Van duinmeiershuis via herberg tot pannekoekenhuis De Konijnenberg deel l

In vroeger eeuwen speelde zich het sociale leven met name van de mannen voor een belangrijk deel af in de talrijke kroegen. Gedurende de late middeleeuwen was de Hout, eigendom van de Heren van Heemstede, een poel van verderf waar aldus een oorkonde uit 1535 een “groote menighte van rabauwen, hoeren ende boeven ende ander quaet ongeregelt volck” te vinden was en “foertsen (=gewelddaden), moorden, dootslagen, gewelt, luxuriën, vloucken, zweeren, dobbelen ende andere veele sonden gebueren ende geschien” (1). Vermoedelijk heeft de vroedschap van de Spaarnestad de zaken wat overdreven voorgesteld, omdat de Haarlemmers buiten de stadspoorten op Heemsteeds grondgebied wijn en bier dronken met als gevolg dat de stad inkomsten uit accijnsen miste. Naast zekere herbergen met een kwade naam waren er ook goede taveemes. In deze periode telde het dorp Heemstede 4 tapperijen en lagen er liefst 11 – de stad Haarlem beweerde 18 of 19 – in de Haarlemmerhout, binnen de jurisdictie van de Heemsteedse ambachtsheer. Na talrijke strubbelingen tussen Haarlem en Heemstede en processen gevoerd bij het Hof van Holland en zelfs de Grote Raad van Mechelen, toenmaals het hoogste rechtscollege in de Nederlanden, is door Landsheer keizer Karel V bepaald dat géén accijnsvrije drank mocht worden getapt binnen een straal van 500 roeden van het grensgebied van Haarlem tot ongeveer het Bernardietenklooster (thans “Hageveld”). Vervolgens na een accoord tussen het stedelijk bestuur en ambachtsheer Roeland Ie Fèvre bevestigd en op 3 augustus 1537 “onder den Lyndenboom” in Heemstede aan de burgerij medegedeeld. Een gevolg was mede dat de brouwerijnijverheid die enkel aan Haarlem voorbehouden was sterk afnam (2). Na bijna een kwart eeuw van rust verschenen weer nieuwe herbergen in de Haarlemmerhout in de dertiger jaren van de 17de eeuw. Blijkens een aantekening is in 1766 door de lokale tapperijen 24.800 stoop wijn en brandewijn gebruikt, overeenkomend met ongeveer 62.000 liter. Een lijst van herbergen in de Heerlijkheid uit 1792/1794 vermeldt exclusief de Hout de namen van 18 herbergen en hun uitbaters (3). H.H.B. Binnewiertz (1854) noemt in zijn lijst van ambachten, bedrijven en neringen 23 herbergiers en tappers, qua aantal slechts overtroffen door de 24 kleerblekerijen. Dertien jaar later was het aantal blekers afgenomen doch het aantal kasteleins gestegen tot 27, naast nog 4 sociëteithouders en 4 biljarthouders.

