Tags

, , , , , , , , , , ,

BERKENRODE

Heemstede11

Oudst bewaarde vermelding van Berkenrode in akte 688, 5 december 1284, vermeld in: J.G.Kruisheer, ‘De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, deel 2, , 1971, pagina 358.

De oudste afbeelding van het huis Berkenrode. Tekening in handschrift Arend Buchell, Universiteitsbibliotheek Utrecht.

De oudste afbeelding van het huis Berkenrode. Tekening in handschrift Arend Buchell, Universiteitsbibliotheek Utrecht.

Het laatmiddeleeuwse kasteel Berkenrode. Geschilderd door de heer J.J.Gerstel, gepensioneerd tekenleraar uit Rotterdam die zich na zijn pensionering vanaf 1945 zich in de geschiedenis van Heemstede verdiepte (geschonken aan de gemeente Heemstede)

Het laatmiddeleeuwse kasteel Berkenrode omstreeks 1572. Nageschilderd door de heer J.J.Gerstel, gepensioneerd tekenleraar uit Rotterdam die zich na zijn pensionering vanaf 1945 zich in de geschiedenis van Heemstede verdiepte (geschonken aan de gemeente Heemstede)

Kasteel Berkenrode nog in volle glorie. Tekening door Dirk Dalens de Oudere uit 1660 naar een 17e eeuwse schets welke was vervaardigd naar een niet meer bestaand oud schilderij dat in het woonhuis boven de schoorsteen hing

Het boek ‘Berkenrode – Heerlijkheid Landgoed en Huis’, samengesteld door Hans Krol en Ted van Turnhout, is in 2002 verschenen in opdracht van de firma Nordex B.V. in Heemstede. Het witte huis aan de Herenweg 133, Berkenrode genoemd, heette voor 1800 Westerduin.  Het landgoed ligt daarachter met de fundamenten van een laat middeleeuws kasteel in de vijver.

Vooraanzicht Berkenrode (het vroegere Westerduin)

 

De historische stenen brug van Berkenrode (foto Marloes van Buuren)

Berkenrode, een enclave in Heemstede, was ongeveer een half millennium een zelfstandige ambachtsheerlijkheid. Met ruim 40 hectare de kleinste in Holland . Berkenrode was een ambachtsheerlijkheid  met gemiddeld 30 tot 90 inwoners en enkele zogeheten “opgezetenen” op de hofstedes, die in Amsterdam, Leiden of Den Haag woonden en enkel tijdens de zomermaanden hier vertoefden. De plaats was zo klein dat het menigmaal niet mogelijk bleek een schout uit eigen gelederen te vinden en van elders moest worden aangetrokken om een paar uur per week of zo Berkenrode te besturen de den lage rechtspraak uit te oefenen. De familie Bomans bewoonde het pand als huurder van eigenaar Van Wickevoort Crommelin van 1932 tot 1945. Godfried Bomans schreef hier zijn eerste sprookjes en delen van Pieter Bas. Een bekende bewoner van de plaats was de kunstschilder Christiaan van Pol (1752-1813), die in Frankrijk furore maakte als decorateur van kastelen en paleizen. De familie Bouwman, onder wie Mies Bouwman vond in het huis van de familie Bomans onderdak tijdens de Duitse bezetting.

Kaart van Haarlem en omgeving uit 1590 op een schaal van ongeveer 1: 10.000. Omringd = Berkenrode. Daaronder 't Manpad en echts daarvan de heerlijkheid Heemstede

Kaart van Haarlem en omgeving uit 1590 op een schaal van ongeveer 1: 10.000. Omringd = Berkenrode. Daaronder ’t Manpad en rechts daarvan de heerlijkheid Heemstede

Tussen 1609 en 1615 vervaardigde landmeter Floris Balthasars, geassisteerd dor zijn zoon Balthasar Floriszoon van Berkenrode (bij Delft) o.a. deze kaart van Rijnland, waarop de stad Haarlem en diverse omliggende ambachten zoals Berckeroo ten zioden van de stad zijn ingetekend

Tussen 1609 en 1615 vervaardigde landmeter Floris Balthasars, geassisteerd door zijn zoon Balthasar Floriszoon van Berkenrode (bij Delft), o.a. deze kaart van Rijnland, waarop de stad Haarlem en diverse omliggende ambachten zoals Berckeroo ten zuiden van de stad zijn ingetekend

In de 18e eeuw waren diplomaten Lestevenon ambachtsheren van Berkenrode. Mattheus Lestevenon heeft aan de Italiaanse avonturier en charmeur een paspoort verleend om Holland te kunnen bezoeken. Zoon Willem Anne Lestevenon moest tot grote schande van zijn familie de Republiek ontvluchten omdat hij was verwikkeld in een zedenschandaal, namelijk sodomie. In de 19e eeuw volgden de Van Wickevoort Crommelins die echte paardenliefhebbers waren en waarnaar de Van Wickevoort Memorial in Duindigt is vernoemd. De naam Laimböck, oorspronkelijk afkomstig uit Tirol, fabrikeur van met de hand vervaardigde kwaliteitshandschoenen is, verbonden aan zowel Berkenrode, Klein Berkenrode als Oud Berkenroede. Van een begin 17e eeuwse eigenaar Gerrit van Berkenrode, o.a. burgemeester van Haarlem, is dankzij tijdgenoot Schrevelius bekend dat hij bij z’n dood zo’n 50 bastaardkinderen naliet “zo zonen als dochters”.

wapenbord Bekenrode van 1462 tot 1922 (foto Marloes van Buuren)

het herladisch wapen van de Heren van Berkenrode en van de voormalige gemeente (Marloes van Buuren)

Berkenrode aan de zuid- en oostzijde. Tekening van Hendrik Pola, 15 februari 1718

Berkenrode aan de zuid- en oostzijde. Tekening van Hendrik Pola, 15 februari 1718

Magdalena Poulle met haar neef Pieter (door David van der Plas, in Gunterstein, Breukelen)

Magdalena Poulle (1632-1699) met haar neef Pieter (door David van der Plas, in Gunterstein, Breukelen)

De riddershofstad Gunterstein in Breukelen ten tijde van Magdalena Poulle

Gunterstein in Breukelen, sinds zijn pensionering in beheer van jonkheer mr.W. Quarles van Ufford, o.a. oud-burgemeester van Heemstede

In Berkenrode lagen feitelijk 4 buitenplaatsen: Berkenrode, Oud Berkenroede, Knapenburg en Westerduin. Op de grens van Heemstede en Berkenrode ter hoogte van de huidige Geleerdenwijk lag de hofstede Din en Vaart.  Er is gedurende een eeuw lang een juridische strijd gevoerd over de naamgeving van het nabijgelegen landgoed Oud Berkenrode. Een herenhuis dat nog bestaat en particulier wordt bewoond. Uiteindelijk is men akkoord gegaan met de naamgeving Oud Berkenroede. Dat neemt niet weg dat Berkenrode ouder is. Graaf Floris V, van wie de senioren onder ons weten dat deze staatsman in 1296 door de edelen werd vermoord, is niet alleen de stichter van Heemstede maar ook van Berkenrode. De schenking had plaats aan zekere Jan van Haarlem. “Knape” genoemd, met andere woorden: hij had de ridderslag nog niet ontvangen. Jan wordt beschouwd als de stamvader van het geslacht Van Berckenrode dat in de 17e eeuw uitstierf. Enkel de moeder Aleyde wordt genoemd wat betekent dat òf zijn vader was overleden òf hij een bastaardzoon was. Opmerkelijk is dat overdracht geschiedde op Sente Nicolaasavont 1284. Over geld wordt niet gesproken al is het natuurlijk mogelijk dat onderhands is betaald voor de belening. De verering van de heilige Nicolaas, als wonderdoener en goedheiligman – hetgeen met name ook Godfried Bomans zeer aansprak –  kwam via de Grieken en vervolgens Italianen dankzij de handel van de Hansesteden naar het noorden. Overigens wordt 6 december als verjaardag gevierd, maar in de heiligenkalenders ging het om de sterfdatum. De grenzen van Berkenrode zijn duidelijk bepaald: de Houtvaart, Herenweg en in het noorden het gasthuis. De naam Berkenrode wordt ook verklaard. In de late Middeleeuwen was een oerbos van de Haarlemmerhout tot Noordwijkerhout Op het stuk grond dat de naam Berkenrode kreeg waren de berken gerooid (vandaar rode) door een zekere Willem Ternink. De enige persoon van die naam welke we hebben kunnen vinden was priester in Utrecht. Op zich is dat niet onaannemelijk. Want priesters waren betrokken bij het bewerken van woeste gronden tot cultuurgrond en in de 16e eeuw hebben de  broeders van ’t Cistercienzerklooster op Hageveld brede sloten naar het Spaarne gegraven, die tot op de dag van vandaag in de volksmond monnikenvaarten heten. In het boek staan gegevens over de bezoeken van prinsen en prinsessen aan Berkenrode, maar ook van bijvoorbeeld president Nyerere en Russische generaals-maarschalken Ivanow en Bogadanov aan bankier en vredesactivist Ernst van Eeghen. Laatstgenoemde heeft het huisarchief van Berkenrode aan de gemeente Heemstede geschonken en dat bevindt zich nu in het Noord-Hollands Archief. Hij was overigens de laatste van 26 ambachtsheren/-vrouwen sinds Jan van Haerlem, zoon van Aleyde, in 1284.

Luuc van der Ouw fotografeerde de vroegere bewoner Jan Bomans in de salon van Berkenrode

Frontispice van het platenboek 'Het zegenpralent Kennemerlant' circa 1732 verschenen met gravures van Hendrik de Leth en teksten van teksten van Brouërius van Nidek. Uitgegeven door de gebroeders Andries en Hendrik de Leth.

Frontispice van het platenboek ‘Het zegenpralent Kennemerlant’ circa 1732 verschenen met gravures van Hendrik de Leth en teksten van teksten van Brouërius van Nidek. Uitgegeven door de gebroeders Andries en Hendrik de Leth (Noord-Hollands Archief)

Op bovenstaande prent zijn in de linkerkolom de volgende kastelen afgebeeld:”Cronenburg, Out Haerlem, Oosterwijk, Velzen. In de rechterkolom: Brederode, Albrechtsberg, Kleef en BERKENRODE. De plaat in het midden verwijst naar de Schepelenberg bij Heemskerk waar volgens de overlevering de boeren en edelen van Kennemerland hun leiders kozen door hen op het schild te heffen. Onderaan: een vergezicht op de stad Haarlem. Het boek bevat de volgende hoofdstukken: – Ter inleiding; door Michel van der Plas – Berkenrode 1284-2002: van ‘der keerlen God’ graaf Floris V tot vredesactivist Ernst van Eeghen

Zegel van Jonkheer Hendrick van Ackemade van Berckenrode, vertonend diens heraldische wapens, samengesteld uit de wapens van het geslacht van Alkemade en dat van Haerlem van Berkenrode. [bij akte dd 28 februari 1685 in Berkenrode-archief in het Noord-Hollands Archief.

Zegel van Jonkheer Hendrick van Ackemade van Berckenrode, vertonend diens heraldische wapens, samengesteld uit de wapens van het geslacht van Alkemade en dat van Haerlem van Berkenrode. [bij akte dd 28 februari 1685 in Berkenrode-archief in het Noord-Hollands Archief.

– Overzicht van eigenaren, van 1466 tot de Franse Tijd, tevens ambachtsheren/-vrouwen van Berkenrode

Berckenrode in 1648 met nog een kasteelachtig uiterlijk. Tekening door R.Roghman.

Ruïne van Berkenrode; door Van Meiling (UB-Leiden)

Ruïne van Berkenrode; door Van Meiling (UB-Leiden)

Tekening van noordzijdehuize Berkenrode door Johannes Stellingwerff (1667-1727)

Pieter van Looij (1823-1885) Bekenrode naar een oude tekening van Johannes Leupenius (1647-1693)

Oostzijde van huize Berkenrode, tekening door Pieter van Looij naar tekening van Johannes Leupenius

Ontwerprekening tuin Berkenrode toegeschreven aan Johan Georg Michael (NHA)

De 18e eeuwse stenen brug op het landgoed Berkenrode in Heemstede

De 18e eeuwse stenen brug op het landgoed Berkenrode in Heemstede

Gemetselde boogbrug van begin 18e eeuw met 2 siervazen, decoratief versierd met saters en appels, en die uit de tweede helft van de 19e eeuw stammen.

Gemetselde boogbrug van begin 18e eeuw met 2 siervazen, decoratief versierd met saters en appels, en die uit de tweede helft van de 19e eeuw stammen.

Voorzijde van kasteel Berkenrode na de brand van 4-5 mei 1747. Schilderij van Jan ten Compe (Rijksmuseum)

Voorzijde van kasteel Berkenrode na de brand van 4-5 mei 1747. Schilderij van Jan ten Compe (Rijksmuseum)

Hoewel graag Floris V Berkenrode al in 1284 beleende is pas in de vijftiende eeuw een kasteel ofwel edelmanswoning gebouwd door de eigenaars; het adellijk geslacht Berkenrode, vermeld in 1451, dus vóór het ontstaan van de zelfstandige ambachtsheerlijkheid. Tijdens het oorlogsgeweld rond het beleg van Haarlem in 1573 is het huis te Berkenrode grotendeels verwoest. Het voorkasteel is daarna zo goed mogelijk hersteld; het achterste deel is in staat van verval gelaten. De vermogende Benjamin Poulle herschiep Berkenrode tot een schitterend buitenverblijf. De slotgracht werd  tot een waterpartij verbreed waarover een monumentale boogbrug naar de ingang leidde. Een nieuwe ramp voltrok zich. Volgens de overlevering is in de nacht van 4 op 5 met 1747 Berkenrode afgebrand tengevolge van de illuminatie met vetpotjes en kaarsen. De toenmalige eigenaar Mattheus Lestevenon had deze feestverlichting laten verzorgen in verband met de verheffing van de Prins van Oranje tot Stadhouder. Er is óók een getuigenis dat de brand ontstond door onvoorzichtigheid met een huiskaars nadat de illuminatie was gedoofd. Bij gebrek aan spoedige hulp ‘veranderde het geheele huis in een puinhoop’ aldus een tijdgenoot. Na de brand vervaardigde Jan ten Compe twee schilderijen van de restanten, welke doeken in het bezit zijn van het Rijksmuseum te Amsterdam. Berkenrode is spoedig herbouwd en in 1754 is hier de Prinses van Oranje Anna van Hannover luisterrijk ontvangen toen zij op reis was van Den Haag naar Oranjewoud.

Voorzijde van het kasteel Berkenrode na de brand in de nacht van 4 op 5 mei 1747. Schilderij door Jan ten Compe in het Rijksmuseum

Achterzijde van het kasteel Berkenrode na de brand in de nacht van 4 op 5 mei 1747. Schilderij door Jan ten Compe in het Rijksmuseum

Entree van Berkenrode aan de Herenweg in Heemstede. Tekening van Jan Vincentsz. v.d. Vinne uit 1780 (Noord-Hollands Archief)

Entree van Berkenrode aan de Herenweg in Heemstede. Tekening van Jan Vincentsz. v.d. Vinne uit 1780 (Noord-Hollands Archief)

– Gesprek met Ernst Henri van Eeghen – Oud Berkenroede – Gesprek met Dr. Albert van Solms – De 17e eeuwse buitenplaats Westerduin, sinds 1797 Berkenrode – Gesprek met Mies Bouwman – Knapenburg: lange tijd een gewilde buitenplaats van welgestelde Amsterdammers, nu domein van woongroep Wel-licht – Gesprek met Gerard Draijer – De ambachtsheerlijkheid/gemeente Berkenrode

Het grotendeels niet uitgevoerde tuinontwerp in geometrische stijl, vervaardigd omstreeks 1712 door D.Stoopendaal. In het midden in de vijver het oude herenhuis Vooraan de Herenweg en aan het einde de Leidsevaart (foto Marloes van Buuren)

het later in Engelse landschappelijke stijl uitgevoerde parkaanleg van Bekenrode (Marloes van Buuren)

Wapen van vm. gemeente Berkenode

Wapen van vm. gemeente Berkenrode “zijnde van keel met een leeuw alternerende gekwartileerd van sabel en zilver en voorts gedekt met een kroon van goud”.

– Schouten/burgemeesters van Berkenrode

Bidprentje van Pieter Kroon, uit een geslacht van schippers en schouten

– Gesprek met Riek Schuitemaker-Schuurmans

Tuinmanswoning op landgoed Berkenrode

Tuinmanswoning op landgoed Berkenrode

– Klein Berkenrode: tweemaal door brand verwoest (1831 en 1899) en herbouwd, ten slotte in 1982 gesloopt.

De achterzijde van Klein Berkenrode met rechts het huis Boschzicht.

De achterzijde van Klein Berkenrode met rechts het huis Boschzicht.

Voorgevel van Klein Berkenrode aan de Herenweg op een foto uit omstreeks 1970.

Voorgevel van Klein Berkenrode aan de Herenweg op een foto uit omstreeks 1970.

Klein Berkenrode voor de afbraak toen hier het hoofdkantoor van Evenements Reizen was gevestigd.

– Gesprek met Ruud Laïmböck

Bij een expositie gewijd aan Godfried Bomans en Berkenrode in 1977 in de bibliotheek van Heemstede werd ook aandacht besteed aan de firma Laimböck.

Bij een expositie gewijd aan Godfried Bomans en Berkenrode in 1977 in de bibliotheek van Heemstede werd ook aandacht besteed aan de firma Laimböck.

– Berkenrode in dorpsbeschrijvingen – Berkenrode in de letterkunde – Gesprek met Johan Buiter – Beschrijving van het huidige landgoed Berkenrode

Twee beeldengroepjes, gesigneerd 'Ml Shee F.1928' en '1729'.

Twee beeldengroepjes, gesigneerd ‘Ml = Michael Sheen F.1728’ en ‘1729’.

In het monumentenregister van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg is de beeldengroep in 2002 als volgt omschreven: ‘Beeldengroep p[ het complex historische buitenplaats Berkenrode. Aan de zuidzijde van het tot villa verbouwde koetshuis bevindt zich thans een gazon. Aan het ende hiervan zijn, dus op een niet oorspronkelijke plaats, drie beelden in een groep opgesteld. Deze groep bestaat uit een marmeren Leda met zwaan [een mythologiscghe figuur uit de Klassieke Oudheid], vermoedelijk laat 18e eeuws op een oudere Lodewijk XV sokkel van zandsteen. Dit beeld wordt geflankeerd door twee allegorische (jacht)kindergroepen, gedateerd 1728 en 1729, gesigneerd MI (Michel) Sheen, op zandstenen sokkel in Lodewijk XIV stijl. Deze beeldengroep is van algemeen belang – vanwege hun kunsthistorische betekenis, stilistisch kenmerkend voor de tijd van ontstaan; – de beide kindergroepen zijn van belang vanwege hun plaats in het oeuvre van M.Sheen; – vanwege hun decoratieve betekenis voor de buitenplaats.

– Gesprek met Michiel Winnubst – Beschrijving van het Huis Berkenrode – Verantwoording, dankwoord, persoonsnamenregister en register op buitenplaatsen. ==============================================================

Staatsblad: wet van den 13den Junij 1857, tot vereeniging der gemeenten Heemstede en Berkenrode (1)

Staatsblad: wet van den 13den Junij 1857, tot vereeniging der gemeenten Heemstede en Berkenrode (1)

Vervolg staatsblad vereeniging Heemstede en Berkenrode (2)

Vervolg staatsblad vereeniging Heemstede en Berkenrode (2)

Slot staatsblad vereeniging Heemstede en Berkenrode in 1857

Slot staatsblad vereeniging Heemstede en Berkenrode in 1857

Telgen uit het geslacht van Wickevoort Crommelin als eigenaren van Berkenrode, bijgenaamd ‘de Paarden-Crommelins’ Literatuur in: Berkenrode – Heerlijkheid, landgoed en Huis. Heemstede, 2002, p.29-43.

Heraldisch wapen Van Wickevoort Crommelin

Heraldisch wapen Van Wickevoort Crommelin

 J.P.van Wickevoort Crommelin in 1795 als silhouet afgebeeld.

J.P.van Wickevoort Crommelin als lid van de regering van Haarlem in 1795 als silhouet in ovaal afgebeeld met  staartpruik.

Portretten van J.P.van Wickevoort Crommelin (‘Appie’) en echtgenote Catharina (Cateau) van Lennep, bijgenaamd Ampie (foto Marloes van Buuren)

Wick

Portret naar een pastel door Charles Howard Hodges van mr.Jan Pieter van Wickevoort CrommelinEen bijschrift invoeren

 

INTERMEZZO: VERSLAG VAN EEN REIS NAAR PARIJS IN 1823

In het Berkenrode-archief [tegenwoordig aanwezig in het Noord-Hollands Archief Haarlem] bevindt zich een oud notitieboekje. Het is lang van vorm, zodat het in de binnenzzak van een herenrok paste. Het potlood dat er bijbehoorde steekt er nog in. Op de eerste bladzijde staat in sierlijke letters geschreven: Reis naar Parijs, 15 april 1823. Fr heer Wouter Slob uit de Haarlemmermeer publiceerde in HeerlijkHeden, nummer 105, augustus 2000, een beknopt verslag van de reis na een inleiding over de schrijver van het dagboekje. ‘Het is het zakboekje van mr.Jan Pieter van Wickevoort Crommelin, de eerste Heer van Berkenrode uit het geslacht der Crommelins, die in 1809 de Heerlijkheid aankocht van de Vrouwe van Heemstede, J.M.Dutry. In de familie is hij bekend geworden als ‘Appie’, zoals we weten  uit de alleraardigste verhandeling, welke jhr.F.van Lennep in het jaarboek Haerlem (1960) onder de titel ‘Appie en Ampie en hun nakomelingen is verschenen. Het is een merkwaardige gewaarwording om bijna anderhalve eeuw later de nauwkeurig bijgehouden belevenissen onder ogen te krijgen. Mr.Jan Pieter van Wickevoort Crommelin was in zijn tijd een man van aanzien en invloed. Geboren in 1763 heeft hij verschillende belangrijke functies bekleed onder Raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck, onder koning Lodewijk Napoleon en later onder koning Willem 1. In 1790 trouwde hij Catharina van Lennep en 7 jaar later kopt hij ‘Berkenrode’, dat hij laat afbreken en waarvoor het huis in plaats komt, dat er thans nog staat aan de Herenweg. In datzelfde jaar wordt Aarnoud Hendrik geboren, waarvan jhr. van Lennep zegt, dat hij de zeer sterke was, die later leden van ‘Trou moet blycken’ met stoel en al boven zijn macht zal optillen. Geen wonder dat hij in zijn studententijd ‘IJzeren Frits’ werd genoemd. ‘IJzeren Frits’, die speciaal in de paardensport zal uitblinken. In totaal zal het echtpaar zeven kinderen krijgen, waarvan er één overlijdt als het een jaar is. Allen zien in Amsterdam het levenslicht en Ampie – mevrouw Crommelin – doorstaat – om met van Lennep te spreken – alle bevallingen met glans. Haar oudste dochter is Maria. De tweede zoon heet Jan Pieter Adolf. Dan wordt Catharina Elizabeth geboren, vervolgens Hester (door de familie Hekkie genoemd)  en de jongste zoon is Henri Samuël. Deze opsomming van de kinderschaar is nodig omdat mr.Jan Pieter met drie van zijn kinderen en zijn vrouw in 1823 de grote reis naar de Franse hoofdstad heeft ondernomen. Hoewel blijkbaar maar drie passen nodig waren gingen toch drie kinderen mee namelijk in 1823 nog niet gehuwden: Jan Pieter Adolf (‘Piet’ genaamd en 25 jaar oud), Hester (de latere mevrouw Teding van Berkhout, toen 21 jaar) en Hendrik (Henri Samuël, 19 jaar oud. Het valt natuurlijk onmiddellijk op dat de oudste zoon, Aarnoud Hendrik, 26 jaar, in dit reisgezelschap ontbreekt, hoewel hij ook nog vrijgezel is (hij zou eerst in 1830 trouwen). Wijlen de heer van Lennep, die destijds zo welwillend was mijn aantekeningen door te lezen, meende dat ‘IJzeren Frits” liever alleen op reis ging.

