Jacob Trip had het jachtrecht in Heemstede. Geschilderd portret door Bartholomeus van der Helst

De zomerresidenties van het koopmans- en regentengeslacht Trip in Heemstede e.o. (1636-1735). Deel 1

De oudste topografische gravure van het Trippenhuis, uit: 'Wegwijzer door Amsterdam', 1713, met onbekende maker.

De oudste topografische gravure van het Trippenhuis, uit: ‘Wegwijzer door Amsterdam’, 1713, met onbekende maker.

Hendrick en Louys Trip wilden echt wel weten waar hun geld vandaan kwam Overal aan en in het Trippenhuis waren en zijn verwijzingen naar de ijzer- en wapenhandel. De schoorstenen kregen de vorm van een mortier

Plafondschildering uit de voorzaal op de eerste etage van Hendricks helft van het Trippenhuis (nu de Rembrandtzaal genoemd) waarop het element vuur is verbeeld door engeltjes met een mortier, een kogel en musketten. De schilder is Nicolaes de Heldt Stockade (1614-1699)

De broers Hendrik en Louis Trip zijn in de Hollandse architectuurgeschiedenis bekend gebleven als de bouwheren van het tussen 1660 en 1662 naar een ontwerp van Justus Vingboons tot stand gebrachte Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam, thans zetel van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. In de literatuur is tot op heden nauwelijks aandacht gegeven aan het feit dat zij ook de opdracht gaven voor de bouw van het landhuis ‘Meerzicht’ aan de huidige Glipper Dreef. In een drietal artikelen zullen voor het eerst de diverse buitenplaatsen van de Trip-familie in Heemstede de revue passeren, alsmede andere relaties met de oude ambachtsheerlijkheidaan de orde komen: “Men heeft ook op het lant veel goede Hoffsteeden van de Trippen in ’t quartier van Haerlem”, aldus het “Memorieboeck van het geslacht-Register van de Trippen…” 1699, samengesteld door Gerard Trip en tot 1719 vervolgd door zoon Johan Trip (1). Dr. P.W. Klein (2) heeft aan de hand van het grotendeels bewaarde Trippen-archief het investeringsgedrag bestudeerd en kon aannemelijk maken dat zekerheid door de 17de eeuwse kapitalist werd geprefereerd boven een optimaal rendement. Het veiligstellen van eenmaal verkregen rijkdom zou ook de achtergrond kunnen zijn van toenemende beleggingen in ontginningen, landerijen en hofsteden, waarbij landbezit tevens een sociaal doel diende, namelijk status en aanzien. Door aankoop van heerlijkheden en buitenplaatsen verhief de koopman-regent zich boven de burgerij. Hij werd volgens de historicus dr. D.J. Roorda een bourgeoisgentilhomme. Voor Adriaan Pauw en andere regenten gold dat overigens veel meer dan bijvoorbeeld de Trip-familie die zich in de 17de eeuw meer op de handel dan op het stads- of landsbestuur gericht heeft, waarbij nog aangetekend kan worden dat op de verkoop van hofsteden in sommige gevallen duidelijk verlies geleden is. De zomerse genoegens van een buitenverblijf: rust, schone lucht en informele contacten met de familie en eventuele zakenrelaties, naast het spelevaren op het Haarlemmermeer alsmede de vogelarij en jacht als welkome ontspanning, nebben voorop gestaan bij de aankoop van hofsteden, terwijl economische drijfveren, zoals het beleggingsmotief, slechts een ondergeschikte rol hebben gespeeld.

Links portret van (vermoedelijk) Louis Trip door Ferdinand Bol, circa 1663 (Rijksmuseum Amsterdam) en rechts Hendrik Bol, ook door Ferdinand Bol uit 1660 IMuseum voor Schone Kunsten Brussel).

Links portret van (vermoedelijk) Louis Trip door Ferdinand Bol, circa 1663 (Rijksmuseum Amsterdam) en rechts Hendrik Bol, ook door Ferdinand Bol uit 1660 IMuseum voor Schone Kunsten Brussel).

Landhuizen in Kennemerland

Portret van Elias Trip (1569-1636) door Johann Spilberg II, circa 1649

Huize de Trippen, Kerkstraat 26 in Zaltbommel. Stamvader Elias is hier omstreeks 1670 geboren. Het huis is eigendom van vereniging Hendrick de Keyser, die het in 1972-1974 grondig heeft laten restaureren

