Inleiding

Entree van de vroegere Mariastichting aan de Van Heythuizenweg

De Mariastichting vanuit de lucht gezien, omstreeks 1965

De Mariastichting vanuit de lucht gezien, omstreeks 1965

Luchtfoto van Mariastichting en links aan het Spaarne Sparenhout, circa 2004

Luchtfoto van Mariastichting en links aan het Spaarne Sparenhout, circa 2004

Zicht op de Mariastichting anno 2014 (foto Bouwfonds)

Zicht op de Mariastichting anno 2014 (foto Bouwfonds)

Het uit de late middeleeuwen stammende St. Elisabeth’s of Groote Gasthuis is in 1873 drastisch uitgebreid aan de Gasthuisvest en na 1891 gemoderniseerd mede als reactie op de stichting van het Diaconessenhuis (1874/1887). In 1892 verrees het nieuwe (mannen)ziekenhuis van de Barmhartige Broeders van “St. Joannes de Deo” aan de Maarten van Heemskerkstraat, oorspronkelijk (sinds 1887) gehuisvest aan de Jansstraat. Op initiatief van pastoor P.J. Thünissen is in 1899 de Mariastichting, oorspronkelijk bestemd voor vrouwen in het leven geroepen, hierbij gesteund door de Duitse Zusters Franciscanessen van Salzkotten.

Zuster Clara Pfänder, stichter van een kloostercongregatie in Salzkotten

Zuster Clara Pfander, geboren in 1827, trad in bij de Congregatie van Zusters van de Christelijke Liefde te Paderborn, bestemd voor het onderwijs. In 1860 stichtte zij een nieuwe congregatie, genaamd Zusters van de Heilige Franciscus, Dochters van de Heilige Harten van Jezus en Maria. Aanvankelijk in Olpe, 3 jaar later verhuisd naar Salzkotten.

Zuster Clara Pfander, geboren in 1827, trad in bij de Congregatie van Zusters van de Christelijke Liefde te Paderborn, bestemd voor het onderwijs. In 1860 stichtte zij een nieuwe congregatie, genaamd Zusters van de Heilige Franciscus, Dochters van de Heilige Harten van Jezus en Maria. Aanvankelijk in Olpe, 3 jaar later verhuisd naar Salzkotten.

Salzkotten is een stadje in Westfalen, niet ver van Paderborn. Sinds 1863 was hier het moederhuis gevestigd van de zusters “Franciscanessen, dochters van de heilige harten van Jezus en Maria”, een congregatie die vier jaar voordien was opgericht door Maria Clara Pfänder (1827-1882) in het nabijgelegen Olpe. Omdat in die gemeente echter al een klooster stond, werd besloten naar Salzkotten te verhuizen. De zusters streefden ernaar religieuze contemplatie te verenigen met actieve deelname aan aardse werkzaamheden. Tijdens de Oostenrijks-Pruisische oorlog van 1866 was verpleging van de slachtoffers hoofddoel van de congregatie. Clara en vijftien van haar zusters reisden naar de slagvelden van Bohemen om de gewonde soldaten te verzorgen.  Vanuit het moederhuis heeft deze zustergemeenschap, die zich toelegde op gebed en de werken van barmhartigheid, zich over de wereld verspreid (1). In 1882 waren er 22 dochterhuizen in Duitsland werkzaam; aanvankelijk waren zij vooral actief in scholen en ziekenhuizen. Met de “Kulturkampf”  (1872-1879) bond de Duitse Rijkskanselier Otto von Bismarck de strijd aan met de Rooms Katholieke Kerk, die hij als tegenstander van de moderne cultuur beschouwde. De “Mei-Wetten” van 1873 en 1874 waren antiklerikaal; bepaald werd ondermeer dat alleen kerkelijke orden die zich met ziekenverpleging bezig hielden mochten voortbestaan, de Jezuïetenorde werd zelfs uitgewezen. De staat kreeg hierdoor gezag over het onderwijs, dat grotendeels in handen van rooms katholieke geestelijken was. Moeder Clara zond zusters naar de Verenigde Staten, Frankrijk en in 1874 naar Nederland. Door deze antiklerikale wetten was de bisschop van Paderborn genoodzaakt tijdelijk te vluchten waardoor Clara bepaalde volmachten kreeg. Maar in conflict gekomen met de overheid was zij uiteindelijk toch genoodzaakt haar functie als superieurgeneraal neer te leggen. Zij reisde naar Rome om van daaruit te strijden tegen beschuldigingen. Daarin slaagde zij niet. In armoede en feitelijk in ballingschap overleed ze in de eeuwige stad. (1) Het Generalaat verhuisde in 1949 vanuit Salzkotten naar Paderborn en is sinds 1967 in Rome gevestigd. Tegenwoordig leven er van deze congregatie wereldwijd nog bijna 750 zusters. Naast een regio in Santarem, Brazilië en twee missiezusterposten in Roemenië en Malawi, bestaan vier provincies in respectievelijk Salzkotten (Duitsland), Aerdenhout (Nederland), St. Martin (Frankrijk) en Sumut (Indonesië). Ten slotte leven er bijna 100 zogeheten Wheaton Franciscanessen in de Verenigde Staten.

1885 Vestiging in Haarlem met als doel thuisverpleging

Tijdens de Reformatie en nadat de katholieke Spanjaarden waren verslagen werd het calvinisme de heersende religieuze stroming in ons land. Pas in 1798 kwam hier geleidelijk verandering in dankzij een door de Nationale Vergadering geproclameerde scheiding van kerk en staat. De katholieke emancipatie zette door met als voorlopig hoogtepunt het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853: naast het aartsbisdom Utrecht werden er vier bisdommen ingesteld, waaronder Haarlem. Eigen congregaties kwamen tot bloei en vanuit het zuiden werden kloosterlingen aangetrokken om in het bisdom Haarlem te gaan werken. Bovendien vestigden zich vanuit Duitsland broeder- en zusterorganisaties in Nederland, verdreven door de antikatholieke maatregelen van Bismarck. Tussen 1875 en 1885 hebben de zusters van Salzkotten zich in een vijftiental plaatsen gevestigd waar zij bewaar- en lagere (meisjes)scholen openden en in de wijkverpleging actief waren. In 1877 was zuster Gregoria Korte uit naam van zuster Clara Pfänder een noviciaathuis in Breukelen begonnen, waar de zusters zich bezig hielden met ambulante ziekenverpleging. Toen meer zusters intraden nam zij het besluit hun werkterrein naar Haarlem en Overveen uit te breiden. Pastoor P.J. Thünissen van de Spaarneparochie, voluit genaamd “Onze Lieve Vrouw Koningin van de Heilige Rozenkrans en van de Heilige Dominicus” die van het plan hoorde richtte met steun van de bisschop van Haarlem, Mgr. Bottemanne, een verzoek aan het moederhuis in Salzkotten. Hierin stelde hij de congregatie voor zich officieel in Haarlem te vestigen. Zijn uiteindelijke bedoeling was de stichting van een katholiek ziekenhuis. De generaal-overste Ignatia Soentgerath en de superior van de congregatie zagen het belang hiervan in en wensten gaarne aan zijn verzoek te voldoen. Op 16 september 1885 arriveerden de eerste zes Duitse zusters in Haarlem onder leiding van zuster Innocentia Wesselmann, aangesteld als plaatselijke overste, om zich in deze omgeving te wijden aan de ambulante ziekenverpleging. Zij namen hun intrek in een eenvoudig, wat armoedig huis, de oude noodkerk en pastorie in de Spaarnwouderstraat (1) dat voor ƒ 8.500,- was aangekocht. De noodzakelijke veranderingen werden aangebracht en vanuit Salzkotten werd gezorgd voor bedden, meubelen en andere zaken. Hun nieuwe onderkomen kreeg de naam “Sint Franciscusstift”.

De tuin van de Mariastichting met brevierende zusters

De tuin van de Mariastichting met brevierende zusters

De zusters leefden onder sobere omstandigheden, leerden de Nederlandse taal, verpleegden met toewijding zieken aan huis en deden zo nodig ook de huishouding. Zij verzorgden armen en rijken en hun offervaardigheid werd in het bijzonder beloond door de gefortuneerde familie Roozen uit Overveen. Vanwege een tekort aan bekwame ziekenzusters werd hun hulp steeds vaker ingeroepen, zelfs tot in de verre omstreken van de Spaarnestad. Het kloosterleven mocht echter onder geen beding in gevaar komen door aardse verleidingen. In de kroniek staat daarom genoteerd: ‘Om de goede kloostergeest te bewaren en ook in het belang van de gezondheid van de zusters, mogen de zusters niet langer dan vier weken één en dezelfde zieke buitenshuis verplegen. Is die tijd verstreken, dan moet de zuster vervangen worden door een ander zuster.’ Zo moest worden voorkomen dat een al te persoonlijke band ontstond naast die met de medezusters. (1) Feitelijk was dit het complex van de vroegere Thomaskerk. Gesticht door de paters Dominicanen gelegen op de hoek van de Spaarnwouderstraat en het Ossenhoofdsteegje, een glibberig pad dat naar de schuilkerk voerde. Van 1624 tot 1856 is daar gekerkt. Deze Thomaskerk was een typische zolderkerk; na herstel van de bisschoppelijke hiërarchie heeft de ruimte nog enige tijd gefungeerd als bijkerk van de Dominicuskerk. Veel katholieke Haarlemmers zijn in deze (schuil)kerk gedoopt. Ongeveer 15 geleden ging een zoon van de toenmalige ziekenhuispastor de heer Rob Mascini op kamers wonen in de Ossenhoofdsteeg. Hij kwam tot de ontdekking dat de eigenaar, een aannemer, op zolder nog een aantal stoffelijke herinneringen had staan van deze voormalige schuilkerk, waaronder een biechtstoel en glas-in-loodramen met bijbelse taferelen. Na de verhuizing van de zusters Franciscanessen in 1899 heeft het pand aan de Spaarnwouderweg onderdak geboden aan de boek- en handelsdrukkerij Gebrs. Nobel, gehuisvest op de nummers 36, 38 en 40, waar onder andere het blad de Spaarnebode werd gedrukt.

Pastoor Thünissen: oprichter van de Mariastichting

Pastoor P.J.Thünissen, pastoor van de Rozenkransparochie en oprichter van de Mariastichting

Pastoor P.J.Thünissen, pastoor van de Rozenkransparochie en oprichter van de Mariastichting

In de zomer van 1896 achtte pastoor P.J. Thünissen (1843-1914), sinds 1868 kapelaan en van 1887 tot 1906 pastoor in de Spaarnekerk, de tijd rijp om met de voorbereiding van een nieuw katholiek ziekenhuis te starten. In het aan de Maarten van Heemskerk gevestigde katholieke St. Joanes de Deoziekenhuis werden alleen mannen verpleegd. Het was hem een doorn in het oog dat rooms-katholieke vrouwen uitsluitend in het St. Elisabeth’s Gasthuis of protestantse Diaconessenhuis opgenomen konden worden. Bisschop C.J.M. Bottemanne en de Haarlems deken B. Dankelman juichten het plan van de pastoor dan ook van harte toe en voor de verpleging kon hij rekenen op de Franciscanessen van Salzkotten. Het was voor hem wel een teleurstelling dat maar weinig personen dit idee financieel ondersteunden; er was veel geld nodig voor de aankoop van grond en de bouw. Aanvankelijk waren er plannen om een stuk braakliggende grond te kopen nabij de Amsterdamse Poort, maar de koop werd steeds uitgesteld. Op de dag dat de aankoop uiteindelijk zou plaatsvinden, 15 september 1896, boden de kinderen van wijlen J. van den Arend een terrein te koop aan van ruim 84 are, ideaal gelegen in de Haarlemmerhout, buiten het stadsrumoer. De overste van de zusters, pastoor Thünissen en het kerkbestuur waren enthousiast over het aanbod en na onderhandelingen werd de koopsom van de grond in de Hout bepaald op ƒ 39.000,-. Men had al het principebesluit genomen een obligatielening van ƒ 100.000,- tegen een lage jaarlijkse rente van 2% af te sluiten. In de overeenkomst was bepaald de eerste 10 jaar ƒ 1.500,-  af te lossen en de volgende 10 jaren ƒ 1.000,- zodat sommige genereuze geldschieters zeer lang op het door hun geleende geld moesten wachten. Nu de zaak echter menens geworden was waren enkele vermogende katholieke Haarlemmers bereid gunstige geldleningen te verstrekken en gaf de bisschop toestemming hiervoor te collecteren in de Haarlemse kerken. Een grote weldoener bleek deken Dankelman die uit eigen middelen een bedrag schonk van ƒ 35.000,-. Als teken van dankbaarheid liet de congregatie zijn naam vereeuwigen in een gedenksteen bij de ingang van het ziekenhuis.

Vroegere entree van de Mariastichting

Vroegere entree van de Mariastichting

1898-1899 De bouw van het ziekenhuis Op 11 mei 1898 verkreeg de “Vereeniging der Ziekenverpleegsters Franciscanessen van de Maria-Stichting te Haarlem” bij Koninklijk Besluit rechtspersoonlijkheid. Als leden konden worden opgenomen ‘…ongehuwde vrouwen van onbesproken gedrag, die met liefdadige inzichten in de Vereeniging als liefdezusters willen werkzaam zijn…’ De leden zouden huisvesting, voeding en kleding ontvangen, echter geen salaris. De leden dienden naar vermogen een geldelijke bijdrage te leveren. In de statuten werd voorts vastgelegd dat in het nieuwe ziekenhuis ook patiënten van andere gezindten welkom zouden zijn. Ofschoon het benodigde bedrag nog niet helemaal bijeengebracht was besloot men toch met de bouw te beginnen. Als architect werd A.A.N. Bruning aangetrokken. Deze had in 1893 meegedaan aan een door A.C. Bleys gewonnen prijskamp om het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam te ontwerpen. Hij had dus een ziekenhuisontwerp klaarliggen, dat voor de toenmalige Haarlemse begrippen groot van opzet was. Op 12 oktober 1897 werd aan J.H. van Groenendaal te Amsterdam het werk gegund, de aannemer die in vrijwel dezelfde periode het St. Antonius-Gesticht met scholen aan de Kerklaan in Heemstede bouwde. Het hospitaal was op ƒ 138.000,-  begroot, waar nog een bedrag van ongeveer ƒ 30.000,- bijkwam. In maart 1899 kon het middenstuk van het ziekenhuis met kapel en de oostvleugel in gebruik genomen worden. Het middenfront bestond uit de hoofdingang met daarbij behorende spreekkamers, administratieruimten en ziekenkamers voor de 1e en 2e klassenpatiënten. In de oostvleugel lagen de operatieafdeling met de kamers van de doktoren, enkele zalen voor 3e klassenpatiënten en tevens de refter en slaapzaal voor de zusters. Op 15 mei wijdde Mgr. Bottemanne, geassisteerd door pastoor Thünissen en andere geestelijken het nieuwe ziekenhuis in, dat de naam kreeg: “Mariastichting”, vermoedelijk onder invloed van de oude Mariadevotie in Haarlem en omdat het onder de parochie van de heilige Rozenkrans ressorteerde.

