DE DORSTIGE KUIL; “eene vermaarde en neringrijcke herreberg”

Langs de Heren- of Wagenweg lagen verscheidene herbergen om reizigers gelegenheid te bieden zich te laven aan een verversching. Van noord naar zuid: Den Nieuwen Hout ofte Koedrift en aan de oostzijde van de weg het Doornboompje (thans huis Zomerlust), het Dronckenhuisje (tegenwoordig Eindenhout), De Dorstige Kuil(Kennemeroord), het Posthuis met een tapnering (Kennemerduin). Vervolgens Het Bonte Paard op de hoek van de Kerklaan (later Lommeroord, nu een benzinestation), wat verderop De Konijnenberg en in Bennebroek ten slotte De Geleerde Man.

Omstreeks 1650 was het terrein van het hedendaagse Kennemeroord eigendom van de Heer van Heemstede, ridder Adriaan Pauw. Dirck Huygen (Woelmont) deed op 24 juli 1642 herberg Ploeg en Zijde Spek in de Hout voor ƒ 1.600,- over aan Marijn de Meester (1). Op dat moment was hij al waard in de Dorstige Kuyl in Heemstede. Aan de overzijde van de Herenweg lagen Berkenrode/Westerduin en een weiland en vindt men tegenwoordig de Willem Klooslaan. Gunstig gelegen aan de doorgangsweg van Haarlem naar Leiden (vice versa)  en begrensd door een strook duin. De exacte stichtingsdatum is niet bekend, maar er is nóg een aanwijzing dat de herberg in 1642 bestond. In dat jaar is door Cornelis H.van Duindam, gezworen landmeter, voor Adriaan Pauw een limietscheiding gemaakt tussen Heemstede en de landerijen van het St.Elizabethsgasthuis, In de uitvoerige akkoordbeschrijving is o.a. sprake van:

(…)  rojende de voors. Scheyding soo voorts tot op de voorgenoemde dicke eycken paele aan de noordzijde vant huys genaemt De Dorstige kuyl staende (…).

Mogelijk is het dorre landschap met kleine heuvels en dalen aanleiding geweest de herberg voor bezoekers uit de omgeving maar voornamelijk reizigers De Dorstige Kuil te noemen. De publicist S.Kalff gaf in het tijdschrift Buiten (17 november 1917) de volgende onwaarschijnlijke verklaring: “Verderop aan den Heerenweg lag de herberg De Dorstige Kuyl ter plaatse waar later de hofstede Kennemeroord verrees. De naam was ongewoon, zelfs voor een inrichting waar dorstige keelen gelaafd plachten te worden. Herbergen met iets ‘dorstigs’ in hun embleem waren wel is waar niet onbekend; elders vond men Het Dorstige Hart, De Dorstige Hond, De Dorstige Jager, De Dorstige Pleiaden, enz. Het feit dat men hier een Dorstige Kuyl vond leidde tot het vermoeden, dat misschien een gewezen zeeman deze taveerne had opgericht en bij de benaming, welk hij daaraan gaf, gedacht had aan het gedeelte van een schip, dat van onder het hafdek tot onder den bak loopt, in de scheepstaal  kuil genaamd”.

Huygen huurde de grond, gekomen uit de wildernis van Adriaan Pauw, 100 roeden groot. Deze is op 1 mei 1651 omgezet in eeuwigdurende  erfpacht waarvoor op jaarbasis een erfpachtscanon van ƒ 10,- aan de Ambachtsheer van Heemstede moest worden betaald. Dezelfde dag verkreeg hij voor ƒ 5,- per jaar een noordelijk gelegen stuk grond van 50 roeden in erfpacht dat toebehoorde aan het Gasthuis te Haarlem. Toen de oprichter overleed waren zijn kinderen nog minderjarig. Voor schout en schepenen van Heemstede hebben de voogden op 25 januari 1655 “Seeckere huijsinge, stallinge, erve ende thuin, genaemt den Dorstigen Kuyl, gelegen aan de groote Heerewech, binnen deze heerlicheijt, groot int geheel hondert en vijftig roeden (…)”  voor ƒ 3.980,- verkocht. Voor de helft aan Arent Arentszoon Coster en de andere helft aan drie andere personen uit Haarlem.  Coster heeft in 1661, zij het met een nieuwe hypotheek, de andere eigenaren uitgekocht. Een jaar later keeg deze kastelein vergunning om een aantal wilgenbomen te kappen en een houten omheining te plaatsen mits daarvoor een jaarlijkse recognitie van zes stuivers zou worden betaald.

