DE LEIDSEVAART IN SLECHTS ACHT MAANDEN GEGRAVEN  

In 1657 is in nauwelijks acht maanden met uitsluitend man- en paardenkracht een vaarverbinding tussen de Hollandse steden Haarlem en Leiden gegraven, over een afstand van bijna 30 kilometer langs Heemstede, Bennebroek, Vogelenzang, Hillegom, Lisse, Noordwijkerhout en Oegstgeest. Tot ‘Halfweg”, een halte binnen de gemeente Lisse ‘Leidsevaart’ (vroeger ook ‘Leidse trekvaart’) geheten en vanaf daar tot het eindpunt bij de Marepoort ‘Haarlemmer(trek)vaart’.

Aanbesteding voor het graven van de trekvaart Leiden-Haarlem, 27 februari 1657

Aanbesteding voor het graven van de trekvaart Leiden-Haarlem, 27 februari 1657 (NH-archief, Haarlem)

Aan het feit dat dit in 2007 precies 3,5 eeuw geleden is worden verscheidene activiteiten en evenementen voorbereid, zoals tentoonstellingen in het Historisch Museum Haarlem en Museum De Zwarte Tulp in Lisse. Verder enkele nieuwe publicaties, o.a. van mevrouw Miep Smitsloo, die in een huis nabij de nog bestaande ‘Leidse’ tolpoort in Oegstgeest woont, en van het Cultuurhistorisch Genootschap Duin en Bollenstreek (CHG) in samenwerking met het Provinciaal Historisch Centrum van het Erfgoedhuis Zuid-Holland (PHC). De ‘Haarlemse’ tolpoort, die vanaf het begin op Heemsteeds grondgebied stond is na afbraak in 1925 vijf jaar later herbouwd bij de ingang van het tennispark in het wandelbos Groenendaal.

tolgaarderswoning

Tolpoort en tolgaarderswoning aan de Leidsevaart, in 1890 getekend door J.A.Derr. (N.H.A.)

           Tolpoort Haarlem-Leiden in Groenendaal, Heemstede (foto Dick Breedijk)

In deze bijdrage zullen het graven van de vaart, de betekenis van de trekschuit, de tolpoorten en historische ontwikkelingen langs de Leidsevaart aan de orde komen.

Twee eeuwen trekschuit

In de ‘Camera Obscura’ van Hildebrand, pseudoniem van Nicolaas Beets, is een beschrijving van ‘de veerschipper’ opgenomen; die in 1841 (toen Beets als ‘herder’ fungeerde in Heemstede) tevens een plaats kreeg in het boek ‘De Nederlanden. Karakterschetsen, houding en voorkomen van verschillende standen.’ met illustraties van Henry Brown. Dit verhaal begint als volgt: “’k heb zoo menigmaal in trekschuiten gevaren, dat ik in staat ben er het grootste paskwil en de grootste lofrede op te schrijven. Eens heb ik my er hevig tegen uitgelaten, maar ’t spijt me half. Ik geloof dat ik het deed om de zaak der spoorwegen te bevorderen; uit louter driftigheid. Maar nu ik zie dat er reeds één trekveer metterdaad vervalt, en in de lucht zwevende pijpenmanden (echt hollandsch signaal) ook aan verscheidene andere veeren het memento mori toeroepen, krijgt de zaak voor my zulk een droefgeestig voorkomen, dat ik in staat zou zijn de roef van Amsterdam tot Rotterdam af te huren, om in eenzaamheid een klaaglied te schrijven over de veranderde tijden. Niet zoo zeer om de schuiten spijt het my; zy hebben te vele gebreken, en er zijn beter dingen om mee voorttekomen: maar om de schippers!’

Trekschuit op aquatint door C.C.Fuchs uit omstreeks 1810

Trekschuit op aquatint door C.C.Fuchs uit omstreeks 1810

Omdat de postkoets over veelal ongeplaveide wegen reed was dat vervoersmiddel niet altijd even comfortabel (waarbij men soms min of meer geradbraakt kon aankomen), in ieder geval wel sneller dan de trekschuit met een gemiddelde snelheid van vijf tot acht kilometer per uur, maar over het tempo klaagde men in die tijd vrijwel niet. Het grote voordeel van de trekschuit was de geruisloosheid, maar ook hier kon men stijf van het zitten worden en waren de meeste passagiers na verloop van tijd verheugd wanneer men bij een aanlegsteiger kon uitstappen. In 1823 maakten Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp een reis door de Noord-Nederlandse provincies, door eerstgenoemde vastgelegd in ‘Nederland in den goeden ouden tijd, zijnde het dagboek van hunne reis te voet, per trekschuit en per diligence (…)’. Eerder liet de in Dokkum geboren predikant  en reiziger H. Potter ons de voor- en nadelen van het trekschuitvervoer weten in zijn boek  ‘Reize door een groot gedeelte van Zuid-Holland, gedaan in de jaren 1807-1808’ (Amsterdam, 1809), waarin kort voor de afbraak ook een bezoek aan de wapenzaal in het Huis te Heemstede voorkomt. Op zaterdag 31 mei 1834 schreef Nicolaas Beets in zijn dagboek, net vanuit Leiden met de trekschuit bij zijn ouders in Haarlem gearriveerd vanuit Leiden: “Per schuit herwaarts gekomen. Schipper Rietberg (1) (de “lange R”) heeft veel te vertellen van den slag bij Waterloo, waar hij de Militaire Willemsorde heeft verdiend.” [Bedoeld is Johannes Rietbergen (1790-1865), beurtschipper op Haarlem]. Ondanks de vriendelijke woorden van Beets speciaal richting de veer- en beurtschippers moesten in de 17e en 18e eeuw door de plaatselijke besturen heel wat verordeningen worden uitgevaardigd  die betrekking hadden op het gedrag van hen, maar ook van de passagiers, aan wie het o.a. verboden was messen te trekken, jaaglijnen door te snijden, zich onkuis te gedragen, met  het dobbel- of kaartspel vals te spelen e.d. Door de schippers moest veelal een zekere som gelds als borgstelling in de gemeentekas worden gestort. Met de aanleg van verharde of bestrate rijwegen na 1800 en vooral na de komst van de spoorwegen omstreeks 1840 kwam spoedig een einde aan de trekschuitvaarten.

Aanleg van trekvaarten in de Gouden Eeuw

Tot de aanleg van de Haarlemmertrekvaart van Amsterdam naar Haarlem – de start van een netwerk van trekvaarten met omstreeks1700 intotaal650 kilometer- liep de belangrijkste vaarweg tussen deze twee steden over de open zeearm het IJ, via de Spaarndammersluis en het Spaarne.  De trekvaart tussen Amsterdam en Haarlem wordt beschouwd als de eerste en daarmee oudste in Nederland en kwam in 1632 tot stand. Weliswaar was al in 1587 een trekschuit, getrokken door een paard, op een reeds bestaande waterweg in gebruik genomen tussen Rotterdam en Delft. De trekschuiten legden aan bij de Haarlemmerpoort  in de Amstelstad en de Amsterdamse Poort in de Spaarnestad. Ongeveer halverwege moesten de passagiers  met pak en zak overstappen en over de sluizen naar de andere zijde een paar honderd meter lopen om in het vervolg van de vaart te komen. “Dit aan te kijken behoorde op drukke avonden, b.v. in kermisweken, tot de speciale genoegens der Halfweggers”, aldus noteerde Geertruida Carelsen in haar ‘Oud-Haarlemsche herinneringen.’Rond de overstapplaats ontwikkelde zich namelijk het buurtschap Halfweg (tegenwoordig gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude). De aanlegplaatsen van de schuiten waren te Amsterdam Rokin/Damrak en in Haarlem de Gravensteenenbrug. De schipper stond aan het roer en de boot werd met dik touw voortgetrokken door één of meerdere trekpaarden die over een pad naast het water (vaart, kanaal of rivier) liepen, het zogenaamde ‘jaagpad’. Dit pad werd in 1762 van wegverharding voorzien, het begin van de Haarlemmerweg.