1899-1905 Pionierswerk van de zusters en de artsen L.C. Proot en M. Jesserun Het aantal nonnen groeide tot zestien, inclusief overste Ludovica Wesselmann; als rector werd de heer G. Moerland geïnstalleerd. Huisarts en internist dr. L. C. Proot (1853-1939), zoon van een Haarlemse arts, was vanaf de stichting tot 1923 het eerste medische hoofd van het ziekenhuis. Om zijn bekwaamheden was Proot een veelgevraagde arts in Haarlem en bij zijn 50-jarig jubileum als geneesheer werd hij benoemd tot officier in de Orde van Oranje Nassau. Als vrouwenarts en chirurg fungeerde dr. M. Jesserun (1865-1938), die ook met succes verpleegzusters theoretisch en praktisch opleidde voor het staatsdiploma. In 1905 bedroeg het aantal gediplomeerde ziekenzusters al twaalf. Jesserun was geboren in Paramaribo en had in 1895 met goed gevolg zijn artsexamen aan de Universiteit van Amsterdam afgelegd, waarna hij zich te Haarlem vestigde. Vrijwel vanaf het eerste uur bleef hij dertig jaar aan de Mariastichting verbonden, aanvankelijk was hij ook de enige chirurg. Als eerste assistent deed in 1906 dokter M. Mauritz zijn intrede. Dr. Jesserun was wat teruggetrokken van aard, een grote bijbelkenner, integer en met veel verantwoordelijkheidsgevoel; hij genoot vooral faam om zijn klinische blik en een vrijwel nimmer falende diagnose. Hierna boden de artsen Lodewijks, Krol en J. Waller Zeper hun diensten aan, laatstgenoemde als specialist voor ogen, oren, hals en neus. Op 30 juni 1899 werd de eerste patiënt opgenomen, mejuffrouw W. Staal, die aan reumatiek leed. Mevrouw W.Kuyken was de eerste operatiepatiënt. Aanvankelijk waren de bedden voor een groot deel bezet door chirurgische patiënten. Verschillende specialismen, zoals kindergeneeskunde en röntgenologie, met niet operatieve behandelingsmethodes, verkeerden nog in een beginstadium. De eerste jaren waren zorgelijk door tekort aan alles, van materiaal voor de keuken tot de operatiezalen. Men leerde zich te behelpen en te improviseren; dankzij een loterij kwam gelukkig voldoende geld binnen om de allernoodzakelijkste instrumenten te kunnen aankopen. Buiten de artsen viel aan betaald personeel vooralsnog niet te denken. In oktober 1899 verrees in de tuin een barak voor besmettelijke zieken. Twee maanden later, op 26 december werden voor de eerste keer twee patiënten op één dag opgenomen. Aan het eind van 1899 telde het ziekenhuis 80 patiënten en bedroeg het aantal verpleegdagen 3.384. Begin 1900 ging men over tot de bouw van een mortuarium met drie vertrekken, zodat de overledenen niet meer in een schuur opgebaard hoefden te worden. Mede dankzij enkele schenkingen en legaten, onder andere van pastoor Thünissen, waren de zusters in staat de bouwschuld af te lossen. Vanaf de opening van de Mariastichting tot omstreeks 1920 hebben enige honderden zusters uit het generale Moederhuis Salzkotten voor korte of langere tijd in Haarlem gewerkt. Tot 1946 stonden zij onder leiding van een Duitse moeder-overste. Na 1920 kwam de verpleging geleidelijk meer in handen van Nederlandse vrouwen, religieuzen uit het provinciale moederhuis “St. Franciscus” (sinds 1928 “Alverna” geheten) in Aerdenhout en ook lekenverpleegsters (1). De medische staf was vanaf het begin Nederlands. Van 1900 tot en met 1905 waren de statistieken van het aantal opgenomen patiënten en de verpleegdagen als volgt: 1900     1901     1902     1903     1904     1905 ————————————————————– Aantal patienten 207       249       346       438       532       726 Verpleegdagen                                  8563    13509    20256    19845   25226  33360 (1) van 1920-1923 was het Nederlandse moederhuis van deze zusters Franciscanessen in het zogeheten “Sint Franciscusklooster” te Heemstede gevestigd.

Kraam- en babyafdeling van de Mariastichting omstreeks 1900

Kraam- en babyafdeling van de Mariastichting omstreeks 1900

1906 – 1913 Eerste uitbreidingen Oorspronkelijk alleen bedoeld voor vrouwen werden al spoedig ook mannen in de Mariastichting toegelaten. In 1906 werd de oprichter van het ziekenhuis pastoor Thünissen opgenomen. Hij werd met de best mogelijke zorg omringd maar uiteindelijk verhuisde naar een huis van de “Broeders van Barmhartigheid” in Dongen waar hij op 10 januari 1914 op 71-jarige leeftijd overleed. De Mariastichting had intussen als ziekenhuis een uitstekende naam verworven. Op een gegeven moment bleek het echter onmogelijk alle aangemelde zieken daadwerkelijk op te nemen. Noodgedwongen moest daarom worden overgegaan tot de bouw van een westvleugel. Eigenlijk ontbraken de financiële middelen, maar dankzij J. Thijs, een rijke weduwnaar uit Heemstede die kort voor zijn overlijden ƒ 30.000,- schonk en de Mariastichting tot universele erfgenaam benoemde, kon de bouw worden aangepakt. Als architect fungeerde wederom de heer Bruning en het werk werd gegund aan de aannemer G.P.J. Beccari. De nieuwe in september 1907 in gebruik genomen westvleugel bestond uit onder meer 32 kamers voor klassenpatiënten. De bovenverdieping werd ingericht als slaapzaal voor de zusters en telde 40 zogeheten chambrettes, gescheiden door een houten wand en afgesloten met witte gordijnen. Omdat het zusteraantal intussen was gestegen tot 50 werd tevens de zolder van het al bestaande huis tot slaapzaal omgebouwd. Toen twee villa’s aan de Van Heythuijzenlaan in 1906 in de verkoop kwamen werden deze aangekocht voor een bedrag van ƒ 26.700,-. In 1908 volgde de bouw van een lighal voor t.b.c.patiënten van de 3e klasse, door middel van aanbouw aan de oostvleugel. Twee jaar later kwamen twee bouwvallige huizen vrij, oostelijk van de Mariastichting gelegen, huize “Oud Crayenhorst” en “Sparenrust”. Dankzij bemiddeling van de heer P. Hoogeveen konden deze percelen voor de schappelijke som van nog geen ƒ 25.000,- gekocht worden. De oude huizen werden gerestaureerd en kregen bij de inwijding de naam “St. Jozefhuis”. Hier konden zieken opgenomen worden, maar de smalle trappen en nauwe gangen bleken onpraktisch. Toen is gekozen voor een andere oplossing voor de zusters door de bestaande slaapzaal in de westvleugel te wijzigen in een mannenafdeling. Met de gemeente Haarlem ontstond onenigheid over de eigendom een smal stukje grond, het “Laantje” genaamd, dat de stad claimde en in de toekomst zou willen gebruiken voor een nieuw aan te leggen weg. In 1910 waren 70 Franciscanessen als ziekenverpleegster – van wie ongeveer 25 gediplomeerd – werkzaam in het hospitaal. Toch was er nog tijd om extramurale zorg te verlenen; dat jaar werden 284 zieken aan huis verpleegd (van hen herstelden 263 terwijl 21 stierven). Vanaf die tijd was er ’s nachts een assistent-arts in de Mariastichting aanwezig omdat het steeds vaker voorkwam dat ook in de nachtelijke uren doktershulp ingeroepen moest worden. De kapel werd uitgebreid en in 1911 werd op bescheiden wijze herdacht dat de zusters een kwart eeuw werkzaam waren in Haarlem. Als feestgeschenk brachten de dankbare patiënten ƒ 8.000,- bij elkaar. Voor dat bedrag zijn vijf van de zeven kleine arbeiderswoningen aan de Kamperlaan, die in april 1912 vrijkwamen aangekocht. Niet zozeer de oude huisjes maar vooral de grond was voor toekomstige uitbreidingen van belang. Zuster Ludovica Wesselmann moest om gezondheidsredenen na 17 jaren van hard werken haar veelomvattende taak als overste neerleggen en werd opgevolgd door zuster Ida Halbe. Vrijwel ieder jaar nam het aantal patiënten toe, met als 1911 een absoluut topjaar, zoals blijkt uit de volgende statistieken: 1906      1907      1908      1909      1919      1911     1912 —————————————————————————- Aantal patiënten               704        806        910      1073     1089      1322       1034 Verpleegdagen             34469    36758    34680    45421   44242    62560      47187 1913-1919

In 1911 vierden J.Kops (80) en P.Ruigrok van der Werve (ook 80) hun gouden huwelijksjubileum. Hij werd verpleegd in de St.Bavostichting aan de Kerklaan in Heemstede en zij in de Mariastichting. Bij uitzondering was de zaal versierd en werd het echtpaar voor een paar uur verenigd op de ziekenzaal van het Haarlemse ziekenhuis (foto Noord-Hollands Archief)

In 1911 vierden J.Kops (80) en P.Ruigrok van der Werve (ook 80) hun gouden huwelijksjubileum. Hij werd verpleegd in de St.Bavostichting aan de Kerklaan in Heemstede en zij in de Mariastichting. Bij uitzondering was de zaal versierd en werd het echtpaar voor een paar uur verenigd op de ziekenzaal van het Haarlemse ziekenhuis (foto Noord-Hollands Archief)

Bij bovenstaande foto, ook gepubliceerd in de Nieuwe Haarlemsche Courant, Geïllustreerd Zondagsblad, van zaterdag 27 mei 1911, is als bijschrift vermeld: ‘Een gouden huwelijksfeest onder zeldzame omstandigheden: het echtpaar Kops-v.d.Werve, die zondag j.l. in de Maria-Stichting op echt prettige wijze, door de goede zorgen der eerw. Overste, hun 50-jarig huwelijksfeest herdachten. Den geheelen dag was het feest in de Maria-Stichting, en bovenstaande foto, in een der ziekenzalen genomen, toont wel hoe men zich in de Maria-Stichting, beijverd heeft, den goeden oudjes een heerlijke herinnering te bezorgen aan dit zeldzame feest.’

De Eerste Wereldoorlog en Koninklijk bezoek Het bovengenoemde St. Jozefhuis werd omgebouwd tot kinderziekenhuis bestaande uit twee zalen, een badkamer, aanrechtkeuken en twee grote balkons waarop bij mooi weer de kinderbedjes konden worden geplaatst. Voor de inpandige verbouwing werd de heer Bruning weer als architect uitgenodigd. De kinderafdeling kreeg als toepasselijk opschrift “Laat de kleinen tot mij komen”. Omstreeks 1916 deed zich wederom plaatsgebrek voor, in het bijzonder op de vrouwenafdeling. Na veel discussie werd uiteindelijk besloten de grote zaal in de oostvleugel te verbouwen tot refter voor de zusters en van de bestaande eetzaal een vrouwenzaal te maken. Door de voortdurende toename van het aantal patiënten en de opkomst van specialisten werden de volgende personen aangesteld: dr. F .Muller, zenuwarts; dokter E.S. Frank, kinderarts; dr. L.C.W. Naessens voor maagpatiënten en dokter K.C.P. Valken als röntgenoloog. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog begon in het neutrale Nederland een moeilijke tijd, ook voor het ziekenhuis. De distributie van levensmiddelen kwam in gevaar en er ontstond gebrek aan allerlei noodzakelijke artikelen. Voor de Duitse zusters kwam daarbij het leed om familieleden in het vaderland. Tot overmaat van ramp brak in de winter van het 1918 de Spaanse griep uit, waarbij soms dertig nonnen of meer tegelijk ziek te bed lagen; in tegenstelling tot andere zusterhuizen waar soms tien tot twintig doden te betreuren vielen overleed in Haarlem slechts één zuster aan deze epidemie. Zij werd in het Zustersgraf te Overveen begraven. De beroerde tijdsomstandigheden lieten vooralsnog geen uitvoering van nieuwe bouwplannen toe, maar architect Bruning ging verder met het ontwerpen van een tweede oostvleugel. In deze donkere dagen waren er toch ook hoogtepunten. Tot twee maal toe ontving de Mariastichting in 1915 koninklijk bezoek. Prins Hendrik, als voorzitter van het Nederlandsche Roode Kruis, bezichtigde het ziekenhuis en nam persoonlijk een kijkje op enkele ziekenzalen. Op 5 juni kwam koningin Emma met haar gevolg het op die dag feestelijk versierde Haarlemse ziekenhuis met een bezoek vereren. In de ontvangstkamer sprak directeur dr. Proot een welkomstgroet uit. Vervolgens werd in de kapel een cantate gezongen, waarna een rondgang van enkele uren door het ziekenhuis volgde. Iedere patiënt ontving als aandenken een boeketje bloemen en natuurlijk is er nog lang over deze bijzondere dag nagepraat.

Op 15 juni 1915 bezocht Koningin-Moeder Emma met uitgebreid gevolg de Mariastichting

Op 15 juni 1915 bezocht Koningin-Moeder Emma met uitgebreid gevolg de Mariastichting

Door de aansluiting bij de “Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging” in 1916 werd de Mariastichting erkend als wettelijk ziekenhuis. Met een voor die tijd ruime staf kon ook op medisch gebied de Mariastichting de concurrentie aan met het St. Elisabeth’s Gasthuis en het Diaconessenhuis. Een volgende stap was het komen tot gemeenschappelijke afspraken. In overleg met de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst (GGD) werd in 1918 besloten tyfuspatiënten in het Diaconessenhuis, difteriepatiënten in het St. Elisabeth’s Gasthuis en roodvonkpatiënten in de Mariastichting op te nemen. Het aantal opgenomen zieken bleef van jaar tot jaar stijgen. 1913      1914      1915      1916      1917      1918 ——————————————————————————- Aantal patiënten      1217       1325     1401      1542      1512       1880 Verpleegdagen  36827    51203    48850    52019    48784      56719

Therapie bij tuberculose bestond destijds voornamelijk uit bedrust en 'gezonde licht'. Op deze foto uit 1917 de open lighal, waar patiënten derde klas lagen

Therapie bij tuberculose bestond destijds voornamelijk uit bedrust en ‘gezonde licht’. Op deze foto uit 1917 de open lighal, waar patiënten derde klas lagen

Foto van de mannenligzaal van de Mariastichting voor tbc-patiënten in 1929

Foto van de mannenligzaal van de Mariastichting voor tbc-patiënten in 1929

1919-1925

In 1921 op de hoek van de Kamperlaan en Kleine Houtweg aangekochte villa + naastgelegen pand door de Zusters Franciscanessen van Salzkotten.

