragen.” Wat veel goedmaakte is dat Büch op 30 augustus 1989 op de achterzijde van het NRC Handelsblad een artikel aan deze vondst wijdde. Na veel gepuzzel ontdekte Büch de identiteit van de schrijver met wie Goethe op 15 april 1827 een gesprek had: de Fransman Charles-Gaspard Delestre-Poirson. En dus niet A.M.Ampère of diens zoon Ampère jr., noch de Zwitser Albert Stapfer of criticus Ludovic Vitet, die in de Goethe-literatuur allemaal de revue hadden gepasseerd. Büch: Ik moet tot de conclusie komen dat de Goetheologie meer dan anderhalve eeuw fout op fout stapelde omdat geen Goethe-kenner voor mij ooit dit boekje in handen heeft gehouden.” Deze bijdrage is tevens opgenomen in het boek van Boudewijn Büch:‘Goethe en geen einde’ (Amsterdam, Arbeiderspers, 1990, p.227vv.).

Onnenigheid over boekencollectie van Mozes. Ui

Onenigheid met het Joods Historisch Museum over boekencollectie van Mozes Cohen. Bericht uit: Nieuw Israëlitisch Weekblad, 25-2-1994.

H.J.A.Hofland zocht lange tijd naar het boek ‘De roes der misdaad’ totdat hij het met dank aan de eigenaar van De Friedesche Molen vond en daar op de achterpagina van NRC-Handelsblad van 14 maart 2001 een bijdrage over publiceerde. Als nummer 13 inde serie ‘Onder de Hamer’ van NRC-Handelsblad schreef Wilma van Hoeflaken op 10 januari 2004 na een eerder bezoek aan de boeken- en grafiekveiling van Bubb Kuyper: “Der ZeeVaert Lof, een boek uit 1634 over “de gedeckwaerdighste Zeevaerden met de daeraenklevende op en onderganghen der voornaemste Heerschapppijen der gantscher Wereld”, is getaxeerd op 4.000 tot 5.000 euro. “Dat is veel te weinig” zegt Hein van Stekelenburg, eigenaar van een antiquariaat in Amsterdam. Het boek bevat achttien [moet zijn 17. H.K.] originele etsen, waaronder een Rembrandt. “Daardoor is het zeker 25.000 euro waard”, zegt hij. “Inzetten op zo’n lage prijs is typisch iets voor Bubb Kuyper. Hij wil mensen niet ontmoedigen. Dat is leuk.”

In 2007 zal Hein van Stekelenburg een ander exemplaar van ‘Der ZeeVaert Lof’ zelf aanbieden, waarop we in het vervolg van artikel terugkomen.

Wie de winkel betreedt ziet eerst een grote tafel, die voor de helft in beslag wordt genomen door een glazen vitrine waarin curiosa en kostbare boeken of manuscripten worden tentoongesteld.“Sneeuwwitje zou er gemakkelijk in passen, vandaar dat we de kast zo noemen.” Het echtpaar houdt van sprookjes en denkt met weemoed terug aan een prins uit Togo, die in 2000-2001 hun hoofden op hol zetten. Dat gaat zo ver, dat men nu spreekt van de periode voor prins Bouvi en van daarna. Het probleem was “Ze munnie” ofwel “the money”. Hein geeft genereus toe dat zijn vrouw de Afrikaanse prins nog altijd mist. Ofschoon ik al in 2002, evenals Bubb Kuyper, naar aanleiding van een artikel in het tijdschrift Punt/komma, in ons blad schreef over deze in Amerika woonachtige Togolees volgt hier nog een beknopt verslag van wat Bouvi omstreeks 2000 in antiquarenland aanrichtte en die mogelijk het echtpaar Van Stekelenburg met het Boevi-virus heeft aangestoken.

