HEEMSTEDE door buitenlandse reizigers bezien in de periode 1748-1818

De voormalige ambachtsheerlijkheid Heemstede komt al of niet uitgebreid ter sprake in diverse Nederlandse plaats- en reisbeschrijvingen, o.a. van Isaac Tirion, Loosjes, van Ollefen, Potter. In de 18e – 19e eeuw is deze gemeente wellicht door enige honderden buitenlanders bezocht, van wie een beperkt aantal de opgedane indrukken aan het papier heeft toevertrouwd in een brief, dagboek of reisjournaal. Soms zijn plechtige gebeurtenissen en bijzonderheden op schrift gesteld, zoals bezoek van de Franse koningin-moeder Maria de’ Medici en de Engelse vorstin Henrietta Maria aan het Hoge Huis te Heemstede. Duitse ingenieurs haaden interesse in de zogeheten ‘vuurmachine’ van John Hope op Groenendaal. In 1667 dineerde de Toscaanse vorst Cosimo de’ Medici met groot gevolg op reis in Holland in de herberg ‘de Dorstige Kuil’, maar we beperken ons hier verder vanaf ongeveer midden 18e eeuw.

cosimo

Cosimo de’Medici, portret door Justus Suttermans, circa 1670  (Florence, Museo della Natura Morte)

 

Een enkeling geeft een beschrijving van de gebrekkige gegevens bekend van de oorsprong der heerlijkheden Heemstede, Bennebroek en Berkenrode. De Duitser Nemnich bezocht de blekerij “Bleeklust” (thans “Gliphoeve”). De meesten kwamen naar Heemstede om op één of enkele van de talrijke buitenplaatsen te vertoeven, zoals Groenendaal, Meer en Berg, Oud-Berkenrode, Westerduin en Sparenhout. Geen wonder trouwens dat Zweedse reizigers in het voetspoor van hun befaamde landgenoot Linnaeus de Hartekamp opzochten. Een beschrijvende lijst van reizen in Nederland door buitenlanders voor 1850 is samengesteld door J.N. Jacobsen Jensen. Deze uitgave: “Reizigers te Amsterdam” is gepubliceerd door het Genootschap Amstelodamum in 1919. In deze bijdrage beperken we ons tot een zevental notities van één Engelsman (uit een Nederlands geslacht), twee Zweden, drie Duitsers en één Duitse vrouw met een Franse naam. Buiten beschouwing blijven zeer persoonlijke kontakten van buitenlanders (o.a. gouvernantes), zoals vastgelegd in brieven.

1. Mattys Decker (geboren in Amsterdam, met familierelaties in Bloemendaal) emigreerde naar Engeland, waar hij tot grote welstand kwam als textielhandelaar en bankier, werd tot Engelsman genaturaliseerd en wegens zijn verdiensten door koning George I in de adelstand verheven. Op bijna 70-jarige leeftijd bezocht hij voor de laatste maal zijn geboorteland, waar hij behalve prins Willem IV en diens echtgenote Anna (dochter van de Engelse koning) vele van de toenmaals leidende politici zou ontmoeten in Amsterdam, Den Haag, en op de buitenplaatsen rond Haarlem, Velsen en de Vechtstreek. In de zomer van 1748 is hij tweemaal te gast geweest op Westerduin bij de invloedrijke regent Cornelis Hop. (1) Na het diner speelde men whist en ’s avonds maakte men een tochtje om het landschap te bekijken. Bij één van die gelegenheden bracht Decker een beleefdheidsbezoek aan Pieter de la Court, secretaris en schepen van Amsterdam (later burgemeester) die de nabijgelegen hofstede Oud-Berkenrode bewoonde. Voorts ging hij op bezoek bij de weduwe van de Doopsgezinde handelaar David Matteus de Neufville, die hem voor het diner had uitgenodigd. In een door hem bijgehouden dagboek, dat pas in 1987 is gepubliceerd, noteerde Decker: “Hij zette ons het meest grandioze en edele diner voor dat ik meemaakte tijdens mijn verblijf in Holland. Er waren twee gangen van ieder 31 schotels en iedere schotel was meer dan volmaakt opgemaakt. Haar twee zoons en hun vrouwen waren eveneens aanwezig, evenals haar dochter en schoonzoon en de heer en mevrouw Van Lennep van Meerenberg. De ontvangst was even voortreffelijk als de hoffelijkheid en voorkomendheid van het hele gebeuren. Alle aanwezige heren nodigden mij uit te komen dineren. Ik moest die invitaties wel afslaan”. Decker bezocht ook Sparenhout, de buitenplaats van zijn ‘oude baas’Philips de Flines (1640-1700), een welgestelde koopman en regent met een stadshuis aan de Herengracht.