In 1921 op de hoek van de Kamperlaan en Kleine Houtweg aangekochte villa + naastgelegen pand door de Zusters Franciscanessen van Salzkotten.

Een nieuwe oostvleugel In de loop van 1919 kwam vanuit de landelijke overheid het bericht dat de in het ziekenhuis door eigen doktoren afgenomen examens in de ziekenverpleging wettelijk niet meer erkend werden. De reeds gediplomeerde verpleegsterzusters moesten zich aan een herexamen onderwerpen; op 22 december werd aan eenendertig nonnen het staatsdiploma uitgereikt. Met kunst en vliegwerk moest het geld bijeen gebracht worden voor noodzakelijk geachte uitbreidingen en vernieuwingen. De kosten waren dit keer geraamd op een bedrag van meer dan een half miljoen gulden; hiervoor moesten enkele leningen tegen een lage rentevoet worden afgesloten. Grondgebied van de Mariastichting werd als borg geaccepteerd. Het totale bouwplan omvatte een grote polikliniek, een complete mannenafdeling 3e klasse, vertrekken voor de röntgenologie, een laboratorium, apotheek, verbandzaal, vrouwenzalen, een ruimte voor zenuwzieken enzovoort. Iets geheel nieuws was een afdeling voor zogeheten wereldlijke verpleegsters, die verplicht waren intern te wonen. Omdat er te weinig zusters vanuit het moederhuis in Salzkotten kwamen voor het toenemende aantal patiënten moesten er wel lekenverpleegsters ingeschakeld worden. Aan de opleiding namen bovendien enkele zusters van twee andere congregaties deel. Zo is in 1920 begonnen met tweeëntwintig “vreemde krachten” wat enerzijds wennen was maar anderzijds de zware arbeid verlichtte. Er kwam technisch personeel waaronder een schrijnwerker, een schilder en een monteur omdat er voortdurend van alles gerepareerd moest worden, ook aan de huurpercelen. Voor de keuken en de wasserij werden eveneens leken aangenomen. Dat de artsen de religieuze zusters veelal prefereerden boven lekenverpleegsters had te maken met het feit dat de nonnen eigenlijk geen vaste werktijden kenden en in principe altijd beschikbaar waren, terwijl de lekenverpleegsters niet meteen bereikbaar waren wanneer hun dienst erop zat. Dr. Th. Koot werd als assistent van dr. Jesserun aangesteld om hem behulpzaam te zijn bij het snel toenemend aantal chirurgische behandelingen. Dr. Koot betrok een vrijgekomen woning vlakbij de Mariastichting. Zo was hij in spoedgevallen ook ’s nachts bereikbaar. Men besloot de nieuwe oostvleugel te doen aansluiten op de reeds bestaande vleugel. Daartoe dienden de in 1908 gebouwde t.b.c.hal en het mortuarium afgebroken te worden. In deze tijd van permanent geldgebrek waren de materialen peperduur en de lonen hoog. Tot overmaat van ramp brak er ook nog eens een driemaandelijkse staking uit, waardoor het werk stil kwam te liggen. Het was ondanks al deze moeilijkheden aan de architect, aannemer Klein Schiphorst en niet in de laatste plaats aan rector Sondaal (die een en ander begeleidde) te danken dat het kostbare project voltooid kon worden. De rector wist een in financieel opzicht buitengewoon voordelige overeenkomst met de stad Haarlem af te sluiten. Het hospitaal zou vijftien bedden op de t.b.c.afdeling vrij houden voor rekening van de gemeente en hiervoor per kwartaal ƒ 5.000,- ontvangen, of de bedden nu in gebruik waren genomen of niet. Voor de inrichting van de nieuwe afdeling reisden twee zusters naar Duitsland om materiaal aan te kopen bij firma’s in Salzkotten en Berlijn, waar men vanwege de lage Duitse mark goedkoper uit was dan in Nederland. Op 13 oktober 1921 kon de nieuwe vleugel door de bisschop van Haarlem, Mgr. A.J. Callier, ingewijd worden. In deze periode overleed de eigenaresse van “Huize Bellevue”, een huis dat met de tuin grensde aan de Mariastichting. De zusters konden het aankopen voor de prijs van ƒ 23.700,- mede dankzij een door de Haarlemse St.Vincentiusvereniging verstrekte lening. Omdat het ziekenhuis het voorlopig niet nodig had, werd het vroegere buitenplaatsje verhuurd. In 1921 vierde dr. Jesserun zijn zilveren jubileum als arts. Hiervan was hij 21 jaar als chirurg in dienst van de Mariastichting geweest. In de Kroniek (1) staat over hem vermeld: ‘Bij dag en nacht was hij bereid om te helpen, waardoor hij veel heeft bijgedragen voor de bloei van de Mariastichting. Geen moeite spaarde hij om de Zusters de nodige kennis bij te brengen in verband met de ziekenverpleging.’  Een jaar later deed zich de mogelijkheid voor een oude fabriek en huize “Lindenhoek” met tuin, gelegen aan de Kamperlaan en het Spaarne van dezelfde eigenaar aan te kopen. Na toestemming vanuit het Moederhuis in Salzkotten en het afsluiten van opnieuw een lening ging de aankoop door voor de som van ƒ 55.000,-. Huize Lindenhoek is vervolgens verhuurd aan burgemeester C. Maarschalk, sinds 1919 burgemeester van Haarlem. De zusters memoreren dat hij de eerste burgemeester was die de Mariastichting altijd zeer terwille was. ‘Een groot verschil met zijn voorgangers, waarmede we vaak grote moeilijkheden hadden. De reden hiervan was wel, dat Haarlem overwegend Protestantsch was, voornamelijk de rijke Haarlemmers, die de Mariastichting dus niet gunstig gezind waren’.

In 1931 is de keuken van de Mariastichting gemoderniseerd naar de nieuwe eisen van de tijd

In 1931 is de keuken van de Mariastichting gemoderniseerd naar de nieuwe eisen van de tijd

Vrouwenzaal van de Mariastichting

Vrouwenzaal van de Mariastichting

De meisjeszaal van de kinderafdeling in de 1937 gebouwde oostvleugel van de Mariastichting

De meisjeszaal van de kinderafdeling in de 1937 gebouwde oostvleugel van de Mariastichting

Een kijkje op één van de zalen der mannenafdeling in de Mariastichting Haarlem in 1929

Een kijkje op één van de zalen der mannenafdeling in de Mariastichting Haarlem in 1929

De mannenzaal in de Mariastichting, in 1955 nog gesierd door een Heilig Hartbeeld (NHA)

De mannenzaal in de Mariastichting, in 1955 nog gesierd door een Heilig Hartbeeld (NHA)

Maria Stichting Haarlem. Ziekenkamer eerste klasse

Maria Stichting Haarlem. Ziekenkamer eerste klasse

Met een capaciteit voor maximaal 300 patiënten werden in deze periode gemiddeld 260 zieken verpleegd. Dr. L.C. Proot besloot na ruim 24 jaar zijn werkzaamheden als medisch hoofd in 1923 neer te leggen. Met toestemming van het Moederhuis werd op deskundig advies een arts als directeur aangesteld. Vanouds was het de gewoonte dat over het algemeen meer filosofisch geschoolde internisten een functie als geneesheer-directeur verkregen. Dat werd dr. J. Peters uit Den Haag, bekendstaand als een bekwaam geneesheer. Een probleem met uiteindelijk onvoorziene gevolgen was zijn huisvesting. De zusters waren in de gelegenheid het gerieflijk ingerichte huis “Boshof” in de Van Heythuijzenlaan aan te kopen voor de som van ƒ 30.000,-. Omdat de huur nog tot mei 1924 liep en dokter Peters per medio april 1923 zijn nieuwe functie aanvaardde was hij vooralsnog genoodzaakt dagelijks op­-en-neer tussen Den Haag en Haarlem te reizen. In de herfst van 1923 werd een begin gemaakt met de bouw van nieuwe barakken, modern ingericht met centrale verwarming, warm en koud water, elektrisch licht en een telefoon. Een gedenkwaardige dag was 8 september 1924, de dag waarop de Mariastichting wettelijk werd erkend als opleidingsziekenhuis voor verpleegsters. Statistieken 1919-1925 1919     1920    1921     1922     1923     1924     1925 ——————————————————————— Aantal patiënten                     1975     1952     2005    2102     2233     2208     2446 Verpleegdagen                    59080  60512  62660   65264   68956   67534   74137 (1) Zie literatuuropgave.   1926-1931

Mariastichting, nu een appartementencomplex

Uitbreiding, vernieuwing en afscheid Na een lange periode van voorbereiding begon de bouw van een nieuw mortuarium achter de barakken aan het einde van de Kamperlaan, op de plaats van vijf afgebroken oude arbeidershuizen. Ingewijd in september 1926 bestond het uit enkele kleine kapellen waar de overledenen werden opgebaard, een grote rouwkamer, een ontvangstkamer voor familieleden en een sectiekamer. Om te voldoen aan de moderne maatstaven werd het interieur van de klassenvleugel vernieuwd met koud- en warmstromend water, passende wastafels en toebehoren. Dankzij de milde gift van een anonieme weldoener kon voor ƒ 5.000,- ten behoeve van het hele ziekenhuis een radio-installatie worden aangelegd. Op 27 december 1926 hadden de zusters het grote voorrecht de Pauselijke nuntius Mgr. L. Schioppa te mogen ontvangen, die in de Mariastichting ter observatie was opgenomen. Met de opgedane ervaring was de Mariastichting tot verbazing van velen in staat om in 1927 in nauwelijks één jaar het St. Antoniusziekenhuis in de gemeente Velsen uit de grond te stampen. Hiervoor was een lening aangegaan en tien nonnen zijn naar de nieuwe instelling nabij het Noordzeekanaal verhuisd. Dr. Peters schoof zijn leerling Rut van der Veld naar voren als internist én geneesheer-directeur van het nieuwe “filiaal” in IJmuiden-Oost, voorloper van het Zeewegziekenhuis. De Haarlemse Franciscanessen waren buiten de wijkverpleging ook werkzaam in rusthuis “De Sterre” in Zandvoort en in “Duinrust” te Overveen. Sinds 1923 deden zij huishoudelijke taken op het kleinseminarie Hageveld in Heemstede en vanaf 1958, na de uitbreiding met een afdeling voor vrouwelijke patiënten werkten zij als verpleegster in het St. Joannes de Deo. Ondanks alle uitbreidingen en verbouwingen deed zich toch steeds weer plaatsgebrek voor, in het bijzonder op de 3e klassenafdeling. Men besloot tot uitbreiding van de nieuwe oostvleugel. Tevens werd de kapel vergroot en verfraaid met een prachtig hoogaltaar en twee zijaltaren, vervaardigd uit wit marmer. Na een zwaar ziekbed en maandenlange verpleging door drie zusters overleed op 28 april 1928 de bisschop van Haarlem, Mgr. M. Callier. Een andere slag was het overlijden van een jonge zuster, kort na het afleggen van haar eeuwige geloften. Kort daarop volgden zuster Xaveris, die 18 jaar gewerkt had als ziekenverpleegster en pastoor B. Schrandt van de Spaarnekerk, die kort vóór zijn dood uit dankbaarheid Moeder Digna 5000 gulden in de hand drukte. In mei 1928 werd de röntgenafdeling gemoderniseerd en de dertig jaar oude lift vervangen door een nieuwe. Omdat Haarlem nog niet over een stedelijk laboratorium beschikte moest al het materiaal steeds naar Utrecht worden gezonden voor onderzoek. Om aan deze noodtoestand een einde te maken besloot de toenmalige gezondheidscommissie een eigen laboratorium op te richten, waaraan de drie ziekenhuizen naar evenredigheid in de kosten bijdroegen. Op 1 juli 1929 legde dr. Jesserun na 30 jaar zijn ambt als chirurg neer. De plichtsgetrouwe arts werd opgevolgd door jonkheer C.G.J. von Winning. Dr. J.G. Hoge werd ter assistentie van directeur Peters als chef-arts benoemd. Thans kon het zogenaamde “Schuvers-Huis” vanouds “Vredenhof” geheten aan de Kleine Houtweg nummer 113 dat midden in het complex van huizen en tuinen van de Mariastichting lag, via een publieke veiling voor de som van ƒ 76.345,- worden aangekocht van de erfgenamen van de familie Schuver. Het ziekenhuis was nu helemaal omgeven door een fraai park, in de zomerdagen een rustieke ligplaats voor de zieken.

