“Zo groot was de drang naar het bezit van een adellijk huis, dat Pieter de la Court, schepen van Amsterdam, zijn naast Berkenrode gelegen huis ‘Oud Berkenrode’ noemde, zonder dat hij daartoe ook maar het minste recht had”  (J.W.Groesbeek, 1972)

 OUD BERKENROEDE

Oud Berkenroede op de hoek van de Herenweg en Zandvoortselaan

Het 18e eeuwse op een verhoging gelegen herenhuis van deze hofstede heeft de tand des tijds doorstaan. Aanvankelijk deel uitmakend van Berkenrode en eigendom van de gelijknamige familie heeft het zich hiervan in de 16e eeuw losgemaakt. Aanvankelijk naamloos dateert de huidige naamgeving uit omstreeks 1658. In dat jaar is een strijd gevoerd over de naamgeving Oud Berkenro(e)de, betwist door de bezitters van het middeleeuwse stamslot Berkenrode. Een conflict dat onder verscheidene opeenvolgende eigenaren juridisch is uitgevochten en bij elkaar bijna een eeuw geduurd heeft. Omstreeks 1800 had Oud Berkenroede een fraaie tuin die doorliep tot de Leidsevaart. Sinds de jaren twintig van de vorige eeuw is op die locatie de Letterkundigenwijk gelegen.

Voorgeschiedenis van 1533 tot 1679

Op Berkenrode, dat al in 1284 door graaf Floris V werd beleend aan de Haarlemse familie Van Berckenrode, is in de 15e eeuw een adellijk slot gebouwd. De oudste historie van het noordelijker gelegen Oud Berkenroede, begrensd door de Gasthuislaan (ofwel Aerdenhoutslaan, tegenwoordig Zandvoortselaan geheten), gaat terug tot de eerste helft van de zestiende eeuw. De latere buitenplaats is voortgekomen uit een boerenhofstede. Pas in de tweede helft van de 17e eeuw is sprake van een buitenplaats.

De oudst bekende eigenaar is mr.Gerrit Gerritszoon van Berckenrode, Heer van Berkenrode en Schoter Vlieland. Hij was o.a. schout en burgemeester van Haarlem en overleed op 13 juni 1533. Na zijn dood ging de ambachtsheerlijkheid over op zijn oudst levende zoon Hendrik. De naamloze bezitting, het latere Oud Berkenroede werd geërfd door een dochter Haze van Berckenrode, gehuwd met Engelbrecht Willemsz. Ramp (van den Berch), telg uit een vooraanstaande Leids/Haarlemse familie, die ambten in het bestuur van de stad vervulde. Zelf was hij vanaf 1532 burgemeester van de Spaarnestad (1). Uit de echtverbintenis zijn drie kinderen geboren, waaronder Josina Ramp.   Uit een akte uit 1591 (2) blijkt dat de boerenhofstede Oud Berkenroede, in die tijd genaamd ‘Zwolsman Hofstede’ door anderen is bewoond. Van 1533-1563 worden de ouders van Pieter Corneliszoon (Zwolsman?) genoemd en vervolgens Jannetje Ewouts en haar man Sybrant Pieters van 1563 tot het beleg van Haarlem in 1573. In dat rampjaar voor Haarlem en omgeving, zijn o.a. de katholieke Mariakapel en de molen aan het Spaarne in Heemstede, alsook het adellijke slot Berkenrode verwoest. Het kasteel is in de winter van 1572/1573 door brandstichting ten dele verwoest. De boerenhofstede Oud Berkenroede bleef eigendom van de familie Van Berckenrode-Ramp. Omstreeks 1630 komen we namelijk een kleindochter van voornoemde Engelbrecht Willemszoon Ramp tegen als eigenares, namelijk juffrouw Catharina van der Maat (Maet). Zij was een nicht van Hendrik van Alkemade, een dochter van Goedela van Berckenrode. Hendrik was sinds 1649, na de dood van zijn moeder, ambachtsheer van Berkenrode. Vermoedelijk omdat de hofstede nog altijd familie-eigendom was, zijn geen overdrachtscharters bewaard gebleven. Na 1654 is Nicolaas van Hulten als echtgenoot en erfgenaam van Catharina van der Maat geregistreerd. In deze periode wordt ook (broer?) Philippus van Hulten genoemd, of is één en dezelfde persoon bedoeld? Mogelijk in plaats van de boerderij zijn twee huizen onder één dak gebouwd, waarvan er één bewoond werd door zekere Engel Corneliszoon. Na het verscheiden van Nicolaas van Hulten is de hofstede omstreeks 1657 overgegaan aan diens zoon en erfgenaam Franciscus van Hulten als nieuwe eigenaar. Deze bleef eigenaar tot 7 juli 1668. Uit die tijd dateert een oorkonde, ondertekend door schout Willem Massa en schepenen Claes Backer en Engel Pieterszoon van de ambachtsheerlijkheid Berkenrode. Franciscus van Hulten verkocht en transporteerde de hofstede met een oppervlak van 15 morgen voor ƒ 16.000,- aan Hermanus van de Nieuwpoort. Er is sprake van teel- en weilanden, maar nog niet van een recreatieve tuin. De hofstede omvat één boerenwoning. Eerst onder de volgende eigenaar kunnen we van een buitenplaats spreken. In de originele akte staat de (naamloze) hofstede als volgt omschreven: “Een hofstede, boomgaert, mitsgaders huijsmanswoning, landerijen soo teel als weijlanden, groot omtrent vijftien morgen, volgens de caerte daervan sijnde, doch bij den hoop sonder maet soo groot ende klijn, en met soodanige notwegen, servituijten van dijk, dam, vrij ende onvrijheden, alst den vercooper toe behoorende is, sonder in eenige maet gehouden te willen sijn, gelegen in de heerlicheijt van Berckenrode op de hoek van de Aerdenhoutslaan ende dat voor de somma van sesthien duijsent carolij guldens contant gelt; de huijr van de voornoemde woningh van het loopende jaer sal comen ten profijte van de cooper, van welcke somme hij comparante bekende al wel voldaen ende betaelt te zijn, den leste penning met den eersten; belovende de voorseijde hofstede, boomgaert, huijsmanswoning, teel als weijlanden in de heerlicheijt van Berckenrode gewoon is te waren en te vrijen”.

Opmerkelijk is dat de echtgenote van Hermanus van de Nieuwpoort de meer dan een eeuw eerder levende Engbrecht Willemszoon Ramp als haar betovergrootvader aanduidt. Dat betekent dat de hofstede nog altijd in handen was van rechtstreekse afstammelingen van de oorspronkelijke Van Berckenrode’s. Daaraan kwam een einde op 20 augustus 1679 toen Van de Nieuwpoort zijn bezit voor hetzelfde bedrag als de aankoop van 11 jaar eerder, te weten ƒ 16.000,- overdeed aan de Amsterdamse magistraat en koopman Jacob Backer.

