Een huis aan de Voorweg als twistappel tussen de familie van Duyst en kunstenaar Romeyn de Hooghe

Algemeen bekend is dat het kunstenaarsechtpaar Jan Miense Molenaer – Judith Leyster een buitenplaatsje “Het Lam” heeft bewoond, evenals dat de kunstschilders Gerrit en zoon Dirk Bleeker eigenaar waren van een in Groenendaal nabijgelegen hofstede, later genoemd “De Driesprong”. Niet of nauwelijks in de literatuur beschreven is het gegeven dat Romeyn de Hooghe in 1695 een huis aan de Voorweg heeft verworven teneinde zich Leenheer van Kennemerland te kunnen noemen. Over dit bezit zijn in 1696 en nogmaals omstreeks 1700 processen gevoerd en een anonieme dichter heeft zelfs een schimpdicht aan deze kwestie gewijd. In deze bijdrage komen de relaties van de internationale kunstenaar Romeyn de Hooghe uit Heemstede (en Bennebroek) op grond van ten dele nieuwe gegevens beknopt aan de orde.

Romeyn de Hooghe (1645-1708)

Anoniem portret van Romeyn de Hooghe (UB-Amsterdam; Bijzondere Collecties)

Deze persoon was een veelzijdig, geleerd en productief man: schilder, tekenaar, ontwerper van o.a. beelden, penningen en gebrandschilderde ramen, kunsthandelaar, schrijver, uitgever, mineraloog, rechtskundige, maar vóór alles een begaafd grafisch kunstenaar. In zijn tijd niet onomstreden. Door zijn medestanders geroemd, doch door minstens zoveel vijanden belasterd vanwege zijn libertijnse levenswandel, heftige karakter en spotprenten. Met dichter-plaatdrukker Jan Luyken (1649-1712) wordt hij gerekend tot de meest gerenommeerde graveur uit de tweede helft van de Gouden Eeuw. De bibliograaf John Landwehr heeft in recente publikaties zo’n 300 losbladige etsen, veelal in groot formaat, alsmede circa 2.800 illustraties in 109 boeken beschreven (1). Het voorgeslacht van Romeyn de Hooghe was afkomstig uit Vlaanderen. Zijn vader was knopenmaker in Amsterdam (2). In 1668 maakte hij een reis naar Parijs en maakte daar – nog duidelijk in leerfase – een aantal etsen van kastelen en tuinen alsmede van de doop van de Dauphin. Na in 1673 een kaart van Polen te hebben ontworpen en twee jaar later de overwinning van de Poolse koning Johan Sobieski over de Turken in beeld te hebben gebracht is hij door deze vorst in de Poolse adelstand verheven. Op l mei 1673 is Romeyn de Hooghe in het huwelijk getreden met Maria Lansman, afkomstig uit Edam en dochter van de in 1666 overleden predikant Andreas Lansman. Wisselend werkte hij in Amsterdam, Den Haag en Haarlem. Nadat vanwege betasteringen de grond te heet onder zijn voeten was geworden in de Amstelstad heeft De Hooghe zich in 1687 definitief in de Spaarnestad gevestigd, waar zijn vermogende oom hem tot erfgenaam benoemde. In 1689 behaalde hij zijn doctorsbul in de rechten aan de Universiteit van Harderwijk. Romeyn de Hooghe liet het monumentale huis Nieuwe Gracht 13 bouwen en vestigde aan de achterzijde een tekenakademie, welke overigens niet tot enige bloei kwam. In 1688 vervaardigde hij de grote stadsplattegrond van Haarlem, omgeven door een panoramisch gezicht op de stad en een tiental  stadsgezichten, waaronder de Grote Kerk, Prinsenhof, Stadhuis en het Herenlogement in de Hout. Deze kaart die in 100 exemplaren is gedrukt heeft tegenwoordig een waarde van minimaal 10.000 Euro. De Hooghe ontving van de vroedschap een vergoeding van ƒ 12,- per exemplaar exclusief inlijsten e.d. Enkele jaren later kreeg hij opdrachtde nieuwe Hortus Medicus te ontwerpen, ter hoogte van het huidige Kenaupark. Het beeld van Laurens Janszoon Coster van Gerrit van Heerstal in de tuin van het Prinsenhof is naar zijn ontwerp vervaardigd. In 1689 werd Romeyn de Hooghe als dank voor zijn propagandische prenten door Willem III benoemd tot directeur van de bergwerken in het Duitse graafschap Lingen, wat aanleiding was voor oprichting van een steenwerf op het bolwerk aan het Spaame (3). Romeyn de Hooghe is het meest bekend geworden als verbeelder van historische en politieke gebeurtenissen in binnenen buitenland. Deze zijn gemaakt in een overladen, barokke en theatrale stijl met allegorische voorstellingen  waarbij de historische betrouwbaarheid minder relevant is. Zinnebeeldige prenten waarin mensen of