scannen0058

“Twee volle heerlijke jaren heb ik in uw paradijs geleefd, alles vergetend, vaderland, vrienden en magen, vergetend ook al het doorstane leed en de zorg voor de toekomst” (Linnaeus in zijn dagboek, 1738, over George Clifford en de Hartekamp)

De Hartekamp in Heemstede (achterzijde van hoofdgebouw)

De Hartekamp in Heemstede (achterzijde van hoofdgebouw)

LINNAEUS’ VRUCHTBARE JAREN OP DE HARTEKAMP (1735-1737)

Het 300ste geboortejaar van de internationaal befaamde natuuronderzoeker Carl von Linné wordt in 2007 wereldwijd gevierd. Op zijn 200ste geboortedag in 1907 is in de tuin van de Hartekamp een borstbeeld geplaatst en net als in 1957 is de vermaarde Zweed ook dit jaar op 23 mei op deze plaats herdacht met o.a. een kranslegging door de Zweedse ambassadeur in ons land. Linnaeus staat aan de basis van een wereldwijd gebruikt classificatieschema voor planten, dieren en mineralen. Als zodanig geldt hij als de grondlegger van de plantentaxonomie: de wetenschap die zich bezighoudt met de ordening, beschrijving en juiste naamgeving van planten. Hij was tussen 1735 en 1737 ruim twee jaar werkzaam op de buitenplaats van George Clifford als hortulanus ofwel prefect van de tuin, tevens van het aanwezige herbarium, het museum en de natuurwetenschappelijke bibliotheek. In deze bijdrage worden zijn werkzaamheden, in het bijzonder in Nederland en op de Hartekamp, nader beschreven.

Nageschilderd portret van Linnaeus in Laplands kostuum door Hendrik Hollander (1853)

Nageschilderd portret van Linnaeus in Laplands kostuum door Hendrik Hollander (1853). Naar F.Hoffman, 1746

Opgeleid als medicus in Zweden en promotie in Harderwijk

Carl Linné, na in de adelstand te zijn verheven Carl von Linné genoemd, is op 23 mei 1707 geboren in Råshult in de provincie Smaland, gelegen in het zuidoosten van Zweden. Zijn vader, die eigenlijk Nils Ingmarsson heette, was predikant en een enthousiaste amateur-botanicus/ tuinier. Hij had zichzelf de familienaam Linn gegeven als herinnering aan een reusachtige lindeboom, in het dialect van de streek ‘linn’ genoemd. Buiten Zweden is de natuurgeleerde vooral bekend geworden onder zijn verlatijnste naam Carolus Linnaeus. Voorbestemd om theologie te studeren gaf de jonge Carl, aangemoedigd door de arts Johan Rothman, de voorkeur aan een studie medicijnen en natuurlijke historie op de universiteit van Lund. Na een onderbreking wegens ziekte zette hij zijn studie voort in het ongeveer 400 kilometernoordelijker gelegen Uppsala. Met een briljante uiteenzetting over de voortplanting van planten viel hij op door de oorspronkelijkheid van zijn denkbeelden en legde hij de grondslag voor enkele van zijn belangrijkste werken, zoals de Systema Natura (1) Fundamenta Botanica, Critica Botanica en Genera Plantarum (opgedragen aan Boerhaave), allemaal voor het eerst uitgegeven in ons land in Leiden en Amsterdam. In Uppsala ontmoette Linnaeus de student Petrus Artedi. In 1735 werkte Artedi in Amsterdam aan een grondige studie over de vissen. Op de avond van de 28e september 1735, terugkerend van een diner bij de apotheker Albert Seba naar zijn logeerhuis, sloeg Artedi vermoedelijk in beschonken toestand in het donker een verkeerde weg in, viel in een gracht en verdronk. Linnaeus schreef in zijn itenarium zoveel als “Der vissen vriend is overleden in der vissen element.”  Overigens meldde hij ook dat hij huilde toen hem het slechte nieuws op 30 september werd medegedeeld door zijn Zweedse reisgezel Claes Sohlberg, die in Leiden zou promoveren. Linnaeus spoedde zich van de Hartekamp naar het godshuis in Amsterdam waar zijn vriend lag opgebaard. De hospes van Artedi, Hendrik Jutting, had nog geld te goed en dreigde zijn schamele bezittingen te verkopen. Clifford was zo genereus de schuld te betalen, zodat het manuscript veilig kon worden gesteld. Linnaeus nam vervolgens de taak om Artedi’s werk Ichthologia, sive opera omnia de piscibus af te ronden en drukklaar te maken. Deze publicatie, grondslag van alle latere werken over vissen, is vervolgens in 1738 te Leiden uitgegeven.

