Tags

, , , , ,

SCHILDERIJEN VAN DEGAS EN RENOIR AFKOMSTIG UIT BOSBEEK IN DE VERENIGDE STATEN GETRACEERD / HANS BALDUNG GRIEN / PIETA / JOHANNES LENCKER / JOHANN  REINHOLD – COLLECTIE KOENIGS

Behalve het uit joods bezit afkomstige nazi-goud in de kluizen van Zwitserse banken heeft de laatste ook tijdens de Tweede Wereldoorlog geroofde kunst veel aandacht in de pers gekregen (1). Het schilderij ‘de Perenboom’, vervaardigd door de Franse impressionist Auguste Renoir, was al in 1967 bij de voorganger van het het veilinghuis Sotheby’s in New York opgedoken. Het doek, dat minstens één miljoen dollar moet opbrengen, wordt opgeëist door nazaten van de familie Gutmann, van 1924 tot het einde van de oorlog eigenaar van de buitenplaats ‘Bosbeek’ te Heemstede. Directrice Diana Brooks van Sotheby’s beweert dat de strenge huisregels overtreden worden indien de naam van persoon of instantie, die het doek in 1997 heeft ingebracht, openbaar zou worden gemaakt. Het door de Erven Gutmann ingeschakelde, in Washington gezetelde, advocatenkantoor Thomas Kline heeft intussen een respectabel aantal documenten overlegd, waaruit evident blijkt dat het hier om een gedurende de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s geconfisqueerd schilderij gaat. Volgens advocaat Matthew Weigman van het veilinghuis is nog geen dagvaarding ontvangen. Tegelijkertijd wordt een schilderij: ‘Landschap met schoorstenen’ van Edgar Degas terugeëist van de huidige eigenaar, de in Chicago woonachtige schatrijke ondernemer Daniel Searle. Bovendien een vergoeding van 100.000 dollar gevraagd voor conserveringskosten. Searle heeft het doek in 1987 voor 850.000 dollar te goeder trouw gekocht van de New Yorkse kunsthandelaar Margo Schab. Met het uitlokken van een proefproces kan een precedent geschapen worden of door de nazi’s in beslag genomen kunst en antiek na meer dan een halve eeuw nog kan worden teruggevorderd (2).

Familie Gutmann

Fritz Gutmann (1886-1944)

Friedrich (Fritz) Bernard Eugen Gutmann (1886-1944), zoon van de oprichter van de Dresdner Bank, was directeur van een vestiging van voornoemde bankinstelling in Londen. Als Duitser is hij bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog geïnterneerd op het eiland Man. Begin 1918 werd hij als krijgsgevangene naar Nederland uitgewisseld. Aanvankelijk gehuisvest in Noordwijk richtte Gutmann met E.Proehl een eigen bankinstelling op. Die firma is succesvol geweest en hield zich voornamelijk bezig met accept- en krediettransacties ter bevordering van de internationale handel. In samenwerking met Nederlandse banken werd meegewerkt aan een bloeiende emissiehandel totdat de crisisjaren uitbraken en in 1933 tot liquidatie van de firma Proehl & Gutmann is besloten. Emst Proehl, in 1885 geboren te Hamburg, was evenals zijn compagnon tot Nederlander genaturaliseerd en deelde diens passie voor het verzamelen van oude meesters (Rubens, Jan Steen, de Heem etc.). In het najaar van 1940 verkocht Proehl een doek ‘Venus’ voorstellende van Lucas Cranach aan Goering voor een bedrag van ƒ 75.000,-. April 1934 zette Gutmann het bankbedrijf als enig deelgenoot voort. Fritz Gutmann, zoon van Eugen Gutmann, oprichter van de Dresdner Bank, is in 1924 tot Nederlander genaturaliseerd en datzelfde jaar verhuisde hij naar Bosbeek, Glipperweg 91. Het historische buiten werd aangekocht van gepensioneerd papierfabrikant Pieter Smidt van Gelder die een villa in Zwitserland betrok. Gutmann was getrouwd met de eveneens uit Berlijn afkomstige Louise, baronesse van Landau. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. Een zoon Bemard Eugen in 1914, – november 1936 vanuit Heemstede naar Cambridge verhuisd – die eind augustus 1994 in de Duitse stad Tübingen is overleden en dochter Lili Vera, geboren in 1919 en tot 20 september 1938 woonachtig op Bosbeek waarna zij naar Florence vertrok. Haar echtgenoot is overleden en zij werkt als journalist voor vakbladen op het terrein van textiel en kleding. Haar kinderen wonen in Toscane evenals haar kleinkinderen.  Uit de Heemsteedse jeugdjaren heeft ze goede herinneringen aan Cornelia van Eijk-Koenigs, de dochter van bankier Franz Koenigs, aan Ursula von Pannwitz, de dochter van Catalina von Pannwitz van ‘De Hartekamp’, de families Van de Poll, Rhodius, Van Lennép-Teding van Berkhout en aan mevrouw Cécile Kahn Hirschler, wier familie in de Linnaeuslaan woonde en van wie een broer in New York resideert. Mededelingen over het leven op Bosbeek tijdens het Interbellum deed Lili enkele jaren geleden in een door de Duitse ZDF uitgezonden televisie-documentaire ‘Hitlers Kunstraub’. Over de verzameling- Gutmann berichtte de Duitse nazi dr.Eduard Plietzsch op 12 september 1940 aan dr.Kajetan Mühlmann, hoofd van de gelijknamige Dienststelle, die voor de grootste ‘kunstverzamelaar’ van deze eeuw Herman Goering een rapport samenstelde en formeel voor het op te richten Führer-museum in Linz werkte.