Oude ansichtkaart van 'Vredenhof' aan de Kleine Houtweg uit 1905

Oude ansichtkaart van ‘Vredenhof’ aan de Kleine Houtweg uit 1905

Villa Boshof, Kleine Houtweg 125, in 1929 door de Mariastichting aangekocht als ambtswoning voor de geneesheer-directeur

Villa Boshof, Kleine Houtweg 125, in 1929 door de Mariastichting aangekocht als ambtswoning voor de geneesheer-directeur

Door de Mariastichting aangekocht pand

Prentbriefkaart uit 1936 van d oor de Mariastichting aangekocht pand

Op 1 juni 1930 werd dr. W.C. van der Laan, 2e chirurgische arts, tevens benoemd tot chef de clinique. Omdat het aantal gediplomeerde leerlingverpleegsters allengs toenam was het noodzakelijk een geschikte huisvesting voor hen te vinden. Na allerlei moeilijkheden kon voor dit doel dankzij de bemiddeling van dr.Th. Koot een huis aan de Spaarnekant worden verworven voor ƒ 35.891,-. Het werd verbouwd en aangepast met een eetzaal, ontspanningsruimte en slaapgelegenheid voor de verpleegsters. De verlichting van de operatiekamer werd enorm verbeterd door middel van een lamp van Carl Zeiss uit Jena (Pantophas) en het ziekenhuis besloot voor de röntgenafdeling zelf radium aan te schaffen zodat patiënten ter plekke behandeld konden worden. Keuken, bijkeukens en refter werden vergroot; de oude kolenkachel vervangen door een gaskachel en aan de twee stoomketels werden er nog drie toegevoegd. In 1930 werd voor de eerste maal in de bestaansgeschiedenis van de Mariastichting het aantal van 100.000 verpleegdagen overschreden, een aantal dat in latere jaren weer zou dalen naarmate meer behandelingen poliklinisch werden uitgevoerd. 1926      1927      1928      1929      1930    1931 ————————————————————– Aantal patiënten                      2910      3131       2957     3266      3558     3435 Verpleegdagen                      98420    98349     82699   85587  101837  101922 1932-1939

Bidprentje van Fransiscanes zuster M.Donata, geb. 1901, overleden 2-9-1937 in de Mariastichting

Bidprentje van Fransiscanes zuster M.Donata, geb. 1901, overleden 2-9-1937 in de Mariastichting

Uitbreiding en renovatie ondanks de crisisjaren Na het afscheid van rector dr. Hamer in 1932 werd pastoor H.C.J. Sondaal door bisschop Mgr. J.D.J. Aengenent behalve tot deken van Haarlem ook als rector van de Mariastichting benoemd; tevens werd hij belast met de priesterlijke zorg voor het Moederhuis Alverna. Om hem een geschikte huisvesting te verschaffen werd het bouwvallige herenhuis “Vredenburg” gerestaureerd, waarbij de 18e eeuwse voorgevel zoveel mogelijk intact gelaten werd. Door de economische crisis van 1933 steeg in Haarlem het aantal werklozen tot ongeveer 6.000. Dagelijks klopten ongeveer vijftig armen aan bij de Mariastichting om met levensmiddelen huiswaarts te keren. Zelfs op de 1e klassenafdeling bespeurde men de achteruitgang van de financiële draagkracht. Indien het maar enigszins mogelijk was, lieten zieken zich thuis verzorgen. Maar toch, ondanks de verminderde inkomsten gelukte het de Mariastichting in mei 1933 de twee overgebleven huisjes aan de Kamperlaan voor ƒ 12.000,- in bezit te krijgen, waardoor het gehele gebied vanaf de Kleine Houtweg tot aan het Spaarne vrij kwam te liggen. De laatste jaren had de Mariastichting veel roodvonkpatiënten en de barakken, berekend op maximaal 35 patiënten, moesten uitgebreid worden. Vanwege gevorderde leeftijd was “huisarchitect” A. Brüning niet meer in staat een ontwerp te maken en is de opdracht hiertoe verleend aan ir. J.A. van der Laan te Leiden. In januari 1933 overleed dokter J. Waller-Zeper, specialist voor oor- en keelziekten, aan een beroerte. Zijn opvolger werd dokter H.M. Eysvogel, terwijl dokter De Vries voor oogziekten werd aangesteld. Zoals eerder vermeld was villa “Boshof” aangekocht als woning voor geneesheer-directeur J. Peters. Toen het huis beschikbaar kwam weigerde hij om naar Haarlem te verhuizen omdat hij onder geen beding zijn particuliere praktijk in Den Haag wenste op te geven. Na rijp beraad met het Provinciaal Moederhuis en veel onaangenaamheden wederzijds – de zusters wezen op een mondelinge afspraak, wat de heer Peters ontkende – is het contract met de directeur verbroken. Dr. J.G. Hoge (1898-1957) die de directeur als chefarts terzijde had gestaan werd op 18 juli 1933 diens opvolger. Het jaar daarvoor was hij in Groningen onder leiding van professor Polak Daniëls gepromoveerd op een dissertatie, getiteld: “Ureumretentie door gebrek aan keukenzout”. Ook al was dr. Hoge in de eerste plaats arts en viel het management in de moeilijke naoorlogse periode, waarin voortdurend noodoplossingen moesten worden bedacht hem zwaar, is zijn aanstelling achteraf toch een gouden greep gebleken. Hij loodste de Mariastichting door de bezettingsjaren en vervulde nadien zijn taak zeer consciëntieus tot zijn overlijden in het harnas, op 59-jarige leeftijd. Zijn laatste verdienste was de voorbereiding van de fraaie en moderne kraamkliniek Uyttenbosch aan de Spanjaardslaan, waarvan hij de opening in 1957 net niet meer beleefde. Haarlem breidde zich steeds verder uit in noordelijke richting en omvatte in 1927 ook het voormalige Schoten; voor de bevolking van Haarlem-Noord lag de Mariastichting niet erg gunstig. Na ampel beraad is daarom besloten daar een polikliniek te op te zetten. Men vond een geschikt pand aan de Rijksstraatweg 18 en na de noodzakelijke verbouwing werd op 17 augustus 1933 de nieuwe poli geopend. In de loop van de zomer van het jaar daarop zijn de bellen, de zogenoemde ziekenschellen die storend werkten op de rust van de zieken vervangen door een vernuftig systeem van lichtsignalen, ontworpen door de technische adviseur van het ziekenhuis ir. H. Engeler. Tegelijkertijd werd een stads- en huistelefooninstallatie aangelegd, die met een roepsignaal in verbinding stond. De klassenkamers werden gemoderniseerd en de vloeren gereviseerd. Het zal niet altijd even rustig zijn geweest tijdens al die verbouwingen en renovaties; iedereen kan zich voorstellen dat het wel wat moeite gekost zal hebben om de patiënten onder het aanhoudende geklop en getimmer tevreden te houden. Ook werd in het najaar van 1934 de hoofdingang met de verbouwing van vestibule, hal, kantoor en opnamekamer gemoderniseerd. Boven de deur is door kunstschilder Han Bijvoet een voorstelling aangebracht van de Heilige Maagd en het Kindje Jezus met aan beide zijden een symbolische voorstelling van Hoop en Liefde. Toen burgemeester Maarschalk in maart 1934 een auto-ongeluk kreeg en daarbij een been brak, gaf hij te kennen bij voorkeur in de Mariastichting te worden opgenomen. En dat was voor de eerwaarde zusters een heel grote eer. In 1935 ging een hartenwens in vervulling met de verbreding van de Kamperlaan, die voordien slechts vier meter breed was, waardoor het inkomende en uitgaande verkeer regelmatig met opstoppingen te maken had. De Mariastichting liet zelf het voorplein vernieuwen met in het midden een parkeerplaats voor auto’s. De trappen naar de ingang werden verwijderd, daarvoor in de plaats kwamen brede trottoirs.

Het stoffelijk overschot van bisschop mgr.J.D.J.Aengent wordt vanuit de Mariastichting per koets vervoerd naar het Bisschoppelijk Paleis in Haarlem (3-9-1935, Katholiek Documentatie Centrum Nijmegen)

Het stoffelijk overschot van bisschop mgr.J.D.J.Aengent wordt vanuit de Mariastichting per koets vervoerd naar het Bisschoppelijk Paleis in Haarlem (3-9-1935, Katholiek Documentatie Centrum Nijmegen)

Het Jubileum In september 1936 werd met veel luister het feit herdacht dat een halve eeuw geleden de Duitse zusters hun zegenrijk werk in de Spaarnestad waren begonnen. Het slot van de circulaire van het erecomité luidde: ‘Alles voor anderen, voor ons niets’, de kernspreuk der zusters van de Mariastichting. Een domper op de feestvreugde was de zware ziekte die bisschop Aengenent trof. Op 14 augustus werd hij naar de Mariastichting overgebracht. Dr. Hoge schakelde de op dat moment meest bekende chirurg, dr. Schuhmacher uit Den Haag in om een operatie als laatste redmiddel uit te voeren. De operatie doorstond hij goed, maar een kwaadaardig gezwel werd hem fataal. Hij stierf in de nacht van 2 op 3 september. De helaas onvermijdelijke doodsklokken klonken in schril contrast met de feestklokken voor de jubilerende zusters op 24 september. Vicaris-generaal Mgr. M.P.J. Mölmann, die de Mariastichting in de loop der jaren vaak terwille was geweest leidde nu de jubileumviering in de kapel. Het zusterkoor zong een door Hendrik Andriessen gecomponeerde Heilige Mis, door de toondichter zelf op het orgel begeleid en gedirigeerd door de musicus Jan Mul. In de vele toespraken werd met grote waardering voor de verpleging door de zusters, dank uitgesproken; daarna volgde een feestelijke samenkomst met hoogwaardigheidsbekleders (geestelijke en wereldlijke autoriteiten) en genodigden. De Commissaris van de Koningin in Noord-Holland baron A. Röell was aanwezig in gezelschap van minister mr. M. Slingerberg. Ook waren er de negentien in Haarlem geboren zusters die vanuit de Mariastichting waren ingetreden en zelfs twee oude zustertjes, die nog in het Sint Franciscusgesticht gewerkt hadden. Tot ieders verrassing speldde de minister Moeder Digna Becker (7e overste, van 1925 tot 1938) het teken van Ridder in de Orde van Oranje Nassau op de borst. Als waardering voor het werk van de doktoren werd dr. Th. Koot, die op dat moment het langst in de Mariastichting had gewerkt, benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. De drukbezochte receptie nam enige uren in beslag. Ter gelegenheid van dit jubilee poseerden alle zusters in vol ornaat voor de hoofdingang met in hun midden drie priesters: de vicaris, plebaan en deken-rector. Met voldoening kon worden vastgesteld dat met de ingebruikneming van de Mariastichting in 1899 met slechts vijfentwintig bedden, het aantal intussen was toegenomen tot ruim 300, in noodgevallen zelfs uit te breiden tot 340. Spoedig ging men weer over tot de orde van de dag.  De 2e oktober werd een treurige dag door het plotselinge overlijden van de altijd plichtsgetrouwe dr. F. Muller, zenuwarts, tengevolge van een hartaanval. Zijn opvolger werd dr. L.J. Franke, die ervaring had opgedaan in de neurologische kliniek te Wassenaar. In de jaren 1936 tot 1938 moesten verscheidene kleine en grote uitgaven in het belang van het ziekenhuis worden gedaan, variërend van een nieuwe operatietafel en modernisering van de röntgenafdeling (diepte-therapie) tot een nieuwe kookketelbatterij en een groenten- en ijsmachine ten behoeve van de keuken. Iedereen en in het bijzonder de nieuwe kinderarts dr. E.S. Frank was enthousiast over de nieuwe kinderafdeling: een zaal met boxensysteem, aan de oostvleugel gebouwd. Groot was de verslagenheid toen deze algemeen gewaardeerde specialist op 16 april 1937, de eerste praktijkdag op zijn nieuwe afdeling, ’s avonds kwam te overlijden. De zusterchroniqueur kan niet anders opmerken dan dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn en dat de mens wikt en God beschikt. De volgende dag al nam dr. W.M. Naessens, werkzaam in het ziekenhuis te IJmuiden, zijn taken over. Ook binnen de ondersteunende diensten werd waar mogelijk gemoderniseerd. Zo werd er een geheel nieuwe elektrische wasserij in de kelder geïnstalleerd en op de verdiepingen kwam een recreatiezaal voor de meisjes, evenals zevenentwintig slaapkamertjes en badgelegenheid voor de dames van de huishoudelijke dienst. Het gehele ziekenhuis werd voorzien van een nieuwe centrale verwarming. In de loop der jaren waren de vertrekken waar polikliniek gehouden werd te klein geworden en was verbouwing een absolute noodzaak geworden. Dit resulteerde in ruimten waar vijf specialisten tegelijkertijd polikiniek konden houden. Veel patiënten, die voorheen in het hospitaal werden opgenomen, werden thans poliklinisch behandeld omdat de Ziekenfonds- en Gemeentekassen niet meer bereid waren de ziekenhuiskosten te vergoeden. Het aantal poliklinische patiënten steeg met tot 6.200 (met ruim 30.000 consulten); dit was aanzienlijk hoger dan het aantal opgenomen patiënten. Tot grote ergernis van zijn partijgenoten, die evenals hij de evangelische confessie waren toegedaan, liet de Commissaris van de Koningin in Noord-Holland baron A. Röell, zich op 1 maart 1938 in de Mariastichting opnemen, om te genezen van een beenbreuk. De verzorging en de troost van de zusters die de Commissaris daar kreeg bevielen kennelijk toch zo goed, dat hij zelfs nog enige weken langer bleef dan door de behandelend geneesheer strikt noodzakelijk werd geacht. Moeder Digna Becker, die vanaf de opening in 1899 aan de Mariastichting verbonden was, nam dat jaar afscheid als overste en zou worden opgevolgd door zuster Antoni Müller (tot 1946), de laatste overste van Duitse herkomst. In oktober 1939 werd een door architect Klein Schiphorst en aannemer firma J.P.Nelissen  gebouwde polikliniek op het Soendaplein in Haarlem-Noord in gebruik genomen. Deze bevatte een wachtkamer, onderzoekkamers voor de verschillende specialisten, een röntgenkamer, een ruimte voor de hoogtezon, een vertrek voor fysische therapie en voor diathermiebehandelingen. De kunstenaar Frans Balendong had een glas-in-lood raam vervaardigd in het venster tussen de vestibule en de wachtkamer. Deze polikliniek bleef tot begin jaren 80 in gebruik. In 1939 waren er nog 132 religieuzen in het ziekenhuis werkzaam naast 60 lekenverpleegkundigen en twaalf (Duitse) leermeisjes in keuken en wasserij. Na de Tweede Wereldoorlog zou die verhouding drastisch veranderen.

Mariastichting Haarlem: ziekenkamer 1ste klasse

Mariastichting Haarlem: ziekenkamer 1ste klasse

Foto uit 1938 met 7 wiegjes op een rij in de verloskamer van de Mariastichting aan de Kamperlaan.

Foto uit 1938 met 7 wiegjes op een rij in de verloskamer van de Mariastichting aan de Kamperlaan.

In deze periode kwam vanuit Duitsland de oorlogsdreiging. Kort vóór de inval in Polen zijn Haarlemse zusters uit Salzkotten teruggeroepen. Ze verbleven daar voor een retraite maar moesten die in Alverna voltooien. Vanwege de algemene mobilisatie werden de meeste artsen van de Mariastichting onder de wapenen geroepen. Tegelijkertijd werd door de overheid bepaald dat in geval van oorlog Haarlem lazaretstad zou worden met de Mariastichting als oorlogslazaret. Binnen korte tijd was het ziekenhuis met Hollandse soldaten gevuld. Dr. Hoge, die benoemd was tot directeur van het oorlogsziekenhuis gaf cursussen aan jonge vrouwen, die in geval van nood de zusters moesten helpen gewonden te verplegen.