Hein van Stekelenburg en Prince Boevi Aggrey Zankli

Hein van Stekelenburg en Prince Boevi Aggrey Zankli

Prince Bouvi Zankli hield antiquaren een half jaar in de ban

In mei 2001 kwam een zwarte Afrikaan voor het eerst binnen bij de Friedesche Molen, die logeerde in een nabijgelegen hotel Holiday Inn. Hij stelde zich voor als prins Boevi A. Zankli, tweede zoon van een koning van Togo. [het gebied Little Popo ten oosten van hoofdstad Lomé. ‘King’ is zoveel als een stamhoofd in het West-Afrikaanse land]. Zijn doel was het stichten van een bibliotheek voor zijn volk. Hij kwam charmant en erudiet over en liet alvast allerlei boeken die hem interesseerden reserveren. Hij kwam enkele malen terug en vroeg op een gegeven moment “How much this shop” en een totaal verraste Hein zei toen voor de vuist weg “100.000 dollar”, waarop Boevi reageerde met “A bargain”. Intussen bezocht hij op eigen initiatief andere antiquariaten in de Amsterdamse grachtengordel, zoals Straat, Wout Vuyk, Brinkman, Dieter Schierenberg, Ton Kok en De Evenaar. Enkel bij laatstgenoemde kocht Prince Boevi 1 boek via kontante betaling. Af en toe was hij in gezelschap van een Amerikaanse neger Bill. Op aanraden van Hein van Stekelenburg  bracht Boevi een bezoek aan Chiel Roos van Asher in IJmuiden en Gert Jan Bestebreurtje te Utrecht. Bij eerstgenoemde liet hij voor zo’n 80.000 dollar boeken wegzetten, bij Bestebreurtje voor maar 15.000 gulden, doch die had snel door  met een fantast van doen te hebben. Overal liet hij boeken vastleggen en bij Schierenberg meteen maar de hele voorraad tijdschriften met betrekking tot Afrika en een gezamenlijke waarde van 105.000 gulden. Vooral bij De Friedesche Molen kwam hij vele malen terug om steeds weer nieuwe boeken uit te zoeken. Soms nam hij ook andere Afrikanen of Afro-Amerikanen als een soort van hofhouding mee, o.a. iemand die werd voorgesteld als de toekomstige president van Togo. Bij De Friedesche Molen was intussen al voor meer dan 100.000 gulden aan boeken gereserveerd en begon de eigenaar voorzichtig aan een vervroegde pensionering te denken. Terwijl anderen, zoals de buurvrouw van antiquariaat Staat, al snel doorhadden dat hier een fantast bezig was, bleef men in De Friedesche Molen lang in het sprookje geloven. Vooral Marion was helemaal in de ban van Boevi’s charisma. Toen naar geld geïnformeerd werd liet Boevi de kopie zien van een bankrekening in Zürich met een tegoed van 100 miljoen dollar, dat echter tijdelijk geblokkeerd was. Verder deelde Boevi mede dat zijn bedrijf in Afrika vanwege de politieke toestand even stil lag. Volgens zijn zeggen was hij als zakenman in Nederland om luxe jachtschepen te kopen. De order zou eerder bij een scheepswerf in Lemmer geplaatst zijn, maar ook daar bleef betaling uit. Later bleek dat Prince Boevi een jaar eerder een grote order had gedaan bij Wagenaar Sanitair aan de Jacob van Lennepkade, maar omdat betaling steeds uitbleef ging die bestelling niet door. Tot zijn verrassing kreeg Ben Snijder van voornoemde firma op een gegeven moment telefoon van de Rotterdamse douane. Volgens hen had het sanitairbedrijf van alles uitgevoerd naar Togo.“Ik had Boevi eens een betalingsregeling gestuurd, met ons briefhoofd erboven. Dat briefhoofd vonden ze terug bij een transport waar blijkbaar een luchtje aan zat.”  Na uitleg heeft Snijder hier niets meer over genomen. Aan Martijn Steenbergen vertelde Hein hoe Boudewijn Büch bij de bezoeken van de prins werd betrokken. Volgens Ton Kok kloppen die gegevens niet en heeft Kok zijn versie geschreven welke als kanttekening bij een artikel over de belevenissen met prins Boevi zijn gepubliceerd: “Boudewijn Büch had me gevraagd of hij er een stukje over mocht schrijven in het N.R.C.. Hij wilde het verhaal alleen plaatsen als de koop doorging. Toen de prins weer verscheen heb ik hem gebeld. Hij was er binnen 5 minuten. De Prins draafde door. Boudewijn kon geen vragen stellen en hij [= Prins Boevi] vond dat hij ook op T.V. moest. Hierin had Boudewijn Büch geen zin en had geen belangstelling meer.”

Na die keer heeft Boevi zich niet meer getoond, ook niet nadat zeven antiquaren de prins een ultimatum voor betaling van de totale order hadden gesteld. Daarmee kwam een einde aan een sprookje dat ruim een half jaar duurde. Voor de eigenaar van De Friedesche Molen was het einde als volgt: “Hij verdween heel plotseling. De laatste keer dat ik hem zag, was eind 2001. Het was donker toen ik van het postkantoor terugliep en ineens een gestalte voor me opdoemde. Het was Boevi. Hartelijk als altijd. Hij omarmde me. Ik vroeg hem wanneer hij dacht te kunnen betalen. “What about the money?”Hij lachte minzaam “See you!” Sindsdien heb ik hem nooit meer gezien. Mijn vrouw mist hem nog altijd.” Op een vraag of Hein van Stekelenburg zich bedonderd voelt gaf hij het volgende antwoord: “Hij heeft de boel niet opgelicht. De droom van die bibliotheek is met hem aan de loop gegaan. En met ons. Zijn geestdrift sleepte niet alleen ons mee – ook hijzelf begon erin te geloven. Hij leefde net zo hard van die droom als wij dat deden. Hij meent echt dat zijn volk eens zal weten wat hij voor hen gedaan heeft. Het steeg hem gewoon boven het hoofd. Hij wil dat echt. Hij kan het alleen niet betalen.”

Prince Boevi en Marion van Stekelenburg

Prince Boevi en Marion van Stekelenburg

Dichter en zwendelaar Prince Boevi Zankli zit sinds medio 2007 vast wegens diefstal, oplichting, vervalsing, en mogelijk moord in een Amerikaanse gevangenis