Intermezzo 1: strijd om de naam Oud Berkenrode  1658-1679

In 1649 is jonkheer Hendrik van Alkemade eigenaar geworden van Berkenrode, tevens ambachtsheer van de sinds 1466 zelfstandige heerlijkheid. Via zijn moeder was hij verwant aan  Catharina van der Maat, tot 1654 eigenares van een boerenhofstede. Haar erfgenaam Franciscus van Hulten heeft, naar wordt aangenomen, de naam Oud (Out) Berkenrode geïntroduceerd. Die naam drukte men op biljetten aangeplakt op de poort waarin het publiek op een verkoping op de hofstede werd geattendeerd. Het ging de verontruste ambachtsheer Van Alkemade daarbij om het voorvoegsel “Oud” waarin hij een gevaar voor zijn heerlijke rechten zag (4). Zijn buurman heeft hij hierop aangesproken, doch naar het schijnt zonder succes. Op 5 februari 1658 stelde hij daarom een nota op waarin hij zijn heerlijkheidsrechten vastlegde. Daarin stelt hij vast dat de erven van zijn nicht een kronkel in hun hoofd hebben en dat de door hen genoemde hofstad Oud Berkenroede vroeger slechts een boerenwoning was. De pleitrede vangt als volgt aan: “Na eenige jaaren harwaers zoo hebben de erffgenamen van Nigt Joa. Catharina van der Maat, een krul of worm in den bol of kop gecregen, en hebben haar wooninge in den ban van Berkenrode gelegen bezuijden de Gasthuijs Laen en bewesten de Heeren weg, willen laten noemen oud berkenroode, ’t geen ik continueel tegen gesprooken en contrarie beweezen heb, ende altijd, tegen gesprooken moet werden, alzoo ’t Nigt Catharina van der Maats grootmoeder van ons Huijs tot Berkenrode ten huwelijk gecregen heeft, als geweest zijnde, een echte dogter uit vors. Huis” (…)”.

Hij stelt dat haar woning feitelijk binnen de jurisdictie van Heemstede en niet van Berkenrode lag (hetgeen echter later wordt ontkend). Ook laat hij weten na vaststelling dat een poster op de poort was aangebracht, waarop hij ‘Oud’ doorstreepte en verdere biljetten van de aanplakker afnam om deze te verscheuren. Op nieuwe (gezegelde) biljetten moet volgens Hendrik van Alkemade het woord ‘Oud’worden geschrapt “want daar is geen oudt of nieuw Slot of Huijs van Berkenrode meer geweest, als daar wij nu woonen. Godt geeve zijn zegen over ons en na over de volgende persoonen. Amen”. Hij laat nog expliciet weten deze memorie mede te schrijven voor toekomstige Heren of Vrouwen van Berkenrode. Toen de nieuwe eigenaar Hermanus van de Nieuwpoort voor een nieuw gebouwde poort van zijn woning aan de Herenweg zonder enig overleg het opschrift “de hofsteede Out-Berkenroede” aanbracht was voor Hendrik van Alkemade de maat vol. Het ging hem daarbij nadrukkelijk niet om “roede” (in plaats van “rode”), maar om de aanduiding “Out”. Over deze kwestie richtte hij nu een rekest aan het Hof van Holland, als gerechtshof van de Staten van Holland. Een kopie van het bewaard gebleven stuk is ongedateerd en moet dus geschreven zijn tussen 1668 en 1679. De Heer van Berkenrode geeft aan dat hij en zijn voorouders de wettige leenvolgers zijn van Jan van Haerlem en zoon Aernout van Berckenrode. Aan hen is volgens een officiële leenbrief van 1284 toegestaan de naam Berkenrode te voeren. Vervolgens beschrijft hij hoe Hermanus van de Nieuwpoort thans over “zeekere wooning” beschikt, waarbij hij schrijft dat diens echtgenote door familiebanden is geparenteerd met juffrouw Haze van Berckenrode, gehuwd met Engelbregt Willemszoon Ramp van den Berch. In welke periode een deling der goederen van ambachtsheer Gerrit Gerritszoon van Berckenrode had plaatsgevonden. Op een nieuwe poort voor hun huis aan de weg tussen Haarlem en Leiden binnen het rechtsgebied van Berckenrode is ten onrechte het opschrift Out Berkenroede aangebracht. De woning was “ende nog is (niet veel beter dan) een boerewooninge”. Hendrik van Berckenrode verzoekt dan ook deze nieuwigheid niet te gedogen, met andere woorden te verbieden “op poene van hondert dubbele goude rijders teegens den Heer van den lande te verbeuren”.  Verdere stukken ontbreken; zelfs is onduidelijk of de zaak werkelijk aanhangig is gemaakt, of dat de ambachtsheer het bij een dreigement heeft gelaten. Op dit langdurige conflict dat uiteindelijk bijna een eeuw duurde komen we verderop terug.

Bezit van regentenfamilies: Backer/Lestevenon/De la Court/Van der Hoop

Met de aankoop door Jacob Backer in 1679 volgt vooral onder Pieter de la Court een nieuwe periode van bloei en groeit de oorspronkelijke boerenhofstede uit tot een grote buitenplaats, waarvan het grondgebied zich in de richting van Heemstede uitbreidde tot de Bronsteeweg. Via vererving blijft het buiten meer dan een eeuw in familiebezit. Jacob Backer (1646-1691), burgemeesterszoon, was sinds 1672 kapitein der burgerij. Niet om het bestaande huis, maar meer vanwege de omliggende gronden betaalt hij ƒ 16.000,- voor zijn buitenbezit. Plannen om het buiten te verfraaien kon hij niet uitvoeren omdat hij al op 45-jarige leeftijd kwam te overlijden. Omdat hij ongehuwd was is Oud Berkenroede in 1691 geërfd door zijn zuster Elisabeth Backer, gehuwd met Mattheus Lestevenon (de Oude) die op 9 augustus van dat jaar is overleden.

Intermezzo 2: strijd om de naam Oud Berkenrode: 1692

Het kwam in de 17e en 18e eeuw regelmatig voor dat op gezette tijden verkopingen plaatshadden op buitenplaatsen van o.a. kaphout, bomen, gewassen, vee en roerende goederen, zoals beelden, koetsen e.d. Zo ook op Oud Berkenroede, welke naam de latere eigenaren tot ongenoegen van de ambachtsheren en –vrouwen, tevens eigenaar van de hofstede Berkenrode, hebben gehandhaafd. Op derde Paasdag van 1692 had zo’n verkoping plaats van koeien, andere beesten en enkele gereedschappen. Op de bekendmaking hebben de erven van Jacob Backer wederom de naam ‘Oud Berkenroede’gebruikt. Schout en schepenen van Berkenrode traden op verzoek van toenmalig ambachtsheer Benjamin Poulle krachtdadig op door de aangebrachte biljetten te verwijderen. Tevens maakten zij in overleg met een advocaat een akte op met de volgende inhoud: “Schout en Scheepenen van de Heerlijkheid van Berkenrode gesien en ondervonden hebbende, dat den heer Vogt van de erffgenamen van den heer Jacob Bakker zaliger, in sijn leven gewoont hebbende op sijn Hofsteede in de voorsz. Heerlijkheid van Berckenroode geleegen, bij affictie van biljetten heeft bekent gemaakt, dat hij van meeninge was op den 8 April is aanstaande (sijnde den derden Paasdag) te vercoopen eenige koejen en verdere beesten nevens eenige bouw gereetschap etc. ende dat hij de woninge van de voorsz. Heer Backer aldaar is noemende Out Berkenrode welke wooninge bij ons soodanig noijt is bekent geweest, ende dat wij oordeelen dat den heer Benjamin Poulle (Heere van Berkenrode) in sijn regt en geregtigheijd ten reguarde van het noemen van de woninge van den voorsz. Heer Backer met den naam van Out Berkenrode soude werden usurpatie en infractie aangedaan, als sijnde geen ander huijs ofte woninge in de Heerlijkheid van Berkenroode met de naam van Berkenroode bekent als ’t oude Huijs en Slot van Berkenrode hetgeene den voorn. Heer van Berkenrode in eijgendom toebehoort. Soo hebben Schout en Scheepenen voornoemd bij deezen geresolveert en goetgevonden omme redenen vorenverhaalt, de voors. Biljetten in de voors. Heerlijkheid van Berkenroode alsoo aangeplakt sijnde, wettiglijk af te scheuren en den voors. Heer Voogt hiervan kennisse te geven en hem bij deezen ook te indiceeren gelijk hem geindiceert wert bij deesen van diergelijke biljetten weder opnieuw ofte in het toekomende in de voors. Heerlijkheid van Berkenroode te doen ofte te laten aanplacken. Actum dezen 30 maart, Anno 1692. Was getekent C.Rens en Jan Dierken, Casparus Tierens, mij present J.Bronsveldt”. De volgende halve eeuw blijft het rustig, totdat in 1741 het conflict zich wederom toespitst.