Concentraties van herbergen bevonden zich in Crayenest (de Hout, aan de Dreef en Meester Lottenlaan), Binnenweg, Heerenzandvaart, de Glip en de Herenweg (in de middeleeuwen “Mannepadt” geheten). Langs de Heren- of Wagenweg lagen diverse herbergen om de reiziger gelegenheid te bieden zich te laven aan een “verversching”. Van noord naar zuid lagen aan de Herenweg: “Den nieuwen Hout ofte Koedrift” en aan de overzijde van de weg het “Doornboomje” (thans Zomerlust), ‘het Dronckenhuisje” (thans Eindenhout), “de Dorstige Kuil” (ter hoogte van Kennemeroord), het “Posthuis”, waar zich in later tijd tevens een tapnering bevond ten gerieve van de passagiers der postwagens, het “Bonte Paard”, op de hoek van de Kerklaan, later Lommeroord, thans een benzinestation). Vervolgens “De Konijnsberg” en in Bennebroek “De Geleerde Man”. Herbergen waren herkenbaar aan een uithangbord; de tapperij tussen Meer en Berg en Het Manpad beschikte over een uithangbord met daarop afgebeeld een heuvel en spelende konijntjes en daaronder in letters “De Konijnsberg”, in de archieven overigens vaak ook met “Konijneberg” aangeduid. Onderzoek naar de historie van herbergen in onze streek is vooral omstreeks 1980 verricht, in welk jaar op diverse plaatsen tentoonstellingen zijn georganiseerd onder de titel “Van Drinken en Klinken in Kennemerland” (4). De Konijnenberg is al meer dan 2,5 eeuw onder deze naam bekend. Van 1737 tot 1859 gelegen aan de oostzijde van de Herenweg en vervolgens aan de overkant: Herenweg 33 (vroeger 17). Het was een herberg, eigenlijk tapnering, omdat nimmer sprake was van logement. Het nieuwe café/koffiehuis heette vroeger “Vanouds de Konijnenberg” en thans bevindt zich hier een gerenommeerd pannekoekenhuis. Bij het opruimen van oude paperassen uit het bezit van haar overleden echtgenoot, dr. O.H. Dijkstra, schonk de weduwe 3 juni j.l. twee foto’s met afbeeldingen van Heemsteedse herbergen. Eén daarvan stelt de “Konijnenberg” voor, aanleiding voor een beknopt geschiedkundig overzicht (5).

O.a. W.H.Gerlings, burgemeester van Heemstede en Bennebroek van 181 tot 1837, beschikte over het recht om konijnen te vangen in de duinen van Zuid-=Kennemerland. Bericht uit het Algemeen Handelsblad van 11-7-1837.

O.a. W.H.Gerlings, burgemeester van Heemstede en Bennebroek van 181 tot 1837, beschikte over het recht om konijnen te vangen in de duinen van Zuid-=Kennemerland. Bericht uit het Algemeen Handelsblad van 11-7-1837.

