De schone en rijke “juffrouw van Bennebroek” Anna Christina Pauw (1649-1719) als gewilde huwelijkspartner

Adriaan Pauw (1622-1697) en echtgenote Cornelia Pauw (1626-1692) + 2 van hun zes kinderen van wie alleen Anna Christina (rechts op het schilderij) in leven bleef. Doek van Johannes Mijtens uit 1653. (foto RKD-Den Haag)

Adriaan Pauw (1622-1697) en echtgenote Cornelia Pauw (1626-1692) + 2 van hun zes kinderen van wie alleen Anna Christina (rechts op het schilderij) in leven bleef. In 1697 volgde zij haar vader op als ambachtsvrouwe van Bennebroek. Schilderij van Johannes Mijtens uit 1653. (foto RKD-Den Haag)

Het is vooral aan de bewaard gebleven privé-correspondentie van en aan raadpensionaris Johan de Witt te danken dat we zijn geïnformeerd over het feit dat Anna Christina Pauw tot haar huwelijk in 1671 in Haagse patriciërkringen een door velen gewilde huwelijkspartner was. Om twee redenen: 1. Zij was een bijzonder knappe en charmante verschijning, 2. als erfdochter van Adriaan Pauw, Heer van Bennebroek, wachtte haar een aanzienlijke erfenis. Dit verhaal gaat vooral over drie jongemannen die verliefd werden op Anna Christina, de latere ambachtsvrouw van Bennebroek, maar eerst volgt enige beknopte informatie over haar voorfamilie. Met enige tientallen andere koopmans- en regentenfamilies is de familie Pauw in Amsterdam tot grote hoogte gestegen. Haar overgrootvader, Reinier Pauw, was een van de oprichters van de V.O.C. en 8 keer gekozen tot burgemeester van de Amstelstad. Haar grootvader Adriaan Pauw, heer van Heemstede, was 2 termijnen raadpensionaris en zeer betrokken bij de in 1648 gesloten Vrede van Munster. Zijn jongste zoon Adriaan (jr.) werd in 1653 Heer van Bennebroek en heeft het van de kinderen maatschappelijk het verst geschopt. Als lid van het hoogste rechtscollege in ons land werd hij uiteindelijk in 1670 benoemd tot president ofwel voorzitter van het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland. Daarmee was hij feitelijk de hoogste rechter in ons land.

Aanvankelijk werkzaam en woonachtig in Amsterdam treft men sinds het midden van de 17e eeuw de meeste telgen uit het geslacht Pauw in Den Haag aan. Tijdens de tijd van de Republiek was het een gewoonte dat lucratieve en eervolle baantjes binnen de regentenfamilies onderling verdeeld werden. Huwelijken hadden ook veelal binnen deze families plaats. Adriaan Pauw, heer van Bennebroek, huwde met zijn 18-jarige nicht Cornelia Anna Pauw. Een dochter van zijn oom Reinier Pauw, Heer van Ter Horst, Rijnenburg en Teylingerbosch [= Wittenburg onder Wassenaar, niet te verwarren met de hofstede Teylingerbosch in Vogelenzang]. Volgens tijdgenoten was ze beeldschoon. De kunstschilder Geeraarts portretteerde haar. Dat was aanleiding voor een lofdicht door Jan Vos. Daarin zegt hij dat het portret prachtig geschilderd is, maar….”Uw aanzicht schoon van glans, moet noch veel schoonder zijn”. De bekende hofschilder Johannes Mijtens vervaardigde in 1653 een familieportret Pauw, waarop tevens de dochters Anna Christina (2, erfdochter van Bennebroek) en Clara Cornelia staan afgebeeld. Twee eerder overleden dochtertjes, Anna Cornelia en Anna Christina (1), zijn symbolisch als engeltjes voorgesteld.

Uit het huwelijk zijn in totaal 6 kinderen gesproten, van wie er 4 kort na de geboorte of op jonge leeftijd overleden. De enige dochter die de volwassen leeftijd bereikte was Anna Christina Pauw (1649-1719), die haar vader in 1697 zou opvolgen als ambachtsvrouw van Bennebroek. Evenals haar moeder moet ook zij in fysiek opzicht van een bijzondere schoonheid geweest zijn. Wellicht mede als toekomstig erfgename van het vermogen van haar vader werd Anna Christina druk het hof gemaakt.