12 augustus 1936: bij het afscheid van mej.H.Simons van de rooms-katholieke bond van verpleegden, afdeling Haarlem (derde van links). Door de verpleegsters werd haar een klok aangeboden. Links de Haarlemse deken H.C.J.Sondaal en vierde van links directeur van de Mariastichting J.G.Hoge

12 augustus 1936: bij het afscheid van mej.H.Simons van de rooms-katholieke bond van verpleegden, afdeling Haarlem (derde van links). Door de verpleegsters werd haar een klok aangeboden. Links de Haarlemse deken H.C.J.Sondaal en vierde van links directeur van de Mariastichting J.G.Hoge

Statistieken: 1932       1933      1934      1935     1936     1937     1938     1939 ————————————————————————- Aantal patiënten                 3004       2904     3049       2949     3503    3712     3757     3711 Verpleegdagen      82294      81956  78302      75169   88655  95283   95635   96440 1940-1945 De moeilijke oorlogsjaren In de nacht van 10 mei 1940 werd men opgeschrikt door het geronk van Duitse oorlogsvliegtuigen. De meeste patiënten wilden zo spoedig mogelijk naar huis terug om binnen de vertrouwde familiekring te zijn. In de vroege ochtend werd begonnen met het ontruimen van het ziekenhuis, ook omdat de Mariastichting als lazaret voor oorlogsslachtoffers was bestemd. Alle beschikbare auto’s werden ingezet om patiënten naar huis te brengen. Ook de ambulances reden af en aan om bedlegerige zieken te vervoeren. Alleen degenen die kort daarvoor waren geopereerd mochten blijven. ’s Avonds kwamen enige Rode Kruiszusters om de ramen met papierstroken te beplakken ter beveiliging tegen rondspattende glassplinters bij een eventueel bombardement. Na vijf dagen was de Duitse bezetting van Nederland een feit en kwamen de zusters onder grote druk te leven. De specialisten keerden terug en het ziekenhuiswerk werd onder moeilijke omstandigheden voortgezet. Op 7 oktober 1940 overleed in de Mariastichting de algemeen gewaardeerde rector en deken H.C.J.M. Sondaal, die gedurende 30 jaar zoveel voor de congregatie heeft betekend. Hij had de Mariastichting als universeel erfgename benoemd, waarmee men de vrije beschikking kreeg over een aanzienlijk bedrag. Tot zijn opvolger benoemde de bisschop professor P. Heskes, leraar aan het grootseminarie in Warmond. Hij vestigde zich in perceel nummer 3 aan de Van Heythuijzenlaan, terwijl directeur dr. G.J. Hoge met zijn gezin verhuisde naar “Vredenburg” aan de Kleine Houtweg. In het eerste oorlogsjaar slaagden vijf zusters en vier verpleegsters voor het staatsdiploma A en behaalden twee nonnen en vier lekenverpleegsters het kraamdiploma. Toen de jodenvervolging begon werd een aantal onder de patiënten in de Mariastichting opgenomen om op deze wijze aan deportatie te ontkomen. Aan het bevel om namen van Joden onder de patiënten op te geven werd geen gehoor gegeven. Op deze wijze zijn naar schatting 85 Joden gered. Na de bevrijding hebben zij in Palestina een boom geplant en daaraan het volgende opschrift bevestigd: “Uit dankbare herinnering aan de Mariastichting in Haarlem (Holland)”. Op 18 oktober 1941 overleed een andere weldoener van de Mariastichting, de gewezen vicaris-generaal in het Bisdom Haarlem Mgr. M.P.J. Möllmann. Van de bezettingsoverheid kwam in 1942 het bevel bekwame verpleegsters beschikbaar te stellen voor de lazaretten. Een aantal werd geselecteerd en vertrok, hun opengevallen plaatsen werden ingenomen door zusters van elders. ’s Avonds was het gehele gebouw verduisterd, nergens mocht ook maar een straaltje licht naar buiten schijnen. Er mochten alleen zwakke lampen gebruikt worden en dat was natuurlijk lastig, al wende het enigszins. Toen de avondklok werd ingesteld, hield dat in dat niemand zich na 20.00 uur op straat mocht begeven. Dit betekende voor de wijkverpleging dat de zieken nu nog maar één maal per dag geholpen konden worden. Op 14 augustus werd generaal Maletke van het Rijksministerie voor de bezette gebieden in het Oosten (Ostministerium) uit Berlijn, die in Nederland op bezoek was, in de Mariastichting opgenomen. Omdat de genezing van zijn ziekte een gunstig verloop had kon hij het ziekenhuis op 4 september verlaten. ‘Hij was buitengewoon tevreden over de zorgzame verpleging en trakteerde alle Zusters op een goede kop koffie, wat in deze oorlogstijd een zeldzaamheid was geworden.’, aldus de Kroniek (1) In 1943 werd het steeds moeilijker om aan voedsel, kleding en brandstof te komen, aan alles heerste een nijpend gebrek. Bij het bombardement in de Amsterdamse Buurt op 16 april vielen veel slachtoffers. De Mariastichting was hier natuurlijk niet op voorbereid maar onder de doortastende leiding van dr. Hoge slaagde het personeel erin om alle gewonden te kunnen opnemen. Men ging na welke zieken eventueel ontslagen konden worden om plaats te maken voor slachtoffers. Auto’s werden gevorderd om gewonden binnen te brengen. Alle artsen, zusters, verpleegsters en zelfs het huispersoneel werd opgeroepen om de helpende hand te reiken. In de onderzoekkamers heerste grote bedrijvigheid; na verbonden te zijn werden de gewonden zo snel mogelijk naar de verschillende afdelingen gebracht. Er werd continu geopereerd, bloedtransfusies werden toegediend en de nodige hulp werd zo goed en zo snel mogelijk verleend. Rector Heskes stond de stervenden bij. Die nacht werden er vijfentwintig slachtoffers opgenomen, van wie er drie nog dezelfde nacht stierven. Enkele slachtoffers waren al tijdens het vervoer gestorven; zij werden in het mortuarium van het St. Elisabeth’s Gasthuis opgebaard. In 1942 en 1943 namen de aantallen opgenomen patiënten en verpleegdagen aanzienlijk toe vergeleken met voorgaande jaren, zoals blijkt uit de volgende statistieken: 1940       1941       1942       1943 ————————————————————- Patiënten                                           3670       4080       4853       5029 Verpleegdagen                                95018   115824   133827   142308

Op 12 januari 1944 is het staatsdiploma A nog uitgereikt aan twee zusters en elf verpleegsters, daarna kwam vanwege de verslechterende toestand alles stil te liggen. Het examen voor de kraamverpleging ging niet door en er werden ook geen kraamvrouwen meer in het ziekenhuis opgenomen. Nadat alle mogelijke specialistische hulp was uitgeput, waarbij dr. Hoge zelfs nog professor Zeeman uit Amsterdam had geconsulteerd, overleed op 30 november 1944 Moeder Digna Becker, die van 1925 tot 1938 overste van de Mariastichting en Moeder van de zusters was geweest. Begin 1945 verzocht de bisschop, Mgr. Huibers de ziekenhuisleiding om dagelijks aan dertig bijna uitgehongerde kinderen een warme maaltijd te verstrekken. Dat verzoek is ingewilligd, ondanks het feit dat zusters en zieken al enige weken bloembollen aten in plaats van de gebruikelijke aardappelen. Regelmatig gingen enkele zusters met de fiets er op uit om bij boeren in de Haarlemmermeer levensmiddelen proberen te krijgen, vaak zonder veel succes: sommige agrariërs zeiden niets te kunnen missen, anderen stonden de nonnen niet eens te woord. Ten einde raad werd besloten wekelijks met een boot naar de Wieringermeer te gaan om daar – meestal voor veel geld – groenten, vlees en meel te kopen. Een begeleidend schrijven van de bisschop ondersteunde de verzoeken. Met een verlofpas van de commandant van de Duitse bezetting ging om de 14 dagen ook de ziekenhuisdirecteur mee, vergezeld door de secretaris van de bisschop. Ze waren meestal drie dagen onderweg en de vreugde was steeds groot wanneer de boot het Spaarne weer opvoer. Iedereen, ook de artsen de zusters hielp mee met het uitladen van het voedsel. De patiënten die mochten opstaan keken door de ramen toe hoe alles in zijn werk ging. Eerst werd in de kelder alles gesorteerd. Iedere vrijdagavond tussen 6 en 7 uur werd aan de armen voedsel uitgereikt. Op vertoon van bezoekkaarten kregen zij onder andere suikerbieten, wortelen, rode of witte kool en rogge vermengd met haver. Tevens werden er kaarten voor brood en vet uitgereikt. Bij het ketelhuis stonden dagelijks veertig tot vijftig personen om hun emmer te vullen met het restant van de kolen die uit de verwarming kwamen. Nadat in september 1944 het zuidoostelijk deel van Nederland was bevrijd verergerde de situatie boven de rivieren. Er was gebrek aan vrijwel alles en velen stierven van ondervoeding en ellende. Iedere avond kreeg het ziekenhuis inkwartiering van meestal jonge mensen die zich ’s avonds niet meer op straat mochten vertonen. Ze sliepen in een tunnel, waar niemand hen kon vinden. De volgende ochtend verlieten ze het huis om terug te keren wanneer er gevaar dreigde. In de maand januari 1945 kwamen dankzij een liefdegift van de Zweedse bevolking schepen binnen met Zweeds meel; hiervan werd door Nederlandse bakkerijen brood gebakken. Dit zogenoemde Zweedse brood werd in februari aan de hongerende bevolking uitgedeeld. Er was ook roomboter, een bijna vergeten lekkernij waarvan iedereen smulde. Op 25 april was Anton Mussert, die een bezoek gebracht had aan het hoofdkwartier van de NSB in Amsterdam om afscheid te nemen van H.J. Woudenberg, in Haarlem betrokken bij een verkeersongeval. Op het Houtplein kwam hij met zijn auto in botsing met een wagen van de Duitse Weermacht. Dr. Van der Laan die juist op de fiets passeerde zag wie de gewonde was en probeerde Mussert naar het E.G. te laten overbrengen. Daar beweerde men echter “geen plaats” te hebben en dus werd hij opgenomen in de nabijgelegen Mariastichting, waar men een hersenschudding en een gekneusde rib constateerde. Via Van der Laan  kwam zijn opname onder de aandacht van twee commandanten van de Binnenlandse Strijdkrachten (B.S.) waaronder dr. H.Wamsteker, chirurg in het Diaconessenhuis. Snel werd vanuit de “Koepel” op het terrein van de Mariastichting, waar het verzet bijeenkwam en de assistent-artsen A.W.F.van Rijn en (de latere internist) A.P. Nolen naar Radio Oranje luisterden het plan gesmeed om de NSB-leider te kidnappen. ‘s Nachts waren echter verscheidene NSB-lijfwachten vanuit het Utrechtse hoofdkwartier gearriveerd zodat de actie moest worden afgeblazen. De opnamezuster Dolorosa heeft daarover later gezegd: ‘Binnen een half uur stond de hal vol met NSB’ers, ’s avonds laat. Het is ongelooflijk zo vlug als die mensen er waren. Dokter Hoge heeft al die NSB’ers toen weggestuurd op vier lijfwachten na.’ Kort daarop keerde Mussert huiswaarts. Na opname in een Haags ziekenhuis (thans Bronovo) is hij op 7 mei gearresteerd. Op 5 mei kwam het bericht waarop zo lang en vurig gewacht was: “De vijand heeft gecapituleerd”. De vreugde was onbeschrijflijk, ook in de Mariastichting. Alle zusters, verpleegsters, dokters, het huishoudelijk personeel en de patiënten die het bed mochten verlaten, begaven zich met spoed naar de kapel om daar uit volle borst het Magnificat en het Te Deum te zingen. In 1947 ondertekende C. van Stam – voormalig gewestelijk commandant van de B.S. in district 12: Haarlem en omstreken – als directeur van het Provinciaal Bureau Noord-Holland der Stichting 1940-1945 een Engelstalig certificaat. Daarin bedankt hij de zusters voor alle ontvangen hulp en bericht hij dat zij met grote moed risico’s namen, in het bijzonder door het verlenen van onderdak aan het ondergrondse verzet dat letterlijk onder de grond van het ziekenhuiscomplex via heimelijk aangelegde telefoonlijnen dagelijks overlegde met de plaatselijke commandanten.  (1) Zie literatuuropgave