Portret van Mattys, later sir Matthew Decker

2. In 1759 hield de Zweedse wis- en natuurkundige Bengt Fermer (1724-1802) een reis door Nederland en hield hiervan een dagboek bij, dat in 1910 is uitgegeven. Op 30 mei van genoemd jaar reisde hij met zijn landgenoten Lefebure en Altströmer naar Haarlem en omgeving om daar de beroemde blekerijen te zien. Hun plan mislukte in zoverre, dat zij alleen de bleekvelden te zien kregen, maar niet onderricht werden over de manier waarop de Kennemers het linnen witter kregen dan op enige andere plaats ter wereld. Na een beknopte beschrijving vervolgt Ferner “Hier in de duinen lag het buiten Meer en berg van den heer (Aarnout) van Lennep, dat uitzag op het Haarlemmermeer. Wij zagen het alleen van buiten; wat grotten, beelden, waterwerken en berceaux betreft, is het heel mooi. De heer van Lennep is een van de rijksten van Amsterdam; maar hij zou zich met den aanleg van dit buiten geheel geruïneerd hebben, wanneer zijn familie niet op middelen bezonnen had om hem in zijn grootse plannen van aanleg te verhinderen”. Men begaf zich vervolgens naar een herberg buiten Haarlem, vermoedelijk in de Hout, alwaar men gedrieën plus een knecht 15 gulden betaalde, “terwijl wij allen maar een schotel kleine en een schotel grote baarzen hadden gehad, benevens boter en brood en een fles wijn”. Nadat men al éénmaal langs het buiten de Hartekamp van mr. George Clifford was gereden  richting Den Haag, volgde 20 juni een uitgebreider bezoek, ofschoon men de pech had dat de eigenaar niet thuis was. “Van Amsterdam vertrokken wij naar Haarlem en bezagen daar ditmaal de boeken van Coster op het stadhuis. Vandaar gingen wij naar “het buiten van Clifford”, dat Linnaeus beschreven heeft toen hij daar gedurende twee jaren vertoefde. De oude heer Clifford en de vrouw van zijn zoon Hendrik, die buiten waren en die wij dachten aan te treffen, waren uitgereden om wat te toeren; maar de tuinman leidde ons dadelijk rond om ons te laten zien, wat hier de aandacht waard was. Het hele buiten bestaat uit 30 morgen land en de grote weg naar Leiden en Den Haag gaat er midden doorheen. Aan de ene kant van de weg was het huis en het park met een grote oranjerie en een menigte uitlandse gewassen, maar niet zoveel als in de hortus medicus van Amsterdam. Sinds de tijd van Linnaeus, of juister sinds hij de tuinman van Clifford naar Zweden meenam (wat Clifford hem zeer kwalijk heeft genomen) is de oranjerie tweemaal verbrand en zij was daarom nu niet meer van zoveel betekenis als vroeger. Hier zag men ook een mooie grot, een fontein, een menagerie en vrolijke wandelwegen, die naar de Vaart leidden, waardoor de trekschuiten naar Leiden en Den Haag voeren. Aan de andere kant van de weg was het zogenaamde bos, waarin vooral mooie sparren, dennen en berken stonden; in het bos waren veel pauwen en kalkoenen. De grond liep hier van de weg af naar boven; op het hoogste punt was een paviljoen, vanwaar men een prachtig uitzicht had over het omliggende land, Haarlem en het Haarlemmermeer. Aan de voet van deze hoogte was een omheinde ruimte, waar een aantal herten onderhouden werden, om het mooie van het uitzicht te verhogen”.

3. Ruim een kwart-eeuw na zijn landgenoot Fermer deed Jac. Jon. Björnstahl op zijn reis door Europa Heemstede aan, uiteraard in het voetspoor van de intussen wereldberoemde grondlegger van de moderne botanische wetenschap. Evenals Ferrner moest hij echter zijn impressies beperken tot de tuin, omdat eigenaar Pieter Clifford (die o.a. vijf maal burgemeester was van Amsterdam) niet aanwezig was. Geciteerd wordt de 18e eeuwse vertaling: “Den 10den reden wij in gezelschap van den heer Rosenboom eene wandeling buiten de stad. Wij kwamen voor bij het kasteel Heemstede, een fideicommis van den heer van Budingen (bedoeld wordt Jan Diderik Pauw, geboren Hoeuft, heer van Heemstede, Rietwijk, Rietwijkeroord, maar ook van Buttinge(n), een buurtschap bij Veere in Zeeland. H.K.).

Portret van Jan Diderik Pauw geboren Hoeufft uit 1730-1732 (RKD)

Portret van Jan Diderik Pauw geboren Hoeufft uit 1730-1732 (RKD)

Het kasteel heeft zig, in den Spaanschen tijd, lange tegen den hertog van Alba verdedigd: en men vertoont nog verscheiden oude degens, die ter gedagtenis van dien tijd op het kasteel bewaard worden. De Haarlemmerhout behoort aan dit goed, en de stad betaalt aan den eigenaar eene zekere jaarlijksche som voor het gebruik van denzelven. De eigenaar van dit goed heeft verscheiden geestige voorregten, onder anderen, dat iemand, die uit de stad in deszelfs gebied vlugt niet mag gevat worden, voor dat den eigenaar van het goed daarvan kennis gegeven is. Wij kwamen van daar op den Hartekamp, welke een uur van de stad ligt. Dit goed hoort aan den heer burgemeester Clifford én hier is het, waar onze groote Linnéus zijnen meesten tijd in Holland gesleten heeft. Men ziet onderscheiden welgeschikte bloemen en gewassen, welke overblijfsels van den heer Linnéus zijn. De tuinier liet ons het vertrek zien, waar hij meende, dat de heer Linnéus gewoond had. Vervolgens zagen wij de kostbaare grot, welke uit bergkristallen, koraalen e.z.v. bestaat, en, zo zeide hij, ook een werk van Linnéus is. Verder zagen wij de plaats, daar het theater geweest is, hetwelk thans vernield is. Dit lot hebben veele andere voortreffelijke inrigtingen gehad, die thans vervallen zijn. Want zedert dat Linnéus den kundigen Netzel naar Zweden heeft laten komen, is hier zulk een bekwaam tuinier niet geweest, die de pragt en het aanzien van deze plaats heeft weten te onderhouden. Doch, onaangezien tijd en verwaarloozing hun geweld daar aan geoefend hebben, kan deze oord egter nog heden onder de zeer bekoorlijken geteld worden. Men ziet hier twee of drie tulpenboomen, die van groote zeldzaamheid zijn. In de oranjerij ziet men aan de wanden geschilderde bloemen en ananassen: de tuinier zeide, dat Linnéus ze zelf geschilderd heeft. Doch, daar ik het begerigst naar zogt, was het afbeeldzel van Linnéus, daar hij, zo men verhaalt, in eenen Laplandschen pels, of, volgens anderen, in eenen lederen kolder, afgebeeld is. Maar alle mijne pogingen waren vergeefs. Misschien is het ergens in een vertrek van het huis nog voorhanden, en de heer Clifford heeft zelf de sleutels der vertrekken. Dit speet mij geweldig, want ik had voornamelijk met dit vooruitzigt deze lange wandeling ondernomen. Dezelfden dag vertrokken wij nog van Haarlem verder naar Amsterdam, hetwelk er twee uuren van af ligt”. Tot zover Björnstahl. Na hem zouden nog talrijke Zweden op bezoek in Nederland een uitstapje naar de Hartekamp ondernemen.

4. De heer J.Th. de Booij uit Roosendaal ontdekte niet alleen dat John Hope in 1773 de Duitser Franz Michaël Leuchsenring, Hofraad van de Landgraaf van Hessen-Darmstadt, op zijn buiten Groenendaal ontving voor een diner, maar ook dat de Duitse klassieke filoloog J.J. Reiske enige decennia eerder tussen 1738 en 1748 regelmatig op Groenendaal verbleef als gast van de toenmalige eigenaar professor Jacob Philippe d’Orville. In zijn in 1783 gepubliceerde autobiografie schreef Reiske: “D’Orville Hess mich auf seinen Buytenplatz oder Landgut, Groendal genannt, (das zwischen Leyden und Harlem liegt, eine Weile von den letztern Orte) kommen“.

De koepel was lange tijd het enige restant van het herenhuis op landgoed Groenendaal

5. Juli 1970 arriveerde voor familiebezoek in Amsterdam het Kasselse gezin Engelbrunner, inclusief dochter Nina die zich in haar dagboek tooide met de achternaam van haar moeder d’Aubigny, Op zaterdag 21 augustus 1790 noteerde zij – vertaald in het Nederlands -: “We gingen naar Hochstatt (Heemstede), een mooi dorp waar Maria de Medici heeft gelogeerd, om er een machine te zien, gelijkend op die welke het Seinewater door heel Parijs leidt en die alleen door vuur wordt aangedreven”. Bedoeld wordt de in opdracht van John Hope door R.L Brouwer geconstrueerde stoommachine. Deze “vuurmachine” ter vervanging van de vijzelwindmolen diende om het park van Groenendaal van water te voorzien en is in 1781 in gebruik genomen. Het was de tweede stoommachine in ons land en de eerste geheel uit Nederlandse onderdelen samengesteld. Opmerkelijk is dat ruim anderhalve eeuw later nog gerefereerd wordt aan het beleefdheidsbezoek van de Franse koningin-moeder aan Adriaan Pauw op het Huis te Heemstede. Van die visite bestaat een tekening van Jan Martsen de Jonge, in het bezit van mevrouw AC van Houten-Beels, welke is afgedrukt in het boek: Adriaan Pauw (1585 -1653), staatsman en ambachtsheer. Heemstede, V.O.H.B., 1985, blz. 26.

Tekening van ontvangst der Franse koningin-moeder Maria de' Medicis in september 1638 op het Huis te Heemstede; door de Haarlemse kunstenaar Jan Martszen de Jonge (1609-1647_)

Tekening van ontvangst der Franse koningin-moeder Maria de’ Medicis in september 1638 op het Huis te Heemstede; door de Haarlemse kunstenaar Jan Martszen de Jonge (1609-1647)

6. In 1809 is in twee banden het dagboek van Philipp Andreas Nemnich gepubliceerd. Deze maakte in de winter van 1808 een reis langs vele Hollandse steden en dorpen. In de omgeving van Haarlem stelde hij zich op de hoogte van de blekerij-nijverheid. De bloei van de zogeheten Haarlemmerbleek (Heemstede, Bennebroek, Overveen) was toen overigens reeds over het hoogtepunt heen. “Meine Freund führten mich auf die berühmte Leinwand-Bleiche von Catharina Fleck, verwitwete Louis Gunst, zu Heemstede, dicht bey Haarlem. Man war da sehr artig und zuvorkommend, um mir Alles zu zeigen, und mir due nöthigen Erklarungen zu geben. Von dem ganzen Prozess gebe ich nur die folgende kurze Uebersicht:…”, waarna een technische beschrijving van twee bladzijden volgt De linnenbekerij “Bleeklust” opgericht omstreeks 1630 is in 1811 ten gevolge van faillissement gesloten.

De lijnwaadblekerij Bleeklust, op de Glip, van de Wed. Louis Gunst, in 1797. Naar een tekening van Joseph Charles. Litho Emrik en Binger, 1877. Op het duin de koepel van de Hartekamp op de Overplaats.

De naam van het woonhuis werd toepasselijk gewijzigd in “Bleekrust” en later in “De Gliphoeve”. Uit 1818 dateert- in drie delen – een reisbeschrijving in briefvorm van P.H.A.J. Strick van Linschoten, verschenen onder schuilnaam Eleutherophilos. Op doorreis van Haarlem naar Leiden passeerde hij diverse malen de Herenweg: “fuhr bei Bennebroek über dies Wasser, und kam Heemstede rechts und Berkenrode links vorbei zeitig vor Tisch in dem Harlemmerhout an. Immer machte ich diesen Weg mit Vergnügen, und auch diesmal hat er mir wieder viele Freuden gewahrt”. In een voetnoot geeft de auteur de volgende – voor hem bekende – gegevens over de oorsprong van Bennebroek, Heemstede en Berkenrode: “Diese drei Namen sind wieder ganz emblematisch. Bennebroek hat wieder einen frommen Ursprung vom Angelsachsischen bene, postulatio, rogatio und broek, Bruch, niedriges Land. Es ist ein sehr altes dorf am Harlemmergestade. Als die Fieden am Ende des 9ten oder im Anfang des 10ten Jahrhunderts die Abtei zu Egmond, welche, bevor Benediktinermönche ihrvorstanden, von Benediktinerinnen befest war, plünderten und abbranten verfesste Graf Dietrich II von Holland diese Nonnen dahin, und bauete für Sie daselbst eine Priorei. Zum Beweise nun, dass diese wohl auf einem Bruchlande stand, dienet, dass dies Kloster schon seit mehreren Jahrhunderten vom Harlemmermeer verschlungen, und keine Spur davon mehr zu sehen ist. Heemstede, welches etwas höher liegt, und dessen Schloss daher auch ehemals per excellentiam het hooge Huis (das hohe Haus) genannt worde, kam gnadiger davon, obgleich es auch am Ufer dieses Meeres liegt, was sein Name schon andeutet, welcher die Statte am Saum oder aussersten Rand heisst, vom Angelsachsischen hem, limbus. Dass zu Berkenrode ehemals ein Birkenwald stand, welcher ausgerottet wurde, liegt deutlich im Namen”.

Tot zover de schaarse gegevens van enkele buitenlanders over Heemstede. Het spreekt vanzelf dat in dezelfde periode veelvoudig over de stad Haarlem is geschreven en al of niet gepubliceerd. Het is vrij zekerdat nog andere beschrijvingen van buitenlanders boven water komen, nu steeds meer in archieven aanwezige brieven, itenaria en dagboeken in boekvorm verschijnen, zoals pas na bijna 240 jaar het dagboek van sir Matthew Decker.

Hans Krol

(1) Citaat uit de boekuitgave van 1987: ‘(…) Decker reisde via Haarlem naar Amsterdam. In de buurt van Haarlem ontmoette hij twee andere leden van het zeer uitgebreide geslacht Hop. De al genoemde Johannes Hop was een zoon van Henryck Hop. Deze was een broer van de stamvader van de meeste Hops die Decker ontmoette, namelijk Jacob Hop (1654-1725), van 1680 tot 1687 pensionaris van Amsterdam, De oudste zoon was Deckers gastheer op ‘Westerduyn’, Cornelis Hop (1685-1725).