Huwelijkskandidaat 1:  Jacob de Graeff

Na het plotse overlijden van raadpensionaris Adriaan Pauw op 1 februari 1653 is hij opgevolgd door de jonge en talenvolle Johan de Witt. Met het overlijden van zijn trouwe echtgenote op 1 juli 1668 kreeg Johan de Witt naast zijn zware taak in een tijd dat de Republiek in problemen verkeerde er nog een zorg bij, namelijk de opvoeding van 5 jonge kinderen. Voor het laatste kreeg hij veel steun van zijn zuster mevrouw van Beveren en zijn schoonzusters, vooral Jacoba de Graeff. Beurtelings namen zij het huishouden waar. Ondanks zijn drukte zond Johan de Witt op 1 januari 1669 een uitnodiging aan zijn tante Catherina Hooft, weduwe van de machtige en schatrijke Amsterdamse burgemeester Cornelis de Graeff. Verder aan haar beide zonen Pieter en Jacob, alsmede aan zijn nicht Jacoba Bicker als echtgenote van Pieter de Graeff met het verzoek om enige tijd bij hem te komen logeren. Jacoba Bicker liet hierop weten dat ze de invitatie op prijs stelde, maar het niet met haar geweten kon verenigen hierop in te gaan. Johan de Witt, destijds woonachtig in het huis de Witte Molen aan de Hofcingel, antwoordde dat haar scrupules niet terecht waren en dat hij over voldoende ledikanten beschikte om alle gasten een afzonderlijke slaapplaats te kunnen garanderen. De gehele familie De Graeff liet haar bedenkingen varen en reisde vanuit Amsterdam om gedurende twee weken in de hofstad te vertoeven.

Jacob de Graeff was in 1666 gehuwd met Maria van der Does, die echter al na enige maanden, op 10 januari 1667, overleed, zodat hij weer alleenstaand was. Na het overlijden was hij een vermogend man, in 1674 voor de belasting aangeslagen voor een kapitaal van ƒ 260.000,-. Jacob werd door Johan de Witt geïntroduceerd in de mondaine wereld van Den Haag. De jonge weduwnaar is daarbij ook ontvangen door de familie A. Pauw, woonachtig op de hoek van de Zwartenweg en Heerengracht (tegenwoordig nummer 23). Jacob schijnt op slag verliefd te zijn geworden op dochter Anna Christina, maar hield dat voorlopig angstvallig geheim voor zijn moeder, heftig van aard, die haar vijandschap jegens telgen uit het geslacht Pauw niet onder stoelen of banken stak. Ergens schreef zij: “Ick lust de Pauwen gantsch niet”.

Huwelijkskandidaat 2: George Herman Reinhard, graaf van Wied

In 1669 deed zich een tweede pretendent voor, die geboeid door haar verpletterende schoonheid, naar de hand dong van Anna Christina Pauw. Dat was George Herman Reinhard, graaf van Wied en d’Isemburgh, geboren in 1640. Hij was de oudste zoon van Frederik de Oude van Wied-Runkel en van Maria Juliana, gravin van Leiningen. De Duitse graaf was sedert enkele jaren als ritmeester in dienst van de Republiek en kwam uit hoofd van die functie regelmatig in Den Haag. Op 8 maart van dat jaar schreef hij vanuit Neuwied – in de Franse taal – een brief aan raadpensionaris De Witt. Hij laat daarin weten  tijdens zijn bezoeken aan Den Haag het steeds een eer te vinden te worden ontvangen, en het altijd te betreuren wanneer door absentie een beleefdheidsbezoek achterwege bleef. George Herman bericht verliefd te zijn geworden op de dochter van Adriaan Pauw (“ma chère demoiselle de Bennebruck”)  en dat zijn vader een familiealliantie zeer zou toejuichen. Graaf George Herman vraagt aan Johan de Witt in fraaie bewoordingen om bij de vader van Anna Christina een goed woordje voor hem te willen doen.  Twee dagen later kwam daar nog een schrijven bovenop van vader Frederik, graaf van Wied, waarin Johann de Witt wordt gevraagd zijn invloed bij ridder Pauw aan te wenden teneinde het huwelijk met zijn zoon te bevorderen. Zelfs de Duitse Prins Egon von Furstenburg, liet zijn invloed aanwenden en verzocht De Witt een goed woordje te doen ten gunste van de jonge graaf van Wied, die immers stamt uit één van de meest illustere en oudste vorstenhuizen van Europa. Ondanks deze aanbevelingen liep de zaak stuk toen bleek dat de liefde van Anna Christina niet beantwoord werd.