1945-1950 Naoorlogse wederopbouw A cht dagen lang zijn er bevrijdingsfeesten bij de Mariastichting gevierd. In de tuin aan het Spaarne waren enige tenten opgezet waar men van alles kon kopen en waar ’s avonds een gezellig samenzijn was voor iedereen die bij het ziekenhuis betrokken was. Hieraan namen ook de echtgenotes van de artsen deel. De 54 verpleegsters hadden een grote, door paarden getrokken melkwagen gehuurd waarmee ze in uniform door de stad reden, hun witte schorten waren versierd met vlaggetjes van de geallieerde landen. Spoedig nam het leven waar de omstandigheden dat toelieten weer z’n gewone gang. In oktober slaagden vijf verpleegsters voor het kraamdiploma. Begin 1946 mochten alle zusters die tijdelijke en eeuwige geloften hadden afgelegd ter compensatie van de zware oorlogsjaren drie dagen thuis in familiekring doorbrengen. Groot was de vreugde, maar voor de Duitse nonnen was het bezoek in vele gevallen heel dramatisch. Door de bombardementen en het oorlogsgeweld waren veel familieleden omgekomen. Het was geen uitzondering dat een zuster door de aangerichte verwoestingen het familiehuis niet eens meer had kunnen terugvinden. Na de vijf oorlogsjaren was de inventaris van de Mariastichting wel aan herziening toe. Voor alle afdelingen werd een koelkast aangeschaft. Het ziekenhuis was nu voortdurend overbezet en vrijwel dagelijks moesten er zieken voor opname worden geweigerd. Op verzoek van de provinciale raad werden met volledige steun van de rijksoverheid in de tuin aan het Spaarne vier provisionele paviljoens gebouwd. Mede omdat de materialen hiervoor ontbraken viel aan de bouw van een nieuwe vleugel voorlopig niet te denken. Ook de kosten van het interieur, zoals bedden, dekens enzovoort kwamen volledig voor rekening van het Rijk. Tegelijkertijd werden op de klassenafdelingen verbeteringen aangebracht en werden toiletten, badkamers, afdelingskeukens en dergelijke gemoderniseerd. Op 5 oktober 1946 werd zuster Siegberta Ootes met de zware taak van overste belast, de eerste van Nederlandse afkomst. Al op jonge leeftijd had ze als ziekenverpleegster in de Mariastichting gewerkt, zodat ze zeker geen vreemde was. Omdat er te weinig nonnen waren, werd met ingang van 1 november de wijkverpleging overgenomen door lekenverpleegsters; hiermee kwam aan een traditie die terugging tot 1885 een eind. In april 1947 kwamen de eetzaal in het nieuwe paviljoen en het slaappaviljoen voor de verpleegsters gereed; de verpleegsters beschikten nu over een over een goede huisvesting. Na de laatste twee oorlogsjaren nam het aantal patiënten aanzienlijk toe blijkt uit de cijfers. 1944       1945       1946      1947 ——————————————————— Patiënten                                                  4912       4600        5785      5522 Verpleegdagen                                       131789    131890    135737  134715 In 1947 behaalden twee religieuzen en twaalf lekenverpleegsters het staatsdiploma A, een jaar later waren dit er respectievelijk tien en zeventien en in 1949 één en negentien. In september 1949 werd op verzoek van neuroloog dr. A. Verjaal een encefalograaf aangeschaft. Het bestuur gaf hiervoor toestemming en in Engeland werd dit apparaat voor de prijs van ƒ 8.422,- aangekocht, waarmee de Mariastichting het eerste ziekenhuis in Haarlem was dat hersenonderzoek deed.  Aan het eind van het jaar nam röntgenoloog dr. K. Valken, die sinds januari 1919 in functie was geweest, afscheid van de Mariastichting met een groot voor hem georganiseerd feest. Er waren toespraken van onder andere directeur dr. Hoge en de collega-specialisten Koot en Van der Laan. Vanaf 1 januari zou hij nog enige tijd voor halve dagen in het St. Elisabeth’s Gasthuis zijn praktijk voortzetten. In 1949 was men erin geslaagd het prachtige landhuis “Eindenhout” aan de Wagenweg in de Hout aan te kopen voor de som van ƒ 125.000,-. De bedoeling was om dit in het bos gelegen huis te verbouwen tot een verpleegstershuis, maar de gemeente Haarlem verhinderde deze plannen onmiddellijk door middel van een bouwverbod. Op 1 januari 1950 begon de ambtsperiode van de nieuwe röntgenoloog dr. H.J.H. Neyens, die van vele zijden was aanbevolen. (In 1958 zou hij worden benoemd tot geneesheer-directeur van het ziekenhuis). In hetzelfde jaar werden wijzigingen aangebracht in de apotheek, het laboratorium en de röntgenafdeling. Ook werd de hal verfraaid met een antieke klok, erfstuk en schenking van dr. Hoge. Na 22 jaar, op 31 maart verliet dokter W. Mol het ziekenhuis en werd opgevolgd door dokter Haverkamp. Op 75-jarige leeftijd nam zuster Siegberta afscheid als overste; in haar plaats kwam zuster Henrica Stammeyer, die dit ambt gedurende zes jaar in IJmuiden had waargenomen. Diverse vernieuwingen in de keuken en kleine verbouwingen in de St.Antonius-slaapzaal vonden plaats. In augustus kwam de restauratie van de Koepel in de tuin aan de Kleine Houtweg aan de beurt. Voor verscheidene specialisten werd op hun verzoek nieuwe apparatuur aangeschaft. Zo bestelde men bij Philips in Eindhoven een apparaat ten behoeve van de moderne röntgendiagnostiek.

Maria1

Foto genomen op 2 juni 1955 toen eerste chirurg dr.W.C.v.d.Laan herdacht dat hij 25 jaar werkzaam was in de Mariastichting. Op de foto zien we vooraan zittend derde van links mw.v.d.Laan en rechts van haar W.C.v.d.Laan. Verder zien we o.a. op de eerste rij Eijsvogel (KNO-arts), rector Castricum, zuster Henrica, dr. Hoge (internist en geneesheer-directeur (derde van links), dr.Koot (chirurg) en verder daarachter o.a. Haverkamp (orthopaedisch chirurg), dr. Nolen (internist), Corrie Grooteboer (kinderarts), A.Botter (dermatoloog), Uyterwaal (neuroloog), Kamerling, Von Winning (gynaecoloog), Van Veen (reumatoloog) en Delemarre (chirurg).

Foto genomen bij de opening van de kraamkliniek der Mariastichting in het pand Uyt den Bosch, 28 januari 1958

Foto genomen bij de opening van de kraamkliniek der Mariastichting in het pand Uyt den Bosch, 28 januari 1958

Op bovenstaande foto van links naar rechts: Wil Tulp, Mia v.d.Heijden, Joke Dijsselbloem, v.d. Putten, onbekend, Trees v.d.Meer, onbekend. Middelste rij: zuster Antonie, zuster Theresia, zuster Scholastica, zuster Dolorosa, zuster Benigna, onbekend. Achterste rij: onbekend, zuster Lidwina, dr. W.C.van der Laan (chirurg), zuster Hartmut, zuster Frumentia, onbekend, dokter van Aubel, mevrouw van Aubel, dokter Bekart (ass,gynaecoloog), drs. M.J.C.van den Heuvel (economisch directeur), Nelissen (aannemer)

Ansichtkaart uit 1959 met voorzijde van Uyt den Bosch, dat als kraamkliniek van de Mariastichting fungeerde en waar vele honderden bekende en minder bekende mensen zijn geboren, zoals tv-maakster Tosca Nifterink, acteur Dick van den Toorn, Dolly Dots-zangeres Esther Oosterbeek etc. Het herenhuis van de oude buitenplaats was in 1911 gesloopt waarna door architect H.Hendriks een nieuw pand is ontworpen, in 1957 verbouwd tot kraamkliniek. Tegenwoordig heeft dit gebouw een kantoorfunctie.

De couveusekamer in kraamkliniek Uyt den Bosch in 1958

De couveusekamer in kraamkliniek Uyt den Bosch in 1958

Uyt

                            ansichtkaart van hal van Uyt den Bosch (ontvangen van F.Eeken)

Statistieken   Jaar         Aantal patiënten      Verpleegdagen   Gem. Verpleegduur in dagen  1899                               80                               3.384                                        42,3 1905                       726                             33.360                                        46 1910                     1.089                             44.242                                        40,6 1915                      1.401                             48.850                                        34.9 1920                       1.952                             60.512                                        31,0 1925                       2.446                             74.137                                        30,3 1930                       3.558                           101.837                                        28,6 1935                       2.949                             75.169                                        25,5 1940                       3.670                             95.018                                        25,9 1945                       4.271                           131.890                                        30,9 1950                       5.194                           137.058                                        26,4 1958                        7.094                           147.254                                       27,0

In 1958 bedroeg het aantal operaties 2.900 (klinisch) en ongeveer 1.200 (poliklinisch). Aantal gemaakte röntgenfoto’s 12.500 Therapeutische behandelingen  5.100 Laboratoriumonderzoeken 88.087 Bloedtransfusie’s 1.746 Stofwisselingonderzoeken  1.271 Polikliniekbezoeken  36.505 (evenals 21.908 in Haarlem-Noord).

De zieke Fred Plevier (één van de Mounties) krijgt bezoek van zijn partner Piet Bambergen en in het midden Rudi Carell. Beide bezoekers eten het meegenomen fruit op dat Plevier vanwege zijn ziekte niet mag eten (23-10-1963, foto Ben Hansen)

De zieke Fred Plevier (één van de Mounties) krijgt bezoek van zijn partner Piet Bambergen en in het midden Rudi Carell. Beide bezoekers eten het meegenomen fruit op dat Plevier vanwege zijn ziekte niet mag eten (23-10-1963, foto Ben Hansen)

Verdeling patiënten naar kerkgenootschap in 1965

Nederlands Hervormd           1.813 Zonder kerkgenootschap       1.493 Gereformeerd                          725 Rooms-katholiek                      589 Overige                                   141 Doopsgezinde Broederschap     114 Evangelische Lutherse Kerk        91 Chr. Gereformeerde Kerken        73 Remonstrantse Broederschap      32 Gereformeerde Gemeente           30 Apostolische Kerk                        29 Geref. Kerken (vrijgemaakt)         25 Unie van Baptisten Gemeente       12 Oud-Katholieke Kerk                    10 Leger des Heils                              8 Vrije Evangelische Gemeente          3 Israëlieten                                     1                                               ————–    5.189

De jongenszaal van de kinderafdeling der Mariastichting in 1964

De jongenszaal van de kinderafdeling der Mariastichting in 1964

 Overzicht van opgenomen patiënten naar herkomst woonplaats in 1965 Haarlem                                                  2.320 Heemstede                                             442 Haarlemmermeer                                        438 Hillegom                                             374 Zandvoort                                                  358 Bloemendaal                                           292 Velsen                                                       244 Aalsmeer                                                   186 Haarlemmerliede                                        132 Bennebroek                                           130 Lisse                                                          113 Overige gemeenten                                    160

——————- 5.189  ===============================================================

Hoogbouw Mariastichting vanaf het Spaarne

Babyafdeling met verpleegkundigen, links zr. Divendal en rechts zr. Van der Horst, 1918 (NHA)

Babyafdeling met verpleegkundigen, links zr. Margriet Divendal (overleden 18-12-1998) en rechts zr. Van der Horst, 1918 (NHA)

In 1960 kreeg aannemer J.P.A.Nelissen opdracht een verpleegstersinternaat te bouwen. Twee jaar later is het gebouw, dat plaats bood aan 132 leerling-verpleegkundigen, opgeleverd. De inzegening en opening van het nieuwe zusterhuis CLIO vond plaats in december 1962. Rechts spreekt dr.H.H.H.Neyens, geneesheer-directeur van 1958 tot 1978

In 1960 kreeg aannemer J.P.A.Nelissen opdracht een verpleegstersinternaat te bouwen. Twee jaar later is het gebouw, dat plaats bood aan 132 leerling-verpleegkundigen, opgeleverd. De inzegening en opening van het nieuwe zusterhuis CLIO vond plaats in december 1962. Rechts spreekt dr.H.H.H.Neyens, geneesheer-directeur van 1958 tot 1978

Op bovenstaande foto zien we op de eerste rij van links naar rechts: dr.A.Peiron, geneeskundig inspecteur voor de volksgezondheid voor Noord-Holland, mr.O.P.F.M.Cremers, burgemeester van Haarlem, Zuster Dolorosa, algemeen overste van de Zusters Franciscanessen van Aerdenhout, mgr.J.A.E.Dodewaard, bisschop van Haarlem, dr.M.J.Prinsen, commissaris van de Koningin in de provincie Noord-Holland en Zuster Benigma, moeder-overste van de Mariastichting. Staand achter de katheder de geneesheer-directeur van de Mariastichting, dr.J.H.J.Neyens, die namens het bestuur opmerkte: ‘dat dit verpleegstershuis wel geen directe functie heeft binnen het ziekenhuis, maar dat zijn wezenlijke waarde niet te onderschatten valt. De leerling-verpleegster is een jong meisje, dat in een omgeving vertoeft, welke sterk afwijkt van het gebruikelijk levenspatroon. Meestal komt zij rechtstreeks uit een gezin, uit de zorgeloosheid ook van de jeugd. In de sfeer van het ziekenhuis wordt die omgeving ernstiger, krijgt zij te maken met mensen-in-nood. De zorgeloosheid moet wijken voor de zorg van anderen. Zij wordt bovendien van de theorie geschoold naar de praktijk. Daaruit blijkt reeds de taak van het ziekenhuisbestuur ten opzichte van leerlingen en de ouders, die hun dochters voor de ziekenverpleging hebben afgestaan. Begint de leerling-verpleegster met haar plicht om te zorgen voor anderen, het ziekenhuis moet voor haar zorgen, in de geest van de ouders. Die gedachte staat voorop. Daarom is het verpleegstershuis het eerst gerealiseerd in de totale reorganisatieplannen van het ziekenhuis.’

Vm. interieur Clio verpleegstershuis met lounge en leesruimte. Haarlem

Vm. interieur Clio verpleegstershuis met lounge en leesruimte. Haarlem

Dr. W.C.v.d.Laan, eerste chirurg, vierde op 2 juni 1955 dat hij 25 jaar werkzaam was bij de Mariastichting

Dr. W.C.v.d.Laan, eerste chirurg, vierde op 2 juni 1955 dat hij 25 jaar werkzaam was bij de Mariastichting

Bekende personen op foto zilveren jubileum W.C.v.d.Laan

Bekende personen op foto zilveren jubileum W.C.v.d.Laan

1= rector Castricum, 2 = mevrouw V.d.Laan, 3 = W.C.v.d.Laan, 4 = zuster Henrica, 5 = Dr.J.G.Hoge, internist en geneesheer-directeur, 6 = onbekend, 7 = dr. Koot, chirurg, 8 = Eysvogel, KNO-arts, 9 = Haverkamp = orthopedisch chirurg, 10 = Nolen, internist, 11 = Corrie Grooteboer, kinderarts, 13 = A.Botter, dermatoloog, 14 = Uyterwaal, neuroloog, 15 = Kamerling, 16 = Von Winning, gynaecoloog, 17 = Van Veen, reumatoloog, 18 = Delamarre, chirurg

Kameleon, februari 1963. Geslaagden van de interne opleiding

Kameleon, februari 1963. Geslaagden van de interne opleiding

Op bovenstaande foto van de geslaagden interne opleiding Mariastichting zien we staand van links naar rechts: Mieke v.d.Wiel, Jopie Peters, Cobi Limmen, Greet Blijleven, Juul Draaisma, Zuster Honorata, Zuster Pascal, Marian Schrievers, Zuster Plechelma, Oukie v.d.Geest, onbekend, Ineke Broekkamp. Knielend/zittend: v.l.n.r.: Conny Oosterveer, Wil Megelink, Hans Arnoldus, Marian Lorens, onbekend, onbekend, V.van Beusekom, onbekend, Thérèse van Rhijn

De medische staf van de Mariastichting Haarlem in 1976

De medische staf van de Mariastichting Haarlem in 1976

Op bovenstaande foto zijn de volgende personen afgebeeld: 1) Th. Vos (apotheker), 2) A.van der Wateren (dermatoloog), 3) A.Verboom (onderwijs-coördinator), 4) A.Geertman (orthopedisch chirurg), 5) G.van Bohemen (radioloog), 6) H.Neysens (radioloog en geneesheer-directeur), 7) J.De Neff (kinderarts), 8) A.de Jong (pastor), 9) A.Looyé (nucleair geneeskundige), 10) J.Grimberg (internist), 11) G.van Veen (reumatoloog), 12) H.de Jager (patholoog anatoom), 13) B.ten Hove Jansen (cardioloog), 14) A.Houwing (anesthesioloog), 15) A.Hahn (klinisch fysicus), 16) J.Verwiel (internist), 17) Th.de Wringer (uroloog), 18) W.Cornet (anesthesioloog), 19) P.de Kort (anesthesioloog), 20) J.Leygraaf (radioloog), 21) A.Botter (dermatoloog), 22) P.Raggers-v.d.Zaal (kinderpsychiater), 23) P.Kool (KNO-arts), 24) T.ter Bruggen Hugenholtz (chirurg), 25) M.van der Kooi (cardioloog en na 1978 algemeen directeur), 26) F.van der Beek (uroloog), 27) M.van den Heuvel (economisch directeur), 28) L.Stapper (apotheker), 29) P.Wiesenhaan (gynaecoloog), 30) W.Botman (orthopdisch chirurg, 31) A.van Koppen (klinisch chemicus), 32) R.Olie (internist), 33) R.Baart (medisch fysicus).