Goering en de Hartekamp

Zoals bekend heeft Rijksmaarschalk Hermann Goering, die begin 1945 zich meer zorgen maakte over het lot van zijn enorme kunst- en antiekcollectie dan over de redding van het Derde Rijk, in totaal drie keer de Hartekamp en eenmaal Bosbeek bezocht. Goering heeft zijn aanwinsten vrijwel altijd betaald en leefde in de naïeve veronderstelling dat hij bij een ineenstorting van Duitsland zijn verzameling zou kunnen behouden en uitbreiden. De kunstwerken waren bijeengebracht in de kastelen Mauterndorf en Veldenstein en vooral in zijn luxueuze landgoed landgoed Karinhall buiten Berlijn. Van alle aankopen en ruilingen is een nauwkeurige boekhouding bijgehouden door toegewijde medewerkers als Hofer, Posse, Miedl en Mühlmann die ook voor het Führer-museum werkten. Aan mevrouw C.von Pannwitz liet Goering medio october 1940 in het Amstelhotel ƒ 390.000,- betalen voor een Rembrandt  (Portret van een oude man die een tulband draagt -later toegekend aan een leerling), een aan Lucas Cranach toegeschreven doek, twee altaarstukken uit de Duitse School en nog twee schilderijen. In mei had mevrouw Von Pannwitz in aanwezigheid van Goering een koffer met vers van de pers in Berlijn gedrukte bankbiljetten op de Hartekamp geweigerd in ontvangst te nemen. De transactie hield tevens in dat zij een uitreisvisum en vrijgeleide voor Zwitserland kreeg en dat de Hartekamp niet door Duitse legeronderdelen zou worden gevorderd, waaraan men zich strikt heeft gehouden. Toen de verkochte kunstobjecten na de oorlog zijn gerecupereerd meende mevrouw Von Pannwitz terecht dat de Nederlandse staat eigenaar was geworden omdat zij hiervoor redelijk was betaald. zelf vond ze een “uitzonderlijk hoog bedrag” te hebben ontvangen. (Naar de maatstaven van 1997 een som van meer dan 5 miljoen gulden!). De erven van mevrouw Von Pannwitz hebben na de oorlog een poging ondernomen voor teruggave van de schilderijen, maar dat verzoek is door de Nederlandse overheid op basis van een advies van de Restitutiecommissie afgewezen.