17de eeuws duinmeiershuis omgezet in herberg

Op 5 april 1461 schonk hertog Philips van Bourgondië aan het St. Elisabeths Gasthuis in Haarlem een partij duinen tussen de Herenweg en het Spaame onder Heemstede ter ontginning in een eeuwigdurende erfpacht van 40 schellingen. Bevestigd door Heer Jan van Heemstede 12 oktober 1462, waarmee een belangrijk deel van het ambacht in erfpacht aan het Gasthuis kwam. Van deze duinen is de zogeheten “Konijnenberg”, een vanouds met dennen begroeid heuveltje nabij de oprijlaan van Meer en Berg/ Groenendaal nog een overblijfsel (6). In de 17de eeuw bevond zich bij genoemde heuvel het huis van één van de duinmeiers, toezichthouder van een gedeelte der duinen of “wildemisse”. Transportaktes van dit huis van vóór 1701 konden tot op heden niet worden achterhaald en zijn vermoedelijk niet bewaard, wél is in de archieven het nodige te vinden over de funktie en taken van een duinmeier, enigszins vergelijkbaar met de milieucontroleur hedentendage. Al in de 16e eeuw is sprake van een duinmeier in Heemstede. Deze uitvoerende ambtenaar ressorteerde onder de houtvester particulier van de duinen, een nevenfunktie van de schout, die rechtstreeks verantwoording schuldig was aan de Ambachtsheer. Ten tijde van het bestuur van Adriaan Pauw telde het uitgestrekte ambacht tenminste drie duinmeiers: één in de Hout, één in Heemstede en één in Bennebroek (welke laatste in het pand “de Corte Eist” woonachtig was (7). Tot de taken van de duinmeier behoorden kontrole op naleving van ordonnanties en keuren zoals verboden als het kappen van bomen en het jagen óp konijnen in de duinen en wildemisse. Voorts was hij betrokken bij de verhuur van stukken duingebied en bereidde de (half) jaarlijkse schouw van de helmbeplanting e.d. voor die door de Ambachtsheer en houtvester geschiedde. Op 14 mei 1672 liet Heer Gerard Pauw een nieuwe duinmeier de eed afleggen ten overstaan van de schepenen. Ruim acht jaar later werd met de verschillende eigenaren van de Heemsteedse duinen een kontrakt afgesloten met de duinmeier teneinde de duinen met helm te beplanten alsmede te bevrijden van een overschot aan konijnen voor een bedrag van f 1.450,-. De oudst overgeleverde aktes van het oude duinmeiershuis aan de Herenweg dateren van 1701/1702. De duinmeier had toen al een ander pand betrokken. Zekere Dirk van Klinkenberg, koopman in zeep en zout, tevens schepen, verkocht een klein huis aan de Grote Herenweg, genaamd Duinmeiershuis, voor f 50,- aan Daniël van Steenderen, schepen in Heemstede en mr. Jan van Loon, procureur van het gerecht in Haarlem. In een verkoopakte uit dezelfde tijd werd ook Nikolaas Poll genoemd. Vóór 1730 is Claes Janszoon Claverweijde eigenaar geweest, in leven o.a. schepen in Heemstede tussen 1706 en 1712 en sedert 1708 ouderling van de Hervormde Kerk. Zijn enige erfgename Geertie Willems van der Meer verkocht “huis en erf gelegen aan de Herenweg bij de Manpadslaan, vanouds geheten het Duinmeiershuis“, aan schepen Dirck van den Bron. Claverweijde liet voorts legaten na aan diverse personen ter grootte van f 50,-. Op 17 februari 1731 gaf het Hoogheemraadschap van Rijnland aan Dirk van Lennep, koopman te Amsterdam en eigenaar van de hofstede Meer en Berg te Heemstede, op zijn verzoek toestemming bomen te rooien nabij het zandpad achter zijn buitenplaats door de duinen “omtrent het oude Duinmeiershuis” teneinde een laan aan te leggen die uitkomt op de Herenweg (ressorterend onder het buurtschap De Glip). Op een kaart uit 1731 wordt de heuvel “Konijnenberg” onder deze naam genoemd. De toepasselijkheid van deze naam voor de heuvel en korte tijd later van de pleisterplaats moge blijken uit het feit dat zoals Jacob van Lennep met enige dichterlijke vrijheid noteerde in de biografie van zijn vader en grootvader: “de konijnen u voor de voeten liepen”. Vanaf de top had men een fraai uitzicht op Groenendaal/Meer en Berg en in de verte het Haarlemmermeer. Omstreeks deze tijd moet in het huis een taveeme zijn gevestigd. Dirck van den Bron bleef weliswaar eigenaar tot 1745 maar in een akte uit 1737 wordt Hendrik Lint kastelein genoemd van de Konijnenberg, voorheen Duinmeiers huis, en kreeg hij vergunning tot de verkoop van spek en het tappen met de kleine maat. In de herberg werden koffie, bier, wijn en sterke drank geschonken. 1 September 1745 is tapnering De Konijnenberg, een huis met een schuur, voor ƒ 700,- kontant verkocht aan Rutgers Veenings, waaruit mag worden gekonkludeerd dat een verbouwing had plaatsgehad (8).

Schilderij uit omstreeks 1800 van herberg De Konijnenberg, toegeschreven aan F.T.Renard. In 1977 uit het raadhuis van Heemstede bij een inbraak gestolen.

Latere eigenaars en uitbaters

1764-1769: Lijsje P. van Deene, weduwe van R. Veenings,

1769-1771: Pieter van der Velde jr., gehuwd met Jannetje Veenings,

1771-1774: Comelis van Chaise, ook gespeld als Sase en Saasen (1793-1811) Hij was van 1774-1791 eigenaar van herberg het “Bonte Paard” in Heemstede en sedert 1787 verhuurde hij rijtuigen met paarden. Gehuwd met Catharina Jans de Paus is dochter Francijntje van Saase nop 2 december 1771 in de Konijnsberg geboren.