De weduwe Elisabeth Lestevenon-Backer stierf in Amsterdam op 11 november 1718. Hun zoon werd erfgenaam van Oud Berkenrode. Deze Jacob Backer Lestevenon (1678-1735), getrouwd met Maria Witsen, eerde met zijn dubbele achternaam beide ouders. Zoals talrijke familieleden vervulde ook hij officiële ambten in de hoofdstad en was hij bewindhebber van de Oost-Indische Compagnie. In 1719 kocht Backer Lestevenon de aan de overzijde van de Herenweg gelegen taveerne ‘De Dorstige Kuil’ voor een bedrag van ƒ 2.850,-. Daarmee verkreeg hij een zogeheten ‘overplaets’. Jacob Backer Lestevenon overleed op 4 juni 1735. Volgens testamentaire beschikking erfde hun in 1706 in Amsterdam geboren dochter Sara Maria Lestevenon de buitenplaats. Zij was in 1726 gehuwd met mr.Pieter de la Court (1698-1775). In dat jaar is deze zoon van een bekende en veelzijdige Hollandse staatsrechtsgeleerde en econoom ook als poorter van Amsterdam ingeschreven. Deze uit een Leidse regentenfamilie geboren regent – van wie een voorvader om geloofsredenen in 1613 uit Iperen naar Leiden was uitgeweken – vervulde achtereenvolgens de functies van secretaris, schepen en in 1769 burgemeester van Amsterdam. Blijkens het belastingkohier van 1742 beschikte hij behalve over een stadshuis en buitenplaats over zes dienstboden en een koets met vier paarden. Zijn jaarinkomen werd geraamd op ƒ 20.000,- tot ƒ 22.000,-. Zijn totale vermogen bedroeg ongeveer 7 ton. Die rijkdom had hij mede aan erfenissen te danken, zoals van zijn in 1736 overleden echtgenote, die eerder enige dochter en erfgename was geweest van haar vermogende vader. Aangenomen wordt dat het huis in zijn huidige vorm in deze periode tot stand kwam. Tevens verfraaide hij de tuin met hardstenen beelden en ornamenten. In 1797 schreef H.Numan bij een tekening van het landgoed dat De la Court: “het tegenswoordige Woonhuis en het geen toenmaals nog aan de plaats ontbrak in zo verre voltooit heeft als de smaak van dien tijd vorderde”.  De belangstelling voor tuinarchitectuur had deze eigenaar van geen vreemde. Zijn vader mr.Pieter de la Court van der Voort (1664-1739) was een geslaagd lakenfabrikeur in Leiden. Diens grote passies waren tuinaanleg en verzamelen. Hij schreef een handboek dat zelfs in een Engelse en Franse editie uitkwam: ‘Byzondere aenmerkingen over het aanleggen van pragtige en gemeene Landhuizen, Lusthoven, Plantagien en aanklevende cieraden’ (Leiden, 1737). Aan tsaar Peter de Grote leverde hij de tekeningen voor de bouw van een verwarmde kas en instructies om ananassen te kweken. Als kunstverzamelaar trad hij bovendien op adviseur voor de agenten van de Russische tsaar bij kunstaankopen in Holland.

Intermezzo 3: strijd om de naam Oud Berkenrode  1741-1749

Voorzijde van Oud Berkenrode. Tekening door Hermanus Numan (1744-1820) uit 1797 (NHA)

Voorzijde van Oud Berkenrode. Tekening door Hermanus Numan (1744-1820) uit 1797 (NHA)

Blijkens een bewaard gebleven affiche, gedrukt bij Izaäk van der Vinne in de Warmoesstraat in Haarlem, had op woensdag 1 november een verkoping plaats “van een groote party swaare Ipenboomen op de hofsteede Oud-Berkenroede, gelegen buyten Haerlem, aande Aardenhoutslaan”. Geschikt voor wagenmakers. Voorts een partij schone iepenhagen te gebruiken voor brandhout. In een nota bene wordt nog opgemerkt dat kopers het gekochte hout voor 1 maart 1742 van de plaats moeten ophalen. In hetzelfde jaar liet eigenaar De la Court een nieuw ijzeren hek voor zijn buitenhuis plaatsen en is daarop de gewraakte naam ‘Out-Berkenroede’ aangebracht. De toenmalige eigenaar van de heerlijkheid Berkenrode, Mattheus Lestevenon de Jonge, was op dat moment als ambassadeur in Frankrijk. De schout nam op 1 november contact op met mr.Pieter de la Court en in overleg met de zaakwaarnemers Lambertus Crommé en Jan Kuijper is overeengekomen dat men in afwachting van zijn terugkomst de zaak zou laten rusten. Pas vier jaar later vernemen we wederom van de intussen langdurige kwestie. Op 24 juli 1745 laat de heer Lestevenon de gerechtsbode van de heerlijkheid Berkenrode aanzeggen dat de naam nu echt verwijderd moet worden, en dat in geval van weigering de zaak door hem aan het gerecht zal worden voorgelegd. Op zijn minst opmerkelijk is vast te stellen dat de gerechtsbode (een nevenfunctie) Dirk Quakernaat (Kwakernaat) als tuinman in dienst was van de ambachtsheer. [Dezelfde persoon was ook als tuinman in dienst van mevrouw Van den Bempden op het nabijgelegen Boekenrode]. Het stuk vol met juridische termen, dat aangeeft dat De la Court niet het recht heeft de naam Oud Berkenroede te voeren, heeft kennelijk weinig indruk gemaakt op de Amsterdamse magistraat, die was opgeleid in de rechtswetenschappen. Het relaas van uitreiking is op schrift gesteld. ‘s Morgens om klokke 8 uur belde de gerechtsbode aan en werd opengedaan door knecht Jan Reijnierse Pennings. Die wist al hoe laat het was en zei te vermoeden dat zijn meester niet bereikbaar was, maar dat hij zou gaan informeren. Daarna kwam hij terug om de gerechtsbode te vragen wat die te vertellen had. Kwakernaat liet weten dat hij de heer De la Court enkel persoonlijk wilde spreken. Jan Reijnierse meldde dit, doch zijn heer liet weten dat hij geen gelegenheid had aan de deur te komen en als hij iets te zeggen had dat schriftelijk moest geschieden. Toen de gerechtsbode daarop betaling voor kosten vroeg, liet de heer De la Court via zijn bediende weten dat hij het geld maar moest halen bij degene die dit “in ’t werk gesteld had”. Kwakernaat droop af, maar liet weten spoedig terug te komen. Dat gebeurde al tussen de middag. Nu deed de vrouw van Jan Reijnierse Pennings open, die mededeelde dat de heer De la Court niet thuis was. Omtrent 2 uur belde Kwakernaat weer aan op de hofstede. Hij liet zich aandienen als bode. De la Court kwam toen persoonlijk en vroeg een schriftelijke verklaring van wat te melden was. De bode had deze nu bij zich, en wenste hiervoor de gemaakte kosten te ontvangen. De eigenaar van Oud Berkenroede weigerde echter principieel te betalen. Wel stond hij toe dat de gerechtsbode het origineel zou voorlezen en een kopie achterlaten. Op de slotvraag of zijn edele zou difereren, was het antwoord van De la Court: “Ik hoor, ik zie en ik zwijg”. Op 27 juli 1745 is op het regthuis van Berkenrode proces-verbaal opgemaakt van het voorval met de voorgeschiedenis van gedrukte biljetten en naam op een ijzeren hek vanaf 1741. Opmerkelijk is dat van de al uit 1658 en 1692 daterende geschillen over de naamgeving nu niet, noch in latere stukken wordt gerept. Op 30 november 1745 betekent de deurwaarder van den Hove van Holland, Zeeland en West Friesland een mandement, waarbij De la Court wordt gedagvaard op 20 december te verschijnen. Daarbij verzoekt de heer Lestevenon aan zijn buurman, de naam Out Berkenroede te verwijderen, en nu niet of in de toekomst deze naam nog ooit aan te wenden. Op 17 december hebben beide heren een gezamenlijk stuk met bijlagen ter beoordeling overlegd aan de Hoge Raad. Op 11 januari 1746 vond de eerste zitting van de commissarissen der Hoge Raad plaats, de rechtsgeleerden Johannes Hop en Hendrik Mollerus. De heer Lestevenon liet zich bijstaan door zijn procureur Willem Hoijer en advocaat mr. Francois Ellinkhuijzen, terwijl De la Court door zijn procureur Leonard Thomeeze was vertegenwoordigd. Op 15 januari is de bekende eis gesteld door de heer Hoyer. Op deze zitting, evenals op een volgende zitting van 8 februari bleef de heer Thomeeze in gebreke te antwoorden. Twee weken later bracht laatstgenoemde wel een verweer naar voren. Daarin stelde hij dat de naam Oud Berkenroede al sinds mensenheugenis wordt gevoerd, zonder dat daartegen gerechtelijk oppositie is gevoerd. Verder dat de eiser in 1740 dagelijkse en vriendschappelijke omgang met de verweerder had en niet kon veronderstellen dat de naam afbreuk zou doen aan zijn rechten als ambachtsheer. Ten slotte dat de eiser niet bevoegd is de gehanteerde naam te verbieden. Voor repliek is toen de rechtszaak uitgesteld tot 9 maart, welke zitting uiteindelijk plaatshad op 23 maart. In een volgende zitting van 27 april is de partijen gevraagd tot overeenstemming te komen. Tijdens het proces zijn vele stukken geproduceerd, maar nergens wordt verwezen naar de al uit 1658 daterende nota van Hendrik van Alkemade, die als eerste bezwaar aantekende. Wegens gebrek aan stukken is niet na te gaan wat zich verder heeft afgespeeld. Van 27 april 1746 dateert nog een brief van procureur Hoyer, waarin deze aan Lestevenon schrijft “dat hem door de Hoge Raad is aangezegd, dat ten spoedigste schriftuur moet worden geleverd omdat anders de zaak zonder schriftuur zal worden afgedaan”. Daarna vernemen we niets meer over de affaire. Omdat noch bij de Hoge Raad vonnis is gewezen, noch in het Berkenrodearchief verdere processtukken aanwezig zijn, mag worden aangenomen dat de zaak door een schikking is beëindigd.