Portret van de 'schoone' Anna Maria Pauw (1649-1719)

Portret van de ‘schoone’ Anna Maria Pauw (1649-1719) (foto RKD)

Nieuwe pogingen door Jacob de Graeff

Vanuit Amsterdam reisde Jacob de Graeff, vanwege zijn avances richting Anna Christina, regelmatig naar Den Haag en logeerde dan meestal bij Johan de Witt. Jacob trok de stoute schoenen aan en biechtte zijn moeder Catharina op dat hij een verbintenis wilde met de mooie dochter van Adriaan Pauw. Die is daarop in hevige toorn ontstoken en haar andere zoon Pieter moest er aan te pas komen om hun moeder tot bedaren te brengen. Catharina Hooft schreef op 22 april 1669 een brief aan Johan de Witt. Laatstgenoemde was overigens al op 11 april ingeseind over de familieontwikkelingen. In haar schrijven vraagt ze de raadpensionaris als familielid alles in het werk te stellen de voorgenomen verbintenis te voorkomen. Ze herhaalt nogmaals dat “ick geen genegenheydt tot de Pauwen hebbe ter werreldt”. Dezelfde dag schreef ook broer Jacob de Graeff een brief aan zijn oom, waarin hij verzoekt pogingen te ondernemen haar gemoed te sussen. De volgende dag schreef moeder Catharina een tweede brief aan haar neef. Ze vraagt hem nogmaals een huwelijk van haar zoon met een telg uit het geslacht Pauw sterk af te raden. Ze zal Anna Christina nimmer als dochter accepteren en haar zoon, indien hij zou doorzetten, niet meer als kind beschouwen. De welwillende raadpensionaris die eerder ijverig een verbintenis had gestimuleerd, kon in dit geval niet voldoen aan de wens van zijn tante, zoals blijkt uit een brief van 21 april aan Pieter de Graeff. Hieruit blijkt dat De Witt heeft gesproken met de moeder van Anna Christina. De ouders hebben geen bezwaar tegen een mogelijk huwelijk, maar “de Juffrouw”  twijfelt nog. Hij raadt aan ook de grootvader, Reinier Pauw, Heer van Terhorst, voor zijn neef te winnen. Johan de Witt was intussen duidelijk geworden dat er een medeminnaar in het spel was, die zijn zinnen had gezet op Anna Christina, te weten, Nicolaas Sohier de Vermandois, de heer Oud Poelgeest. Catharina Hooft schuwde intussen geen middel om een huwelijk te beletten. Dat blijkt uit een brief van 27 april van Pieter de Graeff aan Johann de Witt. Ze was naar hun gemeenschappelijke neef Vincent van Bronckhorst geweest en had hem medegedeeld dat zij nooit van haar leven  in een huwelijk met “juffrouw van Bennebroeck” zou instemmen. Schepen Van Bronckhorst was gehuwd met Elizabeth Cornelia Pauw en aldus familielid van Adriaan Pauw. De heer van Bennebroek zelf gaf als zijn mening dat zijn enige dochter “geenszins verlegen” zelf een keuze zou moeten maken. Jacob de Graeff die intussen veelvuldig in Den Haag verbleef  is op 12 mei naar Bennebroek gereisd om nogmaals zijn geliefde het hof te maken. Op 3 juni 1669 volgde weer een brandbrief van Catharina Hooft waarin ze voor de zoveelste maal aan Johan de Witt vraagt al zijn invloed aan te wenden “dit vryagie te willen doen staken”. Op 4 juni laat broer Pieter de Graeff weten dat zijn moeder niet te vermurwen is en de situatie thuis steeds ondragelijker werd. Twee dagen later antwoordde De Witt aan moeder en zoon. Hij had met Jacob gesproken en diens affectie voor Anna Christine was onverminderd. Ook de ouders stemmen in en de vrouw om wie alles draaide “verklaert geen aversie voor syn persoon [= Jacob de Greaeff] te hebben”. Kortom, hij kan verder weinig doen en adviseert de ontwikkelingen hun beloop te laten.

Intussen schijnt de liefde van Anna Christina bekoeld te zijn. Jacob de Graeff keerde terug naar zijn familie in Amsterdam en bedankt Johan de Witt in een schrijven van 4 juli voor de wijze waarop hij hem steeds ondersteund heeft. Voor diens vriendelijk onthaal en voor zoveel genoten vriendschap. Hij bericht dat “nadien myn saecken by juffrouwe van Bennebroeck geen gewenst succes hebben genoomen, soo moet ick wederom met myn moeder soecken te vereenigen”. Al op 6 juli verzocht De Witt zijn neef bij hem wederom te komen logeren. Jacob de Graeff gaat daar graag op in (9 juli 1669), want hij verblijft liever “by een wyse, weetende en vrolycke Raedspensionaris van Hollandt, als by een onverstandige, knorrige en morrige oude vrouwe (…)”. Geleidelijk is de verhouding met zijn moeder verbeterd. Toen Anna Christina hem definitief had afgewezen door in 1671 met een ander te trouwen is de vrede met zijn moeder geheel hersteld.