1774-1780: Jan Veenings,

1780-1795: Marijtje (Maria) Heemskerk, weduwe van Jan Veenings,

1795-….: Rutgers Veenings jr. (9).

Uit de 18de eeuw dateert een anonieme aquarel met daarop afgebeeld de koepel van Meer en Berg, het duin en vervolgens herberg de Konijnenberg met uithangbord. Na het overlijden van haar echtgenoot verzocht en kreeg Maria Heemskerk in 1780 vergunning van de Heer van Heemstede, Jan Diederik Pauw geboren Hoeufft, de tapnering “De Konijnenberg” voort te zetten. Op 2 juni 1784 verkocht Arie Schenkeveld, voogd van de kinderen van Jannetje Veenings en Pieter van der Velde, aan Abraham Dedel, schepen van de stad Amsterdam en eigenaar van de aan de overzijde nabijgelegen hofstede “Ipenrode”. Na de dood van Dedel op 11 december 1798 werd diens neef mr. Jan de Poll nieuwe eigenaar van het uitgebreide bezit en werd “De Konijnenberg” voortgezet door een zetbaas (10).

Konijnsberg of Konijneberg?

In 1868. publiceerden de schrijver Jacob van Lennep (1802-1868) en historicus/volkskundige Johannes ter Gouw (1814-1894) een tweedelig standaardwerk “De uithangteekens in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd”, waarin in het hoofdstuk “viervoetige dieren” het volgende wordt opgemerkt: “Zeldzamer dan ’t Haas komt het Konijn voor; maar daarentegen, voor de kroegen aan den duinkant, des te meer Konijnsbergen, waar men een duin – alias “een hoop zand” geschilderd ziet – met twee of drie graszooden of helmsprieten en een troep konijnen, deels zittende, deels uit hun holletje kijkende, er om heen. Ook bij de steden zag men vroeger wel een Konijnenberg buiten de poort, als de kastelein er tot vermaak der bezoekers zoo’n bergje met konijnen in zijn tuin op nahield” (deel 2, blz. 330). Op 31 mei 1868, kort voor zijn dood, schreef Jacob van Lennep aan zijn co-auteur een brief, welke eindigt met een vijfregelig vers bedoeld als een ode aan de door hem evenals “De Geleerde Man”, graag bezochte herberg. In dat jaar was overigens de oude Konijnenberg reeds verdwenen ten gunste van een nieuwe kroeg aan de overzijde van de Herenweg. Jacob van Lennep, die zelf toegaf een hekel te hebben aan het bezoeken van musea, archieven en bibliotheken, is historisch niet altijd even betrouwbaar. Opmerkelijk is verder dat ofschoon op het uithangbord blijkens een schilderij “De Konijnsberg” stond, in tapvergunningen en overdrachtsaktes van het perceel veelal sprake is van de Conijneberg, incidenteel van Conijnsberg – de spelling van de eerste letter is wisselend met C en K. De bedoelde brief aan Ter Gouw luidt letterlijk: “Gij hebt Konijnsberg in Konijneberg veranderd en ik de e weer in een s. Als gij van Haarlem komt, is ’t laatste huis aan uw linkerkant voor dat gij aan ’t Manpad geraakt, een eeuwenoude kroeg, waar mijn overgrootvader, mijn grootvader en ik (mijn vader rookte niet) duizendwerven onze respektieve pijpen gekocht en opgestoken en onze respektieve slokjes jenever – bitter was er niet genuttigd hebben. Die kroeg nu heeft een uithangbord, zoo als ik het op de bewuste bladzijde beschrijf, en is van oudsher altijd wijd en zijd in den omtrek beroemd geweest onder den naam van de Konijnsberg. Ik zou zelf, als ik niet ik, maar een ander geweest ware, die ’t boek hielp schrijven, de bovengenoemde bijzonderheden niet verzwegen hebben. Liet ik nu de Konijneberg staan, mijn heele famielje, heel de omtrek zou roepen: “wat een drukfout! hoe heeft Koo (11) die over ’t hoofd kunnen zien! Een zoo bekende plaats zoo te vernoemen! Zoo brengt hij immers ze!f later zijn levensbeschrijvers, de Van der Aa’s en Koenen’s in de war!” Ergo! wat ik u bidden mag: laat Konijnsberg blijven zoo als ’t is: wat die Konijnebergen betreft aan herbergen bij de stad, die gaan mij niet aan. Ach! Wil de zucht om zuivere taal te schrijven, Toch -‘k bid het u, zoo ver niet drijven, Dat ge ooit een ander opschrift geeft Aan ’t kroegje, dat bij Manpads dreven, Steeds roemvol is bekend gebleven, Wijl ’t vier, ja meer geslachten heeft gelaafd”. (12)