voorwerpen iets symboliseren zoals vrede, trouw, eenvoud, overvloed etc. De moord op de gebroeders De Witt in het Rampjaar (1672), veldtochten en zeeslagen, spotprenten tegen Lodewijk XVI en Jacobus II grootste vuurwerkfeesten (in Haarlem door hem zelf georganiseerd) en feestelijke ontvangsten met name van Willem III zijn door hem op het koper gebracht. Voor gebeurtenissen in het buitenland maakte hij vaak gebruik van ontwerpen van andere kunstenaars, welke decoratief zijn geïnterpreteerd. Hij geldt als een van de eerste karikaturisten van betekenis. Als hof-karikaturist van de stadhouder-koning Willem III kwam Romeyn de Hooghe in aanvaring met de Amsterdamse staatsgezinde regenten. Dit leidde tot de zogeheten “pamflettenstrijd” van 1689-1690, waarin de kunstenaar in vlugschriften werd beschuldigd van blasfemie en vuilspuiterij en zijn echtgenote zou met Portugeze joden verkeren en een losbandig leven leiden. De Hooghe werd verweten obscene platen te hebben vervaardigd bij Aretino’s “Dwalende Hoer”. De op schrift gestelde lasterpraatjes gingen zo ver, dat men hem incest met zijn dochter ten laste legde en hij gezegd zou hebben dat Maria Magdalena als minnares Christus heeft gestreeld en zich aldus niet beperkt had tot een voetwassing. Romeyn de Hooghe verdedigde zich met verve tegen de hem ingebrachte beschuldigingen. De pogingen om de etser via een proces te veroordelen en te ruïneren liepen uiteindelijk op niets uit, mede dankzij de hoge beschermers van De Hooghe. C. van de Haar die een studie wijdde aan deze onverkwikkelijke episode uit de Hooghe’s leven konkludeerde: Romeyn de Hooghe was zeker geen heilige, maar als hij zo slecht was geweest, als de tegenstanders beweren, zou hij ondanks alle protectie niet zo’n gezien man te Haarlem zijn geweest” (4). Vandaag de dag komt men steeds meer tot de overtuiging dat een politieke zaak is gemaskeerd als een zaak van godslastering en pornografie. Na korte tijd Commissaris van de Kleine Bank van Justitie in Haarlem te zijn geweest, is mr. Romeyn de Hooghe in 1695 benoemd tot Leenman van Kennemerland, een funktie die hij met onderbrekingen tot 1703 vervulde. Na de dood van Willem III raakte hij uit de gratie en werd niet officieel herkozen door de Staten van Holland en Westfriesland, ofschoon hij bij absentie baljuw Willem Fabricius nog enkele malen verving. Met de baljuw en zes andere leenmannen hield men zich bezig met hoge of criminele jurisdictie: rechterlijke macht inzake lijfstraffelijke zaken, het maken van keuren e.d. Romeyn de Hooghe illustreerde onder meer een viertal boeken van veelschrijver Lambert van den Bos (5), welke laatste na problemen in Dordrecht tussen 1672 en 1682 in Heemstede woonachtig en werkzaam was als publicist, apotheker en privé-leraar in de klassieke talen. Een van de door De Hooghe gegraveerde portretten stelt mr. Adriaan Pauw voor, Heer van Bennebroek en Schakenbos, president van het Hof van Holland. Een fraaie en zeldzame gravure in groot-folio, waarvan zich een exemplaar bevindt in het (vm) Raadhuis van Bennebroek. Pauw is terhalve zijde afgebeeld, links, staande met staatsiepruik in grote mantel: een rechterstoga en omhangen met de Franse orde van Sint Michaël. Achter hem het beeld van een geblinddoekte Themis, godin van recht en orde; in het verschiet het Buitenhof in Den Haag. Van boven zijn spreuk: “Amor Meus Crusifix”; van onderen zijn geslachtswapen. Voorts zijn symbolisch de voorzittershamer en een wetboek afgebeeld. Posthuum vervaardigd is de wellicht nog zeldzamere portretgravure door De Hooghe (1682) van burgemeester mr. Maarten Pauw (1616-1680)uit de Delftse tak. In 1693 ontving Romeyn de Hoog-he blijkens een kwitantie ƒ 119,14 voor zijn 5 jaar eerder gemaakte ontwerptekeningen van de gebrandschilderde ramen in de Kerk van Bennebroek, waarbij aangenomen mag worden dat ambachtsheer Adriaan Pauw opdrachtgever is geweest. De gedreven kunstenaar is op 15 juni 1708 begraven in de Grote of St. Bavokerk te Haarlem. Na in de 18e of 19e eeuw door kunstcritici veelal negatief te zijn beoordeeld, vindt sedert de publikaties van C. Veth (1921) en M.D. Henkel (1924) een algemene herwaardering plaats van zijn werk.