Jacob van Lennep schreef omstreeks 1844 als toelichting bij een litho van P.J.Lutgers, voorstellende de hofstede Oud Berkenroede: “(…)het andere, dat vroeger den naam van Oud Berkenrode droeg, doch ten gevolge van een in de vorige eeuw gevoerd regtsgeding, waarbij aan den toenmaligen eigenaar het regt betwist werd om dien naam aan de plaats te geven, door de tusschenvoeging eener e, Oud BerkenroEde is genoemd geworden”.

De naam Oud Berkenroede is blijven bestaan, al vindt ook nu nog regelmatig in de pers verwarring plaats met het nabijgelegen Berkenrode.  Dankzij een erfenis was Pieter de la Court eigenaar van drie weilanden ten zuiden van de stad Haarlem en ten noorden van de Pijlslaan, die hij in 1740 voor ƒ 11.000,- verkocht aan de Haarlemmer Willem Nicolaaszoon Kops, eigenaar van hofstede ‘Bos en Vaart’. Vier jaar later kocht hij een perceel land groot 3 morgen en 569 roeden van Vrouwe Anna Maria Ingels, weduwe van Nicolaes de la Naye. Dat land was gelegen nabij de Leidsevaart tussen de hofsteden ‘Berkenrode’ en ‘Duin en Vaart’, om preciezer te zijn: de boerderij met naam ‘Duin en Vaart’, gelegen onder Bloemendaal. Via zijn vrouw en schoonvader was De la Court ook eigenaar van de tegenover Oud Berkenroede gelegen herberg ‘De Dorstige Kuil’, formeel niet in het ambacht Berkenrode, maar in Heemstede gesitueerd. In de taveerne was een zetbaas geplaatst. In 1762  had hij problemen met het bestuur van Heemstede door zonder vergunning een aanlegplaats voor de herberg te laten aanleggen. De bouwwerkzaamheden werden stilgelegd en de steiger moest worden afgebroken. Na de dood van Pieter de la Court heeft de toenmalige zetbaas het horecabedrijf annex verhuur van rijtuigen voor ƒ 7.200,- gekocht.

In de nacht van 2 op 3 mei 1742 had op de hofstede een inbraak plaats. De dieven waren via de stal binnen gekomen, zijn naar de hooizolder gekropen en hebben met geweld de afgesloten kamer van de knecht open gebroken. Zij namen diverse goederen waaronder een snaphaan (jachtgeweer) mee. De eigenaar deed aangifte bij de baljuw en leenmannen van de hoge Vierschaar van Kennemerland en loofde een beloning van 300 gulden uit voor wie de dader(s) kon aanwijzen om deze in handen van justitie te brengen.

Ingangspartij Oud Berkenrode aan de Wagenweg. Tekening door Hendrik Tavenier (1734-1804), 1782  (NHA)

Ingangspartij Oud Berkenrode aan de Wagenweg. Tekening door Hendrik Tavenier (1734-1804), 1782 (NHA)

De la Court ontving in de zomermaanden regelmatig gasten op zijn buiten. Op 23 juni 1748 werd hij bezocht door sir Matthew Decker die in Engeland fortuin had gemaakt en in dat jaar een reis door zijn vroegere vaderland maakte. Twee dagen eerder had hij de heer Cornelis Hop op het nabijgelegen ‘Westerduin’ bezocht. In zijn dagboek schrijft Decker dat hij mijnheer De la Court opzocht. “Zijn landgoed ligt naast dat van mijnheer Hop. Ik trof er een oude kennis, mevrouw Spaan, met haar echtgenoot en veel familieleden van mijnheer De la Court. Mevrouw Spaan, geboren De la Court, was net als haar broer erg opgetogen mij te zien. Ze informeerden zeer belangstellend naar mijn familie. Beiden nodigden me uit om een paar dagen in hun huis te komen logeren” (5).