In 2002 deed ik enig onderzoek om wat meer te weten te komen over de zich prins noemende Boevi, die officieel heet Boevi Aggrey Zankli. Zowel Boevi als Zankli zijn meer voorkomende familienamen in Togo. Het was en is nochtans niet eenvoudig te communiceren met Togo. Geen enkele bibliotheek(instelling) is aangesloten bij de internationale organisatie IFLA. Het Franse ORSTROM (Organisation de la Recherche Scientifiqueet Technique d’Outre-Mer), een prestigieus onderzoeksinstituut met een rijke schat aan boeken en documentatie over Togo bleek vanwege de onoverzichtelijke politieke situatie in Togo al zo’n decennium gesloten. Via e-mail kwam ik wel in contact met mevrouw Brigitte Fiatuwo Gbikpi-Benissa A., directeur van de universiteitsbibliotheek in Lomé. Zij berichtte Prince Boevi persoonlijk te kennen vanwege diens recente bezoeken aan de bibliotheek. Hij kwam daar nog dit jaar [= 2002] om een aantal boeken te lenen. Boevi vertelde bij die gelegenheid dat hij in de Verenigde Staten woont en naar Togo was gekomen om de kroning van de nieuwe koning van de stam van Little Popo(e) mee te maken. De bibliotheekdirectrice betwijfelde echter of hij zelf een zoon is van Little Popo King. “Dat kan iedereen wel beweren bij zo’n vruchtbaar man”. Als adres gaf Boevi een telefoonnummer, dat evenwel van zijn zuster was. Mevrouw Fiatuwo Gbikpi heeft hem dat jaar talrijke malen gebeld, maar vervolgens niet meer zelf aan de telefoon gekregen, en zij veronderstelde daarom dat hij was teruggekeerd naar zijn tweede vaderland de Verenigde Staten zonder de geleende bibliotheekboeken terug te brengen. Vaststaat dat de Zankli’s een vooraanstaande plaats innamen binnen de stam van Little Popo. Vele telgen zijn door twisten met de Aghwey-stam omgekomen. In een publicatie: An African Family Archive: the Lawsons of Little Popo/Aneho (Togo) staat op pagina 489: “Coronation of the King George A. Lawson VI alias Toglo Zankli Glyn Boevi Babingon Lawson on the 9th April 1953”.  Het is niet uit te sluiten dat onze Prince Boevi zich met deze persoon of diens zoon identificeert. Een foto van de jonge als koning gekroonde King Togbé Ahouawoto Savado Zankli Lawson VIII staat sinds 15 april 2004 op de fotosite Corbis. Enige biografische gegevens vonden we in een publicatie uit 1969 onder redactie van Edward Kamarck: ‘Arts in society: the arts of activism’ [volume 6, Issue 3]. Daarin is een Engelstalig vers van Boevi opgenomen onder de titel: ‘Ode to the Dead’, dat over het kwaad, moorden en slachtoffers zonder getuigen gaat. Het gedicht met 18 korte regels bevat liefst 16 keer het woord ‘never’. Over de auteur staat vermeld dat hij een burger is van Togo, acteerde in Europese en Afrikaanse toneelstukken in Lagos (Nigeria) alvorens naar de Verenigde Staten te emigreren, waar hij een academische graad B(achelor) (of) A(rts) behaalde in Internationale Betrekkingen aan de Howard University in Washington, D.C. Hij was werkzaam bij het Vredeskorps, publiceerde in verscheidene tijdschriften en zijn toneelstukken zijn op televisie vertoond. In een andere aflevering [volume 3 (1969-70), number 1 (Autumn 1969)] verscheen van zijn hand: ‘Prayer to Wetri Yeye’. In een brief aan de redactie geeft hij enige uitleg ten aanzien van zijn poëzie. Boevi is van mening dat er in teveel Afrikaanse poëzie overdreven is gereageerd op een belangrijke Afrikaanse dichterlijke traditie. Hijzelf zegt dat zijn verzen niet zijn beïnvloed door de Engelse literatuur. “Ik probeer gebruik te maken van Afrikaanse tonale geluid, opdat deze oorspronkelijke elementen niet verloren gaan.”. Hoewel gebruik makend van de Engelse taal in zijn eigen geschriften, wil hij bewust proberen de stilistische hulpmiddelen van het poëtische erfgoed te behouden. Boevi studeerde enige tijd literatuurwetenschappen aan de universiteit van Dar en Salaam, Oost-Afrika. In een publicatie uit 1970 van de letterenfaculteit komen we zijn naam vier maal tegen als ‘Prince Boevi Aggrey Zankli’. In datzelfde jaar vroeg hij in het blad ‘African Arts’ als Togolese griot [=West-Afrikaans dichter] literatuur aan onder de naam: Prince Boevi Aggrey Zankli en tussen haakjes als toevoeging: Prince Bibby Boevi Body Lawson.