Mr.Jan Pieter van Wickevoort Crommelin, getekend door Jové

Mr.Jan Pieter van Wickevoort Crommelin, getekend door Jové

Mr.Jan Pieter heeft alle uitgaven van de heenreis, van het verblijf in Parijs en daarna van de terugreis nauwkeurig genoteerd en komt tot een totale uitgave van ƒ 110,13 plus frs. 1330,-  voor de heenreis en voor de terugreis frs. 1894,55 plus ƒ 125,50, terwijl het verblijf in Parijs van 22 april tot en met 21 mei hem heeft gekost frs. 3465,45. Boven dit alles komt nog de huur van de koets, welke ƒ 150,-  bedroeg. Het reizen in die dagen was heel wat ingewikkelder dan tegenwoordig. Het kasboekje toont duidelijk aan, dat de reis van ‘post’ tot ‘post’ betaald moest worden. Hoewel het nog steeds niet helemaal duidelijk is wat bij het reizen met de postkoetsen en diligences precies onder ‘post’ werd verstaan mag wel aannemen dat dit meestal de afstand was, welke door de paarden in behoorlijk tempo ter uur konden worden afgelegd. Dus omtrent 10 km. Maar dat neemt niet weg dat ‘post’ ook wel een andere betekenis kan hebben gehad. In het geval waarover we het nu hebben geloof ik dat onder ‘post’ werd verstaan de eerstvolgende wisselplaats waar de reiskoets dus van verse paarden werd voorzien. Jan Pieter betaalde zo per traject van ‘post tot ‘post’ ƒ 12,- tot ƒ 15,-. Maar ook de tollen kwamen voor zijn rekening.  Vermoedelijk heeft hij een koets verhuurd voor de heen- en terugreis en moest hij dus de paarden en koetsier van post tot post apart betalen.

Het Hollands Diep werd toen per stoomboot overgestoken en men kan rustig aannemen, dat dit een sensatie van de eerste orde was, want stoomschepen waren er nog maar weinig en het moet één der eerste zijn geweest, welke onze binnenwateren bevoer. Overigens was er aan boord gelegenheid om iets te gebruiken, wat dan ok door het gezelschap werd gedaan. Het geven van fooien was aan de orde van de dag, hetgeen voor Mr.Jan Pieter helemaal geen bezwaar was ook dit alles te noteren. Zo moest voor het smeren van het rijtuig elf cents fooi worden gegeven. De staljongens kregen bij het wisselen der paarden steeds wat toegestopt. Zelfs de douaniers en zij die de paspoorten visiteerden! Moeilijker is na te gaan wat de maaltijden in die tijd kostten. Ook werd geen menu genoteerd. Wel weten we dat er dikwijls koffie gedronken werd en dat van tijd tot tijd ijs werd geconsumeerd. Paspoorten kostten alle drie tezamen ƒ 12,-.  De reis heen ging vanuit Heemstede over Rotterdam, Dordrecht, Willemsdorp en Breda, alwaar men an het ende van de eerste dag aankwam en overnachtte. Daarna werd kwartier gemaakt in Brussel, Doornik, Rijssel, Amiens, Chantilly en op 22 april kwam men om half een te Parijs aan. We weten precies dat in Rijssel (Lille) hotel de l’Europe ‘goed mar duur’ was in tegenstelling tot hotel de la Porte in Amiens, waarvan we lezen ‘goed en niet duur’.  Eenmaal in Parijs aangekomen kregen de kinderen en ook mevrouw van mr.Jan Pieter van tijd tot tijd geld naar behoefte. Mr.Jan Pieter hield de beurs en het overzicht: we komen posten tegen: ‘aan Piet’ of ‘aan Hendrik’, ‘aan mijn vrouw’en ‘aan Hecky’. Voorts komt steeds voor een post ‘voorschot voor jean’, waarmede vermoedelijk de knecht bedoeld werd. Wanneer alle belevenissen in Parijs net zo nauwgezet genoteerd werden als de overige ervaringen dan is het bezoek van de familie zonder grote schokken verlopen. Men heeft  verschillende musea bekeken, theaters bezocht, komedies gezien en vooral gewandeld, thee gedronken, ijs gegeten en bezoeken afgelegd. Des zondags werd ter kerk gegaan en de namen der predikanten genoteerd. Parken werden bewonderd en ook het befaamde kerkhof Père Lachaise, het kasteel van Vincennes, het Hotel des Invalides. Grotere uitstapjes werden per rijtuig ondernomen (eens kostte een calèche frs. 18,-). Ook zijn verschillende toen bekende fabrieken bezichtigd, zoals de porceleinfabriek te Sèvres.”Zaterdag 10 Mey met de familie Temminck naar Montmorency geweest. De kerk te St.Denis gezien en Caveaux der koningen. In de kerk de monumenten van Louis XII en Anna de Bretagne, Francois 1 en Claude de France, Henry 11 en Catharina de Medicis. In de caveaux alle monumenten der Koningen. Te Montmorency ontbeten au Cheval Blanc. Het geheel gezelschap is vervolgens op ezels en drie paardjes de Hermitage van J.J. en…in de Valley gaan bezichtigen en vervolgens door het Bois van Montmoncery en dat van St. Leu naar St. Leu gereden, alwaar wij het kasteel en Park hebben bezien. Vervolgens wederom langs de benedenzijde van Montmoncery, alwaar wij doornat aankwamen, doch door een goed vuur en een goed diner zijn gerestaureerd, zodat wij ten Elf uur wederom te Parijs zijn gearriveerd”. Men ziet dat er momenten waren dat de kroniekschrijver vrij uitvoerig was. Een der weinige ‘avonturen’ had plaats op 12 mei, toen men naar St. Germain was geweest om het park, kasteel en bloemenkassen te bezichtigen. Men had het kasteel van buiten bekeken, op het terras gewandeld en ook in het bos, waarna men had gedejeuneerd en gegeven in ‘Prinse de Galles’. Maar  “in het retour in Neuilly uit de Koets gegaan, uit hoofde van Dronkenschap van den koetsier, wanneer de Dames verder de weg hebben vervolgd met een fiacre…’ Men komt tot de slotsom, dat de dagen goed besteed werden. Men zag veel, at en dronk op tijd, wandelde en deed boodschappen. Deze laatste bezigheid wordt alleen maar op het laatst vermeld, maar er zijn enige afzonderlijke bladzijden gewijd aan de inkopen, welke in de wereldstad werden gedaan. Ten slotte kwam men niet elke dag in Parijs en het was aardig om van de gelegenheid gebruik te maken iets mee te nemen naar huis. Het waren over het algemeen degelijke zaken welke men kocht. Zo kreeg Hendrik een nieuwe hoed van frs. 9. Een paar kousen voor Hecky kostte frs. 6, zwarte kant ” voor mijn vrouw’ frs. 16 en een ‘ridicule’ van frs. 9. Bepaald duur waren de corsetten: 66 francs voor twee stuks (voor mevrouw en voor Hecky)!

Tekening door Jové van echtgenote Catharina van Wickevoort-Crommelin-van Lennep (1766-1847), met bijnaam 'Ampie'

Tekening door Jové van echtgenote Catharina van Wickevoort-Crommelin-van Lennep (1766-1847), met bijnaam ‘Ampie’

Piet was blijkbaar door zijn laarzen heen en ook Hecky kreeg een paar nieuwe, welk schoeisel bij elkaar 36 francs kostte. Daar tussen door kwam steeds weer de rekening van de wasvrouw, een rekening welke voor een gezelschap van vijf personen nog aardig opliep. Voor Itje van Wickevoort Crommelin (een nichtje, waar Jan Pieter verliefd op was, doch waarmee hij niet mocht trouwen) werd een cadeau gekocht, waarover we verder in het ongewisse blijven en voor ‘de meiden’ werd stof meegenomen voor een totaal bedrag van frs. 20. Zelf kocht meneer Jan Pieter een grijze hoed en liet zijn oude repareren. Mevrouw kreeg nieuwe schoenen, Hendrik een nieuwe jas, Henry ‘broekegoed’ can 9 francs. Mevrouw nam nog een lap katoen mee en nieuwe muilen (die toen 3 francs kostten in Parijs). De hoedepluimen moesten na al die wandelpartijen en regenbuien weer eens ‘opgemaakt’ worden en mevrouw had ook nieuwe handschoenen nodig (2.25 francs). Voor 10 francs is chocolade ingekocht, waarschijnlijk voor de reis. Aarnoud, die thuis was gebleven, zou verrast worden met ‘broekegoed’ en om de nieuwe hoed van de pater familias te vervoeren werd een hoededoos van 2 francs gekocht. Onderweg op de terugreis in Bergen als op de heenreis, want vóór Le Bourget brak reeds een der riemen van het rijtuig. Men moet weten, dat de rijtuigen in die dagen nog lang niet alle van veren waren voorzien. De z.g. kast was in lederen riemen schommelend opgehangen. Ook de haspel van een der achterwielen was gebroken. Een en ander moest ter plaatse worden gerepareerd. De reis ging thans langs de oostelijke route: Compiègne, Cambray, Mons, Namen, Luik en Maastricht, uit welke laatste plaats  men vrijdag 30 mei des ochtends om half 9 vertrok naar…Leuven waar men pas om 6 uur in de namiddag aankwam, omdat er onderweg ergens op een post geen paarden aanwezig bleken te zijn. Na de paarden rust te hebben gegeven is men toen noodgedwongen maar verder gereisd met dezelfde bespanning. Ook aan de volgende post vond men toen geen paarden. Te Leuven werd na deze vermoeiende en wat vervelende toer in Hotel de Cologne overnacht, doch men kon de volgende morgen pas om half elf vertrekken, omdat er herstellingen aan het rijtuig moesten worden uitgevoerd. Pas om 12 uur in de nacht kwam men te Breda aan nadat in Antwerpen weer iets aan een der wielen had gehaperd en men daardoor twee uur werd opgehouden. Zo was het dan zondag 1 juni geworden, toen voor de laatste etappe werd ingestapt. En reeds om kwart over acht, zodat men met de stoomboot van 10 uur vanaf de Moerdijk kon overvaren. Toch duurde het nog tot…half tien in de avond dat men door het inrijhek van ‘Berkenrode’ binnen reed. de ‘passage’ over de Maas bij Rotterdam uit hoofde der geringe wind en die nog tegen was, meer dan een uur had weggenomen en wij bovendien hier en daar nog enig oponthoud hebben ondervonden’ verklaart deze late thuiskomst. Zo waren ‘Appie en Ampie’ weer welbehouden thuis, waar de volgende dag allen , die ‘tot de club’ behoorden – zoals de heer van Lennep het noemt – wel het naadje van de kous zullen hebben willen weten. De reis zal nog hel lang een gespreksthema in de salons van de Heemsteedse buitenplaatsen zijn geweest en IJzeren Frits zal met voldoening later de pantalon hebben laten zien, welke hij zich had laten snijden van ‘de boekestof’ uit de Lichtstad.’

Geschilderd portret van Aarnoud Hendrik van Wickevoort Crommelin (1797-1881), in bezit van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem

Geschilderd portret van Aarnoud Hendrik van Wickevoort Crommelin (1797-1881), in bezit van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem

Portret van mr.Aarnoud Hendrik van Wickevoort Crommelin (1797-1881) op latere leeftijd

Portret van mr.Aarnoud Hendrik van Wickevoort Crommelin (1797-1881) op latere leeftijd

Aarnout

Mr. Aarnout Hendrik van Wickevoort Crommelin; door Durk Minnema. In: Dravend door de tijd’1997, pagina 17.

 

Programma van keuringen en wedrennen 16 juli 1853 op de Dreef in de Haarlemmerhout. Nrs. 5 en 6 A.H.van Wickevoort Crommelin met paarden 'Bravo' en

Programma van keuringen en wedrennen 16 juli 1853 op de Dreef in de Haarlemmerhout. Nrs. 5 en 6 A.H.van Wickevoort Crommelin met paarden ‘Bravo’ en “Clico’. Nummer 23 B.A. Baron van Verschuur van de Hartekamp met het paard ‘Merrie’.

 

Dreef2

ommezijde van draverijen op de Dreef in het Haarlemmerhout, 16 juli 1853

Graf voor 11 october 1858 gestorven renpaard Coco met vers van A.C.van Wickevoort Crommelin (Marloes van Buuren). Op de achterzijde een treursversje van de pikeur

Graftekst van A.H.van Wickevoort Crommelin voor het paard Coco

Graftekst van A.H.van Wickevoort Crommelin voor het paard Coco

De op initiatief van Hendrik van Wickevoort Crommelin gebouwde Cruquius (model)boerderij. Links de hengstenstal en rechts de ronde Amerikaanse koestal.

De op initiatief van Hendrik van Wickevoort Crommelin gebouwde Cruquius (model)boerderij. Links de hengstenstal en rechts de ronde Amerikaanse koestal.

pullaway.jpg

Hendrik van Wickevoort Crommelin met zijn succesvolle draver, befaamd fokpaard, Pullaway, geboren in 1876 in Engeland

 

Foto van Hendrik van Wickevoort Crommelin (1832-1901)

Foto van Hendrik van Wickevoort Crommelin (1832-1901). Hij was gemeenteraadslid in Heemstede sinds 1865, waarvan 20 jaar wethouder, stierf in juni 1901 en werd als raadslid opgevolgd door zijn zoon A.H. van Wickevoort Crommelin. Hendrik wordt als grondlegger beschouwd van de Nederlandse draverfokkerij. Om zijn naam te eren werd in 1942 een klassieke draverij ingesteld en naar hem vernoemd het H.van Wickevoort Crommelin Memoriaal (D.Minkema).

Hendrik1

Koetshuis van de familie Van Wickevoort Crommelin op Berkenrode

dravend

In het boek ‘Draven door de tijd, geschiedenis van de Nederlandse draverfolerij’ uit 1996 zijn hoofdstukken gewijd aan mr.Aarnoud Hendrik van Wickevoort Crommelin (1797-1881), Hendrik van Wickevoort Crommelin (1832-1911) en Aarnout Hendrik van Wickevoort Crommelin (1864-1912)

Hendrik van Wickevoort Crommelin won als eigenaar de meeste langebaan-draverijen van 1887 tot en met 1900. Zijn zoon Aarnout Hendrik van Wickevoort Crommelin in het jaar 1904

Het renpaard Pullaway (geboren in 1876) voorgeleid door Hendrik van Wickevoort Crommelin. 'Pullaway' is uitvoerig beschreven door Durk Minkema in 'Draven door de tijd'

Het renpaard Pullaway (geboren in 1876) voorgeleid door Hendrik van Wickevoort Crommelin. ‘Pullaway’ is uitvoerig beschreven door Durk Minkema in ‘Dravend door de tijd’

Overlijdensbericht Hendrik van Wickevoort Crommelin (Het Nieuws van den Dag, 24-6-1901)

Hendrik2

De Cruquius-stoeterij van Van Wickevoort Crommelin, uit: ‘Dravend door de tijd’, 1996, pagina 46 (1)

Hendrik3

Vervolg; de Cruquius-stoeterij van Van Wickevoort Crommelin. 1996, pagina 47.

‘Cruquishoeve in de Haarlemmermeer blijft behouden’ na vertrek van P.Meerburg en zijn gezin. (De Tijd de Maasbode, 21-8-1965)

A.H.van Wickevoort Crommelin op lidmaatschapskaart ANWB uit 1906

A.H.van Wickevoort Crommelin (1864-1912) op lidmaatschapskaart ANWB uit 1906

Eigenaar en 'contoleur' A.H.van Wickevoort Crommelin op de renbaan van Woestduin. Uit: Zondagsblad Opr. Haarl. Courant, 30 maart 1903.

Eigenaar en ‘controleur’ A.H.van Wickevoort Crommelin op de renbaan van Woestduin. Uit: Zondagsblad Opr. Haarl. Courant, 30 maart 1903.

Presentatie van fokmerries van A.H.van Wickevoort Crommelin op de Cruquiushoeve (The Horse Review, 1908)

Presentatie van fokmerries van A.H.van Wickevoort Crommelin op de Cruquiushoeve (The Horse Review, 1908)

Veiling van dravers op de Cruquiusboerderij, februari 1909. In de baan met gezicht naar het publiek A.H.van Wickevoort Crommelin. Vanwege het totalisatorverbod besloot hij in 1911 zijn stoeterij op te heffen. Met zijn overlijden op 47-jarige leeftijd in 1912 kwam hieraan een definitief einde. Zijn kinderen hebben zich niet in de paardensport en -fokkerij bewogen.

Veiling van dravers op de Cruquiusboerderij, februari 1909. In de baan met gezicht naar het publiek A.H.van Wickevoort Crommelin. Vanwege het totalisatorverbod besloot hij in 1911 zijn stoeterij op te heffen. Met zijn overlijden op 47-jarige leeftijd in 1912 kwam hieraan een definitief einde. Zijn kinderen hebben zich niet in de paardensport en -fokkerij bewogen.

Lidmaatschapskaart ANWB van echtgenote

Lidmaatschapskaart ANWB uit 1907 van echtgenote geboren als Elisabeth van Lennep (van Meer en Berg)

Ledenkaart ANWB van zoon Hendrik van Wickevoort Crommelin

Ledenkaart ANWB 1907 van zoon: Hendrik van Wickevoort Crommelin

Hendrik

Foto van Hendrik van Wickevoort Crommelin uit 1916

Geschilderd portret van Hendrik van Wickevoort Cromemlin (1889-1939) foto van Theo Out

Portret van Olga Ernestine Henriëtte van Eeghen (1889-1939). Zij trouwde met Hendrik van Wickevoort Crommelin. Het huwelijk bleef kinderloos. Na zijn overlijden hertrouwde zij met (weduwnaar) Quirijn van Johan van Swinderen en ging op diens landgoed in Loosdrecht wonen. Na haar dood is in 1954 Berkenrode vermaakt aan haar neef Ernst Henri van Eeghen (geboren in Amsterdam op 13 april 1920), afstammeling van Appie en Ampie in de zesde generatie. (foto Theo Out)

Overlijdensbericht van Olga Ernestine Henriëtte van Eeghen. ambachtsvrouwe van Berkenrode van 1939-1954 (Algemeen Handelsblad, 18-2-1954)

Wickevoort1

Artikel over de harddraversstal van Hendrik van Wickevoort Crommelin, uit De Prins van 24 augustus 1901 (1)

Wickevoort2

Vervolg van artikel over stal van Hendrik van Wickevoort Crommelin, De Prins, 24 augustus 1901

Ledenkaart ANWB 1906 van andere zoon: G.J.van Wickevoort Crommelin

Ledenkaart ANWB 1906 van andere zoon: G.J.van Wickevoort Crommelin

A.H.van Wickevoort Crommelin met zijn paard 'Contoleur' in 1903

A.H.van Wickevoort Crommelin met zijn paard ‘Controleur’ in 1903

A.H.van Wickevoort Crommelin overleden. Bericht uit de Prins van 1912

A.H.van Wickevoort Crommelin overleden. Bericht uit de Prins van 1912

begrafenisadvertenties A.H.van Wickevoort Crommelin (Algemeen Handelsblad, 12-2-1912)

Begrafenis A.H.van Wickevoort Crommelin (Algemeen Handelsblad, 14-2-1912)

vervolg artikel begrafenis A.H.van Wickevoort Crommelin (Algemeen Handelsblad, 14-2-1912)

Livreiknoop van uniform Van Wickevoort Crommelin met vooestelling van gevierendeeld wapen.

Livreiknoop van uniform Van Wickevoort Crommelin met voorstelling van gevierendeeld wapen.

Bronzen penning/plaquette ter nagedachtenis aan Gerard Jan van Wickevoort Crommelin (1894-1940), zoon van Arnoud Hendrik van Wickevoort Crommelin (1864-1912) Geboren op Klein-Berkenrode aan de Herenweg in Heemstede. In leven was hij sportcommissaris van de Kon. Ned. Automobiel Club (KNAC). Op 10 mei 1940 als soldaat in Oegstgeest door oorlogsgeweld om het leven gekomen. Begraven in Warmond. Penning is ontworpen door M.R.J.Fleur en vervaardigd bij de Koninklijke Begeer in Voorschoten.

Bronzen penning/plaquette ter nagedachtenis aan Gerard Jan van Wickevoort Crommelin (1894-1940), zoon van Arnoud Hendrik van Wickevoort Crommelin (1864-1912) Geboren op Klein-Berkenrode aan de Herenweg in Heemstede. In leven was hij sportcommissaris van de Kon. Ned. Automobiel Club (KNAC). Op 10 mei 1940 als soldaat in Oegstgeest door oorlogsgeweld om het leven gekomen. Begraven in Warmond. Penning is ontworpen door M.R.J.Fleur en vervaardigd bij de Koninklijke Begeer in Voorschoten.

Hendrik van Wickevoort Crommelin (1889-1939_ op paspoort uit 1916

Hendrik van Wickevoort Crommelin (1889-1939) op paspoort uit 1916. Hij huwde met Olga Ernestine van Eeghen (1889-1954), welke echtverbintenis kinderloos bleef.

Overlijdensbericht Hendrik van Wickevoort Crommelin (Algemeen Handelsblad, 21-8-1939)

Bericht overlijden H.van Wickevoort Crommelin (Algemeen Handelsblad, 8-8-1939)

Kaart uit 1908

Kaart uit 1908 met gezicht op Berkenrode, geschreven door Hendrik (Henry) van Wickevoort Crommelin

Achterzijde van door H.van Wickevoort Crommelin naar Paul Alves in Lissabon verzonden ansichtkaart

Achterzijde van door H.van Wickevoort Crommelin naar Raul Alves in Lissabon verzonden ansichtkaart

Gezicht

Gezicht van Berkenrode in 1908, geschreven door Hendrik (Henry) van Wickevoort Crommelin

Door H.van Wickevoort in 1908 verzonden kaart naar Lissabon

Door H.van Wickevoort in 1908 verzonden kaart naar Lissabon

Bijzondere boot, vervaardigd door de heer T.van Wickevoort Crommelin te Heemstede-Berkenrode. De boot bestond uit twee cylinders met lucht gevuld, bij wijze van twee grote beschuitbussen, op een afstand van 1.25 meter en door een dek aan elkaar bevestigd; de lengte was 5.50 meter. De voortbeweging geschiedde door een vin in de lucht - zoals bij vliegmachines - en niet zoals bij andere boten door een vin in het water. Deze vin werd gedreven door een oude Peugeot-motor van ongeveer 15 H.P. De boot had een diepgang van niet meer dan 20 centimeter. De heer Van Wickevoort Crommelin zit op op deze foto zelf aan het stuur en verwachtte veel van zijn uitvindingen, maar voor zover bekend is het hij deze ene boot gebleven. (Oprechte Haarlemsche Courant, 6 december 1909).

bootconstructie, vervaardigd door de heer T.van Wickevoort Crommelin te Heemstede-Berkenrode. De boot bestond uit twee cylinders met lucht gevuld, bij wijze van twee grote beschuitbussen, op een afstand van 1.25 meter en door een dek aan elkaar bevestigd; de lengte was 5.50 meter. De voortbeweging geschiedde door een vin in de lucht – zoals bij vliegmachines – en niet zoals bij andere boten door een vin in het water. Deze vin werd gedreven door een oude Peugeot-motor van ongeveer 15 H.P. De boot had een diepgang van niet meer dan 20 centimeter. De heer Van Wickevoort Crommelin zit op op deze foto zelf aan het stuur en verwachtte veel van zijn uitvinding, maar voor zover bekend is het hij deze ene boot gebleven. (Oprechte Haarlemsche Courant, 6 december 1909).

