Tags

,

Christelijk liefdewerk ten dienste van de zieke medemens

Freule A.J.M.Teding van Berkhout (1833-1909) stond aan de basis van het Diaconessenhuis (1874) en richtte in 1879 de eerste kliniek  voor epileptici on ons land op.

Freule A.J.M.Teding van Berkhout (1833-1909) stond aan de basis van het Diaconessenhuis (1874) en richtte in 1879 de eerste kliniek voor epileptici in ons land op.

A.J.M.Teding van Berkhout: oprichtster van twee ziekenhuizen in Haarlem

Toen in 1927 een uitvoerig boekwerk van C.H. Vernède over de geschiedenis van de zieken verpleging verscheen (zie lit.opgave) was het 31ste en laatste hoofdstuk gewijd aan de hervormingen in Nederland gedurende de laatste helft van de 19e eeuw. De Haarlemse filantrope en ziekenhuispionierster mevrouw A.J.M.Teding van Berkhout ontbreekt daarin zeer ten onrechte en mogelijk heeft haar bescheidenheid hier doorgewerkt. Ook in het huidige standaardwerk over de geschiedenis van Haarlem “Deugd boven geweld” (1995) met een persoonsregister van zo’n 1500 namen zoeken we haar tevergeefs.

Jonkvrouw A.J.M.Teding van Berkhout

Jonkvrouw A.M.J.Teding van Berkhout

‘Inwendig geroepen’

Jonkvrouw Anna Johanna Maria Teding van Berkhout (1833-1909), oprichtster van zowel het Diaconessenhuis (1876) als van de Christelijke Vereniging voor de Verpleging van Lijders aan Epilepsie (1882), stamde uit een adellijke en welgestelde regentenfamilie. Zij was het zevende kind van jonkheer Jan Pieter van Berkhout (1786-1856) en diens tweede echtgenote Anne Madeleine Henriëtte baronesse de Bosset (1793-1869). In de winter woonde het gezin in een groot herenhuis, Nieuwe Gracht 74 Haarlem, en gedurende de zomermaanden verbleef de familie in het riante “Aelbertsberg” te Bloemendaal. Op 17-jarige leeftijd werd ze als lidmaat van de Waalse kerk door dominee Van Hamel bevestigd, van welk kerkgenootschap ze levenslang lid is gebleven. Zoals gebruikelijk voor jongedames uit gegoede stand bracht ze haar tijd door met o.a. handwerken, schilderen, visites maken en op plechtige feesten verschijnen, een manier van leven die haar eigenlijk helemaal niet lag.

Toen Anna 23 jaar was stierf haar vader, die diverse bestuursfuncties vervulde, zoals lid van de Staten van Noord-Holland. Haar moeder was toen al met 63 jaar op leeftijd. Reeds op jonge leeftijd zou ze zich het lot aantrekken van anderen, die lijden en troost behoeven.

Na op 36-jarige leeftijd de mazelen te hebben gekregen, welke in die tijd ernstige ziekte ze ternauwernood overleefde, voelde zij zich mede dankzij een diep religieuze overtuiging  ‘inwendig geroepen om mijn verdere leven aan zieken en ongelukkigen te wijden’. De Frans-Duitse oorlog van 1870 sterkte haar in dit voornemen. Ten dele aangespoord door het voorbeeld van Florence Nightingale namen jonge vrouwen deel aan de ziekenverpleging, die in de 19e eeuw met geen of nauwelijks scholing nog op een laag peil stond. In dat jaar besloot ze een cursus ziekenverpleging en verbandleer te volgen die toenmaals door het Roode Kruis in Haarlem werd georganiseerd. Na het overlijden van haar moeder vestigde zij zich in Bloemendaal, waar zij enkele zieke of zwakke meisjes in huis nam en goede verzorging nodig hadden

Bijlage: gegevens uit: H.S.van Lennep, Genealogie van de Familie van Lennep. 2014, pagina 158=59: ‘Jkvr. Anna Johanna Maria Teding van Berkhout (R.O.N.), geb. Haarlem 1 maart 1833, regentesse St.Elisabeth Gasthuis 1873-1876, bestuurslid Christelijke Vereeniging voor Verpleging van Lijders aan Vallende Ziekte 21881-, bestuurslid Diaconessenhuis aldaar 1887, ov. Haarlem 26 juli 1909. Na het volgen van een cursus over de beginselen van de ziekenverpleging en verbandleer en een studiereis door Duitsland werkte zij in 1872 enige maanden in het Stedelijk Gasthuis te Den Haag. Het volgende jaar werd zij benoemd tot regentesse van het St.Elisabeth’s Gasthuis te Haarlem. Toen de door haar aan de uiterst conservatieve regenten voorgestelde hervormingen van de zeer ernstige misstanden in het gasthuis uitbleven nam zij ontslag. Zij begon vanaf mei 1874 in een daartoe door haar gekocht huis aan de Nieuwe Gracht (90) minder bedeelde patiënten op te nemen. Zij werd aanvankelijk voor de vijftien beschikbare bedden slechts bijgestaan door 1 zuster. Geleidelijk kocht zij verschillende belendende huizen om het zich steeds uitbreidende aantal patiënten en personeel onderdak te kunnen verschaffen. De inrichting begon geleidelijk de vorm van een diaconessenhuis aan te nemen. In 1887 werd het nieuw gebouwde Diaconessenhuis aan de Hazepaterslaan in gebruik genomen. Voorts nam zij het initiatief om de Christelijke Vereeniging voor verpleging van lijders aan vallende ziekte op te richten. Het huis Sarepta in Haarlem en het gesticht Meer en Bosch te Heemstede werden voor de lijders opengesteld. Een dochter van dominee O.G.Heldring beschreef haar in 1922 als volgt: “Nog steeds staat mij de rijzige gestalte dezer voortreffelijke vrouw voor den geest, met dat vriendelijk en innemend gelaat, waarop een groote wilskracht te lezen stond, die gepaard ging met een vast geloof, dat zij zich niet mocht aantrekken aan werk, waartoe zij van ‘Heeren wege meende geroepen te zijn. Daartoe behoorde de verpleging van lijders aan vallende ziekte”.

