Tranen in Bennebroek en Meerenberg, Maria De Neufville’s ‘verhaal van mijn droevig leeven’

‘(…) ik ging ook uyt de wareld myn oudste broer die voor myn een buyte plaatste huurde met de meubele te bennebroek digtby meer en berg en myn dikwils kwam besoeke moest ook nog weg ik had nog niet genoeg geleeden en die onversadelyke dood nam die ook weg dat weer een nieuwe en allerbitterste slag voor myn was en ik nog niet weet hoe ik dat alles overgekome ben en doe ik myn lieve broer niet meer op meerenberg vond so wilde ik op bennebroek niet blyven al hoewel ik veel vriendschap van myn aangeheylikte suster en voornamentlijk van susters ouste soon had als daar rys wat lekkere fruyt of en mooyje baars was dan brogt hy myn die maar de droefheyd had myn so overkropt dat ik geen mens wilde spreeken en ging doe woone aan de utregtse trekvaart op Lindenhof daar er te bennebroek so veel traane legge als ik geloof ooit eenig mens geschreyd heeft maar doe ik al weer (…)‘. Aldus 18 regels uit een beknopte levensbeschrijving van Maria de Neufville (1699-1779): ‘Verhaal van myn droevig leeven’ met een voortreffelijk begeleidend commentaar van de historica en vertaalster mevrouw Tony Lindijer in boekvorm verschenen. (Hilversum, Verloren, 1997. ISBN 906550-555-5). Het origineel manuscript dat in totaal slechts 349 regels omvat bevindt zich in de verzameling- Brants van het Gemeente-archief in Amsterdam. De Neufville was een voornaam 17e en 18e eeuws (Doopsgezind) Haarlems maar vooral Amsterdams koopmansgeslacht, rijk geworden in de stoffenfabricage (linnenweverijen en -handel) (1). Diverse buitenplaatsen in Heemstede en de Hout zijn door afzonderlijke telgen De Neufville bewoond, zoals Meer en Berg, Westerhout, Sparenhout, Middellaan, Oosterhout, Westermeer en het Ruijpenest alsmede Knapenburg. De hofstede Meer en Berg werd in 1696 door de voogden van de kinderen van Matthias Trip voor ƒ 12.100,- verkocht aan David de Neufville. Dit tijdens de zomermaanden bewoonde buiten bleef familiebezit tot eind 1749 toen Meer en Berg in eigendom overging aan Aernout van Lennep, zoon van Jacob van Lennep en Petronella de Neufville. Intussen was de kleinere buitenplaats Leeuwenberg bij het landgoed gevoegd en de tuin verrijkt met beelden en een kostbare tuininventaris. Van oorsprong een Franse Hugenotenfamilie vangt de Hollandse stamreeks aan met Balthasar de Neufville in 1585, die zich te Haarlem heeft gevestigd na uit Antwerpen te zijn gevlucht waar men onder de Spaanse Furie van vrijwel alle bezittingen was beroofd.

De jaren nabij Meer en Berg (1743-1744)

David de Neufville (1654-1729 rechts afgebeeld op een schilderij van M.van Musscher uit 1696 met links op de achtergrond de tuin van zijn nieuw verworven bezit Meer en Berg. Naast hem is zijn echtgenote [tevens volle nicht] Agneta de Neufville (1658-1719) afgebeeld en helemaal links hun dochter Catharina de Neufville (1683-1729). Het doek bevindt zich in particuliere collectie (foto Iconografisch bureau Den Haag)

David de Neufville (1654-1729 rechts afgebeeld op een schilderij van Michiel van Musscher (1645-1705) uit 1696 met links op de achtergrond de tuin van zijn nieuw verworven bezit Meer en Berg. Naast hem is zijn echtgenote [tevens volle nicht] Agneta de Neufville (1658-1719) afgebeeld en helemaal links één van hun twee dochters Catharina de Neufville (1683-1729). Het doek bevindt zich in particuliere collectie (Amsterdam Museum))