Hooghe

Her grote huis aan de Nieuwegracht (13) in Haarlem waar Romeyn de Hooghe vanaf 1689 woonde.

Barend van Duyst, schilder en schepen

De gronden van de Kerk in het dorpscentrum en naaste omgeving werden gedurende de 17e eeuw nog in leen gehouden van de graven van Holland, de andere percelen aan de oostzijde van de Voorweg zijn na 1620 volgebouwd en behoorden toe aan het Huis te Heemstede. Al deze erven werden door ambachtsheer Adriaan Pauw succesievelijk in erfpacht gegeven en vervolgens volgebouwd (6). Een van de lenen, tussen Achterweg en Voorweg is verdeeld in acht percelen (A-H). Eén erf (E) was in 1654 in het bezit van Servaes van Panhuys, pensionaris van Schoonhoven, ten behoeve van zijn echtgenote Anna Cornelia Pauw (dochter van de in 1653 overleden Ambachtsheer). Het echtpaar is op 30 mei 1678 overleden. Nadien is dit pand overgegaan naar een familielid, te weten Catharina van Bronkhorst, Vrouwe van Honkoop, weduwe van Willem Huygens wiens stoffelijk overschot in 1680 in de grafkelder van de Hervormde Kerk in Heemstede is bijgezet. Op een onbekend tijdstip is Barend van Duyst eigenaar geworden, in ieder geval vóór 24 juli 1686. Op die datum is namelijk een hofstede, later geheten “Meer en Dorp” (ter hoogte van hoek Achterweg en tegenwoordige Laan van Insulinde), evenals het zogenaamde “Hofje van Panhuys” voor in totaal ƒ 3.825,overgedragen aan de Amsterdamse koopman Rogier van Weert. In deze transportakte is ten aanzien van de situering sprake van: “ten westen de voorwech ende huysinge of erven van Barent van Duyst cum sociis” (7). Omtrent deze Barent van Duyst is bekend dat hij een zoon was van Hendrik en van beroep schilder en glazenmaker. Het gaat hierbij zeker om een handwerksman en dus niet vrije kunstenaar. Hij vervulde incidenteel enkele bestuurlijke funkties in de heerlijkheid Heemstede. In 1682 en 1683 geregistreerd als schepen, later nogmaals in 1693 en 1694 (8). Op 5 januari 1684 was Van Duyst met een kollegaschepen en schout Johan van Hove ambtelijk betrokken bij de overdracht van “Het Posthuis” aan de Herenweg. Ook binnen de Hervormde (Gereformeerde) Kerk is hij aktief geweest. In 1678, 1679, 1681 en 1681 als diaken en van 1689 tot 1690 als ouderling (9). Barend van Duyst geraakte in goede doen en kon het zich permitteren nog twee percelen in de Camplaan te verwerven. Op de Voorweg woonde hij met echtgenote en zoon Hendrik tegenover de buitenplaats “Valkenburg”. Sedert 1675 was deze hofstede ten dele en vanaf 1684 volledig eigendom van Pieter de Graeff (1638-1707), vrijheer van Zuid-Polsbroek in Lopikerwaard. Hij was een zoon van burgemeester Cornelis de Graeff, woonachtig op de Herengracht en stond bij de belastingdienst geregistreerd als een vermogend ossenweider (10). Uit zijn in het Amsterdamse Gemeentearchief bewaard gebleven dagboek blijkt Pieter de Graeff bevriend was met Romeyn de Hooghe.