Diaconessenverpleegkundigen en het Réveil

Ter oriëntatie bezocht jonkvrouw Teding van Berkhout verscheidene diaconesseninrichtingen in binnen- en buitenland. Om te beginnen naar het in 1844 als eerste in Nederland opgerichte Protestants-christelijke Diaconessenhuis in Utrecht, dat  mede tot stand was gekomen dankzij haar tante Quirina van Zuylen van Nijevelt, geboren Teding van Berkhout. Personen van alle gezindten en van alle rangen en standen konden in deze instelling opgenomen worden. Het Utrechtse hospitaal werd geleid door de begaafde en ervaringrijke zuster Henriëtte Swellengrebel. Freule Teding van Berkhout had grote bewondering voor deze directrice en overwoog om zich onder haar leiding in de verpleging te bekwamen. Daartoe kwam het echter niet, omdat zij de opvattingen van mej. Swellengrebel niet helemaal deelde evenmin als haar mening dat Utrecht een centraal diaconessenmoederhuis voor Nederland moest worden. Na het overlijden van zuster H. Swellengrebel in 1874 is de Haarlemse freule tot haar verwondering door het bestuur van de Utrechtse ziekeninrichting aangezocht om de opengevallen plaats in te nemen. Ze achtte zich echter daartoe onbekwaam en liep bovendien al met plannen rond een christelijke ziekenverpleging in de Spaarnestad in het leven te roepen, doch wilde zich eerst praktisch in de ziekenverpleging bekwamen. Daartoe deed zij een verzoek aan de directeur van het Haagse stadsziekenhuis enige tijd als gewoon leerling-verpleegster in die inrichting te werken. Dat verzoek werd door Dr. Van Tienhoven  ingewilligd. Die was zo tevreden, dat hij haar graag een baan aanbood als opzichteres over de oppasseressen. Haar  antwoord was klip en klaar: ‘Mijn werk ligt in Haarlem.’ Via familiebanden voelde de freule zich aangetrokken tot de Réveilbeweging: geen kerkelijke, maar een godsdienstige opwekkingsbeweging. Het gevoel nam een voorname plaats in, met name de liefde tot God en van daaruit de liefde tot de medemens.

Geïnspireerd door Theodor Fliedner in Kaiserswerth

Fliedner

                 Portret van Theodor Fliedner (1800-1864), herdacht op een Duitse postzegel

In Duitsland, waar ze hospitalen in Bonn, Duisburg en Düsseldorf bezocht, kwam Anna in contact met de predikant Theodor Fliedner (1800-1864) die in Kaiserswerth (Westfalen, niet ver van Düsseldorf) aan de basis stond van het protestantse diaconessenwerk. Uitgangspunt was dat zieken, armen, en behoeftigen geestelijke in eerste instantie geestelijke bijstand nodig hadden en daarbij kwam de lichamelijke zorg op de tweede plaats. Onder de indruk gekomen van het liefdewerk van vrouwelijke Doopsgezinde “diaconessen” in ons land, die aan armenzorg en huisbezoek deden, alsmede van een vergelijkbaar initiatief onder gevangenen van Elisabeth Fry en haar kring in Engeland, was Fliedner tot de overtuiging gekomen dat de vrouw een belangrijke plaats kon innemen in het kerkelijk-maatschappelijk leven en bij de verzorging en verpleging van zieken. In zekere zin herstelde deze Duitse dominee het diaconaat, dat zich geheel aan het werk van barmhartigheid gaf, zoals dat in de vroegchristelijke tijd voorkwam (1), na omstreeks 400 grotendeels overgenomen door de kloosters. [In het Byzantijnse rijk bleven vrouwelijke diakens voorbestaan tot in de negende eeuw]. In 1832 startte hij in het tuinhuis van de pastorie een opvang voor ontslagen vrouwelijke gevangenen. Met de opleiding van vrouwelijke hulpkrachten kreeg langzamerhand “de diacones” gestalte, gericht op zielzorg en praktisch-sociale arbeid. Hij omschreef hun dienst als volgt:  ‘diaconessen zijn dienaressen van de Here Jezus, om Jezus wil dienen zij de zieken, ten slotte dienen zij ook elkander.’  Zo kwam Fliedner er toe om ‘vrouwen die hun geloof in daden wilden vertalen dienstbaar te maken voor de verkondiging van het Evangelie en de leniging van sociale en medische noden.’  Hij stichtte een “Moederhuis”, dat als centrum van sociale activiteit fungeerde, een opleidingstehuis van waaruit vrouwen hun liefdewerk ter hand namen. De moederhuisdiaconie van Fliedner verspreidde zich over Duitsland en andere landen. Naast het genoemde asiel kwam er een breischool en een bewaarschool en in 1836 is in een verlaten fabrieksgebouw te Kaiserswerth een ziekenhuis ingericht. Bij de openstelling op 13 oktober beschikte hij over slechts 6 lakens en was er één zieke, maar na enkele maanden waren dat er al 60, namen de fondsen toe om het werk te financieren en meldden zich steeds meer vrouwelijke diakenen aan

Fliedner eiste van de verpleegsters-diaconessen geen gelofte, wel werden zij ingezegend en verbonden de zusters zich om tenminste vijf jaar in het werk te blijven. Zij ontvingen een klein zakgeld en als kleur van het uniform koos hij voor blauw, omdat zwart te neerdrukkend zou overkomen op de zieken. Bekend werd de witte muts, waarvan de banden in een grote strik onder de kin was geknoopt. Op het diaconesseninsigne kwam het opschrift: “Domino hominibusque” [= voor de Heer en de mensen]. Als symbool van de huizen is gekozen voor de duif, een oudchristelijk zinnebeeld. Fliedner wist het diaconessenwerk te bundelen in het “Rheinisch-Westfälische-Diakonissenverein”. Kaiserswerth aan de Rijn werd de basis van talrijke diaconessenhuizen in binnen- en buitenland (2).

Florence Nightingale (1820-1910), die de eretitel draagt “grondlegster van de moderne ziekenverpleging’, bezocht in 1850 en 1851 de Diaconessengemeenschap in Kaiserswerth en schreef vooral dankzij ds. Fliedner en zijn echtgenote Frederika Münster haar roeping als diacones en verpleegster te hebben begrepen. Het nog bestaande “Diakoniekrankenhaus” – het eerste van alle diaconessenhuizen – is naar Florence Nightingale vernoemd.

Bij het overlijden van Fliedner in 1864 telde men ruim 30 diaconessenhuizen met ongeveer 1.600 diaconessen, van wie er ongeveer 425 vanuit het Moederhuis in Kaiserswerth kwamen, verspreid over meer dan 100 posten in 4 werelddelen. Een halve eeuw later groeide het aantal diaconessenhuizen wereldwijd uit tot zelfs 286.