Toegang naar fruitmuur (slangenmuur) op Berkenrode (foto G.Dukker, 1995)

Toegang naar fruitmuur (slangenmuur) op Berkenrode (foto G.Dukker, 1995)

Fruitmuur ofwel slangenmuur op landgoed Berkenrode (1995)

Fruitmuur ofwel slangenmuur op landgoed Berkenrode (1995)

======================================================

Neomist Arnold Bomans (pater Johannes-Baptist van de order der Trappisten) die aankomt bij de H.Bavokerk van Berkenrode in 1941. Broer Godfried en moeder Bomans wachtten hem op; zuster Borromée kreeg geen toestemming aanwezig te zijn. Op de achtergrond de Henricus-ulo, daarnaast het Verenigingsgebouw.

Vooromslag van boek Berkenrode – heerlijkheid huis en landgoed; door Hans Krol en Ted van Turnhout. Nordex, 2002.

Achteromslag van het boek Berkenrode

Belangstelling voor Heemstede (Heemsteedse Courant, 6 november 2002)

Mr.A.van Agt presenteerde het exexplaar van het boek Berkenrode aan de heer Maarten van Eeghen (foto Wim Bak).

Mr.A.van Agt presenteerde het exexplaar van het boek Berkenrode aan de heer Maarten van Eeghen (foto Wim Bak).

Hans Krol, co-auteur van het boek 'Berkenrode', na de presentatie in gesprek met oud-premier Van Agt en diens echtgenote in 2002

Hans Krol, co-auteur van het boek ‘Berkenrode’, na de presentatie in gesprek met oud-premier Van Agt en diens echtgenote in 2002

Agt

Een journalist van het Haarlems Dagblad interviewt mr.Dries van Agt, daartussen Hans Krol en rechts mevrouw van Agt

Berkenrode vanuit de lucht

Berkenrode vanuit de lucht

Fruitmuur op Berkenrode (foto G.J.Dukker)

Fruitmuur op Berkenrode (foto G.J.Dukker)

Kleedhuisje bij het vroegere zwembad, tegenwoordig paardenstal op het landgoed Berkenrode. De 4 decoratieve beeldjes zijn helaas gestolen.

Kleedhuisje bij het vroegere zwembad, tegenwoordig paardenstal op het landgoed Berkenrode. De 4 decoratieve beeldjes zijn helaas gestolen.

berk

Van badhuis tot koestal/paardenstal. Uit: Jan Bouman, Nederlandse monumenten in beeld., 1972, p.60

De luidklok van Berkenrode uit 1742. In opdracht van toenmalig eigenaar van Westerduin Cornelis vervaardigd in Amsterdam: 'me fecit Ciprianus Crans Iansz..'

De luidklok van Berkenrode uit 1742. In opdracht van toenmalig eigenaar van Westerduin Cornelis Hop vervaardigd in Amsterdam: ‘me fecit Ciprianus Crans Iansz.’

Een mysterieus gewelf in huize Berkenrode, beschreven op de pagina's 172-174.

Een mysterieus gewelf in huize Berkenrode, beschreven op de pagina’s 172-174.

De eerste r.k. Bavokerk van Berkenrode, gebouwd in 1817, vergroot in 1837 en gesloopt in 1880 na bouw van de huidige kerk aan de andere zijde van de Herenweg

De eerste r.k. Bavokerk van Berkenrode, gebouwd in 1817, vergroot in 1837 en gesloopt in 1880 na bouw van de huidige kerk aan de andere zijde van de Herenweg Aquarel van Pieter van Looij uit 1881. (Noord-Hollands Archief). Op linkerbanier de naam van pastoor J.Geeres en kerkmeesters: P.Kroon, H.van Eyk, J.Beelen, P.Niesten.  De eerste steen gelegd door H.S.van Wickevoort Crommelin, 1 juli 1817. Op rechterbanier: pastoor J.J.Tielen en kerkmeesters: P.Niesten, J.van der Horst, J.Peeperkorn en J.van Houten. De eerste teen gelegd door Arnoud van Wickevoort Crommelin, 4 april 1837

Aarnout Hendrik van Wickevoort Crommelin (1864-1912), ambachtsheer van Berkenrode, gemeentebestuurder van Heemstede en groot paardenliefhebber. Schilderij van Adolf Pirsch (foto RKD-Den haag)

Aarnout Hendrik van Wickevoort Crommelin (1864-1912), ambachtsheer van Berkenrode, gemeentebestuurder van Heemstede en groot paardenliefhebber. Schilderij van Adolf Pirsch (foto RKD-Den haag)

Eeghen1

Over E.H.van Eeghen, door Kees de Raadt (1993)

 

E.H.van Eeghen de krant lezende (Spaarnestad Fotoarchief)

E.H.van Eeghen de krant lezende (Spaarnestad Fotoarchief)

Eeghen

Ernst van Eeghen (uit boek Oltmans)

 

koetshuis

Het voormalig koetshuis van de Van Wickevoort Crommelin’s, omgebouwd tot villa waar o.a. Ernst van Eeghen woonde (foto Rijksmonumenten)

Buiter1

Sinds vele jaren is Joan Buiter de hovenier etc. van het landgoed Berkenrode dat 21 hectare omvat. Uit: Ode aan Heemstede 2015, pagina 55. Hij zei: ‘Iedere ochtend als ik mijn ronde maak op landgoed Berkenrode, zie ik als eerste deze oude reus. Voor mij blijft de boom vreselijk stoer en mooi. Hij is aan het doodgaan, maar ik laat hem staan. Alleen al voor de buizerds die er nu in zitten. Bijna niemand kent deze groene oase van rust. Die ligt verstopt en is geen openbaar gebied. Gelukkig mag ik het al 34 jaar beheren voor de familie Van Eeghen. Dit landgoed volt echt als mijn plek, ook al is het niet van mij. Aan de voorkant ligt de drukke Herenweg. Maar als ik me omdraai, ligt er 21 hectare aan bos, weiland, tuin en water aan mijn voeten. en een schat aan historie en verhalen. Bekenrode bestaat al sinds 1284. Wist je dat er in de huidige vijver nog de fundamenten van twee kastelen liggen? En dat Godfried Bomans, mevrouw Carter en koningin Juliana hier  zijn geweest?’ 

de (rechte) muur als scheiding van de moestuin van Berkenrode (foto Marloes van Buuren)

Vader Bouwman en enkele gezinsleden op het 'gras-zitje' voor Berkenrode, waar de familie Bouwman tijdens de Tweede Wereldoorlog tijdelijk inwoonde bij de familie Bomans

Vader Bouwman en enkele gezinsleden op het ‘gras-zitje’ voor Berkenrode, waar de familie Bouwman tijdens de Tweede Wereldoorlog tijdelijk inwoonde bij de familie Bomans

De evacué's op Berkenrode in Heemstede, augustus 1944. Staande de Broeders van De La Salle met in het midden Henk Bouwman en uiterst rechts het dienstmeidje Corrie. Op de voorste rij van links naar rechts: Freule Van Lennep, vader M.Thierry de Bye Dolleman, Paul Bouwman, moeder Bouwman, Tineke Bouwman, Broeder-directeur Eduard en tussen haar dochtertjes Annemarie en Jetty moeder Thierry de Bye Dolleman, dan vader L.Bouwman en dochter Mies Bouwman.

De evacué’s op Berkenrode in Heemstede, augustus 1944. Staande de Broeders van De La Salle met in het midden Henk Bouwman en uiterst rechts het dienstmeidje Corrie. Op de voorste rij van links naar rechts: Freule Van Lennep, vader M.Thierry de Bye Dolleman, Paul Bouwman, moeder Bouwman, Tineke Bouwman, Broeder-directeur Eduard en tussen haar dochtertjes Annemarie en Jetty moeder Thierry de Bye Dolleman, dan vader L.Bouwman en dochter Mies Bouwman.

VAN BERKENRODE STAAN DE VOLGENDE OBJECTEN OP DE RIJKSMONUMENTENLIJST: – Hoofdhuis, Herenweg 133 – Park- en tuinaanleg, Herenweg 131 – Toegangspoort – Boogbrug – Moestuin met tuinmuur en kas – Beeldengroep – Paardengraf Coco – Koetshuis, Herenweg 131 – Voormalig badhuis, later in gebruik als paardenstal – (Thee)koepel, direct ten zuiden van het toegangshek – Tuinderswoning, Herenweg 129 – Dubbele dienstwoning en een poortje, Herenweg 119 – Enkele dienstwoning, Herenweg 117

Aquarel van het huis Berkenrode aan de Herenweg Heemstede

Aquarel van het huis Berkenrode aan de Herenweg Heemstede

BERKENRODE ALS BEDIJFSPAND: DE PERIODE ‘LAIMBÖCK 1946-1997

Briefhoofd van de firma Laimböck op Berkenrode, Heemstede

Briefhoofd van de firma Laimböck op Berkenrode, Heemstede

Laim1

Enveloppe van Laimböck met stempel: ‘handschenenmakers sinds 1831’

 

Kaartje van Laimböck waarin wasinstructies in het Nederlands en Engels voor de Pigskinhandschoenen vermeld

Kaartje van Laimböck waarin wasinstructies in het Nederlands en Engels voor de Pigskinhandschoenen vermeld

Laimbock1

Laimböck in 1892/1894 op de Haarlemse kermis

Laimbock2.jpg

Advertentie van de Gebr. Laimböck  (Haarlem’s Dagblad, 15 augustus 1892)

Laim2

Beknopte geschiedenis Laimböck in Nederland  (1)

Laim3

Vervolg en slot geschiedenis Laimböck door Ruud Laimböck

 

 

Handelsmerk van Laimböck

Handelsmerk van Laimböck

reclame

Reclame uit de hoogtijdagen van de firma Laimböck; in 2016 is de firma, onderdeel van Modama, opgeheven.

Laimbock

                         Advertentie van handschoenenindustrie Laïmböck Berkenrode uit 1948

In 1946 kreeg Johann B.Laimböck toestemming van mevrouw Olga Ernestine Henriëtte van Eeghen (weduwe van Hendrik van Wickevoort Crommelin die van 1889-1939 leefde) om Berkenrode te huren. De heer Laimböck wilde hier zijn handschoenen-productie onderbrengen. Deze was toen nog gevestigd in Klein Berkenrode, waar de familie Laimböck tevens woonde. Op Berkenrode werd een productie opgezet onder de naam: Joh. Laimböck Jr. Handschoenenindustrie NV. De bedrijfsleider bij de onderneming was de heer J.B.de Wolf.  In de periode 1946-1965 waren er circa 150 medewerkers in het pand werkzaam.

Voorzijde overlijdenskaart van Johannes Bernardus de Wolf, ridder in de Orde van Oranje Nassau, 22 november 1975 overleden op de leeftijd van 59 jaar. Het is de laatste foto van J.B.de Wolf gemaakt begin november 1975 tijdens zijn verblijf op de Philippijnen

Voorzijde overlijdenskaart van Johannes Bernardus de Wolf, ridder in de Orde van Oranje Nassau, 22 november 1975 overleden op de leeftijd van 59 jaar. Het is de laatste foto van J.B.de Wolf gemaakt begin november 1975 tijdens zijn verblijf op de Philippijnen

Bericht uit de Heemsteedse Courant over het overlijden van J.B. de Wolf. De heer J.A.Bomans publiceerde voorts een in memoriam in de Koerier Kombinatioe.

Bericht uit de Heemsteedse Courant over het overlijden van J.B. de Wolf. De heer J.A.Bomans publiceerde voorts een in memoriam in de Koerier Kombinatie.

Voorzijde met portret van bidprentje ter nagedachtenis van J.B.de Wolf's broer mr. Andries de Wolf, geboren 21 april 1911 in Amsterdam en 3 augustus 1976 te Heemstede overleden. Na een studie aan de Vrije Universiteit en een baan in het organisatieleven was hij lange tijd docent aan het Lodewijk Makeblijde College te Rijswijk. Hij was goed bevriend met de familie Bomans, o.a. Godfried, en is begraven op het kerkhof 'Berkenrode' in Heemstede.

Voorzijde met portret van bidprentje ter nagedachtenis van J.B.de Wolf’s broer mr. Andries de Wolf, geboren 21 april 1911 in Amsterdam en 3 augustus 1976 te Heemstede overleden. Na een studie aan de Vrije Universiteit en een baan in het organisatieleven was hij lange tijd docent aan het Lodewijk Makeblijde College te Rijswijk. Hij was goed bevriend met de familie Bomans, o.a. Godfried, en is begraven op het kerkhof ‘Berkenrode’ in Heemstede.

Op een zeker moment werkten er 150 tot 200 mensen in het bedrijf van Laimböck aan de Herenweg in Heemstede

Op een zeker moment werkten er 150 tot 200 mensen in het bedrijf van Laimböck aan de Herenweg in Heemstede

De familie Laimböck en het personeel tijdens een jubileumviering op Berkenrode

De familie Laimböck en het personeel tijdens een jubileumviering op Berkenrode

Uitsnede foto jubileum met in het midden de heer en mevrouw Laïmböck, links hoofdinspecteur van politie Berentsen en rechts gemeentesecretaris N.Vos van Heemstede

Uitsnede foto jubileum met in het midden de heer en mevrouw Laïmböck, links hoofdinspecteur van politie Berentsen en rechts gemeentesecretaris N.Vos van Heemstede

Laim4

J.B.Laimbòck uit uitvinder: ‘marionet-vissen’ (1) 2005 RIX Hengelsport Lutten

Laim5

Vervolg van uitvinding door J.B.Laimböck: marionet-vissen. Uit: RIX Hengelsport LuttenEen bijschrift invoeren

 

 

Laim6

J.B. Laimböck overleden, 25 november 1966

 

overlijdensadv.

                                    Overlijdensadvertentie J.B.Laimböck, Het Vaderland 6-11-1930

Naast J.B.Laimböck was J.B. Wolf directeur. Hij overleed 22 november 1975 vrij plotseling, was zeer vroom, en is begraven de op de Godsakker Sint Bavo te Heemstede

De laatste foto van Johannes Bernardus (Jan) de Wolf kort voor zijn overlijden genomen tijdens zijn verblijf op de Filippijnen

In memoriam J.B.de Wolf; door J.A.Bomans (Heemsteedse Koerier, 26 november 1975)

Laimbock2

Laim7

Artikel van Marianne van Stekelenburg-Hasenbos: ‘Laimböck: van spijsoliedrager tot lederwaren-gigant’.  (Mode + Nieuws)

 

Na Amsterdam (met in 1882 twee zaken), opgericht door Franz Laimböck afkomstig uit Tirol zijn winkels geopend in Rotterdam, ‘s-Gravenhage-Scheveningen, Utrecht en Haarlem onder de firmanaam M.Laimböck aldus een brochure uit 1927 uitgegeven bij het gouden jubileum van de firma. Op 1 januari 1921 hebben de firmanten Fr.Laimböck, Kr.Laimböck en H.Laimböck de leiding over.

 

Laimbock3

                                                                 Laimböck als hofleverancier

Laim11.jpg

Voorbeeld van Laimböck luxe dames en heren handschoenen

Laimböck12.JPG

Voorbeeld van luxe lederen Laimböck tas (2015)

 

 

 

Ook in het thuiswerk werden veel handschoenen met de hand afgewerkt. In Nederland en vooral in België waren meer dan duizend thuiswerkers betrokken bij de productie. Aan de zuidgevel van het pand  – kamer oostzijde waren geen ramen op het zuiden. Dit was mode in 1800. Men wilde toen geen zon in de kamers laten komen wegens het verschieten van het behang en de meubelen. Deze ramen in de zuidgevel zijn in 1947 aangebracht. Tijdens de productie-periode bevond zich hier het kantoor. De coupeur – snij- en stansafdeling bevond zich op de tweede etage. Op de eerste verdieping waren de naaiateliers. Op de parterre de kantoren en de showroom gesitueerd in de Grote of Rode kamer, zo genoemd wegens het prachtige rode betengeld behang. De grote hal gaf het pand een indrukwekkende entree. In de periode 1946 tot 1979 is voornamelijk op Berkenrode geproduceerd. Daarna werd een groot deel van de productie overgebracht naar de Oostbloklanden vanwege de hoge loonkosten in Nederland. Inmiddels had de heer R.A.Th. (Ruud) Laimböck, na het overlijden van J.B.de Wolf, de leiding van het bedrijf overgenomen. Ook werd in de zeventiger jaren het assortiment uitgebreid met lederwaren, koffers etcetera. De nieuwe naam van de onderneming werd aangepast: Laimböck Handschoenen en Lederwaren NV. In 1985 is een Joint Venture handschoenen productie in Surabaja opgezet. Het gehele gerenoveerde machine-park werd vanuit Heemstede naar Indonesië verscheept. In 1984 heeft de heer R. Laimböck het pand aangekocht van de heer E.H.van Eeghen. In 1986 kreeg hij toestemming een nieuwbouw-vleugel te realiseren. Door de toegenomen handel had men onvoldoende ruimte voor het groeiende volume van de goederen. De ontwerpen van deze uitbreiding, alsmede de interne latere renovatie van het hoofdhuis kwamen van het architectenbureau Piet Koster te Heemstede. Het bestaande koetshuis werd geheel opgeknapt en als kantine ingericht. Deze werd geïntegreerd in de nieuwbouwvleugel. In 1987 is het hoofdhuis helemaal vernieuwd. Op de tweede etage werden de lage zware houten zolderbalken vervangen door solide stalen staanders. Hierdoor ontstond veel meer ruimte en hoogte. Ook de eerste verdieping werd geheel opgeknapt en hier zijn diverse kantoren gerealiseerd. Tevens is een lift in het pand gebouwd. Deze bevindt zich achter de zij-ingang, vandaar kan men de 1e en 2e etage bereiken. De ruime tweede etage met eigen directe toegang via de lift kwam in 1988 gereed. Daar het bedrijf deze verdieping voorlopig nog niet nodig had, is deze aan de SC groep van de heer Landheer verhuurd. In april 1989 overhandigde burgemeester O.R.van den Bosch aan de firma een oorkonde nieuwe stijl van ‘Hofleverancier’ hetwelk men heden ten dage nog heeft. Overigens mocht men al onder H.M. Koningin Moeder Emma en Koningin Wilhelmina de heraldieke wapens van ‘Hofleverancier’ voeren. In 1990 is ook de eerste etage aan de SC-Groep verhuurd. In 1991 werd door de directie besloten een alliantie aan te gaan met de Modana International Groep met als belangrijkste reden internationaal een sterkere positie te verkrijgen. Aldus werd in april 1992 Berkenrode na 46 jaar verlaten naar de bedrijfspanden van Modana in Hoofddorp. In 1992 heeft men het hoofdhuis geheel verhuurd aan de SC-Groep en nieuwbouw-vleugel aan de firma Schotte en Strijbis. In april 1997 heeft de heer Laimböck Berkenrode verkocht aan de heer Winnubst, die sedert 1995 onderhuurder van de SC-groep was. Oorspronkelijk afkomstig uit Het Oostenrijkse Tirol met een eerste winkel in 1831 te Scheveningen opgericht bestaat Laimböck na een fusie met Modana tegenwoordig nog altijd, geroemd om de kwalitatief hoogwaardige handschoenen.

laim10

Samenwerking Modana en Laimböck (Haarlems Dagblad, 16 oktober 1991)

 

Laimböck

Ondanks dat Modana en vervolgens in 2016 Vroom en Dreesmann intussen failliet zijn is anno 2016 in een etalage van V&D in de Gierstraat, links op de foto nog altijd een reclameplaat van Laimböck te zien.

 

Laimbock1

De heer Ruud Laimböck, foto uit Elsevier van 19 november 1988 bij een interview met Marijke Hilhorst.

Bericht over restauratie van historische klok uit 1742 op Berkenrode dankzij een gift van de historische vereniging.(Heemsteedse Koerier, 7-5-1986)

Bericht over restauratie van historische klok uit 1742 op Berkenrode dankzij een gift van de historische vereniging.(Heemsteedse Koerier, 7-5-1986)

Laim8

Laimböck vereerd met het predicaat Hofleverancier. Uit: Heemsteedse Koerier van 26 april 1989

Laim9.jpg

Burgemeester Van den Bosch en de heer Ruud Laimböck tijdens de overhandiging van de oorkonde nieuwe stijl op Berkenrode (foto Henk v.d.Ende, Heemsteedse Courant van 19 april 1989)

 

laim

Laimböck gaat na 60 jaar weg uit Heemstede (Heemsteedse Coourant, 28 februari 1992)

 

Artikel over Laimböck handschoenenmakers uit: Geef Noord-Holland de ruimte, januari 1978.

Artikel over Laimböck handschoenenmakers uit: Geef Noord-Holland de ruimte, januari 1978.

Vervolg van artikel over Laimböck uit: Geef Noord-Holland de ruimte, januari 1978.

Vervolg van artikel over Laimböck uit: Geef Noord-Holland de ruimte, januari 1978.

Vooroorlogse foto van huize Berkenrode

Vooroorlogse foto van huize Berkenrode

Oude prentbriefkaart van huize Berkenrode

Oude prentbriefkaart van huize Berkenrode

De huidige eigenaar en gebruiker van het pand Berkenrode in Heemstede is de heer Michiel J.H. Winnubst, directeur van de firma voor verpakkingmaterialen Nordex bv

De huidige eigenaar en gebruiker van het pand Berkenrode in Heemstede is de heer Michiel J.H. Winnubst, directeur van de firma voor verpakkingmaterialen Nordex bv

Vooromslag van gedenkboek International Transport Contractors ITC 1975-1998 door Henk de Winde, met kantoor gevestigd op Berkenrode

Embleem van ITC – intusssen verhuisd naar IJmuiden

========================================================

ARTiSTIEK WERK (PENTEKENINGEN, GRAVURESE.D.) VERVAARDIGD DOOR ENKELE LEDEN UIT HET GESLACHT VAN WICKEVOORT CROMMELIN (van Wildhoef en Berkenrode)

Werk van Wickevoort Crommelin Aangekocht via veiling Bubb Kuyper 22 mei 2015

Werk van Wickevoort Crommelin Aangekocht via veiling Bubb Kuyper 22 mei 2015

 Mr. Jan Pieter Adolf van Wickevoort Crommelin, geboren Amsterdam 16 juni 1798, overleden Bloemendaal, huize ‘Wildhoef, 15 september 1874, huwde te Amsterdam 20 januari 1825 Cornelis Willink, overleden in 1869.