In de USA vestigde hij zich in de stad Silver Spring, in de staat Maryland. De Washington Post berichtte dat hij in 1971 is benoemd als leraar Afrikaanse literatuur aan het ‘Federal City College’ in de Amerikaanse hoofdstad. In Silver Spring gaf hij in 1972 onder de naam ‘Zankli Press’ een brochure uit van 8 pagina’s met gedichten van zijn hand, getiteld: ‘Ibeji and other poems’. In deze uitgave noemt hij zich een succesrijk toneel- en radioacteur, producer en toneelschrijver. Dichtwerk van zijn hand werd opgenomen in de bloemlezing ‘Contempory Poets in American Anthologies, 1960-1977 [samengesteld door Kirby Congdon, 1978]. Als uitgever in Silver Spring komt ‘Prince Boevi Zankli Publications’ in enkele registers en adresboeken voor. In 1984 vertaalde Theo Hermans zijn gedicht: ‘De droom van de eenheid van Afrika’. Als ‘kroonprins van Togo’ komen we zijn naam verder tegen in een geschiedenisboek over Afrika van Dennis McAuliffe: ‘Bloodland: a Family store of Oil, Greed and Murder on the Osaga Reservation’ (1999). Citaat: “On Wednesday, a lunchtime interview with Crown Prince Boevi Zankli of Togo fell through. I was the Post’s African Affairs specialist; Prince Zankli, who was a self-inspired exile, had wanted to fill me in on the latest human rights outrages by the military government of his West-African nation.” Prince Boevi Zankli heeft een zoon Anoko M. Zankli, zonder toevoeging ‘Prince’, die tegenwoordig een goede baan heeft bij de op één na grootste financiële instelling van de Verenigde Staten: ‘Fannie Mae’. Op het internet vond ik dat hij op 4 adressen in Hyattsville,3 inSilver Spring en1 inWashington woonachtig een woonadres had. Met als uitgangspunt dat prins Boevi Zankli in ieder geval sinds1972 inde stad Silver Spring (Maryland) woonachtig was ben ik thans via het internet nog eens verder gaan zoeken. En ja, na enige ‘gegoogle’ werd mij dankzij een lokale krant duidelijk dat Boevi Zankli in een gevangenis verblijft. Eerder was hij in 1994/1995 met John Cross en Joyce Cassidy onder firmanaam ‘American African Trading Company’ betrokken bij een grootscheepse internationale fraudezaak bij de fictieve levering van Nigeriaanse ruwe olie. In de processtukken komt ook Rotterdam als doorvoerhaven voor.

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Na zijn vrijlating is ‘Prince Zankli’ zich gaan toeleggen op de diefstal van dure auto’s. Hij maakte de laatste jaren met 13 anderen – waaronder 5 vrouwen – deel uit van een misdaadorganisatie die zich specialiseerde in het stelen van kostbare auto’s van het type Jaguar, Range Rover, Corvette e.d. in het district van Washington. Op 17 juni 2007 zijn zij, inclusief ‘Prince Zankli of Silver Spring’, door de openbare aanklagers van een ‘Grand Jury’ in staat van beschuldiging gesteld voor o.a. de diefstal van 18 limousines van particulieren en autodealers en welke aan nietsvermoedende personen zijn verkocht. De groep wordt verdacht van diefstal en oplichting ten aanzien van minstens 100 auto’s die in Maryland, Washington D.C. en Noord-Virginia zijn gestolen. Het vooronderzoek van de FBI heeft ongeveer 1,5 jaar geduurd. Tevens wordt verband gelegd met het doodschieten bij een overval op 24 december 2005 van de 38-jarige Francis Kamara, een handelaar in tweedehands auto’s uit Hyattsville, die zelf ook betrokken was bij de diefstal van 15 auto’s. Enkel voor de meervoudige aanklachten van diefstal, vervalsing en oplichting staat voor elk een straf tot 10 jaar. Met vrijwel 100% zekerheid staat vast dat Prince Boevi Zankli de gevangenis niet meer levend zal verlaten. Gehoopt mag nog worden dat hij als schrijver in de cel zijn memoires zal schrijven. Het kleurrijke leven van Prince Boevi als vluchteling, Afrka-specialist, globetrotter, zakenman, acteur, dichter, dromer, uitgever, literatuurwetenschapper, charmeur, fantast, dief, oplichter….is waard in een boek te worden vastgelegd.

De relatie van Hein van Stekelenburg met opkoper Mevius aan de Overtoom blijkt achteraf niet altijd zonder problemen. In onderhavig geval waarbij werk van Reve in het geding was kwam De Friedesche Molen er niettemin – vanuit een juridisch oogpunt – zodanig goed uit dat de rechter besliste dat hij niet laakbaar heeft gehandeld.

CASUS 1:

Nalatenschap Ernst-Jan Engels, kunstenaar en vriend van Gerard Reve [‘Ik had hem lief’]