Ontmoedigende ervaringen als regentes van het St.Elisabeth’s Gasthuis

In 1873 werd Anna J.M. Teding van Berkhout, na enige tijd als verpleegster in het stedelijk gasthuis te Den Haag werkzaam te zijn geweest, benoemd tot lid, vervolgens presidente, van het Comité voor Ziekenverpleging te Haarlem. Een volgende stap was haar aanstelling als regentes van het Groote of St. Elisabeth’s Gasthuis in haar geboorteplaats. In het Haarlemse ziekenhuis, dat zij talrijke malen bezocht, werd zij geconfronteerd met in haar ogen ouderwetse en ontoelaatbare toestanden. Van “nazorg” was volstrekt geen sprake. De verpleging beperkte zich voornamelijk tot oppassen en werd verricht door personen die volstrekt niet op hun taak berekend waren. Het kwam voor dat  de aan het gasthuis verbonden geneesheer even langs  kwam en aan de dienstdoende oppasser vroeg of zich nog iets bijzonders had voorgedaan, om vervolgens zonder een bezoek aan de zieken weer te vertrekken. Haar voorstellen tot verbetering van de zorg en verpleging leidden slechts tot onbegrip bij het zittende college van heren regenten, die niet gediend waren van deze kritiek. In haar autobiografie maakt ze gewag van ‘veel strijd en ontmoedigende ervaringen.’ Met weinig woorden kon ze veel uitdrukken, zoals ‘Ik had niet de medewerking die ik begeerde’.  De onvoldoende steun om tot vernieuwingen te komen was voor haar reden zich in maart 1877 uit het college van regentessen terug te trekken. Aan haar ontslagaanvrage voegde zij in de rekestvorm toe: ‘De reden van dit besluit ligt in de onmogelijkheid die zij meer en meer inziet om als regentesse van eenig nut te zijn. Het verschil van inzigt tusschen de Heeren Regenten en haar, dat zij steeds hoopte te zien verdwijnen, blijft bestaan en zij kan het niet langer als haar pligt achten in het bestuur eener inrichting te zijn, die, volgens haar oordeel, zóó weinig aan de bestemming blijft beantwoorden. Het is niet zonder leedwezen dat zij een taak laat varen die zulk eene bijzondere aantrekkelijkheid voor haar heeft en die zij, onder betere omstandigheden, gaarne naar haar beste weten zou hebben willen voortzetten.’

Dr. Kersbergen, geschiedschrijver van het St. Elisabeth’s Gasthuis (zie lit. opgave) merkt op dat freule Teding van Berkhout elders in Haarlem zelfstandig haar zegenrijke werk voortzette en dat het zeer spijtig is dat haar grote organisatietalent en bezielende leiding nu juist niet in het Haarlemse gasthuis van de Thüringse Sinte Elisabeth tot ontplooiing mocht komen!  Pas met de komst in 1891 van zuster J.van Heukelom als directrice zijn in samenwerking  met dr.B.J.Kouwer de hoognodige verbeteringen op het gebied van de ziekenverpleging bij het Grote Gasthuis doorgevoerd (3).

(1) In de vroegchristelijke kerk waren diaconessen weduwen of jonge (ongetrouwde) vrouwen die de wijding der handoplegging hadden ontvangen en de armen en zieke vrouwen verpleegden.

(2) Op 22 maart 1874 schreef zij namens de andere regentessen ‘dat haar bij de inspectie van de zieken gebleken was, dat de oppasseres in de bovenvrouwenzaal ten eenenmale ongeschikt was voor hare betrekking. Genoemden dag toch was zij zooals in den laatsten tijd helaas meermalen gebeurde, geheel onder den indruk van de treurige ziekte waarmede zij heeft te kampen. Daargelaten dat wij oprecht medelijden hebben met den toestand der oppasseres mag een ziekelijk medelijden ons toch het belang van 10 aan hare zorgen toevertrouwde zieken, niet uit het oog doen verliezen. Dikwijls buiten staat om te spreken dus nog veel minder om te handelen, moeten de zieken zich onderling helpen of hulp vragen van beneden, waar toch met de tegenwoordige vele ziekten in de vrouwenzaal geen oppasseressen kunnen gemist worden. Bovendien wekt de angst die de ziekte van de oppasseres bij de patiënten veroorzaakt zonder twijfel zeer nadeelig op de genezing van dezen, en zou dus naar onze bescheiden meening op dien grond alleen reeds zulk eene oppasseres niet in functie mogen blijven.’

(3) ‘Zuster Van Heukelom en zr. Hoog (Diaconessenhuis) gaven elkaar geen duimbreed toe en dankzij hun onderlinge wedijver stegen beide ziekenhuizen in korte tijd tot grote hoogte. Al rond de eeuwwisseling hoorden beide verpleegstersopleidingen bij de top in Nederland’ (Henk Reinders en Alexander de Bruin, zie lit.opgave).

Het begin in 1874: Nieuwe Gracht 90

Jonkvrouw Teding van Berkhout nam het besluit haar geërfde zomerhuis in Bloemendaal op te geven en daarvoor in de plaats een huis aan de Nieuwe Gracht nummer 90 met een grote tuin in Haarlem te betrekken. Al meteen in het najaar van 1874 nam zij enkele patiënten op, die onder medisch toezicht van de Haarlemse arts dr. S. Posthuma kwamen. Hoewel pas later als zodanig genoemd was daarmee het derde Diaconessenhuis in ons land een feit, na Utrecht (1844) en Den Haag (1865) (1). Ondanks vele zorgen die de pionierstijd van een ziekeninrichting onvermijdelijk met zich meebracht waren er ook lichtpunten. ‘Ik geniet van de trouwe medewerking en de vriendschap van Ds. A.W.Bronsveld, van den Heer T.M.Looman, die onze zieken bezoeken en bijbellezingen voor onze zieken en huisgenooten komen houden.’  Ofschoon zij meende dat zij meer op zich nam dan ze kon dragen, volhardde ze dankzij de kracht van haar vast geloof. In tegenstelling tot wat in het St. Elisabeth’s ziekenhuis gewoonte was volgde zij het verloop van de personen wanneer deze thuis waren teruggekeerd.

In 1879 heeft zij een uiteindelijk mislukte poging ondernomen om twee epileptische meisjes tussen de “gewone” patiënten te plaatsen. Dat was geen succes. Eén lastig kind, die teveel stoornis gaf op de ziekenzaal, moest vervolgens naar een zwakzinnigeninrichting. Het andere meisje werd naar “Bethel” overgebracht, een destijds befaamde instelling voor lijders aan epilepsie in Bielefeld, die onder leiding stond van de befaamde Duitse filantroop Friedrich von Bodelschwing.