 Anspach

 Jan Pieter Adolf van Wickevoort Crommelin (1798-1874) was o.a. burgemeester van Berkenrode van 1823-1835. Portret toegeschreven aan Johannes Anspach (Iconografisch bureau RKD)

In de tuin van Wildhoef (Bloemendaal), aquarel door J.P.A.van Wickevoort Crommelin, 1815

In de tuin van Wildhoef (Bloemendaal), aquarel door J.P.A.van Wickevoort Crommelin, 1815

Pentekening door J.P.A.van Wickevoort Crommelin, 1815

Pentekening door J.P.A.van Wickevoort Crommelin, 1815

Pentekening J.P.A.van Wickevoort Crommelin, 1815

Pentekening J.P.A.van Wickevoort Crommelin, 1815

Tuinhuis. Pentekening van J.P.A.van Wickevoort Crommelin (1798-1874)

Tuinhuis. Pentekening van J.P.A.van Wickevoort Crommelin (1798-1874)

Wick1

                                Tekening van J.P.A.van Wickevoort Crommelin (1798-1874)

Wick2

                    Tekening van J.P.A.van Wickevoort Crommelin

Wick3

    Tekening van J.P.A.van Wickevoort Crommelin

Wick4

                     Tekening van J.P.A.van Wickevoort Crommelin

 vr.Jan Pieter van Wickevoort Crommelin, geboren Haarlem 22 februari 1830, overleden Haarlem 19 oktober 1891, huwde te Heemstede 5 januari 1854 Gonda Susanna Margaretha van Lennep (1825-1892)

Pentekening van J.P.van Wickevoort Crommelin uit 1839

Pentekening van J.P.van Wickevoort Crommelin

Tekening van J.P.van Wickevoort Crommelin, 10 april 1843

Tekening van J.P.van Wickevoort Crommelin, 10 april 1843

Litho van J.P.van Wickevoort Crommelin uit 1845

Litho van J.P.van Wickevoort Crommelin uit 1845

 

Tekening van J.P.van Wickevoort Crommelin (arcadisch gezicht Duitsland), 16 juni 1846

Tekening van J.P.van Wickevoort Crommelin (arcadisch gezicht Duitsland), 16 juni 1846

Wik3

Tekening van J.P.van Wickevoort Crommelin

Wik4

Tekening van J.P.van Wickevoort Crommelin, 16 juni 1815

Wik5

Tekening van J.P.van Wickevoort Crommelin, 15 juni 1844

wik6

Tekening van J.P.van Wickevoort Crommelin

JP

Schilderij met portret van J.P.van Wickevoort Crommelin (1830-1891) in Museum Naturalis, Leiden

=============

P.G.van Wickevoort Crommelin

Wik1

Tekening van P.G.van Wickevoort Crommelin, 1840 (te vergelijken met tekening van Hester van Wickevoort Crommelin uit 1848)

Wik2

                                    Tekening  van P.G.van Wickevoort Crommelin, 1842

Hester Johanna van Wickevoort Crommelin, geboren Haarlem 8 oktober 1833, overleden Arnhem 5 maart 1911, huwde te Bloemendaal 3 november 1864 Anthony Francois Willink, geboren Amsterdam 10 januari 1825 overleden Amsterdam 29 oktober 1892

Kindertekening van Hester van Wickevoort Crommelin, 15 augustus 1839

Kindertekening van Hester van Wickevoort Crommelin, 15 augustus 1839

Tekening van Hester van Wickevoort Crommelin, 10 juni 1848.

Tekening van Hester van Wickevoort Crommelin, 10 juni 1848.

Hester1

                     Tekening van Hester van Wickevoort Crommelin

Hester2

                      Tekening van Wildhoef door Hester van Wickevoort Crommelin

Hester3

                               Tekening van Hester van Wickevoort Crommelin, 13 augustus 1847

Willem Philip van Wickevoort Crommelin, geboren Amsterdam 4 december 1836, overleden Amsterdam 29 januari 1910

Tekening van de ruïne van Brederode door Willem Philip van Wickevoort Crommelin, 1896

Tekening van de ruïne van Brederode door Willem Philip van Wickevoort Crommelin, 1896

klooster

Kloster Limburg door Willem Philip van Wickevoort Crommelin

===============================

SCHILDERIJEN VAN CORNELIS JULIUS VAN WICKEVOORT CROMMELIN (1868-1910)

Crommelin

Schilderij van C.J.van Wickevoort Crommelin (1868-1910): Landschap met boerderijen aan het meer. (Geveild bij CATAWIKI). Cornelis Julius van Wickevoort Crommelin was kunstschilder en telg uit een tak van het echtpaar Henry Samuel Crommelin (1660-1732) en Jacoba Sophia van Wickevoort Crommelin (1674-1732) voegde in 1711 de naam van zijn moeder toe aan die van zijn vader. Hieruit ontstond de tak Van Wickevoort Crommelin. De aangetrouwde familie Van Wickevoort was afkomstig uit Sint-Michielsgestel, verhuisde in de 16de eeuw naar Antwerpen en later naar Amsterdam. De familie Van Wickevoort Crommelin afkomstig uit Haarlem bezat de heerlijkheid Berkenrode.

cornelis1

Molens aan het Haarlemmermeer door C.J.van Wickevoort Crommelin 1899 (artnet)

Cornelis2

Molen aan het Spaarne (?) door C.J.van Wickevoort Crommelin (artnet)

van Wickevoort Crommelin, Cornelis Julius, 1868-1910; A Dutch Windmill

van Wickevoort Crommelin, Cornelis Julius; A Dutch Windmill; National Trust, Calke Abbey; http://www.artuk.org/artworks/a-dutch-windmill-169398

=======================================================================

 

 

In 2002 verschenen boek over Berkenrode; door Hans Krol en Ted van Turnhout, uitgegeven door de firma Nordex.

In 2002 verschenen boek over Berkenrode; door Hans Krol en Ted van Turnhout, uitgegeven door de firma Nordex.

Koepel van Berkenrode aan de Herenweg Heemstede

Koepel van Berkenrode aan de Herenweg Heemstede

Berk

Helicopterview van Berkenrode/Westerduin aan de Herenweg in Heemstede

Scan1542

 

‘Hakhout rond Berkenrode’ ets door Willem Snitker, uit Zegepralend Kennemerland.

Exif_JPEG_PICTURE

Buiter

Johan Buiter, huismeester, hovenier etc. van landgoed Berkenrode. Uit: Ode aan Heemstede, 1915 (foto Charlotte Tonino)

Berkenrode

Situering van landgoed Berkenrode en het Overbos (uitsnede van Natuurkaart Heemstede)

Berkenrode.jpg

Artikel over heden en toekomst van Bekenrode door John Oomkes uit het Haarlems Dagblad van 19 juli 2017

BERKENRODE – LANDGOED EN HEERLIJKHEID HANS  KROL EN TED VAN TURNHOUT

Uitgeefmaatschappij: Winhold B.V.
Uitgave in opdracht van Nordex B.V., Berkenrode
ISBN ….
Samenstelling: Ted van Turnhout
Gebonden, harde kaft, stofomslag, geïllustreerd
Voorplat: Foto van Berkenrode (recent)
met daarbij (klein in vaag-contour) Slot Berkenrode
Achterplat: Sfeerfoto van het Landgoed met wervende tekst
Flappen: Flaptekst (wisselteksten) van onderscheidene
intekenaren/bedrijven/kantoren op Berkenrode.

INHOUDSOPGAVE BOEK

Inhoud boek BerkenrodeHeerlijkheid Landgoed en Huis . 2002

Teksten van de  geïnterviewden: Gerard Draijer, Mies Bouwman, Riek Schuitemaker-Schuurmans,  Ruud Laimböck, Ernst Henri van Eeghen, Dr. Albert van Solms, Michiel Winnubst, Johan Buiter

Gerard Draijer

Intro

 

 

Gerard Draijer is geboren op Knapenburg en woonde lange tijd op deze naast het Landgoed Berkenrode gelegen boomkwekerij/hovenierderij van de fa. Draijer. Het interview betreft gegevens over het Landgoed, de Heerlijkheid, het (Grote) Huis Berkenrode en de vroegere Hofstede Knapenburg vanaf de jaren dertig tot vijftig van de twintigste eeuw.

Interview

Mijnheer Draijer, u hebt een groot deel van uw jeugd op ‘Knapenburg’ gewoond. Deze Hofstede behoorde vroeger tot het Landgoed en de Heerlijkheid Berkenrode. Ik heb begrepen dat de naam Knapenburg nog steeds bestaat, hoewel het laatste herenhuis met die naam begin vorige eeuw is afgebroken.

De Hofstede Knapenburg lag inderdaad binnen de Heerlijkheid Berkenrode, zo ongeveer tussen de Herenweg en de Leidsevaart, maar de juiste grenzen zijn mij niet bekend. In mijn jeugd stond er aan de Herenweg ter hoogte van nr. .. een groot wit huis met langs de weg een toegangshek met twee stenen kolommen waarop de tekst ‘Knaapen’ en ‘Burg’ stond. Daar woonde een zekere majoor Kruit, een gepensioneerde KNIL-officier uit het toenmalige Nederlands-Indië.

Knapenburg moet wel wat groter zijn geweest dan dat oude huis alleen, dacht ik. Want het aloude Knapenburg was – volgens de legende – een versterkte woning, waar de Knapen – de nog niet geridderde jongelingen – van Kasteel Berkenrode woonden. Rond 1750 werd dat afgebroken en op die plek kwam een nieuw huis dat daar tot 1909 heeft gestaan. De woning van majoor Kruit moet dan het derde huis op die plek geweest zijn. Ook dat huis is inmiddels afgebroken, zo ook de stenen kolommen langs de Herenweg. En de naam Knapenburg?

Knapenburg was ooit zo’n 12 hectare groot en het lag letterlijk binnen de Heerlijkheid Berkenrode, dat niet alleen een groot gebied ten westen van de Herenweg omvatte, maar ook was uitgebreid met het ‘Overbosch’ aan de overkant van de Herenweg, toen nog de ‘zandweg van Haarlem naar Hillegom’ geheten. Dat bos liep helemaal door tot de blekerijen aan de huidige Blekersvaartweg. Later zijn delen daarvan weer verkocht en dat gold zowel voor Berkenrode als Knapenburg.
Het moet zo rond 1920 zijn geweest toen mijn vader een stuk land van ongeveer 1 hectare kocht van het oorspronkelijke Knapenburg. Dit terrein was ten westen van de Herenweg achter een aldaar gebouwde rij villa’s. Samen met het aan de noordzijde gelegen terrein van majoor Kruit, dat ongeveer een halve hectare bedroeg, was dit het laatste stuk grond wat van Knapenburg nog restte. Op ons perceel stond nog een oud huis, waarschijnlijk de woning van een tuinbaas die dat stuk land had bewerkt.
Voordat het gezin Draijer daar kon gaan wonen moest er het nodige worden verbouwd en ook elektriciteit en waterleiding worden aangelegd. Dat het huis al enkele eeuwen oud was, zag je aan de dikke muren en aan de zware balken van het plafond op de begane grond.
Wij hebben weleens nabij de woning wat gegraven en vonden daar oude funderingen van vroegere bebouwing.
In historische geschriften wordt melding gemaakt van stallen, schuren en betimmeringen op Knapenburg. In deze context is het wel interessant het verslag van een makelaar te lezen, toen het oude Knapenburg op 16 september 1844 ter veiling kwam. Daarin staat: “De kapitale, aanzienlijke en alleraangenaamst gelegen Hofstede Knapenburg met desselfs wel onderhouden Herenhuising, koetshuis, stalling voor hoornvee en paarden, Tuinmanswooning, oranjerie, koepel, boomgaarden, moes- en broeituinen met kapitalen kasten, kribben en bakken. Mitsgaders de in grootschen stijl, smaakvol aangelegde overplaats, mede genaamd Knapenburg. Met hoog geboomte, lanen, bosschen, boomgaarden, moes- en broeituinen, teelgronden, grasparken, beek en waterwerken en een vinkenbaan. Dit alles in één koop.”
‘Tuinmanswooning’ staat hier met een hoofdletter geschreven. Een vooruitziende blik, want dat huis is het enige dat nog van het oude Knapenburg is overgebleven en het wordt nog steeds bewoond door de familie. Op het nog resterende terrein van de voormalige kwekerij worden nu bungalows gebouwd.

Behalve het Landgoed Berkenrode was Knapenburg dus een laatste stukje Heerlijkheid?

De Hofstede Knapenburg heeft volgens een omschrijving uit 1781 gelegen aan de Herenweg, tussen ‘Huize van Berkenrode’ en de Roomse Kerk. Dat klopt, want aan de zuidkant van mijn vaders terrein – waar later een Broederhuis stond – heeft vroeger een katholieke kerk gestaan. Tot aan de Franse bezetting van Nederland in de 19e eeuw was het openlijk belijden van de roomse godsdienst verboden, maar werd in Holland wel getolereerd. Naast de roomse kerk lag een begraafplaats. Die is waarschijnlijk van na de Franse tijd, anders had men voor de aanleg daarvan beslist geen toestemming gekregen.
Berkenrode was een katholieke enclave in het protestantse Holland en is dat tot ver in de twintigste eeuw ook gebleven. De oude van oorsprong katholieke kerk in Heemstede werd sinds de reformatie voor protestantse kerkdiensten gebruikt. Nicolaas Beets was daar nog predikant. De voormalige kerk werd afgebroken toen de Heilige Bavo-kerk daarvoor in de plaats kwam. Deze nieuwe parochiekerk was een z.g. waterstaatkerk, en werd aan de overzijde van de Herenweg gebouwd. De RK Parochie Berkenrode kreeg daar een groot stuk terrein in haar bezit. Achter de parochiekerk met pastorie lag de katholieke begraafplaats en een stuk bos. Daar weer achter het klooster voor de zusters Franciscanessen, die vele jaren het onderwijs op de ernaast gelegen meisjesschool en kleuterschool verzorgden.
Aan de westzijde langs de Herenweg had de parochie ook nog grond, daarop stonden het R.K.Verenigings-gebouw, de St. Joseph lagere school en een woonhuis. Maar over de kwaliteit van het onderwijs op deze jongensschool was men niet zo tevreden. Later, in het begin jaren dertig, kwamen er voor het onderwijs voor de jongens de Broeders van St. Johan Baptiste de la Salle uit Baarle Nassau naar Heemstede. Er was toen nog voldoende ruimte op dit terrein voor de bouw van een Broederhuis en de Henricus Mulo/Ulo,
Achter al deze gebouwen lagen twee sportvelden van de katholieke voetbalclub HBC, ontstaan in 1917 door een fusie tussen de voetbalverenigingen Heemstede en Berkenrode. Het ‘eerste’ voetbalveld beschikte eind jaren dertig over een overdekte tribune en twee staantribunes. De kleedkamers stonden tegen het verenigingsgebouw aan. Dan was er het tweede of oefenveld, maar meestal liepen daar schapen.
Naast verschillende sportactiviteiten, waaronder atletiek, werden op het voetbalveld ook typisch katholieke manifestaties gehouden. En af en toe in de verkiezingstijd bijeenkomsten van de Rooms Katholieke Staatspartij, waar o.a. het kamer- en statenlid Bomans sr. het woord voerde.
Alles keurig in katholiek verband, dus binnen de eigen zuil.

Werd er dus gevoetbald boven de graven van oud-Berkenrodianen ?

Nou, dat niet direct. Zoals gezegd had mijn vader op het voormalige Knapenburg een stuk terrein gekocht dat grensde aan het gebied waarop vroeger de kerk stond en een begraafplaats was geweest. Het kerkgebouw was toen al afgebroken en de begraafplaats geruimd; maar dat was nogal slordig uitgevoerd. Dat braakliggende stuk land kon mijn vader erbij huren voor gebruik als boomkwekerij. Daarvoor moest de grond diep worden omgespit. Voor de werklieden die dit uitvoerden was dit nogal onaangenaam werk. Want bij het spitten kwamen nogal veel beenderen en zelfs schedels naar boven. Er waren daar natuurlijk veel katholieken begraven; mensen die in en om Berkenrode hadden geleefd en gewerkt.
Mijn vader heeft toen alle opgraven restanten naar de nieuw aangelegde begraafplaats van de Heilige Bavo-kerk laten brengen. Maar daar wilden ze deze stoffelijke resten niet hebben. Er zat toen niets anders op dan op de plaats van het oude kerkhof een grote kuil te graven en daar de restanten opnieuw te begraven. Op die locatie kwam later het Broederhuis, de broeders woonden letterlijk boven een begraven stukje historie van Berkenrode.

Dit alles bevond zich buiten de toenmalige grenzen van het Landgoed Berkenrode. Maar u heeft toch ook wel herinneringen aan het landgoed zelf.

Jazeker. Dit landgoed, wij noemden het de buitenplaats Berkenrode, begon aan de overzijde van de sloot die bij ons achter het woonhuis lag en strekte zich uit in het westen tot aan het bos langs de Leidsevaart. Het was een groot terrein, met daarop een moestuin met een boomgaard, weilanden die aan een boer verpacht waren en waar koeien graasden, en een stuk grond nabij ons huis waar een groentenkweker op zat. Er liepen verschillende sloten en slootjes langs en door de buitenplaats, die weer in verbinding stonden met de slotvijver in het bos en ook met de Leidsevaart.
In die jaren was de buitenplaats in het bezit van de heer Van Wickevoort Crommelin en we spraken dan ook van ‘het bos van Crommelin’.
De enige ingang van Berkenrode was aan de Herenweg. Daar stond een rond gevormd gebouwtje, een soort prieel, met daar rechts van het huis van de familie Bomans. Oorspronkelijk heette dit laatste Huize Westerduin, maar het werd in de loop der tijd ‘Huize van Berkenrode’ genoemd, en later Berkenrode, of ook wel ‘het huis van Bomans’.
Aan de overkant van de Herenweg lag het ‘Overbosch’, dat toen ook tot het Landgoed Berkenrode behoorde. In het noorden werd dit stuk bos geflankeerd door ‘Huize Kennemeroord’ en in het zuiden door ‘Huize Kennemerduin’, beide vernoemd naar voormalige buitenplaatsen.

Maar in de crisisjaren waren die pauwen waarschijnlijk gauw verdwenen.

Nee, die pauwen bleven daar rustig lopen tot aan het begin van de oorlog, maar ja, daarna werd alles anders. In de crisisjaren was er grote werkloosheid en honger en armoede, vooral onder de arbeiders. Rond Berkenrode woonden relatief veel mensen met een vast inkomen, daardoor was de parochie van St.Bavo in die jaren naar verhouding nog redelijk welvarend.
Er kwam pas verbetering in de slechte economische situatie toen onder de toenemende oorlogsdreiging het Nederlandse leger in 1939 werd gemobiliseerd. Veel werklozen werden soldaat. Ons leger benodigde allerhande zaken en veel scholen en gebouwen werden gevorderd voor de legering van soldaten. Zo kwam het dat er in de grote of toneelzaal van het verenigingsgebouw tijdens de mobilisatietijd uit Friesland afkomstige militairen werden gelegerd.

En toen brak de Tweede Wereldoorlog uit. Hoe is Berkenrode daar doorheen gekomen?

Bij het uitbreken van de oorlog werden de militairen, die in het Verenigingsgebouw gelegerd waren, met veel succes ingezet tegen Duitse parachutisten rond het vliegveld Valkenburg. Wel waren er aanzienlijke verliezen; een bus met militairen kreeg zelfs een voltreffer. Na de capitulatie werden de Nederlandse militairen gedemobiliseerd en kwamen er Duitsers in het Verenigingsgebouw. Ook de Mulo is lange tijd bezet geweest, terwijl Duitse officieren gelegerd werden in villa’s rond Berkenrode en in Huize Kennemerduin.
Van het voetbalveld van HBC maakten de Duitsers een militair exercitieterrein. Later zijn de tribunes afgebroken, kwamen er twee grote betonnen bunkers en verspreid over het terrein zogenoemde eenmansgaten. Rondom Haarlem en Heemstede kwam een verdedigingslinie, ook langs de Leidsevaart. Zo groeven de Duitsers in het bos van Crommelin loopgraven en was Berkenrode enige tijd een onderdeel in de Atlantikwall. Gelukkig voor de bewoners is dit gebied nooit direct bij oorlogshandelingen betrokken geweest.
Voorzover ik weet zijn er op de buitenplaats Berkenrode, en in het huis van de familie Bomans, gedurende de bezetting geen Duitse soldaten of officieren gelegerd geweest. Wel werden er tijdelijk verschillende evacuees in ondergebracht.

Weet u nog welke evacuees op Berkenrode en in het grote huis van Bomans waren ondergebracht?

Het Noord-Hollands kustgebied, dus vanaf het strand tot ver achter de duinen, was ‘Sperrgebiet’. Voor de bewoners uit de daar gelegen plaatsen betekende dit een gedwongen verhuizing, veelal tot ver in het achterland. Een beperkt aantal evacuees mocht in de buurt van de kust blijven wonen. Een aanzienlijk aantal werd naar Heemstede geëvacueerd. In het huis op het landgoed zijn gedurende de oorlog verschillende families ondergebracht, zoals de familie Bouwman met onder anderen dochter Mies. Naast deze planmatige ontruimingen moest ook rekening gehouden worden met nood-evacuaties in geval van directe oorlogshandelingen. Daarvoor was elke gemeente in blokken verdeeld, met ieder een blokhoofd. Alle bewoners kregen schriftelijke instructies voor het geval van een nood-evacuatie.

(Illustratie: Circulaire, uitgegeven door de burgemeester van Heemstede 18-01-1944, met instructies voor de burgerbevolking hoe te handelen bij nood-evacuatie.)

In 1944 werd het Broederhuis door de Wehrmacht gevorderd. Een aantal van hen ging naar familie, de overige broeders vonden overdag onderdak in het grote huis van Bomans en sliepen ’s avonds bij particulieren. Van een bevriende boer kregen zij die zomer een koe in bruikleen voor de melk, mits zij het dier zelf verzorgden. Een van de broeders wist wel hoe je een koe moest melken en nam die dagelijkse taak op zich. Hij werd al gauw broeder-koe genoemd en ik herinner me dat er altijd een meisje aan zijn hand meehuppelde. De bruikleen-koe stond ’s nachts bij ons in een schuur achter op de kwekerij.

Dat najaar was er naar verluid een V-1 blindganger naast de kerk ingeslagen. Werden het landgoed en de huizen op Berkenrode nog beschadigd door het tot ontploffing brengen van deze V-1?

Nee, voor Berkenrode liep dat goed af. Wel was half Heemstede tijdelijk geëvacueerd. Een Duitse bommenwerper raakte boven Heemstede in moeilijkheden en wierp zijn V-1 af. Deze kwam terecht in de Kerklaan, vlak voor de deur van de familie Kramer die net aan tafel zaten. Gelukkig voor hen ontplofte de V-1 niet. Toen een van de zoons ging kijken, zag hij naast de voordeur nog net het staartstuk uit de grond steken. Volgens zoon Kramer zei zijn vader toen hij dit meldde: “Eerst maar afeten, daarna krijgen we het nog druk genoeg!”
Op 15 november 1944 werd deze V-1 tot ontploffing gebracht. Dit zorgde op de plek zelf en in de directe omgeving voor grote schade, zoals aan de Heilige Bavo-kerk die hierdoor maanden buiten gebruik bleef.

 

Het was ook de tijd van de Duitse razzia’s. Werden er op Berkenrode en Knapenburg nog mensen opgepakt?

Bij de razzia’s op 6 december 1944 werd het gehele door verdedigingswerken omsloten gebied van Haarlem en Heemstede afgezet. Samen met mijn twee broers die thuis waren, zochten we een schuilplaats in de loopgraven op het landgoed Berkenrode. Daar zouden de Duitsers op die dag beslist niet gaan zoeken. Maar de broeders op Berkenrode waren minder fortuinlijk. Zoals velen moesten ze onder militaire bewaking naar de verzamelplaats bij het station Haarlem lopen. Toen ze daar in een rij stonden, duidelijk herkenbaar aan hun lange zwarte rok en de specifieke hoed, kwam iemand van de Grüne Polizei op hen af, en dat betekende vaak weinig goeds. Hij haalde de broeders uit de rij, stelde hen op in een colonne en marcheerde ze af…. richting Heemstede, naar Berkenrode zoals later bleek.
Duidelijk een ‘goede Grüne’ die vond dat geestelijken niet zo op transport mochten worden gesteld. Na aankomst op Berkenrode deed hij zijn koppel af, ging zitten en vroeg iets te drinken. Dat werd zoals toen gebruikelijk een kop theesurrogaat.
Later bleek dat deze Jupp Henneböhl in Amsterdam was gelegerd en via een vriend de ondergrondse regelmatig waarschuwde over komende razzia’s. Hij werd een goede huisvriend van de broeders en trouwde na de oorlog met een Nederlandse verzetsvrouw.
Kort voor de kerstdagen van 1944 werd het Broederhuis weer door de Wehrmacht ontruimd en mochten de broeders terugkeren. Het Verenigingsgebouw, de Mulo en Huize Kennemerduin bleven nagenoeg de hele oorlog bezet en kwamen pas weer beschikbaar toen de Canadezen in mei 1945 in Heemstede arriveerden. Het Landgoed Berkenrode is van oorlogshandelingen gespaard gebleven. Wel zijn er in de winter 1944/45 in het bos nogal wat bomen gekapt, als brandstof voor warmte en om voedsel op te koken.

En in dat bos kwam u natuurlijk wel? Of mocht dat niet? Als jonge knaap moest zo’n bos u wel aantrekken, lijkt me.

Ja dat was nog voor de oorlog. Uiteraard keek je weleens over de schutting als je naast zo’n mooi en groot landgoed woonde. Langs ons terrein en de aangrenzende weilanden liep een sloot met aan de overkant het landgoed. Daar was eerst een groene strook, dan een schutting en daarachter een stuk terrein waar in die tijd een groentenkweker op zat. Het was natuurlijk heel aantrekkelijk om de sloot over te steken, vooral met het oog op de fruitbomen die langs de sloot stonden.
Ik weet nog goed dat we met vriendjes een vlot hadden gebouwd om de vrij brede sloot over te steken. Toen het zover was, verscheen daar de tuinbaas en ging het feest niet door.
In de winter als er ijs lag was het een mooi traject om te schaatsen. Via de bevroren sloten kon je bij de vijver in het bos komen. Daar mocht geschaatst worden, en daar kwamen veel schaatsliefhebbers op af. Vroor het streng, dan kon je ook vanaf de Leidsevaart de vijver bereiken. Zo kon je van dichtbij het ‘geheimzinnige’ eiland zien. We waren wel nieuwsgierig, maar de geboden gasvrijheid liet niet toe van het ijs af te stappen om het eiland te gaan verkennen. Van Wickevoort Crommelin stond toe dat er op de vijver en langs het landgoed geschaatst mocht worden, maar je moest je dan wel aan de regels houden.

Maar dat eiland moet toch wel de fantasie van menige jeugdige schaatser geprikkeld hebben. Er had toch ooit een kasteel gestaan!

Nou en of! Op school deden daarover spannende verhalen de ronde. In Heemstede is in de late Middeleeuwen flink gevochten. Witte van Haemstede… Slag bij het Manpad. En dan nog ridders op Kasteel Berkenrode. Van de wat oudere jongens hoorde je dat er vanaf het eiland in de vijver een vluchtgang moest lopen, een tunnel om te kunnen ontsnappen als het kasteel belegerd werd. Een mooi verhaal dat je, zelf ouder geworden, weer aan jonge scholieren doorvertelde. Maar waar die tunnel gelopen moest hebben, werd er niet bijverteld.
Daarover had ik wel zo mijn fantasieën. In die tijd bracht ik in onze buurt een kerkblaadje van de Heilige Bavo-parochie rond en kwam derhalve ook op Berkenrode bij het huis van de tuinbaas. Op het weiland langs de route die ik wekelijks moest lopen stond een geheimzinnig soort bouwwerk. Het leek op een serre. Daar zou die vluchtgang weleens naartoe gelopen kunnen hebben. Ook bevond zich op het landgoed een ander geheimzinnig bouwwerkje naast een sloot die we ‘de CoCo’ noemden. Het ging om een grafsteen met die naam erop. Hier was ooit het lievelingspaard van een der Crommelin’s begraven. En op die grafsteen stond een nogal vreemde tekst over dat paard. Allemaal heel mysterieus…

Dr. Albert van Solms

Intro

Dr. Albert van Solms verbleef tijdens zijn studietijd enkele jaren op kamers in de buurt van het Landgoed Berkenrode. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog verhuisde hij met zijn ouders naar Spanje, waar hij zijn studie biologie afmaakte en ook bleef wonen. Op Berkenrode ontmoette hij vele keren medestudent Godfried Bomans, met wiens naam hij pas zo’n halve eeuw later weer geconfronteerd werd.

Interview

Allereerst wil ik u hartelijk danken dat u mij één dag voor vertrek naar warmere streken wilt ontvangen. Ik heb begrepen dat u in Spanje woont.

Ja dat klopt. Sinds mijn emeritaat woon ik in het zuiden van Spanje, waar de zon wat meer schijnt dan hier, en dat is goed voor mijn oude botten.

In ons telefoongesprek van verleden week spraken we voornamelijk over Berkenrode. Ik was verrast door uw achternaam. In Godfried Bomans’ jeugdwerk ‘Erik of het klein insectenboek’ vinden we uw naam terug in ‘Solms Beknopt Natuurkundige Historie’. Het boek waaruit de kleine Erik zijn kennis van de insecten opdeed. Daarover wil ik graag wat meer weten, en ik denk vele Bomans-adepten met mij.

Allereerst moet ik u bekennen dat ik door mijn lange verblijf buiten Nederland pas weer zo’n vijf jaren geleden over Bomans heb gehoord, toen ik bij een zuster van mij logeerde. Daar las ik de biografie ‘Godfried 1913-1945’ van Michel van der Plas, en later ook een zoveelste druk van ‘Erik’. Natuurlijk heb ik geglimlacht toen ik las, dat ene Solms een ‘Beknopt Natuurkundige Historie’ had geschreven. Vandaar natuurlijk uw vraag.
Door die biografie van Michel van der Plas heb ik een gedegen indruk gekregen van de mens en auteur Godfried Bomans. Ik heb de jonge Godfried Bomans wel eens ontmoet, toen ik in Heemstede op kamers woonde en biologie studeerde. Het gezin Bomans woonde op Berkenrode, een groot huis aan de Herenweg. Bomans senior zat in de politiek. ’s-Zondags zag je de familie vaak in optocht de Heilige Bavo-kerk binnenkomen, de vader voorop. Hij was een van de notabelen, die hadden toen nog speciale plaatsen in de kerk aan de Herenweg.
Ik wil hier meteen iets aan toevoegen. Bomans senior is er in de geschriften van Godfried niet goed afgekomen, heb ik begrepen. Hij zou een strenge, niet-warmhartige man zijn, die weinig ophad met Godfried’s schrijverij. Nochtans is hij in mijn herinnering een vriendelijke man, die op zijn tijd ook geestig kon zijn. Zijn politieke redevoeringen waren altijd wel erg retorisch en saai.
En wat Godfried betreft wilde ik ook wel eens weten hoe het met diens grote wens is afgelopen om sprookjes te gaan schrijven, ‘Erik’ en zo.

‘Erik’ een sprookje?

Ja, waarom niet! Maar nu eerst het antwoord op uw vraag over ‘Solms Beknopt Natuurkundige Historie’. Op dit punt moet ik u teleurstellen. Hoewel de daarin beschreven insecten ongetwijfeld echt zijn, is ‘Solms’ waarschijnlijk toch een fictief boek. Mijn publicaties zijn van latere datum. Deze bekentenis schokt u mogelijk, maar uw bezoek is echt niet voor niets, want in die tijd heb ik op zekere dag wel kennisgemaakt met de jongen die naar mijn overtuiging model heeft gestaan voor Erik, de hoofdpersoon in ‘Het klein insectenboek’ van Godfried Bomans.

Weet u nog wie dat was en waar dat zich afspeelde?

Het verhaal dat ik u nu ga vertellen, vond ik destijds zo interessant dat ik er aantekeningen van heb gemaakt. Misschien kon ik die nog eens gebruiken, heb ik toen waarschijnlijk gedacht. Deze notities heb ik kort geleden teruggevonden en om reden dat het mijn bijzondere interesse had, heb ik ze nog eens goed gelezen. Dat komt nu goed van pas.
Het was in 1938 en – ook al zeg ik dit nu zelf – ik was toen een jonge, enthousiaste en ijverige student. Vanwege mijn studie kwam ik graag in de omgeving van Berkenrode, omdat daar – biologisch gesproken – nog veel te zien was. Mijn interesse voor details trok de aandacht van genoemde jongen. Hij vroeg mij of ik ook een schrijver was. De jongen, laten wij hem voor de eenvoud maar Erik noemen, vertelde dat hij op dezelfde plek, waar ik toen stond, Godfried Bomans had ontmoet. De toen nog jonge Bomans kwam daar regelmatig. Erik’s moeder had hem daarover verteld en gezegd dat die mijnheer, die daar wel eens wandelde, vooral niet mocht worden gestoord. Godfried Bomans was toen als schrijver nog nauwelijks bekend. Toch werd mijn nieuwsgierigheid gewekt en vriendelijk vroeg ik de jongen zo het een en ander. Er volgde een toch wel boeiend verhaal, met aardige details over de jonge Godfried.

U maakt mij nu heel nieuwsgierig.

In de eerder genoemde biografie van Michel van der Plas kunt u lezen dat Godfried Bomans, die toen in Amsterdam studeerde, zijn vakantietijd gebruikte om te schrijven. Hij zocht een stille plek buiten het grote woonhuis, waar hij rustig kon nadenken en notities maken. Niet ver van Berkenrode vond hij een lommerrijk pad dat van nergens naar nergens liep, gelegen naast een grote tuin. Van de eigenaar – Erik’s vader – kreeg hij toestemming daar naar wens te vertoeven.

Dat boek waaraan Godfried in die tijd werkte was zeker Pieter Bas?

Ja, dat is correct. Een oudere broer van Erik, die wel eens een praatje met Godfried maakte, heeft me dat een keer verteld.
Het verhaal van het jongetje Erik speelde zich dus af nabij een lommerrijk pad aan de rand van een grote tuin, met veel bomen en planten. Erik had daar een stukje grond als tuintje, waar hij naar hartelust kon graven, zaaien en planten. Zijn eigen domein. Op een middag in de zomer van 1935, toen Erik daar zo bezig was, stond de jonge mijnheer Bomans onverwacht naast hem. Deze was onopvallend aan komen wandelen. Bomans vroeg aan Erik of die het goed vond dat hij daar even ging zitten. Erik vond het prima en ging door met spitten.
Godfried Bomans maakte het zich gemakkelijk in een handkar die daar stond, welke hij waarschijnlijk al eens eerder als zitplaats had gebruikt. Hij zat daar peinzend voor zich uit te staren, een pijp in de mond. Opeens vroeg hij Erik wat die aan het doen was. Deze vertelde over zijn tuintje in aanleg, en wat je bij het spitten in de grond zoal aan diertjes tegenkwam. Godfried hurkte naast Erik, en samen keken zij naar wat er allemaal kroop en krioelde.
Waarschijnlijk had mijnheer Bomans daar nooit veel belangstelling voor gehad, zei Erik me, maar toen boeide het hem toch wel. Er bewoog van alles op en in de grond, kevertjes en torren in verschillende grootte, een duizendpoot, lieveheersbeestjes en ga zo maar door. Zo zagen zij een worm kruipen. Je weet nooit wat nu de voor- of de achterkant is, zei Erik, nu kruipt die worm naar rechts, maar als ik er met mijn vinger tegen stoot, dan kruipt dat beest ineens naar links. Is dat nu achteruit of vooruit? En als je per ongeluk een worm middendoor steekt bij het spitten, kruipen de beide helften dikwijls elk een andere kant op. Erik vertelde honderduit over wat hij zoal wist, en Godfried luisterde aandachtig.
Zo nu en dan ging die weer op zijn vaste plaats zitten, dacht na, en schreef wat in een boekje. Erik besteedde daar verder geen aandacht aan, ‘mijnheer Bomans’ was immers een boek aan het schrijven. Telkens als er weer iets te zien was, kwam hij wel even kijken.
Zo eindigde hun eerste ontmoeting. Toen Erik opgewekt naar huis wandelde, kwam zijn moeder hem tegemoet. Ze wees hem erop dat hij die mijnheer niet van zijn werk mocht afhouden. Maar Erik zei tegen zijn moeder, dat hij veel met mijnheer Bomans had gepraat en dat die het helemaal niet erg vond. Dat was de eerste gezamenlijke ervaring van het jongetje en Godfried Bomans met de insectenwereld. Er volgden er meer.

Hoe oud was die Erik toen en hoe moet ik me zo’n gesprek met de toch veel oudere Godfried Bomans voorstellen?

Erik was toen acht jaar. Hij had flink oudere broers en daardoor viel het verschil in leeftijd enigszins weg. Bij hun eerste ontmoeting was het vooral Erik die praatte en Godfried die luisterde. Later werd het toch meer een gesprek, over en weer, en over uiteenlopende onderwerpen. Zoals bijvoorbeeld over de najaarsstormen, als de wind om het huis gierde en aan de bomen rukte. Dat kon knap angstig zijn, vond Erik. Zijn vader had hem op dit punt gerustgesteld, bomen waaien niet zomaar om, zeker niet als er geen blad meer aanzit. Toch bleef het spannend om in de storm langs een rij hoge bomen te lopen, vonden beiden.

En daar maakte Godfried allemaal aantekeningen over?

Ja, tijdens die gesprekken maakte Godfried regelmatig aantekeningen in een klein opschrijfboekje, een soort kasboekje. Tot verbazing van Erik gebruikte hij daarbij geen vulpen, maar een kroontjespen. Erik kon zich dat nog goed herinneren, omdat hij op school – hij zat toen in de tweede klas – ook met een kroontjespen moest schrijven. Alleen een veel oudere broer had al een vulpen. Ach, zei Godfried, ik ben dat zo gewend. En tot verbazing van Erik haalde Godfried zo nu en dan ook nog een inktpotje ergens vandaan, dat hij dan voorzichtig openschroefde om er zijn pen in te dopen. In Erik’s ogen een soort goochelkunstje dat Godfried steeds met zwier uitvoerde.
Erik kende ook enige trucjes. Zo liet hij Godfried zien hoe je een vlinder van een bloem kon pakken, door deze in de holle ruimte tussen je samengevouwen handen te vangen. Als je je handen daarna weer langzaam opendeed, dan bleef de vlinder nog even rustig op je hand zitten voordat die weer wegvloog. Wees toch voorzichtig, zei Godfried, en dat deed Erik, want je mocht zo’n vlinder natuurlijk niet beschadigen. Op ongeveer dezelfde wijze lukte het om in een zakdoek een hommel te vangen. Die bleef dan binnen de beschikbare ruimte stilzitten, tot je de zakdoek bewoog en er een boos gebrom volgde.

Ik blijf natuurlijk benieuwd naar het sprookje ‘Erik’.

Dat was toen nog niet zo duidelijk, maar er zijn al wel aanzetten. Zo vertelden beiden op een dag over hun dromen. Godfried had het over heksen en draken uit enge sprookjes, daar moest Erik niets van hebben. Die vertelde dat hij wel eens in een droom met bed en al uit zijn slaapkamer kon wegvliegen. Dan vloog hij over een weiland met veel bloemen, en altijd scheen de zon. Zo’n droom begon onverwacht, zoëven was je nog wakker en nu droomde je al. Erik wilde graag dat moment tussen dromen en waken eens echt meemaken. Dan lag hij ’s-avonds geduldig te wachten; maar steeds werd hij de volgende morgen wakker zonder dit magische moment te hebben beleefd. Komt u dit als Bomans-kenner niet bekend voor?

Ja, dat kun je bijna letterlijk in Godfried’s boek terugvinden. En kon het jongetje u nog meer details vertellen die u later in ‘Erik’ herkende?

Godfried heeft ook eens aan Erik gevraagd hoe hij het zou vinden om zo ineens heel erg klein te zijn. Zo klein als een kabouter?, vroeg Erik. Maar Godfried bedoelde zo klein als de insecten zelf, zodat je ook onder de grond naar ze kon kijken. Dat zou ik levensgevaarlijk vinden, antwoordde Erik, want als je net zo groot bent als die kleine diertjes dan worden het monsters. Godfried vond dat een dergelijk gevaar wel mee zou vallen, maar Erik was het daar absoluut niet mee eens.
Achteraf gezien is het dus waarschijnlijk dat Godfried toen al met de gedachte speelde iets over een klein jongetje en insecten te schrijven, maar of hij daarbij aan de vorm van een sprookje dacht, blijft voor ons verborgen.
Een ander op zich interessant detail is dat Erik, op verzoek van Godfried, samen met een broer die op school al biologie kreeg, een soort verzamelnaam voor insecten had opgezocht. Zij vonden het woord ‘vliesvleugeligen’, dat leek wel geschikt. Zo’n naam kom je dan ruim een halve eeuw nadien weer in Godfried’s boek ‘Erik of het klein insectenboek’ tegen.
Als Godfried weer met nieuwe vragen kwam, vroeg Erik wel eens: ‘moet u niet aan uw boek werken, daar bent u toch mee bezig’. Meestal glimlachte Godfried dan en zei, dat kan wel even wachten.
Na de zomervakantie ging Erik weer naar school. Hij was wat treurig, omdat hij de tweede klas moest overdoen. Ook Godfried ging weer verder met zijn studie, waarschijnlijk ook met gemengde gevoelens, want zoals ik in genoemde biografie las, ging het met diens studie niet zo goed.

Het jongetje dat u daar ontmoette, heeft dus behoorlijk aan Godfried’s boek ‘Erik’ bijgedragen.

Uit ons gesprek bleek overduidelijk dat Erik voor een jongen van zijn leeftijd al veel wist over insecten en zo. Hij zag direct het onderscheid tussen bijvoorbeeld een bij, een wesp en een hommel. Zijn vader had daar veel over verteld, en ook zijn oudere broers. Maar Erik wist niets van ‘De leer der levensverschijnselen’, mijn vak dus. Het schijnt wel zo te zijn dat Godfried in die tijd een oud boek had geleend, met daarin afbeeldingen van insecten, waarschijnlijk om wat kennis en inspiratie op te doen.
Het is mij niet ontgaan dat ‘Solms Beknopt Natuurlijke Historie’ zo’n opvallende plaats in ‘Het klein insectenboek’ inneemt. Mijn interpretatie is dat de kennis daaruit Erik een zekere bescherming moest bieden in de soms nogal vijandige insectenwereld, een opzet die perfect in een sprookje past. In de werkelijke wereld krijgen de kinderen op de lagere school geen biologie, dat leervak volgt pas op de middelbare school.

Nu wordt mij de nooit opgehelderde naamsverandering van het bekende schilderij in ‘Erik’
duidelijk. Ooit kreeg ik voor mijn Bomans-verzameling een ‘oer-tekst’ van ‘Erik’, waarin nog sprake was van het schilderij ‘Almerieten Zonnegroen’. Maar in de tweede versie heette het schilderij ineens ‘Wollewei’. Zegt die naam u iets?

Wollewei? Ik weet wel dat er in de buurt van dat laantje een weiland was waar schapen graasden. Aan de rand lag een zogenaamde kikkersloot, waar de jeugd met een jampotje en een eigengemaakt schepnet wel eens naar kikkervisjes en dergelijke visten. Ik weet dat Erik een keer met Godfried op dat weiland is geweest, toen zij het niet eens konden worden over het gedrag van mestkevers. Volgens Godfried rolden die kevers bolletjes van mest, en dat had Erik nog nooit gezien. Op het weiland waren kevers en er lag genoeg oefenmateriaal. Maar hoe ze ook zochten geen enkele kever draaide er bolletjes. ‘Bolletjes draaiende mestkevers’ in de sprookjes zijn dus volledig voor verantwoording van Godfried. Ik denk dat ‘Wollewei’ de sprookjesnaam is voor dat weiland.

En hoe ging het verder met het jongetje en de schrijver?

Erik vertelde mij dat hij ‘mijnheer Bomans’ ook het daaropvolgende jaar weer heeft ontmoet. Dat was op een middag in de zomer van 1936, toen Godfried in een opgewekte stemming aan kwam wandelen. Godfried was blij Erik weer in de tuin aan te treffen. Hij vertelde dat hij net terug was van een lange reis naar Italie, waar hij Rome had bezocht en ook in een klooster was geweest. In de biografie over de jonge Bomans lezen wij over deze reis naar Rome, en een kort verblijf in een klooster bij Siena, waar een vriend van hem was ingetreden.
Erik wilde graag weten hoe dat was, om zo’n verre reis te maken. Ach, dat is een lang verhaal, zei Godfried. Maar ik heb wel veel tijd gehad om na te denken. En hij vervolgde: voorlopig blijf ik hier en ga sprookjes schrijven, daar ben ik goed in.
Erik vond dat maar raar, mijnheer Bomans die boeken schreef, ging nu sprookjes schrijven. En wat voor sprookjes?, vroeg Erik, zoiets als moeder de Gans om aan kinderen voor te lezen? Nee, zei Godfried, meer zoals Hans Christiaan Andersen, en ook voor grote mensen.
Maar dat begreep Erik niet en het kon hem ook niet zoveel schelen. Pas veel later zal Erik zich gerealiseerd hebben wat Godfried met ‘sprookjes’ bedoelde.
Die zomervakantie begon Godfried meer gerichte vragen te stellen. Zo vroeg hij op een keer aan Erik eens wat jongensnamen op te noemen. Erik noemde de namen van zijn broers en van jongens die hij kende. Godfried vond geen daarvan geschikt, en kwam toen zelf met de naam Erik. Noem ook eens wat namen van bloemen, was de volgende vraag. Erik kende er veel, zoals geranium, dahlia, hortensia. Maar Godfried bedoelde die mooie namen niet. Probeer nog eens, zei hij. Toen noemde Erik de namen van veldbloemen, zoals koekoeksbloem, paardenbloem, margrietje en ook pinksterbloem. Die laatste naam verzin je zeker, was Godfried’s reactie. Dat is niet waar, antwoordde Erik, de ‘pinksterbloem’ bestaat echt, die staan elk voorjaar hierachter in het weiland. Om dit te bewijzen ging Erik zelf op zoek naar zo’n bloem, maar hij vond alleen nog wat steeltjes, want de pinksterbloemen waren uitgebloeid. Zo werd voor Godfried’s boek ‘Erik’ al op een zomerse middag in 1936 de naam ‘Erik Pinksterblom’ geboren.

Uit dit alles volgt dat ‘Erik of het klein insectenboek’ over een langere periode tot wasdom is gekomen dan Godfried Bomans ons later wilde doen geloven.

Dat mogen wij gerust aannemen. In deze context is het interessant te weten dat Godfried wel eens met Erik’s moeder over zijn verhalen sprak. Erik wist dat zijn moeder een bepaalde passage in een verhaal over een kleine jongen niet zo geschikt vond. Het was te eng, zei ze, en Godfried heeft het manuscript toen aangepast.

[In de eerder aangehaalde oer-tekst van ‘Erik’ heeft Godfried Bomans naar alle waarschijnlijkheid toen die enge passage veranderd. In de losbladige aantekeningen over ‘De avonturen van Erik Pinksterblom op een wonderlijke avond’ stond namelijk: …ook keek (Erik) in de duisteren hoek op het eind van de kamer waar op andere avonden best iemand in kon zitten…’ Die passage vinden we in het boek niet meer terug. – tvt]

Later bracht Godfried haar drie schoolschriften met de vraag of ze die eens wilde lezen en haar mening geven. Ongetwijfeld het eerste manuscript van ‘Erik’.
Er zijn ook onderwerpen die Godfried wel interessant vond, maar die niet in ‘Het klein insectenboek’ zijn terug te vinden. Zo sprak het jongetje over ‘pissebedden’ die bij het optillen van een steen tevoorschijn kwamen, en het toevallig vinden van een glazen stuiter. Nog duidelijker wordt het als Godfried aan Erik vraagt wat hij het liefste at, dus erg lekker vond. Daarbij kwam nog dat Erik de woorden graag verhaspelde. En zo ontstond een lijstje dat in ‘Wonderlijke nachten’ staat opgetekend. Hier onder de naam van Simon, en Godfried in de rol van de kabouter.

Ah, u heeft dus ook ‘Wonderlijke nachten’ gelezen.

Ja, Godfried’s beste sprookjes. Daarover zou ik nog meer kunnen vertellen, maar het wordt zo langzamerhand tijd om dit interview te beëindigen. Tot slot nog een gedachte die bij mij opkomt. Mijn jonge vriend Erik heeft waarschijnlijk pas op latere leeftijd de sprookjes gelezen, waaraan hij onbewust een bijdrage leverde. Zo zie ik Erik voor mij, die op een herfstachtige avond meeluistert met zijn kinderen als hun moeder uit ‘Wonderlijke nachten’ voorleest. Hij zal glimlachen bij het aanhoren van deze speelse verhalen, en nu ook begrijpen wat Godfried met het schrijven van sprookjes precies bedoelde. En stel u eens voor dat Godfried dit kon zien! Hij zou met deze erkenning van zijn werk als sprookjesschrijver beslist gevleid zijn. Want, en dat staat ook in de biografie, het was toch erkenning waar hij dikwijls naar verlangde.

Mies Bouwman

Intro

Mevrouw Mies Timp-Bouwman verbleef als opgroeiend meisje tijdens de Tweede Wereldoorlog geruime tijd in het Grote Huis op het Landgoed Berkenrode, waar het gezin Bouwman vanwege dreigende oorlogsomstandigheden bij de familie Bomans inwoonde. Zij heeft aan haar verblijf aldaar bijzondere herinneringen overgehouden, enerzijds de spannende en soms angstige momenten van de oorlogshandelingen, anderzijds de toch wel vrolijke gebeurtenissen die een groot gezelschap evacuees met zich meebracht.

Interview

Een prachtig gerenoveerde boerderij, een interieur waar je je ogen niet vanaf kunt houden en een bijna romantisch uitzicht op het wassende water van de Nederrijn… maar dit interview brengt ons terug naar een oorlog, naar de ontwrichting van een gezin, evacuatie en de hongerwinter. Daarna hebben we elkaar wel een paar keer in prettiger omstandigheden ontmoet.

Ja, we wonen hier heel mooi alhoewel we het water in de gaten moeten houden, want het staat flink hoog. En deze oude boerderij is echt een juweeltje. Maar met mijn herinneringen moet ik nu een aardig stuk terug in de tijd. Hoe we in dat gigantische huis op het Landgoed Berkenrode terechtkwamen.

Vanuit Brabant, dacht ik.

Dat klopt. Mijn vader was directeur van de schoenenfabriek Bata in Best. Hoe we van Bloemendaal en Overveen in Brabant terechtkwamen is ook een apart verhaal. Mijn vader was een zeer actief katholiek en zat in allerlei organisaties, zoals de Adelbert Vereniging, en in de politiek, de KVP. Hij werkte in die tijd bij de Maatschappij Nederland.
Als gedeputeerde van de Proviniciale Staten van Noord-Holland leerde hij Bomans sr. kennen, ook een zeer actieve en militante katholiek. Toen de oorlog uitbrak moest mijn vader, die beroepsmilitair was geweest, in actieve dienst opkomen. Na de capitulatie, we woonden toen in Overveen, werd hij door enkele hoge heren zoals Hettema en De Quai – dat heette geloof ik de Nederlandse Unie – gevraagd directeur van Bata te worden. Dat was in 1941. De Tsjechische directeur van Bata was door een Duitser vervangen, en de genoemde heren vonden het een goede zaak als er een betrouwbare Nederlander naast die Duitser werd gezet.
En of het nu grote problemen gaf of niet, hup, we gingen met zijn allen naar Brabant. Maar mijn oudste broer Henk zat op het Triniteitslyceum in Overveen en dat moest hij afmaken. Hij kon eeen kamer krijgen bij de familie Bomans in het Grote Huis op het Landgoed Berkenrode.
Ik ging toen naar kostschool en kwam in de weekenden thuis. We hadden daar in Best een schitterend huis, van mijnheer Bata, waar mijn ouders met de twee jongste kinderen, Tineke en Paul, enkele jaren gewoond hebben. Mijn oudere zusje Loekie woonde, dacht ik, niet meer thuis. Misschien zat zij toen al op het conservatorium in Amsterdam en woonde op kamers.
Eind april 1943 brak echter bij Philips een grote staking uit, die oversloeg naar de Bata-fabriek. Mijn vader moest toen van de Duitsers de staking breken, maar dat wilde hij niet. Hij kreeg toen drie dagen de tijd om te verdwijnen. Maar waar moesten we in godsnaam heen? Mijn vader zal contact opgenomen hebben met zijn voormalige mede-gedeputeerden, en hoe het precies gegaan is weet ik echt niet meer, maar ineens gingen we naar dat gigantische grote huis op Berkenrode, waar mijn broer Henk dus al zat

De familie Bouwman kwam niet zo slecht terecht.

Fantastisch, natuurlijk! In dat huis woonde mevrouw Bomans, samen met zoon Jan. Vader Bomans was inmiddels overleden. Godfried kwam af en toe en ging weer terug naar zijn huis op de Zonnelaan in Haarlem, Rex zag ik soms, maar Wally en Arnold die in een klooster zaten heb ik daar nooit gezien. Wij kregen de grote voorkamer, waar een prachtige vleugel in stond. Vanuit die kamer liep een trappetje naar boven en daar woonde mevrouw Bomans, die er een zit- en slaapkamer had. Achterin was de keuken en als je voor het huis stond, was links ook nog van alles, een kamer en nog een kleine kamer, nou ja, echt gigantisch.

Spannend in de ogen van een jong meisje, zo’n enorm huis met, dacht ik, veertien kamers. Maar jullie bleven niet alleen.

Nee, want op zekere dag kwam er een ander gezin: de familie Thierry de Bye Dólleman met de zuster van mevrouw Dólleman. Het gezin telde drie of vier kinderen. Dat weet ik niet meer precies. En de Dóllemannen kregen als woongedeelte dat linkerstuk. Boven waren een heleboel slaapkamers. Toen was er al ene mevrouw Ogtrop in het huis, een zeer chique dame, altijd keurig gekleed en prachtig slank. Ze had een zuster bij zich, mevrouw Six en die naaide al die mooie kleren, herinner ik me.
Vlak voor de hongerwinter werd het pas echt druk. De Broeders van De La Salle die enkele scholen in Heemstede hadden, moesten uit hun Broederhuis vertrekken omdat de Wehrmacht het gevorderd had. Daar kwam het hele span Broeders naar Berkenrode en dat ging de zolder op. Hier werden in de haast enkele afscheidingen gemaakt en het was daarboven op die zolder een getimmer en gedoe. We mochten er beslist niet komen, maar ja, wat wil je, dat vonden we juist helemaal spannend!
Het vreselijke was dus, dat we aan de ene kant op de Herenweg mensen zagen die handkarren voortduwden en onderweg waren naar de Haarlemmermeer of zo om iets eetbaars te halen, en aan de andere kant de luxe van dat immens grote huis en het landgoed daarachter, waar we konden spelen en rondrennen. Van de Duitsers herinner ik me er maar één en dat was nog een vreselijk aardige man ook. En helemaal niet zo’n stevige en goed doorvoedde Duitser, eigenlijk een gewoon mannetje, met een lage rang. En die kwam regelmatig op zijn fiets naar Berkenrode, maar wat hij daar deed? Vanwege zijn magere postuur en zijn muizengezicht hadden we zelfs een bijnaam voor hem: daar komt de muis aan, of zoiets. Maar we vonden hem erg aardig. Ook onze ouders mochten hem wel. Niet dat ze nu met hem optrokken, maar het was in ieder geval geen schrikken geblazen als hij op Berkenrode aan kwam zetten.

Dat zal waarschijnlijk Jupp Henneböhl geweest zijn. Die had na de razzia van 8 december de gearresteerde Broeders vanaf het stationsplein van Haarlem in optocht terug naar Berkenrode laten lopen. Hij vond dat die niet op transport naar Duitsland gezet moesten worden, zo in die pijen en met die specifieke hoeden.

Ja, en met van die witte beffen. Maar van die razzia kan ik me niets herinneren. Wel weet ik nog dat het daarboven op Berkenrode aardig vol was. Het waren allemaal vrij jonge Broeders en die kwamen ineens onder één dak te zitten met vrouwen en opgroeiende meisjes. Ook hadden we een dienstmeisje, Corrie, en die kon natuurlijk niet in haar kamertje op zolder blijven. Corrie kwam in de badkamer te slapen. Nu was er een Broeder Andreas en die werd wel eens uit de badkamer geroepen. Het waren geen priesters, hè. En er was een erg aardige Overste van de Broeders, een indrukwekkende, wel strenge man die apart op een zolderkamer sliep. Oh ja, en de Broeders hadden op de eerste verdieping nog een grote zitkamer, waar ze bij elkaar kwamen. Een soort refter, denk ik.

En hoe ging dat met het eten? De hongerwinter stond voor de deur.

Ja, we zagen wel mensen met handkarren en die haalden dan graan en ook wel boter bij de boeren weg, maar wij hadden niet zoveel. De Broeders kregen ’s avonds een broodmaaltijd en dan mochten wij op een zeker moment naar boven om de kapjes te halen. Die hadden ze dan al voor ons klaargelegd. Oh god, wat was dat een lekkernij! Maar verder werd het, wat het eten betrof, behoorlijk benauwd. We aten ook tulpenbollen en die gingen dan in onze prachtige zitkamer op het noodkacheltje.

Maar er werd in die tijd wel van elk verzetje genoten. Geen radio, geen betrouwbare kranten, uiteraard geen televisie; je moest elkáár bezighouden.

Dat is zo. Nu en dan kwam Godfried. Die ging dan in onze grote kamer achter de vleugel zitten en speelde de mooiste liedjes. En als het eng was, met overvliegende bommenwerpers, dan bleef hij langer en had hele gezongen verhalen aan de vleugel. Dat was echt fantastisch. En de Broeders hadden een heel pakket films waarmee ze waarschijnlijk op feestjes de schoolkinderen zoet hielden. Een van de grote trekkers heette ‘De Kat en de Kanarie’. Ik zal die nooit vergeten, want dat was een heel enge film. Veel later heb ik hem nog eens, wel in een vernieuwde versie, in zwart-wit op de televisie gezien. Er lag een blonde vrouw op een prachtig bed en daarboven hing een lamp, die op een gegeven moment omdraaide en waar een hand uitkwam, heel eng allemaal! En die film wilde we geregeld zien. Als het maar eng was.

En hoe was het verder in het huis en er omheen?

Met de Broeders konden we goed opschieten, maar met mevrouw Bomans niet zo. We waren eigenlijk een beetje bang voor haar. Het was een norse vrouw en ze zag er ook bepaald niet kind-vriendelijk uit. Ze was altijd in het grijs of zwart gekleed, had een bos haar en felle ogen. Dat lawaai in huis vond ze ook maar niets, dus we werden geregeld zeer streng toegesproken. En volgens ons had ze best wel genoeg eten, maar wij kregen nooit wat toegestopt.
Dan was er nog een zoon van de familie Dólleman die verliefd op me werd. Dat gebeurde ook nog. Een lelijkerd! Hij was heel verlegen en ik kreeg cadeautjes van hem: kleine broches en zo. Nou ja, dat is natuurlijk nooit wat geworden. Ach ja, en ik herinner me nog dat er voor de ramen van de zitkamer van die mooie, lange velours-gordijnen hingen. Die hebben de oorlog dus niet overleefd! Want er zaten ook nog luiken voor de ramen en dat vond mijn moeder wat dubbelop. Ze heeft toen van die gordijnen drie jurkjes voor de zusjes Bouwman genaaid. Zo viel er altijd wat te beleven in dat grote huis.
En als we ons echt verveelden, dan gingen we maar weer naar buiten, want daar was ook heel wat te genieten. Op het terras aan de achterkant is toen nog eens een foto gemaakt, waarop mijn vader en ik en ook Corrie staan, met achter ons het hele stel Broeders.

Die tuin! Nou, het was eigenlijk een park met middenin een grote vijver en daarachter een bos. In de vijver lag een geheimzinnig eiland, waar we wel op zijn geweest toen we in de winter op de vijver konden schaatsen.
Maar dat huis! Zo mooi! Het was gewoon een feest om in die sombere tijd in zo’n huis te wonen. Die nissen in de gang waar witte beelden in stonden. Die prachtige trap naar boven. Die hoge kamers met ornamenten. Echt heel mooi!

Maar jullie gingen toch ook naar school?

Ja, dat was ook zoiets. De scholen waren volgens mij tijdens de oorlog een beetje in de war. Ik kwam van kostschool. Dat was een middelbare meisjesschool en daar zat ik in de tweede klas. In Haarlem ging ik toen naar Sancta Maria. Dat was een lyceum en ik werd teruggeplaatst naar de eerste klas. Tot overmaat van ramp bleef ik ook nog zitten en mijn ouders hebben me toen op de mulo aan de Kleine Houtweg gedaan, waar ik prompt in de derde kwam. Meteen na de oorlog ben ik naar de middelbare meisjesschool Het Kopje in Bloemendaal gegaan en kwam daar weer, geloof ik, in de vierde. En die school heb ik afgemaakt.

En toen kwam de bevrijding. Is daar nog wat van blijven hangen?

Oh ja, dat was feesten. Op de hoek bij Berkenrode zat een bandje en er werd gedanst en gezongen. Mijn broer Henk had veel vrienden in Bloemendaal en Aerdenhout, waar huis- en tuinfeesten werden gegeven. Goh, toen was ik pas vijftien jaar, maar ik mocht mee naar al die mooie huizen van die poepierijke mensen.
We zijn toen vrij spoedig verhuisd naar de Heemsteedse Dreef en eigenlijk alleen de band met Godfried is gebleven.

Mijn band met Godfried staat nog steeds op mijn wreef getekend.

Op je wreef?

Het was tijdens de uitzending van ‘Open het Dorp’. Godfried wilde iets voor het goede doel aanbieden, een aantal gesigneerde boeken – die ik als adept natuurlijk voor hem moest dragen. Maar het was lang wachten eer we bij de presentatrice van die mega-uitzending, de ‘groter gegroeide’ Mies Bouwman, terecht konden. Toen hebben we maar wat vloeibare versnaperingen genomen. Alleen daarom moest ik Godfried op de televisie-locatie wat omhoog duwen, het gammele trappetje op dat naar het podium leidde. Maar halverwege liet hij door nevelige omstandigheden de leuning los en kwam met zijn volle gewicht op mijn voet terecht.

Oh, was Godfried er toen ook? Gek, hè, dat is helemaal langs me heengegaan. Daarna zag ik hem natuurlijk vele keren in onze televisietijd. We hebben hem in diverse uitzendingen gehad, zoals in de stoel van ‘Mies en-scène’. We kwamen Godfried ook overal tegen want hij deed de raarste schnabbels. Dat hou je echt niet voor mogelijk! En we zijn ook wel in zijn prachtige huis in Bloemendaal geweest, waar we Godfried’s vrouw Pietsie hebben ontmoet. Prompt dacht ik op dat moment aan ons verblijf op Berkenrode, waar mevrouw Bomans en mijn ouders op een dag klaar stonden om naar het huwelijk van Pietsie en Godfried te gaan, en dat hij toen niet op kwam dagen. Heel erg allemaal.
Godfried en ik hebben altijd een goede band gehouden. Door ‘Open het Dorp’ werd ik in Nederland wereldberoemd en door dat programma ‘Zo is het toevallig ook nog ‘ns een keer’ werd ik in ons land meteen wereldgehaat. Godfried schreef toen een voor mij onaardig stukje in de Volkskrant, niet echt venijnig, maar hij begreep niet waarom ik in dat programma zat. Een jaar of zo later sprak ik hem weer en toen zei hij, dat hij spijt had van zijn reactie en dat ik er goed aan had gedaan om uit die club te stappen.
Hoewel we vrienden bleven, had ik wel in de gaten dat hij zijn kritisch vermogen begon kwijt te raken, in zijn doen en laten. Hij had natuurlijk zelf ook goed in de gaten dat hij in een circuit terecht was gekomen, waarin hij niet meer serieus werd genomen. Maar ik heb het altijd lief en opmerkelijk van hem gevonden dat hij, toen hij zijn spijt over dat stukje betuigde, zei: “Wat jij gedaan hebt, uit dat programma stappen, was echt verstandig. Je kon weer doorgaan met je leven, maar ik kan nu niet meer terug.”

Ernst Henri van Eeghen

Intro

De heer E.H. van Eeghen is de huidige eigenaar van het Landgoed Berkenrode, waar hij met zijn vrouw woont in het, tot een riante villa omgebouwde, oranjerie van de buitenplaats. Hij voert tevens in een stichting het beheer over het landgoed, zoals het park, de moestuinen en een aantal huizen op het landgoed zelf en aan de Herenweg.

Interview

Wanneer ik in deze prachtige kamer om me heen kijk, besef ik pas goed wat het betekent zo’n historisch landgoed te bezitten. Oude gravures van het voormalig kasteel Berkenrode, eeuwenoude voorwerpen die vast uit de slotgracht komen, maar vooral de sfeer van langvervlogen gouden tijden. En dit landgoed kwam op zekere dag via erving in uw handen.

Inderdaad. Hendrik van Wickevoort Crommelin, Heer van Berkenrode en eigenaar van dit landgoed, was getrouwd met Olga van Eeghen. Zij was de zuster van mijn vader. Helaas bleven mijn oom en tante kinderloos, en omdat ik haar petekind was, verwierf ik na haar dood dit landgoed.

En zij woonden in het Grote Huis?

Ja, het echtpaar Van Wickevoort Crommelin woonde daar tot in de dertiger jaren, maar omdat het verkeer op de Herenweg steeds drukker werd, besloten ze op deze plek te gaan wonen. Vierhonderd meter dieper in het park hebben ze toen het koetshuis, wat dit oorspronkelijk was, tot hun nieuwe woonhuis laten verbouwen. En dat is heel knap gedaan want het is een mooi huis geworden. En beslist geriefelijker, want op het Grote Huis waren veertien ruime vertrekken met schouwen, en dat was met stoken ook niet zo makkelijk.

Mijnheer Van Wickevoort Crommelin heeft, dacht ik, niet lang van dit huis mogen genieten.

Nee, helaas. Hij leed aan ‘vallende ziekte’. Mijn tante heeft voorbeeldig voor hem gezorgd. Zij hertrouwde in 1940 met een verre oom van me, Jhr. van Swinderen, in die tijd burgemeester van Loosdrecht. Mijn tante is daarna naar Loosdrecht vertrokken en haar schoonzuster, freule Van Swinderen, heeft toen nog een tijdje in dit huis gewoond. Ik denk zo’n twaalf jaar. Ze is hier ook overleden.
Vlak voor de dood van mijn tante vernam ik dat ik haar erfgenaam was. Ik zat toen in Oost-Afrika en ben in Dar es Salaam, de hoofdstad van het toenmalige Tanganyika, nu Tanzania, blijven wonen. Ik heb dit huis toen ter beschikking gesteld aan oude vrienden, die uit Indië kwamen waaruit ze, vanwege het Nieuw-Guinea conflict, door Soekarno verjaagd waren.

En het Grote Huis?

Dat is al die tijd door mijn tante verhuurd. Aan de familie Bomans, de familie Bouwman. En na haar dood had ik het ook niet nodig, want ik zat in Afrika en was daar toen honorair-consul van Nederland. Bij mijn terugkomst in 1962 ben ik direct met het gezin in dit huis gaan wonen en het Grote Huis bleef verhuurd. Het heette toen al Berkenrode. Daarvoor heette het Grote Huis ‘Westerduin’.
Na het overlijden van mijn vrouw Erica – we waren 41 jaar getrouwd, ze was de dochter van Jonkheer van Panhuys en een kleindochter van de beroemde generaal – ben ik enkele jaren later hertrouwd met Jutta Fischer, en dat is ook alweer 19 jaar geleden. We hebben elkaar in Oostenrijk ontmoet en ze heeft ook een poos in Amerika gewoond, een internationale dame. We zijn ook in dit huis blijven wonen.
Toen de familie Bouwman en mevrouw Bomans verhuisd waren, is Berkenrode opnieuw verhuurd.

Hoe trof u het landgoed aan toen u hier in 1962 kwam wonen?

Het was in een niet zo’n goede staat, maar dat kwam natuurlijk omdat mijn tante hier jarenlang niet gewoond had. En de witte huizen aan de Herenweg hoorden er ook allemaal bij en die waren wel wat verwaarloosd. Nu zijn ze weer in goede staat. Het landgoed en de bezittingen zijn alle ondergebracht in een stichting. Mijn tante wilde dat alles bij elkaar bleef en aangezien ik zeven kinderen heb, is er toen voor gekozen het geheel in een zogenaamde ‘dode hand’ te geven, er dus een stichting van te maken, en dat heb ik danook gedaan. Het stichtingsbestuur wordt gevormd door mijn kinderen en mijzelf.

Want het was een heel bezit.

Ja zeker. Allereerst natuurlijk het landgoed zelf tussen de Herenweg en de Leidsevaart. Dan staan er behalve het rijtje witte huizen aan de Herenweg nog vier huizen op het landgoed. Dit in 1901 verbouwde koetshuis, het Grote Huis dat nu Berkenrode heet, een verbouwde tuinmanswoning die toch zeker 250 jaar oud is, en een bungalow. Op de plaats van de bungalow stond vroeger, midden in de moestuin, een grote schuur. Daar was dus een bouwbestemming aanwezig, zodat we de schuur tot een huis konden verbouwen. Het heet ‘De Moestuin’. De huizen aan de Herenweg zijn ook een paar eeuwen oud. Het waren vroeger de stallen van Berkenrode en zijn later tot woonhuizen gerenoveerd. Het koepelhuis stond vroeger meer naar voren en toen de Herenweg verbreed moest worden, hebben ze het koepelhuis op stalen balken naar achteren gerold.

En er lag aan de overkant van de Herenweg toch nog een stuk bos dat tot het landgoed behoorde?

 

Dat is een poos geleden door mij verkocht. Om er af en toe te gaan wandelen, moest je die drukke weg oversteken en dat kwam er gewoon niet meer van. De gemeente Heemstede wilde het toen graag hebben en nu is er een bejaardentehuis. Vroeger was het ‘Overbosch’ een groot en mooi aangelegd parkachtig bos van zo’n viereneenhalve hectare. Maar toen ik het in mijn bezit kreeg, was het volkomen verwilderd en onmogelijk om het park te renoveren. Ik had ook geen personeel om dat bos te onderhouden.

En het Grote Huis bleef verhuurd?

Ja, het was natuurlijk al die tijd verhuurd toen mijn tante op het landgoed van de Van Swinderens woonde. Het is een poos verhuurd aan de firma Laimböck. Hij kwam uit Oostenrijk en had een handschoenenhandel. De zaak zat eerst in een van de huizen aan de Herenweg, maar toen het bedrijf ging groeien hebben ze het Grote Huis gehuurd. Daar is de handschoenenfabriek vrij lang gevestigd geweest.
Laimböck wilde opnieuw uitbreiden en het plan was om iets nieuws in de Waarderpolder te bouwen. Ik zei toen dat ze het huis dan wel in de oude staat moesten terugbrengen. Er was namelijk geweldig in gebroken. Laimböck heeft toen berekend hoeveel dat zou gaan kosten en dat bleek in die tijd al een half miljoen gulden. Daar schrokken ze toch van terug en het was voor hen voordeliger het huis te kopen. Ik heb het Grote Huis toen verkocht, want ik wilde Laimböck wel ter wille zijn. Er is na de aankoop nog heel wat en voor veel geld in het huis verbouwd, maar de zaak ging niet goed, waarna Laimböck het huis aan de heer Winnubst heeft verkocht.

En ooit stond hier ook nog een kasteel!

Ja, dat was een leen van Floris de Vijfde aan Jan van Haerlem. Er is later een kasteel gebouwd dat enkele keren verwoest is, het laatst door de Spanjaarden in 1573. Ik heb hier nog een ets hangen van vóór de verwoesting. Na de oorlog met de Spanjaarden is Berkenrode als landhuis weer opgebouwd en er hebben achtereenvolgens verschillende families in gewoond, zoals de Trippen en de Crommelins. Mijn kinderen weten nog precies waar in de vijver de fundamenten liggen; ze stapten vanuit hun boot zo op de stenen. Van het kasteel zelf staat niets meer overeind. De stenen zijn bij het afbreken afgevoerd. Alleen een deel van de fundamenten is dus in de vijver achtergebleven.

Niet op het eiland in de vijver? Vroeger ging op de Heemsteedse scholen het spannende en geheimzinnige gerucht, dat op het eiland een kasteel had gestaan en dat er nog een ondergrondse gang liep.

Het eerste klopt niet, het tweede wel. Op het eiland is niets te vinden, ja een paar mooie bomen en heel wat vogels. Het kasteel stond ook niet op het eiland, maar feitelijk waar nu de vijver ligt. Oorspronkelijk was de vijver een slotgracht, maar hij is in de loop der tijden flink verbreed. Er hebben enkele archeologische opgravingen plaatsgevonden en er is in de vijver wel een en ander gevonden. Ik heb heel wat spul bewaard en dat heb ik later aan een museum geschonken.
Maar van die tunnel klopt. Hij begint bij het eiland en komt vlak bij de garage uit. Een vluchttunnel. Het was een opgemetselde tunnel van omstreeks 1300, zo’n zestig meter lang. Ik ben er nog eens in geweest, maar de stenen waren erg verbrokkeld en ik moest er niet aan denken dat de kinderen erin gingen spelen. Veel te gevaarlijk! Toen is de tunnel meteen dichtgemaakt, maar hij ligt er natuurlijk nog wel.

Riek Schuitemaker-Schuurmans

Intro

Mevrouw Riek Schuitemaker-Schuurmans is geboren en getogen op het Landgoed Berkenrode. Haar vader was vele jaren, zoals dat toen genoemd werd, de ‘tuinbaas van Berkenrode’. De familie Schuurmans woonde in de oude tuinbaaswoning die linksachter op het landgoed stond, en ook nu nog particulier wordt bewoond.

Interview

Geboren op het Landgoed Berkenrode in de tijd dat Hendrik van Wickevoort Crommelin en zijn vrouw Olga in de tot een villa omgebouwde koetshuis en oranjerie woonden. U hebt hen beiden nog gekend?

Jazeker. Ik was nog heel jong, maar ik herinner me wel dat zij afwisselend op Berkenrode woonden en in Egypte. Daar gingen ze veel naartoe omdat mijnheer Van Wickevoort Crommelin honorair consul van Egypte was. En als ze dan weer terugkwamen, dan moest alles op het landgoed piekfijn in orde zijn. De paden keurig aangeharkt, alles opgepoetst, zelfs de grasrandjes afgestoken. Want er is toch wel een groot verschil tussen het landgoed van nu en dat van vóór 1940. Zoiets zou in deze tijd gewoon niet meer kunnen. Als kinderen mochten wij bijvoorbeeld niet meer op de aangeharkte paden lopen, want de streepjes moesten te zien zijn als het echtpaar Van Wickevoort Crommelin terug kwam.

Ja, dat zijn de tijden van weleer.

Zeg dat wel. Als mijn broer langs het terras liep waar mijnheer en mevrouw Crommelin zaten, dan moest hij beleefd zijn petje afnemen. En dat was de reden dat hij op zekere dag geen pet meer wilde dragen. Maar ze waren bijzonder aardig want we werden ook vaak binnen gevraagd. Ik weet nog heel goed dat mijnheer Crommelin een ronde doos met Droste-flikken had. Die stond in een kast in de hoek van de kamer. En als die kast openging wisten we dat we een chocolaatje uit de Droste-doos kregen. In die tijd – zo rond 1936 – was dat een traktatie van jewelste.

En uw vader was waarschijnlijk de hele dag bezig met het onderhoud van het park en de tuinen. Was hij een Heemstedenaar?

Nee, mijn ouders kwamen uit Friesland. Eerst heeft mijn vader nog een poos in Frankrijk op de boerderij van minister Mansholt gewerkt, en daarna is hij – in 1924 – op Berkenrode gekomen. Aangenomen als knecht maar weldra werd hij de tuinbaas. Halbe Schuurmans, een echt Friese naam. En hij was heel toegewijd. Mijnheer Crommelin had een slechte gezondheid en vaak bracht mijn vader hem met de auto naar het ziekenhuis. Er ontstond gewoon een vriendschap tussen mijnheer Crommelin en mijn vader. Heel apart. Hij deed dus wel wat meer dan het onderhoud van park en tuinen. Mijn vader was inderdaad de hele dag bezig, maar met veel meer dingen dan waarvoor hij was aangenomen.

Maar toch voornamelijk met de verzorging van het landgoed.

Oh ja. De plantjes werden bijvoorbeeld allemaal zelf opgekweekt en moesten ook verspeend worden. Er waren in de moestuinen trouwens heel aparte groenten zoals artisjokken. Daarnaast had je de boomgaard met allerlei soorten appels en peren, met Japanse wijnbessen en ook perzikbomen langs de muur. Dat alles moest natuurlijk regelmatig gesnoeid worden, zodat mijn vader echt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat bezig was.

Maar voor u was het hopelijk een onbezorgde kindertijd met schaatsen op de grote vijver en spannende verhalen op school, want u woonde op een landgoed.

Aan dat schaatsen heb ik inderdaad leuke herinneringen. Dan mochten de kinderen uit de buurt op het landgoed komen en vaak stond mevrouw Crommelin dan met een koek-en-zopie op het ijs.

Er werden ook wel wedstrijden gehouden en dat was gewoon feest. Ja, en die verhalen over Berkenrode. Er had natuurlijk ooit een kasteel gestaan. In later jaren is de vijver drooggelegd en daar kwam wel wat uit. Ik weet nog goed dat er aan de buitenmuur van ons huis een harnas hing. En mijnheer Van Eeghen heeft zelf een slingerkogel bewaard en die hangt nog steeds bij hem aan de muur. Dan was er dus nog de tunnel die vanuit de vijver naar de oude schuur liep, heel oud, maar die is later dichtgegooid. Te gevaarlijk, hè.

 

Na de dood van mijnheer Van Wickevoort Crommelin trouwde mevrouw met jonkheer Van Swinderen, de burgemeester van Loosdrecht. Ik heb begrepen dat ze toen al snel op het landgoed van de Van Swinderen’s ging wonen.

Ja, dat herinner ik mij goed. En in de villa kwam de zuster van jonkheer Van Swinderen te wonen, Bernardine, met haar Belgische huishoudster die heerlijk kon koken en van alles wat kon maken. In die tijd ook vroeg mevrouw Van Swinderen me om één keer in de maand naar Loosdrecht te komen en haar te vertellen hoe het op Berkenrode ging. Ik kreeg dan de reiskosten vergoed en elke keer moest ik iets van Berkenrode meenemen. Dat waren soms sneeuwklokjes, dahlia’s of viooltjes, al naar gelang het seizoen. En ze kwam ook wel af en toe met de trein naar Heemstede. Er was in die tijd geen auto op Berkenrode, zo vlak na de oorlog, en dan moest mijn vader met haar oude damesfiets, die nog in de garage stond, naar het station zodat ze naar Berkenrode kon fietsen. Ze kwam dan bij ons thuis lunchen. Toen mevrouw Van Swinderen ziek werd, ging dat allemaal wat moeilijker. Ook voor mij natuurlijk tijdens mijn maandelijkse bezoeken. Ze sprak dan over haar erfenis en wie het landgoed zou krijgen. Maar daar begreep ik niet zoveel van want ik was toen toch nog vrij jong.

U sprak net van de oorlog. Hebt u nog de familie Bomans en de evacuees op het Grote Huis gekend.

Oh zeker. Mijnheer Bomans, de vader van Godfried, zag ik regelmatig, want hij spaarde sigarenbandjes voor mij. Dan liep hij in de laan te wandelen, met de witte sjaal die hij altijd om had, en dan riep hij me en zei: “Riek, ik heb wat voor je.” Daarna haalde hij uit zijn zak een stel sigarenbandjes. Ik spaarde die in zo’n mooi album. En ik weet ook nog dat mijnheer Bomans tegen mijn moeder zei, dat ik altijd zo vrolijk was en van plezier liep te huppelen.

Dat woord ken ik uit een voorgaand interview: een meisje dat aan de hand van broeder-koe meehuppelde. Broeder-koe werd zo genoemd omdat hij de koe van Berkenrode molk.

Broeder-koe? Ja, ik weet me nog wel te herinneren dat er een koe op Berkenrode was. Maar ik dacht dat die door mijnheer Laimböck van boer Beusekom gekocht was. Wel was de melk voor de bewoners van Berkenrode bestemd. Er liepen bij de oprijlaan ook wel een paar schapen in de wei, maar die gingen in de oorlogstijd – zullen we maar zeggen – in andere handen over. Dat was ook zo met de bomen. In het begin ging mijn vader nog wel tegen die illegale boomkap in, maar ze sloegen je eerder de hersens in dan dat ze… nou ja, het was wel begrijpelijk, hoor. Al die stakkerds met hun handkarretjes die naar de noord trokken om wat voedsel te vergaren, mensen uit Den Haag die met hun kapot gelopen voeten bij Berkenrode aanklopten. Diep triest. En we gaven wat er te geven viel. We hadden op Berkenrode aardappelen en groenten; die teelden we zelf. Dus hebben wij in de oorlogstijd niet echt honger gekend. Maar er kwamen zoveel mensen langs dat je wel alle ellende meemaakte.
Het was een tijd van grote saamhorigheid. Met de familie Bouwman en mevrouw Six. Dat waren inderdaad evacuees. Om acht uur ging ’s avonds het hek dicht en je mocht dan niet meer op straat. Maar wij konden fijn doorspelen op het terras en op het grasveld, met Mies en haar zusje Tineke, de meisjes Dólleman. En in het grote huis woonden mijnheer en mevrouw Stemler-Tjaden, oh ja, en ook mijnheer Ingwersen. Die kwam uit Amsterdam en was jarenlang de boekhouder van de familie Crommelin. Een heel gezelschap daar op Berkenrode.
U sprak net van het grote huis, niet óp het grote huis.

Ja, dat klinkt misschien wat verwarrend. Voor ons in de tuinbaaswoning was de villa waar nu mijnheer en mevrouw Van Eeghen wonen, het grote huis. Toen mijn ouders gingen trouwen, mochten ze van mevrouw Crommelin kiezen: in de oranjerie en het koetshuis gaan wonen of in de tuinbaaswoning. Een van die twee zou dan verbouwd worden. Maar mijn ouders wilden liever achter op het landgoed zitten, hoewel die tuinbaaswoning wel heel primitief was, hoor. De later verbouwde oranjerie met koetshuis werd toen voor ons het grote huis. Het echte grote huis was natuurlijk Westerduin, dat later Berkenrode werd genoemd.

Was de tuinbaaswoning erg oud en primitief?

Dat zeker. Oud met dunne muren. Het was er ’s winters in de bijkeuken zo koud dat de kopjes aan het aanrecht vastvroren. Er was een fornuis dat met hout werd gestookt en later met kolen. Daar kookte mijn moeder op. En petroleumlampen, want er was nog geen elektra. Maar de woning was best wel groot. Er was nog een schuur bij waar de appels en peren werden opgeslagen. En een groot deel ging in de fruitkelder, die regelmatig gelucht moest worden.

Dus er was voor het hele gezin Schuurmans veel werk aan de winkel?

 

We hielpen natuurlijk allemaal mee. Mijn moeder zat altijd tussen de kippen en in de zomer werden de boontjes en snijbonen geplukt. Die moesten we met ons allen afhalen. We zaten dan in een grote kring te doppen en vervolgens werd de groente en ook wel het fruit ingemaakt. Wecken en in het zout. Voor de familie Crommelin en voor onszelf. Kijk, mijn vader was verknocht aaan het landgoed. De Crommelin’s waren heel veel weg en dan waren we alleen op Berkenrode. Hij voelde het als zijn verantwoordelijkheid dat alles goed reilde en zeilde. Zo zat hij in elkaar.

En toen kwam de familie Van Eeghen uit Afrika naar Nederland. Met al die jongens.

Er was één meisje: Erica. Tja, weet ik de namen nog? Jochem, Maarten, Willem, Lucas, Henri en Winand, ja, zeven. Een grote familie. We hebben de familie van Schiphol gehaald en later kregen we een heel goede band met hen. De jongens kwamen vaak bij ons een hapje mee eten en er werd ook wel eens een sigaartje opgestoken. Mijn vader hielp hen vaak met allerlei dingen en spullen. Ik heb nog een poos Frans gestudeerd en gaf ook les aan een van de jongens. En ze hadden een lieve moeder.

Dat paste allemaal in de villa?

Het was daar best groot, hoor. Boven waren dienstmeisjeskamers. Ik herinner me nog wel dat bij de Crommelin’s Duitse dienstbodes waren. Die kamers hadden na de oorlog al die tijd leeg gestaan. Daar gingen nu enkele jongens in. En er werd een badkamer bijgebouwd. Ook kwam de oude mevrouw Panhuys, mevrouw Van Eeghen’s moeder, bij de familie inwonen toen ze in Bergen aan Zee niet meer op zichzelf kon wonen. Moesie werd ze genoemd.
En op het landgoed kwam een flinke veestapel: varkens en veel meer kippen. Op een gegeven ogenblik was er zelfs een winkeltje waar eieren, fruit, groente en aardappelen werden verkocht.
Toen mijn man en ik gingen trouwen, kregen we van de familie Van Eeghen een diner aangeboden met allemaal producten van Berkenrode. Alles wat we aten kwam van het landgoed. En omdat ik Berkenrode ging verlaten, kreeg ik op het eind van de avond een zakdoekje aangeboden om mijn tranen te drogen. En daarna een sleutel van het hek zodat we altijd op het landgoed konden komen wandelen.

Toch nog een happy end.

We zijn er heel dankbaar voor.

Ruud Laimböck

Intro

De heer Ruud Laimböck is directeur van het handschoenenbedrijf Modana-Laimböck te Hoofddorp. Hij werd geboren op ‘Klein Berkenrode’, een van de afgebroken villa’s bij het landgoed. Vele werkzame jaren heeft hij op Berkenrode doorgebracht, toen daar de productie van Laimböck-handschoenen en luxe lederwaren plaatsvond.

Interview

Het is toch wel verrassend dat uw huis aan de Houtvaart ligt. Deze liep in vroeger eeuwen achter het landgoed Berkenrode. Al het hout van de rode’s zoals Berkenrode, Iepenrode, Boekenrode en Brederode werd toen via de Houtvaart afgevoerd. Uw laatste band met Berkenrode?

Ja, want ik ben op ‘Klein Berkenrode’ geboren en dat lag aan de Herenweg, waarachter zich het landgoed bevond. Jammer genoeg is de villa afgebroken, maar ik heb natuurlijk bijzondere herinneringen aan deze tijd. Voordat de Leidsevaart werd gegraven, was de Houtvaart inderdaad de afvoerroute van de gekapte bomen op Berkenrode. Ons huis hier is weer gebouwd op oorspronkelijk gebied van het landgoed Boekenrode, dat voor een groot deel uit veengrond bestaat. De Houtvaart loopt voorbij dit huis met een grote bocht in de Leidsevaart, die gedeeltelijk nu de westgrens van het landgoed Berkenrode vormt.

Maar de innigste band met Berkenrode wordt natuurlijk gevormd door het ‘Handschoenen- en Lederwarenbedrijf Laimböck’, dat vele jaren in het Grote Huis op Berkenrode was gevestigd. Ik ben ook wel een beetje nieuwsgierig naar de geschiedenis van de familie Laimböck en het wel en wee van het bedrijf.

De band van Laimböck en mijn familie met Berkenrode was bijzonder innig. Maar daar ging wel een fikse historie aan vooraf. Mijn vader Johann kwam uit Tirol in Oostenrijk, uit het Zillertal. Maar zijn voorouders zijn al begin 1800 naar Nederland gekomen. Dat waren handelaren in handschoenen en zij hadden ontdekt dat er in Nederland geen handschoenenindustrie was. Zo konden ze hun handschoenen heel makkelijk op jaarmarkten verkopen. In 1831 hebben ze in Scheveningen hun eerste winkel geopend.

In Scheveningen? Dat is een verrassende locatie.

Toch niet. In Scheveningen woonde in die tijd veel adel. En deze gegoede stand had elegante en kwalitatief mooie handschoenen nodig. Na Scheveningen werd in 1855 een winkel in Amsterdamse Kalverstraat gevestigd. Dat pand is nog herkenbaar achter de Bonnetrie – het huis met de gems. Vervolgens zijn er filialen opgzet in Den Haag, Rotterdam, Arnhem, Utrecht, Haarlem… ik dacht dat er op een gegeven moment 12 vestigingen waren van het Laimböck Tiroler Handschoenenmagazijn. En heel duidelijk op het topsegment gericht: mooie luxe handschoenen, luxe dassen en dergelijke. Dus de Laimböck’s woonden al in Nederland toen mijn vader in 1897 in Oostenrijk werd geboren. Hij is in 1921 naar Amsterdam gekomen en kwam te werken bij zijn ooms in de Kalverstraat. Daar is hij een tijd directeur geweest, maar hij had meer interesse in het productieproces dan in de directe verkoop.
In 1925 zijn mijn ouders, die boven de zaak in de Kalverstraat woonden, naar Heemstede verhuisd en wel naar het Frederik van Eedenplein nummer 17. De garage van dat pand werd toen voor de productie van handschoenen ingericht. In 1941 verhuisden mijn ouders met de twee kinderen Hans en Marlies naar ‘Klein Berkenrode’ op de Herenweg, waar ik in dat jaar geboren ben. De productie werd voortgezet op de zolder van ‘Klein Berkenrode’ en in de oorlog heeft mijn vader voor vele Heemsteedse koude handen – uiteraard zonder betaling – van heel wat stukjes leerafval handschoenen gemaakt. En na de oorlog werd Laimböck in ‘Groot Berkenrode’ gevestigd.

Westerduin, het Grote Huis… maar de naam ‘Groot Berkenrode’ kende ik nog niet.

Ja, wij woonden op ‘Klein Berkenrode’, vandaar dat wij zo dat onderscheid maakten. In 1946 kreeg mijn vader van het Ministerie voor Industrie in Den Haag toestemming om ‘Groot Berkenrode’ te huren en daarin de productie van Laimböck weer op te starten. Het huis stond leeg en er waren zelfs plannen om het af te breken. De handschoenenfabriek werd toen in het pand gevestigd en kwam na enkele jaren tot flinke wasdom. Op een zeker moment werkten er 200 mensen in het bedrijf van Laimböck aan de Herenweg, met als topjaar 1963 – toen we een zeer koude winter hadden – en waarin zo’n 100.000 paar leren handschoenen werden gemaakt.
Helaas kon niet voorkomen worden dat binnen in ‘Groot Berkenrode’ diverse aanpassingen werden verricht. De contouren zijn weliswaar gebleven, maar er zijn wel hier en daar binnenmuren afgebroken. Maar beter zó, dan dat het was afgebroken. Want dat was gegarandeerd gebeurd als mijn vader het pand niet gehuurd en later aangekocht had. Het plan was om de rij huizen aan de Herenweg door te trekken en er zullen daarvan nog wel tekeningen in het archief van Heemstede zijn.

En er waren al zoveel mooie villa’s bij het landgoed verdwenen.

Zeker. Onze villa ‘Klein Berkenrode’ bijvoorbeeld. Herenweg 115. Een afbeelding van het huis heb ik nog.