Mattheus de Neufville (1686-1743), oudste broer van Maria de Neufville - met zijn vrouw en volle nicht Petronella de Neufville (1688-1749), weduwe van Jacob van Lennep. De kinderen Van Lennep v.l.n.r. Aernout (1718-1791), Jacob Pieter (1723-1772) en David (1721-1771). Aan de wand hangt een portret van de overleden echtgenoot/vader Jacob van Lennep (1686-1725). Schilderij van Balthasar Denner uit 1738 (RKD)

Mattheus de Neufville (1686-1743), oudste broer van Maria de Neufville – met zijn vrouw en volle nicht Petronella de Neufville (1688-1749), weduwe van Jacob van Lennep. De kinderen Van Lennep v.l.n.r. Aernout (1718-1791), Jacob Pieter (1723-1772) en David (1721-1771). Aan de wand hangt een portret van de overleden echtgenoot/vader Jacob van Lennep (1686-1725). Schilderij van Balthasar Denner uit 1738 (RKD)

Maria de Neufville, die ongehuwd bleef, was één van de acht kinderen van Isaak De Neufville en Maria Grijspeert uit Haarlem. De naderende dood van haar moeder in 1726 greep haar erg aan. Haar oudste broer Mattheus (1683-1743), gehuwd met een nicht – het trouwen met familieleden kwam bij de Neufvilles meer voor – was eigenaar van Meer en Berg (2) en haar jongste broer Jan Isaac (1706-1772), vanaf 1739 eigenaar van Westerhout. Het gebeeldhouwde geslachtswapen van De Neufville treft men nog hedentendage aan op de beide pilasters van het monumentale toegangshek naar Meer en Berg (Mariënheuvel) aan de Clipper Dreef. Maria de Neufville heeft in Amsterdam en diverse andere plaatsen in de provincies Noord-Holland en Utrecht gewoond. Eigenlijk maar kort in Bennebroek nabij Meer en Berg, namelijk in de jaren 1743-1744. Zij is naar deze omgeving vanuit de hoofdstad verhuisd na het overlijden van haar aanstaande bruidegom Abraham Bierens op 22 februari 1743. De chronisch depressieve Maria bleef de dood achtervolgen ‘niet eens, maar wel tienmaal’ schreef ze letterlijk in haar op gevorderde leeftijd aan het papier toevertrouwde levensherinneringen. In het genoemde archief-Brants bevinden zich diverse brieven van broer Mattheus die op Meer en Berg woonde aan broer Jan Isaac van Westerhout geschreven, over een hond, de vangst van snippen, turf en een logeerpartij, maar ook over de verzending van juwelen naar zijn vennoot te Londen. Op 23 juni 1743 overleed Maria’s broer Mattheus op Meer en Berg aan de gevolgen van een aanval door gal- of nierstenen (3). Deze oudste broer had eerder voor haar een gemeubileerd buitenplaatsje in Bennebroek gehuurd voor ƒ 125,- per half jaar ‘uit de wereld’ maar dicht bij haar familie op Meer en Berg en Westerhout. Hierover noteert Tony Lindyer in haar boek op de bladzijden 62-63: ‘Voor Maria moet het wegvallen van Mattheus gevoeld hebben als het einde van de bescherming die er van haar oudste broer, tevens plaatsvervangend gezinshoofd, uit was gegaan. Op kritieke momenten was hij haar te hulp gekomen en had geprobeerd haar over haar ziekelijkheid en gesukkel heen te helpen. Vriendschap ondervond zij na zijn overlijden van haar schoonzus en nicht Petronella en diens oudste zoon Aernout (de jongen links op het schilderij van Balthasar Denner). Met fruit of een baars, die hij waarschijnlijk zelf uit de Haarlemmermeer had gevist, wist hij zijn treurende tante enigszins op te monteren. Deze Aernout van Lennep zou later de eigenaar van Meerenberg worden’.