Voordat Joop Schafthuizen de definitieve ‘levenspartner’ werd van Gerard Reve had de volksschrijver voor1975 in enkele jaren twee stormachtige relaties: met de beeldend kunstenaar Joseph Cals (‘Jakhals’ in het brieven boek ‘Ik had hem lief’) en met de schilder/tekenaar Ernst-Jan Engels (‘Liefdesprins’ en ‘Duinkonijn’ in ‘Brieven aan Josine M. en ‘Ernest de R. in ‘Ik had hem lief’). Laatstgenoemd boek bevat de brieven die Reve tussen 1972 en 1974 aan zijn ‘droomprins’ Ernst-Jan Engels schreef. De meeste recensenten konden zich slechts met grote moeite door het boek doorworstelen. Niettemin blijft Reve ondanks alle gezeur de grootmeester van het woord bij sommige citaten. Dagblad Trouw publiceerde in de krant van 15 maart 1975 o.a.: “’Ik zoude graag mijn jongste serie prachtbrieven ingeblikt zien, opdat zij niet voor de wereldmensheid verloren gaan’, schrijft Gerard Reve in een van zijn laatste epistels aan de jonge kunstschilder Ernest de R., die zich ruim een jaar in Reves maniakale belangstelling mocht verheugen. Ik kan me geen lezer van ‘Ik Had Hem lief’ voorstellen die deze ironie nog pikt na 200 bladzijden genante correspondentie.” Fred van der Wal noteerde zijn weblog op 18 januari 2006 dat men “Ernst-Jan Engels in 1977 uit zijn atelier in de Tweede Nassaustraat 8 te Amsterdam weg heeft moeten slepen, omdat hij krankzinnig van jaloezie was geworden op David Hockney en in zijn gekte volle flessen sherry van tien meter hoogte naar beneden smeet.” Na zijn overlijden was mevrouw Rosenthal-Engels als moeder de erfgenaam.  Medio 2000 verhuisde zij naar een verzorgingshuis. Haar dochter is toen gevraagd om een opkoper in te schakelen. Dat was de heer Van de Poel. Betaling geschiedde met gesloten beurzen, dat wil zeggen de geldelijke beloning zou bestaan uit de opbrengst van de zaken die zich in Engels’ woning bevonden. Voor de ontruiming zorgde uitdragerij Mevius-Italiaander aan de Overtoom. Op 17 november 2001 verscheen een artikel in Het Parool over de verkoop van een aantal zaken uit de nalatenschap van Engels op de Antiquarenbeurs in de Beijneshal van 16 tot en met 18 november. Deze ‘Reviana’ en werk van E.J.Engels (en diens moeder) werden aangeboden door antiquariaat ‘De Friedesche Molen’ voor een bedrag van 7.500 gulden. De heer Van Stekelenburg had  “de collectie  uit de nalatenschap drie maanden daarvoor verkregen via een opkoper die de verzameling slordig opgerold, aantrof bij de ontruiming van het huis van Rosenthal-Engels.” Het materiaal bestond uit tachtig tekeningen van de moeder, persoonlijke dagboekbrieven van de zoon, een tweetal boeken van de auteur Gerard Kornelis van het Reve, welke boeken een persoonlijke boodschap van de schrijver aan Engels (zijn toenmalige geliefde) bevatten, een aantal foto’s waarop o.a. Reve, die een persoonlijke vriend van eiser was, staat afgebeeld. Deze verzameling is daarop verkocht aan Arnold Duim ter Marsch in Amsterdam. Mevrouw Rosenthal-Engels was van het artikel in Het Parool geschrokken en heeft zich direct gewend tot Van Stekelenburg die zei op een legale wijze aan de documenten te zijn gekomen en daarmee was voor hem de kous af. Het is niet de gewoonte dat de naam van de koper wordt openbaar gemaakt. Mw. Rosenthal nam hiermee geen genoegen en schakelde een advocaat in. Op zijn beurt ging Van Stekelenburg in overleg met de koper die bereid bleek een aanzienlijk deel van de collectie terug te verkopen, maar “met uitsluiting van alle stukken die betrekking hebben op Gerard Kornelis van het Reve”, waarom het hem feitelijk te doen was geweest. Uiteindelijk heeft H.van Stekelenburg naam en adres aan de raadsman doorgegeven. Korte tijd later, op 30 januari 2002 liet mevrouw Rosenthal-Engels in samenwerking met een deurwaarder en slotenmaker vexatoir beslag leggen op de collectie. Deze terugvordering vond plaats op basis van auteursrecht foto’s, dagboekbrieven en persoonlijke tekeningen. Om een lang verhaal kort te maken: het vonnis zou van groot belang worden voor het heersende auteursrecht. Op 16 mei 2007 heeft de rechtbank gevonnist. Omdat De Friedesche Molen facturen van koop en verkoop kon overleggen viel haar niets te verwijten. Vanwege een officiële antiquarenbeurs hoefde de koper als consument er bovendien niet op verdacht te zijn dat sprake zou kunnen zijn van gestolen zaken/een onbevoegde vervreemder. Van belang in verband met het door mw. Rosenthal en haar raadsman aangevoerde auteursrecht is de volgende passage:

“De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat Arnold voor eigen gebruik heeft verkregen en niet in soortgelijke zaken handel drijft (artikel 29Aw). Voldoende aannemelijk is geworden dat Arnold de collectie heeft gekocht als persoonlijke hobby en dat de vordering dientengevolge zal worden afgewezen. Van auteursrechtinbreuk door Arnold zelf is eveneens geen sprake. De opeising is derhalve onrechtmatig.”

De rechtbank besliste dat de eiseres in het ongelijk werd gesteld en de proceskosten ad 2.000 euro diende te betalen + een bedrag ad  1.000 euro van gemaakte kosten als vergoeding aan de koper. Enkel een door koper – die door de onderhavige gang van zaken aan stress had geleden – gevorderde immateriële schadevergoeding is door de rechter afgewezen. Ernst Jan Engels is intussen vergeten, maar dankzij zijn korte maar heftige relatie met Reve die eindigde met ruzie zijn nog een aantal memorabilia antiquarisch verkrijgbaar:

1) Originele potloodtekening, voorstellende een telefonerende jongen, zittend op een bank

= Gerard Reve; door Ernst Jan Engels. Ingelijst achter glas. Gesigneerd ‘EJEngels’ in potlood. Voor 90 euro bij Antiquariaat Fokas Holthuis via Antiqbook.

2) Gerard Reve. A Prison Song in Prose. Amsterdam, 1968. Met op de Franse titel een paginagrote opdracht van Reve aan Ernest de R (10 november 1974): “Voor mijn eigen jonge Slaaf & Meester Ernest de R. van zijn eigen Grote Meester, Liefdesschrijver & Slaaf Gerard Reve”. Met daaronder een tekening van de hand van Reve met, omdat hij nu eenmaal beter schrijven dan tekenen kan, een geschreven toelichting: “Gerard, rustig voor zijn huis met zijn lievelingshond Lupus”. Voor 400 euro aangeboden door Antiquariaat AioloZ via Antiqbook.