Fragmentgenealogie TRIP

Na 1636 met de aankoop van ‘Meervliet’ onder Bennebroek, in de Banne van Heemstede, en vanaf 1645 met verwerving van de hofstede ‘De Schans’ in Beverwijk, zijn Heemstede in Zuid-Kennemerland naast Beverwijk/Velsen in Midden-Kennemerland gedurende een eeuw centra van buitenleven geweest voor de uitgebreide familie Trip. Vele vrouwelijke telgen zijn in het huwelijk getreden met jongemannen uit kooplui- en regentengeslachten. Met niet minder dan vijf personen uit het geslacht De Geer zijn door de Trippen echtverbintenissen gesloten, terwijl ook het huwen met volle neven of nichten veelvuldig voorkwam. Met in totaal zo’n 26 buitenhuizen – woningen in De Beemster (hofstede Dubbeldam), de Wieldrechtse Polder (Amstelwijck en Rustenburg) buiten beschouwing gelaten – spannen Heemstede en Velsen met elk acht buitenplaatsen duidelijk de kroon. Van de Velsense hofsteden die voor korter of langer tijd in bezit zijn geweest van de Trippen kunnen worden genoemd: Beeckestein, Waterland, Meervliet (gelijknamig met het Heemsteedse buiten en als zodanig menigmaal in de literatuur verward), Schoonenberg, Duyn en Veldt (Driehuys), Kruytberg, Meeroog en Roos en Beek. In de ambachtsheerlijkheid Heemstede: Meervliet, Meerzicht/Meer en Berg, Valkenburg, Het Klooster, Vredenhof, Woestduin, Berkenrode en Achter Koekoek. Voorts Adrichem en De Schans (Oud-Meerestein) in Beverwijk en Saxenburg te Bloemendaal. Van de talrijke buitenplaatsen aan de Vecht zijn er voor zover bekend slechts twee met Triptelgen verbonden, te weten Pieter Trip (1727-1786): Vredenhoff tussen Loenen en Nieuwersluis, en Margaretha Trip (1665-1726): Over-Nes onder Weesperkaspel. Tenslotte: Netelenburg bij Soestdijk, De Horn in Friesland alsmede enkele buitens in de provincie Groningen van de Groningse regententak, met name in Paterswolde, ‘Jagtwijk’ te Kolham (Hoogezand) en ‘Zomerlust’ aan het Westerdiep in Veendam. In Heemstede nam Hendrik Trip in 1636 het initiatief tot aankoop van ‘Meervliet’ en hebben de erfgenamen van Jan Trip van Berkenrode, Jan Trip de Jonge, Sara Maria en Jacobus Trip de Grote en Kleine ‘Achter Koekoek’ op de grens van Heemstede en Bloemendaal in 1735 verkocht, waarmee na een eeuw een eind kwam aan de landgoederen van de Amsterdamse Trippen in onze heerlijkheid. In Midden-Kennemerland begon het buitenleven van de familie Trip met aankoop van ‘De Schans’ (eerder bewoond door Nicolaas Pauw) ten behoeve van de weduwe van Elias Trip in 1745. Op 22 juli 1772 kwam aan de zomerresidenties van het regentengeslacht Trip in Velsen een definitief einde met de verkoop van ‘Roos en Beek’ uit de nalatenschap van Jan Trip (1702-1772), door kronikeur J. Bicker Raye omschreven als een vriendelijk en goedaardig mens, die een groot liefhebber was van de jacht en een blinde vrouw naliet.

Genealogie

Elias Trip (1569-1636). Vermoedelijk gekopieerd schilderij van een onbekend voorbeeld. (foto RKD-Den Haag)

Elias Trip (1569-1636). Vermoedelijk gekopieerd schilderij van een onbekend voorbeeld. (foto RKD-Den Haag)

De stamreeks vangt aan met Gerrit Janszoon, naar het door hem bewoonde huis in Zaltbommel ook genoemd Gerrit in de Trip, vermeld sedert 1495. Het ‘Trippenhuis’ in Zaltbommel is thans eigendom van de Vereniging ‘Hendrik de Keyser’. De zestiende eeuwse telgen uit dit geslacht waren als schippers-kooplieden betrokken bij de handel op de grote rivieren. Omstreeks 1600 verhuisden verschillende familieleden naar Dordrecht en vervolgens naar Amsterdam. Meest bekend als handelaars in wapen en ijzer zijn geworden: in het vierde geslacht Pieter en zijn neven Jacob en Elias Trip. In het vijfde geslacht: Adriaen (zoon van Elias) en de zonen van Jacob Trip: Jacob, Louis en Hendrik. In de zesde generatie ten slotte de zonen van Hendrik: Mathias en Jacob Trip. Nakomelingen ook bekend onder de namen Trip van Zoutlandt (bij K.B. 1815), Laman Trip (1870) en Van Vierssen Trip (1873). Mr. Herman Trip (1776-1848) is bij Koninklijk Besluit de dato 27 december 1817 in de Nederlandse adel verheven; mr. Adriaen Joseph Trip (1755-1833) bij K.B. van 7 februari 1818 – beiden nakomelingen van Elias Trip (1569-1636) en Adriaen Trip (1620-1684). Het nageslacht van Jacob Trip (ca. 1576-1661), een broer van Èias Trip, is in 1776 uitgestorven. Heraldisch wapen: in rood drie gouden trippen. Een aanziende gouden traliehelm, zwart gevoerd met rood-gouden helmkleden. Helmteken: een uitkomen rood hert.