Portret van Pieter de Graeff (1638-1707) door Wallerant Vaillant uit circa 1674

Portret van Pieter de Graeff (1638-1707) door Wallerant Vaillant uit circa 1674

Ten behoeve van de vensters in het kerkje in Zuid-Polsbroek ontwierp De Hooghe in 1690 de prachtige geschilderde glazen. Deze zijn behalve door de ambachtsheer geschonken door de prins van Oranje, de admiraliteit en de stad Amsterdam. Voordien had Romeyn de Hooghe het ontwerp gemaakt van de gebrandschilderde ramen in de Kerk van Bennebroek. Op 20 oktober 1688 noteerde Pieter de Graeff: “..’s avonts Sr. Romeyn de Hooge met desselfs Huysvrouw weder nae Haerlem geleydende, syn eerst gereden nae Bennebroeck alwaer gesien de Glaesen die aldaer door sekere Nickels schilder te Haerlem volgens inventie van Sr. Romeyn de Hooge op een nieuwe manier werden beschildert” (11). Ofschoon hierover geen zekerheid bestaat is mogelijk via de eigenaar van buitenplaats “Valkenburg” het eerste kontakt gelegd tussen Barend van Duyst en mr. Romeyn de Hooghe.

Processen om een huis Romeyn de Hooghe trachtte zijn status via bezit te verhogen. Drs. Jeanine Otten, die een doctoraalscriptie aan De Hooghe wijdde, ontdekte dat hij reeds in 1675 een leengoed verkreeg bij Borrendam op Schouwen in Zeeland. Uit 14 april 1695 dateert een transportacte van voornoemd leen aan de Voorweg: “Mr. Romeyn de Hooghe, leenman van Kennemerland, wonende te Haarlem, bij overdracht van Barend van Duyst” (12). Nog dezelfde dag verwierf Van Duyst een nabijgelegen erf “strekkende naast een erf bij de Kerk aan de Voorweg” (F). Barend van Duyst heette intussen ziekelijk en bedlegerig te zijn en zou tussen heldere momenten ijlhoofdig zijn. Romeyn de Hooghe werd door de familie van Van Duyst beschuldigd het leen te hebben ontfutseld teneinde zich Leenheer van Kennemerland te mogen noemen. Gedurende vrijwel het gehele jaar is een proces gevoerd, waarbij uit de ten dele in het gemeentearchief van Haarlem bewaard gebleven attestaties ten overstaan van notaris Haeswindius blijkt dat in ieder geval ook Barend van Duyst niet helemaal vrijuit ging. Op het huis aan de Voorweg drukte het leenrecht van de Heerlijkheid Heemstede, waarop geen verponding behoefde te worden betaald  reden waarom Romeyn de Hooghe ƒ 500,-in plaats van ƒ 200, diende te betalen. Barend van Duyst zou direct na de overdracht gepoogd hebben hetzelfde erf nogmaals maar dan voor ƒ 750,- te verkopen aan de arts Jacob van Vlakveld, zoon van de Haarlemse medicus en dichter Johannes van Vlakveid (13). Een vriend van Van Vlakveld vertrouwde de zaak niet helemaal waarop laatstgenoemde zich terugtrok. Van Duyst schijnt door de schepenen te zijn veroordeeld de twee zilveren ducatons (ruim ƒ 6,-) die hij van De Hooghe voor de leenverheffing verkregen had terug te betalen. Uiteindelijk is Romeyn de Hooghe eigenaar gebleven, zodat hij naast zijn grote huis in de stad Haarlem ook over een optrekje in Heemstede beschikte. In 1698 is Barend van Duyst overleden en nadien is nogmaals een proces gevoerd door de echtgenote en enige zoon. De weduwe Van Duyst met hulp van advocaat Koene en als tegenpartij Romeyn de Hooghe, bijgestaan door advocaat Sprong en de bekende procureur Melchior van Cleynenberg. De familie Van Duyst zou thans wel gewonnen hebben, doch wederom is een regeling getroffen waarbij Romeyn de Hooghe bezitter bleef. Na het overlijden van De Hooghe in 1708 is het pand aan de Voorweg overgegaan aan zijn weduwe Maria Lansman. Deze droeg het erf in 1716 over aan zoon Hendrik van Duyst, die evenals zijn vader van beroep schilder en glazenmaker was. Deze zoon is 31 augustus 1683 voor 8 gulden en 8 stuivers ingeschreven als lid van het Haarlems Lucasgilde, van welke organisatie zowel handwerkslieden als kunstenaars lid konden worden (14). In 1712 was hij diaken van de Kerk. Zeven jaar voordien zijn door de erfgenamen (weduwe en zoon) twee huizen uit familiebezit in de Camplaan verkocht aan Jacobus de Bie, schepen te Heemstede (15). In 1716 is het huis van zijn vader, dat van 1695 tot dat jaar eigendom was van de familie De Hooghe-Lansman, wederom betrokken door Hendrik van Duyst en zijn echtgenote Trijntje van Aelst. In 1730 is hij gestorven en is zijn dochter Agniesje, gehuwd met Hendrik Outhof, in het familiehuis aan de Voorweg blijven wonen. Reeds in 1716 had Hendrik van Duyst het naburige pand, waar hij vanaf 1695 had gewoond, verkocht aan zekere Jacob van Claveren. Bij gebrek aan een zoon is na ongeveer 45 jaar een eind gekomen aan de naam Van Duyst in Heemstede. Tot op heden is geen familierelatie vastgesteld met Nicolaas en Gommarus Duyst, “postmeester van de Haegsche postwagen”, die in ongeveer dezelfde periode eigenaar waren van “Het Posthuis”.

Kerk- of Dorpsplein met zicht op de Voorweg en rechts ingang naar de hofstede Valkenburg. Gravure door Hendrik Spilman uit omstreeks 1750.

Kerk- of Dorpsplein met zicht op de Voorweg en rechts ingang naar de hofstede Valkenburg. Gravure door Hendrik Spilman uit omstreeks 1750.

N.B. Conform de transportakten in het Noord-Hollands Archief is het volgende geregistreerd in relatie tot de familie van Duyst:

1.Erf 4E, een erf strekkende naast leen 4D = een erf gelegen aan de Dorpsweg. 18-2-1654: Servaes van Panhuys ten behoeve van zijn vrouw Anna Cornelia Pauw; 1678 – 14-4-1695: Catharina van Bronkhorst, vrouwe van Honcoop, weduwe van Willem Huygens, heer van Honcoop, bij dode van Servaes van Panhuys en diens echtgenote; 14-4-1695: Barend van Duyst bij overdracht van Catharina van Bronkhorst, vrouwe van Honcoop: 14-4-1695 mr. Romeyn de Hooghe, kunstenaar en leenman van Kennemerland woonachtig te Haarlem bij overdracht van Barent van Duyst; – 1716 Maria Lantman bij dode van mr.Romeyn de Hooghe haar man; -1716 Hendrik van Duyst, enig nagelaten zoon van Barent van Duyst bij overdracht van Maria Lantman, weduwe van mr.Romeyn de Hooghe; – 1730: Trijntje van Aelst bij dode van Hendrik van Duyst, haar man.

2.Erf 4F Een perceel strekkende naast een erf bij de kerk aan de Voorweg: – 14-4-1695 overdracht aan Barent van Duyst bij dode van Teunis Teuniszoon Backer; 1-10-1698: Hendrik van Duyst bij dode van Barent van Duyst, zijn vader; 27-6-1705: Hendrik van Duyst met ledige hand; – 1716 Jacob van Claveren bij overdracht van Hendrik van Duyst.

                      Een schimpdicht pro Van Duyst contra Romeyn de Hooghe

Omstreeks 1700 is door een anonieme dichter een 48-regelig vers geschreven ten gunste van de weduwe (“Duifje” genoemd) en haar zoon Hendrik van Duyst tegen Romeyn de Hooghe (als een “Roomse Gier” beschimpt). Het manuscript bevond zich vorige eeuw met enige processtukken omtrent het Heemsteedse leengoed in het bezit van dr. C. Ekama (16). Gesuggereerd wordt dat Romeyn de Hooghe op slinkse wijze de functie van Leenman van Kennemerland had verworven. Bovendien een leengoed in Heemstede teneinde met de titel van Leenheer te kunnen pronken. Het gedicht is één van de vele aanvallen op Romeyn de Hooghe, over wie Ekama opmerkte: “De man had verbitterde vijanden, maar ook hooge beschermers. Hij is soms scherp aangevallen, maar was voor geen gerucht vervaard”.

