Schoutenfamilie de Goyer vereeuwigd door Adriaan van Ostade

In het oude deel van het Heemsteedse Raadhuis bevinden zich drie levensgrote portretten van voormalige burgemeesters.

1) Jonkheer mr. D.E. van Lennep, die van 1891 tot 1916 burgemeester was. De in zijn tijd gevierde portretschilder Willy Sluiter (1873-1949) maakte dit schilderij in 1916 in de werkkamer van ‘Kennemerduin’, waarbij de scheidende burgemeester bewust zijn hand op de Gemeentewet houdt – aldus herinnert zich zoon jhr. Hugo van Lennep meer dan drie-kwart eeuw na dato;

Portret burgemeester D.E.van Lennep

Portret burgemeester D.E.van Lennep door Willy Sluiter

2) jonkheer J.P.W. van Doorn (1884-1953). Van 1916 tot 1949 burgemeester met een onderbreking tijdens de bezettingsperiode. Op 30 juni 1949 is hem bij gelegenheid van zijn afscheid een portret aangeboden, vervaardigd door de Haarlemse kunstschilder Otto B. de Kat;

Portret burgemeester van Doorn door Otto B.de Kat

Portret burgemeester J.P.W. van Doorn door Otto B.de Kat

3) mr A.G.A. Ridder van Rappard (1907-1970), burgemeester van 1950 tot zijn overlijden. Dit fraaie schilderij van plaatsgenoot C.W. Mandersloot (gesigneerd: Mander) is naar foto’s vervaardigd. Van Rappard is lopend in het wandelbos Groenendaal afgebeeld.

Portret burgemeester A.G.A. Ridder van Rappard door Cor Mandersloot

Portret burgemeester A.G.A. Ridder van Rappard door Cor Mandersloot

In de burgemeesterkamer hing voorts enige tijd na ontdekking in de archiefkelder een getekend portret van mr. M.S.F. de Moraaz Imans (1821-1861), van 1850 tot 1853 burgemeester van Heemstede, die kort voor zijn overlijden is geportretteerd door de bekende kunstenaar uit de Haagse School Anton Mauve. [Intussen verhuisd naar atlas van het Noord-Hollands Archief in Haarlem].

Tekening van burgemeester Heemstede mr.M.S.F.de Moraaz Imans door Anton Mauve

Tekening van burgemeester Heemstede mr.M.S.F.de Moraaz Imans door Anton Mauve

Van de vroegere burgemeesters Dólleman, mr. M. Pabst en mr. C. van Lennep bestaan geen getekende of geschilderde portretten. Na de opbloei van het economisch en kultureel leven in de Gouden Eeuw kwamen ook de omliggende ambachten in beeld, Gerrit en Dirk Bleeker bewoonden een kleine buitenplaats in Groenendaal (‘De Driesprong’), evenals het kunstenaarsechtpaar J.M. Molenaer Judith Leyster (‘Het Lam’). Bartholomeus van der Helst, Molenaer en Hennekijn schilderden gedrieën in de zomer van 1654 in de boomgaard van Huis te Manpad. De kwakel, een voetbrug over de Zandvaart, is niet slechts via etsen van Hendrik Spilman bekend, maar evenzeer dankzij tekeningen van Adriaan van Ostade, Jan van Goyen en Pieter Molijn. De in Haarlem geboren, getogen en overleden kunstschilder en graveur Adriaan van Ostade (1610-1685) vervaardigde omstreeks 1650 een doek van de schoutenfamilie De Goyer. Deze zijn afgebeeld in diens woonhuis, het zogeheten Nederhuys, nabij het Kasteel. Dit ongesigneerd paneel, 63 x 51 centimeter, bevindt zich thans in Museum Bredius te ’s Gravenhage. Uit archivalisch onderzoek kennen we de namen der afgebeelde personen. Dat zijn van links naar rechts: schout Hendrik de Goyer, zijn schoonzuster Catharina Questiers, zijn echtgenote (en zuster van Catharina) Maria Questiers en staande de kunstschilder Adriaan van Ostade

Het schilderij nader bekeken

V.l.n.r. Hendrik de Goyer (zittend), Catharina Questiers met papier en rechts zittend haar zuster en echtgenoot van De Goyer Maria Questiers. Daarachter staat de kunstschilder Adriaan van Ostade