Göring als sneeuwpop in Groenendaal (foto 1944)

Het trieste lot van het echtpaar Gutmann

Op 19 mei 1942 is een deel van de collectie vanuit Bosbeek naar Amsterdam overgebracht en vervoerd door de firma De Gruyter omstreeks 15 juni 1942 bij kunsthandel Julius W.Böhler in München aangekomen. Slechts een deel van deze beelden en schilderijen is na de oorlog teruggekeerd. Het boek ‘The Rape of Europe; the fate of Europe’s Treasures in the Third Reich and the Second World War’ van Lynn H. Nicholas {New York, 1995) bevat veel informatie over de Duitse kunstroof en daarbij is ook sprake van de collectie Gutmann. Namelijk dat een aanzienlijk deel te Parijs in depot was gegeven en aan Alois Miedl, directeur in oorlogstijd van de beroemde Amsterdamse kunsthandel Goudstikker, drie 16e eeuwse zilveren bekers tegen betaling waren geoffreerd. Een standaardwerk op dit gebied is de publicatie van Adriaan Venema: ‘Kunsthandel in Nederland 1940 1945′ (Amsterdam, 1986). Op 29 juli 1942 kregen de familie Gutmann en enkele andere joodse families in Heemstede zoals Serphos, Franco en Kaufmann uitstel van evacuatie (lees: deportatie). Blijkens een bericht is het echtpaar op 21 juli 1943 vertrokken. De Sicherheitspolizei hield vervolgens het perceel in de gaten. Na de bevrijding bleek dat de Duitse bezetters Bosbeek in een erbarmelijke staat hadden achtergelaten. Pas op 2 juli 1945 zijn de laatste Duitsers definitief vertrokken. Volgens de heer V.C.Klep waren na de  Bevrijding nog enige tijd Duitse onderdelen in Heemstede gelegerd omdat zij voor de geallieerden manschappen moesten leveren voor het ruimen van landmijnen, tankversperringen en andere verdedigingswerken. Omstreeks het vertrek kwam overigens een klacht bij de politie binnen dat eigendommen van de familie Gutmann werden weggehaald. Vanaf eind juli 1945 heeft het gebouw enkele jaren als opvanghuis dienst gedaan voor kinderen van geïnterneerde NSB-ouders. Sinds eind 1950 is het landgoed Bosbeek in bezit van de Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid en kreeg het een nieuwe bestemming als rust- en verpleeghuis. Begin december 1994 was Lili Collas Gutmann voor de laatste maal in Heemstede, bij welke gelegenheid zij ook een kort bezoek aan burgemeester mevrouw N.H. van den Broek-Laman Trip bracht. Haar beide (joodse) ouders zijn door de nazi’s om het leven gebracht. Zij vertelde daarover: “Mijn ouders zijn tijdens de oorlog niet ondergedoken. Zij hadden een ‘Freigeleit’ van Himmler, maar Goering trok zich daar niets van aan. Hij wilde de kunstverzameling van grootvader Eugen Gutmann, die mijn vader voor de familie in Bosbeek in bewaring had. Het ging om een verzameling van Duitse Renaissance zilvervoorwerpen (o.a. de vermaarde Jamnitzer bokaal van verguld zilver met ivoormantel en burcht op deksel -vernoemd naar een 16e eeuwse Duitse hofgoudsmid). Van Italië uit werd getrachtmijn ouders daar naar toe over te laten komen door de verschillende familieleden, die daar woonden. In het voorjaar 1943 verscheen een SS-man op Bosbeek met de mededeling, dat zij onmiddellijk naar Italië konden vertrekken. Hij bracht mijn ouders met de auto met volle koffers naar Den Haag, waar zij in de slaapwagen naar Berlijn stapten, want zij zouden dan vanuit de Duitse hoofdstad verder naar Italië reizen. In plaats daarvan werden zij van Berlijn naar Theresienstadt gebracht, waar mijn vader in het voorjaar 1944 (eind april of l mei) in de Kleine Festung na lange verhoren over de kunstverzameling werd vermoord. Mijn moeder is vervolgens naar Auschwitz gebracht. Na de val van Mussolini in juli 1943 was het onmogelijk om van Italië uit nog iets te ondernemen, wat uiteindelijk nog over de Nunzio Apostolico en de Italiaanse ambassadeur Alfieri geprobeerd werd, maar zonder enig resultaat” (3). Louise Gutmann-von Landau is op een onbekende dag in juli 1944 in Auschwitz om het leven gebracht. Het kan verkeren… Fritz Gutmann was tijdens zijn leven trotse drager van het kruis van verdienste 2e klasse van het Duitse Rode Kruis.