De Dorstige Kuil aan de Herenweg. Tekening van Simon Fokke, 1760 (Teylers Museum)

De Dorstige Kuil aan de Herenweg. Tekening van Simon Fokke (1712-1784), 1760 (Teylers Museum)

Hoog Italiaans bezoek

In 1667 bracht de Toscaanse vorst Cosimo de’ Medici III uit Florence met groot gevolg op reis in Holland een bezoek aan de uitspanning, in zijn Italiaanse dagboek aangeduid met Dorstige Keul(2). De hospes slaagde er in 1681 niet in een bedrag van slechts  335 gulden op de grond rustende erfpacht af te kopen. Zijn enige zoon, ook Arent Arentszoon Coster geheten, heeft het pand op 15 mei 1687 verkocht aan Heemstedenaar Adam Heindricz Schouten voor ƒ 2.500,-. De  “vermaarde en neringrijcke herreberg” staat omschreven als “voorsien met veel verscheydenen vertrecken, met twee welbeplante tuynen aen beyde sijden met een vijver daer beneffens. Item nog een koestal en een paardenstal”. Van Johan de Jongh, kapitein ter zee, leende hij  2.800 gulden als bedrijfskapitaal. In 1699 kreeg de waard toestemming een nieuwe stal te timmeren, waarbij een stenen riool van minstens twee voet diep moest worden aangelegd. In 1701 kocht Thomas Boddens, eigenaar van Westerduin, van de weduwe Schouten een groot deel van de tuin van de Dorstige Kuil aan de overzijde van de Herenweg. Door de erfgenamen is het pand getransporteerd aan Huybert Cornelisse Verstraeten, gehuwd met de weduwe van de vorige hospes,  voor  ƒ 5000,-.

Portretschilderij van Cosimo de' Medici III door Justus Sustermans

Portretschilderij van Cosimo de’ Medici III door Justus Sustermans uit omstreeks 1670 in collectie Villa Mediciae in Florence

Op 8 januari 1668  vertrok Cosimo vanaf Haarlem via Leiden en Den Haag. In Haarlem had hij gebruik gemaakt van de contacten van zijn Amsterdamse gastheer, de Florentijnse zakenman Francesco Feroni. Deze kende in Haarlem de ondernemer Balthasar Coymans, handelaar in specerijen en linnen, eigenaar van blekerijen en sinds 1644 trotse bewoner van de buitenplaats Cruytberg. Sinds 1953 bovendien met zijn zwager John van Herrewijne, eigenaar van de hofstede ’t Clooster in Heemstede. Met zijn broer Josephus Coymans was Balthasar betrokken bij de slavenhandel op de Spaanse koloniën, gebaseerd op de licentie van het Asiento de negros. In Haarlem werd de Grote Bavokerk bezocht. Over zijn reis naar Leiden is geschreven:”Men ging over een zeer brede  en vlakke zandweg door een landschap zonder kanalen, wel sloten langs de weg, en heel veel weiland; in de buurt van de duinen, waar zich veel konijnen ophouden, wordt het totaal onvruchtbaar, drie mijl gaat dit zo door en dan wordt het weer iets vruchtbaarder. Aan beide zijden van de weg zag men nette dorpen liggen, ook veel buitenhuizen met fraaie opritten omzoomd door bomenrijen’ . Rond drie uur in de middag kwam Cosimo in Leiden aan’.  [zie: De twee reizen van Cosimo de’Medici 1667-1669. Bezorgd door Lodewijk Wagenaar; uit het Italiaans vertaald door Bertie Eringa. Amsterdam, uitgeverij Bas Lubberhuizen, 2014].