Tot de bezoekers van “De Konijnenberg” hebben ook beeldend kunstenaars behoord, o.a. Jurriaan Andriessen, die enkele taferelen in de omgeving zoals de Manpadslaan aquarelleerde en zijn getekende gezicht vanaf de top van het duin op het Slot te Heemstede en het Haarlemmermeer wordt als een minuscuul meesterwerkje beschouwd. “De Konijnenberg” heeft voorts de dichter Gerrit van de Linde tot haar clientèle mogen rekenen. Laatstgenoemde schreef onder het pseudoniem “De Schoolmeester” een niet-gemeend schimpdicht aan zijn vriend Jacob van Lennep met daarin de volgende regels: “(…) dat uw misdadig overleg mij lokte van den Heeren-weg, En langs den ongebaanden grond, Doorweekt met koe- en varkenstront, Waar nooit een kroeg of hoerhuis stond, (…)” (13). De dichter-predikant Nicolaas Beets gaf voor een verkwikking de voorkeur aan “De Geleerde Man” of “Het Posthuis” en meed “De Konijnenberg”, welk etablissement in de jaren rond 1840 ten tijde van kastelein Frans Geseling een twijfelachtige reputatie genoot a!s een verzamelpunt van dieven en dronkaards. Ter illustratie hiervan één voorbeeld. In de nacht van vrijdag 28 op 29 mei 1841 deden twee criminelen uit Oldenzaal en Schiedam een inbraak in de koepel van hofstede Treslong aan de Straatweg te Hillegom. Na een bezoek aan ondermeer de herberg “Duin en Daal” in Bennebroek zijn zij de Herenweg richting Haarlem verder afgelopen en heeft de ene persoon zaterdag 29 mei omstreeks twaalf uur reeds in duidelijk beschonken toestand nog enkele borrels gedron ken in tapperij “De Konijnenberg” en kwam de tweede, die de gestolen goederen in Lisse verkocht had, om half twee aan, en trof bij “De Konijnenberg” zijn stomdronken compagnon aan, waar beiden doorde politie zijn opgepakt en naareen gevangenis in Leiden weggevoerd. Opmerkelijk is dat de burgemeesters van Hillegom en Bennebroek zelf onderzoek naar de inbrekers hebben verricht, geassisteerddoor een veldwachter. Een verklaring over het gebeurde tegenoverde Officier van Justitie te Leiden is afgelegd door de toen 22-jarige dochter Comelia Goseling, die zelf haar vader in 1860 in een ander pand aan de overkant van de Herenweg zou opvolgen als kasteleinse (14).

Vermoedelijk reeds in de 19de eeuw was de uitdrukking “een konijntje vangen” synoniem van een borreltje drinken in kroeg “De Konijnenberg”. In een tweede bijdrage zal de verdere geschiedenis van de Nieuwe Konijnenberg aan de westzijde van de Herenweg nader beschreven worden.

De Herenweg met koepel van Meer en Berg tegenover de Beukenlaan en wat verderop herberg de Konijnenberg (N.H.A., Haarlem)

De Herenweg met koepel van Meer en Berg tegenover de Beukenlaan en wat verderop duin en herberg de Konijnenberg op een aquarel uit 1790 (N.H.A., Haarlem)

Noten

(1) P.N. van Doorninck, Inventaris van het archief van de heerlijkheid Heemstede. 1911, nr. 247.