 

Dan had je op Herenweg 113 de villa ‘Boszicht’, ook weg. En aan de overkant de grote villa’s Kennemerduin en Kennemeroord die later tot bejaardencentra zijn omgebouwd. En ik herinner mij dat er ook prachtige grote bomen aan beide zijden van de Herenweg stonden. Gelukkig gebleven is de mooie villa ‘Oud Berkenroede’, waar ik enkele jaren heb gewoond toen we na de dood van mijn vader in 1966 ‘Klein Berkenrode’ verlieten.
En u hebt het bedrijf toen voortgezet?
In 1964 kwam ik in het bedrijf. De directeur werd de heer De Wolf die in ons vorige huis aan het Frederik van Eedenplein kwam te wonen. Na de dood van de heer De Wolf heb ik de leiding van het bedrijf overgenomen. Er kwam echter meer concurrentie en we moesten toen de strategie wat aanpassen. Het topproduct bleven we trouw, maar er werd ook veel leer ingekocht, waarvan in onze fabriek in Hongarije handschoenen werden gemaakt. Ook gingen we damestassen fabriceren en tot diep in de jaren tachtig van de vorige eeuw had Laimböck een bijzonder goede naam. De Laimböck’s hebben zich altijd in hoogwaardige kwaliteit gespecialiseerd. Het moest vooral mooi zijn, dat had met de Tiroolse historie te maken: goed en mooi.
Dus had Laimböck een notabele klantenkring.
Ja, die uitstraling heeft via de verkoop in de Nederlandse Laimböck-winkels een grote bekendheid gekregen. Er ging in die tijd een prachtig verhaal rond over het koninklijke bal in het Paleis op de Dam. Het voorschrift van Koningin Wilhelmina was, dat de dames elegante handschoenen moesten dragen, de zogenoemde 16-knoops lederen handschoenen. En er waren veel dames die dat voorschrift van de lange handschoenen niet kenden. Toen ze op het paleis kwamen, werden ze aldaar door functionarissen van de hofhouding geweigerd. Maar er was een lakei die de diepbedroefde dames in het oor fluisterde, dat ze maar gauw naar de Kalverstraat moesten lopen, waar de firma Laimböck die handschoenen in voorraad had. En in onze zaak in Scheveningen kwam Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik af en toe een kopje koffie drinken en er met mijn tante over handschoenen praten. En in later jaren kwam Prinses Margriet wel op Berkenrode, samen met haar vriendin mevrouw Tineke Schröder, om daar enkele handschoenen uit te zoeken. Er was in de grote middenkamer een ontvangstzaal ingericht waar onze collectie lag uitgestald. We zijn dan ook Hofleverancier geweest.
En toen werd Berkenrode verlaten.
Ja, dat had toch diverse redenen. Allereerst werd het bedrijf vanwege het vernieuwde assortiment steeds groter waardoor er veel opslag moest plaatsvinden, vrachtwagens, containers en zo. Daar was eigenlijk geen plaats meer voor. Wel had ik aan de achterkant een aanbouw laten maken van 500 vierkante meter en het oorspronkelijke koetshuis werd opgeknapt. Dat was al eerder tot een dubbele garage verbouwd, met twee sets deuren die er nu nog zijn. We hebben de garage geheel opgeknapt en daarin is toen de kantine van Laimböck gekomen, die weer aangesloten was op de nieuwbouw. Maar het bleef toch te krap. In 1990 zijn we gefuseerd met Modana International Group en zijn nu uitgegroeid tot de handelsorganisatie Modana-Laimböck met een groter en moderner pand in Hoofddorp. Ik ben daar nog steeds directeur en de zoveelste generatie Laimböck is al in het bedrijf werkzaam in de persoon van mijn dochter Ellen. Ik heb Berkenrode toen een aantal jaren verhuurd, waarna het aan mijnheer Winnubst is verkocht.

U weet natuurlijk nog precies hoe ten tijde van de familie Bomans de indeling van Berkenrode was.

Ik moet nog ergens een plattegrond van Berkenrode hebben liggen. Ik weet inderdaad hoe het huis er vóór de verbouwing van binnen uitzag. De buitenwanden zijn altijd blijven staan; daar mocht niets aan veranderd worden, zeg maar de Franse vorm. Ook aan de dragende binnenmuren is niets veranderd; alleen zijn hier en daar wat tussenmuren verwijderd. De twee kamers aan de zuidkant, dus links als je voor Berkenrode staat, zijn nog intact. In het midden dus de grote zaal waar tijdens de oorlog de grote vleugel van de familie Bomans stond. Daarnaast een kleine kamer en vervolgens drie keukens. Tegenover de keukens had je een tweede ingang en daar tussenin was de kamer van Godfried. Dan had je aan de achterkant links en rechts van de hoofdingang twee open terrassen, die later dichtgemaakt zijn. Daar liep ook de marmeren gang en was de statige trap naar de eerste verdieping, waar zich diverse slaapkamers bevonden en later de zitkamer van mevrouw Bomans en zoon Jan was.

De herinneringen zijn gebleven…

 

Oh zeker. Mijn oudste herinnering is dat ik met mijn ouders bij de familie Bomans op bezoek ging. Dat was in 1944. Ik zie nu nog die prachtige grote hal voor me, met de lange rode gordijnen die links en rechts van de trap hingen, en die trap liep zo statig naar boven met die van koperen roeden voorziene traploper. En er was allerlei speelgoed, houten vliegtuigjes en auto’s. Ik heb toen in de marmeren gang met dat speelgoed zitten spelen. Dat was voor mij heel indrukwekkend.
Ja, en natuurlijk de anecdote over de dood van Bomans senior. Als je vanaf de voorkant naar Berkenrode kijkt, dan zie je een aantal dichte luiken. Op een feestje zei iemand een keer tegen me: “Is die kamer er nog steeds?” Ik wist even niet waar hij het over had. “Ja,” ging hij door, “toen de vader van Godfried Bomans overleden was, hebben ze uit piëteit de sterfkamer voorgoed afgesloten en sindsdien zijn de luiken voor dat raam altijd gesloten gebleven.” Ik kon hem vertellen dat achter die luiken Bomans senior beslist niet gestorven was. Feitelijk zijn die uiterst rechtse luiken een architectonische aanpassing om het evenwicht in de gevelverdeling te bewerkstelligen. Maar het was een mooi verhaal en ik proefde natuurlijk wel dat dit een veel geuite anecdote van Godfried betrof.
Ik herinner me ook nog goed dat mijn vader de grote vijver achter het huis heeft laten uitbaggeren. Toen kwamen de fundamenten van het voormalige kasteel tevoorschijn. Je kon nog precies de vorm zien van het laatste – eeuwenoude – Huis Berkenrode. Er is heel wat uit de modder gehaald: flessen, degens… ik heb hier nog steeds een paar flesjes uit die tijd.
En dan had je nog ‘De schat van Berkenrode’. Mevrouw Olga van Wickevoort Crommelin is na de dood van haar man met Jonkheer Van Swinderen getrouwd. Zij kwam wel bij mijn ouders en wist op een dag te vertellen, dat er een nooit gevonden schat op Berkenrode moest zijn. Mijn vader en mijnheer De Wolf zijn toen spastisch aan het zoeken gegaan. Onder de gang en de hal loopt een groot gewelf. Als je door de voordeur komt, loop je recht tegen een soort nis aan waar vroeger een beeld van Wilhelmina in stond. Daaronder bevindt zich een rond luik en via die opening kun je bij de fundamenten van Groot Berkenrode komen. Daar hebben ze gezocht, maar niets gevonden. Uiteindelijk zijn ze gaan zoeken in de pilaren van de trap, onder de trap en ik weet niet waar allemaal. Helaas is ‘De schat van Berkenrode’ nooit gevonden, dus die moet er nog steeds zijn…

Michiel Winnubst

Intro

De heer Michiel Winnubst is privé-eigenaar van het huis Berkenrode en directeur van Nordex B.V., een bedrijf van verpakkingsmaterialen met een kantoor op de bovenste verdieping van Berkenrode. Een lang gekoesterde wens van de heer Winnubst was een historisch boek over het Landgoed en de Heerlijkheid Berkenrode te doen samenstellen, waarin ook de voormalige eigenaren en bewoners voor het voetlicht kwamen.

Interview
Na het vertrek van Laimböck werd het huis Berkenrode verhuurd. Weet u nog aan wie?
Ja, dat was aan het reclame- en promotiebedrijf SC dat het hele pand van Laimböck huurde. Zelf zat SC op de begane grond en de tweede verdieping, terwijl op de eerste verdieping Kuiper Vastgoed zat. In de aanbouw zat toen al het makelaarskantoor Schotte en Strijbis. SC heeft het pand van binnen mooi opgeknapt, maar had al gauw aan de begane grond genoeg.
En dat was wanneer?
Eind 1995 zag ik dat er in Berkenrode kantoorruimte te huur werd aangeboden. SC had de leegstaande bovenverdieping niet meer nodig en die heb ik toen ondergehuurd, wel met medeweten van de heer Laimböck. Dat kwam ook zo in het contract te staan.
En daarna werd het pand door u gekocht.
Ja, dat was midden 1997. Het ging allemaal wat minder met SC en daarom voelde ik me als onderhuurder niet zo prettig. Ik heb toen een vastgoedbedrijf ingeschakeld om te bezien of het pand te koop was, maar wel zonder meteen namen te noemen. De firma Zadelhoff is hierna met Laimböck gaan praten zonder dat werd gezegd wie de opdrachtgever was. Laimböck was geïnteresseerd het pand te verkopen. Zadelhoff heeft toen de zaak vrij snel rond gekregen omdat Laimböck verteld werd dat de koper al als huurder op Berkenrode zat. Hierna kwamen we ook financieel gauw tot overeenstemming. SC verliet hierna het pand, Kuiper Vastgoed ging naar de begane grond en ik nam de eerste verdieping erbij, waar ik twee van mijn andere bedrijven in heb gevestigd.
En hoe is de huidige ‘bezetting’ van Berkenrode?
Kuiper Vastgoed heeft niet meer zo lang op Berkenrode gezeten, ik geloof een jaar. Ze betrokken het voormalige pand van de Heemsteedse politie aan de Cruquiusweg. Daarvoor in de plaats kwam ITC, het bekende zeeslepersbedrijf. Deze huurt nu de begane grond plus een deel van de eerste verdieping aan de zuidzijde. Het andere deel van de eerste verdieping wordt gehuurd door één van de twee andere bedrijven die ik bezat: MMF Transparant. En de bovenverdieping is geheel gerenoveerd en daar zit mijn eigen bedrijf Nordex B.V.
En moest er toen veel onderhoud gepleegd worden?
Dat viel mee. Aan de buitenkant was nooit wat veranderd omdat het een Rijksmonument is. Het was vrij goed onderhouden. Zo’n twee jaar geleden zijn we wel aan het restaureren geslagen. Al het houtwerk en de kozijnen heb ik laten vervangen en er zijn meteen dubbele ramen in geplaatst. Het pand is helemaal opnieuw geschilderd en er zijn op de bovenverdieping twee authentieke dakkapellen geplaatst, die qua vorm precies aansluiten op de kapellen aan de voorkant. Ook het dak is helemaal gerenoveerd en de dakspanten zijn nog in prima conditie. Af en toe moet er een afgewaaide dakpan worden vervangen en dat gaat binnenkort weer gebeuren. De schoorstenen zijn opnieuw met zink bekleed, zodat ze weer heel lang mee kunnen. En ITC heeft beneden ook veel opgeknapt. Het laatste wat daar is aangepast betrof een binnenmuurtje op de begane grond, dat feitelijk alleen maar een scheidingswandje was. Van twee vertrekken is toen één groot vertrek gemaakt.

Dat betrof het pand, maar hoe zat het met de tuin en de aanbouw?

De tuin lag er best netjes bij. De totale oppervlakte van het huis en de tuin bedraagt zo’n tienduizend vierkante meter, zeg maar een hectare. Daar zit het grasveld aan de voorkant en de zijkanten bij en aan de achterkant de parkeerplaats en nog een stukje weiland. We hebben hier een tuinman die de zaak goed onderhoudt. We zijn er toevallig wat extra mee bezig omdat er een paar bomen verrot waren. Die worden nu vervangen.
Ook de aanbouw aan de noordzijde hoort bij de aankoop en dat zag er ook nog prima uit. Daar was vroeger de garage van Berkenrode en die is door Laimböck verbouwd tot een kantine. Vanaf het huis loopt er een brede verbindingsgang naar die garage en het geheel wordt gehuurd door Athena Adviesgroep B.V., het voormalige makelaarsbedrijf Schotte Afak Boxsem.

En nog wat aanpassingen in Berkenrode zelf, zag ik. Er zit nu zelfs een lift in het gebouw en het terras tussen de twee uitbouwen aan de achterkant is dichtgemaakt en nu kantoorruimte.
Die lift zit er volgens mij al heel lang. Ik denk dat SC die heeft aangebracht toen ze het huis rigoureus hebben verbouwd en gerenoveerd. Ze zaten beneden en op de tweede verdieping terwijl Kuiper Vastgoed op de eerste verdieping zat. Vandaar waarschijnlijk die lift zodat ze niet binnendoor over de trap hoefden. Hetzelfde geldt voor de dichtgemaakte achterkant; die zat er ook al toen ik hier kwam. Maar voor de rest is er weinig veranderd. Het zijn nu natuurlijk allemaal kantoren en daar zal niet gauw verandering in komen. Verder wordt er niets meer aan het pand vertimmerd, want het moet toch als een monumentaal gebouw bewaard blijven.
En onder supervisie van Monumentenzorg.
Ja, het is een Rijksmonument en elk jaar komen mensen van Monumentenzorg het pand inspecteren. Dat is trouwens op mijn eigen verzoek, want je bent er niet toe verplicht. Ik heb een abonnement voor een jaarlijkse inspectie van het gebouw, want je kunt moeilijk zelf het dak op gaan. En ze kijken het pand consciëntieus na, want ze hebben altijd wel wat op te merken: een kleine ingreep op het dak, een en ander moet even nagekeken worden, hier een kleine verbetering of daar een reparatie. Zelf repareren ze niets maar als ze toch op het dak zijn, maken ze wel altijd de goten schoon en als er een dakpan scheef ligt, leggen ze die even recht. Vervolgens maken ze een uitgebreid rapport op en dat gaat naar een aannemer. Ik zorg er dan voor, dat de punten die zij hebben opgetekend in orde komen.
En het huis wordt bekroond door de beroemde Berkenrode-bel.
Ja, die bel hier op het dak. Dat is een oudje. Er gaat een verhaal rond dat een van de heren Van Berckenrode aanwezig was bij de ondertekening van de Vrede van Münster. Dat was in 1648. In welke hoedanigheid is niet bekend, maar het zal wel in een Hollandse delegatie geweest zijn. En toen de vrede getekend was, werd aan Van Berckenrode de bel aangeboden die daar in dat gebouw op het dak hing. De bel is zo op Berkenrode terechtgekomen en heeft daar lange tijd in het kasteel gehangen totdat hij hier op het dak is geplaatst. Tenminste, dat verhaal gaat van eigenaar naar eigenaar.

Johan Buiter

Intro

Johan Buiter is de tuinbaas op het landgoed Berkenrode. Reeds 22 jaar verzorgt hij niet alleen tuinen, parken, het bos, de vijvers en de weilanden, maar tevens is hij bij de familie Van Eeghen een soort huismeester die de panden op het landgoed bewaakt en waar nodig reparaties en ondersteuning verricht. Daarnaast heeft hij de zorg over een respectabel aantal kippen, huisdieren, paarden en ook nog eens de boomgaarden en moestuinen.

Interview

U woont vlak naast de enige toegang tot het Landgoed Berkenrode. In het befaamde koepelhuis aan de Herenweg.

Er is inderdaad maar één toegang en ook één hek dat goed kan worden afgesloten. Dat gaat ’s morgens om zeven uur open en ’s avonds in de zomer om halftien en in de winter om acht op slot. Er zit geen bel bij het hek en de voordeur van het koepelhuis, waar ik in woon, bevindt zich ook binnen het hek. Komt er dus iemand voor of na die tijd aanzetten, dan heeft die een probleem. Het landgoed wordt zo goed beschermd.

Dus de meisjes moeten met hun paarden voor die tijd binnen zijn.

Ja, er logeren hier heel wat paarden. Altijd ook geweest in de tijd van de Crommelin’s. Achter op het land bij de paardenweide staat nog een gedenksteen voor het paard Coco, dat daar begraven ligt. Vooraan op het landgoed is ook een buitenbak en het oude badhuis fungeert nu als stal.

Badhuis?

Ja, vroeger lag achter het huis Berkenrode een zwembad en daarbij was een badhuis geplaatst, waar men zich kon omkleden. Het is nu helemaal vervallen, maar het schijnt een mooi bouwwerkje geweest te zijn. Met beelden op het dak die jammergenoeg verdwenen zijn, vier vrouwenfiguren. De kleine vijver ligt er nog wel, maar erin gezwommen wordt er natuurlijk niet meer. Toen de vijver werd uitgebaggerd, kwam het zwembad tevoorschijn. Rond deze kleine vijver ligt de weide, zo’n 2 hectare, en die loopt door tot de grote vijver. Ja, voornamelijk paarden dus we hebben hier veel aanloop van meisjes die de paarden komen verzorgen.

Maar de meeste tijd besteedt u waarschijnlijk aan de tuinen en het park.

Daar gaat heel wat tijd in zitten. Er zijn moestuinen, boomgaarden en er wordt heel wat geteeld en verbouwd, ook in de kassen. En leiperen op de muur. Er is ook een kleine druivenkas. En dan de bomen in het bos en langs de rand van de weilanden. Aan de Herenweg-kant zijn er een aantal weggehaald, zodat de bewoners van Berkenhof nu een mooi uitzicht hebben over het weiland en het bos erachter. Het zijn populieren en wilgen, die ik langzamerhand allemaal ga vervangen door linden. Vroeger waren we nog met zijn tweeën, maar nu doe ik alles alleen. Elke dag begin ik om zeven uur. Dan gaat het hek open en begint de werkdag. Om die tijd ben ik echt niet alleen. Als ik bij het weiland loop, kom ik altijd een roedel vossen tegen, een mannetje, een vrouwtje en twee jongen. Ze hebben hun burcht op het grote weiland bij de vijver. En bij de Leidse Vaart zitten ook een paar burchten. Ja, je mag ze nu niet meer afschieten, hè. Je kunt afdoende maatregelen nemen om je kippen voor die vreters afdoende te beschermen, zeggen de heren die alles voor ons regelen.

Tuinbaas, let op je kippen…

De vossen hebben wel geprobeerd onder het hek door te graven om bij onze kippen te komen, maar het hek zit 60 centimeter in de grond en op een halve meter en twee meter zit een schrikdraadje met 6000 volt erop. Dat vinden ze niet leuk. Het is ook echt nodig geweest dat we wat maatregelen namen, want in de beginjaren dat ik hier zat, zijn we wel zo’n paar honderd kippen kwijtgeraakt.

U bent niet midden tussen de weilanden en de tuinen gaan wonen zoals u voorganger.

Nee, daar woonde inderdaad mijnheer Schuurmans, de voormalige tuinbaas van Berkenrode. Het huis wordt nu bewoond door de familie Duinker. Er is wel wat verbouwd in het huis, maar nog vrij origineel gebleven. Met een bel op het dak. Die werd niet alleen geluid als het tijd was voor het middageten, maar ook als er telefoon voor je was of als iemand je nodig had. Want het landgoed is behoorlijk groot, 20 hectaren, en je kon overal zitten. Ook had je vroeger natuurlijk nog geen gsm.

En de varkens zijn er niet meer, heb ik begrepen.

Ook dat is zo. Achter het huis lagen varkensstallen, waar mijnheer Schuurmans met mijnheer De Bie varkens hielden. Ik ben er mee doorgegaan, maar tegenwoordig moet je aan heel wat eisen voldoen en dat was met de 200 varkens en 25 zeugen die we hadden niet meer te doen. Ja, in de tijd dat je ze met de kliek van de bejaardenhuizen kon voeren, ging het nog wel. We gingen dan met de kar langs en haalden het restant eten op. Toen was het nog wel te doen en verdiende je er nog wat aan. Maar in 1990 hield dat op en toen zijn we overgegaan op paarden. In de winter staan ze binnen in de opgeknapte varkensstallen. Dan breng ik ze naar buiten en voer ze, maar in de zomer staan ze hier in de wei. Daarnaast zitten er ook nog 250 kippen in de oude stallen. Die lopen normaal gesproken buiten, maar ik heb nogal wat nieuwe kippen en die moeten eerst wennen om de eieren op de juiste plaats te leggen. De eieren worden particulier verkocht.

Hoe is de toestand van het bos? Er zijn in de laatste vijftig jaar heel wat bomen bijgekomen, hoorde ik een tijdje geleden.

Klopt. Ik heb een luchtfoto uit 1928 van Berkenrode en daarop zie je in het bos amper een boom. Wel hier en daar langs de lanen, zoals in de beukenlaan, maar het was natuurlijk een productiebos. Vooral iepen en het hout daarvan werd gebruikt voor de wagenmakerij.

Maar nu staat het bos er weer prima bij. Af en toe moet er wat dood hout uit of een boom die het begeven heeft, maar dat hoort bij het onderhoud van een bos. De reeën zullen we vandaag echter niet tegenkomen.

Zitten er herten op Berkenrode?

De grootste populatie was acht vrouwtjes en een mannetje, maar toen moest van Faunabeheer het mannetje er tussenuit geschoten worden omdat het bos niet groot genoeg was voor een verantwoord hertenbestand. Tja, zo gaat dat. Er zit hier trouwens heel wat flora en fauna. Na de winter ziet het op Berkenrode wit van de sneeuwklokjes. En in de lente staan de rododendrons prachtig in bloei. We hebben slechts een paar berken, maar wel veel populieren. In de winter ga ik met de motorzaag het bos in en zaag het dode hout eruit en af en toe wat dunnen om de rest wat meer kans te geven. Ook hou ik in de gaten of er bomen op andere percelen kunnen vallen. Maar de tijd voor een serieus onderhouds- en beheersplan heb ik gewoon niet. Want er staan een paar heel oude bomen in het bos en die zouden wat meer ruimte moeten hebben. Een van de populieren en een paar beuken zijn vele eeuwen oud.
Wat de fauna betreft valt hier ook wel wat te beleven. We hadden een grote populatie reigers maar die zijn gewoon door de nijlganzen verjaagd en zitten nu in het bos bij Kennemeroord aan de overkant van de Herenweg. Aan die ganzen mag je trouwens ook niets doen, want die zijn beschermd. Verder zitten hier een boomvalk en een buizerd. Van die laatste zie je in paringstijd er vijf, maar de rest van het jaar één. En in de grote vijver zitten heel wat karpers, dus de reigers blijven hier wel komen.

Met die vijver heeft u ook wel wat te stellen, denk ik.

Ja, die moet niet dichtgroeien. In het totaal is er op Berkenrode één hectare water. De grote vijver bestrijkt daar natuurlijk het grootste deel van. In de breedte is de vijver toch wel zo’n 200 meter en in de lengte, zeg maar dwars op de Leidse Vaart, zo’n 100 meter. Op het eiland in het midden van de vijver komen we nooit, want er valt niet veel te vinden. En een bevroren vijver komt tegenwoordig ook weinig meer voor, anders zou je er even op kunnen gaan. Aan de kant van de villa van mijnheer en mevrouw Van Eeghen liggen in de vijver nog de fundamenten van het kasteel.

En bent u wel eens in de oude vluchtgang van het kasteel geweest?

Nee, die was al dichtgemaakt toen ik hier kwam en ik weet niet precies waar hij loopt.

Dat kunt u straks in het boek vinden.

Ik ben heel benieuwd!

BERKENRODE ZIE OOK: https://landhuisberkenrode.wordpress.com/landhuis-berkenrode/kenmerken/

‘Geen woningbouw bij Berkenrode’ (Erik van Westerloo in de Heemsteder, 24 oktober 2018)

Eigenaar Landgoed Berkenriode ziet af van bouw woningen; door Erik van Westerloo, de Heemsteder 7 november 2018