3) Originele zeefgedrukte uitnodiging in facsimile van het handschrift van Reve. [ “Ernstjan Engels, geeft voor zijn bengels…etc} Met een illustratie door Ernst Jan Engels. Voor 950 euro bij Antiquariaat AioloZ via Antiqbook.

N.B. Ter correctie/aanvulling berichtte Revekenner dr. Nop Maas: “Wat de kwestie Engels-Cals betreft, moet je weten dat de brieven in ‘Ik heb je lief’ geschreven waren aan Cals maar dat Reve ze vòòr  publicatie heeft omgewerkt van Den Haag naar Amsterdam en van Cals naar Engels. ‘Duinkonijn’ is de koosnaam van een vriendje van Cals, te weten Adriaan Willemse.”

CASUS 2: Strijd om het werk van Mozes Cohen

Mozes (Moos) Cohen was beeldend kunstenaar en leefde van 1901 tot 1942. Hij is geboren in Tiel uit een joods geslacht. Cohen verhuisde naar Amsterdam waar zijn atelier aan de Stadhouderskade lag, was ook tekenleraar in Amsterdam en vervaardigde landschappen en portretten, waarbij zijn vrouw Truus Bessems als model optrad. In 1942 vluchtte hij, maar op weg naar Zwitserland is hij door de Duitsers opgepakt en na verblijf in een Frans doorgangskamp naar Auschwitz gedeporteerd. Daar werd hij 7 november 1942 vermoord. De weduwe overleed in de jaren vijftig kinderloos. De opgeslagen collectie kunstwerken- circa 80 schilderijen en meer dan 1.000 tekeningen –  bleef lang onopgemerkt, maar bevindt zich sinds 1988 bij Hein van Stekelenburg, als eigenaar van De Friedesche Molen. Enkele familieleden van wijlen Truus Bessems en het Joods Historisch Museum hebben belangstelling getoond voor de collectie. Het Parool heeft de historie onlangs proberen uit te zoeken. Rob Mevius, die we eerder bij de nalatenschap van E.J.Engels tegenkwamen, houdt zich onder meer bezig met het ontruimen van huizen. Hij en Hein van Stekelenburg weten te melden dat de kunstwerken tot 1988 waren opgeslagen bij mevrouw Jeanne Leeuwenberg-Foekens aan de Stadionkade. Zij had deze in bewaring gekregen na de vlucht van Mozes Cohen in 1942. Voornoemde dame wilde op een gegeven moment van de kunstwerken af. Mevius betaalde 750 euro voor de gehele inboedel. “Meer wilde zij er niet voor hebben”.  Meteen nadat Mevius het werk in zijn bezit had toonden enkele personen belangstelling voor overname, onder wie Adriaan Venema, die daarvoor speciaal uit Parijs overkwam, maar uiteindelijk werd men het niet eens over de prijs en ging doorverkoop niet door. Hein van Stekelenburg die pas zijn bezit in het Limburgse Neer had verkocht, was wèl bereid een bedrag van 17.000 gulden te betalen. Vanwege de herwaardering van Cohen heeft het Joods Historisch Museum (J.H.M.) in onderhandelingen getracht de collectie te verwerven. In 1993 is de totale collectie door kunsttaxateur Jop Ubbens geschat op 33.500 gulden. Op basis hiervan was Het J.H.M. bereid het dubbele bedrag te betalen van wat Van Stekelenburg aan Mevius had betaald. De onderhandelingen hadden destijds geen succes en curator Edward van Voolen zegt teleurgesteld: “Ik mijd de Rosmarijnsteeg nog steeds.”

De eigenaar van De Friedesche Molen vraagt nu minimaal 300.000 euro. Tegenover Henk Schutten liet hij weten: “Als het Joods Historisch Museum de verzameling wil kopen, moeten ze gewoon wat geld inzamelen bij wat rijke Joden. Maar weet u wat het probleem is met die mensen? Ze kunnen er zo moeilijk afstand van doen, van dat geld. Ik ben er heel eerlijk in. Ik wil gewoon geld, net als iedereen. Dit is puur handel. Het is niet anders, zo zit de maatschappij in elkaar.” Deze uitspraken zette iemand op het internetforum van Stand.nl  Dat leidde tot reacties die variëren van een voorbeeld van: “Dit is het Nederlandse antisemitisme ten voeten uit” tot “Ik zou het gezonde Hollandse koopmansgeest willen noemen. Daar is toch niets mis mee?” Voor Hein van Stekelenburg komt de ontstane commotie overigens niet slecht uit. “Eigenlijk is dit gigantische reclame voor Cohen. Laat is het zo zeggen: de prijs van de collectie zal er niet door zakken.” De laatste zegt al wat werken te hebben verkocht en hij is nu bezig met een monografie van Cohen + catalogus. “De titel heb ik al: ‘Mozes Cohen – Vergeten schrijver’. Zijn werk bevat zoveel dramatische elementen – zijn Joodse afkomst, de Holocaust, zijn onvoltooide kunstenaarsloopbaan – dat de kwaliteit ervan niet eens meer zo belangrijk is. Een goudmijn? Zo kun je het noemen.” Hij voegt toe zich over mogelijke claims geen zorgen te maken, dat alles ver weg veilig staat opgeborgen en wanneer men moeilijk gaat doen hijzelf passende maatregelen zal nemen. Intussen zijn onder meer door de familie juristen geraadpleegd, die verschillend denken over de te verwachten mate van succes bij terugvordering. In ieder geval dient vanwege verjaring in 2008 een claim voor 1 januari 2008 per aangetekende brief aan de huidige eigenaar kenbaar te worden gemaakt. Notarissen menen dat de terugvordering van deze roerende goederen conform het Burgerlijk Wetboek, artikel 2014’ al binnen drie jaar had moeten plaatsvinden. Een sterk punt voor de huidige eigenaar is bovendien een nog bestaande handgeschreven brief, waarin Jeanne Leeuwenberg-Foeken verklaart dat zij de eigenaar wordt van de collectie van Cohen mochten hij en z’n vrouw niet terugkeren. Hijzelf werd omgebracht, maar Truus Bessems keerde terug, maar heeft naar men aanneemt afstand gedaan van de collectie.