Protest met spandoeken tegen de voorgenomen sluiting van de Mariastichting aan de Heyhuizerweg, 1982 (NHA)

Protest met spandoeken tegen de voorgenomen sluiting van de Mariastichting aan de Heyhuizerweg, 1982 (NHA)

Protest van een verpleegkundige tegen de sluiting, 1982 ((NHA)

Protest van een verpleegkundige tegen de sluiting, 1982 (NHA)

Dr.W.Oolders, hoofd van de afdeling Fysiotherapie bij ziekenhuis Mariastichting, 1982 (NHA)

Dr.W.Oolders, hoofd van de afdeling Fysiotherapie bij ziekenhuis Mariastichting, 1982 (NHA)

Opening van de verloskamer in de Mariastichting na de verbouwing in 1985. Van links naar rechts: N.Exalto, Ineke Tuyten, P.F.Wiesenhaan, Marie-José Vink en K.Wamsteker.

Opening van de verloskamer in de Mariastichting na de verbouwing in 1985. Van links naar rechts: N.Exalto, Ineke Tuyten, P.F.Wiesenhaan, Marie-José Vink en K.Wamsteker.

Kinderarts dr. J. de Nef en zijn prachtteam in het Spaarne Ziekenhuis

Kinderarts dr. J. de Nef en zijn prachtteam in het Spaarne Ziekenhuis

De medische staf in 1998 (foto genomen in de hal van de Mariastichting)

De medische staf in 1998 (foto genomen in de hal van de Mariastichting)

Plaatsing medische stafmedewerkers Mariastichting in 1998

Plaatsing medische stafmedewerkers Mariastichting in 1998

Namen van afgebeelde personen: 1. S.Reinders Folmer (internist), 2. N.Exalto (gynaecoloog), 3. A.Ketel (arts), 4. R.Veenhoven (kinderarts), 5. A.Tanka (chirurg), 6. A.Broekers (neuroloog), 7. W.Witteveen (directeur algemene zaken), 8. W.Bruins Slot (internist), 9. F.van Breukelen (longarts), 10. E.de Koning (oogarts), 11. A.van der Wateren (dermatoloog), 12. A.ten Hove Jansen (cardioloog), 13. J.Mispelbloem Beijer (neuroloog), 14. E.Müller (cardioloog), 15. R.Groenteman (uroloog), 16. H.Kruyswijk (cardioloog), 17. F.Kerkhoff (klinisch chemicus), 18. Erkelens (?) (psychiater), 19. S.van der Meer (radioloog), 20. A.de Winter (oogarts), 21. R.Braakman (oogarts), 22. K.Wamsteker (gynaecoloog), 23. M.Herruer (klinisch chemicus), 24. P.Wiers (longarts), 25. M.Sanders (anesthesioloog), 26. P.van der Plas (klinisch chemicus), 27. A.Houwing (anesthesioloog), 28. H.Siebbeles (chirurg), 29. J.Brants (KNO-arts), 30. J. Groen (uroloog), 31. B.Lether (chirurg), 32. K.van der Stadt (internist), 33. C.de Swart (internist), 34. A.Zwijnenburg (nucleair geneeskundige), 35. G. Rösingh (orthopedisch chirurg), 36. E.van der Weyer (uroloog), 37. K.van Groningen (patholoog-anatoom), 38. H.de Jong (oogarts), 39. J.van Heteren (anesthesioloog), 40. J.Leygraaf (radioloog), 41. H.van Alphen (economisch directeur), 42. O.Suttorp (voorzitter Raad van Bestuur), 43. P.Schilt (oogarts), 44, mw.L.van Raamsdonk-Plevier (apotheker), 45. mw.K.de Jong-Busnac (oogarts), 46. J.Schrik (orthopedisch chirurg), 47. Baart (klinisch fysicus), 48. P.Wiesenhaan (gyaecoloog), 49. J.Terwiel (reumatoloog), 50. P.Kool (KNO-arts), 51. T.Olie (internist), 52. W.Cornet (anesthesioloog), 53. D.van ’t Hof (gynaecoloog), 54. W.Botman (orthopaedisch chirurg), 55. B.de Vet (directeur patiëntenzorg).

Links dr.H.J. van Alphen, directeur beheer van 1989-2002 en dr.B.J.C.M.de Vet, directeur patiëntenzorg van 1989-1998

Links dr.H.J. van Alphen, directeur beheer van 1989-2002 en dr.B.J.C.M.de Vet, directeur patiëntenzorg van 1989-1998

Bestuurders van het Spaarne Ziekenhuis ten tijde van de verhuizing van Haarlem en Heemstede naar Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer. V.l.n.r.: drs.L.J.Sluis RA (lid Raad van Bestuur), dr.C.F.Melissant (longarts en voorzitter Bestuur Vereniging Medische Staf) en O.Suttorp, arts MBA (voorzitter Raad van Bestuur)

Bestuurders van het Spaarne Ziekenhuis ten tijde van de verhuizing van Haarlem en Heemstede naar Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer. V.l.n.r.: drs.L.J.Sluis RA (lid Raad van Bestuur), dr.C.F.Melissant (longarts en voorzitter Bestuur Vereniging Medische Staf) en O.Suttorp, arts MBA (voorzitter Raad van Bestuur)

De medisch specialisten van het Spaarne Ziekenhuis omstreeks 2004

De medisch specialisten van het Spaarne Ziekenhuis omstreeks 2004

Twee Zusters bij het beeld van twee zusters door Kees Verkade, tegenwoordig geplaatst voor het Spaarne Ziekenhuis in Hoofddorp

Twee Zusters bij het beeld van twee zusters door Kees Verkade, tegenwoordig geplaatst voor het Spaarne Ziekenhuis in Hoofddorp

Prinses Beatrix opende het nieuwe Diaconessenhuis in Heemstede, na fusie met de Mariastichting Spaarne Ziekenhuis geheten

Prinses Beatrix opende het nieuwe Diaconessenhuis in Heemstede, na fusie met de Mariastichting Spaarne Ziekenhuis geheten

Lennaert Nijgh over de Mariastichting

De tekstschrijver Lennaert Nijgh die 28 november 2002 op 57-jarige leeftijd overleed en op de Algemene Begraafplaats in Heemstede is begraven, werd tijdens de oorlog op 19 januari 1945 in de Mariastichting geboren. Het ziekenhuis figureert in verscheidene van zijn in het Haarlems Dagblad gepubliceerde columns. Een selectie daarvan verscheen in het boek: “Nog even en ik zie de hemel weer” (Nijgh & Van Ditmar, 2003), waarin hij over een verhaal “Paus” geheten, schrijft: ‘Ik ben niet katholiek. Laat ik dat vooropstellen. Ik ben alleen maar in de Mariastichting geboren, maar dat was toeval. Of liever gezegd: het was toeval. Toch krijg je daar als kind een tik van mee (…) Mijn moeder was niet katholiek. Ik ben het evenmin. Ik ben alleen maar in de Mariastichting geboren, omdat het toevallig oorlog was. ‘Sed libera nos a malo. Amen’’. Voor: “Denkend aan Haarlem” (1995) ging hij in “De straat waarin ik in Haarlem droom” uitvoeriger in op de Mariastichting: ‘ Haarlemmer ben ik van geboorte. Dat is puur toeval. Ik heb geen Haarlemse voorouders. Mijn vader en moeder kwamen vanuit verre steden en landen voor de oorlog in Amsterdam terecht. Eigenlijk waren ze niet van plan daar weg te gaan, maar het toeval, laten we het gemakshalve maar zo noemen, wilde anders. De Duitsers evacueerden Scheveningen. Dat betekende dat mijn ouders mijn grootmoeder in huis en daarom groter moesten gaan wonen. Maar waarom bleven ze niet in Amsterdam? Er was in die jaren aan veel gebrek, maar niet aan huurhuizen. Waarschijnlijk dachten ze dat een grote stad in oorlogstijd minder veilig was, gezien het lot dat Rotterdam had getroffen. Mijn vader was grafisch ontwerper en werkte thuis. Ze waren niet aan Amsterdam gebonden. Eerst dachten ze aan het Gooi. Ik ontsnapte, ofschoon nog niet eens verwekt, aan mijn eerste gevaar ’t Gooi! Ik moet er niet aan denken.  Het werd de rand van Heemstede. Bijna op de grens met Haarlem, dicht bij het station. Het werd ook de hongerwinter van 1944-1945 en zo kwam ik, op dat nogal ongelukkige tijdstip, als niet-katholiek jongetje ter wereld in de Mariastichting, dat als laatste van de ziekenhuizen nog over enige energie beschikte. De winter was streng. Er lag sneeuw en in het hongerende westen van Nederland gingen meer mensen dood dan er geboren werden. Mijn eerste muziek: de niet aflatende missen van requiem uit de kapel van het ziekenhuis. De eerste mensen die ik in het leven ontmoette, waren nonnen van een Duitse orde, die mij m’n eerste bijnaam gaven: “Der Bürgermeister”. Ik weet niet waar ik dat aan te danken had. Misschien omdat ik een dag lang naamloos geweest ben. Ik werd op het stadhuis aangegeven door zuster Agnetha en Zuster Theresia in plaats van door mijn vader, die ondergedoken zat. Zijn naam stiet op argwaan bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Lennaert stond niet in het grote boek en ze moesten het uitzoeken of dat geen joodse generaal was of iets dergelijks. Geen echte Haarlemmer en toch al burgemeester, niet eens katholiek, maar wel gekoesterd door de nonnetjes van de Mariastichting. Het begin had slechter gekund.(…) Waarom, tenslotte staat de wereld voor de mensen die in Haarlem-Noord wonen op z’n kop? Omdat hun landkaart ondersteboven hangt. Want de stad begint op het Houtplein, in het noorden, dus boven aan de kaart. Waarom? Omdat ik in de Mariastichting geboren ben, in het zuiden. Waar ze me burgemeester noemden voordat ik een naam had, de goede feeën die aan mijn wieg stonden.’ ============================================================  ‘Een gouden horloge heeft op 7 september jl in het ziekvertrek der gebenedijde Maria-Stichting te Haarlem het uur aangewezen van den dood van L.P.Zocher, den vermaarden tuinarchitect en mede-aanlegger van het Vondelpark te Amsterdam (…)’ [De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland, 26-09-1915] ===================================================================  ‘In de Mariastichting is een knaap opgenomen die door bioscoopbezoek, detective lectuur etc. op verkeerden weg was geraakt’ [Uit bevindingen van de Staatscommissie ter bestrijding van het bioscoopgevaar, 1919]================================================ ‘En wie nog het geluk heeft, zouden we haast zeggen, met de zusters in contact te komen, hoort al dadelijk aan het zachte dialect dat zij nog steeds Duitsche nonnen zijn die, wel is waar, heel goed Hollandsch hebben leeren spreken – maar juist hun even gebrekkige accent heeft zoveel charme. Wie zou niet onder de bekoring komen van hun toegewijde aandacht, hun zachte melodieuse spraak (…) ‘Zij, die geen aardsche zorgen kennen, maar zich geheel aan de zorg voor een ander kunnen overgeven met een grooten schat van zelfopoffering. Denkt U soms dat de nonnetjes niet kunnen lachen of niet vroolijk zijn. Er is misschien geen ziekenhuis waar meer gelachen wordt, waar blijder de dagtaak begonnen wordt dan in deze Mariastichting. De nonnen zijn zacht en blijmoedig. Zij staan zoover van onze wereldsche smarten af, dat er onwillekeurig een tintelende humor van hen afstraalt. Zij zijn vatbaar voor een grapje, ze zijn vertrouwd met leed en pijn en weten altijd een woord van troost of verzachting te vinden. Zij kennen de dood van zeer nabij, maar ook het leven geeft hun de moed en de blijheid om verder te gaan. Iedere nieuwe geborene wordt met vreugde begroet, iedere stervende met de laatste zorgen omringd. (…) De nonnen geven en bidden, zij zijn dichter bij den hemel dan wij arme zwervelingen.’ [C. ten Houte de Lange in het tijdschrift “Op de Hoogte” (1935) over de kwaliteit van de verzorging in de Mariastichting van de Zusters-Franciscanessen]

In het herenhuis van de vroegere hofstede Uittenbosch was van 1958 tot 1973 de kraamkliniek gevestigd

================================================================== ‘Het leven van Zuster Frumentia was van 1944 tot en met 1984 nauw verbonden met de Mariastichting. Ze maakte mee hoe, vooral in de jaren zestig, het aantal religieuzen afnam om plaats te maken voor lekenzusters. Ze ziet twee kanten in die ontwikkeling: “We hadden een goed contact met lekencollega’s en ook het fenomeen van de broeders droeg bij aan een prettige sfeer. Toch was er verschil; wij waren aan God gebonden en voelden dat wij dit doen moesten. Dat geeft een andere instelling.” Zuster Frumentia juicht niet alle ontwikkelingen toe: “Ik had er moeite mee dat dokters steeds meer aan de verpleegkundigen overlieten. In tijd van nood bracht je een infuus in, maar dat moest niet de gewoonte worden. Nu is dat gewoon en doen verpleegkundigen geen huishoudelijk werk meer, wat voor ons normaal was. Er wordt nu ook veel te veel gepraat; wij lieten onze handen wapperen.” Het hart van Zuster  Frumentia ligt op de kraamafdeling, waar ze tot 1972 als hoofdzuster werkte. Een grote verantwoording, maar ook wel grappig soms: “Een vrouw beviel ’s nachts van een tweeling. Toen de vader dat hoorde, was hij zo ontroerd, dat hij me omhelsde tot de knopen van zijn leren jas in mijn wangen stonden. Mijn collega’s hadden dikke pret natuurlijk.”’ [Uit: Specialisten in mensenwerk. 1999] ====================================================

Spreekkamer van de directeur op een ansichtkaart uit 1946

Spreekkamer van de directeur op een ansichtkaart uit 1946

In de Mariastichting werden in 1981 kort na elkaar vier tweelingen geboren, waar de zusters Divendal en Van der Horst hun handen vol aan hadden. Op 26 juni zagen Roderick en Mariecke Fransen het levenslicht, op 8 juli Pieter en Rutger van der Peet, op 10 juli Iwan en Tamara Dörsch en op 15 juli Suzanne en Annet (Ald de dag van gisteren, deel 14).