Nieuwe eigenaren van Oud Berkenroede

Op zondag 9 september 1714 is de herbergier bekeurd wegens het laten dansen op zondag. Verstraeten ging failliet en de beheerders van de boedel verkochten daarop in 1719 de taveerne voor ƒ 2.580,- aan Jacob Backer Lestevenon, wiens vader eerder  5.000,- aan Verstraeten had geleend. Deze heer van stand bewoonde Oud Berkenroede en was o.a. secretaris en schepen der stad Amsterdam en bewindhebber der West-Indische Compagnie. Het was voor de eigenaren van een hofstede aantrekkelijk dergelijke percelen aan te kopen en wanneer de gelegenheid zich voordeed te kunnen pronken met een zogenaamde overplaets als statussymbool. Via dochter Sara Maria Lestevenon is haar echtgenoot als weduwnaar en enige erfgenaam de nieuwe bezitter geworden. Dat was Pieter de la Court, in leven secretaris, schepen en burgemeester der stad Amsterdam, evenals bewindhebber der V.O.C. De la Court beschikte over een koets met 4 paarden en had niet minder dan 6 dienstboden tot zijn beschikking. Hij behoorde tot de hoogste vermogensklasse met een vermogen van 7 ton en een geraamd inkomen van ƒ 20.000,- per jaar. De herberg is in deze periode met een zetbaas geëxploiteerd. Eerst door Frans Cornelis van Duyker en vanaf 1730 door zijn weduwe Catharina Camby. Gijsbert van Fulpen (ook gespeld als Vulpen) uit Bennebroek was vanaf 1725 kastelein van Die Swarte Hondt in zijn woonplaats, maar verhuisde in 1739 naar De Dorstige Kuil en verhuurde zijn Bennebroekse etablissement. Van 1752 tot 1768 komen we de Haarlemmer Tobias Nolting tegen. Jaarlijks moest een vergunning voor de verkoop van sterke drank bij de ambachtsheer van Heemstede worden aangevraagd. In 1753 deed zich een incident voor. In die tijd werden bij enkele herbergen, waaronder de Geleerde Man, harddraverijen op de korte baan gehouden met als prijs een zilveren zweep. De winnaar van deze begeerde trofee was verplicht een aantal flessen wijn te laten aanrukken voor de meekampende ruiters. Toen Tobias Nolting een zilveren zweep wilde laten verrijden bij de Dorstige Kuil weigerde de schout van Heemstede zijn toestemming. Nolting had echter al in de couranten zijn voornemen bekend gemaakt nadat hij toestemming had ontvangen van de baljuw van Kennemerland. Schout Jan Reeland voelde zich gepasseerd en spande een kort geding aan bij het Hof van Holland. Op 9 augustus 1753 ging de huisvrouw van Nolting naar de schout om excuses aan te bieden dat haar man hem gepasseerd had. De kosten kwamen voor rekening van de kastelein, waarna de zaak in der minne is geschikt en de harddraverij alsnog doorgang heeft gevonden. Er kwamen meer botsingen voor tussen de Heer van Heemstede en zijn schout enerzijds en de Baljuw of zijn plaatsvervanger de Stedehouder aan de andere zijde. Onder andere over het al of niet tappen op zondag, waarbij de schout namens zijn ambachtsheer in de regel toegeeflijker optrad.

Simon Fokke was in de jaren rond 1760 een frekwent bezoeker van de Dorstige Kuil en vervaardigde deze tekening in 1761

Simon Fokke was in de jaren rond 1760 een frekwent bezoeker van de Dorstige Kuil en vervaardigde deze tekening in 1761

Vanuit zijkamer van de Dorstige Kuil, getekend door Simon Fokke, 1764

Vanuit zijkamer van de Dorstige Kuil, getekend door Simon Fokke, 1762 (NHA)