Epilepsie: Zoar, Bethesda-Sarepta, Meer en Bosch

Via de Réveilkring kwam ze in contact met dominee en filantroop O.G.Heldring, de directeur der Stichtingen te Zetten. Die overtuigde haar tevens iets te ondernemen voor de lijders aan vallende ziekte, tot dan voornamelijk verpleegd in het krankzinnigengesticht “Meerenberg” in Santpoort. ‘U moet dit doen…heusch, het ligt op uw weg’, zou hij haar gezegd hebben. Daartoe bracht zij eerst een aantal bezoeken aan de Inrichting voor Epileptischen “Bethel” te Bielefeld, waar men tevens (welgestelde) patiënten uit Holland verpleegde. Een bekend medicus ontraadde de freule zo’n afzonderlijke instelling in het leven te roepen, omdat ze met onvoorziene problemen zou worden geconfronteerd. Bezwaren zouden onder meer zijn de hoge kosten en het gegeven dat deze mensen toch niet te genezen waren. Toen sprak freule Anna de fiere woorden ‘en ik doe het tòch…’ Al op 29 december 1881 zag met medewerking van een aantal anderen de “Christelijke Vereeniging voor de Verpleging van Lijders aan Vallende ziekte” te Haarlem als rechtspersoon het licht. Bevlogen voorzitter was dr.E.Barger en J.Bierens de Haan fungeerde als secretaris.De doelstelling was vastgelegd in het bestuursbesluit van die dagen, namelijk een inrichting te openen voor behoeftige vrouwen en meisjes die vijf gulden per week konden betalen.

In de tuin van haar huis aan de Nieuwe Gracht nabij de Parklaan liet de freule een gebouwtje verrijzen, dat zij de bijbelse naam “Zoar” (= klein, nietig) gaf, met beneden een grote zaal en een kleine kamer, alsmede een keuken en boven kleine slaapkamers. Er was aldus plaats voor maximaal 8 vrouwelijke patiënten. Via de Parklaan aan de achterzijde van de tuin kwam een aparte ingang. [Thans nog anno 2005 in de Parklaan is “Zoar” als woonhuis in gebruik].

Op 1 mei 1882 geopend, werd twee dagen later de eerste patiënte opgenomen. Spoedig waren alle acht plaatsen bezet en in het eerste jaar moest men reeds 45 aanvragen weigeren. Een probleem was het vinden van geschikt personeel. Zusters die zich aanmeldden werden eerst naar Bielefeld gestuurd om het omgaan met epileptici te leren en 1 zuster kwam uit het Duitse instituut naar Haarlem om het werk op gang te helpen. Een praktisch probleem was de beperkte ruimte, waarbij iedereen aan één tafel zat, wat tot prikkelbaarheid leidde. Het kwam daarom voor dat een verpleegde wegens onhandelbaarheid moest worden weggestuurd.

Bethesda-Sarepta in Haarlem

Bethesda-Sarepta in Haarlem

Een interne zendingsbijeenkomst 'Onze Dag' op Betheda-Sarepta te Haarlem

Een interne zendingsbijeenkomst ‘Onze Dag’ op Betheda-Sarepta te Haarlem

Na 2 jaar is op 2 mei 1884 het gebouw “Bethesda”, dat wil zeggen Huis van Barmhartigheid,  geopend, tussen de Meesterlottelaan en de Hazepaterslaan, op de plaats waar voordien een bollenveld lag met in het midden een tuindershuisje. In 1888 gevolgd door een nieuw en groter paviljoen met de naam “Sarepta” [letterlijk betekend: ijzeroven of smeltkroes, maar figuurlijk beproevingsplaats].

Vanwege de praktische problemen is in 1885 voor de som van ƒ 25.000,- de buitenplaats Meer en Bosch aangekocht, enkel bedoeld voor jongens en mannen. In 1889 werd in Heemstede het paviljoen “Salem” [= Vrede] ingewijd.

Zusterverplegers in de tuin van Bethesda-Sarepta

Zusterverplegers in de tuin van Bethesda-Sarepta, 1911

Daarmee heeft freule Teding van Berkhout de basis gelegd voor Bethesda-Sarepta in Haarlem en Meer en Bosch te Heemstede waar de opgenomen patiënten werden verpleegd door Broeders ofwel Diaconen naar het voorbeeld van de Duitse protestantse Broederhuizen.

Paviljoen 'Sarepta' in Haarlem

Paviljoen ‘Sarepta’ in Haarlem

Bethesda in Haarlem

Bethesda in Haarlem

Bethesda paviljoen 'Silo' in Haarlem

Bethesda paviljoen ‘Silo’ in Haarlem

Bethesda-Sarepta in Haarlem: kinderkamer

Bethesda-Sarepta in Haarlem: kinderkamer

Bethesda in Haarlem met personeel

Bethesda in Haarlem met personeel

Prieel in tuin Bethesda-Sarepta, Haarlem

Prieel in tuin Bethesda-Sarepta, Haarlem

Bethesda-Sarepta: ziekenzaal

Bethesda-Sarepta: ziekenzaal

Bethesda-Sarepta, Haarlem: conversatiezaal

Bethesda-Sarepta, Haarlem: conversatiezaal

Tijdgenoten herinneren zich dat de jonkvrouw alle voorkomende werkzaamheden meedeed en er niet voor terugschrok de handen uit de mouwen te steken om de zalen te dweilen. Voor de diaconessenziekeninrichting vond de freule een goede leiding in zuster Hoog, voor Bethesda-Sarepta zuster A.A. Breda Kleinenberg (van 1895-1923), voor Meer en Bosch dominee L.H.F.Creutzberg (in 1890 opgevolgd door dr. J.L.Zegers). Van de Christelijke Vereniging voor de Verpleging van Lijders aan Vallende Ziekte [later gewijzigd in Epilepsie (2)] is de oprichtster in 1890 tot erelid benoemd.

Aandacht voor een professionele verpleegopleiding

Met de verhuizing naar de Hazepaterslaan in 1887 had een reorganisatie plaats en trok “freule Anna”, die intern het predikaat kreeg van “Geliefde Moeder van ons Huis” zich terug uit de vereniging voor lijders aan vallende zieken, maar bleef  bestuurslid van het Diaconessenhuis tot haar overlijden. In artikel 3 van het handgeschreven Huishoudelijk Reglement voor het Diakonessenhuis” staat hierover opgemerkt: ‘Tot het bestuur behoort voor het tegenwoordige ook de Moeder, die hoewel Stichtster, haar uitdrukkelijk verlangen te kennen gegeven heeft, als eenvoudig lid in ’t Bestuur zitting te nemen.’