Het in deze bijdrage te beschrijven doek is in het begin van de 19e eeuw aangekocht door de grootvader van kunstkenner en verzamelaar dr. A. Bredius (1855-1946). Laatstgenoemde besloot in 1922 in Monaco te gaan wonen en droeg zijn rijke privé-collectie in het 17de patriciërshuis, Prinsessegracht 6, over aan de gemeente Den Haag, op voorwaarde dat deze het als Museum voor het publiek zou openstellen. Lange tijd hebben kunsthistorici, zoals dr. W. Martin (directeur van het Mauritshuis) gemeend dat de volumineuze jongedame op de voorgrond de dochter des huizes was, tot men een inventaris uit 1684 ontdekte van het bezit van Geertruida Questiers, een zuster van beide afgebeelde dames, waarin het schilderij als volgt staat omschreven:”een conterfeytsel van de Heer de Goyer en syn huysvrou, benevens Catharina Questiers en Ostade die het geschildert heeft”. Hendrik de Goyer is in 1643 getrouwd met Maria Questiers, toen wonend op de Keizersgracht te Amsterdam. In voornoemd testament wordt tevens melding gemaakt van een door de Koning van Frankrijk aan Hendrik de Goyer geschonken gouden medaille aan een keten met 84 schakels. Of deze ketting zich nog ergens bevindt is niet bekend, maar wel staat vast dat de dienaar van Adriaan Pauw dit eerbetoon van Lodewijk XIIII ontving bij gelegenheid van de ambassade der staatsman-ambachtsheer Pauw als stadhouder van de lenen, vervolgens ook rentmeester. Hij maakte 13 jaar later promotie als schout van Heemstede tot hij in 1653 naar Texel verhuisde. Het huwelijk met de Amsterdamse Maria Questiers bleef kinderloos. De schout woonde met zijn echtgenote in het linker bouwhuis, waarin zich thans cultureel centrum ’t Oude Slot zich bevindt. De Glas-in-lood ramen zijn verdwenen, maar de ronde toegangsdeur links is nog zichtbaar. Hetinterieur op het doek is sober gemeubileerd. Boven de deur en rechts daarvan hangen geschilderde portretten van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik, mogelijk kopieën van M.J. van Mierevelt of een andere hofschilder. Opmerkelijk is het rechter schilderij met de beeltenis van een zeer dikke dame. Mevrouw de Goyer houdt een brief in de hand. De schilder heeft zichzelf op de achtergrond geplaatst; zijn rechterhand houdt hij op het hart, een handgebaar dat volgens Hoetink (1) op trouw en standvastigheid zou wijzen. Een vroegere veronderstelling dat symbolisch uitgedrukt zou zijn een (afgewezen) huwelijksaanzoek van de ongeveer 40-jarige schilder (weduwnaar sinds 1643) richting Katharina is onaannemelijk. De Amsterdamse joffer die later een naam zou verwerven als schrijfster van gedichten en toneelstukken, geroemd door Joost van den Vondel, had op het moment dat het doek omstreeks 1650 ontstond nog geen publicaties op haar naam staan. Een vertaling van Lope de Vega uit het Spaans verscheen eerst op 24-jarige leeftijd in 1655 toen haar schoonfamilie Heemstede had verlaten en op het eiland Texel woonde. Kunsthistoricus Adolph Staring schreef in 1956: Ostade treedt hier op als maatschappelijk gelijke van deze dorpsnotabelen, al neemt men hier niet veel notitie van hem in de aandacht voor de pose. De schilder toont zich hier, omstreeks 1650, op het hoogste van zijn kunnen. Misschien moet men dit stuk zijn meesterstuk noemen; de stille atmosfeer, dit alles verbindt, vindt men op geen ander werk zo volmaakt terug”. (1) Ostade is hier ongeveer 40 jaren oud, weduwnaar sinds 1643 van Mechteltje Pieters. In 1657 zou hij de Amsterdamse Anna Ingels huwen. In hetzelfde katholieke milieu als de Questiersen. Misschien waren de bevriende de Goyers een tussenschakel,

Titelblad van blijspel 'Casimier of gedempte hoogmoet' door Catharina Questiers. 1656

Titelblad van blijspel ‘Casimier of gedempte hoogmoet’ door Catharina Questiers. 1656