De koepel van Oud Berkenroede en links herberg de Dorstige Kuil op een tekening van Aart Schouman uit circa 1750

De koepel van Oud Berkenroede en links herberg de Dorstige Kuil op een tekening van Aart Schouman uit circa 1750

Na het overlijden van zijn echtgenote hertrouwde Pieter de la Court in 1739 met de Leidse regentendochter Alida Maria Pompe van Meerdervoort. Ook haar overleefde hij omdat zij in de zomer van 1761 op 55-jarige leeftijd op Oud Berkenroede overleed. In 1768 tekende Pieter de la Court met de andere eigenaars, huurders en bewoners van hofsteden, huizen en landerijen onder Berkenrode gelegen aan de straatweg van  ’s-Gravenhage naar Haarlem bezwaar aan tegen een voorgenomen bestrating van de rijweg. Hij stierf op 74-jarige leeftijd op 11 april 1772 in zijn stadshuis op de Herengracht in Amsterdam. Als erfgenamen waren zijn jongste dochter Anna de la Court en schoonzoon mr. Adriaan Salomon van der Hoop (bewindhebber van de O.I.Compagnie) aangewezen. Kort tevoren had dit echtpaar voor ƒ 14.500,- de hofstede ‘Stad- en Landgesigt’ (‘Schoonoord’) onder Bloemendaal aangekocht.

Oud Berkenroede naar ambachtsvrouwe van Schoten

Op maandag 23 juni 1772 had in het Oude Zijds Herenlogement te Amsterdam onder supervisie van notaris C.Twisk c.a. een verkoping plaats van 1) “een kapitale en welgelegen hofstede Oud Berkenroede met deszelfs herenhuijzing, stalling, tuinmanswoning, landerijen met malkanderen in één koop, groot ruim 19 morgen buiten Haarlem aan de Heerenweg, hoek Aerdenhouts-(Zandvoortsche)laan. 2) de Dorstige Kuil, 3) vijf morgen land ten zuiden van de Aerdenhoutslaan. Op Oud Berkenroede is kennelijk te weinig geboden, zodat het (nog) in eigendom bleef van de erven. Herberg ‘De Dorstige Kuil’ is door de zetbaas gekocht met een hypotheek van ƒ 6000,-.Het stuk grond aan de Leidsevaart uit de boedel van mr.Pieter de la Court ging naar grootgrondbezitter J.N.van Eys jr.

Boekenrodevaneys

Portret van J.N.van Eys, directeur van de Levantse handel, als bezitter van Boekenrode, Middellaan etc. grootgrondgezitter in Zuid-Kennemerland (Amsterdam Museum)

Op zaterdag 4 juli heeft bovendien een verkoping op de buitenplaats plaatsgehad van roerende goederen, zoals een partij oranjebomen, beelden, ornamenten, broeiramen, tuin- en tuinmansgereedschappen enz. Op 26 oktober 1775, anderhalve maand na de dood van Anna de la Court, is Oud Berkenroede alsnog door de weduwnaar en erfgenaam verkocht voor het niet geringe bedrag van ƒ 52.000,-. Nieuwe eigenares werd Margaretha Elisabeth Loot (1735-1786), weduwe van Pieter Martens, en van 1745-1776 ambachtsvrouwe van Schoten, Noord- en Zuid-Akendam, Hof-ambacht, Haarlemmerliede etc. Zij was een dochter van de vermogende Paulus Loot, in leven tevens ambachtsheer van Zandvoort die op 14 oktober 1753 in de grafkelder van de Hervormde Kerk bijgezet.

De hofstede wordt in de transportakte als volgt omschreven: “groot 9 morgen 375 roeden, mitsgaders nog een croft die in tweeën is gesepareerd, tegenover de gemelde hofstede “Oud Berckenrode”, groot 9 morgen 300 roeden, zijnde dezelve perceelen den weledelen heer transportants constituant en desselfs overleedene huijsvrouw eijgen geworden en aanbedeeld bij scheijding tusschen de gesamentlijke erfgenamen van hunne overledene schoonvader en vader den weledelen heer mr. Pieter de la Court, in sijn leven oud burgemeester en raad der stad Amsterdam, op den 6 September te Amsterdam gepasseert, voor ƒ 52.000,-“.

Margaretha E. Loot heeft huis en tuin nog verfraaid. In 1777 hertrouwde ze met de Amsterdamse koopman Geerlich van der Nulft, welbekend in Heemstede als latere eigenaar van ‘Land en Spaarnzicht’ en huize ‘Lanckhorst’. Nadat zij op 18 december 1786 op Oud Berkenroede was overleden is zij 5 dagen later in het familiegraf te Zandvoort begraven.

Oud Berkenroede op een steendruk van P.J.Lutgers uit omstreeks 1840

Oud Berkenroede op een steendruk van P.J.Lutgers uit omstreeks 1840

Nieuwe bloei onder ‘Keetje’ en Izaak Hodshon

Pastelportret van 'Keetje

Pastelportret van ‘Keetje” Hodshon (1768-1829), eigenares van Oud Berkenroede, door Charles Howard Hodges

Na haar overlijden was Geerlich van der Nulft (Ulft) haar enige erfgenaam. Deze koopman beschikte al sinds 1789 over een kleine hofstede ‘Lanckhorst’. Hij verkocht daarom in 1793 het  buiten, inclusief overplaats voor het bedrag van maar liefst ƒ 75.000,- aan een vermogende jongedame Cornelia Catharina Hodshon.  Al snel breidde zij haar bezit uit door op 21 juli 1795 twee stukken land te kopen van de eigenaar van Berkenrode, mr.Mattheus Lestevenon (de Jonge). De in Haarlem geboren Catharina Cornelia Hodshon (1768-1829) is met haar koosnaam ‘Keetje’ bekend gebleven. Zij was de kleindochter van een zeer vermogend doopsgezind Amsterdams koopman in lijnwaad, van Engelse origine, die door zijn huwelijk met de doopsgezinde weduwe van fabriqueur Jan Barnaart naar Haarlem verhuisde. Omdat haar ouders op jonge leeftijd stierven, kon zij op 22-jarige leeftijd over een vermogen van twee miljoen gulden beschikken (6). De schatrijke en niet onaantrekkelijke Keetje is haar leven lang ongehuwd gebleven. Op 24 jarige leeftijd kocht zij Oud Berkenroede en een jaar later bouwde de Amsterdamse stadsarchitect Abraham van der Hart in opdracht van deze gedecideerde jonge vrouw een huis als een paleis: Spaarne 17, het zogenaamde Hodshonhuis. Het omvangrijke en overdadig ingerichte huis met 42 vertrekken en gemiddeld 10 personeelsleden was niet in overeenstemming met de menniste soberheid van weleer. Enkel bij de inrichting van haar persoonlijke vertrekken heeft zij overdadige pronk weggelaten. Sinds 1841 is het pand eigendom van De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, die daar sindsdien haar zetel heeft. De buitenplaats Berkenrode behoorde van 1797-1798 toe aan haar zwager Willem Anne Lestevenon, die met haar zuster was getrouwd. Tot 1818 heeft Keetje daar de zomermaanden doorgebracht, het huis gerenoveerd en aan de achterzijde de tuin volgens de Engelse landschapsstijl laten aanleggen, waarmee radicaal werd gebroken met de symmetrische Le Nôtre-tuinen.

De tekenaar H.Numan schreef bij twee prenten van de tuin met vijver en een koepel ofwel paviljoen (rotonde), gelegen op een (kunstmatige) heuvel “(…) Jufvr.C.C.Hodshon, die zich daadelijk voorstelde, om dezen Plaats (hoewel dezelve niet meer dan 14 morgen lands in haaren omtrek bevat) met alle aangenaamheden te vercieren, welke men op de uitgestrekte Lustplaatzen zou mogen verlangen, en gaf ten dien einde aan haren Bouwmeester J.G.Michael, eene ruime vrijheid om zijnen smaak in dezen aan den dag te leggen, den welken ook aan de begeerte der Eigenaresse zo wel beantwoord heeft, dat men met recht kan zeggen, dat deze Lustplaats eene der fraaist verbeterde naar den Zwitschersen of Chineeschen trant genoemt kan worden. Ook is het ruime Woonhuis, het welke op een Terras verheven ligt, waar door het zijne verdere uitzichten verkrijgt, van binnen geheel na den hedendaagschen smaak veranderd, het welk alles medewerkt om den aanschouwer te doen toestemmen, dat Oud Berkenroede thans moet gerekent worden onder het getal der aangenaamste Lustplaatzen in Kennemerland”.