Haarlem

Haarlemse jaagschuit op een gravure van Reinier Nooms ‘Zeeman’ (1652-1654) (Stadsarchief Amsterdam)

————————————————————-

Al in de Middeleeuwen is soms naast het water voor zeilschepen een jaag- of bootpad aangelegd. Bij tegenwind werden kinderen en vrouwen ingeschakeld om de schuit te trekken. Later zijn daarvoor jaagpaarden aangewend. Het begrip ‘jaag’ is verwant aan ‘jacht’ in de betekenis van zeiljacht. Op een winterse dag in 1777 trokken liefst 36 zwoegende jaagpaarden een schip door de Amsterdamse grachten dat als ijsbreker diende. Trekschuiten beschikten niet over een zeil en men was daarom aangewezen op menskracht of paardenkracht. De trekvaarten zijn zoveel mogelijk recht gegraven. Wanneer dat niet mogelijk was is gebruik gemaakt van ‘rolpalen’, waarlangs de touwen soepel konden worden bewogen, om de schepen eenvoudiger door een bocht te trekken. Een jaagpad lag veelal aan één oever. Bij de Leidsevaart vanaf Haarlem tot Hillegom was dat de westoever, waar nu ook de rijweg ligt.

————————————————————————————————-

De trekschuiten verzorgden zowel het personen- als goederenvervoer, waarover belasting moest worden betaald. Vanwege vroegere privileges werden vanouds meer schippers in Haarlem als in Amsterdam aangesteld. Het te vervoeren vrachtverkeer via te trekvaarten moest over het algemeen beperkt blijven tot post en kleine pakketjes. Soms ook werd door een gezelschap een beurtschip gehuurd. Dat gebeurde tussen 1750 en 1760 door een gezelschap Amsterdamse kunstenaars, die voor een uitspanning reisden naar tapperij ‘De Dorstige Kuyl’ aan de Herenweg bij Berkenrode. Van het gezelschap in de trekschuit zijn tekeningen overgeleverd van Simon Fokke (1724-1784) en John Greenwood (1727-1797). Per boot mochten ten hoogste 28 personen vervoerd worden. Op tijdsoverschrijdingen stond een boete. Op het hoogtepunt in 1661 reisden in totaal ongeveer 330.000 personen van Haarlem naar Amsterdam en in omgekeerde richting. In  1727 was dit aantal gedaald tot 65.481 personen die de veerboot naar de Amstelstad  namen, tegenover 103.133 naar de Spaarnestad. Veel mensen gingen vanuit Amsterdam per boot naar Haarlem en op zondagen voor vertier naar de Hout en te voet of met het ‘wagenveer’ ofwel de diligence (postkoets) terug naar huis. Een belangrijke concurrent was de diligence en daar kwam het spoor in 1839 bij, vervolgens in 1842 tussen Haarlem en Leiden, wat uiteindelijk in het laatste kwart van de 19e eeuw het definitief einde betekende van de trekschuit. De schuitendienst is omstreeks 1860 opgeheven, maar door particulieren werd de dienst nog enige tijd voortgezet op plaatselijke trajecten waar de trein niet stopte, zo bleven Voorhout, Noordwijkerhout en Noordwijk  op boten aangewezen tot de komst van de tram in 1880. Feitelijk is de daling van het aantal passagiers al kort na 1800 ingezet na bestrating van de weg van Haarlem over de Haagse Schouw naar Den Haag met een aftakking Oegstgeest-Leiden en de concurrentie met de postwagen zich deed gevoelen. In die tijd bedroeg het positief saldo van de trekvaart nog maar circa 1.000 gulden per jaar. Nicolaas Beets alias Hildebrand weet te vertellen dat het dan de kleine burgerstand is die nog met de schuit reist; de wat beter gesitueerden prefereerden de diligence (die weliswaar hotst, maar veel sneller gaat) en de rijken huren postpaarden voor hun eigen of gehuurde koetsje. De jonge Van Lennep ging nog met de schuit van het Manpad naar Haarlem op en neer; de oudere nam de diligence over de Wagen- /Herenweg. De schippers hebben omstreeks 1840 tevergeefs getracht de spoorlijn Haarlem-Leiden die naast de Leidsevaart kwam te liggen, tegen te houden. Nadat de eerste spoorlijn een feit was schreef een tijddichter: “Schippers van een kaag of schuit Zijn in hun beroep gestuit En dat komt allemaal door Grote wind en stoom en spoor”. Nadat de trekvaart niet meer rendabel was bleek het onmogelijk de vaart te dempen omdat deze een boezemwater was waarop vele andere sloten e.d. waren aangesloten. Van belang vanwege de waterhuishouding maar tevens nog voor de lokale vaart; ook het vroegere jaagpad was als rijweg intussen voor de plaatselijke bevolking intussen van belang geworden. De trekvaart tussen Leiden, Den Haag en Delft kwam gereed rond 1639 gereed en is pas later doorgetrokken naar Rotterdam. In 1655 is over een grote afstand de trekvaart tussen Amsterdam en Gouda gegraven, met aansluiting aldaar op een postwagen via de straatweg naar Rotterdam. Acht jaar later werden de zogeheten ‘Trekvaarten van de Vijf Steden’ aangelegd, waardoor Amsterdam en Hoorn met elkaar verbonden werden, zowel via Purmerend als via Monnickendam en Edam. De hoofdstad telde toen in zeven richtingen trekschuitverbindingen.

De Leidse (trek)vaart

Tussen Hillegom, De Zilk en Vogelenzang moest de trekvaart dwars door de strandwal (Leyduin) worden gegraven. Nabij Bennebroek zijn de buitenplaatsen de Hartekamp en Croesbeek ingetekend (Hoogheemraadschap van Rijnland, A0081 A) Uit: Blauwe adel van de Bollenstreek; 350 jaar Haarlemmertrekvaart - Leidsevaart 1657-2007. 2007

Tussen Hillegom, De Zilk en Vogelenzang moest de trekvaart dwars door de strandwal (Leyduin) worden gegraven. Nabij Bennebroek zijn de buitenplaatsen de Hartekamp en Croesbeek ingetekend (Hoogheemraadschap van Rijnland, A0081 A) Uit: Blauwe adel van de Bollenstreek; 350 jaar Haarlemmertrekvaart – Leidsevaart 1657-2007. 2007

Tolhuis en (houten) tolpoort Heemstede door Jan van Kessel in 1657 geschilderd

Tolhuis en (houten) tolpoort Heemstede door de Haarlemse schilder Salomon Rombouts (1655-1702)  vervaardigd(in bruikleen gemneentehuis Haarlemmerliede en Spaarnwoude)

'Het Tol-hek aan de Leidsche Vaart' Kopergravure van Hendrik Spilman, 1763

‘Het Tol-hek aan de Leidsche Vaart’ . Links de hofstede Berkenrode. Kopergravure van Hendrik Spilman, 1763

Joost Daams: tekening uit omstreeks 1770 in Oostindische inkt. Het Haarlemse tolhuis onder Heemstede (Collectie Noord-Hollands Archief)

Joost Daams: tekening uit omstreeks 1770 in Oostindische inkt. Het Haarlemse tolhuis onder Heemstede (Collectie Noord-Hollands Archief)

Het tolhek in Heemstede met brug over de Leidsevaart op een 19e eeuwse tekening

Het tolhek in Heemstede met brug over de Leidsevaart op een 19e eeuwse tekening

Tekening van het Leidse tolhek in Oegstgeest door Chris Schut (uit: Gezichten in de bloembollenstreek, 1987).

Tekening van het Leidse tolhek in Oegstgeest door Chris Schut (uit: Gezichten in de bloembollenstreek, 1987).

Foto van het gerestaureerde tolhuis met tolhek bij de Ledse/Haarlemmer trekvaart in Warmond

Foto van het gerestaureerde tolhuis met tolhek bij de Leidse/Haarlemmer trekvaart in Warmond

Voor het graven van de Leidsevaart voeren beurtschepen vanuit Haarlem buiten de Eendjespoort of Leidse Waterpoort via het Zuider Buiten Spaarne, Heemstede en het Haarlemmermeer over het Kagermeer naar Leiden. Mede vanwege de toenemende handel waren nieuwe verkeerswegen noodzakelijk.

Uit 1641 dateert een niet uitgevoerd inpolderingsplan van het Haarlemmermeer, bijgenaamd 'de wrede waterwolf' door Jacob Bartelszoon Veris met bovenstaande illustratie.

Uit 1641 dateert een niet uitgevoerd inpolderingsplan van het Haarlemmermeer, bijgenaamd ‘de wrede waterwolf’ door Jacob Bartelszoon Veris met bovenstaande illustratie.

In een ontwerp van Veris uit 1641 was aanvankelijk een oostelijke vaarroute vanaf de Grote Houtpoort en door Heemstede, Lisse en Warmond naar Leiden gepland, maar uiteindelijk is gekozen voor het westelijk traject langs Berkenrode en Vogelenzang, met een opzichterhuis, paardenstal, tolpoort en herberg  voor passagiers in Halfweg (Lisse). Voordelen waren dat men met minder landeigenaren te maken had en kon worden gegraven in het laagste deel van de strandvlakte, waardoor de vaart als waterlozingskanaal en boezemwater voor het gebied voldoende water kreeg toegevoerd. De Leidse trekvaart kwam uit in de stadssingel bij de Brouwersvaart nabij de Raaks. Daar dienden passagiers op doorreis naar Amsterdam over te stappen of kon men terecht in de taveerne ‘Het Jaagschuitje” of voor een overnachting in logement ‘Het Wapen van Holland’, dat blijkens een bericht in de Haarlemmer Courant van 1695 vooral bezocht werd door “Heeren en passagiers” uit Leiden. De vaart is na een octrooi van de Staten van Holland en West-Friesland (6 april 1656) gegraven  naar een in 1655 ingediend plan van de landmeters Andries van de Walle uit Haarlem en Joris Gerstecoren uit Leiden. Voor het megawerk werd uitgevoerd moesten gronden aangekocht of onteigend worden om de aanleg van waterweg en voet-, trek- ofwel jaagpad mogelijk te maken. Koopakten zijn nog in het N.H.Archief (gemeente Haarlem) aanwezig en een kopie van de vergunning (gedateerd 22 april 1656) in het Heemsteedse heerlijkheidsarchief. Alvorens tot aankoop over te gaan was het benodigde land getaxeerd door twee commissarissen uit het college van Hoogheemraden van Rijnland. Met de toenmalig Heer van Heemstede, Gerard Pauw, die over land nabij de Manpadslaan beschikte zijn goede overeenkomsten gemaakt en werd overeengekomen dat daar “een bequame brug zoude moeten worden gelegt en onderhouden buijten de kosten en lasten van de dorpen van Heemstede en Vogelesang.”  De ambachtsheer behield zijn recht op visserij in de Houtvaart en wist te bewerkstelligen dat eigenaren van land aan beide zijden van de nieuwe vaart geen gabelle ofwel tolgeld  hoefden te betalen. De kosten van aanleg, ook van in totaal 16 bruggen, zijn gelijkelijk verdeeld over de steden Leiden en Haarlem waren begroot ‘twee tonne gouts”, een halve eeuw geleden berekend op ongeveer ƒ 137.000,-. Beide gemeenten waren verantwoordelijk voor exploitatie, uitgevoerd door jachtschuiten en 24 “kloeke paarden”, evenals voorhet  onderhoud. Tot ongeveer 1658 was sprake van een nadelig saldo, maar nadien werd dankzij tolheffing steeds winst gemaakt, aanvankelijk gemiddeld ongeveer ƒ 17,500,- per jaar. De openbare aanbesteding in Haarlem – tot Halfweg in Lisse – had plaats op 29 april in de Nieuwe Doelen en vervolgens is door verschillende aannemers op steeds andere plaatsen tegelijkertijd met het graven begonnen. Binnen acht maanden de klus grotendeels geklaard.  Een voor die tijd fenomenaal resultaat, waarbij aangetekend moet worden dat ten dele van reeds bestaande sloten en vaarten gebruik kon worden gemaakt, zoals in Leiden van de Mare en de Poel, in Noordwijkerhout van de Leewetering en buiten Haarlem tot Bennebroek (Quade Laantje) van de Houtvaart  (in vroeger eeuwen voluit Aerdenhoutsvaart genoemd, hetgeen er op duidt dat deze waterweg gegraven is als afwatering voor het kwelwater in de duinen). Blijkens een schatting hebben tenminste 1.150 arbeiders aan het graafwerk deelgenomen, waaronder blijkens overlevering een aantal gedetineerden. Opmerkelijk is dat de officiële, zogenaamde ‘Eerste Spit’ feitelijk pas plaats vond toen de vaart al voor een groot deel gereed was, namelijk bij het Quade Laantje in de duinen onder Bennebroek nabij Vogelenzang op 26 september 1657. Dat geschiedde door twee feestelijk uitgedoste zoontjes Hugo en Johan van gemeenteontvanger Mattheus Steyn, tevens commissaris van de trekvaart voor Haarlem. De Haarlemse historicus Schrevelius schrijft dat de gebruikte spaden en kruiwagens waren “versiert met verscheidene Roode en Witte Zijden Banden ende Snoeren, als de Couleuren der beide Steden”, namelijk Haarlem en Leiden. Op 1 november 1657 voer de eerste (die dag versierde) trekschuit van Haarlem naar Leiden over een afstand van 28,5  kilometer tussen de Raampoort in Haarlem en de Marepoort te Leiden. De breedte van de vaart bedraagt 15 tot20 meteren de diepte ongeveer 1,90 meter. De reisduur bedroeg met een onderbreking tussen de vier en vijf uur. Daarmee werd een trekschuitverbinding tussen Amsterdam en Rotterdam in één dag haalbaar. Voordien was de waterweg naar Leiden geweest van het Zuider Buiten Spaarne, buiten de Eendjespoort of Leidse Waterpoort via Heemstede en over de Haarlemmer- en Kagermeren. De steden Haarlem en Leiden exploiteerden de vaart voor gezamenlijke rekening. In de eerste jaren na openstelling maakten gemiddeld ongeveer 10.000 mensen gebruik van de trekschuit. Aanvankelijk waren er tussen half maart en begin oktober in beide steden 9 afvaarten per dag en in 1837 toen de Haagse straatweg reeds lang was verbeterd nog altijd acht. Om 11.00 uur ’s avonds vertrok uit de Sleutelstad én om 10.00 vanuit de Spaarnestad de nachtschuit waardoor het mogelijk was vanuit Halfweg bij Lisse met de eerste gelegenheid ’s morgens verder te reizen. Los daarvan voer de zogeheten ‘pakschuyt’.

Tekening van Simon Fokke in gezelschap van het Teken-College uit Amsterdam in de trekschuit op de Haarlemmertrekvaart in 1760.

Tekening van Simon Fokke in gezelschap van het Teken-College uit Amsterdam in de trekschuit op de Haarlemmertrekvaart in 1760.

De boten werden door één of twee paarden getrokken. Deze vertrokken op vaste tijden en kwamen zonder problemen onderweg ook op vaste tijden aan. Een trekschuit was meestal in twee compartimenten ingericht, te weten een roef (kleine kajuit) en een groter ruim (meestal een tent met banken). Eerstgenoemde afdeling was zoiets als ‘1ste klasse’, waarvoor men dan ook een toeslag betaalde. Er waren ook schuiten met meer dan een roefje en kon men vooraf reserveren. Naast het vervoersgeld was het gewoonte om een paar duiten te geven voor de jager, dat wil zeggen de man die op het jaagpaard zat of het te voet begeleidde. Gaf men een stuiver dan was dat een bijzonder royaal gebaar. De klok op de toren van het Zijlklooster in Haarlem was van nut voor de veerboten die in de Leidsevaart naar Leiden vertrokken. In de Sleutelstad was de openbare klok op de Marekerk aangebracht. Het vertrek van de schuit werd aangekondigd door het luiden van een grote bel, die men bij alle ligplaatsen aantrof. De tocht gaf gelegenheid voor rust of gesprekken met medepassagiers. Toen de beter gesitueerden hun buitenplaatsen en (thee)koepels lieten bouwen bood de tocht op sommige plaatsen zoals onder Heemstede ook een schilderachtig gezicht. Uit schriftelijke berichten in dagboeken en reisverslagen van buitenlanders is bekend dat zij zich graag met de trekschuit lieten vervoeren. Zo schreef bijvoorbeeld de Duitser Christian Knorr von Rosenroth die in 1663 vanuit Leipzig Holland bezocht: “Wanneer men van Amsterdam zich met de trekschuit naar Leiden begeeft, doet men eerst Haarlem aan, een stad welke onder de voornaamste van Holland te rekenen is, gelegen nabij een meer dat de Haarlemmermeer genoemd wordt. Door de stad vloeit de rivier het Spaarne, welke noordwaarts in het IJ uitloopt; voor de stad ligt een allerbekoorlijkst bos waar het zeer aangenaam wandelen is.”

Achterzijde van Huis te Manpad vanuit de Leidsevaart met een beurtschip (trekschuit) en roeiboot op een tekening van Hendrik Keun uit 1773

Achterzijde van Huis te Manpad vanuit de Leidsevaart met een beurtschip (trekschuit) en roeiboot op een tekening van Hendrik Keun uit 1773

Een hondenwagen en rechts de Manpadsbrug over de Leidsevaart op een foto uit 19903

Een hondenwagen en rechts de Manpadsbrug over de Leidsevaart op een foto uit 1903

Café bij Leidsevaart nabij Manpadsbrug

Café bij Leidsevaart nabij Manpadsbrug

Het café van A.de Winter aan de Leidsevaartweg vlakbij de Manpadsbrug op een foto uit 1929

Het café van A.de Winter aan de Leidsevaartweg vlakbij de Manpadsbrug op een foto uit 1929

Voor langere afstanden, zoals tussen Amsterdam en Gouda kon men van de schipper een kussen en/of reisdeken huren om een tukje te doen. Bij de zuiderburen, zoals op het traject Gent-Brugge, was het somtijds mogelijk te eten en drinken, terwijl men in Holland op de zelf meegebrachte fles was aangewezen en voor een vertering op het verversingshuis bij het wisselen van de paarden. Formeel heette de vaart vanaf Haarlem tot Halfweg (Lisse) Leidsevaart en vervolgens Haarlemmervaart. Omdat de naam “Leidsevaart’ in de volksmond binnen Noordwijkerhout al eeuwenlang  Leidsevaart was, is deze benaming sinds 1 juli 1970 door die gemeente geformaliseerd.

Leidsevaart met tol aan de Zandvoortselaan op een foto uit omstreeks 1898

Leidsevaart met tol aan de Zandvoortselaan op een foto uit omstreeks 1898

De Leidsevaart met een zandschipper en links tolgaarderswoning en brug over de vaart in 1925. Op de achtergrond het bloembollenhuis van de firma J.J.Thoolen

De Leidsevaart met een zandschipper en links tolgaarderswoning en brug over de vaart in 1925. Op de achtergrond het bloembollenhuis van de firma J.J.Thoolen

Amstelbrug over de Leidsevaart, ontworpen door Barbara Kletter, 2003

Amstelbrug over de Leidsevaart, ontworpen door Barbara Kletter, 2003

Tolhekken

Tolhuizen en tolhekken tussen Haarlem en Leiden bevonden zich onder Heemstede (bij Berkenrode), Halfweg (Noordwijkerhout/niet ver van de Keukenhof in Lisse) en Oegstgeest.  Het tolhek nabij Leiden onder Oegstgeest bestaat anno 2007 nog altijd op dezelfde plaats. Twee stenen pilasters en de stadswapens van Leiden en Haarlem met jaartal 1701, toen het imposante hek is gebouwd. Het voormalig tolhuis aan het Jaagpad aan de Haarlemmertrekvaart is in gebruik als kantoor (oude tolgaardergedeelte) en restaurant (voormalige stal) ‘Het Tolhuys’. In 1991 kocht de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude voor het raadhuis in Halfweg  op instigatie van toenmalig burgemeester IJsselmuiden een doek van de 17e eeuwse kunstschilders Jan van Kessel en Salomon Rombouts met een voorstelling van ‘Het tolhek te Halfweg’. Achteraf bleek pas dat het hier om een schilderij gaat van de tol en Leidsevaart met trekschuit in Halfweg, een buurtschap in de Bollenstreek niet ver van de Keukenhof in Lisse Tevens waren bij deze pleisterplaats een herberg en paardenstal gevestigd, waar de paarden van de trekschuiten werden verwisseld. Ter hoogte van het spoorwegstation Lisse staat nog een stenen halfwegpaal. Een bordje naast deze scheisteen meldt dat in het topjaar 1677 zo’n 150.000 personen via de trekvaart zijn vervoerd. Officieel kwam hieraan een einde omstreeks 1860 en is het tolhuis gesloopt, maar toch hebben voor de minder draagkrachtigen nog tot na 1880 op bepaalde tijden trekschuiten gevaren, die dan de trein voorbij zagen reizen. Indien niet helemaal vol was het vervoer redelijk comfortabel, uiteraard in de winter bij ijsvorming gestremd, maar erg langzaam. Eenmaal de genoemde halfwegpaal gepasseerd had de passagier nog zo’n 2,5 uur voor de boeg. Het tolhuis was formeel eigendom van beide steden en hier werd in vroeger tijd een- of tweemaal per jaar over trekvaartzaken gesproken. Het was tevens dienstwoning van de commissaris die het toezicht moest houden op de paarden en verantwoordelijk was voor een goede dienstregeling. Ofschoon hiervan geen oude afbeeldingen bestaan, zijn wel de ontwerptekeningen door Willem van der Helm bewaard gebleven. Omdat tengevolge van concurrentie met de spoorwegen de trekvaart niet meer rendeerde is het tolhuis door de gecommitteerden in 1860 verkocht en enkele jaren later gesloopt. In de gevel zaten twee rechthoekige stenen met de wapens van Haarlem en Leiden. De steen met het Leidse stadswapen, gedekt door een kroon, is nog ingemetseld te vinden in een tuinmuur van de Keukenhof.

Tolpoort Heemstede

Tolpoort Heemstede na de verplaatsing van de Leidsevaartweg naar entreek van park Groenendaal

Het tolhek aan de westzijde van de Leidsevaart nabij Haarlem onder Heemstede moest in 1925 wijken, officieel wegens ‘bouwvalligheid’ maar in werkelijkheid vanwege een noodzakelijk geachte verbreding van de Leidsevaartweg, die oorspronkelijk als jaagpad voor paarden was aangelegd. Korte tijd later volgde de sloop van het tolhuis op de hoek van de Leidsevaartweg en Zandvoortselaan met het oog op de bouw van een spoorweghalte Heemstede-Aerdenhout. De brokstukken van de tolpoort zijn enige tijd op de Heemsteedse gemeentewerf opgeslagen en maakten monumentenbeschermers in die tij zich zorgen over de toekomst. In 1930 kreeg het monumentale hek, dat afgesloten kan worden, een nieuwe plaats bij de entree van het tennisbanencomplex in het wandelbos Groenendaal. Naast beide gekroonde wapenschilden van Haarlem en Leiden op de hoofdpijlers is op de linker zijpilaar een steen met inschrift “anno” en op de rechter zijpilaar het jaartal  “1695”gegrift. Het tolhuis achter op het terrein van ‘Oud-Berkenrode’ is in augustus 1657 ten tijde van de aanleg van de Leidsevaart gebouwd op kosten van de heren commissarissen. Als laagste inschrijver is de bouw gegund aan Jan Pieters van Brederode uit Warmond. Het pand werd bewoond door de commissaris van de tol, belast met het innen van de tolgelden ofwel gabellen. Zijn loon bedroeg aanvankelijk ƒ 1,- per dag. Pas in 1695 is het grote tolhek met zijn smeedijzeren hek in zijn huidige gedaante tot stand gekomen. Zowel voor vervoer via de vaart als het jaagpad moest betaald worden. Geleidelijk zijn de bedragen verhoogd. Omstreeks 1840, toen Cornelis van Zutphen voor 800 gulden per jaar de tol op de trekweg of zandpad aan de tweede brug bij de Aerdenhoutselaan [= tegenwoordige Zandvoortselaan] pachtte, moest voor een trekschuit die door mensenkracht werd voortgetrokken vijf cent betaald worden en voor een door een paard getrokken schuiten twee stuivers. De staatsraad, de gouverneur van Holland, burgemeester en wethouders van Haarlem en Leiden alsmede leden van de rechterlijke macht waren van betaling vrijgesteld. Ook een volwassen passagier te voet betaalde 5 cent en kinderen de helft. Omdat de inkomsten toen al terugliepen kreeg genoemde tolgaarder een nieuw contract voor zevenhonderd gulden per jaar alsmede vrije bewoning van het tolhuis. In het jaar 1880 deed het gemeentebestuur van Haarlem het voorstel de tol en tolgaarderwoning in Heemstede op te heffen, maar het besluit daartoe werd opgeschort. Het tolhuis bleef normaal verhuurd en de ambtenaar vooralsnog in dienst van de gemeente. Uit 1905 dateert een intussen zeldzame ansichtkaart van de tolgaarder, vermoedelijk L.Pleging, in ambtskostuum voor zijn kantoor, waarbij de gehele buurt uitliep voor de fotograaf. In 1908 nam de gemeente Heemstede het besluit om met ingang van 1 januari 1910 een aantal vaarten, wegen en gasbuizen van Haarlem over te nemen. Daarbij ook de Leidschevaart voor zover die onder Heemstede lag alsmede “het tolhuis, erf en tuin aan de Zandvoortse laan, voor zover dit eigendom van de gemeente Haarlem is; geschiedende (…) voor den prijs van ƒ 100,- te betalen door de gemeente Heemstede aan de gemeente Haarlem, terwijl de gemeente Heemstede tevens de verplichting op zich neemt, om den tegenwoordigen tolgaarder-wegwerker in haren dienst over te nemen.” Het gemeentepersoneel van Haarlem moest van tolgeld vrijgesteld worden. De tol gold overigens sinds 1865 niet meer voor verkeer te water en voor voetgangers over de weg. Met twee andere tollen (Koediefslaan en Camplaan), waarvan de opbrengst voor 1915 op 3.000 gulden begroot werd, is in de raadsvergadering van 6 oktober 1914 met acht tegen vijf stemmen besloten de gemeentelijke tollen per 1 januari 1916 op te heffen.  

Prentbriefkaart van de Leidsevaart in Heemstede uit 1942

Prentbriefkaart van de Leidsevaart in Heemstede uit 1942

Bedrijvigheid, wonen, natuur, en vermaak rond de Leidsevaart tussen Haarlem en Hillegom Bekende veer- en kleerschippers in de ambachtsheerlijkheid Berkenrode (in 1857 bij Heemstede geannexeerd) waren leden van de familie Kroon. Zij voeren sinds 1744 heen en weer tussen Amsterdam en Heemstede/Berkenrode, o.a. voor het vervoer was wasgoed, post  en andere goederen. Van de ambachtsheer ontvingen ze toestemming in de Leidsevaart te mogen laden en lossen. Jan Jacobszoon Kroon (1698-1789) heeft de begeerde beurtvaartlicentie bemachtigd, opgevolgd door zijn zonen Pieter en Maarten. Een andere broer Jan Kroon moest 25 gulden recognitie aan de “ordinaire veerschippers” betalen om in de Leidsevaart af te meren voor het bezorgen van goederen bij de hofsteden Oosterduin, Ipenrode, Leyduin en Woestduin. Toen  Pieter Kroon senior in 1828 overleed  mocht de weduwe met behulp van haar 13-jarige zoon Pieter (junior) ondanks het verval dit veerbedrijf voortzetten. Ten aanzien van de reisgelegenheden bericht de ‘Nederlandsche Dorp- en Stadbeschrijver’ (1796):  “De Heerlijkheid heeft twee eigene schippers welken uit de Leidsche vaart op Amsterdam vaaren; dit echter kan me niet eigenlijk voor eene reisgelegenheid houden: intusschen zijn die gelegenheden op de omliggende plaatsen en aan de Leidsche vaart voornoemd, voldoende genoeg”. Onder Heemstede wordt gemeld: “Men kan ook naar de mannenpads brug gaan, om met de aldaar passeerende trekschuit naar Leiden te vertrekken” en bij Bennebroek worden als reismogelijkheden genoemd: 1) de kleereschuit die ook passagiers meeneemt; 2) herberg de Geleerde Man, vanwaar men van de postwagen tussen Haarlem en Leiden gebruik kan maken, en 3) naar de Leidsevaart gaan voor de passerende trekschuit. De aanleg van de Leidse trekvaart heeft de vestiging van Amsterdammers op hofsteden in de zomermaanden gestimuleerd. In 1688 vervaardigde de bekende kunstenaar Romeyn de Hooghe (1645-1808) een fraaie kopergravure van de godin Diana/Artemis met op de achtergrond een gezicht over de Leidsevaart. Tussen de Heerenweg en de Leidsevaart lagen de volgende min of meer grote buitenplaatsen op grondgebied van Heemstede en Berkenrode: Eindenhout (sinds 1927 Haarlem), Oud Berkenroede, Westerduin, Berkenrode, Duin en Vaart (waar nu de Geleerdenwijk ligt), Ipenrode, Huis te Manpad en de Hartekamp. Verder aan de westzijde nog Boekenrode, Leyduin, Woestduin en Croesbeek (Schapenbosch), grotendeels onder Vogelenzang gelegen. Het gereedkomen van de trekvaart betekende een betere ontsluiting via het water. Langs de vaart kwam een ‘trekweg’ met jaag- en rijpad. Nu konden de Amsterdamse heren niet enkel met hun rijtuigen hun buitenplaatsen bereiken, maar ook hun eigen jacht meren. Er kwamen dan ook aanvragen bij de overheid om steigers met palen in de Leidsevaart te varen. De Zweedse reiziger Bengt Ferrner noteerde in zijn dagboek op 20 juni 1759 na aankomst bij de Hartekamp: “Hier zag men een ook een mooie grot, een fontein, een menagerie en vrolijke wandelwegen, die naar de Vaart leidden, waardoor de trekschuiten naar Leiden en Haarlem voeren.” In deze periode was de Amsterdamse bankier George Cliffort eigenaar van de Hartekamp. Uit 28 mei 1733 dateert een bij Everardus van den Burgh in Den Haag notarieel vastgelegde overeenkomst over het gebruik en vervoer van zand van een stuk duin bij paal 16 op de weg van Bennebroek naar Heemstede, zoals afgesproken “in de Schuijt vaerende van Haerlem nae Amsterdam.” Met het graven van de Leidsevaart in 1656 zijn de Achter- en Voorkoekoek [= Ipenrode] die voordien één geheel uitmaakten geografisch van elkaar gescheiden. Achter-Koekoek ligt thans in Vogelenzang. Toenmalig eigenaar Cornelis Ormeo, uit een geslacht van Lombardische geldschieters bouwde vermoedelijk op de bestaande boerenhofstede ‘Voorkoekoek’ (nu Ipenrode) tot ‘heerschapshuis’.  Op 2 juli 1757 kreeg de toenmalige eigenares, weduwe Sautyn-Geelvinck, toestemming van de ‘Heeren van de Leidsche Trekvaart der stad Haarlem’ om een houten beschoeiing te maken in plaats van de voorheen “gemaeckte panneschoeying”. ———————————————————————————————— “Begraven: op 8 december 1717 te Heemstede: een kint van Trijntje Jans in onecht geteelt bij…heeft in de trekschuit den arbeidt gekregen, is aan de Manpadt door de schipper uitgeset, en is ten huise van Sijmen de Breem verlost. Begraaven door ordre van de schout.” [Noord-Hollands Archief, DTB-Heemstede] ————————————————————————————————-

'Gesigt van de Leidse Trekvaart naa de eerste brug buiten Haarlem' (met het huis Zwanenburg) door Jan van Solingen, circa 1733, naar een tekening van Laurens Jacobsz. van der Vinne (1712-1742) (foto Universiteitsbibliotheek Leiden)

‘Gesigt van de Leidse Trekvaart naa de eerste brug buiten Haarlem’ (met het huis Zwanenburg) door Jan van Solingen, circa 1733, naar een tekening van Laurens Jacobsz. van der Vinne (1712-1742) (foto Universiteitsbibliotheek Leiden)

Kort na de aanleg van de Leidsevaart, maar volgens een andere bron al 20 jaar eerder, is bij de eerste brug onder Heemstede (sinds 1927 gemeente Haarlem; in 1961 helemaal vernieuwd) een horecaonderneming gevestigd. Vanouds genaamd ‘’t Schouwtje’ bij de Schouwtjesbrug. Volgens een 20 mei 1658 gedateerde akte blijkt dat door burgemeester en schepenen van Haarlem op grondgebied van de heerlijkheid Heemstede aan Jan Gerrit Wijncamp een hoekje grond in erfpacht werd afgestaan, gelegen ten westen van de Leidsevaart, aan de eerste brug, op de hoek van de Pijlslaan. Groot zeven en zestig roeden, tegen 16 gulden en 15 stuivers per jaar, om daarop een huis te bouwen en een herberg in te richten. Daaraan heeft de huidige cafetaria/snackbar ’t Schouwtje’, Leidsevaart 336, haar oorsprong te danken. Deze oude herberg, in de 17e en 18e eeuw ook ‘Heerenlogement’ en na een verbouwing omstreeks 1780 ‘Nieuwe Heerenlogement’ geheten is in de loop van zo’n 3,5 eeuw vele malen van eigenaar veranderd. In 1781 bevatte de uitspanning een overdekte kolfbaan en bedroeg het totale oppervlak ruim 950 meter. Bijna twee eeuwen later kocht A.M.S.van Gennip in 1976 het café met bijbehorende woningen, intussen gereduceerd tot een oppervlakte van150 vierkante meter, voor ƒ 60.000,-. In 2006 is in Haarlem aan het zuidelijk deel van de Leidsevaart de kademuur vernieuwd. De tweede rijbrug is gesitueerd over de Zandvoortselaan, in vroeger tijd (sinds ongeveer 1663) Aerdenhoutselaen genoemd en daarvoor Gasthuislaan. Nabij de derde brug over de Leidsevaart ter hoogte van de Manpadslaan op nummer 7 staat een huis dat oorspronkelijk uit omstreeks 1700 dateert. Het bevat de wat mysterieuze naam ‘de Kapel’. Dat zou op een schuilkerk kunnen duiden, doch erg aannemelijk is dat niet omdat al over de vaart op het landgoed ‘Koekoeksduin’ een jachthuis lag en op de bovenverdieping een huiskerk was ingericht. Een andere verklaring is dat zich hier een illegale herberg annex “hoerhuys” bevond. Ver van de bebouwde kom en bovendien strategisch gelegen, niet ver van de Herenweg en nabij de Leidse Trekvaart. Al in de 19e eeuw lag een eenvoudige pleisterplaats bij de Manpadsbrug aan de Leidsevaart met namen als ‘Gouden Klompie’, ‘Hemeltje’ en ‘Het Hol’. Enige tijd in combinatie met een levensmiddelenzaak. Volgens de overlevering zou de uitspanning nog als halteplaats voor reizigers met de trekschuit gefungeerd hebben. Er legden vroeger tevens zand- en mestschippers aan. Eigenaren in de vorige eeuw waren o.a. Jan Blom, Jan Belder, A. de Winter en Trijntje de Winter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is het pand afgebroken omdat het in het schootsveld stond van de bezetters. Vanwege de vele vaste bruggen is de Leidsevaart niet erg in trek bij de pleziervaart, hooguit geschikt voor kano’s, roeiboten en kleine motorjachten. Al direct na de aanleg is de visserij verdeeld over Haarlem en Leiden. Vanwege de ruime aanwezigheid van o.a. karpers in het voorjaar is de vaart nog altijd geliefd bij de pleziervissers. ’s Winters kan er geschaatst worden, maar de laatste tijd steeds minder. De Leidsevaart is tegenwoordig een dorado voor allerlei watervogels: koeten, reigers, futen etc., met name het deel tussen Lisse en Vogelenzang. Op het achterterrein van Oud Berkenroede onder Heemstede is in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw de Letterkundigenwijk aangelegd met de ter hoogte van de Leidsevaart de Boutenskade en het eind van de Alberdingk Thijmlaan. De witte hoekvilla aan de vaart speelt een kleine rol in de film ‘Amsterdamned’ (1988) van de in 1951 te Heemstede geboren cineast Dick Maas. Iets noordelijker aan de andere zijde van de Zandvoortselaan ontstond in de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw de Bloemenwijk met aan de Leidsevaart de Asterkade waar vroeger het schilderachtige huisje van Holdorp stond, dat al uit de 18e eeuw dateerde en moest wijken voor de bouw van serviceflat De Rozenburgh. In Haarlem is aan de westzijde van de Leidsevaart in 1880 door toenmalig burgemeester mr. E.A.  Iordens de eerste steen gelegd van een blok huizen, vervolgens uitgegroeid tot het de Leidse Buurt ofwel het Leidsevaartkwartier. In vorige eeuwen lagen hier o.a. bleekvelden, weilanden en ‘pleiziertuinen’, zoals te zien op een tweedelige prent van Romeyn de Hooghe als randversiering van de plattegrond van Haarlem uit 1688/1689. In 1833 is de destijds befaamde katoenblekerij en –drukkerij van de Engelsman Thomas Wilson opgericht tussen de Leidsevaart en tegenwoordige Wilhelminastraat. Van 1895 tot 1898 werd aan de vaart een nieuwe kathedraal Sint Bavo gebouwd (tussen 1902-1906 voltooid) en uit 1931 dateert het garage- en kantoorgebouw van de Electrische Tramweg Maatschappij, nu Connexxion. In de eerste helft van de 19e eeuw was Haarlem nog een echte ‘Bloemenstad’, mede dankzij beroemde bloemisterijen als die van Krelage. In 1915 werd de toen nieuwe Rijkskweekschool aan de Leidse vaart geopend. In 1928 kwam een nieuwe gebouw voor de bloembollenbeurs, het Krelagehuis, aan de Leidsevaart tot stand , op de plaats van de vroegere machinefabriek van de Gebroeders Figee, die naar het Noorder Buiten Spaarne verhuisde. Richting Bennebroek en Vogelenzang is in 1853 op Leiduin aan de westzijde van de Leidsevaart voor de Duinwater Maatschappij het eerste waterleiding-pompstation gebouwd, dat nu op de rijksmonumentenlijst is opgenomen. Diverse oude en moderne gebouwen van de Amsterdamse Waterleidingduinen, ten dele in Heemstede en grotendeels in de gemeente Bloemendaal gelegen vormen hedentendage een architectonisch openluchtmuseum. Aan de oostzijde van de Leidsevaart ligt de Geleerdenwijk. Verderop naar het zuiden voorbij een groene long Ipenrode de Rivierenwijk, waarvan de eerste aanzet uit begin jaren dertig van de vorige eeuw dateert. De huidige Amstelbrug over de vaart is in 1946 gebouwd en de balustrade in de vorm van letters en woorden, verband houdende met de waterwinning, bevat sinds 2003 een kunstwerk van Barbara Kletter Tegen de grens van Bennebroek, Leidsevaartweg 1, is tussen 1924 en 1928 onder architectuur van J.Zietsma het gebouw voor bloembollencultuur, de Bulb, tot stand gekomen. Tegenwoordig onder meer als kantoorruimte in gebruik en beschermd als rijksmonument.

De Hollandsche Cultuur Maatschappij, de Bulb, aan de Leidsevaart in Heemstede nabij Bennebroek en Vogelenzang

De Hollandsche Cultuur Maatschappij, de Bulb, aan de Leidsevaart in Heemstede nabij Bennebroek en Vogelenzang

————————————————————————————————————– De Leidsevaart stonk “Ingezonden In onze goede stad Haarlem zullen de bewoners der Leidsche Vaart in twijfel geraken over de vraag, of hun woonplaats wel zeer heilzaam voor de gezondheid is. Die vaart toch verspreidt een zeer onaangenamen geur, die aan de Amsterdamsche grachten doet denken. Zou de bevoegde overheid in deze niet kunnen zorgen, dat de uitdieping der vaart, die van Leiden uit begonnen is, en weldra aan de Manpadsbrug zal gestaakt worden, ook het Haarlemsche gedeelte dier vaart op de vereischte diepte brenge? Ieder schip dat geladen is, werkt de modder naar boven.” Uit: Haarlem’s Dagblad, 18 mei 1889. ————————————————————————————————- Onder Bennebroek lag een koepel met een uitstek over het water aan de Leidsevaart achter het Huis te Bijweg, sinds 1812 eigendom van de staatsman Johan Valckenaer, die hier woonachtig was met zijn huisgenoot professor Theodorus van Kooten.  Te Bennebroek was aan de oostkant van de Leidsevaart een openbare aanlegplaats aan het einde van de latere Zwarteweg bij het zogeheten ‘Bennebroekerhuisje’, een wachtplaats voor trekvaartpassagiers, waarvan de stad Haarlem en ambachtsheer van Bennebroek gezamenlijk eigenaar waren. Bij het begin van de Bataafse Republiek in 1795 werd in het Bennebroekerhuisje het volgende nogal onheuse vers geschreven op predikant M. den Appel: “Dominee den Appel is een oproermaker Hij moet op z’n donderement hebben en hem tot de ribbens kraken Hij was een gewesen Presentant Maar zijn knegt is een Oranjeklant” Dominee den Appel was furieus en eiste van schout en baljuw om binnen 24 uur “over dit crimineel delict tegen zijn eer en persoon zou worden geïnformeerd met verzoek de strengste inquisitie naar de dader.” In 1795 verkocht Willem van Schoten zijn huis en het veer aan de westzijde op de grens van Vogelenzang en Bennebroek voor 1.300 gulden aan Anthony van Moorsel, waarbij de schuit “tot het gerief van de passagiers” maar honderd gulden waard was. De verbinding over de vaart geschiedde door het zogeheten ‘overzetje’, het bootje van de veerman. Bij de aankopen die Valckenaer later deed was ook het ‘overzetje’ en het veerhuis begrepen. Tot 1834 bleef dit overzetveer bestaan, totdat de familie Barnaart van Huis te Vogelenzang een vaste oeververbinding liet vervaardigen. De onderhoudskosten werden terugverdiend door tolheffing: één cent per passant. Om die reden kreeg de brug in de volksmond de naam van ‘Centenbrug’, vroeger ook wel ‘Barnaartsbrug’. In 1847 ontwierp de bekende constructeur ingenieur T.W.Conrad een houten traliebrug over de Leidsvaart bij Vogelenzang die tot 1858 fungeerde toen deze is vervangen door een ijzeren spoorwegbrug. Al in 1743 had de toenmalige eigenaar van Teylingerbosch [Huis te Vogelenzang], de Amsterdammer  Pieter Beck, van de commissarissen van de Leidse Trekvaart verlof gekregen herstellingen te doen aan de steiger en de schoeiing van de vaart vóór genoemde hofstede. In Vogelenzangwerd overigens van paard gewisseld en ondertussen konden de passagiers hun benen strekken of zich laven in herberg ‘De Witte Hond’. [in Bennebroek lag een herberg met naam ‘De Swarte Hond’]. Een beeldje herinnert aan de tijd dat hier een pleisterplaats was voor de trekschuiten dienst Haarlem-Leiden vice versa. In 1880 was overeengekomen dat Leiden de weg langs de Haarlemmertrekvaart tot Halfweg nabij station Lisse zou onderhouden en Haarlem het resterende deel van de Leidse vaart. De stad Haarlem bleef formeel tot 1932 eigenaar van de Leidsevaart bij Bennebroek/Vogelenzang. Over het onderhoud van de vaart, de walkanten en het jaagpad deden zich in de loop der jaren veelvuldig meningsverschillen over, vooral over wie voor de kosten opdraaide. Het gevolg was dat nogal eens sprake was van achterstallig onderhoud. In Hillegom is het vroegere jaagpad (of ‘Jaagweg’) nog aanwezig en als fietspad in gebruik (Noorder- en Zuider Leidsevaart met Kalkoverbrug over de vaart). In maart 2000 is aan de Rooversbroekdijk nabij de moleneen informatiezuil geplaatst waarop een en ander over de geschiedenis van de Leidse Trekvaart wordt uitgelegd. In de loop van de tijd stootte de stad Leiden de vaart, berm en weg af naar de diverse gemeente. Dat gebeurde ten aanzien van Haarlem ook met  Heemstede (1910/1916) en Bennebroek (1932). De onderhandelingen met Hillegom en Lisse verliepen moeizaam omdat die gemeenten niet accepteerbare voorwaarden verbonden aan de aankoop. Dat leverde een jarenlang conflict op tussen de gemeenten en ergernis bij de bewoners over de belabberde staat van wegen. Door de onenigheid tussen de dorpen en Haarlem is er jarenlang geen groot onderhoud gepleegd aan de Leidsevaart. In het jaar 2000 is besloten dat Hillegom de Noorder Leidsevaart koopt wanneer Haarlem eerst voor een goede staat van de weg zorgt. Pas in augustus 2005 gaf de stad Haarlem na vele jaren van overleg een stukje Leidsevaart in het buurtschap Halfweg aan de gemeente Lisse. Dat werd besloten nadat Haarlem erin toestemde de kosten van grondsanering, geraamd op minimaal 6.000 euro, voor rekening van de stad neemt en bovendien de weg zodanig zal opleveren dat er de eerste vijftien jaar geen onderhoud aan is.

De Leidse trekvaart met het schilderachtige huisje van Holdorp aan de Asterkade. Gebouwd omstreeks 1750 als dubbele arbeiderswoning. In 1971 gesloopt, thans serviceflat De Rozenburgh. G.Jongh Visscher vervaardigde in 1943 een schilderij van het afgebeelde huis, in eigendom van de HVHB.

De Leidse trekvaart met het schilderachtige huisje van Holdorp aan de Asterkade. Gebouwd omstreeks 1750 als dubbele arbeiderswoning. In 1971 gesloopt, thans serviceflat De Rozenburgh. G.Jongh Visscher vervaardigde in 1943 een schilderij van het afgebeelde huis, in eigendom van de HVHB.

Westelijke Randweg met brug over de Leidsevaart en zicht op Heemstede

Westelijke Randweg met brug over de Leidsevaart en zicht op Heemstede

Bronnen en literatuur

Heerlijkheidsarchief Heemstede, in Noord-Hollands Archief Haarlem. J. Dólleman. Verhaal van al het geen merkwaardig is voorgevallen in en omtrent de Heerlijkheid van Heemstede…(…), blz. 206-208. Handschrift. Documentatiemappen Leidsevaart en Tolhek in Heemstede-kollektie. G.van Duinen. ‘De Leidsevaart’. In: De geschiedenis van de heerlijkheid Berkenrode. VOHB, 1959, blz. 68-72. J.M.Fuchs. Het beurtveer Amsterdam – Haarlem. In: Haerlem; jaarboek 1939. 1940, blz. 87-103. J.W.Groesbeek. Bennebroek; beeld van een dorpsgemeenschap. 1982. Een nieuwe waterweg, blz. 99-100. [Twee correcties: 26 september 1656 (“Eerste spa-steking”) moet zijn 26 september 1656 en de openstelling was niet 1 oktober 1657 maar 1 maand later]. S.J.Fockema Andreae. De trekvaart Haarlem-Leiden driehonderd jaar. In: Haerlem; jaarboek 1957. 1958, blz. 76-83. A. Versprille. De Haarlemmertrekvaart 300 jaar. In: Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken. 1958. 1959, blz. 114-126. Hans Krol (Heemstede)  

Buitenplaatsen langs de Leidse Trekvaart tussen Haarlem en Leiden (Uit: Blauwe ader van de Bollenstreek, 2007)

Buitenplaatsen langs de Leidse Trekvaart tussen Haarlem en Leiden (Uit: Blauwe ader van de Bollenstreek, 2007)

IJsvermaak op de Leidsevaart. Gezicht op Haarlem nabij buitenplaats Zwanenburg door Cornelis van Noorde, 1767. Later was hier de kwekerij van de firma Van Tubergen.

IJsvermaak op de Leidsevaart. Gezicht op Haarlem nabij buitenplaats Zwanenburg door Cornelis van Noorde, 1767. Later was hier de kwekerij van de firma Van Tubergen.