Vrouw Themis vonnis over de roof van een gier, aangeklaagd door een duyfje, met haar half volwassen jongenEen roomse Gier wicrd laatst in rang van Staat verheeven En door bekuyping selfs een regters plaats (1) gegeven; Maar moest, al eer hij ’t regt van sulk’ een bank genoot, Een leenveer (2) koopen, die uyt ’s Graven huyse sproot. Hij, afgeregt, op pluyme en veders uyt te plukken, Vloog overal, verselt met duysend valse stukken. Siet straks een Doffer, uyt een Duytse (3) rang gedaalt, Die met een Leenveer uyt syne vorsten huyse praalt, Daar hij vernoegende, syn sagte staart mee pronkte. De gier, die veerdig in een diefsen lust ontfonkte, Daalt bij hem neer, en weet, die Duytse doffersoog Met ijd’le hoop op ’t goud, (’t geen Midas eer bedroog,) Heel soet, en streelend, door syn woorden te bedriegen. (Onnoosle vogels, die men dus in slaap kan wiegen!) Terwijl de doffer na syn valsche reeden hoort, Pluckt hy syn veder uyt en vliegt er fluks mee voort: Neemt daarop plaats in rang, en naar vrouw Themis regten, Durft hy de schelmerij van anderen beslegten. De dwase doffer, die dees rovery verdroot, Betaalt al guynende dit roofstuck met syn doot. Syn eerste duyfje, met haar halfvolwassen Jongen, (4) Beklagen ’t schendig stuk; sy die haar bloed ontfongen Uyt vaders lieve lust besluyten dit geweld Te wreeken door het regt: Dies zig een yder steld En plaatst voor Themis beeld (5), met tranen langs haar veeren, Dat selfs de wreedheyd in haar raserny soud’ deeren. Vrouw Themis daagt den Gier, hier op voor ’t Godlijk regt, ’t Geen roof en moordlust aan een strenge teugel legt; Sy hoort partijen, wat elck ander sal verwijten. De springende exter (6), en de kleine spreeuw (7) die plijten, En dingen voor den Gier; dog siet, een Koene Swaan, Uyt Witten Veders (8) en met yver aangedaan, Verdeedigt Weeuw en Wees, en roep dat sulke stukken, Niet wel gestraft, een staat vervult met ongelukken: Hierop doet Themis regt, en brengt het vonnis voort, Bestraft den Gier, en dreygt den rover met de koord; Last hem, van stonden aan, syn schemstuk te betalen: En doet het Duyfje dus in alles seegenpraalen. De stouten Gier, gaat flauw, bespot en schanig heen, Valt in syn rooflust, en vervloekt dat vorsten leen, En al de meenighte die ’t Vonnis hoorde spreeken, Sien, dat den Hemel sig nog aan die Gier wil wreeken; Sy prysen Themis, en syn moedig op haar hand, Die voor verdrucke soo een suyvre vierschaar spand. Romeyn die pogte laest met opgeblazen kaaken: Dat Amstels Burgerraad hem tot geen schelm kon maken: (9) Nu, maekt een Weeuw hem schelm, een wees die maekt hem dief, Die beyde is hy thans, alleenig door ’t relief”.

Verklaringen betreffende gedicht: (1) Leenman van Kennemerland (2) Het leengoed van de Voorweg in Heemstede. (3) Bedoeld wordt wijlen Barend van Duyst. (4) Weduwe en zoon Hendrik van Duyst. (5) Voor de schepenbank. (6) Bijnaam van advocaat Sprong. (7) Bijnaam van procureur Van Cleynenbergh. (8) Advocaat Koene stond in familierelatie met het roemrijke geslacht De Witt in Den Haag. (9) Gedoeld wordt op de Amsterdamse processen waarin Romeyn de Hooghe verwikkeld is geweest.