Wapen baronnen

In hun monumentale boek ‘Erflaters van onze beschaving’ wijden Jan en Annie Romein een hoofdstuk aan Louis (Lodewijk) de Geer en noemen hem ‘de koning der kooplieden’, die van grondstof tot eindprodukt als geen ander met de Engelse bewapeningsindustrie wist te wedijveren. Hij bezat in Zweden eigen mijnen, bossen, werven, hoogovens, gieterijen e.d. Oorspronkelijk woonachtig in Luik ontstonden via de Maashandel contacten met de Trippen en twee (half)zusters van De Geer huwden met respectievelijk Elias Trip en Jacob Trip (beiden broers). Aanvankelijk vestigden zij zich in Dordrecht als kooplieden in ijzer en via deze handel kwamen zij in de wapenfabricage terecht, in de tijd van de Tachtigjarige Oorlog een lucratieve aangelegenheid. Tijdens het Twaalfjarig bestand ging men zich bovendien op de export richten naar landen als Engeland, Frankrijk, Malta, Marokko, Rusland, Portugal, Venetië en zelfs naar aartsvijand Spanje. Waar een oorlog uitbarstte waren de pientere Hollanders er snel bij om wapens te leveren, zo mogelijk aan beide partijen. Tijdens de burgeroorlog in Engeland verkochten de Trippen geschut zowel aan de koningsgezinden als aan de republikeinen. De eerste tien oorlogsschepen van de Franse marine zijn door Elias Trip binnen één jaar in Enkhuizen gebouwd. Het ondernemersgedrag op de Hollandse stapelmarkt bestond in belangrijke mate in het streven naar monopolistische posities. In samenwerking met Louis de Geer namen de Trippen tussen 1620 en omstreeks 1662 ten aanzien van wapenhandel (Zweedse kanonnen en munitie) een monopoliepositie in. Deze beklaagde zich op een gegeven moment dat zijn neven “les jeunes Trip” hem met zijn eigen geschut met groot succes beconcurreerden. Vanuit Zweden hield men zich ook bezig met de handel in teer en koper. In 1633 bedroegen de vorderingen van het handelshuis Trip op de Zweedse Staat meer dan 1,5 miljoen gulden, welke omvangrijke schulden voor een aanzienlijk deel door Adriaen Trip, zoon van Elias, in de jaren tussen 1646 en 1653 dat hij in Norköping woonde zijn geregeld. Nog in 1827 is de later beroemd geworden letterkundige E. J. Potgieter naar Zweden gezonden om de financiële vorderingen van de familie Trip en de in de provincie Halland aldaar gelegen bezittingen te regelen; deze zijn gaandeweg verkocht.

Regenten

In de Gouden Eeuw kwamen de kooplui, de nieuwe kapitalisten, bijna vanzelfsprekend in het bestuur van de stad. De Trippen waren en bleven vóór alles handelaren. Louis Trip (1605-1684) is driemaal burgemeester van Amsterdam geweest in 1674, 1677 en 1679. Andere telgen vervulden (betaalde) funkties als commissaris voor de huwelijkse zaken, regent van het Burgerweeshuis, luitenant of kapitein der burgerij e. d. De nakomelingen zijn uit het koopmansbedrijf gestapt om zich als regent helemaal met het bestuur van Amsterdam bezig te houden. Dat is in de eerste helft van de 18de eeuw ook onder de Trippen het gewone type geworden. Jan Trip van Berkenrode was tussen 1707 en 1731 niet minder dan dertien maal burgemeester, evenals de zoon van laatstgenoemde mr Dirk Trip en andere zoon mr. Comelis Trip allen ook in het bezit van een buitenplaats.

Familiewapen Trip

Familiewapen Trip

Meervliet (1636-1696)