Mr. Jacob Hop. Portretgravure van J.Houbraken

Mr. Jacob Hop. Portretgravure van J.Houbraken

Mr. Cornelis Hop. Gravure door J.Houbraken

Mr. Cornelis Hop, eigenaar van Westerduin. Gravure door J.Houbraken

Cornelis was lid van de Amsterdamse vroedschap. Enkele jaren later werd hij burgemeester van Amsterdam. Hij was ambassadeur geweest aan het hof van de Franse koning Lodewijk XV. Deze welgemeende regent had zowel belangen in de West-Indische als in de Oost-Indische Compagnie. In 1728 was hij eigenaar geworden van de hofstede ‘Westerduyn’ onder Heemstede, voor een bedrag van 13.500 gulden. In 1735 kocht hij voor 35.000 gulden ook nog een ‘residentie’ aan de Doelenstraat in Amsterdam. Het jaarkomen van Cornelis Hop werd geschat op 14 tot 15.ooo gulden. In 1742 had hij negen dienstboden in dienst. Hij was getrouwd met Jacoba Valckenier. ‘. UIT HET DAGBOEK VAN MATTHEW DECKER”:  ‘7 juni 1742 huurde ik een postkoets en ging naar Amsterdam Ik at bij mijnheer Hop op diens landgoed Westerduyn bij Haarlem. Hij en zijn vrouw ontvingen me allerhartelijkst. Bij het vertrek drukten ze me op het hart mijn belofte niet te vergeten om twee of drie dagen te komen logeren als hun broer uit Engeland op bezoek was. Ik zal dat, den ik, inderdaad doen, omdat ik vroeger graag in deze streek verbleef. ’s Avonds om acht uur kwam ik in Amsterdam aan. (…)’

Opgave van geciteerde literatuur

1. Decker, Matthew. Het dagboek van sir Mathew Decker: een Nederlandse Engelsman over Nederland in 1748 en de buitens in de 18de eeuw. Van commentaar voorzien en bewerkt door A. Doedens, L Mulder en A.C Bijsmans. Baarn, Bosch en Keuning, 1987.

Vooromslag van in 1987 uitgegeven dagboek met een afbeelding van buitenplaats ‘Boom en Bosch’ aan de Vecht

2. Ferrner, Bengt Dagboek van zijne reis door Nederland in 1759, medegedeeld door G.W. Kernkamp. In: Bijdragen en mededelingen van het Historisch Genootschap, deel XXXI (1910), blz. 314-509.

3. Björnstahl, J.J. Reize door Europa… Utrecht, 1778/’84. Deel 5, blz. 406-408 (De Hartekamp).

4. Reiske, J.J.D, Johann Jacob Reiskens von ihm selbst aufgesetzte Lebensbeschreibung; herausgegeben von Ernestine R Leipzig,.1783, blz. 35 e.v.

5. d’Aubigny, Nina Journal d’un voyage d’Hollande 1790. Hiervan bestaat een in stencil gebrachte Nederlandse overzetting (Stadsarchief-Amsterdam). Zie ook Tijdgenoten over Haarlem, V, Nina d’Aubigny, 1790-1791, in: Jaarboek Haerlem 1974. Haarlem, 1975, blz. 273-284.

6. Nemnich, Philipp Andreas Original-Bei trage zur eigentlichen Kenntnisse von Holland. Tübingen, 1809. Erster Band, blz. 105-107.

7. Eleuterophilos (pseudoniem van P.H.A.J. Strick van Linschoten). Vertraute Briefe wahrend eines Durchflugs duren einen Theil der nördlichen Provinzen des Königsreichs der Niederlande in Sommer des Jahres 1817… Mannheim, 1818. Deel 1, blz. 168-169. De viering van ons veertigjarig Jubileum 19 november 1987