Antiek- en kunstverzameling

Fritz Gutmann was in navolging van zijn vader een groot liefhebber van oude kunst, waarbij vooral schilderijen van oude meesters zijn interesse hadden. In steden als Amsterdam, Parijs, Berlijn en Leipzig kocht hij steeds nieuwe aanwinsten, wisselend afgaande op het oordeel van deskundigen en zijn persoonlijke smaak. Hij verzamelde doeken van Frans Hals (portret van Isaac Abrahamsz Massa, tegenwoordig in het San Diego Museum of Art), Cranach, Holbein, Hans Baldung Grien, Botticelli, Fra Bartolommeo, Hans Memling, Nicolaes Maes, Adriaen Brouwer, Albert Cuyp, Hercules Seghers, Willem van der Velde, Adriaen van Ostade, Gainsborough, Guardi, J.B.Creuze en anderen. Voorts Franse gobelins, antieke vazen, porselein en Louis XVI-meubels. Gutmann heeft meer dan eens schilderijen uit zijn privé-bezit ter beschikking gesteld van tentoonstellingen.

Massa

Frans Hals: Isaac Massa, 1635

Het portret uit 1635 van de Haarlemse koopman Isaac Massa was te zien op de grote Frans Hals Tentoonstelling in 1937. Voor de expositie ‘Meesterwerken uit vier eeuwen 1400-1800’ in Museum Boymans te Rotterdam (juni-october 1938) leende hij doeken uit van Lucas Cranach, Hans Baldung Grien en E.Liotard.