(2) Meer uitgebreide informatie hierover in o.a.: A.H. Huussen jr. en J.M.I. van Dijk-Koster, De kaart van de ban van Heemstede door Symon Meeuwsz. van Edam (1539). In: Haerlem jaarboek 1973. 1974, blz. 259-280.

(3) Informatie over herbergen in Heemstede, zie o.a.: Van Doominck, nr. 255.

(4) In Heemstede vond een expositie plaats in cultureel centrum “Het Oude Slot”, bij welke gelegenheid de heer Cees Peper een artikel wijdde aan herbergen in Heemstede en Bennebroek, gepubliceerd in Nieuwsbrief V.O.H.B., nr. 23 (maart 1980).

(5) Bronnen ten aanzien van gebruikte gegevens: gemeentelijke openbare bibliotheek Heemstede, nu N.H.Archief, (map “De Konijnenberg”), alsmede notariële aktes en vergunningen om sterke drank te schenken uit het Rijksarchief van Noord-Holland te Haarlem en gemeentearchief-Heemstede, in kopievorm dankzij vriendelijke bemiddeling van de heer A.H. Suerink ontvangen.

(6) Een in slechte staat verkerend schilderijtje van het duin “De Konijnenberg” van de hand van wijlen de heer H. Tibbe jr. bevindt zich in het VOHB-archief (Bibliotheek-Heemstede/bruikleen Historisch Museum Haarlem).

Naschildering van de Oude Konijnenberg door H.Tibbe

(7) Een beschrijving van het Bennebroekse duinmeiershuis nabij het Quaede Laantje, in: mr. J.W. Groesbeek, Bennebroek; beeld van een dorpsgemeenschap. 1982, blz. 55-56.

(8) Een nakomeling uit dit geslacht, de heer B. Veenings, thans woonachtig in Houten, is lid van de VOHB.

(9) Rutger Veenings jr. heeft herberg “De Konijnenberg” verwisseld voor “Het Bonte Paard” tot in 1819 laatstgenoemde kroeg is verkocht voor f 2,500,aan meester-timmerman (lees: sloper) Gerrit Munck, waarbij het meubilair bij opbod verkocht  231 gulden opbracht. Het nieuwe pand “Lommeroord” – intussen afgebroken ten gunste van een benzinestation – had deze eeuw nog een bestemming als restaurant.

(10) Dat bewoners van buitenplaatsen tevens eigenaar waren van een herberg kwam in Heemstede meer voor. Zo was “De Dorstige Kuil” jarenlang in het bezit van de eigenaren van “Oud Berkenrode” en “Het Dronkenhuisje” van de bewoners der hofstede “Eindenhout”.

(11) Koo was binnen de familie Van Lennep de koosnaam der schrijver Jacob van Lennep.

(12) Geciteerd uit: jhr. dr. M.F. van Lennep, Het leven van mr. Jacob van Lennep. Amsterdam, 1909. Tweede deel, blz. 289-290.

(13) Geciteerd uit: Waarde van Lennep. Brieven van de schoolmeester. Toegelicht door M. Mathijsen. Amsterdam, 1977, blz. 134.

(14) Zie: A.M. Hulkenberg, Hillegomse geschiedenissen. 1985, blz. 179-181.