CASUS 3:

In 1989 gestolen boeken bij Max Israel duiken anno 2007 “via een Saraceen” op bij De Friedesche Molen

B.M.Israel Boekhandel en Antiquariaat komt oorspronkelijk uit Arnhem. Na de Tweede Wereldoorlog verhuisde de familiefirma naar Amsterdam. Na diverse adressen uiteindelijk in 1971 naar een 17e eeuws pand: Nieuwezijds Voorburgwal 264. Vanaf 1950 leidde Max Israel de zaak en hij overleed op 12 oktober 2001. Thans leidt een vroegere medewerker, Simon Blok, het antiquariaat vanuit Egmond aan de Hoef. Na de oorlog te hebben overleefd was 1989 een absoluut dieptepunt in het leven van Max Israel. Toen was de zaak doelwit van een reeks van inbraken rond 24 mei, op 6 juni en 25 juni. Omstreeks 175 kostbare boeken en prenten zijn meegenomen, nadat vitrines bruut waren vernield. Het werk van een junk, wiens naam bij de politie bekend was. Maar de gestolen werken zijn tot op heden spoorloos. De totale waarde werd geschat op ongeveer een half miljoen gulden, maar de verzekeringsmaatschappij keerde daarvan ruim de helft uit. In de spaarzame interviews zou Max Israel nimmer over dit malheur reppen. Vlak voor zijn overlijden zou hij aan zijn mededirecteur Simon Blok hebben gezegd ervan overtuigd te zijn dat de gestolen boeken een keer boven water zullen komen. Volgens Simon Blok kwam Van Stekelenburg na de tweede inbraak vragen of hij de lijsten van de gestolen prenten mocht hebben. De in 1950 in Parijs geboren Michel van Rijn groeide op in Amsterdam en verhuisde in 1965 naar Istanbul om vervolgens over vrijwel de gehele wereldbol te zwerven, als kunsthandelaar betrokken rakend bij de internationale kunstsmokkel. Aan hem is een televisiedocumentaire gewijd in de serie ‘Hoge bomen in de misdaad’. Behalve enkele andere boeken publiceerde hij in 1992 zijn memoires in het Engels ‘Hot Art Cold Case’. Kortgeleden keerde hij vanuit Londen terug naar Nederland. Het Parool wijdde daar op 8 september 2007 een bijdrage aan en schreef: “Het Spiegelkwartier is gewaarschuwd.”  Bij bezoeken aan De Friedesche Molen (met zijn rechterhand Arthur Brand, schrijver van ‘Het verboden Judas-evangelie en de schat van Carchemish’) deed hij zich voor nog aan de foute kant te staan. Daarop kregen de heren enkele kostbaarheden te zien, zoals:

– een Koptisch manuscript uit de veertiende eeuw;

– een exemplaar van het 17e eeuwse “Lof der Zeevaert” met o.a. een ets van Rembrandt;

– een aquarellenboek van de schilder Leonart Bramer (1596-1674), naar men aanneemt de leermeester van Johannes Vermeer.

Aan de pseudo-kopers werd verteld dat dit materiaal 18 jaar geleden voor 20.000 gulden van een stel junks was gekocht.

Van Rijn en Brand lieten merken belangstelling te hebben de werken te willen kopen, maar wilden eerst foto’s maken, wat na veel moeite werd toegestaan. Op basis daarvan kon dankzij Simon Blok worden vastgesteld dat het om in 1988 gestolen boeken gaat. De verjaring daarvan is na 20 jaar in 2008. Van Rijn kaartte de zaak intussen aan bij zijn contact bij Europol, die op zijn beurt contact legde met de Amsterdamse politie. Dat leverde weinig tot niets op en zelfs werd de Europese topagent verwezen naar de kliklijn ‘Meld Misdaad Anoniem’. Nadat Simon Blok aangifte had gedaan bij het politiebureau Lijnbaansgracht is de politie naar de Rosmarijnsteeg getogen, doch keerde men terug omdat de winkel al gesloten was. Donderdag 11 oktober om 18.00 uur verliep de deadline voor Van Rijn en Brand om met contant geld de koop te bestendigen. Het was de bedoeling dat de politie kort daarvoor een inval zou doen, maar deze bleef weg. Het negeren van een kunstrooftip kreeg vervolgens aandacht in De Telegraaf (12  oktober), Het Parool (12 en 13 oktober; nogmaals uitgebreid op 3 november) en op het internet via de Museum Security Network Mailing List van 15 oktober.