In 1766 beklaagden de Armmeesters van Heemstede zich dat het aantal minvermogenden groeide en hun lasten niet meer door schenkingen en vrijwillige giften bestreden konden worden. Bij octrooi van de Staten van Holland en West-Friesland is toen besloten in het ambacht op iedere stoop (2,5 liter) wijn, brandewijn en ander gedistilleerd één stuiver mocht worden geheven. Ook in de gelagkamer van De Dorstige Kuil is een armenbus opgehangen waar de bezoeker een stuiver of vierduitstuk kon werpen. In deze herberg, evenals in ’t Molenwerf,  Het Dronkenhuisje e.d. hadden op feestdagen volksvermaken plaats. Bijvoorbeeld het wrede papegaaischieten aan het eind van de oogsttijd. Gesproken wordt over 3 levende vogels per evenement die op een stang gezet werden en met een handbus of roer afgeschoten moeten worden.

Zowel vermeld in geschriften en processtukken als verbeeld door kunstenaars komen we De Dorstige Kuil tegen. In de 16de tot 18de eeuw werden regelmatig de limieten van de heerlijkheden vastgesteld. Daarbij waren betrokken Jan Trip als heer van Berkenrode, Gerard Pauw van Heemstede, Jan Six van Hillegom, Adriana Constantia Sohier de Vermandois, ambachtsvrouwe van Bennebroek, Abraham Loot als heer van Zandvoort en Akendam, en Gerrit Corver als bezitter van Velserhooft. “De nodige tijd en ook het nodige geld werden aan deze werkzaamheden besteed, die o.m. bestaan in het doen inzetten der grenspalen en ook in de blijkbaar nogal lucullische verteringen der heren, bijv. in de bekende herberg aan de Wagenweg De Dorstige Kuyl” (3).  De tabakskoper Anthoni van der Hem noteert in zijn beschrijving van de tocht der Haarlemse burgergecommitteerden naar Den Haag op 3 januari 1750:  “Aan de Dorstige Kuil gekoomen zijnde vernaame we eenige ruijterij, daar wij een wijnig halte hielden”(4).

Trefpunt van kunstenaars

In de periode 1750-1770 was herberg De Dorstige Kuil een trefpunt van met name leden van de Amsterdamse Tekenacademie, waar John Greenwood (1727-1797), Jan Punt (1711-1779), Simon Fokke (1724-1784), Jan de Beijer (1703-1785) en anderen bijeenkwamen. De uit Tilburg afkomstige kunstkenner Adriaan van der Willigen, die eenmaal verhuisd naar de Spaarnestad in Heemstede goed bekend raakte, schreef in een levensbeschrijving van de in Amerika geboren tekenaar en graveur John Greenwood: “Van Haarlem naar Amsterdam varende met een gezelschap Kunstgenooten, waarmede hij in de aangenaam gelegen herberg de Dorstige Kuil te Berkenrode bij Haarlem, den pot verteerd had, gelijk de Amsterdamsche Kunstbroeders daar toen meermalen deden, had men daartoe eene afgehuurde trekschuit; vrolijk onder elkander schertsende, zeide een hunner: ons gezelschap in een trekschuit levert toch al een zeer tekenachtig gezigt op; gij hebt gelijk, zei Greenwood, en zou dat nog wel ooit geteekend zijn B dat geloof ik niet, was het antwoord, – wel dan zal ik het voor de eerste maal eens beproeven, hernam Greenwood, en hij maakte inderdaad eene aardige Teekening van dat tooneel, waarin hij verscheidene van het gezelschap zeer kennelijk trof; onder hetzelve bevond zich bovengemelde S.Fokke en Jan de Beijer” (5).

Gezicht op de Herenweg vanuit stal van herberg de Dorstige Kuil, door Simon Fokke, 1762

Gezicht op de Herenweg vanuit stal van herberg de Dorstige Kuil, door Simon Fokke, 1762

Gezicht vanuit de satl van het logement 'De Dorstige Kuyl', 1762, door Simon Fokke (1712-1784)

Gezicht vanuit de stal van het logement ‘De Dorstige Kuyl’, 1762, door Simon Fokke (1712-1784)

Tekening met links herberg de Dorstige Kuil in Heemstede (gemeente Heemstede)