Leven en werken van Hendrik de Goyer

Helaas ontbreekt tot op heden een genealogie van deze familie. We komen in de 17de eeuw deze familienaam veelvuldig tegen in o.a. het Gooi, Amsterdam, Utrecht, alsmede Haarlem en omgeving. Telgen uit de befaamde kunstschildersfamilie Ruisdael zijn in Naarden geboren; hun grootvader kwam uit Blaricum en heette De Goyer. Slechts bekend is dat Hendrik de Goyer in Amsterdam woonde vóór zijn benoeming op 19 mei 1631 in dienst van Adriaan Pauw. Vermoedelijk was hij een kleinzoon van Hendrik Cornelis de Goyer die. op het Rokin domicilie had en 4 mei 1595 in dé Nieuwe Kerk is begraven. Na zijn verhuizing naar Heemstede bewoonde H. de Goyer eerst een huis met erf nabij de Kerk aan De Voorweg, groot omtrent 19 roeden (= 266 vierkante meter). Op 1 september 1643 beloofde Pauw aan zijn rentmeester, dat indien deze na zijn huwelijk de werkzaamheden zou voortzetten – die kennelijk hoog gewaardeerd doch matig betaald werden – De Goyer boven de 600 gulden tractement per jaar nog een op f 400,- extra kon rekenen. Toen 9 september van dat Jaar Johan van Asch overleed werd H. de Goyer beëdigd tot schout, bovendien baljuw (rechter binnen het kasteelterrein) en kastelein (Slotbewaarder). Dominicus van Hove bleef secretaris van de Heerlijkheid. Als nieuwe schout kreeg de intussen met Maria Questiers gehuwde De Goyer twee kamers ter beschikking in het Nederhuis op het Nederhof (= voorplein), dat tevens als stalling van paarden en koetsen in gebruik was (2). In 1645 zijn voor vierduizend gulden het bouwhuis, de poorten en schuren bij het Kasteel gerenoveerd; één jaar nadien is de fraaie Hoflaan aangelegd, evenals de Heerenlaan (thans Kerklaan) als doorgangsweg van het Slot naar de Heerenweg. Uit enkele actes blijkt dat een zuster van De Goyer óók na zijn huwelijk bij hem inwoonde. Hendrik de Goyer zorgde voor de inkomsten van door de Ambachtsheer verpachte landerijen en huizen, was betrokken bij limietscheidingen, kontroleerde of men zich aan de geldende regels (“Keuren en Ordonnantien”) hield en vervulde een bemiddelende rol bij familie- en arbeidsconflicten. Als schout heeft hij tientallen overdrachtsactes van huizen en herbergen ondertekend, zoals van Groenendaal (1644), Bethlehem (1949), Emaus (1650), Huis te Bijweg (1653), De Driesprong (1653) etc. Zowel in het Gemeentearchief Heemstede als in het Rijksarchief van Noord- Holland en Stadsarchief Haarlem zijn talrijke charters met zijn handschrift overgeleverd (3). Ter illustratie volgen een drietal voorbeelden van zijn werk zoals vastgelegd in het Heerlijkheidsarchief. Dirk Adriaans, meester-smit te Heemstede, had een knecht in dienst. Bij afwezigheid van de patroon die in Haarlem moest zijn zou de knecht niet doorgewerkt hebben en vervolgens ontslagen zijn, waarmee deze echter niet accoord ging. De knecht protesteerde bij rentmeester en baljuw van Kennemerland. Op 21 juli 1643 kwam de dienaar van de baljuw naar Heemstede om de zaak te onderzoeken en verzocht Dirk Adriaanse zijn ontslagen werknemer wederom in dienst te nemen. Tijdens de zitting bleek dat Hendrik de Goyer de schriftelijke rapportage over het arbeidsconflict nog niet had gelezen. Tien dagen later, 31 juli, kwam de assistent-baljuw terug en bezocht de rentmeester “ten Huijse van Heemstede in ’t comptoir”. Hendrik de Goyer had de op deze zaak betrekking hebbende actes nog niet gelezen. Smit en ontslagen knecht werden bijeengeroepen