Het artikel in De Telegraaf eindigde als volgt: “ Van Rijn: ‘We kunnen ervanuit gaan dat de gestolen waar nu wordt weggewerkt. De zaak is compleet stuk. Met dank aan de Amsterdamse politie!’” Dat leverde 85 reacties op. Ook de politie reageerde nu prompt zoals blijkt uit een vervolgartikel op dezelfde dag: “Wij willen zo snel mogelijk beslag leggen en onderzoeken of de antiquairs zich schuldig hebben gemaakt aan heling”, aldus een woordvoerder van de Amsterdamse politie die de arrestatie van het betreffende antiquairechtpaar Van S. niet uitsluit.” Twee weken later staakte de recherche het onderzoek, omdat men de zaak niet rond kon krijgen. Bij een huiszoeking was namelijk niets aangetroffen. Tegenover Het Parool was Van Stekelenburg zeer zwijgzaam onder het motto: mijn naam is haas. “Ik heb geen commentaar. Ik weet van niks.”  Een dag later gaf hij als enige verklaring: “Ik wilde Van Rijn, die bandiet, erbij lappen.”. Spraakzamer was hij tegenover Caspar Wechgelaer van ‘Boekenpost’ die bij De Friedesche Molen ging informeren. Hein van Stekelenburg reageerde furieus: “Ze willen me potdomme kapotmaken” en verderop zegt hij over de “dure boekenjongens van de NVvA: Boeven zijn het.” Hemzelf valt totaal niets te verwijten.  Hij was slechts een soort van tussenpersoon. De antiquaar is cultureel antropoloog en doet wat in ‘tribal art’ uit Afrika en het Nabije Oosten en zijn vrouw heeft enige tijd in Iran en Ethiopië gewoond. Die gezamenlijke hobby heeft geleid tot contacten “onder andere met een Syriër, Iranees of Egyptenaar die vaak wat bij hen koopt of aanbiedt.” Even later vraagt hij “Saraceen”  op te schrijven, om niemand te beledigen, want anders krijgt hij mogelijk later opnieuw gedonder. Deze Arabier heeft intussen zijn tasje opgehaald en Hein heeft hem niet meer gezien. “Zo zit het en niet anders”, aldus een strijdbare  Hein van Stekelenburg.

Ook Prince Boevi heeft hij niet meer gezien en zal hij niet meer zien, intussen is hij sinds 2010 weer vrij.

Ondanks het feit dat de Amsterdam Hermandad is uitgerechercheerd heeft Simon Blok nog hoop dat de zaak een goed einde zal hebben.

Hans Krol

VOORNAAMSTE GERAADPLEEGDE BRONNEN:

– Bibliotheek Heemstede: Krantenbank

– Croon Davidovich Advocaten. Nieuws: Onrechtmatig beslag op collectie. Geplaatst op 18 juni 2007 op het internet. Bevat ook Besluit Rechtbank Amsterdam 16 mei 2006, Rosenthal-Engels.

– Friedesse Molen: informatie op het internet.

– Gestolen boek duikt op in steeg. In: Het Parool, 12 oktober 2007.

– Jolande van der Graaf. Politie negeert kunstrooftip. In: De Telegraaf, 12 oktober 2007; gevolgd door: Toch politieactie in kunstroof.

– Sasja Koetsier. Prins Boevi zet antiquaren op verkeerde been. In: De Volkskrant, 29 juni 2002.

– Candace Rondeaux. 14 Indicted In Theft Of Luxury Vehicles. In:WashingtonPost, June 8, 2007.

– Henk Schutten. De Friedesche Molen beticht van handel in gestolen kunstwerken. In: Het Parool, 13 oktober 2007.

– Henk Schutten. ‘Politie was laks bij kunstroof’. In: Het Parool, 3 november 2007.

– Henk Schutten. Strijd om het werk van Moos Cohen, vermoord door de nazi’s. In: Het Parool, 17 november 2007.

– Martijn Steenbergen. Büch en geen einde: een extraatje. Zie: BüchMania InfoBulletin, nr. 73 29 mei 2003 op het internet.

– Martijn Steenbergen. “De naam was Boevi. Prins Boevi”. In: Punt/komma, juni 2002, blz. 16-20.

– Vincent van de Vrede. Interview De Friedesche Molen. Zie internet Antiqbook.

– Caspar  Wechgelaer. In boekenland is altijd wat te doen. In: Boekenpost 93, jan/febr 2008, blz. 93-95.

Uit: Edwarsd Kamarck (ed.). Arts in society: the arts of activism (1969). part V: writers and the black revolution: Ode to the dead, by Zankli, Prince Boevi Aggrey, p. 403.

Uit: Edward Kamarck (ed.). Arts in society: the arts of activism (1969). part V: writers and the black revolution: Ode to the dead, by Zankli, Prince Boevi Aggrey, p. 403. In 1972 publiceerde Boevi Aggrey Zankli (Prince) in eigen beheer (Zankli Press) een dichtbundeltje: Ibeji and Other Poems’ (8 pagina’s).

 

Prince Boebi Zankli in Afrikaans ornaat

Prince Boevi Zankli in Afrikaans ornaat