Grien

Hans Baldung Grien (1484-1545): Madonna met kind, circa 1516

Van de schilderijen en andere antiquiteiten die zich op 10 mei 1940 te Huize Bosbeek bevonden is een inventarislijst bewaard gebleven, die 226 nummers bevat.   De zogeheten ‘Zilververzameling Eugen Gutmann’ telde 203 nummers en beschrijft onder andere Renaissance-drinkbekers, perkamenten handschriften uit Spanje, horloges, Chinese vazen, marmeren en majolica schalen, kandelaars,gouden ringen, borstbeelden, medaillons, halskettingen en sieraden bezet met parels, robijnen of diamanten. In 1928 had Fritz Gutmann bij de destijds gerenommeerde Berlijnse kunsthandel Paul Cassirer en Co. het voornoemde schilderij van Renoir gekocht. Aanschaf vond plaats via Helmuth Lütjens, verantwoordelijk voor de Nederlandse vestiging in Amsterdam. ‘Le Poirier anglais’ dat in de literatuur soms ook als ‘Le Pommier’ (de Appelboom) is aangeduid. Een olieverf op doek, 65 x 50 centimeter, dat ongedateerd doch wel gesigneerd is. Het is door kunstexperts erkend als authentiek, in 1875 door Renoir geschilderd. Met twee doeken van Edgar Degas, en een schilderij van de Italiaanse hofschilder Dosso-Dossi (circa 1480-1542) zijn deze met het oog op de naderende oorlog eind 1939 in bewaring gegeven aan de bevriende antiekhandelaar Paul Graupe & Cie. in Parijs. Zijn de nazi’s door Gutmann te ondervragen achter de verblijfplaats gekomen? Uit bewaard gebleven akten blijkt dat Graupe tot de collaborateurs van de nazi’s gerekend kan worden. Vaststaand feit is ook ;dat de in depot gegeven schilderijen door de Einsatzstab Rosenberg (belast met het roven van kunst afkomstig van joodse families in bezet gebied) in beslag zijn genomen. De werken zijn overgebracht naar het Parijse Musée du Jeu de Paume van het Louvre, alwaar de adjudanten van Duitse nazibonzen als Hitler, Goering, Göbbels en Bormann naar believen konden uitzoeken. “Hitler had de eerste keus, Goering de tweede. Het bleek echter maar al te vaak, dat de keuze van Goering beter was.Goering had al snel besloten, dat hij toch niet kon wedijveren met het museum dat Hitler in Linz wilde stichten. Qua omvang zou dat ontzagwekkend worden. Goering besloot zich af te wenden van de kwantiteit, die Hitler voor ogen had en zich op de kwaliteit te richten. Hij redeneerde, dat men misschien wel onder de indruk van Linz zou zijn, maar dat de echte kenners pas bij het bezoeken van het Hermann Goering-Museum in verrukking zouden raken. Bij de Einsatzstab Rosenberg moest overigens door de ‘kopers’ wel betaald worden. Dat geld werd in een fonds gestort, waarvan de nazi ’s zeiden, dat dit bestemd was om de oorspronkelijk joodse eigenaars schadeloos te stellen. Hen werd natuurlijk nooit een cent uitbetaald, maar de Duitsers, met hun manie voor legaliteit hadden het idee dat ze de buitenwereld nu zand in de ogen hadden gestrooid. Ook bij zijn eigenvrienden bleef Goering (al ginghet hier om vestzak-broekzak) onderhandelen en hij zou nooit een cent meer betalen dan hij zich van tevoren had voorgenomen” (Adriaan Venema) (4). Het is aan de moed van de Parijse museumcurator Rose Valland te danken dat lijsten zijn vervaardigd van de duizenden (gestolen) kunstvoorwerpen, waaronder de werken van Degas, Renoir en Dosso-Dossi. Met vooruitziende blik heeft ze bovendien foto’s van alle doeken gemaakt, waarvan zich thans afdrukken bevinden bij de Erven-Gutmann en een belangrijke rol kunnen spelen bij nog te voeren processen. In een brief van 14 juli 1992 reageerde Lili Collas Gutmann op een vraag wat er met de kunstverzameling van haar ouders is gebeurd als volgt: “Dat is een hele roman, die nog niet tot een einde is gekomen, want er zijn nog steeds enkele schilderijen die nooit zijn teruggevonden. Het gaat hier vooral om drie Impressionisten (1 Renoir en 2 Degas), die wij nog steeds zoeken en die -evenals de Koenigscollectie -hoogstwaarschijnlijk in Rusland zijn terechtgekomen. Ik heb er verleden jaar ook weer over gecorrespondeerd met de Dienst voor ’s Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen in Den Haag, maar die weten net zo weinig als wijzelf. Voorde rest van de verzameling, die overigens uit twee gescheiden delen bestond, namelijk de collectie Eugen Gutmann (mijn grootvader) welke mijn vader in bewaring had voor de familie en de eigenlijke collectie F.B.Gutmann, kwam een groot gedeelte na de oorlog uit Duitsland terug. De zilvercollectie werd door de familie later in New York bij de antiquairs Rosenberg en Stiebel geveild, terwijl de verzameling van mijn vader ook verkocht werd, nadat wij een zeker bedrag, dat mijn vader als ‘schijnprijs’ van de Duitse handelaars J.Böhler en Karl Haberstock had gekregen en die natuurlijk na de oorlog ook weg was,door ons terugbetaald moest worden om weer in het bezit van de collectie te komen. Het was een heel lange en vervelende, ellendige geschiedenis en bij de slechte prijzen, die de na-oorlogse jaren voor kunst betaald werden, is er voor ons maar heel weinig overgebleven”. In een schrijven van 27 april 1995 laat zij nog weten: “Ik doe nog steeds pogingen om schilderijen uit de collectie van mijn vader weer op te sporen en dat vooral met het oog op de laatste ontwikkelingen in Rusland, maar tot nu toe zonder geluk”. Onder de kunsttrofeeën die vanuit het verslagen Duitsland naar het Hermitage-museum of elders in Rusland zijn overgebracht bevindt zich werk van Degas (‘Place de la Concorde’ uit de Gerstenberg-collectie) en van Renoir (‘Madame Choquet bij het raam’). Tot zijn overlijden in 1994 heeft Bernard Gutmann er alles aan gedaan de uit familiebezit verloren kunstobjecten te achterhalen. Soms had hij hiermede succes en zijn door de erven teruggevonden voorwerpen verkocht om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Verlies en aanspraak op het ouderlijk eigendom had hij aangemeld bij Interpol en de regeringen van Frankrijk, Duitsland, Nederland, Groot-Brittannië en Zwitserland. In 1964 is hij door de Bondsrepubliek met een bedrag van 61.000 mark voor 5 verdwenen schilderijen gecompenseerd in het raam van een zogeheten ‘Wiedergutmachungserfahren’.