In januari 1634 verenigden zich de gebroeders Jacob (1604-1681), Louis (1605-1684) en Hendrik Trip (1607-1666) tot één firma. Zij handelden in van alles, maar vooral in “waepenen, geschut, cogels & amonitie van oorloge”  en werden in 1649 eigenaar der door Mathias de Geer gestichte geschutgieterij en ijzermijn Juleta-bruck bij Nyköping in Zweden. Op 26 juli 1636 verwierven zij de eigendom van een hofstede en huismanswoning in Heemstede voor f 7.700,-. Verkoper was de Haarlemse koopman Jan Lubbertz. In januari 1634 verenigden zich de Bus(ch), die over veel grondgebied beschikte in het gebied ten zuiden  van Groenendaal dat vóór 1653 ook met de naam Bennebroek werd aangeduid. De kleine hofstede, gelegen tussen het eveneens nog naamloze Meer en Berg in het noorden en Rustmeer/ Bosbeek in het zuiden had een oppervlak van l morgen en 241 roeden. Het landhuis was per karos voor de familie Trip redelijk goed bereikbaar vanuit Amsterdam of eventueel over het water met zeiljacht of boeier. In 1631 was Hendrik Coymans voor f 9.500,eigenaar geworden van Rustmeer, later Bosbeek geheten, terwijl de Amsterdamse koopman Nicolas Crabbenmorsch – die ook belangstelling voor Meervliet had getoond – in het bezit was van de hofstede die pas in 1695 door Mathias Trip met de naam Meer en Berg is gedoopt. Feitelijk heeft Hendrik Trip het initiatief genomen tot aankoop van de hofstede. Geboren in Dordrecht in 1607 is hij eerst getrouwd geweest met Cecilia Godin en na haar dood volgens overlevering door haar charme betoverd onder de blanke zon van Zweden hertrouwd met zijn volle nicht Johanna de Geer, dochter van Louis de Geer. Hendrik hoefde slechts één derde deel kontant te betalen aan Busch. De rest volgde in twee jaarlijkse termijnen door zijn oudere broers Jacob en Louis. Een kaartje van de situatie met de akte der betaling van de koop van ‘Meervliet’ bleef bewaard bij de papieren van Louis Trip (3). Mej. I.H. van Eeghen konstateert op grond van haar studie van het Trippenarchief dat de hofstede in Heemstede een geliefde bezitting is geworden, waar de familieleden graag vertoefden (4). Eind 1636 hebben zij de via erfenis verkregen gronden in de Beemster van de hand gedaan. Zowel de ouders van de drie gebroeders: Jacob Trip (1575-1661) en Margaretha de Geer (1583-1672), die in Dordrecht woonden, als de kinderen van Hendrik en Louis logeerden tijdens de zomermaanden veelvuldig op de Heemsteedse buitenplaats. Begin 1650 hebben zich konflikten voorgedaan met Jacob. In 1651 stond hij zijn deel van de hofstede af aan zijn broers en een jaar later trok hij zich uit de firma terug om zich weer in zijn geboorteplaats Dordrecht te vestigen, waar hij zelfstandig verder ging. In tegenstelling tot de overige leden van zijn familie was hij een slecht financier en geraakte “door lossicheyt” dermate in de problemen dat zijn broers, zusters en neven hem weliswaar er financieel bovenop hielpen, maar tegelijkertijd dwongen de “negotie” geheel te laten varen (5). Diverse 17de eeuwse kunstschilders, waaronder Rembrandt, hebben opdrachten gekregen van telgen uit de vermogende Trip-familie. In 1654 zijn door Ferdinand Bol de drie zoontjes van Hendrik Trip en (tweede) echtgenote Johanna de Geer in de bokkewagen geschilderd (6). Mej. Van Eeghen meent dat het tafereel zich met zekerheid in Heemstede heeft afgespeeld. Mathias Trip (1648-1695) houdt de teugels in handen, terwijl Jacob (1650-1695) de kleine Louis {16531700) welke nauwelijks één jaar is vasthoudt. Later heeft Bol de ouders tweemaal geportretteerd en in 1663 de moeder met Cecilia en Laurens op meer allegorische wijze voor een schoorsteenstuk in het Trippenhuis vereeuwigd. Op 25 maart 1654 heeft neef Pieter Trip (1597-1655) de nabijgelegen buitenplaats ‘Valkenburg’ voor een bedrag van ƒ15.000,-aangekocht en ruim één jaar later zullen Hendrik en Louis hun bezit in Heemstede uitbreiden met de hofstede ten zuiden van Meervliet – sedert 1695  ‘Meer en Berg’ geheten. In tegenstelling tot wat men zou mogen verwachten zijn ‘Meervliet’ en ‘Meer en Berg/Meerzicht’, ofwel de “kleine” en de “grote” plaats niet met elkaar verenigd (7). Meervliet is vermoedelijk als logeerhuis in stand gehouden en na de samenvoeging met ‘Rustmeer/Bosbeek’ gesloopt. Ofschoon hun moeder en oom Louis eigenaar waren, is de hofstede op 28 januari 1681 in Amsterdam geveild en bij opbod ƒ 9.800,-, gemijnd op f 12,- aangekocht door de broers Louis en Jacob, zonen van de in 1666 overleden Hendrik Trip. Op 5 maart 1684 verkocht Louis Trip zijn helft aan zijn broer Jacob, die toen het geheel bezat. Louis Trip heeft korte tijd later de noordelijker gelegen hofstede ‘Hout- en Duinzicht’ (Vredenhof) gekocht. In 1685 is door Jacob Trip een overeenkomst aangegaan betreffende lozing van water uit de vijver van Rustmeer, met toenmalig eigenaar Edmond Schardinel, over het terrein van Meervliet (8). In hetzelfde jaar is deze Jacob Trip, nadat zijn oom Louis het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld, bezitter geworden van ‘Meer en Berg’. Hij overleed op 20 juli 1695, ongehuwd en kinderloos. Zijn oudere broer Mathias (1648-1695) stond in het testament als erfgenaam en zou de naam ‘Meer en Berg’ hebben bedacht, doch ook hij overleed nog geen drie maanden nadien. Begin 1696 besloten de executeurs van het testament, de voogden der minderjarige kinderen van Mathias Trip, erfgenamen van Jacob Trip, voor ƒ 3.880,- te verkopen aan Cornelis Bors van Waveren (sedert 1690 reeds in het bezit van Rustmeer/ Bosbeek). In de transportakte staat vermeld: “Een hofstede met sijn huysinge, stallinge, boerewooninge etc…”, gemeten en in kaart gebracht door Antony Velsen, landmeter van de stad Haarlem. De kamerbehangsels waren niet in de koop besloten en zouden door onafhankelijke experts worden getaxeerd, waarbij Bors van Waveren kon beslissen of hij al dan niet met overname accoord zou gaan. De overdracht van Meervliet of “de kleyne plaats” geschiedde in Heemstede voor schout Johan van der Poel. Meer en Berg werd afzonderlijk verkocht, na 1730 samengevoegd met de zuidelijker gelegen hofstede ‘Leeuwenbergh’. Door mr. Bors van Waveren, pensionaris van Amsterdam en een vermogend ossenweider, is Meervliet, evenals na 1717 het ten oosten van de Bennebrouckerweg (thans Glipper Dreef/Glipperweg) gelegen ‘Overthoorn’ (nu Merlenhoven) verenigd met Bosbeek, dat bij verkoop in 1731 is uitgegroeid tot 28 morgen en 308 roeden. In de transportakte wordt melding gemaakt van het feit dat de plaats “vanouts genaemt Meervliet, met de stallinge waarvan het huys is verkogt en afgebrocken”. Het kleine Meerviiet heeft overigens bij verkoop in 1636 ongeveer de helft opgebracht, vergeleken met de aankoopprijs in 1636, waarbij echter opgemerkt dient te worden dat de familie Trip gedurende zo’n zestig jaar van dit buitenbezit heeft genoten.