In het gemeentearchief van Heemstede (Noord-Hollands Archief NHA) is een ontwerp van de tuin door J.G.Michael bewaard gebleven. In de atlas van het NHA bevinden zich tevens 2 fraaie doorsneden en plattegrond-constructietekeningen (in de vorm van aquarellen) van de ijskelder door J.G.Michael. Een utilitair onderdeel met een representatief bovenstuk. De ijskelder is onder de classicistische koepel geprojecteerd. De aanduiding op een tekening ‘Coupel van vooren oover ’t Waater te Sien’ doelde vermoedelijk op de scheidingsvaart tussen Berkenrode en Oud Berkenroede. Johann Georg Michael werd geboren in het Duitse vorstendom Waldeck-Pyrmont. Daar kwam hij in contact met mr.Jacob Boreel, eigenaar van de buitenplaats ‘Beeckestein’, wiens vrouw tijdens een kuur in Pyrmont plotseling kwam te overlijden. Na een tuinontwerp voor diens buiten in Velsen (circa 1766-1772) bleef Michael in ons land en na o.a. Huis te Vogelenzang, Elswout (Overveen), Welgelegen (Haarlem) en Wildhoef (Bloemendaal) heeft hij in 1794 voor C.C.Hodshon een prachtige Engelse tuin ontworpen. Tuinhistorica drs. Carla Oldenburger schrijft hierover: “Ook hier ontmoeten we bij het analyseren van het ontwerp de typische overgangselementen die Michael gebruikt en zo karakteristiek zijn voor de ontwerpen van deze periode: een zichtlijn vanuit het huis op de Leidse Vaart, een gebogen maar regelmatig (onnatuurlijk) beplante laan en verder kromme weggetjes die kleine stukjes bos omzomen. De beide prenten van H.Numan geven van deze situatie weer een zeer goed beeld. In de praktijk is het ontwerp van Michael echter niet volledig uitgevoerd. De door hem geplande moestuin is uiteindelijk veel groter uitgevallen, zodat het uitzicht vanuit het huis op de Leidse Vaart nooit is gerealiseerd. De moestuin bevatte ondermeer druivenkassen en tegen de muur die de moestuin van de weg scheidde, groeiden leiperen, alhoewel van een slangenmuur hier niets bekend is (7). Circa 1796 is Cornelia Catharina Hodshon op een ovalen pastel vereeuwigd door de bekende portretschilder Charles Howard Hodges. Naar haar is de ‘Keetje Hodshonprijs’ vernoemd door de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem.

In 1818 droeg C.C.Hodshon haar zomerverblijf over aan haar jongste broer en schoonzuster, het kinderloze echtpaar Isaac Hodshon-Dedel, “die wegens de ongunst der tijden hun buitenplaats Schaep-en-Burgh te ’s-Graveland verkopen. Van het begin van de 17de eeuw af tot omstreeks 50 jaar geleden was het niet ongebruikelijk, dat Haarlemmers uit de kring waartoe de Hodshon’s waren gaan behoren naast hun woning in de stad een buitenhuis hadden op enkele kilometers afstand onder Bloemendaal of Heemstede” (8). Legendarisch over voornoemd echtpaar is dat men vanuit ’s Graveland naar Kennemerland verhuisde omdat men overlast had van het bevrijdingsleger der Kozakken. Die mensen aten de kaarsen uit de kandelaars en de zeep van de wastafels. Volgens Jacob van Lennep was Oud Berkenroede in die tijd “merkwaardig door eene kostbare verzameling van uitheemsche gewassen”.

Jonkheer F.J.E. van Lennep bericht in zijn boekje over de Hartekamp dat hij ooit in de Hervormde Kerk van Zandvoort een statenbijbel aantrof met opschrift ‘Oud-Berkenroede’, welke van mevrouw Hodshon afkomstig moet zijn. Omstreeks 1840 was Hendrik van Schaik tuinbaas op Oud Berkenroede. Ook als wethouder van de gemeente Berkenrode en ouderling bij de Hervormde Kerk in Heemstede heeft hij zich verdienstelijk gemaakt. Isaac Hodshon vermaakte het buiten na zijn dood op 2 februari 1855 aan drie nichten Hodshon. In deze periode was het buitenhuis verhuurd, zoals van 1852 tot 1856 aan Piet van Eeghen. Pas in 1866 is het landgoed verkocht aan een ver familielid mr. Jacob Pieter Crommelin (1800-1873), secretaris van het Hoogheemraadschap van Amstelland. Deze was al in 1829 in het ambacht Berkenrode in het huwelijk getreden met jonkvrouw Albertine Dedel. Uit 1866 dateert een onuitgevoerd plan tot het maken van een vaart uit de Leidse trekvaart naar de Herenweg door verbreding van de scheidingssloot tussen de buitenplaatsen Berkenrode en Oud Berkenroede.

Pastel van de jonge Jacob Pieter Crommelin (1800-1873)

Pastel van de jonge Jacob Pieter Crommelin (1800-1873)

In deze periode is in de boomgaarden van beide buitens, evenals op het ‘Manpad’ en ‘Bosch en Hoven’ een nieuwe wijze van kweken en snoeien van ooftbomen ingevoerd, volgens de methode van de heer J.J.Beuker te Antwerpen. Enkele jaren later moest men nochtans teleurgesteld vaststellen dat de opbrengst beneden het gemiddelde bleef. Oud Berkenroede bleef bewoond door de zoon Herman Arnoldus (‘Maan’) Crommelin (1831-1892), in 1856 gehuwd met Anna Elisabeth van Wickevoort Crommelin. Zijn gelijknamige zoon (geboren op 8 maart 1858), gezantschapssecretaris in Wenen, kwam op 17 juni 1886 om bij een ongeluk in Tirol.Een boulevardpersschrijfster avant la date, mevrouw W.F.von Barnekow-Tindal (geb.1850) schreef hierover: “Een broeder van Hendrik Crommelin is Maan, een veelbereisde man, wien de dood van zijn oudsten zoon geheel en al gebroken heeft. Maar het was dan ook te veel! Waarom moest dan ook het schrikkelijkste noodlot dezen lieveling van allen zoo vroeg reeds verpletteren? Maan Crommelin, de “witte zoeloe” viel zijne lievelings-sport ten offer. Op een der gevaarlijkste bergtoeren in Tyrol, bij het bestijgen van den Gross-Glockner, een waagstuk, dat slechts weinigen voor hem volbracht hebben, stortte hij met zijn makker, den bekenden markgraaf Pallavacini, den president van den Oostenrijkschen Alpenclub in den afgrond. Zelden hebben wij zulk een algemeene deelneming in onze “deftige” kringen bij een doodsongeval ondervonden dan dat van dezen prettigen en aangenamen jongen diplomaat. Maar de wreede dood neemt altijd de besten eerst weg!”  (9).