en men kwam tot een accoord, waarbij werd afgesproken dat de zaak met de Heer van Heemstede zou worden afgehandeld. Uit het verslag blijkt dat de knecht “tot satisfactie” bij de smit in Heemstede is blijven werken. Op 21 januari 1644 maakte de zoon van de Ambachtsheer Gerard Pauw, heer van Rietwijk, in gezelschap van Hendrik de Goyer met een paardeslee een inspectietocht op het ijs van ’t Spaarne dwars door de Haarlemmermeer richting Rietwijkeroord om te kontroleren of op het ijs geen tenten zonder vergunning van de schout stonden waar bier werd getapt. Drie februari 1644 ging het om een uitgebreider gezelschap, bestaande uit de Ambachtsheer, zijn echtgenote, hun zonen Gerard en Adriaan Pauw, “de rentmeester De Goyer en syn Huysvrou”, evenals oud-schepen Anthony van Aelst, en Jan Dirk Huygen, vaartmeester op de Princenzandvaart. Thans maakt men gebruik van twee paardesleeën. Doel van de Inspectietocht was de grenzen te kontroleren en jurisdictie behorende tot de Heerlijkheden Heemstede, Rietwijk, Rietwijkeroord, Nieuwerkerk, Schalkwijk en Vijf huizen. “Tot dien eynde reden zy eerst tusschen ’t Eyland genoemt De Mient, en ’t land van Schalkwyk, voorby de vogelkooy, de Vyfhuysen, en de Molenhoek tot aen en in de Spieringmeer, die sy overreeden na Nieuwerkerkerliede en vandaer tot het land van Nieuwerkerk de hoeken langs de Hellemeer voorby de scheidpenning alwaer omtrent het scheyd tusschen Rijck en Nieuwerkerk, voorts langs de Meer voorby het Rycker kerkhoff ’t welck in de Meer legt, langs het Rycker veer de Nieuwe Meer in en voorby de ton (=vuurtoren), op het land van Rykeroord staande (…)”, waarna men via de grens met Aalsmeer en Bennebroek terugkeerde. Besloten werd jaarlijks bij de aanstelling van nieuwe schepenen een inspectietocht (‘Meerschouw’) te houden, mede om afkalving van land door het Haarlemmermeer in de gaten te houden. Na meer dan twintig jaar Adriaan Pauw in Heemstede te hebben gediend volgde op 11 februari 1653 de officiële benoeming tot schout, baljuw en dijkgraaf van het eiland Texel (4) en is bij begin april als schout opgevolgd door Bartholomeus van Hove, die sedert 1649 secretaris van de Heerlijkheid was. Opmerkelijk is dat hij na het afleggen van de schoutseed in Den Burg nog enige malen officieel in Heemstede optrad. Op 28 april 1653 als last en procuratie vanwege ziekte van de nieuwe eigenaar Johan Fabry voor landgoed ’t Clooster. Voorts op 29 december 1653 vermoedelijk vanwege zijn jarenlange ervaring als oud-rentmeester bij de verdeling van grondbezit en jurisdictie tussen Heemstede en het zelfstandig geworden Bennebroek. Hendrik de Goyer kocht van de dienst der Domeinen het zogenaamde Rentmeesters- of Schoutshuis aan de Vismarkt in Den Burg. De woning dateert uit de late middeleeuwen en is het eerste Texelse huis van baksteen gebouwd. Hij liet omstreeks 1661 een fraaie gevel aanbrengen in Hollandse renaissancestijl. Sedertdien is het de woning geweest van alle Texelse schouten. Dit gebouw bestaat in 1993 nog steeds en is momenteel een onderdeel van het hotel ‘De Lindenboom- Texel’, Groeneplaats 14. (5) Interessant is dat vroeger de kelder van het schoutshuis als gevangenis werd gebruikt en dat via de tuin de gevangenen voor berechting naar het raadhuis konden worden gebracht. In 1672 is Hendrik de Goyer kinderloos overleden. O.a. het schilderij van Adriaan van Ostade is gelegateerd aan zijn schoonzuster Geertruid Questiers.

Katharina Questiers en haar familie (6)

David Questiers, afkomstig uit leper, kreeg in 1591 het poorterrecht van Leiden. Diens zoon Salomon David (1590-1637) vestigde zich in Amsterdam en was van beroep pompenmaker ofwel loodgieter. Tevens maakte hij enige naam op literair gebied als dichter en toneelschrijver. In 1613 gehuwd met Elysabeth Jansdochter zijn uit deze echtverbintenis zes kinderen gesproten, van wie Maria (geb. 1615), woonachtig aan de Keizersgracht, die met Hendrik de Goyer trouwde, de oudste was. Dochter Petronella huwde in 1645 met de bouw meester Philip Vingboons. De twee jongste kinderen erfden de literaire begaafdheid van hun vader. Zoon David was een (middelmatig) dichter en dochter Katharina (geboren 21 november 1631) wordt door tijdgenoot J. Blasius beschreven als een mooie, veelzijdig begaafde vrouw, die de dicht-, teken-, penen schilderkunst beoefende, werken vertaalde uit de Spaanse literatuur en voorts fraai borduurde, boetseerde en er een penning- en schelpenverzameling op nahield, ïn diverse 17de eeuwse bloemlezingen komen gedichten van haar hand voor en tevens zijn toneelstukken gepubliceerd en opgevoerd in de Nieuwe Schouwburg te Amsterdam. Zij is geprezen door Jan Vos, Snellinx, Oudaen, Pels, Cornelia van der Veer en Constantijn Huygens. In een brief aan laatstgenoemde als “la grosse dondon d’Amsterdam” getypeerd. De prins onzer dichters Vondel wijdde zelf drie gedichten aan haar, in 1654, 1661 en bij haar overlijden in 1669. Hij prijst haar schoonheid van lichaam en geest en vergelijkt haar dichtkunst met de Griekse lyrische dichteres Sappho. Met name de familie Questiers stond in de Amstelstad bekend als een geachte katholieke familie. Vanwege De Goyer’s funktie in dienst van Pauw heeft men dit geloof in Heemstede niet openlijk kunnen belijden. Mede onder invloed van zijn vrouw zou schout voorkomt van niemand minder dan Hendrik de Goyer in 1655 weigeren medewerking te verlenen aan de wens van felle predikanten het bezit der roomse parochie op Texel te confisqueren. F. Danck schilderde een portret van De voorstelling wordt vanwege de “de Maagd aan ’t IJ”, wier lijfspreuk was “lck min de vryheydt” tot zij op 33-jarige leeftijd in het huwelijk trad met de koopman Jan de Hoest. Dat zij tevens op ongeveer 20-jarige leeftijd op een groepsportret voorkomt van niemand minder dan Adriaan van Ostade is te danken geweest aan haar zwager Hendrik de Goyer, overigens de enige 17e eeuwse schout van Heemstede van wie een afbeelding is overgeleverd. De voorstelling wordt vanwege de doordachte structuur in de compositie met recht tot één der meesterwerken van de Gouden Eeuw gerekend.

Door Catharina Questiers gegraveerd frontispice bij haar blijspel 'Den geheymen minnaar', 1655 (Malou Nozeman)

Door Catharina Questiers gegraveerd frontispice bij haar blijspel ‘Den geheymen minnaar’, 1655 (Malou Nozeman)

Noten

(1) Literatuur: H.R. Hoetink, Adriaan van Ostade (1610-1685); de familie De Goyer met de schilder. Openbaar kunstbezit, 8e jaargang 1964. W. Martin, De Schilderkunst in de tweede.helft van de zeventiende eeuw. Amsterdam, 1950, blz. 84-85.  A. Staring, De Hollanders thuis: gezelschapsstukken uit drie eeuwen, ‘s- Gravenhage, 1956, blz. 78-80.

(2) Manuscript Dólleman, blz. 198. Het Nederhuis dat dateert uit 1636 komt voor op een fraaie gravure van Cl. Visscher uit omstreeks 1642.

(3) Kopieën hiervan in Heemstede collectie van het Noord-Hollands Archief; documentatiemap Hendrik de Goyer.

(4) De functie van baljuw van Texel was bijna 2,5 eeuw eerder vóór 1398 door ridder Jan van Heemstede vervuld.

(5) Informatie over het verblijf van De Goyer op Texel werd in dank verkregen via de heer C.J.G. van Empel, bureau Interne Zaken, Afd. Archief in Den Burg.

(6) Genealogische informatie over Questiers is te vinden in een artikel over Philip Vingboons, in: Oud-Holland, XXVII, 1909, blz. 199-200. Biografische informatie over Salomon Davidsz. Questiers, alsmede zoon David en dochter Katharina in onder meer: Nieuw Nederlandsch Biographisch Woordenboek, deel 2, kolommen 1145-1146 en in: Met en zonder lauwerkrans; schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850: van Anna Bijns tot Elise van Calcar. Hoofdstuk: Catharina Questiers, blz 316-321. (Amsterdam University Press, 1997).

Hans Krol