Meerzicht en Meer en Berg (1655-1696)

Meerzicht na de restauratie

In 1636 hadden de broers Hendrik, Jacob en Louis Trip de bescheiden hofstede (Meervliet) voor de neus weggekocht van Nicolaas Crabbenmorsch die even zuidelijker reeds over een buiten (Meer en Berg) beschikte. Van de erfgenamen van de dochter en schoonzoon van Crabbenmorsch, mr. Gregorius van de Velde, kochten Hendrik en Louis Trip op 15 mei 1655 ten overstaan van schout en schepenen van Heemstede “de grote plaats”, bestaande uit een woning, schuren, boomgaard, plantagien en 8 morgen land (9). Nabij de bestaande woning is een vierkant pand van eenvoudige architectuur gebouwd. De architect is onbekend, maar het is zeer wel mogelijk dat Justus Vingboons tekenaar, bouwmeester en kaartmaker in het kunstbedrijf van de familie Vingboons – hiervoor verantwoordelijk was. Na beëindiging van het kontrakt voor het nog bestaande ‘Riddarhus’ – de zetel van de hoge raad van adel in Zweden te Stockholm is deze in 1656 naar Amsterdam teruggekeerd. Louis en Hendrik Trip hebben hem leren kennen vanwege hun belangen in de Zweedse smeltovens (10). Dit landhuis ‘Meerzicht’ is duidelijk zo genoemd wegens het uitzicht over de weiden op het nabijgelegen Haarlemmermeer. De later voor het gehele complex geïntroduceerde nieuwe naam ‘Meer en Berg’ duidt tevens op de ‘berg’, tegenwoordig op de plaats van Mariënheuvel. Het in opdracht van de gebroeders Trip gebouwde huis is te zien op een ontwerptekening van Daniël Marot uit 1704. Links van de toegangspoort, ontworpen door beeldhouwer Jan van Logteren, zijn in de periode van De Neuville-Van Lennep gedurende de eerste decennia van de 17de eeuw de stalgebouwen, koetsierswoning e.d. tot stand gekomen; rechts enkele witte paviljoenachtige gebouwen in Franse stijl, waaronder een achthoekig pand – met op het platte voordak beelden van kinderen, zoals te zien op een 18de aquarel van H.P. Schouten en een tekening en gravure van H. Spilman. Na de bouw van een nieuw huis met 36 kamers in 1909 meer naar achteren op het landgoed (thans Mariënheuvel) zijn omstreeks 1908 de woonhuizen aan de zijde van de Glipperweg gesloopt. Enkel het stevigste, tevens het oudste gedeelte, ‘Meerzicht’, daterend uit de tijd van de Trippen, bleef overeind. Met de restauratie en verbouwing in 1983 tot tweepersoons- en eenpersoonsappartementen is getracht het historisch karakter te handhaven. Terug naar de Gouden Eeuw. De broers en hun naaste verwanten waren hier omringd door familieleden en Amsterdamse zakenrelaties op de hofstedes: Rustmeer/Bosbeek (Coymans), Overthoorn (Godin), Meermin (Hooft), en Leeuwenbergh (Gerard of Geraerds). Voorts Reepmaker op een naamloze hofstede aan de Berchlaan in Groenendaal. Met de genoemde uitbreiding van hun bezit in Heemstede bedroeg de totale waarde van beide buitenplaatsen in totaal ƒ 22.000,-, gelijkelijk verdeeld over beide broers. In 1660 kochten zij de nodige ruimte aan de Kloveniersburgwal voor f 54.000,-, waarop in de volgende jaren door architect Justus Vingboons ontworpen een monumentaal dubbelwoonhuis is gerealiseerd, dat in totaal het voor die tijd kapitale bedrag van ongeveer een-kwart miljoen gulden gekost heeft – algemeen bekend onder de naam het Trippenhuis. Beslist door het lot bewoonde Hendrik het noorderdeel en Louis de zuiderhelft. De bekendheid van zijn rijkdom verleidde twee schelmen, aangeduid met Diodati en Swetoni, Louis Trip en enkele andere kooplieden in 1661 een anoniem briefje te sturen met de mededeling binnen 24 uur op nader genoemde plaats duizend pistoletten en opmerkelijke sommen gelds in een zak neer te zetten, vergezeld van het dreigement dat wanneer hieraan geen gevolg zou worden gegeven men hen zou weten te vinden en neersteken dan wel ombrengen. Ondanks een door justitie uitgeloofde beloning van duizend zilveren ducaten zijn de afpersers nimmer gepakt. Nogmaals ontsnapte Louis Trip aan de dood, thans om geheel andere reden. In 1664 verbleef hij op zijn landgoed in Heemstede. In zijn journaal vermeldde hij dat tengevolge van een omgevallen kaars terwijl hij sliep brand uitbrak. “God de Heere gelooft en gedanckt moet sijn my soo genaedelyck bewaert heeft”. Deze begrijpelijke ontboezeming staat onder een minder begrijpelijk recept ‘voor het graveel’, dat wil zeggen nierstenen (11). In november 1666 stierf geheel onverwacht Louis’ broer Hendrik, waardoor deze geheel alleen de zaken kwam te staan die zich de laatste jaren geheel beperkten tot de ijzerhandel. Tot 1668 bleef de compagnie met zijn schoonzuster Johanna de Geer (weduwe van Hendrik Trip) kontinueren, waara de zonen van Hendrik en Johanna: mathias (1648-1695) en Jacob (1650-1695) de   firma hebben voortgezet. Met Johanna de Geer hield Louis de hofstede in Heemstede aan om tijdens de zomermaanden de druk van de stad te kunnen ontvluchten. Al in de periode van Meervliet zijn wederzijds beleefdheidsbezoeken afgelegd bij Adriaan Pauw, zoals  later bij ambachtsheer Gerard Pauw. In 1676 maakte Johan Wilhelm,de latere keurvorst van de Palts, op 18-jarige leeftijd een educatieve reis door Nederland ondertleiding van zijn mentor, de jezuiet Johan Pakenius. Zij bezochten o.a. Amsterdam, Haarlem en Leiden en brachten een bezoek aan het buitenhuis  der familie Trip, bij welke gelegenheid Louis Trip een toast uitbracht op de vorstelijke persoon die incognito aanwezig was (12). Toen uiteindelijk ook koopman-burgemeester Louis Trip in 1684 overleed – zoals zoveel familieleden begraven in de Westerkerk – is aan het personeel in september een rouw toegekend. Deze bestond uit de betaling van een zekere periode loon. Het personeel in Amsterdam bestond uit Dirckie de keukenmeid, Willempie de werkmeid, Marie de kindermeid, Huyg de koetsier en Jacob de lijfknecht. “Het jaar ‘huur’ of loon werd in ponden van 6 gulden genoteerd en bedroeg respectievelijk 12,11 en 10 pond voor de vrouwen en 15 en 10 pond voor de mannen (…). Op de hofstede in Heemstede, waar Johanna de Geer – de moeder van Mathyas – de scepter nog zwaaide, was een naamloze meid, die op 23 oktober 5 maanden huur, verschenen op l oktober, ontving en wel ƒ 30,-. De tuinman daar wordt als enige met naam en toenaam genoemd, Herman de Jager. Hij had al op 21 juli zijn rouw uitbetaald gekregen; op 22 november ontving hij voor onkosten ƒ 431.1” (13). Mathias was belast met de liquidatie van Meer en Berg. Hij ontving ƒ 5,- per dag als vacatiegeld. De inboedel werd in Heemstede geveild op 21 en 22 januari 1685. Mathias kocht het een en ander, maar zijn broers Jacob en Louis veel meer. De buitenplaats zelf werd samen met vier pakhuizen op Uilenburg – deze waren beide nog onverdeeld bezit en uit de inkomsten van de pakhuizen waren de onkosten van de hofstede betaald – in acht parten in dezelfde maand in de Amstelstad ter veiling gebracht. Jacob Trip (1650-1696), handelaar in Zweeds ijzer, die al in 1681 eigenaar was geworden van Meervliet bleek hoogste bieder op de veiling van Meer en Berg op 27 januari 1685. De helft was reeds eigendom van zijn moeder, die in 1674 als weduwe werd aangeslagen voor een vermogen van ƒ 327.000,- en op 24 november 1691 zou overlijden. De andere helft die aan zijn oom Louis was toegekomen bracht uiteindelijk ƒ 8.340,- op (14). Uit een inventarislijst, opgemaakt na het overlijden van Louis Trip door notaris J. de Winter 22 juli tot 9 augustus 1684 is bekend wat zich voor schilderijen, tapijten, meubilair e.d. in Heemstede bevond. Onder meer een schilderij van de teerpakhuizen in Monnikendam, die evenals de pakhuizen op Uilenburg door de gebroeders Trip waren gebouwd. Na de dood van Jacob Trip en korte tijd later van zijn broer en erfgenaam Mathias in 1695 werden Meer en Berg (inclusief Meerzicht) en Meervliet in Amsterdam geveild op 27 januari 1696 en op 12 april van dat jaar overgedragen ten over staan van schout en schepenen in Heemstede. Voor ƒ 12.100,- is de vermogende textielkoopman David de Neufville, gehuwd met zijn nicht Agneta, eigenaar geworden van Meer en Berg, dat een periode van nieuwe bloei tegemoet ging, in 1732 uitgebreid met de hofstede Leeuwenbergh. Ofschoon broer Louis (1653-1707) op dat moment nog beschikte over de buitenplaats Hout- en Duinzicht aan de Herenweg, kwam daarmee eigenlijk na respectievelijk 60 en 40 jaar een einde aan het oorspronkelijk bezit van de familie Trip in Heemstede. De meeste telgen van de familie Trip leefden ondanks de weelderige stadswoning van Louis en Hendrik Trip op bescheiden voet. Louis Trip bijvoorbeeld verteerde volgens eigen opgave niet meer dan ƒ 9.000,- op jaarbasis. Dat veranderde overigens toen zijn dochters Margaretha en Anna Maria trouwden en beiden het ouderlijk huis betrokken (15). Konkluderend kan worden gesteld dat de Trippen ‘Meervliet’ en ‘Meer en Berg’ slechts hebben aangewend om van het buitenleven te genieten en onderlinge familiekontakten te onderhouden. Gelet op de bescheidenheid zowel wat omvang als aanleg betreft niet als statussymbool om mee te pronken. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Adriaan Pauw, George Clifford van de Hartekamp en Dirk van Lennep. Laatstgenoemde, verwant aan De Neufville, maakte van Meer en Berg een ware lustplaats met fraaie tuinaanleg en beeldentuin, hetgeen hem op de rand van het faillissement bracht, waarbij zijn familie moest bijspringen om de eer van de familie te redden. De overige landhuizen die de Trippen in Heemstede hebben bewoond en waarover in twee vervolgbijdragen zal worden verhaald, zijn in de loop der jaren geruïneerd, afgezien van Vredenhof, sedert 1927 binnen de gemeente Haarlem gelegen. Het huis ‘Meerzicht’, dat in de jaren ’80 geleden ternauwernood van de ondergang werd gered, is de enige zichtbare herinnering aan deze wakkere ondernemers, die als wapenfabrikanten weliswaar geen standbeeld verdienen, doch ontegenzeggelijk hebben bijgedragen aan de bloei van de Gouden Eeuw.

Hans Krol

Fragmentgenealogie Trip in relatie tot Heemstede

Fragmentgenealogie Trip in relatie tot Heemstede

Noten

(1) H.J. Trip, De familie Trip. Groningen, 1883, blz. 2

(2) P.W. Klein, De Trippen in de 17e eeuw; een studie over het ondernemersgedrag op de Hollandse stapelmarkt. Assen, 1965. (Proefschrift).

(3) Gemeentearchief Amsterdam; Weeshuisarchief, la 552.

(4) I.H. van Eeghen, De familie Trip en het Trippenhuis. In: Het Trippenhuis te Amsterdam, 1983, blz. 34.

(5) J.E. Elias, De vroedschap van Amsterdam 1578-1795. 2 delen. Uitgave Haarlem, 1903-1905. Deel 2, blz. 548-549. Bij notariële akte van 26 september 1673 verklaart Jacob Trip zijn broer Louis en zusters, alsmede enige van hun kinderen eeuwig dankbaar te zullen zijn “voor hem merckelijcke capitalen te betalen” en voorts “noyt van sijn leven meer te doen eenige negotie, ofte van ieanden ter werelt op te nemen eenige gelden of deposito etz.” (blz. 557).

(6) In een boedelveiling van 11 mei 1740 van Hendrik Trip (1685-1737), kleinzoon van de gelijknamige bouwheer, komt men onder de 55 schilderijen behalve het tafereel met de bokkenwagen óók voor: “Naakte kindertjes” van F. Bol. Men zou bij het laatste doek tevens aan de kinderen van Hendrik Trip en Johanna de Geer kunnen denken, doch voor zover bekend staat dit schilderij niet meer. Zie: S.A.C. Dudok van Heel, Het maecenaat Trip; opdrachten aan Ferdinand Bol en Rembrandt van Rijn. In: Kroniek van het Rembrandthuis, 1969, blz. 14-26.

(7) J.W. Groesbeek heeft in zijn ‘Heemstede in de Historie’ abusievelijk de eerdere overdrachten van ‘Meervliet’ bij ‘Meer en Berg’ geplaatst alsmede het bezit van Crabbenmorsch evenals de overdracht van hofstede ‘Meer en Berg’ in 1655 aan Hendrik en Louis Trip over het hoofd gezien.

(8) H. Krol, Geschiedenis van het buitengoed Bosbeek in Heemstede en van het adellijk geslacht Van Merlen. 1987, blz. 13. Naar gegevens uit het gemeentearchief van Heemstede.

(9) F.K. van Lennep, Verzameling van oorkonden betrekking hebbende op het geslacht Van Lennep, II. Deventer, 1927, blz. 81, nr 1370: Eigendomsbewijzen Meer en Berg, Heemstede.

(10) K. Ottenheym, Justus Vingboons. In: Het kunstbedrijf van de familie Vingboons; schilders, architecten en kaartmakers in de gouden eeuw. Amsterdam, 1989. Meer bekendals bouwmeester van buitenhuizen was broer Philips Vingboons (1607/08-1678), die zomerverblijven ten behoeve van de Amsterdamse notabelen ontwierp in de polders de Purmer en de Beemster, langs de Amstelveense weg en in de Vechtstreek. Aangenomen wordt dat Philips Vingboons het klassicistische en strakke brede ‘stadshuis buiten’ heeft ontwikkeld en verbreid.

(11) P.W. Klein, op citaat, blz. 53.

(12) Het verslag van deze ‘Grand Tour’ verscheen in 1695 in Keulen. Aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.

(13) I.H. van Eeghen, op citaat, blz. 69.

(14) I.H. van Eeghen, op citaat, blz. 121.

(15) Hun huwelijken kostten respectievelijk ƒ 8.438,- en ƒ 8.300,- en de bedragen voor uitzet, als bruidsschat e.d. beliepen ƒ 121.000,- en ƒ 114.000,- (!). De schoonzonen leefden veel royaler als de heer des huizes. Louis Trip meende dat zij naar zijn dood verlangden. Beide schoonzonen zijn daarom bij testament door hem onterfd en van de regeling en het beheer van zijn nalatenschap, met inbegrip van ‘Meer en Berg’ nadrukkelijk uitgesloten. J.E. Elias, op citaat, blz. 557.

BIJLAGE: De herontdekking van schilderijen met jachtscènes in het Trippenhuis

Jachtscènes als plavondschildering

Jachtscène als plafondschildering in het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam foto Wim Ruigrok)

Nog een geschilderde jachtscène in het Trippenhuis (foto Tatjana van Run)

Nog een geschilderde jachtscène in het Trippenhuis (foto Wim Ruigrok)

‘Tijdens verbouwingen en herstelwerkzaamheden die aan het einde van de negentiende eeuw in het Trippenhuis plaatsvonden, werden schilderingen gevonden op plafonds van de vertrekken op de eerste verdieping. Voorbeelden hiervan zijn de voorstellingen op het plafond van de Bestuurskamer, aan de achterzijde van het noordelijke pand, die in 1877 aan het licht kwamen. De schilderingen bevonden zich onder zeildoek dat ten behoeve van de inrichting van het museum was aangebracht. Het jaar daarop werd het plafond van de tegenhanger, de hoekkamer aan de zuidzijde (Bilderdijkkamer) blootgelegd. Tijdens hert vooronderzoek, in 1985 uitgevoerd, door medewerkers van de Rijksgebouwendienst, naar onder andere de afwerking van wanden en plafonds, bleek dat de plafonds in de gangen op de eerste verdieping beschilderd waren met diverse soorten (in- en uitheemse) vogels. Ook ontdekte men dat in de trapportalen van de begane grond naar de eerste verdieping geschilderde jachtattributen aanwezig zijn en voorstellingen die naar de (valken)jacht verwijzen. Op twee schuine trapschilden bij het begin van de trap op de begane grond, is zowel in het noordelijke als in het zuidelijke huis, een mannelijke figuur afgebeeld die bezig is met de jacht. Ook bleken de oorspronkelijke deuren met dergelijke voorstellingen beschilderd te zijn geweest. Sporen daarvan werden gevonden onder deurlijsten. De restauratie van de plafondschilderingen was grotendeels mogelijk. In de loop der jaren werden de verflagen die deze beschilderingen bedekten zorgvuldig verwijderd. Toen deze voorstellingen, door toedoen van restaurateur E.J.Tjebbes, in de trappenhuizen terugkeerden werd te meer duidelijk hoe rij gedecoreerd het gebouw er honderden jaren heeft uitgroeien.’ (Amsterdam, ‘Van wapenhandel tot wetenschapsbedrijf, 1993, p. 58-59)

Links detail van plafondschildering in het noordelijk trappenhuis van het Tripenhuis; rechts een detail van de valkenjacht.

Links detail van plafondschildering in het noordelijk trappenhuis van het Trippenhuis; rechts een detail van de valkenjacht (foto Wim Ruigrok)

ALLART VAN EVEDINGEN. De geschutgieterij van Hendrik Trip in Julita Bruk, Zweden

Allart van Everdingen: De geschutgieterij van Hendrik Trip in Julita Bruk (De Volkskrant, 17 september 2021)
(De Volkskrant, 17 september 2021)
Vervolg artikel Stefan Kuiper over de Alkmaarse schilder Allart van Evedingen die zich pecialiseerde in Noorse lndschappen (De Volkskrant, 17-9-2021)