Pagina Bibliotheca Botanica Cliffortiana uit het boekwerk Hortus Cliffortianus

Pagina Bibliotheca Botanica Cliffortiana uit het boekwerk Hortus Cliffortianus

Reizen en promotie

In 1731 was Linnaeus teruggegaan naar Smaland en een jaar later vertrok hij alleen te paard voor een etnografische en botanische studiereis van vier maanden naar het noorden van Zweden en Noorwegen ofwel Lapland. De plantkundige resultaten zijn in 1737 inAmsterdam uitgegeven onder de titel Flora Lapponica. Linnaeus’ oudste dagboek Iter Lapponica is pas in 1888 uitgeven, hoewel het al in 1811 in een Engelse vertaling was verschenen. Na zijn reis naar Lapland op zijn 25ste heeft Linnaeus nog drie reizen in Zweden gemaakt. Tussen juni 1735 en juni 1738 bezocht hij Nederland, met tussentijds een kort verblijf in Engeland. Voor hij naar zijn vaderland én zijn verloofde Sara Lisa Moraea terugkeerde, ontmoette hij enkele Franse natuurwetenschappers in Parijs. De voornaamste reden om naar Nederland te gaan was de mogelijkheid om te promoveren. In die periode was dat aan een universiteit in zijn geboorteland nog niet mogelijk. De Leidse Academie was als promotieplaats populair bij buitenlanders, bij armlastiger promovendi was dat vooral Harderwijk waar men voor weinig geld de doctorsgraad kon behalen. Een ondeugend versje luidde destijds:

“Harderwijk is een plaats van negotie,

Men verkoopt er bokking, blauwbessen en bullen van promotie.”

Linnaeus reisde naar Holland via Denemarken en Hamburg. Zijn proefschrift over de in de Zweedse moerasgebieden veelvuldig optredende intermitterende ofwel anderdaagse moeraskoortsen (malaria) was toen in manuscript gereed. Na aankomst met het schip de Godenwind in Amsterdam op 13 juni 1735 (kalender nieuwe stijl = 2 juni oude dagtekening) bezocht Linnaeus onmiddellijk de Hortus Medicus aan de Plantage en de volgende dag maakte hij zijn opwachting bij Johannes Burman, arts en hoogleraar in de botanie, die mede op basis van meegenomen manuscripten snel het belang van de jonge Zweed inzag en zijn privé-bibliotheek voor hem openstelde. Op15 juni had een bezoek plaats aan het beroemde naturaliënkabinet van apotheker Albert Seba. Al op17 juni volgde de reis naar Harderwijk waar Linnaeus zich meldde bij een hoogleraar in de mathematica. De volgende dag schreef hij zich in als student en ’s middags deed hij een toelatingsexamen bij toenmalig rector Johannes de Gorter. Op 19 juni gaf deze hoogleraar na lezing van het manuscript zijn ‘imprimatur’ en in twee dagen is het proefschrift gezet, gecorrigeerd en gedrukt. Op 23 juni heeft Linnaeus zijn dissertatie verdedigd op twee stellingen van Hippocrates. Hij keerde met de beurtschipper terug naar Amsterdam waar Burman hem gastvrijheid verleende. Burman verzorgde persoonlijk de uitgave van Linnaeus’ Fundamenta botanica (1736), Biblioteca botanica (1736) en de Flora Lapponica (1737), alle drie in Amsterdam uitgegeven. Linnaeus was de één jaar jongere Burman behulpzaam bij de samenstelling van een flora van Ceylon.

Via Burman, Boerhaave en Gronovius naar de Hartekamp

Vanuit Amsterdam bezocht Linnaeus eenmaal de Hortus Botanicus van Utrecht en in Leiden stonden de Academie-Hortus, professor van Royen en de Academie-Bibliotheek op zijn programma. Van groot belang was zijn bezoek aan de  destijds befaamde medicus-botanicus J.F. Gronovius, die al leverancier was van planten en zaden uit Virginia voor de Hartekamp. Deze was direct enthousiast over het manuscript van Systema Naturae, dat de basis zou vormen voor alle latere natuurlijke-historie-systematiek. Het schematiseert een ordeningssysteem op grond van uiterlijke kenmerken, geschikt voor planten, dieren en mineralen. Gronovius corrigeerde de Latijnse tekst – zich in brieven beklagend over Linnaeus’ slordigheid – en zorgde voor publicatie in Leiden, waarbij zijn vriend, de gefortuneerde Schotse medicus Isaac Lawson, mede de kosten van drukken voor zijn rekening nam. Onder degenen die een presentexemplaar ontvingen was Herman Boerhaave, de beroemdste medicus van zijn tijd en een praktiserende botanist. Dankzij deze publicatie en op voorspraak van Burman en Gronovius kreeg Linnaeus entree bij hem. In Amsterdam bezocht de Zweed samen met Burman overdag bijna dagelijks de hortus. Daar ontmoette hij de vermogende bankier George Clifford, commissaris van deze tuin en bovendien eigenaar van buitenplaats de Hartekamp met menagerie, tuin, vier tropische kassen, herbarium, museum en natuurwetenschappelijke bibliotheek. Deze Clifford, wiens vader George Clifford Sr. in 1709 hofstede de Hartekamp inclusief tuin en oranjerie voor 22.000 gulden had gekocht van Johan Hinlopen, leed aan hypochondrie. Voor zijn depressies werd hij behandeld door Boerhaave die, gelet op de stand van de medische wetenschap, weinig meer kon doen dan het voorschrijven van een dieet, verstrekking van medicinale planten en het advies aan Clifford om zich zoveel mogelijk met zijn liefhebberijen bezig te houden.

Vignet op titelblad van Linnaeus' Hortus Cliffortianus

Vignet door A. van der Laan op titelblad van Linnaeus’ Hortus Cliffortianus (1738). Allegorie op de Botanie met links het voorplein van het huis de Hartekamp en in het verschiet de koepel in de overtuin.

Volgens de overlevering raadde Boerhaave Clifford aan om Linnaeus als lijfarts en hortulanus in dienst te nemen. Intussen is onder andere via een brief bekend geworden dat het Jan Frederik Gronovius was die deze hint aan Clifford heeft gegeven, toen hij meedeelde dat hij een jonge en veelbelovende botanicus met uitzonderlijke capaciteiten kende, die waarschijnlijk de taak van supervisor van Clifford’s tuin en collecties van de Hartekamp op zich zou willen nemen (2). Op 13 en 14 augustus 1735 vond in gezelschap van Johan Burman een eerste bezoek plaats aan de Hartekamp en Linnaeus was verrukt van de natuurhistorische schatten die hij daar aantrof. Hoewel Burman Linnaeus liever in Amsterdam hield, zag hij direct in dat het aanbod van Clifford (vrije kost en inwoning, gebruikmaking van zijn koets en bedienden en een dukaat – ongeveer 3 gulden – per dag) voor Linnaeus buitengewoon aantrekkelijk was. Binnen vijf dagen kwam men tot een mondelinge overeenkomst en de formele aanstelling had plaats op 29 augustus. Twee weken later, op 13 september 1735, is Linnaeus met zijn werkzaamheden in Heemstede begonnen. In ruil voor zijn bemiddeling ontving Burman van Clifford het prachtwerk van de Engelse plantkundige Sir Hans Sloane, Natural History of Jamaica, dat Clifford in tweevoud bezat. Aan Linnaeus was opgedragen de planten uit tuin en kassen te catalogiseren, het herbarium en de bibliotheek te beschrijven, nieuwe planten te verwerven, evenals publicaties te schrijven, waarvoor Clifford als mecenas alle drukkosten zou betalen. Als hoofdtuinman was de bekwame Duitser Dietrich Nietzel in dienst, die Linnaeus later naar Zweden zou volgen als opzichter van de kruidtuin van de universiteit van Uppsala (3). Op 13 januari 1737 schrijft Boerhaave in het Latijn een brief aan Linnaeus waarin hij hem dankt voor de ontvangst van diens nieuwe publicatie Genera Plantarum, opmerkt op botanisch gebied nu al verre de mindere van Linnaeus te zijn en toegeeft dat zijn eigen uit 1720 daterende hortuspublicatie Index alter plantarum wemelt van de fouten. Aan het slot wenst Boerhaave, die op dat moment al langere tijd ernstig ziek is, dat God aan Linnaeus gezondheid van lichaam en geest mag geven, opdat hij zal uitgroeien tot dé historicus van de natuur.

Twee geleerden (?) en de godin Flora (?) buigen zich over het boek 'Horuts Cliffortianus' . Schilderij door Jacob de Wit, aanwezig in Uppsala (Linnaeus Sociëteit)

Twee geleerden (?) en de godin Flora (?) buigen zich over het boek ‘Hortus Cliffortianus’ . Schilderij door Jacob de Wit, aanwezig in Uppsala (Linnaeus Sociëteit) De persoon rechts heeft gelijkenis met de mogelijk voorgestelde kop van George Clifford op titelprent ‘Hortus Cliffortianus’ van Jan Wandelaar.

Het dienstverband op de Hartekamp duurde tot 7 oktober 1737 toen Linnaeus’ hoofdwerk Hortus Cliffortianus, waaraan hij gedurende negen maanden bijna dag en nacht gewerkt had, in handschrift klaar was. Tussendoor heeft Linnaeus eenmaal het buiten Over-Holland aan de Utrechtse Vecht bezocht, toen in bezit van een andere Clifford-telg. Enkele keren reisde hij naar Gronovius in Leiden en naar Amsterdam. Verder verbleef hij vanaf 25 juli 1736 ongeveer twee maanden in Engeland, waar hij in Londen de geleerde botanicus en verzamelaar Sloane opzocht en Philip Miller, de toezichthouder van de Chelsea Physic Garden. Aan de universiteit van Oxford bezocht hij de uit Duitsland afkomstige hoogleraar Johann Dillenius. Voor de tuin op de Hartekamp nam hij gewassen en zaden mee en ten behoeve van de boekerij botanische publicaties. Voor de exotische planten kon hij dankzij relaties van Clifford, die zelf directeur was van de VOC-Kamer Amsterdam, gebruik maken van door VOC schepen meegebracht materiaal. Toen een tijger in de menagerie overleed kwam het verzoek van dr. Lawson het lijk voor anatomische doeleinden te mogen onderzoeken. Naast zijn publicistisch werk onderhield Linnaeus een briefwisseling met talrijke geleerden in de Westerse wereld, o.a. met de Zwitser Albrecht von Haller. Met de Duitse botanicus J.G.Siegesbeck, werkzaam in St. Petersburg, ruilde hij zaden en polemiseerde hij tijdens de Hartekamp-jaren tussen 1735 en 1737.

Bloeiende bananenboom

Natuurwetenschappers als Gaub, Albinus, Musschenbroek, Boerhaave, Van Swieten, Gronovius, Van Royen, Roëll en anderen bezochten de Hartekamp, o.a. om de bloei van de bananenboom met eigen ogen te bewonderen en ook andere gewassen en bomen, zoals de tulpenboom Lirondendron tulipifera.  Een ‘hoogbejaarde’ nazaat van deze boom is nu nog te vinden ongeveer20 meter rechts op het voorgazon van de Hartekamp, dicht bij de Linnaeus-buste. In de literatuur over Linnaeus staat veelvuldig te lezen dat het in Nederland niet eerder gelukt was een pisang- of bananenboom in bloei te krijgen en vrucht te laten dragen. Met name Boerhaave had dit ook geprobeerd. Linnaeus zou door nabootsing van tropische regenbuien in de vorm van emmers vol water op de voordien droge grond wel succes gehad hebben met het kweken van bananen in de oranjerie. Dit bericht klopt echter niet helemaal omdat Linnaeus naar eigen zeggen al bij zijn eerste bezoek aan de Hartekamp bloeiende pisangbomen aantrof (4).

Linnaeus wijdde aan de Heemsteedse bananenboom een afzonderlijke publicatie, Musa Cliffortiana, en liet de illustratie hiervan vervaardigen door de Duitse schilder Martinus Hoffman. Op verzoek van Clifford beeldde Hoffman Linnaeus ten voeten uit af in Laplands kostuum van rendierleer met in zijn hand het plantje Linnaea borealis ofwel het Linnaeusklokje (5).

Linnaeus, nog onbekend met de later door Darwin ontvouwen evolutietheorie, ging uit van de schepping van alle leven op aarde door God en speculeerde dat met het ‘verboden fruit’ in het Oude Testament de banaan bedoeld was. Vandaar de wetenschappelijke naam voor de bananen- ofwel pisangboom – feitelijk een grassoort en de grootste kruidachtige plant – van ‘Musa paradisiaca’, bedoeld als een verwijzing naar de Hof van Eden.

Hortus Cliffortianus

Nog in 1737 kwam in Amsterdam een eenvoudige handleiding uit van 1.251 levende planten in de tuin, Viridarium Cliffortianum, speciaal geschreven voor zijn beschermheer. Linnaeus’  meest monumentale werk dat in 1737 gereed kwam, zoals op het titelblad gedrukt, maar tengevolge van vertraging bij de vervaardiging van de prenten pas in 1738 verscheen, werd de uitgave Hortus Cliffortianus, een meesterwerk in de botanische literatuur. De barokke titelpagina van deze foliant is van de hand van graficus en dichter Jan Wandelaar (1690-1759). 32 tekeningen zijn gemaakt door de Duitse plantentekenaar en -schilder Georg Dionysius Ehret (1708-1770) die vooral Engelse plaatwerken illustreerde en ongeveer een maand op de Hartekamp verbleef op weg naar zijn nieuwe vaderland Engeland. Voor de kopergravures is behalve Wandelaar ook A. van der Laan aangezocht. Deze maakte een gravure met een allegorische voorstelling op de botanie, met links het voorplein van de Hartekamp en in het verschiet daarvan de koepel in de overtuin. Dit vignet heeft als motto “Tantus Amor Florum” ofwel: Zo groot is de liefde tot de bloemen. Met name uitheemse planten uit Afrika, Azië en Amerika zijn in deze monumentale publicatie voor het eerst uitgebreid beschreven.

Naar zijn beschermheer vernoemde Linnaeus een geslacht uit de rozenfamilie van het Kaapgebied: Cliffortiana. Het was de Amsterdamse hoogleraar Wilhem Roëll die de Hartekamp voorzag van Afrikaanse zaden. Het boekwerk omvat 501 pagina’s en beschrijft 2.536 gedroogde en levende planten in herbarium (6) en tuin. Aan het slot is op 17 ongepagineerde bladzijden de catalogus van 295 botanische boektitels afgedrukt. Als verklaring van het frontispice (de titelpagina) is door J. Wandelaar een 20-regelig gedicht afgedrukt, dat als volgt eindigt:

“Dit tuigt inzonderheid de Pisang, welke Plant

Het eerst op deze Plaats gewijd aan Nederland

Hier, nevens duizenden, heer Cliffords yver loonen

En, door Linnaeus Pen, zich aan de waereld toonen.”

De voorstelling op deze gravure is een allegorie op de teelt van exotische gewassen. Uiteraard is daarbij de pisang prominent afgebeeld. Vier personen vertegenwoordigen de vier werelddelen en bieden moeder Aarde uitheemse gewassen aan. Op een piëdestal is het borstbeeld van een gelauwerde George Clifford te zien. In het midden prijkt de gekroonde godin, moeder Aarde. De Griekse jonge god Apollo houdt in zijn linkerhand een toorts, verbeeldende dat deze licht brengt in een wereld van onwetendheid en met zijn rechterhand schuift hij een sluier van duisternis weg. In het gezicht is Linnaeus herkenbaar met een laurierkrans op zijn hoofd. Onder zijn voeten vertrapt hij de gedode draak van de onwaarheid en onwetendheid. Vooraan zijn enkele putti (engeltjes), een passer, thermometer (naar zijn Zweedse tijdgenoot Celsius genoemd), een pot met vuur (verwijzend naar het verwarmen van de kassen) en een plattegrond van de tuinen van de Hartekamp te zien. De 18e eeuwse schilder Jacob de Wit maakte een schilderij van het opengeslagen boek Hortus Cliffortianus, waarover de godin Flora en twee geleerden zich buigen. Dat kwam in bezit van de heer P. Schmidt van Gelder, die tussen 1904 en 1921 de Hartekamp bewoonde en het schilderij schonk aan het Linnéanum in Uppsala. De betekenis van Linnaeus’ Hortus Cliffortianus is, dat dit boek de basis vormt van latere werken. Talrijke plantenbeschrijvingen zijn letterlijk overgenomen in zijn Species Plantarum.

Titelblad van Viridarium Cliffortianum... Bedoeld als een vereenvoudigde catalogus van de tuinplanten. 'Een kleine handleiding die U [sc. Clifford] gemakkelijk openslaat en met U meeneemt in de tuin', zoals in de inleiding van dit thans zeer zeldzame gidsje vermeld staat.

Titelblad van Viridarium Cliffortianum… Bedoeld als een vereenvoudigde catalogus van de tuinplanten. ‘Een kleine handleiding die U [sc. Clifford] gemakkelijk openslaat en met U meeneemt in de tuin’, zoals in de inleiding van dit thans zeer zeldzame gidsje vermeld staat.

De laatste maanden in Nederland

Toen Linnaeus zijn belangrijkste taak, het ordenen van de Hartekamptuin, beëindigd achtte, zocht hij een nieuwe uitdaging en verlangde hij bovendien terug naar zijn geboorteland waar zijn verloofde op hem wachtte. “Ik leef als een monnik” schreef Linnaeus in een brief van maart 1737 en voegde daaraan toe “opgesloten met twee nonnen”, waarbij het onduidelijk is gebleven wat Linnaeus hiermee kan hebben bedoeld. Duidelijk is dat hij ondanks alle faciliteiten zich vaak eenzaam voelde en heimwee had aar zijn geboorteland en verloofde die uiteindelijk drie jaar op hem wachtte. Pogingen om hem voor ons land te behouden mislukten. Zo is getracht Linnaeus te interesseren voor een botanische reis naar de Kaapprovincie en is hem een hoogleraarsambt te Utrecht in het vooruitzicht gesteld. Een verzoek van de West-Indische Compagnie om als arts naar Suriname te reizen wees hij resoluut af. Wèl heeft hij professor Adrianus Van Royen tot eind februari geholpen bij het herordenen van de Leidse Hortus-Academie volgens nieuwe botanische inzichten van het door Linnaeus bedachte ordeningssysteem, waarin bloemplanten zijn verdeeld in 24 klassen, geteld naar het aantal meeldraden in de bloemen. Na dit werk in Leiden werd Linnaeus ziek. Hij leed aan heftige koortsen, volgens berichten uit die tijd vermoedelijk een soort cholera, al wordt ook niet uitgesloten dat zijn ziekbed een terugslag was na maandenlange ingespannen arbeid met weinig slaap en als gevolg daarvan een gebrek aan weerstand. Dr. Gerard van Swieten adviseerde hem te herstellen op de Hartekamp, waar hij tot genoegen van Clifford, die zijn teleurstelling over zijn onverwachte ontslag hem allang vergeven heeft, nog enige tijd verbleef totdat hij in mei 1738 voldoende hersteld was. Na ongeveer een maand Parijs en omgeving bezocht te hebben om daar Franse tuinen te zien en de twee bekende Franse botanici De Jussieu te ontmoeten, keerde hij met de boot vanuit Le Havre terug naar Zweden. Op 28 juni 1738 kwam Linnaeus in de havenstad Helsingborg aan. Aanvankelijk vestigde hij zich als praktiserend arts in Stockholm en drie jaar later volgde zijn benoeming tot hoogleraar in de medicijnen en botanie aan de Universiteit van Uppsala, waar hij afgezien van enkele binnenlandse reizen zou blijven wonen tot zijn overlijden in 1778 op 71-jarige leeftijd.

In 1753 is Linnaeus’ Species Plantarum verschenen, volgens zijn nieuwe classificatie en binaire ofwel binomiale nomenclatuur (naamgeving) van alle tot dan toe ongeveer 6.000 bekende plantensoorten. Een ordening van de planten volgens een door hem ontworpen seksueel systeem naar het aantal en de vorm en bouw van meeldraden en stampers. De indeling geschiedde op basis van een groeps- of geslachtsnaam (genus), gevolgd door een soortaanduiding (species). De tiende editie van zijn Systema Naturae uit 1758 bevatte bovendien circa 4.400 aan Linnaeus bekende dieren, ingedeeld in 6 klassen: zoogdieren, vogels, amfibieën, vissen, insecten en wormen. Na het vertrek van Linnaeus raakte de tuin van de Hartekamp snel in verval, vooral nadat mr. George Clifford op 10 april1760 inzijn geliefde hofstede overleden was. Na de dood van zijn opvolger, zoon Pieter Clifford, vond in 1788 een grote veiling plaats.

Na Bengt Ferner (1759) en J.J. Björnstähl (1775) hebben tot in onze tijd talrijke Zweedse inwoners op reis in Nederland vanwege het verblijf van Linnaeus een bezoek gebracht aan de Hartekamp.

In deel 2 over Linnaeus komt de briefwisseling van George Clifford met Linnaeus uit de periode van 1736 tot 1742 aan de orde.

Hans Krol

Carolus Linnaeus. Borstbeeld door W.M.Retera, in 1907 ter gelegenheid van de 200ste geboortedag van Linnaeus in de tuin van de Hartekamp geplaatst.

Carolus Linnaeus. Borstbeeld door W.M.Retera, in 1907 ter gelegenheid van de 200ste geboortedag van Linnaeus in de tuin van de Hartekamp geplaatst.

Bronnen en literatuur

Blunt, Wilfrid (m.m.v. William T. Stearn), The Compleat Naturalist: A Life of Linnaeus. London, 1971.

Boerman, A.J., Carolus Linnaeus als middelaar tussen Nederland en Zweden. Utrecht, 1953.

Broberg, Gunnar, Carl Linnaeus.Stockholm, 2006.

Daydon Jackson, Benjamin, Linnaeus (afterwards Carl von Linné). London, 1923.

Documentatiemappen Linnaeus en de Hartekamp. In: bibliotheek van het Noord-Hollands Archief (Haarlem).

Hagberg, Knut, Carl Linnaeus, de bloemenkoning. Amsterdam, 1944.

Het Landgoed de Hartekamp in Heemstede. Heemstede, VOHB, 1982.

Linnaeus, Carolus, Reizen. Selectie uit de dagboeken door David Black; ingeleid door

D.Hillenius. Amsterdam, 1979.

The Linnaean Correspondence.  Zie: http://www.Linnaeus.c18.net

Linnaeus commemorated 1707 – May 23rd – 1957. Leiden, 1957.

Zie ook: http://www.george-clifford.nl

Onthulling in 1907 van een borstbeeld van Linnaeus op de Hartekamp bij gelegenheid van zijn 20oste geboortejaar

Onthulling in 1907 van een borstbeeld van Linnaeus op de Hartekamp bij gelegenheid van zijn 200ste geboortejaar

De ambassadeur van Zweden in ons land Jens Malling (links) en directeur H.W.Roozen van de Linnaeushof plaatsen een bloemenmand bij het borstbeeld van Linnaeus op de Hartekamp, 27 april 1966 (foto Ruud Hoff)

De ambassadeur van Zweden in ons land Jens Malling (links) en directeur H.W.Roozen van de Linnaeushof plaatsen een bloemenmand bij het borstbeeld van Linnaeus op de Hartekamp, 27 april 1966 (foto Ruud Hoff)

=================================================================

Bijlage

In het voorwoord van het boek ‘Hortus Cliffortianus’ schreef Linnaeus wat hij tijdens zijn eerste bezoek op 13 augustus 1735 aantrof. Vertaald uit het Latijn in het Nederlands luidt zijn in plechtstatige stijl geschreven tekst: “Mijn ogen waren dadelijk verrukt van zovele door kunst ondersteunde meesterwerken der natuur, alleeën, bloemperken, standbeelden, vijvers en kunstig aangelegde heuvels en doolhoven. Mij betoverden Uw menagerieën vol tijgers, apen, wilde honden, Indische herten en geiten, Zuid-Amerikaanse en Afrikaanse zwijnen; met hun geluiden vermengden zich andere van troepen vogels: Amerikaanse valken, verschillende soorten van papegaaien, fazanten, pauwen, parelhoenders, Amerikaanse korhoenders, Indische hoenders, zwanen, velerlei soorten ganzen en eenden, meeuwen en andere soorten zwemvogels, snippen, Amerikaanse kruisbekken, mussen in verschillende soorten, tortelduiven en andere duiven, benevens vele andere vogelsoorten, van wier kreten de tuin weergalmde) Ik schrok, toen ik de broeikassen betrad, vol als ze waren van zoveel planten, dat een zoon van het Noorden zich behekst moest voelen en niet meer wist naar welk vreemd werelddeel hij verplaatst was. In de eerste kas werden de bloemenscharen van Zuid-Europa gekweekt, gewassen uit Spanje, Zuid-Frankrijk, Italië, Sicilië en Griekenlands eilanden. In de tweede vond men de schatten uit Azië, als gembergewassen, Poincianen, magistanen, kokos- en andere palmen en nog meer gewassen; in de derde Afrika’s eigenaardig gevormde, om niet te zeggen misvormde gewassen, zoals de talrijke Aloë- en Mesembrysanthenumgeslachten, aasbloemen, Euphorbiën, Crassula- en Proteasoorten enz. En in de vierde broeikas teelde men ten slotte de bekoorlijke inwoners van Amerika en de overige nieuwe wereld: grote groepen van cactusvormen, orchideeën, passiebloemen, yamswortel, magnolia’s, tulpenbomen, kalebasbomen, arrowwortel, Casia’s, acasia’s, tamarinden, pepers, Ananassoorten, Mancilla en talrijke andere – en omgeven door deze, pisangen, de statigste van alle gewassen ter wereld, de prachtige Hernandio’s, zilverglanzende Protea-soorten en kostbare kamferbomen.  Toen ik later in de waarlijk Koninklijke woning kwam en in het uiterst leerzame museum, welks verzamelingen niet minder tot de roem van de eigenaar bijdroegen, voelde ik, vreemdeling, mij ganselijk betoverd, omdat ik nooit iets dergelijks gezien had. Mijn levendigste wens was, dat ik ter verzorging van dit alles de behulpzame hand zou mogen bieden.”

 

Allegorie op de teelt van exotische gewassen. Titelprent van Linaeus'Hortus Cliffortianus, door jan Wandelaar (1738)

Allegorie op de teelt van exotische gewassen. Titelprent van Linnaeus ‘Hortus Cliffortianus, door Jan Wandelaar (1738)

Uitleg op bovenstaand ontwerp van prentmaker Jan Wandelaar uit Warmond: ‘ Allegorische titelpagina met in het midden de ‘aardmoeder’ Cybele, gezeten op een leeuw en een leeuwin, met de sleutels tot de tuin in haar hand. Aan haar voeten een pot met Cliffortiana ilicifolia en daarbij een plattegrond van de tuin van de Hartekamp. Links biedt een Afrikaanse vrouw haar een Aloë uit Afrika aan, een vrouw met een tulband brengt haar een plant van de Coffea arabica uit Azië en een indiaanse biedt Hernandia uit Amerika aan. Op een voetstuk waarop de titel in het Latijn, een buste van George Clifford. Aan de rechterzijde een bananenplant in bloei, en Apollo, die in zijn linkerhand een fakkel houdt en met zijn rechterhand de sluier van Diana optilt. Met zijn voeten vertrapt hij de draak der onwaarheid, een verwijzing naar nagemaakte Hydra in Hamburg die Linnaeus op zijn reis naar Holland als bedrog had ontmaskerd. Rechts op de voorgrond twee putto met een thermometer en een spade.’

BIJLAGE: ‘Linnaeus Link’

Linnaeus1

(Uit: Bibliotheksmagazin; Mitteilungen ais den Staatsbibliotheken in Berlin und München 1/2016, (1)

Linnaeus2.jpg

Aus: Bibliothreksmagazin 1/2016 (2)

Linnaeus3

Aus: Bibliotheksmagazin 1/2016 (3)

Linnaeus4

Aus: Bibliothekskagazin 1/2016 (4)

 

linnaeuspad

Linnaeuspad de Hartekamp, uit Het Heemstede Boek, 2016 (Chris Hoefsmit, Fred Icke, Jurriaan Hoefsmit)