Intermezzo: de collectie Koenigs

Franz Wilhelm KOENINGS is geboren op 3 september 1881 in Kierberg nabij Brühl en overleden op 6 april 1941 toen hij op het spoorwegstation in Keulen tussen de trein en het perron terechtkwam. Geruchten dat het om zelfmoord of moord zou gaan zij n nooit bewezen. Köbigs, uit een Rooms-katholieke textielfbrikanten en bankiers,  was een Duitse kunstverzamelaar die zich met zijn gezin in Nederland vestigde. In 1923 vestigde hij zich met zijn gezin in Haarlem en betrok de villa Florapark 8

Koenigs

Franz Koenigs (1881-1941), geportretteerd door Leopold von Kalckreuth (1855-1928)

Het herenhuis Florapark 8 Haarlem, in opdracht van filantroop (en ook kunstverzamelaar) Jan Krol gebouwd onder architectuur van L.P.Zocher. Na WOII heeft het een aantal jaren dienst gedaan als Flora-kraaamkliniek van het Diaconessenhuis. Tegenwoordig met een kantoorfunctie

Koenigs

Franz Koenigs omstreeks 1920 gefotografeerd in de tuin van zijn huis aan het Florapark in Haarlem

Franz Koenings (1881-1941), geportretteerd door Alfred Jensen. Door nazaten geschonken aan museum Boijmans van Beuningen Rotterdam

In 1922 heeft de evenals Gutmann uit Duitsland afkomstige bankier en kunstverzamelaar Franz Wilhelm Koenigs (1881-1941) met zijn familie intrek genomen in een kolossaal huis aan het Florapark te Haarlem. Koenigs was een gepassioneerd verzamelaar die zo’n 2.600 15e – 17e eeuwse tekeningen van grote meesters bijeenbracht. Min of meer onder druk zijn in 1940 526 tekeningen van Duitse en Italiaanse kunstenaars – via de Rotterdamse industrieel D.G.van Beuningen – verkocht aan Hans Posse, directeur van de Staatliche Gemaldegalerie in Dresden, die door Hitler was belast met het aanleggen van een verzameling voor het Nationaal Socialistische Führer-museum in Linz.

Posse

Dr. Hans Posse (1879-1942) kunsthistoricus en museumcurator,die  voor het op te richten ‘Führermuseum’ van Hitler  in Linz werkte

De kostbare tekeningen waren lange tijd zoek totdat bekend werd dat ze in 1945 als krijgsbuit door Russische brigadisten vanuit het Slot Weesensteindepot in Dresden en via het verzameladres van Dresdense kunsttrofeeën Slot Prillwitz met een speciale goederentrein zijn vervoerd en al die tijd in de kelders van het Moskouse Poesjkin Museum lagen opgeslagen. In oktober 1995 is een deel tentoongesteld geweest in voornoemd museum en een ander deel op initiatief van Nederland in de Staatsbibliotheek voor Buitenlandse Literatuur in Moskou. De auteurs Konstantin Akinsja en Grigori Kozlov beschrijven overigens in hun boek ‘Operatie kunstroof’ (Amsterdam, 1996) dat ook veel tekeningen in het kasteel Weesenstein door officieren en soldaten van het Rode Leger zijn gestolen. Na de oorlog zijn deze op de kunstmarkt in Moskou terecht gekomen en via het zwarte circuit onder andere in New York opgedoken. Als voorbeeld noemen zij de tekening ‘Madonna met kind’ van Hans Baldung Grien, dat uiteindelijk in 1991 naar Nederland is teruggekeerd. In 1989 verscheen de catalogus ‘Missing old master drawings from the Franz Koenings Collection (claimed by the State of the Netherlands)’. Door Nederland wordt de verkoop aan de nazi’s in oorlogstijd als illegaal beschouwd. Intussen heeft de Russische Doema (het Lagerhuis) een verbod ingesteld op de teruggave van kunst die tijdens of na de Tweede Wereldoorlog vanuit Duitsland in Rusland is terecht gekomen. Ook de Federatieraad (het Hogerhuis ofwel de Russische Eerste Kamer) heeft met 140 stemmen en zonder tegenstemmen ingestemd met dit wetsvoorstel. President Boris Jeltsin sprak op 18 maart 1997 zijn veto uit over een wet die alle door het Rode Leger buitgemaakte kunstschatten tot Russisch eigendom verklaart, omdat deze naar zijn mening indruist tegen het internationaal recht. Nadien heeft het Russisch Parlement het veto van Jeltsin overstemd. De hiervoor benodigde meerderheid werd krap gehaald in de Doema, doch de kans dat de Koenigs-collectie nog ooit naar Nederland terugkeert is daarmede verkleind.