De Oude Doelen (nu Stadsbibliotheek Haarlem) door Romein de Hooghe

De Oude Doelen (nu Stadsbibliotheek Haarlem) door Romeyn de Hooghe (Universiteitsbibliotheek Leiden)

Noten (1) J. Landwehr, Romeyn de Hooghe the etcher, contempory portrayal of Europe 1662 – 1707. Leiden, 1973. Voorts: J. Landwehr, Romeyn de Hooghe (1645 – 1708) as Book Illustrator, A Bibliography. Amsterdam, 1790. Uit 1974 dateert het Harvard University proefschrift van W.H. Wilson, The Art of Romeyn de Hooghe: An Atlas of European late Baroque Culture. Informatief over persoon en werk is het speciale Romeyn de Hooghe-nummer van “De Boekenwereld”, jrg.5, nr.l, 1988. (2) F.G. Waller, De familie van den etser Romeyn de Hooghe. In: De Wapenheraut XXIV (1920), p. 213-216. (3) B.C. Sliggers, Romeyn de Hooghe en zijn Haarlemse steenwerf. In Haerlem Jaarboek 1986. 1987, p. 59-64. Van dezelfde acteur een meer uitgebreid artikel in “De Boekenwereld” (1988). (4) C. van den Haar, Romeyn de Hooghe en pamflettenstrijd van de strijd 1689 en 1690. In: Tijdschrift voor Geschiedenis, 1956, p. 155-169, (5) H. Krol, Heemstede als uitwijkplaats van Dordts zwart schaap: Lambertus van den Bos (Sylvius). In: Nieuwsbrief VOHB, nr. 43, 1985, p. 3-12. (6) J.W. Groesbeek, Heemstede in de Historie. 1972, p. 67-68. (7) A. van Damme, De Buitenplaatsen te Heemstede, Berkenrode en Bennebroek 1626-1811. Haarlem, 1903, p. 62. (8) J. Ruys, Heemstede: namen der Heeren en Vrouwen (1298 – 1902) en van de leden der regeering tot 1795. In De Wapenheraut, 1915, p. 397-398. (9) E. Sneller, Van achter de Blaeuwen Engel; Hervormd Heemstede in de zeventiende eeuw. 1987, p. 130. (10) Joh. E. Elias, De vroedschap van Amsterdam 1578 -1795. 2 delen. Uitgave Haarlem 1903 – 1905. Deel l p. 422. (11) J. Otten, Een kerkglas ontworpen door Romeyn de Hooghe in de Oostzijderkerk te Zaandam. In: Bulletin van de Stichting Oud Hollandse Kerken, 37,1993, p. 16-24. Zie ook: M. Verkaik, Gebrandschilderd glas in kerkramen. In: Nieuwsbrief VOHB, 65, augustus 1990, p. 27-32. Met Nickels wordt de Haarlemse kunst- en glasschilder Johan van Nickelen, lid van de Sint Lukasgilde, bedoeld. M. Verkaik veronderstelt dat met een nieuwe manier van beschildering er op zou kunnen wijze dat hij emailverven heeft gebruikt. “Het inbranden hiervan was in de 17e eeuw steeds meer gebruikelijk geworden”. (12) Gemeentearchief Heemstede. Van Doominck, inv.nr. 468. Zie ook: N.L. van Dinther, Repertorium op de lenen van de Hofstad te Heemstede. In: Ons Voorgeslacht, 1977, p. 471-479. (13) H. Krol, Van Vlakveld-Lefebvre in plaats van Vondel-Padbrué; verslag van een onderzoek in de Heemsteedse bibliotheek. In: Literatuur, jrg. 5,88/6, p. 348-352. (14) Archiefbescheiden van het St.Lukasgilde te Haarlem 1497-1798; uitg. door H. Miedema. Deel 2, p.703 en 944. (15) Akte in Rijksarchief Noord-Holland te Haarlem. De overdracht vond plaats via notaris Ter Hoffsteede in Bloemendaal. (16) Voordien in bezit van stadshistorieschrijver en verzamelaar G.W. van Oosten de Bruyn. Door dr. Ekama nagelaten aan het Gemeentearchief-Haarlem. Hij publiceerde het schimpdicht op Romeyn de Hooghe in: De Oude Tijd, 1871, p. 72-74. Overgenomen in: Nederlandse Historieën, 21 (1987), p. 237-239 in een artikel van Frans van Geldrop.    Hans Krol