Familiewapen De Neufville

Familiewapen De Neufville

In Bennebroek vormde Maria samen met haar nichtje Maria Petronella één huishouden na het overlijden van moeder en vader, tevens broer van Maria in 1738. In 1743 liet deze nicht haar testament opstellen ‘ten huize van Moeij Juffr. Maria de Neuville’. In ieder geval vanaf 29 juni 1643 hield Maria de Neufville een kasboek bij waarin al haar uitgaven staan geregistreerd. Zij leefde in de traditie van Doopsgezinde families zeer zuinig en gaf ongeveer ƒ 20,- per week uit aan het huishouden. ‘In de wekelijks bijgehouden uitgaven zien wij posten als ‘Sieke Anna’ en ‘ouwekees’ steeds terugkomen. Maria schafte in Bennebroek ook een ‘treekpot’, ‘melkkannetje’ en ‘oly en asyn stelletie’ aan. Zij gaf geld uit voor speelgoed voor de kinderen. Vogels, schar en ‘sneppe hoenders’ kwamen op het menu voor. Zij blijkt geregeld fooien te geven aan de meiden van haar nicht Petronella op Meerenberg en zuster Anna, hetgeen betekent dat zij elkaar regelmatig opzochten. In augustus 1744 gafzij geld uit aan ‘een rijs na apkou’ en ‘het uytgaan om een plasie tesien’. In september reisde zij nog eens naar Abkoude’ (Lindyer, pagina 67). Op 9 november 1744 huurde zij een schuit en nam haar intrek op de Lindenhof aan de Amstel tussen Abcoude en Baambrugge. In 1772 overleed Jan Isaac, de laatste in leven zijnde broer op zijn buitenplaats Westerhout. Bijna drie maanden later volgde haar geliefde nicht Maria Petronella, met wie ze zestien jaar had samengewoond. In dat jaar liet Maria haar testament opmaken. De dood was voor haar traumatisch geworden en bij ieder sterfgeval nam haar droefheid alleen maar toe, zoals blijkt uit het verhaal dat zij naliet en thans is uitgegeven. Zij overleed ten slotte zelf op 19 december 1779 op Amstelwind in Mijdrecht en werd bijgezet bij Maria Petronella in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, waar het graf bij de restauratie na 1959 definitief is geruimd. Het ‘Verhaal van mijn droevig leeven’ is niet het enige egodocument van een vrouwelijke telg uit het geslacht De Neufville.

Wapensteen familie De Neufville

Wapensteen familie De Neufville

Twee schrijvende familieleden

Uit de literatuurgeschiedenis is ons bekend Christina Leonora de Neufville (1713-1781), vertaalster en auteur van “Bespiegelingen voorgestelt in Dichtkundige brieven”, 1741, tweede druk 1762. Zij werd in haar tijd geroemd om haar eruditie en schrijverstalent. Iets van haar roem is nog te vinden op de grafsteen in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, waar haar naam in vergulde letters staat vermeld.

Gravure van J.Punt uit Childerik (1738), een vertaling van Christina Leonora de Neufville van de Franse tragedie van P.de Morand. Het stuk werd meerdere malen in de stadsschouwburg van Amsterdam opgevoerd en was opgedragen aan Mattheus en Petronella de Neufville

Gravure van J.Punt uit Childerik (1738), een vertaling van Christina Leonora de Neufville van de Franse tragedie van P.de Morand. Het stuk werd meerdere malen in de stadsschouwburg van Amsterdam opgevoerd en was opgedragen aan Mattheus en Petronella de Neufville

Van groter belang is de later levende Margaretha Jacoba de Neufville (1775-1856).

Geschilderd portret van Margaretha Jacoba de Neufville

Geschilderd portret van Margaretha Jacoba de Neufville

Litho van M.J.de Neufville uit 1899

Litho van M.J.de Neufville uit 1899

Genealogisxch overzicht stamfamilie De Neuville, uit boek Lindyer

Genealogisch overzicht stamfamilie De Neuville, uit boek Lindijer

Fragmentgenealogie De Neufville. Uit: P.A.Boeser, Leven en werken van Margaretha Jacoba de Neufville (Leiden, 1889)

Fragmentgenealogie De Neufville. Uit: P.A.Boeser, Leven en werken van Margaretha Jacoba de Neufville (Leiden, 1889)

Schilderij door Adriaan de Lelie uit 1817 met David Mattheus van Gelder de Neufville en zijn dochter Margaretha Jacoba de Neufville

Schilderij door Adriaan de Lelie uit 1817 met David Mattheus van Gelder de Neufville en zijn dochter Margaretha Jacoba de Neufville (collectie van de Poll-Wolters-Quina Stichting)

Sparenhout op een prent van Hendrik de Leth (1703-1766)

Zij woonde wisselend in Amsterdam en op Sparenhout en is feitelijk schrijfster van de eerste Nederlandse historische roman: De Schildknaap (1829). Verhaald wordt een middeleeuwse geschiedenis uit de tijd van Graaf Willem II van Holland. Voorts schreef zij burgerlijke romans in brieven, kinderverhalen en maakte vertalingen. Haar hoofdwerk in vier banden is “De Kleine Pligten” met rake observaties van menselijk gedrag (1824), dat twee herdrukken beleefde.