Karin Veraart: Een kwestie van rechtvaardigheid en eer. Over vm. Koenigs kunstcollectie (De Volkskrant van 18 juli 1997)

Slot van artikel over KoenigscolLectie en claim door kleindochter Christine Koenigs uit Amsterdam (De Volkskrant 18 juli 1997)

Over de collectie Koenings en (afwijzingen van)claims door familieleden, zie: http://www.restitutiecommissie.nl

Koenigs1

Impasse in affaire-Koenigs. Uit Haarlems Dagblad, 4 maart 2017

Koenigs2

Jeltsin keert zich met veto tegen confiscatie van Koenigs-collectie. Uit: Haarlems Dagblad van 19 maart 1997.

Koenigs

Uit: Haarlems Dagblad 24 augustus 2017

Artikel in dagblad Trouw door Sandra Kooke, 24 augustus 1017 over tekeningen Koenigscollectie die in museum Boijmans mogen blijven

Vervolg artikel in Trouw over vm. Koenigscollectie

Slot artikel in dagblad Trouw van 24 augustus 2017

Vooromslag van boek: Over roofkunst gesproken [betreffende claim door de familie] door H.F.C.Schoordijk. Goirle, 2010.Op de foto Rembrandt studie voor de Staalmeesters  FK Cat.in. R133

Voorwoord boek: Over roofkunst gesproken, door prof. mr.H.C.F.Schoordijk (1926-2008), prominent Nederlands jurist en hoogleraar.

Vervolg woorwoord [publicatie: over roofkunst gesproken (collectie Koenigs) door H.C.F.Schoordijk. 2010.

Voorzijde van catalogus ‘Old Master Paintings from the Franz Koenigs Collection’ [claimed in Russia by the State of the Netherlands.] door Albert J.Elen.

=========

De Odyssee van een Degas-pastel uit de Gutmann-collctie

Degas: landschap met rokende schoorstenen

Edgar Degas: landschap met rokende schoorstenen.

“Bovenstaand schilderij van Degas werd in 1987 gekocht door Daniel Searle, een miljardair uit Chicago. In augustus 1998 werd een fifty-fifty overeenkomst bereikt tussen Searle en de erfgenamen. Searle doneerde zijn helft aan het Art Institute of Chicago, de andere helft, werd door het Art Institute van de Goodmans gekocht. Vanwege de hoge advocaatkosten die de zaak met zich meebracht, hadden de Goodmans geen andere keus. De Degas hangt thans permanent in het Art Institute van Chicago met de vermelding dat het afkomstig is uit de collectie van wijlen Friedrich en Louise Gutmann en dat het werd geschonken door Daniel S.Searle. De familie heeft tijdens de speurtocht naar andere doeken uit de ouderlijke collectie inmiddels ook ‘de Peereboom’ van Renoir gelokaliseerd”.  (Gerard Aalders. Roof. Den Haag, SDU Uitgevers, 1999, pagina 91).

 

De herkomst van het betwiste Degas-pastel van een landschap met schoorstenen uit 1890 (28 x 40 centimeter) is vol lacunes. Op de lijsten van herkomst ofwel provenances komt de naam; Gutmann niet voor. Toch staat dankzij documenten vast dat het doek van kunsthandelaar Lütjens (firma Cassirer) eind jaren twintig is gekocht. Het is via Paul Graube in bezit gekomen van de Zwitserse kunsthandel Hans Wendland.  Vervolgens werd het doek in 1951 aangekocht door de New Yorkse kunstliefhebber Emile Wolf die het in 1987 via Margo Schwab te koop aanbood. Sedertdien iside Amerikaanse Pharma-directeur Daniel Searle eigenaar. Diens:advocaten bestrijden dat het bewuste schilderij ooit eigendom was van Gutmann en menen ook, dat nog afgezien van de identificatie, naar Zwitserse wetgeving de verkoop in 1951 legaal was, ongeacht of het voordien al dan niet was gestolen. Zelfs suggereren ze dat het pastei mogelijk vanwege hun voorgenomen vlucht voor de nazi’s aan een kunsthandelaar is verkocht en vragen zij zich af waarom pas na 53 jaar deze Degas wordt opgeëist, omdat deze in de literatuur stond beschreven. Pas in 1994 ontdekte Simon Goodman dit schilderij bij het doorzien van publicaties over Degas in de catalogus van het Metropolitan-museum  met Degas-landschappen tussen 1890 en 1893 door de Fransman vervaardigd. Als leengever is hierin de verzameling van Daniel Searle aangegeven.

Ook een Renoir opgeëist

Renoir.jpg

Claim gestolen Renoir. Uit: De Volkskrant van 12 september 1997

 

‘De perenboom’ van Auguste Renoir

Omstreeks 1869-1870 is door de Franse ‘impressionist’ Auguste Renoir (1841-1919) een olieverfdoek geschilderd in Louveciennes van een perenboom (of appelboom). In 1875 vervaardigde hij in de maanden juni en juli enige portretten en landschappen op het eiland Chatou. Hier maakte hij onder andere andere de drie doeken met appels en het schilderij ‘Le Poirier’. Een afbeelding is te vinden in het boek: ‘Alle tot nu toe bekende schilderijen met enige bijbehorende studies van Renoir (…)’ (in de serie: ‘Meesters der Schilderkunst. Rotterdam, Lekturama, 1978). Dankzij ijverig speuren in de collecties van het Getty-museum ontdekte Nick Goodman in 1967 het doek ‘De (Engelse) Perenboom’ in een catalogus van Parke-Bernet, de voorganger van Sotheby’s die het zouden hebben aangeboden namens de Erven Madame Lucienne Fribourg en de Fribourg Foundation. De twee Gutmann-kinderen hebben destijds bij herhaling opheldering gevraagd, maar categorisch bleven hun vragen onbeantwoord. Toen het doek in 1997 opnieuw, nu door Sotheby’s voor verkoop werd aangeboden is door in de USA woonachtige kleinzonen van Fritz Gutmann een advocaat in de arm genomen om het doek op te eisen. Willi Korte en Thomas Kline hebben zich gespecialiseerd in het opsporen van door de nazi’s geconfisqueerde kunstschatten, maar ook van bijvoorbeeld door Amerikaanse soldaten ‘meegenomen’ kunstwerken, en het via juridische processen terugbezorgen bij mde rechtmatige eigenaren of hun nazaten. Veel is terecht gekomen in Duitsland en Oostenrijk, nadien ook in de Verenigde Staten. Verder in Rusland (meegenomen als krijgsbuit) en verder in Zwitserland, naar welke – tijdens de Tweede Wereldoorlog neutrale staat – talrijke al of niet joodse verzamelaars en kunsthandelaren waren uitgeweken. Volgens een bericht van het Amerikaanse persbureau Associated Press blijft Sotheby’s categorisch weigeren gegevens over de herkomst te verstrekken, ondanks het feit dat bijna dertig op schrift gestelde verklaringen ter beschikking zijn gesteld waaruit zou blijken dat het hier om een door de nazi’s geroofd schilderij gaat. