CAROLUS LINNAEUS  (1707 – 1778) LEZING TER GELEGENHEID VAN ZIJN 300E GEBOORTEDAG GEHOUDEN OP 23 MEI 2007 IN DE HARTEKAMP DOOR J. MENNEMA

INLEIDING VAN   RǺSHULT  NAAR  DE  HARTEKAMP

LINNAEUS  OP  DE  HARTEKAMP

Titelblad van ‘Hortus Cliffortianus”

TERUG  NAAR  ZWEDEN

DEUS  CREAVIT,  LINNAEUS  DISPOSUIT

DE  HARTEKAMP  EN  LINNAEUS

Plattegrond door landmeter Maurits Walraven uit 1708

CAROLUS  LINNAEUS (1707 – 1778)

Borstbeeld van Carolus Linnaeus op de Hartekamp Heemstede (foto Kris Roderburg)

Borstbeeld van Carolus Linnaeus op de Hartekamp Heemstede (foto Kris Roderburg)

“Dames en Heeren, Zeer Geachte Toehoorders! Het is heden tweehonderd jaar geleden, dat Carolus Linnaeus, de man, tot wiens eere gij U herwaarts hebt begeven, in de pastorie van het dorpje Råshult in Zweden het leven zag”. Zo opende de toenmalige directeur van ’s Rijks Herbarium te Leiden, Dr. Lotsy,  op 23 mei 1907 zijn feestrede in Haarlem ter herdenking van de 200e geboortedag van Linnaeus. En nu zijn wij hier bijeen om een eeuw later wederom –of moet ik zeggen: nog steeds?- zijn geboortedag te herdenken, dit maal zijn 300e! In plaats van ‘wederom’ kies ik liever voor ‘nog steeds’, omdat ik grote bewondering heb voor een man, die in 1735 een beeld over de indeling van flora en fauna heeft geschapen, dat ‘nog steeds’ de wetenschappelijke beeldenstorm heeft kunnen doorstaan.

INLEIDING

Linnaeus in Laplands kostuum

Ik stel mij allereerst voor om in deze feestrede een kort overzicht te geven van het leven en de werken van Linnaeus, daarbij gesteund door een drietal publicaties, t.w. de biografie van Knut Hagberg (1964) voor de grote lijnen, de inleiding van William Stearn (1957) bij de Facsimile van de eerste editie van Linnaeus’ Species Plantarum uit 1753 vooral voor zijn wetenschappelijke benadering van de werken van Linnaeus en Green laurels van Donald Peattie (1955), in het Nederlands verschenen onder de titel De natuur ontsloten voor de smeuïge verhalen. Het is opmerkelijk, dat al deze werken om en nabij de vijftig jaar oud zijn. Een speurtocht in de bibliotheek van ’s Rijks Herbarium (thans de Leidse vestiging van het Nationaal Herbarium Nederland; een naam waaraan ik als oud-medewerker van het Rijksherbarium maar moeilijk kan wennen) -een speurtocht in de bibliotheek dus leverde geen nieuwe publicatie op, die opmerkelijk andere inzichten bood op leven en werken van het fenomeen Linnaeus. Het beeld, dat Linnaeus heeft geschapen over wat hij zag als de ordening van Gods schepping, wordt weliswaar bestormd, maar staat nog steeds fier overeind! Wel wil ik graag wijzen op een recent boekje van Gunnar Broberg (1966), uitgegeven door het Zweedse Instituut, dat, fraai geïllustreerd, het belang van Linnaeus als Zweed en wetenschapper nadrukkelijk aan de orde stelt. Na een eerste kennismaking met Linnaeus wil ik wat langer stilstaan bij zijn verblijf in Nederland van 1735 – 1738.  Daarna vervolgen we zijn levensloop en wordt de wetenschappelijke betekenis van Linnaeus (het door hem consequent gebruikte tweenamenstelsel en zijn kunstmatige –niet natuurlijke!- Systema Naturae: Deus creavit, Linnaeus disposuit (God schiep, Linnaeus ordende) benadrukt om tenslotte terug te keren in de Hartekamp: wat heeft zijn verblijf hier voor Linnaeus en zijn werken betekent, waarbij ik dankbaar gebruik maak van de in 1982 verschenen publicatie van Hans Krol.

VAN RǺSHULT NAAR DE HARTEKAMP                                                             

Op 23 mei 1707 werd in een houten huisje (stuga) in Råshult een jongetje geboren, Carl, zoon van Nils Ingemarson, hulppredikant in de parochie Stenbrohult.  Zoals toen in niet-adelijke kringen in Zweden gebruikelijk was, zou dit jongetje naar zijn vader zijn vernoemd en Carl Nilsson moeten heten, ware het niet, dat zijn vader bij diens intrede in de kerk een Latijnse achternaam koos en zich Linnaeus noemde naar een grote lindeboom (lind in het Zweeds) in de omgeving. Een oom van hem van moeders kant had dezelfde boom gekozen voor zijn naamsverandering en noemde zich sindsdien Tiliander naar de Latijnse naam voor linde Tilia. Het is opmerkelijk, dat een van de eerste namen die de jonge Carl in zijn jeugd leerde kennen, een botanische was, zijn eigen achternaam Linnaeus! Overigens is de jeugd van Linnaeus erg geïdealiseerd, ook door hem zelf. Volgens Peattie –de man van de smeuïge verhalen!- was de vroegste herinnering van Linnaeus, dat hij als kind liep door de pastorietuin van Stenbrohult, waarnaar het gezin inmiddels was verhuisd en de namen van de bloemen noemde. Als hij een naam vergeten was, berispte zijn vader hem op vriendelijke toon om zijn vergeetachtigheid of onoplettendheid, en soms kreeg de kleine jongen tranen van schaamte in de ogen.

Op de middelbare school in Växjö herkende zijn leraar Dr. Rothmann de grote belangstelling –en ondertussen verworven kennis- voor en van de plantenwereld van Linnaeus. Rothmann moet voor zijn tijd een vooruitstrevend docent zijn geweest, want hij kende de betrekkelijk recente werken van de Fransen Tournefort en diens opvolger als hoogleraar botanie in Parijs, Vaillant. De laatste had de onderzoekingen van de Duitser Camerarius naar de schokkende ontdekking, dat ook planten geslachtsorganen bezaten en ‘aan voortplanting deden’, verder uitgewerkt. Vooral dat laatste bracht Linnaeus er toe om bij zijn veldonderzoek van planten vooral naar de meeldraden en de stamper te kijken. Hij werd een echte ‘meeldradenteller’! We komen hier in een volgend hoofdstuk uitgebreid op terug.

Zijn ouders wilden, dat Linnaeus ook predikant zou worden. Maar – u voelt het al aankomen- hij had zijn zinnen gezet op de biologie (al bestond dat woord toen nog niet!). Alleen de medische studie kende bijvakken plant- en dierkunde en om die bijvakken wilde hij geneeskunde studeren. Aanvankelijk verzetten zijn ouders zich tegen dit idee, mede omdat het doktersberoep in die tijd in Zweden niet erg in aanzien stond en –wat belangrijker was – heel slecht werd betaald. Uiteindelijk zwichtten zij en mocht hij gaan studeren in Lund, de dichtstbijzijnde universiteit. We moeten bij het woord ‘universiteit’ in die tijd in Zweden niet al te hoge verwachtingen koesteren. Volgens Peattie was Lund in die tijd voor de studie van geneeskunde even weinig ingericht als de eerste de beste dorpsschool in de jaren ’50 van de vorige eeuw.

Linnaeus bleef daar niet lang en al gauw vertrok hij naar de rijkeluisuniversiteit van Uppsala, maar ook daar wachtte hem een teleurstelling. De stad was kort tevoren afgebrand en de door Rudbeck de Oudere aangelegde botanische tuin had zwaar geleden. Er stonden nog slechts een tweehonderd soorten, merendeels heel gewone planten. Maar er was een vrij behoorlijke bibliotheek en daar heeft Linnaeus het belangrijkste deel van zijn tijd doorgebracht. En daar ontmoette hij de twee jaar oudere medestudent Pehr Artedi, een afgestudeerd theoloog uit Angermannland met een grote belangstelling voor vissen en amfibieën. Zij ontdekten de werken van oudere kruidkundigen (botantici mochten ze nog niet heten) en andere wetenschappers en vonden daarin de grondslagen om te komen tot een indeling in planten- en dierenrijk.  Artedi nam de vissen, amfibieën en insecten voor zijn rekening, Linnaeus de bloemplanten, vogels en mineralen.

Carolus Linnaeus. Portret als houtgravure uit Eigen Haard, 1878

Carolus Linnaeus. Portret als houtgravure uit Eigen Haard, 1878

Het is ondertussen 1729 geworden, toen de 22 jaar oude Linnaeus in de botanische tuin van Uppsala in gesprek raakte met Olof Celsius, hoogleraar in de theologie, met grote belangstelling voor de botanie. Die nam hem in huis, waar hij gebruik kon maken van een nog betere bibliotheek. Terecht mag deze Olof Celsius, een neef van de thermometer-Celsius (Anders), de eerste beschermheer van Linnaeus worden genoemd. Er zullen nog vele volgen. Linnaeus was reeds begonnen zijn gedachten op papier te zetten. Op Nieuwjaarsdag 1730 vond Celsius op zijn schrijftafel een manuscript met de titel Voorbereidende onderzoekingen naar het Huwelijk der Planten door Carolus Linnaeus. In zijn inleiding schreef hij: ‘Het is een oude gewoonte, dat men op de dag van het nieuwe jaar zijn hoge beschermheer begroet met verzen en goede wensen, en zo zie ook ik mij verplicht zulks te doen. Ik zou gaarne verzen dichten, maar daar ik niet als dichter maar als plantkundige ben geboren, offer ik de vruchten van de geringe oogst welke God mij heeft geschonken. In deze weinige bladzijden wordt gesproken van de grote overeenkomst welke bestaat tussen de planten en de dieren in de wijze waarop zij zich vermenigvuldigen naar hun aard, en ik bid dat hetgeen ik hier in eenvoud heb geschreven goedgunstig moge worden ontvangen’. In dit geschrift, hoeveel onvermijdelijke fouten het ook bevatte gezien de toenmalige stand van de natuurwetenschap, heeft Linnaeus de basis gelegd voor zijn Systema Naturae, de ordening van planten en dieren. Celsius was zeer verheugd met het manuscript en toonde het aan anderen. Via hem kwam Linnaeus in contact met de jonge Rudbeck (de oude was degene, die de botanische tuin had gesticht), die eveneens veel interesse toonde in zijn werk. Hij maakte Linnaeus enthousiast voor Lapland en het lukte beiden om een beurs te verkrijgen voor Linnaeus voor een reis naar de noordelijkste provincie van Zweden, waarover nog maar heel weinig bekend was. Niet alleen over flora en fauna, maar ook niet over de menselijke samenleving daar. Op 22 mei 1732 vertrok hij voor een reis en na zes maanden kwam hij terug met in zijn bagage niet alleen zijn vermaarde Laplandse kledij, waarin hij zich later graag liet afbeelden, maar ook met een dagboek met vele aantekeningen, o.m. met zinnetjes en getallen in het Fins die hem behulpzaam moesten zijn tijdens de terugreis van Lapland door Finland. Het is overigens opmerkelijk, dat zijn dagboek eerst ver na zijn dood, in de 19e eeuw werd gepubliceerd, waarschijnlijk omdat het dagboek niet zoveel en minder belangrijke biologische gegevens bevatte.

De oranjerie van de Hartekamp met rechts de door Linnaeus geplante tulpenboom. Anonieme tekening uit omstreeks 1790 in het Noord-Hollands Archief

‘Het rapport over deze reis werkte als een elektrische schok, zelfs nog vóór het gedrukt was’ volgens Peattie. Dat lijkt wat sterk uitgedrukt, maar vooral de etnologische waarnemingen van Linnaeus over het leven van mede-Zweden sloeg in als een bom. In Lapland heerste niet de mens, maar het rendier. Als die gaat trekken moet de mens mee, anders is hij ten dode opgeschreven. Hij is daar een gedwongen nomade. De kranten begonnen over dit rapport te schrijven en via Kopenhagen en Hamburg bereikte het nieuws ook het buitenland. En dit stimuleerde het Koninklijk Genootschap van Wetenschappen om Linnaeus te vragen ook reizen naar andere provincies te ondernemen om een onderzoek in te stellen naar de bronnen van bestaan. Zo werd besloten hem met een goed uitgeruste expeditie naar Dalarna te zenden, waar Linnaeus niet zo veel zin in had. Maar deze reis bleek heel belangrijk te zijn voor zijn verdere levensloop: hij ontdekte daar in Falun op kerstavond 1734 de bloem van zijn leven: Sara Lisa Moraea, de 18-jarige dochter van dokter Joannus Moraeus, een welgesteld en geleerd medicus. Maar dokter Moraeus stemde niet in met een verloving van zijn dochter met de negen jaar oudere student, zonder beroep en straatarm. Wel beloofde hij, toen Linnaeus in zijn Laplandse kledij om de hand van zijn dochter kwam vragen, dat hij zijn dochter vrij zou houden, tot hij fortuin zou hebben gemaakt. Ondertussen moest Linnaeus twee jaar wegblijven. Nu had hij al plannen om naar Holland te gaan. Voor een arts in Zweden was het noodzakelijk een graad te halen, dat kon niet in Zweden. Waar wel? Dat was voor een arme Zweed heel eenvoudig. Ook hij kende –zij het in het Zweeds- een oud rijmpje: ‘Harderwijk is een stadje van negotie, men koopt er bokking, blauwbessen en bullen van promotie’.

Geromatiseerde 19e eeuwse voorstelling van een rustende jonge Linnaeus. Litho door Emile Desmaisons uit circa 1860-1870.

Geromantiseerde 19e eeuwse voorstelling van een rustende jonge Linnaeus. Litho door Emile Desmaisons uit circa 1860-1870.

Dus toog Linnaeus naar Nederland, waar hij via Amsterdam op 17 juni 1735  in Harderwijk arriveerde. In zijn bagage zaten –naast zijn Laplandse kledij!- talrijke manuscripten, waaronder zijn dissertatie over de wisselkoortsen (malaria).         Hiervoor had hij vele gegevens verzameld gedurende zijn Laplandse reis. Het probleem van de wisselkoortsen bleef eeuwenlang een groot probleem. Ook Linnaeus heeft niet kunnen ontdekken, dat de malariamug de verspreider van de ziekte is. Hij constateerde, dat de ziekte vooral voorkwam in streken, waar veel leem in het water aanwezig is. De fijne leemdeeltjes zouden dan met het voedsel in het bloed komen en daar verstoppingen veroorzaken. De beste therapie was volgens Linnaeus het ondergaan van zweetkuren en als één van de beste middelen daartoe beval hij de sauna aan! In één week was de promotie een feit en had hij in Harderwijk zijn bul van promotie gekocht. Hij zag zelf nog kans om met de zoon van zijn promotor, David de Gorter het veld in te gaan. Een door de laatste verzameld exemplaar van de Waternavel in het Rijksherbarium getuigt ervan: ‘lectae presente Linnaeo’ (verzameld in aanwezigheid van Linnaeus).

Op 24 juni was Linnaeus weer terug in Amsterdam, maar vertrok na enkele dagen naar Leiden. In Amsterdam had hij o.a. Prof. Burman leren kennen, die hem aanbeval bij de Leidse hoogleraar Gronovius. Beiden waren erg onder de indruk van één van Linnaeus’ uit Zweden meegebrachte manuscripten, Systema Naturae, een ordening van de natuur (planten, dieren, gesteenten), een blauwdruk van het scheppingsplan van God volgens Linnaeus (Deus creavit, Linnaeus disposuit – God schiep, Linnaeus ordende). Nog in hetzelfde jaar werd dit werk gepubliceerd, financieel mogelijk gemaakt door genoemde Gronovius en een rijke Schot Isaac Lawson, die bij Boerhaave studeerde. Het was voor 2½ gulden te koop bij de Leidse boekhandelaar Haak en Gronovius had het werk in stok om zo de verkoop van Systema Naturae te bevorderen. Het was diezelfde Gronovius, die Linnaus onderdak bood in zijn woning op het Rapenburg 52, recht tegenover de Universiteit en de Hortus Botanicus. Het is opmerkelijk, dat evenals in Uppsala ook nu weer een beschermheer aantrad, die hij –financieel gezien- broodnodig had. Volgens Peattie (1955) ging het allemaal heel anders en ‘haastte Linnaeus zich naar de beroemde Leidse universiteit, betaalde zijn laatste guldens aan inschrijfgeld en bereidde zich voor op het leven van een geleerde hongerlijder’. Een aandoenlijk, romantisch verhaal, maar er klopt niets van. In het Album Studiosorum van de Leidse universiteit staat vermeld, dat Linnaeus op 3 september 1735 ‘Honoris ergo’ werd ingeschreven, dus zonder betaling, omdat hij inmiddels de doctorstitel bezat! In de Leidse Hortus leerde Linnaeus zijn leeftijdgenoot Adriaan van Royen kennen, de Leidse hoogleraar in de genees- en kruidkunde, op wiens voorspraak de oude en moeilijk toegankelijke, zeer beroemde Boerhaave [(u weet wel: van die brief uit China (aan Boerhaave, Europa)] bereid was hem te ontvangen. Ook Boerhaave was onder de indruk van Linnaeus’ kennis van de planten, die in de Leidse Hortus groeiden en die hij herkende van diverse boekwerken. Boerhaave wilde hem op expeditie naar Kaap de Goede Hoop sturen of naar Suriname, maar Linnaeus sloeg dit aanbod af. Boerhaave vroeg hem iemand anders aan te wijzen om naar Suriname te gaan. Het werd de jonge Bartsch uit Koningsbergen. Deze kwam in oktober in Suriname aan en stierf daar in november aan de koorts. En zo verging het ook later met vele van Linnaeus’ apostelen: Ternström stierf onderweg naar het Oosten, Hasselquist in het Heilige Land, Löfling werd kort na zijn aankomst in Guyana door de koorts ten grave gesleept, om slechts enkele voorbeelden te noemen. We moeten volgens Peattie Linnaeus dankbaar zijn, dat hij zo goed op zich zelf wist te passen en liever met Sara Lisa dan met de wormen naar bed wilde gaan.

Overigens moeten we niet vergeten, dat Linnaeus nu een erkend medicus is. Om de hand van Sara Lisa te verkrijgen, had hij aan één van de door vader Moraeus gestelde voorwaarden voldaan. Nu de andere nog: een fortuin verwerven. Maar daar dacht hij in Holland nog niet aan. Er viel hier zo veel te bestuderen en er waren zoveel meer boekwerken dan in Uppsala. En bovendien waren er zoveel belangrijke privé-collecties in de buitens van de rijke VOC-bestuurders en anderen. Een daarvan was een goede bekende van Burman en Boerhaave, George Clifford, volgens Sirks (1947) burgemeester van Amsterdam en gezaghebber van de VOC, maar aan de eerste kwalificatie mag worden getwijfeld. In ieder geval was George Clifford een vermogend en invloedrijk man met een groot buiten tussen Amsterdam en Leiden, de Hartekamp in Heemstede, waar wij vandaag te gast zijn om Linnaeus’ verjaardag te vieren. Een reden te meer om bij zijn verblijf op de Hartekamp wat langer stil te staan.

LINNAEUS OP DE HARTEKAMP     

Gravure met portret van Johannes Burman (1706-1779)

Gravure met portret van Johannes Burman (1706-1779)

   

Volgens Hans Krol (1982), van wiens publicatie over Linnaeus’ verblijf op de Hartekamp ik voor deze lezing dankbaar gebruik heb gemaakt, hebben Linnaeus en Clifford elkaar voor het eerst ontmoet in de Amsterdamse Hortus in aanwezigheid van Prof. Burman. Hier moet Clifford Linnaeus  hebben uitgenodigd voor een bezoek aan zijn buiten in Heemstede, wat plaatsvond op 13 en 14 augustus 1735.  Het was Linnaeus, die in het voorjaar van 1736 door Boerhaave aan Clifford werd  genoemd als een mogelijke lijfarts: ‘Mr. Clifford, u hebt alles wat u maar wensen kunt om gelukkig te zijn, maar u smult te veel en bent daarom ook zwaarmoedig. Ge moet een lijfarts nemen, die op uw gezondheid let; ik ken een jonge Zweed, die ik u gerust kan aanbevelen en die bovendien een uitstekend botanicus is, die met vreugde uw tuin op de Hartekamp in orde wil brengen’. Hoewel ook Stearn het jaartal 1736 noemt als het jaar, waarin de jonge Zweed op de Hartekamp kwam werken, ben ik in verwarring gebracht waar Hans Krol als  aanstellingsdatum van Linnaeus als lijfarts van Clifford en prefect van de verzamelingen op de Hartekamp 29 augustus 1735 noemt. Maar dat is in strijd met het voorgaande, waar Boerhaave in het voorjaar van 1736 Linnaeus als lijfarts van Clifford aanbeveelt. Het levensoverzicht in de biografie van Haglund noemt ook 1735 als jaar van Linnaeus’ intrede op de Hartekamp. Nadere informatie geeft Haglund niet. Hij maakt er zich wat gemakkelijk van af door te stellen: ‘Iedereen weet, hoe de jonge Zweed in dienst van de rijke Clifford kwam. Punt’.

Frontiscipe van ‘Hortus Cliffortianus’ (1737), vervaardigd door Jan Wandelaar. Allegorische titelpagina met in het midden de ‘aardmoeder’ Cybele, gezeten op een leeuw en een leeuwin, met de sleutels tot de tuin in haar hand. Aan haar voeten een pot met Cliffortia ilicifoloa en daarbij een plattegrond van de tuin van de Hartekamp. Links biedt een Afrikaanse vrouw haar een Aloë uit Afrika aan, een vrouw met een tulband brengt haar een plant van de Coffea arabica uit Azië en een indiaanse biedt Hernandia uit Amerika aan. Op een voetstuk waarop de titel in het Latijn, een buste van George Clifford. Aan de rechterzijde een bananenplant in bloei [door Linnaeus op de Hartekamp geplant], en Apollo, die in zijn linkerhand een fakkel houdt en met zijn rechterhand de sluier van Diana optilt. Met zijn voeten vertrapt hij de draak der onwaarheid, een verwijzing naar de nagemaakte Hydra in Hamburg die Linnaeus op zijn reis naar Holland als bedrog had ontmaskerd. Rechts op de voorgrond twee putto met een thermometer en een spade.’

Dank zij Linnaeus kunnen wij ons heel goed een voorstelling maken van de Hartekamp in die jaren. In zijn opdracht van de Hortus Cliffortianus aan zijn beschermheer beschrijft hij zijn gevoelens, toen hij voor de eerste maal de Hartekamp bezocht:  ‘Mijn ogen waren dadelijk verrukt van zovele door kunst ondersteunde meesterwerken der natuur, alleeën, bloemperken, standbeelden, vijvers en kunstig aangelegde heuvels en doolhoven. Mij betoverden Uw menagerieën vol tijgers, apen, wilde honden, Indische herten en geiten, Zuid-Amerikaanse en Afrikaanse zwijnen; met hun geluiden vermengden zich andere van troepen vogels: Amerikaanse valken, verschillende soorten van papegaaien, enz,, enz.  En vervolgens: Ik schrok, toen ik de broeikassen betrad, vol als ze waren van zoveel planten, dat een zoon van het Noorden zich behekst moest voelen en niet meer wist naar welk vreemd werelddeel hij verplaatst was. In de eerste kas werden de bloemscharen van Zuid-Europa gekweekt, gewassen uit Spanje, Zuid-Frankrijk, Italië, Sicilië en Griekenlands eilanden. In de tweede vond men de schatten uit Azië, als gembergewassen, Poincianen, enz., enz.  Om als volgt te eindigen: Toen ik later in de waarlijk koninklijke woning kwam en in het uiterst leerzame museum, welks verzamelingen niet minder tot de roem van de eigenaar bijdroegen, voelde ik, vreemdeling, mij ganselijk betoverd, omdat ik nooit iets dergelijks gezien had. Mijn levendigste wens was, dat ik ter verzorging van dit alles de behulpzame hand zou mogen bieden’. Tot zover de beschrijving van de Hartekamp, die zo beeldend is, dat de lezer aan de hand van Linnaeus in 1735 een wandeling in de tuin en door het gebouw kan maken.

Voorgevel van de Hartekamp

Clifford bood Linnaeus kost en inwoning, bedienden, zijn koets met vier paarden en een dukaat per dag (= ca. drie gulden), in die dagen, zo vermeldt Krol, een schitterende geldelijke beloning, waar Linnaeus toen zeer gevoelig voor was. Ook stelde Clifford hem in de gelegenheid om in 1736 een reis naar Engeland te maken om zaden en gewassen voor de tuin te kopen, die hier niet voorradig waren. Met een brief op zak van Boerhaave bezocht hij o.m. in Oxford de vooraanstaande Britse geleerde Dillenius. Over zijn ontmoeting met hem is de volgende anekdote ontstaan (al dan niet van de hand van Linnaeus zelf): Dillenius was een zeer begaafde, maar conservatieve botanicus, die aanvankelijk niets van het door Linnaeus ontworpen stelsel moest hebben. Zij wandelden door de tuin en Linnaeus vroeg naar de naam van een bloem. ‘Wat,’ riep Dillenius, verheugd, dat hij deze jonge betweter op zijn onkunde betrapte, ‘weet u niet wat dat is?’. Linnaeus antwoordde, dat hij het hem zou zeggen, als hij een bloem mocht plukken. Hij legde de bloemblaadjes open, bekeek de meeldraden en stampers en noemde zonder aarzelen de naam van de plant. Deze anekdote lijkt een onwaarschijnlijk verhaal, maar we moeten niet vergeten, dat Linnaeus heel veel oude literatuur had gelezen en plaatwerken had bekeken. Hij moet ongetwijfeld een fotografisch geheugen hebben gehad om planten, die hij nog nooit in levende lijve had aanschouwd door het bekijken van meeldraden en stampers ergens een plekje te geven in zijn classificatiesysteem Systema Naturae en met behulp van zijn literatuurkennis toch op naam te brengen! Aan het eind van zijn verblijf in Engeland, was Dillenius geheel voor hem gewonnen. Hij was zo verrukt, dat hij aanbood zijn salaris met de jonge Zweed te delen, als deze wilde blijven! Iedere hedendaagse professor, zo eindigt de anekdote, zal moeten erkennen, dat dit inderdaad een doorslaand bewijs van waardering is.

De koepel van de Hartekamp op de Overplaats

Dillenius was niet de enige, die Linnaeus een aanbod deed. De Nederlandse hoogleraren poogden hem eveneens voor ons land te behouden, o.m. door hem een botanische reis naar Kaap de Goede Hoop en een hoogleraarsambt in Utrecht in het vooruitzicht te stellen. Ook de West-Indische Compagnie liet zich niet onbetuigd door hem te verzoeken als arts naar Suriname te gaan. Maar Linnaeus wilde terug naar Zweden, waar Sara Lisa wachtte. In oktober 1737 had hij zijn terugreis gepland, maar deze ondervond enige vertraging. Hij wilde in Leiden ‘nog even’ Adriaan van Royen helpen bij de inrichting van de plantencollectie in de Hortus Botanicus volgens zijn Systema Naturae, maar liep daar een ernstige ziekte op –Krol vermoedt een soort cholera. Hij werd door Boerhaave’s bekendste leerling, Prof. Van Swieten verpleegd, die hem adviseerde terug te gaan naar de Hartekamp om daar volledig te herstellen. En zo kwam Linnaeus weer terug op dit buiten, tot grote vreugde van Clifford, want een inmiddels zo bekende wetenschapper was een sieraad voor zijn Hartekamp! Later was hij wat minder verheugd toen bleek, dat Linnaeus zijn bekwame tuinman Nietschel had verleid om in de kruidentuin van Uppsala te komen werken.

De wildernis rondom de overtuin van de Hartekamp op een tekening door G.van Rossum uit 1762 (Noord-Hollands Archief)

Tekening door G.van Rossum uit 1762 van de wildernis rondom de overtuin van de Hartekamp. (Noord-Hollands Archief)

In mei 1738 aanvaardde Linnaeus eindelijk de terugreis. Volgens Peattie werd het de hoogste tijd, want Linnaeus bereikte het gerucht, dat zijn vriend Browallius verliefd was geworden op zijn Sara Lisa en dat vader Moraeus zich niet langer geroepen voelde zijn bloem voor de bijen te beschermen, omdat Linnaeus wel erg lang wegbleef. Desondanks bracht hij nog eerst een bezoek aan Parijs, waar hij o.m. Réaumur –van de thermometer!- en Antoine de Jussieu ontmoette. De laatste was bezig met een geweldige classificatie van alle plantenfamilies, waar Linnaeus nog niet aan toe was gekomen, maar die hem later veel steun heeft gegeven bij het opstellen van zijn Species Plantarum, die hij in 1753 publiceerde en die het startpunt is geworden van de moderne botanische naamgeving. Zijn faam was hem al vooruitgesneld: hij werd gekozen tot lid van de Académie des Sciences en de geschiedenis herhaalt zich: hij kreeg de toezegging dat hij, indien hij zich wilde laten naturaliseren, een jaargeld van de Académie zou ontvangen. Het was, zoals Peattie schrijft, alsof de Atheners ten tijde van Pericles een Gotische barbaar hadden uitgenodigd burger van hun stad te worden!

Terug naar zijn vaderland –met niet alleen de doctorsbul, maar ook met 14 wetenschappelijke publicaties van zijn hand, waaronder de Musa Cliffortiana, de Hortus Cliffortianus en de Ichthyologia, siva opera omnia de piscibus, het werk over de vissen van zijn vriend Artedi, die dit door een te vroege,­­ tragische dood niet zelf heeft kunnen voltooien.

Twee geleerden en de godin Flora buigen zich over Linnaeus’ Hortus Cliffortianus. Het boek ligt opengeslagen op de bladzijde met afbeelding van de Turnera Ulmifloria. Schilderij door Jacob de Wit, dat door de heer P.Smidt van Gelder, van 1904-1921 bewoner van de Hartekamp, werd geschonken aan de Linnaeus Societeit in Uppsala.

TERUG  IN ZWEDEN                                                                                                                    

Iedereen was in Zweden diep onder de indruk van de 14 publicaties, meer dan 3000 pagina’s, die Linnaeus uit Holland meebracht, op één landgenoot na, Vader Moraeus. Hij erkende graag, dat zijn aanstaande schoonzoon in het buitenland grote roem had verworven en geleerde boeken had geschreven, maar had-ie ook fortuin gemaakt? Waarom had hij in Holland en elders schitterende aanbiedingen van de hand gewezen ter wille van zijn malle planten? Hij gaf hem nog één jaar op voorwaarde, dat Linnaeus in Stockholm een dokterspraktijk zou starten. En aldus geschiedde: in september 1738 vestigde hij zich als praktiserend arts in Stockholm. Reeds het volgend jaar werd hij benoemd tot geneesheer van het Hof en tot eerste president van de Zweedse Koninklijke Academie van Wetenschappen en eindelijk kwam de grote dag: op 26 juni 1739 trouwde hij met de ‘monandrische lelie’ uit Dalarna, de eenmansbloem Sara Lisa, zoals zij in de feestliederen werd genoemd, 4½  jaar na de eerste ontmoeting op kerstavond in Falun. Wat moeten we Vader Moraeus dankbaar zijn, dat hij Linnaeus dwong naar Holland te gaan en wat moeten we vooral ook alle Nederlandse geleerden en beschermheren dankbaar zijn, dat zij hier –en vooral op de Hartekamp!- een milieu wisten te scheppen, waarin de jonge geleerde optimaal kon werken en het beeld over de indeling in planten- en dierenrijk, dat hij in Zweden samen met Pehr Artedi had geschapen en dat tot heden ten dage de beeldenstorm heeft kunnen doorstaan, verder heeft kunnen uitwerken. Daarop kom ik later in mijn voordracht nog graag even terug. Maar eerst wil ik in vogelvlucht nog enkele jaartallen noemen, die in het leven van Linnaeus en voor de wetenschap heel belangrijk zijn geweest:  1741: benoemd tot hoogleraar in de medische wetenschap en kruidkunde aan de Universiteit van Uppsala. In zijn inaugurale rede onderstreept hij de noodzaak van ontdekkingsreizen in eigen land en gaf zelf het goede voorbeeld: hij maakte dat jaar reizen naar Öland en Gotland. Verdere reizen laat ik buiten beschouwing, maar ze werden allemaal wel gemaakt in Zweden, niet daarbuiten! Mogen we Linnaeus misschien de eerste echte veldbioloog noemen?

1742: begint aan de restauratie van de Botanische Tuin in Uppsala (met de van Clifford afgetroggelde tuinbaas Nietschel).

1745: publicatie van de Flora Suecica en Ölandska och Gotlandska Resa.

In deze publicaties paste hij voor het eerst consequent zijn binaire nomenclatuur toe.

1746: publicatie van de Fauna Suecica.

1748: publicatie van de Hortus Upsaliensis.

Wat niet in deze droge, aan Stearn ontleende Curriculum vitae wordt vermeld, zijn bijkomstigheden, die zeker het noemen waard zijn. Linnaeus verwierf zich een zo grote bekendheid, dat uit alle delen van Europa studenten kwamen, die bij hem wilden promoveren. Hij bracht de studenten in het veld en naar verluidt ging hij soms met meer dan 200 studenten op excursie. Een van deze paden, draagt dan ook van ouds zijn naam, Linné stig. En wederom naar verluidt eindigden deze excursies immer met het zelfde ritueel: de hoeden van de studenten werden in de lucht gegooid onder het uitroepen van een welgemeend: Vivat Scientia, Vivat Linné!

Ter gelegenheid van de herdenking van Linnaeus’ 200e sterfdag in 1978 is nog een drietal andere wandelingen van Linnaeus met zijn studenten op basis van zijn aantekeningen in kaart gebracht, voorzover mogelijk. Want verschillende delen van deze wandelingen waren in beslag genomen door de nieuwbouw van Uppsala.

1749: publicatie van het eerste deel van de Amoenitates academicae                                 

Zoals gezegd wilden de studenten graag bij Linnaeus promoveren. In de 18e eeuw bestond een promotie in Zweden uit een publieke verdediging van een proefschrift, waarvoor de promotor in feite verantwoordelijk was. De taak van de promovendus was om materiaal, hem door de professor verschaft, te ordenen, eventueel in het Latijn te vertalen en te larderen met toepasselijke citaten afkomstig uit andere geschriften van zijn professor, zo schrijft Prof. Piet Smit, hoogleraar in de biohistorie in de in 1978 verschenen Natura t.g.v. de 200e sterfdag van Linnaeus. Aangezien de student zelf op moest draaien voor de kosten van de dissertatie, bood het systeem de hoogleraar een goede gelegenheid nieuwe ideeën en ontdekkingen op korte termijn bekend te maken en op kosten van de promovendus te publiceren. Linnaeus beschouwde alle 186 dissertaties die onder zijn leiding zijn verdedigd, als zijn eigen werk en heeft ze dan ook gebundeld zelf uitgegeven onder de titel Amoenitates academicae.

1753: publicatie van Species Plantarum, startpunt van de moderne botanische naamgeving

1754: publicatie van Genera Plantarum

Nog geen families, een heel voorzichtige opbouw; denk aan families van De Jussieu!

1758: publicatie 10e druk (deel 1) van de Systema Naturae, startpunt van de moderne zoölogische naamgeving.

In deze publicatie gaf hij voor het eerst de mens een plaats in zijn systeem (bij de Primaten, samen met de apen).

Wordt heer van Hammarby en Sävja

1759: publicatie van het 2e deel van de 10e druk van de Systema Naturae.

1761: in de adelstand verheven: Carl von Linné! Bouwt een huis in Hammarby

1762/1764: zijn gezondheid neemt af.

1768: publicatie Systema Naturae 12e druk

Wat opmerkelijk is in dit Curriculum vitae is het verschijnen van telkens nieuwe drukken van zijn wetenschappelijke werken. En dat is karakteristiek voor de wijze van werken van Linnaeus: het telkens bijvijlen van zijn natuurlijk systeem! Zelfkritiek was hem niet vreemd. Het zoeken naar het juiste systeem, door hem en zijn vriend Artedi opgesteld, was hem heilig!

1772: gezondheid vermindert sterk

1773: getroffen door een beroerte

Laatste jaren na zijn beroerte is Linnaeus ook geestelijk aangeslagen: de wanden van zijn slaapkamer heeft hij volgeplakt met uitgescheurde platen uit botanische werken, die hij niet meer herkende als die van hem zelf.

1778: sterft op 10 januari op 70-jarige leeftijd en werd 12 dagen later begraven  in de Dom van Uppsala.

In dit graf liggen ook de resten van zijn vrouw Sara Lisa en van zijn jong gestorven zoon Linnaeus filius, die slechts korte tijd de wetenschappelijke erfenis van zijn vader heeft kunnen beheren.

DEUS CREAVIT, LINNAEUS DISPOSUIT                                                                            

In diverse artikelen en publicaties over Linnaeus, die recent zijn verschenen rond zijn 300e geboortedag, klinkt het geluid door, als zouden de werken van Linnaeus vooral zijn geïnspireerd op onderzoek van voorgangers en zou hij zelf niets nieuws hebben ontdekt. Dat laatste is beslist onjuist. Wie de afgelopen weken regelmatig op de thermometer heeft gekeken om te zien, dat het zo’n 25º Celsius was, moet eigenlijk zeggen 25º Linnaeus. Hij heeft de huidige temperatuurschaal ingesteld door 0º te plaatsen bij het vriespunt en 100º bij het kookpunt van water. Celsius had dit oorspronkelijk omgedraaid! Voorts heeft Linnaeus de bloemenklok ingesteld door op de kalender van vele planten in het veld hun bloeiperiode te vermelden en daardoor de aanzet  te geven tot de fenologie, de leer van de periodieke verschijnselen van de levende natuur in verband met de jaarlijkse schommelingen van de metereologische elementen. Hiervan is o.m. na de Tweede Wereldoorlog in Nederland gebruik gemaakt door het KNMI. Door elk voorjaar in het veld de bloeiperioden van diverse plantensoorten vast te stellen, kon het KNMI een prognose geven wanneer verschillende insecten, schadelijk voor de fruitteelt, actief zouden worden, opdat daartegen tijdig maatregelen konden worden genomen.

Maar de grootste verdienste van Linnaeus is toch wel, dat hij inderdaad in het werk van talrijke voorgangers mogelijkheden zag om een einde te maken aan de grote chaos, die heerste in de indeling van  het planten- en dierenrijk. ‘Zijn kracht lag in zijn feilloze intuïtie voor wat essentieel was en wat niet, en daarin was hij, zoals alle waarlijk grote mannen, zijn tijd ver vooruit’ schreef de toenmalige directeur van het Rijksherbarium Prof. Lam in de NRC van 18 mei 1957 t.g.v. Linnaeus’ 250e geboortedag.

Zo herkende Linnaeus het belang van de soort als kleinste eenheid voor zijn Systema Naturae en nam hij de binaire nomenclatuur voor de soort over, die de Zwitser Caspar Bauhin in zijn Pinax al ruim een eeuw eerder had ingevoerd, maar zelf helaas niet altijd consequent had toegepast. Elk dier en elke plant kreeg naast een geslachtsnaam ook een soortnaam en zo was de basis voor zijn systeem gelegd: soorten werden verenigd tot geslachten, geslachten tot families – al kon Linnaeus er slechts enkele noemen en was de Fransman Tournefort daarin al een eind verder – families tot orden enz. enz. Ook voerde hij een korte, vaste terminologie in voor de diagnose, de beschrijving van plant en dier, zoals voor de planten de calyx (bloemkelk), corolla (bloemkroon), stamen voor de meeldraad, termen die nog heden ten dage worden gebruikt, als een nieuwe soort (in het Latijn!) moet worden beschreven. Latere wetenschappers hebben deze terminologie uitgebreid en zo moet heden ten dage de naam en de beschrijving van een nieuwe plantensoort aan verschillende eisen –vastgelegd in ‘The International Code of Botanical Nomenclature– voldoen, wil deze worden gevalideerd. De in 1753 verschenen Species Plantarum is het startpunt van de binaire nomenclatuur voor planten, de in 1758 verschenen 10e editie van Linnaeus’ Systema Naturae van de zoölogische naamgeving.

Krantenartikelen, die aan de feestelijkheden hier en elders bekendheid geven en beweren, dat Linnaeus ‘alle planten een naam heeft gegeven’ overdrijven wel enigszins. Linnaeus heeft in totaal 7000 plantensoorten van een naam voorzien. Toen ik tijdens één van mijn naspeurtochten voor deze lezing in de bibliotheek van het Rijksherbarium mijn oud-collega Dr. Ed de Vogel, de orchideeënspecialist vroeg, hoeveel orchideeënsoorten er thans beschreven zijn, noemde hij het getal van tussen de 26- en 28.000, al naar gelang of je het soortbegrip ruim of wat nauwer neemt. Gesteld mag worden, dat na Linnaeus vele 100.000-en nieuwe plantensoorten zijn herkend en beschreven!

'Linnaeus in een kostuum uit Lapland' R.Thornton, The temple of Flora or Garden of Nature: pictureque botanical plates of the new illustration of the sexial sytem of Linnaeus'. London, 1799

‘Linnaeus in een kostuum uit Lapland’ R.Thornton, The temple of Flora or Garden of Nature: pictureque botanical plates of the new illustration of the sexial sytem of Linnaeus’. London, 1799

Linnaeus was voor alles botanicus en een van zijn belangrijkste verdiensten is, dat hij –op basis van het in 1718 verschenen en de hem door zijn leraar op de middelbare school in Växjö, Dr. Rothman verschafte informatie over het onderzoek van Vaillant – definitief de sexualiteit van de planten vaststelde. Het is nu onvoorstelbaar, dat dit, al door Aristoteles geconstateerde fenomeen zoveel eeuwen niet is herkend!

Linnaeus schijnt het gebeuren van de bruiloft in het huwelijksbed van de bloemkroon nogal plastisch beschreven te hebben, wat veel opschudding veroorzaakte. De Russische geleerde Johann Siegesbeck viel hem daar hard op aan door te stellen, dat de Schepper een zo walgelijke ontucht van verschillende mannetjes (de meeldraden) met één vrouwtje (de stamper) in zijn plantenrijk nooit zou hebben toegestaan en vroeg zich af, hoe een docent zonder in overtreding te zijn deze theorie aan zijn studenten kon voorleggen.

Linnaeus heeft Siegesbecks naam onsterfelijk gemaakt door een onbeduidend, nietig onkruid met kleine bloempjes naar hem te vernoemen, Sigesbeckia, zo vermeldt Stearn. Dan is de student van Linnaeus, baron Claus Alstroemer er beter van afgekomen: de kruiden met kleurige bloemen, die in een hedendaags boeket niet kunnen ontbreken, dragen zijn naam, Alstroemeria!

Plechtige onthulling van het borstbeeld van Linnaeus op buitengoed de Hartekamp in 1907

Plechtige onthulling van het borstbeeld van Linnaeus op buitengoed de Hartekamp in 1907

Overigens zegt ook Lotsy in zijn een eeuw geleden gehouden feestrede, dat men een zo zeer in details afdalende vergelijking van de bloem met de geslachtsorganen der hogere dieren, ‘in den tegenwoordige tijd bijna als pornografie zou beschouwen’!

Op basis van het aantal meeldraden en stampers bouwde de ‘meeldradenteller’ voor de bloemplanten een kunstmatig systeem op, dat hij in zijn in 1735 inLeiden gepubliceerde Systema Naturae bekend maakte. Dit systeem, dat vaak ten onrechte ‘het natuurlijke systeem’ wordt genoemd, heeft nu nog slechts historische waarde. In de 18e druk van de Flora van Nederland van Heukels-Van Ooststroom (1975) is in ons land het laatst een determinatietabel verschenen volgens ‘het systeem van Linnaeus’. Sterk vond dit in de Linnaeus-Natura uit 1978 een opmerkelijk feit en zag hierin een aanwijzing, dat ‘de invloed van Linnaeus’ systeem tot op de huidige dag merkbaar is’. Deze opvatting berust duidelijk op gebrek aan informatie. Mijn voorganger Dr. Simon van Ooststroom als hoofd van de afdeling Nederlandse en Europese Flora van het Rijksherbarium, de bewerker van die Flora, zag er vreselijk tegen op om de pagina’s, die de Linnaeus-sleutel innamen, te laten vervallen. Hij moest dan in de drukproef alle nieuwe paginaverwijzingen in het register aanbrengen en daar had hij een broertje dood aan!

Het heeft er alle schijn van, dat met Linnaeus een nieuw tijdperk is begonnen. Maar terecht merkt Prof. Lam in zijn artikel in de NRC van 18 mei 1957 op, dat Linnaeus in 1753 met zijn Species Plantarum, gebaseerd op onderzoeken van vele voorgangers, vooral een periode heeft afgesloten. Waar een tijdperk wordt beëindigd, daar begint ook een nieuw en niet ten onrechte heeft de Amerikaanse botanicus St.John gesteld, dat de eerste moderne botanicus Linnaeus moet heten!

De overplaats van de Hartekamp op een forto uit circa 1970

De overplaats van de Hartekamp op een forto uit circa 1970

DE HARTEKAMP EN LINNAEUS                                                                                           

Graag wil ik aan het eind van deze voordracht wijzen op de grote invloed, die de Hartekamp van Clifford op zijn werken en denken tijdens zijn verblijf alhier heeft gehad. Allereerst kon de jonge wetenschapper hier dankzij de genereuze wijze waarop mecenas Clifford hem ‘in dienst’ had genomen onder optimale omstandigheden werken en publiceren. Hem stond niet alleen een uitstekende bibliotheek ter beschikking met bijna 300 wetenschappelijke werken, maar ook een tuin met planten en dieren uit alle delen van de wereld. Hier heeft hij zijn Systema Naturae kunnen toetsen en kunnen vaststellen, dat zijn met Artedi opgestelde indeling van flora en fauna, vooral gebaseerd op veldwerk in een betrekkelijk klein stukje Europa, Zweden, en aangevuld met een breder literatuuronderzoek, in grote lijnen klopte en ook voor de hele wereld bruikbaar bleek. ‘Toen de zoon van het Noorden de broeikassen betrad, wist hij niet meer naar welk werelddeel hij was verplaatst’, schreef hij in zijn opdracht aan Clifford in de Hortus Cliffortianus! De tuin van Clifford was voor hem voldoende. Hij hoefde geen wereldreizen meer te maken om vast te stellen, dat hij in de opzet van zijn Systema Naturae geslaagd was.

Hier op de Hartekamp heeft Linnaeus ongestoord een aantal werken kunnen schrijven en publiceren, waarvan ik er twee met name wil noemen, de Musa Cliffortiana en de Hortus Cliffortianus. Het eerste werk geeft volgens Krol ‘een uitvoerige beschrijving van de bananenboom in de oranjerie van de Hartekamp, die hier voor het eerst in Nederland werd gekweekt en door tropische regenbuien tot bloei kon worden gebracht’. En ik voeg er aan toe: Linnaeus kon meeldraden tellen! Het tweede werk, de Hortus Cliffortianus is van groter gewicht, zowel letterlijk als in wetenschappelijk opzicht. Met dit boek heeft Linnaeus aan de opdracht van Clifford voldaan: het schrijven van een catalogus van tuin en herbarium, die aan waarde belangrijk won dank zij de voortreffelijke illustraties van de Duitser Georg Ehret, die ook de tekening van de indeling van de planten naar aantallen meeldraden, de Methodus Plantarum Sexualis voor de Systema Naturae had vervaardigd. Het herbarium bevatte volgens Krol niet minder dan 2536 exemplaren; in de tuin trof hij nog eens 1251 levende planten aan. Het wetenschappelijk belang van de Hortus Cliffortianus is vooral, dat hij in latere werken, met name in de Species Plantarum uit 1753 veelvuldig naar dit werk verwijst en dat vele soortnamen hierdoor getypificeerd zijn. Ook heeft hij in dit werk bij elke soort een lijstje opgenomen met verwijzingen naar oudere werken, waarin de soort werd beschreven of afgebeeld. Deze werkwijze heeft hij later voortgezet in zijn Species Plantarum, dat daardoor een geweldig compilatiewerk is geworden! Terecht sloot Linnaeus met dit werk de periode van enkele eeuwen af, waarin oude kruidkundigen gegevens over de wilde flora hadden verzameld.

Het is overigens opmerkelijk, dat de titelprent van de Hortus Cliffortianus, vervaardigd door Jan de Wandelaar voor tweeërlei uitleg vatbaar blijkt te zijn. Volgens de biografie van Hagberg ‘wordt hier Moeder Aarde voorgesteld, op een troon gezeten en ontdekt door het zonlicht’, in het onlangs verschenen Teylers Magazijn ontdoet volgens Jorieke Rutgers (2007) ‘Linnaeus als Apollo de natuurgodin Cybele van haar sluier’. Niet onopgemerkt mag blijven, dat op deze titelprent rechts onderaan een cherubijntje trots de thermometer van Linnaeus toont!

Een exemplaar van deze Hortus Cliffortianus had hier op deze feestelijke bijeenkomst eigenlijk niet mogen  ontbreken. Maar het aantal exemplaren, dat zich hiervan nog in Nederland bevindt, is uiterst beperkt en vooral in bezit van enkele instituten, die het zelf graag willen exposeren t.g.v. Linnaeus’ 300e geboortedag!

Krol noemt ook in het lijstje van in Nederland door Linnaeus uitgegeven publicatie de Ichthologica, siva opera omnia de piscibus, het standaardwerk over de vissen van zijn vriend Artedi. Hij had hem in 1735 weer ontmoet in Amsterdam, waar Artedi na een feestje in een van de Amsterdamse grachten terechtkwam en jammerlijk verdronk. Dit moet Linnaeus de uitspraak hebben ontlokt ‘Der vissen vorst is omgekomen in der vissen element’. Uiteraard in het Latijn, want hij heeft nooit onze taal leren spreken. Hij vond het zijn taak het vissenboek van zijn vriend Artedi te voltooien.

Tenslotte stelt Hagberg de vraag ‘of niet de allergewichtigste van de belevenissen en ervaringen op de Hartekamp voor Linnaeus het omgaan was met de monstrueuze vormen, zoals hij ze noemde’. In de lyrische beschrijving over zijn eerste bezoek aan de Hartekamp, in de opdracht van de Hortus Cliffortianus aan Clifford wordt geen melding gemaakt van de bloemperken met variëteiten, die langs kunstmatige weg waren voortgebracht en hij kon moeilijk zeggen, dat ze slechts gezichtsbedrog waren.