Gezicht aan de Leidsevaart tussen de eerste brug en de stad. Rechts het gedeelte van het buitengebied van Haarlem waar later de kwekerij 'Zwanenburg' van de firma C.G.van Tubergen Jr. zou komen (O.H.C., 28-10-1911)

Gezicht aan de Leidsevaart tussen de eerste brug en de stad. Rechts het gedeelte van het buitengebied van Haarlem waar later de kwekerij ‘Zwanenburg’ van de firma C.G.van Tubergen Jr. zou komen (O.H.C., 28-10-1911)

Aquarel van Leidsevaart nabij Schouwtjeslaan (Noord-Hollands Archief)

Aquarel van Leidsevaart nabij Schouwtjeslaan door C.van Noorde uit 1767 (Noord-Hollands Archief)

Haarlemse jaag- of trekschuit. De passagiers konden zowel aan dek of onder de roef plaatsnemen. Vanaf de masttop liep een lijn naar het paard dat de schuit voorttrok. Ets van R.Nooms uit omstreeks 1750

Haarlemse jaag- of trekschuit. De passagiers konden zowel aan dek of onder de roef plaatsnemen. Vanaf de masttop liep een lijn naar het paard dat de schuit voorttrok. Ets van R.Nooms uit omstreeks 1750

Leidsevaart met houten brug en links de herberg 'Het Schoutje' in 1782. Tekening avn H.P.Schouten uit 1780 (Noord-Hollands Archief)

Leidsevaart met houten brug en links de herberg ‘Het Schoutje’ in 1782. Tekening van H.P.Schouten uit 1780 (Noord-Hollands Archief)

Heemstede, nu Haarlem. Oude ansicht van de Leidsevaart met kwakel

Heemstede, nu Haarlem. Oude ansicht van de Leidsevaart met kwakel

Bijlage:  namen van de commissarissen van de trekvaart tussen Haarlem en Leiden van 1655-1800: 1655: Johan Loo, Cornelis Guldewagen, Thyman Osdorp 1655: Cornelis Guldewagen (tevens penningmeester), Gaaf Meyndertsz Fabricius, mr.Mattheus Stryn en Francois Wouters 1664: Dr. Mahu le Febure 1667: Mr. Johan van Thilt 1680: Mr. Adriaan van Bosvelt, Jacob de Ram 1687: Paulus Vermeulen 1690 Nicolaas van Assendelft, Jonas de Jongh 1696: Mr.Cornelis Colterman, mr. Diderik Dikx 1698: Poeter Schatter 1702: Mr. Johan Sylvius 1711: Hendrik Haaswindius 1718: Mr.Pieter Rycke 1719: Mr. Wyn. v.d.Maas d’Avenrode 1720: Mr. Arent Fabricius 1721: mr. Cornelis van Valckenburg 1727: Hendrik Witte, mr. Mattheus Geraads 1728: mr. Cornelis Sylvius 1729: Adriaan Steyn 1731: mr. Willem van der Waeyen 1733: mr.Gilles de Glarges 1734: Willem Gerlings 1738: Gerard Boelema 1739: mr.C.A.van Sypesteyn 1743: Hendrik Crommelin 1744: Sim. G.van Strijen 1748: mr.Pieter Steyn, Jan Heshuysen 1750: mr.Jacob Deutz, mr. Julius Witte 1758: Elbert Testart 1761: Anthony Kurts 1768: mr.C.J.van Dam, S. van Echten, M.A.de Raat 1770: mr.J.H.van Dam 1772: Isaac Clifford 1776: mr.C.A.van Sypesteyn 1779: J.S. La Clé 1783:  Mr.J.S.Parvé 1784: Mr. J.D.Pauw geboren Hoeufft 1787: mr.C.J.van Dam, A.J.Heshuysen, mr.J.J.Faber van Riemsdijk 1789: J. la Clé 1793: Mr. C.Boeij -1795 mr. L.Pauw geb. Hoeufft 1795: Herman Gerlings, C.A.van Sypesteyn, J.P.Kuenen 1796: J.Enschedé, P.J.van Eybergen, W.Ph. Kops, I.C.Sterk, J.Teding van Berkhout, J.Scholting, 1 oktober nieuwbenoemd: Gerrit van der Aa 1798: I.C.Sterk, G. van der aa, L.J.van der Smissen, A.C.Swaving 1799: J.C.Wensingh, Abraham Los Jacobszoon. In 1803 samenvoeging met commissarissen van de Amsterdamse trekvaart

In 1659 vervaardigde (gouden) gedenkpenning vervaardigd door Peter van Abeele of Christoffel Adolphi n.a.v. de opening van de trekvaart tussen Haarlem en Leiden in 1657

In 1659 vervaardigde (gouden) gedenkpenning vervaardigd door Peter van Abeele of Christoffel Adolphi n.a.v. de opening van de trekvaart tussen Haarlem en Leiden in 1657

Bewaard archiefstuk over vervaardiging van een gedenkpenning met publieke toestemming van de 4 Haarlemse burgemeesters C.Guldewagen, Fabritius, P.Stein en F.Wouters

Bewaard archiefstuk over vervaardiging van een gedenkpenning met publieke toestemming van de 4 Haarlemse burgemeesters C.Guldewagen, Fabritius, P.Stein en F.Wouters

John Carr. Gezicht op Haarlem vanaf de Leidse Trekvaart met trekschuit. Aquatint, 1807

John Carr. Gezicht op Haarlem vanaf de Leidse Trekvaart met trekschuit. Aquatint, 1807

Een trekschuit in de Amsterdamse vaart tussen Amsterdam en Haarlem ter hoogte van de buitenplaats Meermond bij Halfweg (Abraham Rademaker, 1728).

Een trekschuit in de Amsterdamse vaart tussen Amsterdam en Haarlem ter hoogte van de buitenplaats Meermond bij Halfweg (Abraham Rademaker, 1728).

Haarlemmervaart in Amsterdam; aquarel door Jan van Kessel. Op de voorgrond de trekschuit naar Haarlem. (Stadsarchief Amsterdam)

Haarlemmervaart in Amsterdam; aquarel door Jan van Kessel. Op de voorgrond de trekschuit naar Haarlem. (Stadsarchief Amsterdam)

trekschuiten

Een gesprek in de trekschuit uit 1733 notarieel vastgelegd (Oud Heemstede Bennebroek, nummer 34, november 1982)

 

trekschuit

Trekschuit op een glasgravure door Adrianus (II) Hoevenaar (1764-1832), 1809

Prent van R.de Vries (1813-1874) met trekschuit omstreeks 1850

Prent van R.de Vries (1813-1874) met trekschuit omstreeks 1850

Eerste trein Amsterdam - Haarlem met station en Haarlemmertrekvaart met trekschuit

Eerste trein Amsterdam – Haarlem 1938 met station en Haarlemmertrekvaart met trekschuit

'In de trekschuit' door E.Vermorcken. Uit: De Oude Tijd, 1871.

‘In de trekschuit’ door E.Vermorcken. Uit: De Oude Tijd, 1871.

De trekschuit als afbeelding in een oud kinderboek in de Koninklijke Bibliotheek

De trekschuit als afbeelding in een oud kinderboek in de Koninklijke Bibliotheek

'De veerschipper', tekening door Anton Pieck.

‘De veerschipper’, tekening door Anton Pieck. Het ‘verse’ paard staat links en het paard meer rechts rust uit. Anton Pieck heeft zelf nog in zijn jeugd in een trekschuit gevaren naar Volendam

Een trekchuit passeert een buitengoed in Ouderkerk aan de Amstel. Kalenderplaat van Anton Pieck, aquarel. 1985

Een trekschuit passeert een buitengoed in Ouderkerk aan de Amstel. Kalenderplaat van Anton Pieck, aquarel. 1985

trekschuit

Moderne illustratie van een trekschuit door Jurgen Wiersma bij een verhaal van Lennaert Nijgh: Langzaam maar zeker (uit: Haarlem bestaat niet, 1996).

Schaatsend met een slee op de Leidsevaart bij Vogelenzang. Prentje van Anton Pieck

Schaatsend met een slee op de Leidsevaart bij Vogelenzang. Prentje van Anton Pieck

morrien1

Vers van de letterkundige Adriaan Morriën, die een aantal jaren in Haarlem woonde, geschreven bij gelegenheid van het 90-jarig jubileum van boekhandel De Vries

 

Ligging van de Bloembollen- en Zaadhandel Van Tubergen aan de Leidsevaart. De jaartallen geven de bouwjaren aan. (Uit: gedenkboek door Kees Hoog, 1913).