Tekening met links herberg de Dorstige Kuil in Heemstede (gemeente Heemstede)

De koepel van Oud-Berkenroede en links de Dorstige Kuil aan de Heerenweg in Heemstede

De koepel van Oud-Berkenroede en links de Dorstige Kuil aan de Heerenweg in Heemstede

Van de hand van Simon Fokke zijn verscheidene tekeningen van de Dorstige Kuil bewaard gebleven, waaruit onder meer blijkt dat naast de herberg een overkapping voor koetsen was aangebracht. Op het uithangbord is behalve het opschrift De Dorstighen Kuyl een paard en een tweekoppige vogel afgebeeld. In 1762 liet de toenmalige eigenaar De la Court zonder vergunning een aanlegplaats voor de herberg bouwen. Op 12 augustus is via de gerechtsbode van Heemstede bevolen de bouw per direct stil te leggen en moest de steiger die kennelijk bijna gereed was worden afgebroken. Uit 1764 dateren twee tekeningen in Oostindische inkt van de Amsterdamse kunstenaar Reinier Vinkeles en 1 sepia-tekening van W.Writs (6).

In 1772 leidde de tapnering weer een zelfstandig bestaan en is deze overgedragen aan Cornelis Hout die hier reeds als zetbaas van P.de la Court werkte. Hij diende daarvoor ƒ 7.200,- te betalen, waarvan / 6.000,- als hypotheek werd opgenomen. Evenals zijn voorganger kreeg hij ook toestemming tot het verhuren van rijtuigen.

Het einde nabij

Op 1 augustus 1793 moest de waard van een Zaandammer ƒ 2.500,- lenen om zijn schulden te kunnen aflossen, maar dat mocht niet baten. De goede tijden van weleer waren kennelijk voorbij. Nog geen twee jaar later transporteerde Cornelis Hout, die in grote schulden verkeerde, met zijn echtgenote de taveerne voor ƒ 9.000,- aan Jan Baptist van Keulen (Ceulen), waarna hij de hypotheek van Cornelis Walig ad ƒ 2.500,- en 4% rente kon aflossen. Op 27 oktober van dat jaar breidde de nieuwe bezitter zijn grondgebied ad /ƒ 1000,- met 100 roeden uit dankzij aankoop van grond van timmerman Jacob van Meurs. Op 19 november vroeg de nieuwe eigenaar van de Dorstige Kuil aan de Heer van Heemstede toestemming om een stuk schutting te mogen slopen. Voorts een stal te mogen opbouwen en tijdens de bouw een staketsel op de Herenweg te mogen neerzetten. Op de 25ste januari van het volgende jaar gaf Johanna Maria Dutry een deel van de nabijgelegen duinen – tussen de herberg het Posthuis – aan hem in erfpacht. Enkele dagen later ontving hij bovendien vergunning enkele bomen te rooien. De Amsterdammer Van Keulen heeft o.a. blijkens een drankvergunning uit 1794 de herberg nog enige tijd voortgezet. Spoedig kwam hier een eind  aan en is op deze plaats aan de Herenweg een fraai herenhuis gebouwd, Kennemeroord genaamd, waar Van Keulen zelf ging wonen.

Een nieuwe Dorstige Kuil

De naam De Dorstige Kuil bleef nochtans voortbestaan door de vernoeming van een perceel aan de Koediefslaan, in een eerder stadium het erf van de oude herberg. Het in 1980 gerestaureerde pand grensde aan de buitenplaats waar het koetshuis, stalling, tuinmanswoning en oranjerie van Kennemeroord zijn gebouwd. Omstreeks 1800 was Hermannus Schippers als tapper woonachtig in de (nieuwe) Dorstige Kuil. Sinds 1872 komen  we Jacobus Preijde als koffiehuishouder tegen, in 1909 opgevolgd door diens zoon Petrus Jacob Preijde. Het werd vervolgens voor ƒ 14.000,- verkocht aan de eigenaar van buitenplaats Kennemeroord, Tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn hier tijdelijk Belgische vluchtelingen gehuisvest. Geruime tijd diende het pand als atelierwoning van de kunstenaar Herman Heuff, die op latere leeftijd  blind werd en in 1945 overleed.  Het op de rijksmonumentenlijst geplaatste pand is in gebruik van de Vereniging voor Christelijk Onderwijs te Heemstede. Het is in 1980 gerestaureerd, evenals de Appelkamer. De vroegere tuinmanswoning  van Kennemeroord (’t Nippertje) moest in 1938 wijken bij de aanleg van de Burgemeester van Lennepweg.

Het ernstig vervallen pand 'De Dorige Kuil' eind jaren 70 van de vorige eeuw. Het uit 1810 daterende stond op de nominatie te worden gesloopt. Vooral de Vereniging Oud Heemstede-Bennebroek heeft zich veel moeite getroost om de voormalige herberg voor sloop te behoeden. Dat likte uiteindelijk en in 1980 kon renovatie plaatsvinden.

Het ernstig vervallen pand ‘De Dorige Kuil’ eind jaren 70 van de vorige eeuw. Het uit 1810 daterende stond op de nominatie te worden gesloopt. Vooral de Vereniging Oud Heemstede-Bennebroek heeft zich veel moeite getroost om de voormalige herberg voor sloop te behoeden. Dat lukte uiteindelijk en in 1980 kon renovatie plaatsvinden.

Na restauratie van De Nieuwe Dorstige Kuil aan de Koediefslaan

Noten

(1)  Zie: Haarlemmerhout 400 jaar. Haarlem, 1984, pagina 82.

(2)   Door de bewerker ten onrechte uitgelegd als “keel” in plaats van “kuil”. De twee reizen van Cosimo de’ Medici prins van Toscane door de Nederlanden (1667-1669). Journalen en documenten uitgegeven door dr.G.J.Hoogewerff. Amsterdam, 1919, pagina 139. In 2014 verscheen een nieuwe uitgave: ‘Een Toscaanse prins bezoekt Nederland. De twee reizen van Cosimo de’ Medici 1667-1669, ingeleid en geannoteerd door Lodewijk Wagenaar; uit het Italiaans vertaald door Bertie Eringa. Amsterdam, uitgeverij Bas Lubberhuizen.

Artikel in: De Boekenwereld, 30, nummer 1, 2014., p.54-57.

Artikel in: De Boekenwereld, 30, nummer 1, 2014., p.54-57. Afbeelding van schilderij de Grote markt en S.Bavokerk Haarlem door Gerrit Adriaenszoon Berckheyde uit 1674  in collectie National Gallery, London

Over het bezoek via Haarlem en Leiden naar Den Haag schrijft Wagenaar op basis van genoemd reisboek bijgehouden door Corsini o.a. ‘In het ijskoude winterweer vertrok Cosimo op 7 januari 1668 via Haarlem en Leiden naar Den Haag. Dit traject legde hij af in zijn eigen koets, het gevolg in gehuurd wagens. Het landschap was toen zeer open, zoals te zien op het ‘Gezicht op Haarlem met bleekvelden’ dat Jacob van Ruisdael rond deze tijd schilderde. (…) Cosimo kon gebruik maken van de contacten van zijn Amsterdamse gastheer, de Florentijnse zakenman Francesco Feroni. Deze had in Haarlem een zakenrelatie, de ondernemer Balthasar Coymans, handelaar in specerijen en linnen, eigenaar van blekerijen en trotse bewoner van de buitenplaats Cruytberg. Met zijn broer Josephus was hij evenals Feroni betrokken bij de slavenhandel op de Spaanse koloniën, gebaseerd op de licentie van het ‘Asiento de negros’.  We kunnen alleen maar gissen of daarover tijdens dat bezoek gesproken is (Feroni reisde als raadsman van Cosimo mee). Wel komen we uit het verslag van Corsini te weten dat Cosimo een paar mooie stukjes linnen kocht. Over de prinselijke aankopen, die nauwkeurig werden aangetekend, zou een apart hoofdstuk te schrijven zijn. Zondag 8 januari viel de dooi in. Na een korte bezichtiging van de Grote of Sint Bavo-kerk (er was juist een dienst aan de gang) reisde Cosimo per koets verder. In het verslag van Corsini lezen we: ‘Men ging over een zeer brede en vlakke zandweg door een landschap zonder kanalen, wel sloten langs de weg, en heel veel weiland; in de buurt van de duinen, waar zich veel konijnen ophouden, wordt het land totaal onvruchtbaar, drie mijl gaat dit zo door en dan wordt het weer iets vruchtbaarder. Aan beide zijden van de weg zag men nette dorpen liggen, ook veel buitenhuizen met fraaie opritten omzoomd door bomenrijen.’ Rond drie uur in de middag kwam Cosimo aan in Leiden. Een verkenning te voet bleek onmogelijk door de drom van nieuwsgierigen; op een bepaald moment was het zelfs zo bar dat de prins terug moest vluchten naar zijn koets. De ontvangst op dinsdag 10 januari in het Academiegebouw was een groot succes. De hoogleraar Gronovius hield een geleerde toespraak in het Latijn waarin hij de loftrompet stak over de schitterende verzameling klassieke teksten in de bibliotheek van de familie De’ Medici (…)’