Laten we niet vergeten, dat de Hartekamp in de bollenstreek ligt, waar een eeuw tevoren de tulpomanie was uitgebroken en waar volgens Lodewijk  (1978) in 1635 één tulpenbol zou zijn verkocht voor ‘twee vrachten tarwe, vier vrachten rogge, vier vette ossen, vijf varkens, twaalf schapen, twee okshoofden wijn, vier tonnen bier, twee tonnen boter, duizend pond kaas, een bed met toebehoren, een pak kleren en een zilveren beker, inclusief een schip om dit alles  te vervoeren’! Hoewel de ziekte was uitgewoed, was de speurtocht naar nieuwe variëteiten en rassen nog springlevend. En deze nieuwe levensvormen waren in flagrante tegenspraak met de heersende opvatting in die tijd –en waar ook Linnaeus voor stond- dat God alle planten en dieren heeft geschapen: Deus creavit, Linnaeus disposuit.

Dit heeft Linnaeus veel hoofdbrekens gekost en hij heeft zijn opvatting over de schepping in zijn Critica botanica, geschreven op de Hartekamp in 1737 van een kleine aanvulling voorzien: ‘Alle soorten stammen in laatste instantie af van de Almachtige Schepper, dat staat vast. Maar de Schepper heeft de natuur ook een soort speelsheid toegestaan’. Heeft Linnaeus met deze opvatting de deur naar de evolutietheorie van Darwin een eeuw later, al niet op een klein kiertje gezet?

Mijn lezing ben ik begonnen met de woorden, waarmee Dr. Lotsy zijn feestrede een eeuw geleden opende. Ik wil eindigen met het citeren van een gedeelte van het einde van Lotsy’s toespraak: ‘De basis van de systematiek komt steeds dieper te liggen; bij Tournefort werd zij door het geslacht, bij Linnaeus door de soort, bij Darwin door het individu en door Hugo de Vries door de cel gevormd’. Einde citaat.

En ik mag er aan toevoegen, dat een nog kleinere eenheid, het DNA, in het moderne onderzoek de basis van de systematiek heeft veroverd. Het heeft er alle schijn van, dat de feestrede over 100 jaar dit onderwerp uitputtend zal behandelen. Over 100 jaar, als de 400e geboortedag van Linnaeus wordt gevierd.  Want dat die gevierd gaat worden, daarvan ben ik overtuigd!

Plechtige bijeenkomst in 1907 bij gelegenheid van de 200ste geboortedag van Linnaeus. Na de onthulling van een borstbeeld gemaakt door W.M.Retera sprak o.a. de heer Greshoff.

Plechtige bijeenkomst in 1907 bij gelegenheid van de 200ste geboortedag van Linnaeus. Na de onthulling van een borstbeeld gemaakt door W.M.Retera sprak o.a. de heer Greshoff.

Bij het 200ste geboortejaar is in 1907 een door W.M.Retera vervaardigd borstbeeld van Linnaeus geplaatst in de voortuin van de Hartekamp. Bij het 250ste geboortejaar in 1957 is een krans gelegd door rechts professor Lam van het Rijksherbarium en Haarlems burgemeester mr. Cremers

De ambassadeur van Zweden in ons land Jens malling (rechts op de rug gezien) en H.W.Roozen van de Linneaushof plaatsen een bloemenkorf bij het borstbeeld van Linnaeus op de Hartekamp, 27 april 1966 (foto Ruud Hoff)

De ambassadeur van Zweden in ons land Jens Malling (rechts op de rug gezien) en H.W.Roozen, directeur  van de Linneaushof plaatsen een bloemenkorf bij het borstbeeld van Linnaeus op de Hartekamp, 27 april 1966 (foto Ruud Hoff)

LITERATUUR

Broberg, G., 2006. Carl Linnaeus. Het Zweeds Instituut, Stockholm.

Hagberg, K., 1964. Carl  Linnaeus, 2e druk. Uitgeverij Strengholt, Amsterdam.

Lam, H.J., 1957. Carolus Linnaeus (1707-1778). Overdruk uit de Nieuwe Rotterdamse Courant van 18 mei 1957.

Krol, J.L.P.M, 1982. Linnaeus’ verblijf op de Hartekamp. In: Lucia Albers, e.a., Het landgoed de Hartekamp in Heemstede,  Heemstede, p. 70 – 82.

Lodewijk, T., 1978. Het boek van de tulp. A.W. Sijthoff, Alphen aan den Rijn.

Lotsy, J.P., 1907. Carolus Linnaeus – een en ander over zijne betekenis, vooral ten opzichte van het soortsbegrip. Erven Loosjes, Haarlem.

Peatty, D.C., 1955. De natuur ontsloten. H.P. Leopolds Uitgeversmij, Den Haag.

Rutgers, J., 2007. Op weg naar de roem: Linnaeus in Nederland. Teylers Magazijn 26(1), p. 9 – 13.

Sirks, M.J., 1947. De ontwikkeling der biologie, 2e druk. Noorduijn’s Wetenschappelijke Reeks nr. 2, Gorinchem.

Smit, P., 1978. De dissertaties van Linnaeus. Natura 75, p. 30 – 36.

Stearn, W.T., 1957. An Introduction to the Species Plantarum and cognate botanical works of Carl Linnaeus. In: Carl Linnaeus Species Plantarum, A Facsimile of the first edition 1753, p. 1 – 176. Ray Society,London.

Sterk, A.A., 1978. Linnaeus en de plantensystematiek. Natura 75, p. 8 – 13.

Borstbeeld van Linnaeus, in 1869 vervaardigd door Petrus Cornelius de Preter, in torentje Academiestraat, Harderwijk (Willian Kroeze)

Borstbeeld van Linnaeus, in 1869 vervaardigd door Petrus Cornelius de Preter, in torentje Academiestraat, Harderwijk (Willian Kroeze)

Linnaeus in Laplands kostuum. Olieverf uit 1853 door Hendrik Hollander Cz. (1823-1994) in de Artisbibliotheek Amsterdam

Linnaeus in Laplands kostuum. Olieverf uit 1853 door Hendrik Hollander Cz. (1823-1994) in de Artisbibliotheek Amsterdam

Borstbeeld van Linnaeus door P.C.de Preter (1774-1853) uit 1843 (Bijzondere collecties Amsterdam)

Borstbeeld van Linnaeus door P.C.de Preter (1774-1853) uit 1843 (Bijzondere collecties Amsterdam)

Grafzerk van vader en zoon Linnaeus in de kathedraal van Uppsala

Grafzerk van vader en zoon Linnaeus in de kathedraal van Uppsala

Ingekleurd frontispice Hortus Cliffortianus, 1737 (UB-Amsterdam)

Ingekleurd frontispice Hortus Cliffortianus, 1737 (UB-Amsterdam)

Aesculapius, Flora, Ceres en Cupido eren het borstbeeld van Linnaeus. Uit: ‘De Tempel van Flora’ (1799-1807), gepubliceerd door dr. Robert John Thornton.

Tekening van De Hartekamp in Heemstede door Hendrik Tavenier , 1773 (Noord-Hollands Archief)

Tekening van De Hartekamp in Heemstede door Hendrik Tavenier , 1773 (Noord-Hollands Archief)

Op de Overplaats van de Hartekamp is door het Noord-Hollands Landschap naar het voorbeeld van vroeger een nieuw houten 'Zwitserse' voetbrug geplaatst.

Op de Overplaats van de Hartekamp is door het Noord-Hollands Landschap naar het voorbeeld van vroeger een nieuw houten ‘Zwitserse’ voetbrug geplaatst.