F.Allan schreef in het tweede deel van zijn boekwerk over de geschiedenis van Haarlem: “Hier, op den hoek, waar de Zandvoortsche Straatweg op den Heereweg naar ’s Gravenhage uitloopt, ligt het buitengoed van den Heer H.A.Crommelin, aan wiens belangstelling in oudhollandsche kunst het te danken is, dat men op genoemden huize een vertrek vindt, geheel naar den smaak onzer 17de eeuwsche vaderen ingericht”.

Evenals zijn vader Jacob Pieter en grootvader Herman Arnoldus Crommelin (1767-1857) is hij bijgezet in graf nummer 1 (Schoterweg, gesloten gedeelte) van de grote  Haarlemse begraafplaats aan de Kleverlaan.

Ontwikkelingen in de twintigste eeuw

De burgemeestersfamilie D.E. van Lennep voor hun huis Oud Berkenroede, circa 1900, toen nog zonder dakopbouw

Van 15 december 1891 tot 1904 is Oud Berkenroede bewoond geweest door burgemeester David Eliza van Lennep en zijn familie, die in laatstgenoemd jaar naar een nieuw gebouwd landhuis Kennemeroord aan de overzijde van de Herenweg verhuisde.Van 1906 tot 1912 is het huis bewoond door de heer F.C.H.Royaards, zonder beroep, afkomstig uit Loosdrecht. In 1912 is hij kleiner gaan wonen door voor ƒ 1.500,- per jaar het nabijgelegen huis Klein Berkenrode van Van Wickevoort Crommelin te huren. Oud Berkenroede is vervolgens met een deel van het plantsoen van 1913 tot 1927 gehuurd door de cargadoor N. Vinke.  In deze periode is het pand verbouwd, uitgebreid met een serre en een dakopbouw waar zolderkamers zijn ingericht. Intussen had verkaveling plaatsgevonden van de gronden van Oud Berkenroede, die bestemd werden voor bollengrond.

Al in 1890 had de ‘Firma J.H.Kersten en Co.’  de hofstede Oud Berkenroede met ruim 16 hectare grond gekocht uit de nalatenschap van de familie Crommelin (10). Het jaar daarop is begonnen met de sloop van het bos, grote partijen bomen waaronder linden en eiken zijn publiekelijk geveild. Kersten was enige tijd één van de grootste en bekendste bloemisterijen van ons land. Na de eeuwwisseling kwam aan deze bloei een spoedig einde en ging het bergaf met de kwekerij. De grond op Oud Berkenroede bleek minder geschikt voor bloembollenteelt en door een ziekte gingen zelfs veel hyacintenvariëteiten verloren. De heren Jan Hendrik Kersten Sr. (1831-1906) en Jan Hendrik Kersten Junior (1863-1931) lieten daarom begin 1900 door tuinarchitect Leonard A.Springer een ontwerp maken voor bebouwing met herenhuizen op de terreinen achter het grote huis: ‘Plan tot exploitatie van de voormalige buitenplaats “Oud Berkenroede”. Tevens voor bebouwing van de zogeheten overplaats die tot de Bronsteeweg liep. Nog geen 3 jaar na het overlijden van J.H.Kersten Sr. had in ‘Hotel Scholten’ in de Haarlemmerhout een veiling plaats van het restant van het bedrijf, inclusief het herenhuis ‘Oud Berkenroede’ met het koetshuis, stal voor vijf paarden en de koetsierswoning. Voorts een complex bouwgronden.

De bloembollenkweker Quirinus van den Berg kocht enkele delen van de terreinen van Oud Berkenroede en de bollenschuur op de hoek van de Zandvoortselaan en Herenweg. Daarmee zette hij feitelijk nog enkele decennia het bedrijf van ‘Kersten’ voort. J. Craandijk schreef in zijn ‘Wandelingen door Nederland’ (3e druk, 1887): “Als wij ons omwenden [vanaf de Zandvoortsche laan] , dan vinden wij langs de vaart en langs den weg weer grooter rijkdom van opgaand hout, dan wij aantroffen, sinds wij den Aardenhout verlieten. Wij zijn hier trouwens aan het bosch van Oud-Berkenrode genaderd, dat wij nevens ons houden, totdat wij op den Heerenweg uitkomen. Door zwaar geboomte munt evenwel althans dit deel der plaats niet uit, en voor een niet gering gedeelte wordt het aan ons oog onttrokken door hooge, steenen muren, die het plantsoen van den weg afscheiden. Eerst tegen het einde kunnen wij door de traliën van een ijzeren hek een blik in den grootschen aanleg werpen”.

Twintig jaar later meldde een ‘Gids voor Heemstede en Bennebroek’: “Op den hoek van de Zandvoortsche laan ligt het statige Huis “Oud-Berkenroede. Ook dit vrij uitgestrekte landgoed, waarvan thans een groot gedeelte als bloemenveld in gebruik is, wenschen de eigenaars in een villapark te herscheppen en zal dit met het nabijgelegen “Aerdenhout, waar eene halte is van den electrischen tram, Amsterdam – Haarlem – Zandvoort, mettertijd een schoon geheel opleveren”. Bij deze gids  is een ontwerp voor bebouwing van tuinarchitect Springer opgenomen.

Eerst in de jaren dertig van de 20ste eeuw is op de percelen van de vroegere buitenplaats de Letterkundigenwijk aangelegd met ongeveer in het midden een plein (Frederik van Eedenplein) en daar omheen een vijftal lanen vernoemd naar de schrijvers Herman Heijermans, P.C.Boutens, Alberdingk Thijm, Jacques Perk en Willem Kloos. Op de voormalige overplaats van het buiten, tussen de Koediefslaan en het gesloopte ‘Bosch en Hoven’ zijn de Lanckhorstlaan en Raadpensionarissenwijk bebouwd. Na de annexatie van het noordelijke deel van de gemeente Heemstede door Haarlem hebben een aantal gefortuneerde bewoners van grote landhuizen demonstratief hun huis te koop aangeboden (11).  De heer P.H.Kaars Sijpesteijn, uit een ondernemersgeslacht in de Zaanstreek, verhuisde in 1927 van de hofstede ‘Zuiderhout’naar ‘Oud Berkenroede’, waar hij tot zijn dood in 1934 heeft gewoond. Particulier chauffeur van deze bewoner was de heer Tromp. De auto’s waren ondergebracht in het oude koetshuis dat tot de afbraak grensde aan de Zandvoortselaan. De heer Tromp kreeg de wagens en oorspronkelijke stalhouderij gelegateerd en werd daardoor in de gelegenheid gesteld in het monumentale koetshuis een zelfstandig garagebedrijf te beginnen. De hooizolder boven de stallen en koetshuis is destijds als bovenwoning ingericht. Een telg uit het geslacht Kaars Sijpesteijn heeft tijdens de bezettingstijd haar jeugdherinneringen aan het papier toevertrouwd. De gestencilde uitgave heeft men in een kleine oplage onder de familie verspreid. Na beëindiging van de bewoning van Oud-Berkenroede door deze
familie is het huis nog enige tijd als pension in gebruik geweest. In de mobilisatietijd waren er Nederlandse militairen gehuisvest. Na de bevrijding heeft Oud-Berkenroede onder leiding van de heer Sietsema als rusthuis voor ouden van dagen dienst gedaan.

Door het comité ‘Heemstede Vrij – 5 mei 1945’ is aan de gemeente een blijvende herinnering aangeboden. Het is in drie panelen (zes stukken) vervaardigd door de bekende glazenier W.Bogtman uit Haarlem en aangebracht in het trappenhuis aan de achterzijde van het raadhuis. Daarbij zijn o.a. 12 buitenplaatsen afgebeeld, waaronder ook Oud-Berkenroede, maar niet Berkenrode! Na aankoop van de erven Kaars Sijpesteijn vestigde zich hier in 1955 de firma J.B.Laimböck als parallel-breibedrijf ten behoeve van de handschoenenfabriek in het pand Berkenrode (dochterbedrijf Brentano Tricot). Een dochter en schoonzoon, het echtpaar Croon-Laimböck, hebben vanaf 1956 het monument grondig laten herstellen door aannemer P.van den Putten. Na aanvankelijke industriële activiteiten is het pand nu weer een écht woonhuis, waarvoor het in de 18e eeuw ook gebouwd werd. Kamers en bel-etage herkregen daarmee hun oude luister. De eigenaars wonen parterre en op de bovenverdieping zijn vier appartementen ingericht. Aan de noordzijde is een aparte ingang die toegang geeft tot een fraaie houten trap. Ten dele onder het gehele huis van 16 x 16 meter bevindt zich het souterrain, waar zich voorheen o.a. de keuken, wijnkelder, brandstofopslag e.d. bevonden. Ondanks alle transformaties is van het stucwerk en betimmeringen met tegelschouw nog opmerkelijk veel bewaard gebleven, evenals enkele schilderingen, waarvan één met de bekende engeltjes boven de schouw, die doet denken aan Jacob de Wit. Deze door H.A.Crommelin heringerichte salon is een typische ‘oude’ kamer met een indrukwekkende schouw en wanden die tot halve hoogte met eikenhout zijn betimmerd. De hal is versierd met stucwerk aan het circa 5,25 meter hoge plafond. Het huis heeft behalve een souterrain en parterre twee verdiepingen inclusief een zolderetage.

croon

Overlijdensadvertentie Marie Louise Croon-Laimböck. Haarlems Dagblad, 19-9-2016

 

De (kleine) achtertuin is getransformeerd in een echte formele, geometrische tuin. Bij de ingang stonden achter het ijzeren spijlenhek twee rijtjes zware lindenbomen, welke na een hevige storm in mei 2000 zijn geveld en vervangen door jonge bomen. In 1980 moesten de in de achtertuin geplaatste loodsen worden verwijderd. Aan het eind van de tuin nabij de Willem Klooslaan heeft men een pand gebouwd voor de bedrijfsactiviteiten. Eerder verdween de bollenschuur van Q.van den Berg, vervolgens de garage van Tromp, die het drukke verkeer rond het verkeersknooppunt Herenweg-Zandvoortselaan ernstig belemmerden. Het zicht op het imposante huis met een vloeroppervlak van 16 x 16 meter komt thans beter tot haar recht. Oud-Berkenroede ligt in een strandvlakte met drassige veengrond. Een groot probleem vormt de wateroverlast. Als er begin jaren tachtig niets ondernomen was zou het huis op den duur gewoon wegzakken. Om die redenen zijn door een drainagebedrijf noodzakelijke maatregelen getroffen o.a. door een sleuf te graven op 1.85 meter om het hele huis heen, zodat er een ringleiding kon worden gelegd, die loost in een centrale put. Ook nu nog is de (hoge) waterstand van de laatste jaren een probleem en bladderen de gepleisterde muren af. Dankzij acties van een bewoner uit de Raadpensionarissenbuurt worden momenteel acties ondernomen om het grondwater af te voeren. Oud Berkenroede staat als beschermd rijksmonument ingeschreven onder nummer 21108. Ofschoon onderhoud kostbaar is, kan dankzij de stevige bouw met bakstenen het huis mogelijk nog eeuwen mee.

Scan1336

Interieurfoto Oud-Berkenrode

Noten

(1) In 1531 zijn de huwelijkse voorwaarden opgemaakt tussen Engelbert Willemszoon Ramp, weduwnaar van Jooste Dirskdochter Schrevel en Haze Gerritsdochter van Berkenrode. Hij overleed circa 1550.

(2) Berkenrodearchief, nummer 331.

(3) A.van Damme. De buitenplaatsen te Heemstede, Berkenrode en Bennebroek 1628-1811. Haarlem, 1903,         pagina 114.

(4) Bundel papieren van processtukken. In: Berkenrodearchief, nummer 31. Zie ook G.van Duinen (lit.opgave), pp. 47-56.

(5) Het dagboek van Sir Matthew Decker; een Nederlandse Engelsman over Nederland in 1748 en de buitens in de 18de eeuw. Baarn, 1987, pagina’s 38-40.

(6) Jonkheer van Valkenburg berekende dat na haar dood voor de erfgenamen nog geen vijfde deel overbleef van hetgeen Keetje Hodshon in haar jeugd had bezeten.

(7) Zie artikel van C.Oldenburger-Ebbers in: Wonen-TA/BK, 9/10, mei 1977, p.53-68.

(8) C.C.van Valkenburg. Bevorderaars der wetenschap. Haarlem, 1978, p. 69-70.

(9) Von B.,geb.T. Onthullingen uit onze “deftige” kringen; Amsterdam, Haarlem en omstreken, Insulinde in den Haag, onze kamerleden. (Achter de Schermen! II). Amsterdam, 1891. Dr.H.J.Scheffer schrijft op basis van onderzoek in zijn biografie over Henry Tindal (Bussum, 1976), dat de echtgenote aandraagster was van alle beschreven roddels, maar Freiherr W.F.von Barnekov de eigenlijke auteur van in totaal 5 brochures is geweest.

(10) M.Bulte en W.Post. Bloeiende bedrijvigheid; 400 jaar bloembollenbedrijven in Zuid-Kennemerland. Haarlem, 2002, p. 182-184.

(11) Met name: A.H.baron van Hardenbroek (Uitenbosch), R.de Favauge (Spruitenbosch), D.van Konijnenburg (Leeuw en Hooft), Albert Heijn (Nyenhove), F.J.Struben (Miami Lodge – aan de Crayenesterlaan) en A.Honig (Bosch en Vaart).

 Bronnen en literatuur

Archief van Berkenrode. In: Noord-Hollnds Archief, Haarlem

Bakels, Mieke. Nieuwe glans voor Oud-Berkenroede. In: Cri, 8 juli 1967, nummer 27.

Documentatiemap Oud Berkenroede

Duinen, G.van. De geschiedenis van de Heerlijkheid Berkenrode. Heemstede, VOHB, 1957.

Elias, Joh.E. De vroedschap van Amsterdam 1578-1795. 2 delen. Heruitgave Haarlem 1903-1905.

Groesbeek, J.W. Heemstede in de historie. Heemstede, 1972.

Numan,H. Vierentwintig Printtekeningen (…)Hollandsche Buitenplaatzen. 1797.

Peper, C. Oud-Berkenroede. In serie: Heemstede vroeger en nu, nummer 30 In: Heemsteedse Courant, 15 januari 1970.

Reinink, A.W. en J.G.Vermeulen. IJskelders; koeltechnieken van weleer. Nieuwkoop, 1981.

Thierry de Bye Dólleman. Het Geslacht van Berckenrode. In: Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, XII, 1958, p.81-132.

Hans Krol

 

Ontwerp van ijskelder met paviljoen op Oud-Berkenrode door J.G.Michael, 1794. Aanzicht en plattegrond vloer. Het is niet zeker dat het ontwerp werd uitgevoerd

Ontwerp van ijskelder met paviljoen op Oud-Berkenrode door J.G.Michael, 1794. Aanzicht en plattegrond vloer. Het is niet zeker dat het ontwerp werd uitgevoerd

 

Dwarsdoorsnede ijskelder en paviljoen Oud-Berkenrode door architect J.G.Michael, 1794

Dwarsdoorsnede ijskelder en paviljoen Oud-Berkenrode door architect J.G.Michael, 1794