Tijdens zijn verblijf in Holland bracht Cosimo de' Medici ook atelierbezoeken en kocht hij o.a. van Frans Miers de Oudere deze bordeelscène. Dit doek hangt thans in de Galeria degli Uffizi in Florence.

Tijdens zijn verblijf in Holland bezicht Cosimo de’ Medici ook enkele ateliers en kocht hij o.a. van Frans Mieris de Oudere deze bordeelscène. Dit doek hangt thans in de Galeria degli Uffizi in Florence.

(3)   P.Hoekstra. Bloemendaal; proeve eener streekgeschiedenis. Wormerveer, 1947, pp.152-153.

(4)   J.A.F.de Jongste. Onrust aan het Spaarne; Haarlem in de jaren 1747-1751. Z.pl., De Bataafse  Leeuw, 1984, pp. 317-320.

(5)   R.van Eijnden en A.van der Willigen. Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst sedert de     helft der XVIII eeuw. Haarlem, Loosjes, 1842. Tweede Deel, pp.203-204. De reis in de Haarlemmer trekschuit van Greenwood, Fokke, 6 andere leden van het Teken-Collegie en 3 vrouwen had plaats in 1759, aldus ‘De Oude Tijd’, 1871, pp.218-219.

(6)   Veilingcatalogus dr.C.Ekama (Amsterdam, Frederik Muller, 1891), nummers 717 en 718.

Hans Krol

 

'Aan de Dorstige Kuijl gekoomen zijnde vernaame wij enige ruijterij, daar wij een wijnig halte hielden...'aldus Anthoni van der Hem in zijn beschrijving van de tocht der burgergecommitteerden naar Den haag op 3 januari 1750. Deze tekening is van Simon Fokke (1714-1784) uit 1761. De Dorstige Kuil was een vermaarde herberg, gelegen aan de Herenweg, even ten Zuiden van de Koediefslaan, op het grondgebied van Heemstede. De herberg was eigendom van de bezitters van Oud-Berkenrode, Amsterdamse regenten die met zetbazen werkten. Aan het eind van de 18e eeuw is de herberg omgevormd tot hofstede Kennemeroord. (J.A.F.de Jongste)

‘Aan de Dorstige Kuijl gekoomen zijnde vernaame wij enige ruijterij, daar wij een wijnig halte hielden…’aldus Anthoni van der Hem in zijn beschrijving van de tocht der burgergecommitteerden naar Den haag op 3 januari 1750. Deze tekening is van Simon Fokke (1714-1784) uit 1761. De Dorstige Kuil was een vermaarde herberg, gelegen aan de Herenweg, even ten Zuiden van de Koediefslaan, op het grondgebied van Heemstede. De herberg was eigendom van de bezitters van Oud-Berkenrode, Amsterdamse regenten die met zetbazen werkten. Aan het eind van de 18e eeuw is de herberg omgevormd tot hofstede Kennemeroord. (J.A.F.de Jongste)