In de Mariastichting werden in 1981 kort na elkaar vier tweelingen geboren, waar de zusters Divendal en Van der Horst hun handen vol aan hadden. Op 26 juni zagen Roderick en Mariecke Fransen het levenslicht, op 8 juli Pieter en Rutger van der Peet, op 10 juli Iwan en Tamara Dörsch en op 15 juli Suzanne en Annet (Als de dag van gisteren, deel 14).

Verpleegkundigen van de Mariastichting lazen in 1982 in de hal van het ziekenhuis over de dreigende sluiting in Haarlem.

Verpleegkundigen van de Mariastichting lazen in 1982 in de hal van het ziekenhuis over de dreigende sluiting in Haarlem.

Bij gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Mariastichting werd dit door Kees Verkade vervaardigde beeld onthuld. Het stelt twee zusters Franciscanessen voor die naar het nieuwe ziekenhuis kijken. [toen Spaarne-ziekenhuiscomplex in Heemstede].

Bij gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Mariastichting werd dit door Kees Verkade vervaardigde beeld onthuld. Het stelt twee zusters Franciscanessen voor die naar het nieuwe ziekenhuis kijken. [toen Spaarne-ziekenhuiscomplex in Heemstede].

Vooromslag boek Spaarne Ziekenhuis. 2005

Vooromslag boek Spaarne Ziekenhuis. 2005

Bronnen en literatuur  Archief Mariastichting [tegenwoordig in het Noord-Hollands Archief, Haarlem Heemstede-collectie, N.H.Archief. –  H.W.J. de Boer en A.M.F. Dessing. Franciscanessen en Mariastichting; episoden uit de geschiedenis van de Congregatie der Zusters Franciscanessen van Aerdenhout en het rooms-katholieke ziekenhuis de Mariastichting te Haarlem. Haarlem, 1989. –  H. Divendal. Dag van gisteren. Haarlem, 1979. – M. Aristilde Flake. Moeder M. Clara Pfänder; belangrijke momenten uit haar leven 1827-1882. (1983). –  Geschiedenis van de Zusters Franciscanessen Dochters van de Heilige Harten van Jezus en Maria in de Nederlandse Provincie. Deel 1: 1874-1885 (1989); deel 2: 1885-1920 (1992); delen 3a en 3b: 1920-1960 (1994). [Interne uitgave zusters Franciscanessen Alverna; door zuster M. Hermenegild Odijk]. –  C. ten Houte de Lange. Het Gouden jubileum van de zusters van de Mariastichting te Haarlem. In: Op de Hoogte 32, 1935, pp. 310-314. – Kroniek [van de zusters Franciscanessen Mariastichting 1885-1958]. –  Maria-Stichting Haarlem. ’s-Gravenhage, circa 1935. – P.W. Peereboom. Max Jesserun (7 december 1865 – 6 juli 1938). In: Jaarboek Haerlem 1938. Haarlem, 1939, pp. 38-41. – H. Reinders en A. de Bruin. Op weg naar het Kennemer Gasthuis. Haarlem, 1997. – Specialisten in mensenwerk. Uitgave van Revue Arts Uitgevers BV ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van het Spaarne Ziekenhuis. (1999). –  F. van der Steenstraten. Geschiedenis van de buitenplaatsen op het terrein van de voormalige Mariastichting. Doctoraalscriptie Kunstgeschiedenis Universiteit Leiden. Haarlem, 2002. [Als bijlage: Huizenstamboom en afbeeldingen]. –  J.F.M. Sterck. Dr. Laurentius Cornelius Proot. In: Jaarboek Haerlem 1939. Haarlem, 1940, pp. 12-15. –  C.G.J. von Winning. Dr. Johan Gerhard Hoge; 10 september 1898 – 3 oktober 1957. In: Jaarboek Haerlem 1957. Haarlem, 1958, pp. 47-49. Met dank aan mevrouw Fanda Leenders-van der Steenstraten Hans Krol

Waar tot 2004 ziekenhuis Mariastichting in bedrijf was kwam in 2009/2010 het project 'Schat aan het Spaarne'tot stand. omvattende o.a. 385 woningen. Gerealiseerd onder architectuur van aTA (architectuurcentrale Thijs Asselberg) en FARO architecten.

Waar tot 2004 ziekenhuis Mariastichting in bedrijf was kwam na sloop in 2009/2010 het project ‘Schat aan het Spaarne’ tot stand. omvattende o.a. 385 woningen. Gerealiseerd onder architectuur van aTA (architectuurcentrale Thijs Asselberg) en FARO architecten.

Axhteromslag boek Spaarne Ziekenhuis (2005) met o.a. foto van bezoek koningin Emma aan de Mariastichting

Achteromslag boek Spaarne Ziekenhuis (2005) met o.a. foto van bezoek koningin Emma aan de Mariastichting

In 1995 verscheen het gedenkboek: Van Diaconessenhuis en Mariastichting tot Spaarne Ziekenhuis; door Hans Krol en Gerard Pley. Uitgave: Vrieseborch, Haarlem.

Bijlage 1: twee kraamklinieken: De Florakliniek (i.s.m. Diaconessenhuis) en ‘Uyt den Bosch’ (Mariastichting)

‘De komst van een protestants christelijke kraaminrichting aan het Florapark is een gevolg van de naoorlogse geboortegolf geweest.Om deze geboortegolf op te kunnen vangen besloten het kraamcentrum en de diaconie van protestants-christelijke huize samen een kliniek op te zetten in het gebouw Florapark 8. Er was in twee richtingen gedacht: die van het begeleiden van thuisbevallingen en de opname van mensen in de kliniek. Deze instelling heette Kraaminrichting Florakliniek. Het idee van een dergelijke kliniek was niet nieuw, want vóór de oorlog beschikte de diaconie in het pand Ripperdapark 16 al over een eenvoudige kraamkliniek. Vandaar dat bij de in gebruik neming van de nieuwe kliniek aan het Florapark de gehele inventaris voorhanden was en een team van medisch personeel al functioneerde. Op 28 juni 1947 werd de kliniek door de gymnasiumlerares A.J.van Houwelingen-Rijkhoek officieel in gebruik genomen. De opvangcapaciteit was op dat moment eenentwintig bedden.

Voormalige Florakliniek, Florapark 8, Haarlem

Voormalige Florakliniek, Florapark 8, Haarlem

Ook kraamkliniek Uyt den Bosch aan de Spanjaardslaan was gevolg van hoge geboortecijfers. Toen deze dependance van de Mariastichting op 28 januari 1958 feestelijk was geopend betekende dat een forse capaciteitsuitbreiding van het moederziekenhuis. Begin jaren zeventig liep het aantal geboortes terug maar ook door de toename van het aantal thuisbevallingen moesten beide klinieken de deuren sluiten. Op 11 april 1973 verhuisde kraamkliniek Uyt den Bosch terug naar het hoofdgebouw van de Mariastichting. In dezelfde periode (op 1 juli 1974) heeft ook de Florakliniek haar kraamkliniek aan het Floraplein afgestoten. In de jaren daarvoor was deze kliniek een intensief samenwerkingsverband aangegaan met de in 1950 opgerichte Haarlemse afdeling van de kruisvereniging ‘Het Oranje-Groene Kruis’ dat zich afgezien van het uitlenen van verpleegartikelen bezighield met zuigelingenzorg, kinderhygiëne en bejaardenzorg. Vanaf 1958 kregen leden van de kruisvereniging korting op de verpleegprijs, een regeling die in 1971 werd teruggedraaid. Toen op 1 juli 1973 de drie kruisverenigingen en dus ook de Florakliniek de ‘Stichting Kraamcentrum voor Zuid-Kennemerland;  aan het Kenaupark had opgericht, was het met de zelfstandigheid van de Florakliniek gedaan. Een bijkomend probleem as dat zij direct contact met het naar Heemstede verhuisde Diaconessenhuis had verloren’ (Marcel Bulte).

Bijlage 2: Bestuurs- en directieleden Mariastichting 1885-1988

Bestuurs- en directieleden Mariastichting Haarlem 1885-1988

Bestuurs- en directieleden Mariastichting Haarlem 1885-1988

Bijlage 3: dr. J.G.Hoge overleden

Dr.J.G.Hoge overleden. Uit: De Tijd, 4-10-1957

Dr.J.G.Hoge overleden. Uit: De Tijd, 4-10-1957

Bijlage 4: necrologie dr. Johann Gerhard Hoge (1898-1957), directeur van de Mariastichting van 1933-1957

Necrologie dr. J.G.H.Hoge (1898-1957) door C.G.J.von Winning. Uit: Jaarboek Haerlem 1957. 1959, p. 48-49.

Necrologie dr. J.G.H.Hoge (1898-1957) door C.G.J.von Winning. Uit: Jaarboek Haerlem 1957. 1959, p. 48-49.

Vervolg necrologie dr. J.G.H.Hoge (1898-1957)

Vervolg necrologie dr. J.G.H.Hoge (1898-1957)

Bijlage 5:  in de parochiekerk van St. Stephanus in de Limburgse gemeente Heel hangt een groot (anoniem) paneel van 200 x 150 centimeter dat afkomstig is uit het bezit van de vroegere Maria Stichting te Haarlem. Uitgezocht moet nog worden of het in de kapel dan wel in het klooster van de Zusters Franciscanessen uit Salzkotten in Haarlem heeft gehangen. Het schilderij is door de parochie in Heel na opheffing van de Mariastichting voor een symbolisch bedrag door bemiddeling van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland (SKKN) van het Spaarne Ziekenhuis verworven. Het is blijkens een aangetroffen sticker bekend dat rond 1950 het schilderij onder handen was van Jac.K.Lekluse, restaurateur in Den Haag. Na april 2005 had wederom herstel plaats, welke is uitgevoerd door Phons Brouns. (Informatie van Hub.J.H.Beurskens).

Bijlage 6: dr.J.G.Hoge (1898-1957)en Eindenhout

 

(Uit: H.van Steen-Saijet en J.van Steen: Eindenhout; het huis met de beelden. 1993)

(vervolg J.G.Hoge. Eindenhout, 1993)

=================

Afbeelding van het paneel 'steniging van de H. Stephanus' voordart het vanuit het restauratie-atelier op de derde zondag in de Advent van 2006 in de kerk te Heel na een langere restauratie en renovatie van het godshuis weer in gebruik is genomen

Afbeelding van het paneel ‘steniging van de H. Stephanus’ voordat het vanuit het restauratie-atelier op de derde zondag in de Advent van 2006 in de kerk te Heel na een langere restauratie en renovatie van het godshuis weer in gebruik is genomen

Bijlage 6: dr.G.Hoge”: Eindenhout

Scan1656

(Uit: H.van Steen-Saijet en J.van Steen. Eindenhout. Haarlem, 1993.

Scan1657

(vervolg bijlage 6, uit:  Eindenhout, 1993)

Bijlage 7: vers van Michel van der Plas ‘Ik denk vandaag aan u’, geschreven voor gedenkboek 2005 in verband met verhuizing Spaarne Ziekenhuis naar Hoofddorp

'Ik denk vandaag aan U' door Michel van der Plas

‘Ik denk vandaag aan U’ door Michel van der Plas

Vervolg van gedicht 'Ik denk vandaag aan U' door Michel van der Plas

Vervolg van gedicht ‘Ik denk vandaag aan U’ door Michel van der Plas

Bij de afbraak van de hoogbouw der Mariastichting In Haarlem

Bij de afbraak van de hoogbouw der Mariastichting In Haarlem

OUDE PRENTBRIEFKAARTEN VAN ZIEKENHUIS DE MARIASRICHTING IN HAARLEM

Oude hoofdingang Mariastichting Kamperlaan Haarlem

Oude hoofdingang Mariastichting Kamperlaan Haarlem

Mariastichting Haarlem

Mariastichting Haarlem

Vooraanbzicht Mariastichting Haarlem

Vooraannzicht Mariastichting Haarlem

Hal Mariastichting Haarlem

Hal Mariastichting Haarlem

Trappenhuis Mariastichting Haarlem

Trappenhuis Mariastichting Haarlem

Luchtopname ziekenhuis Mariastichting vanaf Spaarne-zijde

Luchtopname ziekenhuis Mariastichting vanaf Spaarne-zijde

Tuin aan achterzijde Mariastichting

Tuin aan achterzijde Mariastichting Haarlem

Lourdesgrot in tuin van zusterklooster Mariastichting Haarlem

Lourdesgrot in tuin van zusterklooster Mariastichting Haarlem

Altaar in kapel Mariastichting Haarlem

Altaar in kapel Mariastichting Haarlem

'De heilige Drievuldigheid', wandschildering in de kapel van Mariastichting Haarlem door Han Bijvoet (kaart uit 1961)

‘De heilige Drievuldigheid’, wandschildering in de kapel van Mariastichting Haarlem door Han Bijvoet (kaart uit 1961)

Operatiekamer in ziekenhuis van de Mariastichting Haarlem

Operatiekamer in ziekenhuis van de Mariastichting Haarlem

Kinderafdeling - zuigelingenzaal in ziekenhuis de Mariastichting Haarlem

Kinderafdeling – zuigelingenzaal in ziekenhuis de Mariastichting Haarlem

Zicht op werkkamer in Mariastichting Haarlem

Zicht op werkkamer in Mariastichting Haarlem

Glazen boxen op de kinderafdeling van ziekenhuis de Mariastichting in Haarlem

Glazen boxen op de kinderafdeling van ziekenhuis de Mariastichting in Haarlem

Patiëntenkamer Mariastichting Haarlem

Patiëntenkamer Mariastichting Haarlem

Mariastichting Haarlem: verpleegsterkamer

Mariastichting Haarlem: verpleegsterkamer