De ware Jacob bleek Nicolaas Sohier de Vermandois

Op een gegeven moment in de zomer van 1669 heeft de in tweestrijd verkerende Anna Christina de knoop doorgehakt. Zij koos niet voor Jacob de Graeff. De al eenmaal genoemde baron Nicolaas Sohier de Vermandois, heer van Warmenhuijsen, Crabbendam, Oud-Poelgeest, Meresteijn etc. werd de gelukkige echtgenoot. Hij was geboren op huize Meeresteijn in Beverwijk en woonde in Den Haag. Evenals de hierboven genoemde graaf George Herman fungeerde Jacob als ritmeester in dienst van de Republiek. En ook hij stamde uit een oud adellijk geslacht, volgens een stamboom zelfs teruggaande tot Pepijn, kleinzoon van Karel de Grote, en eerste graaf van Vermandois. De voorfamilie van Nicolaas Sohier de Vermandois is begin 17e eeuw met een groot fortuin uit Keulen in de Nederlanden gekomen. Zijn vader had in 1658 de titel van baron des H.R.Rijks ontvangen met toevoeging van de naam “de Vermandois” als geacht te zijn gesproten uit de graven van dat Franse gewest. Ofschoon Anna Christina Pauw al omstreeks 1 juni 1669 tot een echtverbintenis met Nicolaas  besloot, duurde het nog tot 4 oktober 1671 voordat het paar in Den Haag in de echt werd verbonden. Het huwelijksfeest voor familie en kennissen had plaats op het zomerverblijf “Duynwijck” ofwel “Het Huis te Bennebroek”. Daaraan herinnert een gloedvol vers van de destijds populaire kanselredenaar en gelegenheidsdichter Joannes Vollenhove. Uit het huwelijk zijn 2 dochters gesproten. Nicolaas Sohier de Vermandois overleed plotseling op 24 februari 1690. Hij was de laatste mannelijke afstammeling van een roemrijk geslacht. Nog in de bloei van haar leven werd Anna Christina op nauwelijks 41-jarige leeftijd plotseling weduwe. Zij is niet meer hertrouwd.

Na het overlijden van haar vader in 1697 is Anna Christina, als universeel erfgename ambachtsvrouw van Bennebroek geworden Zij bleef dat tot haar overlijden op 11 januari 1719 in Den Haag, waarna het stoffelijk overschot is bijgezet in de familiegrafkelder te Bennebroek. In dat jaar is de enige nog in leven zijnde dochter Adriana Constantia Sohier de Vermandois (1675-1735) als nieuwe ambachtsvrouw geworden benoemd. Ook zij was een knappe verschijning. Door J. van Haensbergen 2 keer geportretteerd, in 1687 als 12-jarige en vervolgens in 1700. Op het laatste doek bevat de voorstelling: een kniestuk, zittend voor een bruin brokaten gordijn, in chemise rode rok, blauwe draperie. Verder oranjebloesem in de linkerhand en oranjebomen op de achtergrond. De Heerlijkheid Bennebroek werd na allerlei familiaire en juridische verwikkelingen publiek geveild en kreeg een nieuwe ambachtsheer: Willem de Bruin. Jacob de Graeff werd in 1672 schepen in de vroedschap van Amsterdam. Hij woonde op de Herengracht en bezat de hofstede Soestdijk, terwijl zijn broer Pieter eigenaar was van de buitenplaats Valkenburg in Heemstede.  Blijvend  teleurgesteld over de geschetste gebeurtenissen rond Anna Christina Pauw omstreeks 1669 overleed Jacob de Graeff ongehuwd in 1690. De andere medeminnaar graaf George Herman Reinhard van Wied huwde na zijn opgelopen blauwtje al in het voorjaar van 1670 met Trajectina, de jongste dochter van de in 1656 overleden veldmaarschalk Johan Wolfert, 16e heer van Brederode en van Anna Johanna, gravin van Nassau-Siegen. Toen Trajectina op 13 februari 1676 was gestorven, hertrouwde hij nog hetzelfde jaar met een verre nicht Johanna Elizabeth, gravin van Leiningen. Evenals Jacob de Graeff en Nicolaas Sohier de Vermandois overleed ook George Herman van Wied in 1690.

Hans Krol

Bronnen: Gemeentearchief Den Haag en Bewaarcollectie Heemstede.

Genealogische gegevens o.a. uit: H.J.Koenen: Het geslacht Pauw; geslachtsregister met historische, biographische en heraldische aanteekeningen. 1900.