Huidige pand van pannenkoekenhuis De Konijnenberg aan de Herenweg in Heemstede

Appendix

Een verdwenen schilderij van De Konijnenberg

Het verdwenen schilderij van de Konijnenberg

Het verdwenen schilderij van herberg de Konijnenberg

Op de kunstveiling van Paul Brandt n.v. in Amsterdam van 25-28 november 1969 kwamen twee pendant-schilderijen onder de hamer. Anoniem en met als enige aanduiding ‘Zomerlandschappen’, naar toen verondersteld uit de Hollandsche School, daterend uit de eerste helft van de 18e eeuw. Mr.C.A. In ’t Velt uit Baarn kocht beide doeken aan, welke onder één nummer zijn geveild. Tijdens een bezoek op de kijkdagen kwam dr. O.H.Dijkstra uit Haarlem op grond van het uithangbord (met opschrift ‘d.Konynsberg’) van het ene schilderij tot het terechte vermoeden dat hier een tafereel van de vroegere herberg in Heemstede is afgebeeld. Ten aanzien van het pendant-olieverfdoek gingen de gedachten uit naar een herberg in deze omgeving, mogelijk ‘De Geleerde Man’. Deze tweede voorstelling geeft echter ‘Het Bonte Paard’ weer met op de achtergrond ‘Het Posthuis’. In 1972 zijn beide schilderijen wederom ter verkoop aangeboden, toen bij de Amsterdamse kunsthandel S.J.van Waaij. De Hillegomse antiquair J.Rijkelijkhuizen maakte de gemeente Heemstede attent op het doek (125 cm x circa 170 cm) van een onbekende meester, die met veel gevoel voor romantiek ‘De Konijnenberg’ in beeld heeft gebracht. Uit deze voorstelling blijkt dat aan beide zijden van de tapperij een houten schuur stond. De Herenweg, in de Franse Tijd verhard, was nog een breed zandpad en op de achtergrond zijn de contouren van het duinlandschap zichtbaar. Naast twee honden en duiven zijn in totaal 7 personen afgebeeld, evenals een paard en wagen komende van de richting Bennebroek. De vrouw in de deuropening zou waardin Maria van Heemskerk kunnen voorstellen.  De wethouder voor culturele zaken, de heer H.J. Verkouw, wist te bewerkstelligen dat dit voor Heemstede unieke doek voor f 4.500,- kon worden aangekocht uit een fonds waarvoor op de begroting van 1972 10 mille was uitgetrokken. Het werk kreeg een plaats in de burgemeesterskamer. Eenmaal in gemeentebezit is men op basis van stijlvergelijkend onderzoek tot de konklusie gekomen dat het doek is vervaardigd door F.T. Renard. Deze telg uit een Frans kunstenaarsgeslacht was tussen omstreeks 1780 en 1820 succesvol werkzaam als schilder van landschappen en van hem is bekend dat hij in Nederland heeft gewerkt. In 1911 zijn in Londen de pendanten “Zomer” en “Winter” verkocht voor 12 pound en 12 shilling. Vooral de laatste decennia is de waarde van Renard’s arcadisch aandoende schilderijen aanzienlijk gestegen. Medio september 1977, in welk jaar gemeentelijke gebouwen nog niet electronisch beveiligd waren, vond in een nachtelijk uur een inbraak plaats via een tuimelraam aan de achterzijde van het raadhuis. Behalve het schilderij van Renard zijn nog twee waardevolle objecten ontvreemd. Een tweede doek, dat op de bovenverdieping van de muur werd gehaald, had de gemeente in bruikleen van het Frans Halsmuseum. Het is een portret van Prins Willem IV (1711-1751). De waarde van dit stuk, vervaardigd door iemand uit de omgeving van de Frans-Nederlandse portretschilder Jean Fournier, werd geraamd op tussen de 6.000 en 8.000 gulden. Ten slotte is nog een wandbord gestolen, gemaakt van Makkumer aardewerk en voorzien van het provinciewapen. De toenmalige commissaris van de Koningin, mr. Kranenburg, schonk dit herinneringsbord bij de opening van de nieuwbouw in december 1973. Tot op heden zijn de drie kunstvoorwerpen nog niet achterhaald. Wat voorlopig resteert is een foto van het fraaie Konijnenberg-tafereel, welke afbeelding dienst heeft gedaan als placemat van het gelijknamige pannenkoekenhuis aan de Herenweg.

Hans Krol

ZIE OOK: https://wordpress.com/post/30357239/1624/