De stormachtige uitbreiding dreigde haar boven het hoofd te groeien. Door mensen die haar gekend hebben wordt ze omschreven als doorzettend en eigenzinnig, met een warm hart en begaafd, maar ook gesloten en weinig mededeelzaam. Vooral in het begin leek het haar overigens moeilijk de leiding aan de intussen gevormde besturen van beide inrichtingen over te laten. Teneinde voldoende afstand te kunnen nemen ging zij soms langdurig op reis naar het buitenland, wat niet iedereen werd begrepen. De directeur van “Meer en Bosch”, de heer Zegers, die haar persoonlijk goed gekend heeft omschreef het loslaten van bemoeienis met het algemeen en speciaal ziekenhuis, dat bij sommigen verwondering wekte, als volgt: ‘Voor haar zelve stond het echter vast, dat het alzoo moest. Hare tegenwoordigheid zou anderen slechts in de vrijheid van handelen belemmeren. Het kostte haar veel. Het was een daad van zelfverloochening, de kinderen die zij liefhad, los te laten en het is later wel gebleken, dat de stichtingen toch steeds hare gedachten in beslag bleven nemen.’.

Vanaf het begin achtte ze behalve de opleiding tot diacones die van gekwalificeerd verpleegster van essentieel belang om de ziekenzorg op een hoger peil te brengen. Als boegbeeld van de Nederlandse verpleging wordt vrij algemeen Anna Reynvaan (1844-1920) beschouwd, die tot de eerste lichting verpleegsters behoorde welke in 1880 het Witte Kruisdiploma behaalde. Eenmaal gediplomeerd ontvingen de zusters een ivoren wit kruisje, een insigne. [Pas in 1921 kwam er een door de overheid erkende verpleegopleiding]. Uiteindelijk bracht ze het tot (adjunct-)directrice in het Amsterdamse Buitengasthuis, één van de voorlopers van het huidige AMC. Evenals Anna Teding van Berkhout staat zij aan de wieg van de professionalisering van de verpleging. Op hun initiatief, evenals van jonkvrouw Jeltje de Bosch Kemper. werd in 1893 de “Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging” opgericht. De doelstelling was te komen tot één landelijke opleiding voor verpleegsters en de bevordering van de ziekenverpleging in Nederland in de meest ruime zin. Deze bond zorgde voor een goede opleiding van vrouwen, aanvankelijk van tussen de 30 en 35 jaar van ‘goed zedelijk gedrag en gezondheid en in het bezit van een algemeene beschaving.’ Op 15 september 1893 studeerden de eerste vijf dames af. De vereniging is in 1963 geliquideerd.

Haar levensavond en overlijden

In november 1894 verhuisde de freule naar het adres Parklaan 19, maar toen haar gezondheid achteruitging betrok ze een paar kamers in één van de huizen aan de Hazepaterslaan. Op haar bovenachterkamer had ze daar uitzicht op haar geliefd Bethesda en regelmatig ontving ze patiënten om met hen lief en leed te delen en herinneringen op te halen aan de oude tijd. Toch bleef ze niet slechts stilstaan in de tijd, zoals blijkt uit een brief van 3 september 1896 waarin ze uitbreiding en vernieuwingen toejuicht: ‘voor een Diaconessenhuis vooral is stilstaan, achteruit gaan.’ Het zilveren jubileum van beide ziekeninstellingen in respectievelijk 1899 en 1907 heeft de pionierster van deze inrichtingen nog mogen beleven. 25 jaar nadat de jonkvrouw met haar ziekenverpleging in haar huis aan de Nieuwe Gracht was begonnen heeft H.M.koningin Wilhelmina haar begiftigd met de ridderorde van Oranje-Nassau. Haar leven lang eenvoudig gebleven achtte zij zelf deze eer veel te groot, te meer daar ze al enkele jaren haar werk als geëindigd beschouwde. Allen die wisten hoeveel werk zij verricht had gunden haar deze koninklijke erkenning. In 1907 al kon zij vanwege haar constitutie niet meer aan de feestelijkheden deelnemen. Bij die gelegenheid  kwam de eerste patiënt van mei 1882 haar een lauwerkrans aanbieden, die eerst aan het zittende bestuur was aangeboden, maar dat meende terecht dat deze krans uitsluitend de stichtster van de Vereniging toekwam. Tot het einde bleef ze helder van geest maar de laatste levensmaanden was ze fysiek volstrekt hulpbehoevend. Toch zag ze als lichtpunt dat het lijden van anderen soms groter was dan het hare. Op 76-jarige leeftijd kwam het eind aan een vruchtbaar leven, waarvan zoals necroloog J.L. Zegers opmerkte: ‘de betekenis met den dood niet is geëindigd.’ De uitvaartdienst had  plaats op 29 juli 1909 in de kapel van de inrichting voor vrouwen die lijden aan vallende ziekte. Zoals eerder in 1856 van haar vader werd haar stoffelijk overschot begraven op de begraafplaats aan de Kleverlaan [grafnummer 61; Schoterweg gesloten gedeelte]. Het nagelaten vermogen bedroeg volgens C. Schmidt (zie lit.opgave) destijds meer dan 400.000 gulden. Bij haar overlijden bedacht ze beide stichtingen met legaten van een halve ton, waarbij het Zusterhuis ƒ 10.000,- en het Diaconessenhuis ƒ 40.000,- ontving.

(1) In 1983 waren in  Nederland nog  94 instituten aangesloten bij de “Christelijke Vereniging van Ziekenhuizen en Diaconessenhuizen”. Er zijn in Nederland Diaconessenziekenhuizen geweest  in Groningen (1887), Leeuwarden, Emmen, Arnhem, Amsterdam (Luthers 1886, Hervormd vanaf 1891), Hilversum (1900), Haarlem (1874), Rotterdam (1893), Den Haag (Bronovo) (1865), Gouda, Breda (1890) en Eindhoven. Anno 2005 zijn er van de huidige omstreeks 100 algemene ziekenhuizen nog 4 met de naam Diaconessenhuis: in Meppel, Voorburg, Leiden en Utrecht (+ locatie Zeist). (1844).

(2) Tegenwoordig Stichting  Epilepsie Instelling Nederland (SEIN) geheten.

Het oude herenhuis van Meer en Bosch dat als directie- en kantoorruimte door het instituut in gebruik werd genomen.

Het oude herenhuis van Meer en Bosch dat als directie- en kantoorruimte door het instituut in gebruik werd genomen.