Titelblad en frontispice van 'De kleine pligten' door M.J.de Neufville. Amsterdam, M.H.Schonekat, 1835

Titelblad en frontispice van ‘De kleine pligten’ door M.J.de Neufville. Amsterdam, M.H.Schonekat, 1835 (= derde druk)

Illustratie uit 'De kleine pligten' van M.J. De Neufville (1824-1827, 4 delen)

Illustratie uit ‘De kleine pligten’ van M.J. De Neufville (1824-1827, 4 delen)

Ook hield zij een dagboek bij (4) waarin een enkele maal ook Heemstede ter sprake komt. Over het tijdvak dat Steven J.H.van Hengel predikant van de Hervormde Kerk en Joannes Cornelis Maas pastoor van Berkenrode was noteerde ze in 1805 dat bij de jaarlijkse ontvangst van kinderen in de R.K.kerk van Berkenrode genoemde priester de gereformeerde dominee had uitgenodigd. Een vroege vorm van oecumene in Heemstede. Deze verdraagzaamheid op godsdienstig gebied stemde haar tot dankbaarheid. Evenals Maria de Neufville was ook Margaretha Jacoba de Neufville droefgeestig van aard. Over zichzelf schreef zij bovendien dat ze klein, lelijk en mank was en dat de mensen niet van haar hielden. ’s Winters woonde zij in Amsterdam en in de zomermaanden op haar buitenplaats. Zij overleed 15 juli 1856 in Heemstede op Sparenhout

Meerzicht in Heemstede

Bijlage: Eigenaren van Meer en Berg sedert 1696 (na Trip)

1696-1729 Verkoop door voogden van de kinderen van Matthias Trip voor ƒ 12.100,- aan David de Neufville.

1729-1732 Aankoop voor ƒ 31.500 door Dirk van Lennep (5), gehuwd met Catharina de Neufille (dochter van de vorige eigenaar).

(1730: aankoop voor ƒ 4.000,van ‘Leeuwenberg’ en samenvoeging bij Meerenberg; uitbreiding met 73 morgen duinen of wildernisse voor jachtvermaak)

1732-1749 Verkoop aan Petronella de Neufville (weduwe van Jacob van Lennep en schoonzuster van Dirk van Lennep), januari 1733 hertrouwd met (neef) Mattheus de Neufville. De aankoopprijs bedroeg in 1732 ƒ 40.000,alsmede ƒ 10.000,- voor de beelden en tuininventaris.

Petronella van Lennep- de Neufville (1688-1739) en haar zoon Jacob Pieter van Lennep

Petronella van Lennep- de Neufville (1688-1749) en haar zoon Jacob Pieter van Lennep

(1740: Mattheus de Neufville geeft 2 morgen in erfpacht aan prof. J.Ph.d’Orville, eigenaar van Groenendaal).

1749-1791 Aernout van Lennep (1718-1791), zoon van Petronella de Neufville en Jacob van Lennep.

(1750: 31 morgen in erfpacht aan d’Orville).

1791-1828: Jacob Abraham van Lennep (1752-1828), zoon van Aernout. Begraven op zijn buitenplaats.

1828-1841: Abraham Jacob van Lennep (1778-1841), zoon van voorgaande. Was o.a. stalmeester van Keizer Napoleon.

1841-1880: jonkheer mr. Diederik (Dirk) Jacob Carel van Lennep (1823-1880), gehuwd met Paulina Agneta Deutz van Assendelft.

1880-1906: weduwe Paulina Agneta Deutz van Lennep (1854-1913).

Paulina Agneta Deutz van Lennep-van Assendelft (1835-1913) carte-de-visite

Paulina Agneta Deutz van Lennep-Deutz van Assendelft (1835-1913) carte-de-visite

1906-1930: (zoon) Hendrik Jan Deutz van Lennep (1886-1934), getrouwd met Isabella Teding van Berkhout (1869-1957).

(1908-1909: bouw van nieuw Meer en Berg onder architectuur van Foeke Kuipers en sloop van oude woning aan de Glipperweg; het aangrenzende huis ‘Meerzicht’ bleef behouden).

1927-1946: eigendom van een bank.

(1931 vergeefse poging tot verkoop) (6).

Tijdens de oorlogsjaren inkwartiering door Duitse soldaten.

1946 – heden: Zusters Augustinessen van Delft/Heemstede; herstel en nieuwbouw Mariënheuvel.

1948; overige deel van Meer en Berg aangekocht door gemeente en gevoegd bij het wandelbos Groenendaal, deels aangewend voor woningbouw (Staatsliedenbuurt).

1949: door gemeente verworven deel opengensteld voor publiek

1953  Sloop van Oranjerie van Meer en Berg.

Zochervijver Meer en Berg

Noten

(1) J.W.Veluwenkamp wijdde zijn proefschrift aan deze familie van textielondernemers: ‘Ondernemersgedrag op de Hollandse stapelmarkt in de tijd van de Republiek: de Amsterdamse handelsfirma Jan Isaac de Neufville & Comp., 1730-1764’. 1981.

(2) Met zijn feitelijk rijkere echtgenote en nicht Agneta de Neufville beschikte hij blijkens een belastingkohier uit 1742 over een stadshuis in Amsterdam (Herengracht 476), 6 dienstboden, 4 trekpaarden voor zijn koets en rijpaarden, de buitenplaats Meer en Berg en werd zijn jaarinkomen geraamd op minstens ƒ 30.000,-

Schilderij van B.Denner uit 1738. Voorstellende aan tafel gezeten mattheis de Neufville (1686-1743) en diens echtgenote - tevens nicht - Petronella de Neufville (1688-1749) en hun drie zonen: Aarnout van Lennep, David van Lennep en Jacob Pieter de Neufville. Doek in particuliere collectie (RKD; iconografisch bureau)

Schilderij van B.Denner uit 1738. Voorstellende aan tafel gezeten Mattheus de Neufville (1686-1743) en diens echtgenote – tevens nicht – Petronella de Neufville (1688-1749), eigenaren van Meer en Berg. Voorts hun drie zonen: Aarnout van Lennep, David van Lennep en Jacob Pieter de Neufville. Doek in particuliere collectie (RKD; iconografisch bureau)

(3) Op 26 juni 1743 noteerde de Amsterdamse kronikeur Bicker Raye het overlijden: 7s de heer Matijs de Noviele op zijn buytenplaats buyten Haarlem schielijk aan een kolyk overleeden’.

(4) Zie: A.M.Lubberhuizen-van Gelder. Het dagboek van Margaretha Jacoba de Neufville. In: Amstelodamum, 53, 1966, p.85-94. Aan haar wijdde P.A.A.Boeser in 1889 een academisch proefschrift onder de titel: ‘Leven en werken van Margaretha Jacoba de Neufville’.

(5) Dirk van Lennep maakte voor de verfraaiing van zijn stadshuis en buitenverblijf Meer en Berg (o.a. tuinaanleg, Oranjerie, beeldhouwwerken, Pomphuis en fonteinen) grote schulden aan o.a. de beeldhouwer Ignatius van Logteren en tuinarchitecten vader e zoom Marot. Zijn familieleden Van Lennep en De Neufville sprongen financieel bij tot een bedrag van ƒ 78.000,- teneinde faillissement te voorkomen. Aldus “kon het fatsoen van de familie blijven geconserveert” volgens de Zweed Bengt Ferrner op reis door Nederland in 1759.

6) Daar verkoop via inzet slechts ƒ 285.000,- opbracht, terwijl de hypotheek 5 ton bedroeg, is verkoop via opslag opgehouden.

Hans Krol

Bos Meer en Berg, sinds 1949 deel uitmakend van Groenendaal: speelweide.