===================================================================

Herinneringen van tijdgenoot  dr .A.W. Bronsveld, van 1868 tot 1880, hervormd predikant in Haarlem, aan jonkvrouw Teding van Berkhout

‘Tot de leden der Haarlemsche Gemeente, wier nagedachtenis ik in de grootste eere houd, behoort Jonkvr. Anna Teding van Berkhout. Leefde zij nog – ik zou hier niets van haar durven zeggen; haar groote bescheidenheid zou het beslist euvel duiden. Thans voldoe ik aan een drang des harten, als ik van haar arbeid iets mededeel. Toen haar moeder was overleden, en zij over haar tijd beschikken kon, heeft zij zich bekwaamd in ’t verplegen van zieken te Kaiserswerth in de inrichtingen van Fliedner, en te ’s-Gravenhage onder de leiding van Dr. van Tienhoven. Zij kwam daarna weer te Haarlem wonen, en stelde een gedeelte van haar huis beschikbaar voor ongeneeslijk kranken, vooral voor lijders aan kanker. Ik hield er elken Maandag-namiddag een bijbellezing. Zij werd trouw bijgestaan door zuster Suze van Baarda.

Bij freule Teding v. Berkhout is het plan opgekomen, om iets te doen voor de lijders van vallende ziekte. En wie thans de inrichtingen bezoekt te Haarlem en Heemstede, en ziet, hoe het lot van de ongelukkigen, die door deze vreeselijke ziekte bezocht zijn, wordt verzacht, hij noeme dankbaar den naam der edele vrouw, zonder wier initiatief dit werk van barmhartigheid misschien niet zou aangevangen zijn.

Ook heeft zij door een vorstelijk geschenk den stoot gegeven tot de stichting van het Haarlemsche diakonessenhuis. Voor zichzelve had zij zeer weinig behoeften; zij leefde zeer eenvoudig. Van lof en eer was zij in hooge mate afkeerig, daarom verblijdde het ons dat onze Regeering haar het ridderkruis schonk.’

 =========================================================

Van Christelijke Ziekenverpleging aan de Nieuwe Gracht  naar het  Haarlems Diaconessenhuis, Hazepaterslaan 24

Jonkvrouw Teding van Berkhout startte haar heilzame werk met Suze van Baarda, de eerste diacones in Haarlem, feitelijk “rechter- en linkerhand” van de freule. Zij hield zich ook bezig met de verpleging van epileptici en was één van de eerste gediplomeerde verpleegsters in ons land. [In 1883 waren er in Nederland nog slechts 9]. Spoedig volgde zuster Neeltje Klaassen.Voorts kwam de hulp en toewijding van de hoogstaande dokter dr. Posthuma als een levensgeschenk. De allereerste patiënt was een jongetje met een heupziekte die uit het St. Elizabeth’s ziekenhuis als ongeneeslijk was ontslagen en thuis alle nodige zorg miste. Binnen korte tijd waren 5 andere personen opgenomen. Omdat het huis spoedig te klein werd was zij dankbaar in de gelegenheid te zijn een aangrenzend pand te kunnen aankopen. Beide huizen werden nu door tussendeuren verbonden en de tuinen verenigd. In 1882 kwam de later algemeen gewaardeerde Zuster A.L.Hoog (1841-1931) in de ziekeninrichting werken. Vanwege haar organisatorische capaciteiten zou ze 5 jaar later bij de verhuizing naar een nieuw ziekenhuis als besturende zuster de leiding overnemen en deze functie tot haar 72e levensjaar in 1913 bekleden. Omdat er gewerkt met goed opgeleide zusters ontwikkelde het hospitaal zich tot een voorbeeld in het land voor andere en nieuw op te richten instellingen. In de begintijd waren het in hoofdzaak vrouwen uit betere kringen die geraakt waren door de ideeën van het Réveil en zich als diacones hebben aangemeld. De diaconessenhuizen kenden niet de titel directrice, maar in plaats daarvan die van Besturend Zuster, hoofd van de “Zusterkring” en belast met de dagelijkse leiding.

Vanaf 1882 ging jonkvrouw Teding van Berkhout  zich steeds meer bezighouden met de oprichting van een apart ziekenhuis ten behoeve van lijders aan vallende ziekten. Zuster Hoog, bij haar medezusters vereerd als “Moeder Hoog”, was voordat zij zich helemaal aan het diaconessenwerk wijdde hoofd geweest van een door haar opgerichte bijzondere school voor meisjes in de Jansstraat. Nadat de zusters Suze van Baarda en Neeltje Klaassen in augustus 1882 bij een ernstig spoorwegongeluk nabij Vogelenzang waren geroepen om gewonden te verzorgen werden zij in het ziekenhuis afgelost door jonkvrouw Teding van Berkhout en Aletta Hoog, die toen het besluit nam als diacones te blijven. Als zodanig was ze intensief betrokken bij de bouw en verhuizing naar een nieuw pand in de Hazepaterslaan.

Medische ontwikkelingen

Naast dokter S. Posthuma, die in 1895 kwam te overlijden, was dr. J.H.Lodewijks als arts aan het nieuwe ziekenhuis verbonden, zowel voor de geneeskundige als chirurgische praktijk. Met de gemeente Haarlem kwam een overleg tot stand over de opname van “stadspatiënten” waarvoor in het E.G. geen plaats meer was, nadat twee zieken met schurft naar het Diaconessenhuis waren overgebracht. Het stadsbestuur wees toen een verzoek om een financiële bijdrage nog van de hand, maar uiteindelijk is overeenstemming bereikt over opname tegen een tarief van 1 gulden. In deze periode is voorzichtig gestart met een polikliniek, welke functie van jaar tot jaar aan betekenis toenam. In 1899 is blijkens het jaarverslag liefst 512 maal geneeskundige hulp verleend en 624 keer een verband aangelegd. Voorts is door de geboren Fries dr. J. Waller Zeper een polikliniek voor oog-, oor- en keelziekten begonnen. Een combinatie die later is gescheiden in de specialismen oogheelkunde, en keel-, neus- en oorspecialisatie. Bij de eeuwwisseling wordt de aanschaf van een röntgentoestel gemeld. In 1902 is naast de besturende zuster als directrice tevens een predikant-directeur aangesteld, dominee F. Kampstra die na bijna 11 jaar is opgevolgd door dr.J.H.Gunning J.Hzn. Pas in 1930 deed de eerste geneesheer-directeur zijn intrede, die managementtaken combineerde met zijn werkzaamheden als internist.

Een nieuw ziekenhuis

Na 13 jaar moest hoognodig worden uitgezien naar een groter en moderner ziekenhuis. De keuze viel op een terrein aan de Hazepaterslaan bij de Haarlemmerhout. De oude Hazepaterslaan, vernoemd naar Haesje Pater, die hier in de 17e eeuw op een hoeve woonde, is de verbindingsweg tussen de Wagenweg en de Dreef. Nabij het nieuwe ziekenhuis was in de Meesterlottelaan en Hazepaterslaan nummer 41 “Bethesda-Sarepta” voor epileptici gesitueerd. Als architect van het Diaconessenhuis was de jonge C.B. Posthumus Meyjes sr. (1859-1922)  aangetrokken, die al een stationsgebouw in Delft op zijn naam had staan en later verscheidene gebouwen in het centrum van Amsterdam ontwierp, welke inmiddels als beschermde jonge rijksmonumenten zijn aangewezen. De kosten van de bouw kwamen vrijwel volledig voor rekening van de freule en de tekorten van de jaarlijkse exploitatie dekte zij uit haar vermogen. Besloten werd tot samenwerking met de epilepsiekliniek en met één zusterkring verplichtte het Diaconessenhuis zich tot het verstrekken van diaconessen voor verpleegkundige zorg. Vanwege de gevreesde dominante rol vanuit het Diaconessenhuis ten opzichte van Bethesda-Sarepta zijn beide verenigingen 4 jaar later hun eigen weg gegaan.

Het zogeheten “oude huis”, in de loop der jaren steeds weer uitgebreid, begon bij de feestelijke inwijding op 31 augustus 1887 met 25 bedden (1).  Van de ‘nette en doelmatige’ operatiekamer is de eerste zestien maanden ongeveer dertig maal met succes gebruik gemaakt voor o.a. amputaties van knie, dijbeen, een teen (bij een vrouw met suikerziekte), negen maal ter verwijdering van een staar en een operatie wegens blaasstenen. Spoedig volgden buikoperaties, bijvoorbeeld vanwege darmafsluitingen, die echter helaas niet goed afliepen.  In de begintijd deden zich helaas twee gevallen van erysipelas (wondroos) voor, die klaarblijkelijk aan het jodoformgaas moesten worden geweten (beide patiënten waren met hetzelfde gaas verbonden), maar spoedig  kende men de ware aard van deze complicaties. Al drie jaar na de oplevering van het kernhuis deed zich ruimtegebrek gelden, met name voor logies en een huiskamer voor de diaconessen. Op 13 mei 1890 was een belangrijke bestuursvergadering gepland over de aankoop van grond voor nieuwe aanbouw. Freule Teding van Berkhout verbleef op dat moment in een kuuroord te Wiesbaden. Enkele dagen voor de bestuursbijeenkomst stuurde ze een brief waarin ze haar invloed aanwendt. Ze geeft aan dat nu ongeveer ƒ 8.000,-  bijeen is, de helft van het benodigde kapitaal, men de kans niet voorbij moet laten gaan grond aan te kopen en bestek laten opmaken, opdat  ‘onze zusters tegen den winter een goed onderkomen hebben, indien er tegen half Juni of uiterlijk 1 Juli met bouwen niet begonnen kan worden?’ Op de vraag waar het ontbrekende geld vandaan zou moeten komen, beantwoordde ze deze met een wedervraag: ‘Waartoe dient ons geloof indien wij er niet in zulke nooden op durven steunen?’ Dat de freule niet van dralen hield moge blijken uit het feit dat ze voor de plaatsing van het gebouw bij haar vertrek een schets aan zuster Hoog ter hand had gesteld, die de nodige mondelinge toelichting zou kunnen geven. Nadat in 1891 een houten barak voor de verpleging van kinderen was gebouwd, vond op 31 augustus 1894 de opening plaats van het zogeheten Nieuw Huis met 71 bedden. In 1899 volgde de ingebruikneming van een nieuwe ziekenzaal voor 97 bedden. Al in een brief van 1 juli 1889 had jonkvrouw Teding van Berkhout toegezegd jaarlijks een bedrag van vijfduizend gulden aan het Diaconessenhuis te schenken. Bij beschikking van 8 april 1893 kwam hierin voor het ziekenhuisbestuur een gunstige wijziging. De freule stelde in één keer voor verdere grondaankoop en bebouwing een bedrag van 100.000 gulden beschikbaar, terwijl de jaarlijkse donatie toen werd gesteld op ƒ 1.500,-.

Na vele verbouwingen en uitbreidingen is het Diaconessenverhuis in 1974 verhuisd naar een geheel nieuw ziekenhuis nabij het Spaarne in de Schouwbroekerpolder, gemeente Heemstede.

In 1989 vond een fusie plaats met de Mariastichting, sindsdien Spaarne Ziekenhuis geheten, sinds eind vorig jaar tussen Heemstede en Hoofddorp in de gemeente Haarlemmermeer gesitueerd.

(1) Naar het nieuwe Diaconessenhuis, het Spaarne Ziekenhuis in Heemstede zijn 2 eerste stenen overgebracht na afbraak van het gebouwencomplex aan de Hazepaterslaan (waar na afbraak in 1980 een appartementencomplex verrees). Op de ene gedenksteen met de tekst: ‘Gebouwd in 1887 door de Stichter Jonkvrouwe A.J.M.Teding van Berkhout’ .Op de tweede steen afkomstig van Hazepaterslaan 24A: ‘Op heden den 2e  augustus 1893 werd deze Gedenksteen gelegd door Anna Barones van Lynden oud 9 jaar bij den aanbouw van dit Diaconessenhuis. Psalm ‘27: 1,2’.

Bronnen en literatuuropgave

– Archief Diaconessenhuis: Spaarne Ziekenhuis Heemstede.

– A.W.Bronsveld. Souvenirs. 1918. Zie ook; Tijdgenoten over Haarlem IX. In: Jaarboek Haerlem 1979. 1980, pp.13-14.

–  A.van Hoogstraten-Schoch. “En ik doe het tòch”. In: Menschen in de schaduw. ’s-Gravenhage, 1939, pp.175-198.

–  M.E.Kluit. Het Protestants Réveil in Nederland en daarbuiten 1815-1865. Amsterdam, 1970.

–  L.C.Kersbergen.  Geschiedenis van het St.Elisabeth’s of Groote Gasthuis te Haarlem. Haarlem, 1931.

–  Henk Reinders en Alexander de Bruin. Op weg naar het Kennemer Gasthuis. Haarlem, 1997

–  C.Schmidt. Om de eer van de familie; het geslacht Teding van Berkhout 1500-1950, een sociologische benadering. Amsterdam, De Bataafsche Leeuw, 1986.

–  C.H.Vernède. Geschiedenis van de ziekenverpleging. Haarlem, 1927.

–  J.L.Zegers. Jonkvr. Anna Johanna Maria Teding van Berkhout. In: Jaarboekje voor de stad Haarlem voor 1910, pp. VI-XIV.

Hans Krol

Anna van Teding Berkhoutpas tussen dr.Schaepmanlaan en Merlenhoven (Marga Klompélaan aan de Ringvaart

Anna van Teding Berkhoutpas, vernoemd naar de oprichtster van Meer en Bosch in Heemstede  tussen dr.Schaepmanlaan en Merlenhoven (Marga Klompélaan aan de Ringvaart

Zie ook: Hans Krol en Gerard Pley: Spaarne Ziekenhuis; van Diaconessenhuis en Maria Stichting tot Spaarne Ziekenhuis. Haarlem, De Vrieseborch, 2005

Anna Teding van Berkhout. Uit: Vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, samengesteld door Els Kloek. Uitgeverij Van Tilt, 2013, pagina 1038

Anna Teding van Berkhout. Uit: Vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, samengesteld door Els Kloek. Uitgeverij Van Tilt, 2013, pagina 1038

Vervolg van: Anna Teding van Berkhout, pagina 1039.

Vervolg van: Anna Teding van Berkhout, pagina 1039.

Flyer ban tentoonstelling 'Vrouwen met lef' in Historisch Museum Haarlem, 2014 Met behalve jkvr.Teding van Berkhout aandacht voor o.a. Kenau Haselaer, Judith Leyster, Hannie Schaft, Margaret Kropholler (de eerste vrouwelijke architect van Nederland) en Amy Groskamp-ten Have, destijds befaamd vanwege haar etiquette-publicaties.

Flyer van tentoonstelling ‘Vrouwen met lef’ in het Historisch Museum Haarlem van 25-1 tot 3-8 2014 met behalve aan jkvr. A. Teding van Berkhout aandacht voor o.a. Kenau Hasselaer, Hannie Schaft, Judith Leyster, Margaret Kropholler (de eerste vrouwelijke architect in Nederland) en Amy Groskamp-ten Have (destijds befaamd om haar etiquette-publicaties).

OUDE PRENTBRIEFKAARTEN VAN DIACONESSENHUIS HAARLEM

Diaconessenhuis aan Hazepaterslaan Haarlem. circa 1910

Diaconessenhuis aan Hazepaterslaan Haarlem. circa 1910

Diaconessenhuis met portier en voor het gebouw een wagen met melkbussen

Diaconessenhuis met portier en voor het gebouw een wagen met melkbussen

Achterzijde Diaconessenhuis Haarlem met torentje boven kerkzaal

Achterzijde Diaconessenhuis Haarlem met torentje boven kerkzaal

Vooraanzicht Diaconessenhuis Haarlem circa 1950

Vooraanzicht Diaconessenhuis Haarlem circa 1950

Diaconessenhuis Haarlem

Diaconessenhuis Haarlem

Nieuwe aanbouw Diaconessenhuis, Haarlem 1934

Nieuwe aanbouw Diaconessenhuis, Haarlem 1934

Jubilerende zusters van het Diaconessenhuis, 1934 (NHA)

Jubilerende zusters van het Diaconessenhuis, 1934 (NHA)

Florakliniek was kraamafdeling van het Diaconessenhuis sinds 1947. Florapark 8, Haarlem

Florakliniek was kraamafdeling van het Diaconessenhuis sinds 1947. Florapark 8, Haarlem

Scan0500

Diaconessenhuis Haarlem, Zonnehoek en Zuidvleugel III

Diaconessenhuis Haarlem, Zonnehoek en Zuidvleugel III

Overzicht tuin met barak Diaconessenhuis Haarlem

Overzicht tuin met barak Diaconessenhuis Haarlem

Open lighal van Diaconessenhuis Haarlem

Open lighal van Diaconessenhuis Haarlem

Tuin met lighal Diaconessenhuis Haarlem

Tuin met lighal Diaconessenhuis Haarlem

Tuin Diaconessenhuis Haarlem

Tuin Diaconessenhuis Haarlem

'Wilgenweelde' in tuin van Diaconessenhuis Haarlem

‘Wilgenweelde’ in tuin van Diaconessenhuis Haarlem

Keuken Diaconessenhuis Haarlem 1014

Keuken Diaconessenhuis Haarlem 1914

Kerkzaal Diaconessenhuis Haarlem

Kerkzaal Diaconessenhuis Haarlem

Patiëntenkamer Diaconessenhuis Haaelem

Patiëntenkamer Diaconessenhuis Haarlem

Glasgang Diaconessenhuis Haarlem

Glasgang Diaconessenhuis Haarlem

Vrouwenzaal III in Diaconessenhuis Haarlem

Vrouwenzaal III in Diaconessenhuis Haarlem

Diaconessenhuis Haarlem: Johannazaal in het Oude Huis

Diaconessenhuis Haarlem: Johannazaal in het Oude Huis

Diaconessenhuis Haarlem: kinderzaal

Diaconessenhuis Haarlem: kinderzaal

Kinderafdeling Diaconessenhuis

Kinderafdeling Diaconessenhuis, 1920

Diaconessenhuis Haarlem: Open boxen kinderafdeling

Diaconessenhuis Haarlem: Open boxen kinderafdeling

Mannenzaal Diaconessenhuis Haarlem

Mannenzaal Diaconessenhuis Haarlem

Diaconessenhuis Haarlem: Eetzaal

Diaconessenhuis Haarlem: Eetzaal

Diaconessenhuis Haarlem: gang in het Nieuwe Huis

Diaconessenhuis Haarlem: gang in het Nieuwe Huis

Diacones in de gang op weg naar een patiënt

Diacones in de gang op weg naar een patiënt

Verpleging in de openlucht: patiënt tussen 2 diaconessen-verpleegsters

Verpleging in de openlucht: patiënt tussen 2 diaconessen-verpleegsters

dia1

                                                                        Kinderzaal Diaconessenhuis

Diaconessenhuis: verpleging in de mannenglasgang

Diaconessenhuis: verpleging in de mannenglasgang

Dr.F.W.A.Korff, predikant in Heemstede en voorzitter van het Diaconessenhuis sinds 1929

Dr.F.W.A.Korff, predikant in Heemstede en voorzitter van het Diaconessenhuis sinds 1929

Sloop van het Diaconessenhuis Haarlem in 1982 (NHA)

Sloop van het Diaconessenhuis Haarlem in 1982 (NHA)

Sloop van Diaconessenhuis aan de Hazepaterslaan Haarlem  in 1982 (NHA)

Sloop van Diaconessenhuis aan de Hazepaterslaan Haarlem in 1982 (NHA)

Chirurg dr. van Haag en zuster Postma in dokterskamer, circa 1950

Chirurg dr. van Haag en zuster Postma in dokterskamer, circa 1950

Zusterhuis Diaconessenhuis Haarlem (postcardsfrom)

Zusterhuis Diaconessenhuis Haarlem (postcardsfrom)

Verplegingsspeld Diaconessenhuis

Verplegingsspeld Diaconessenhuis Heemstede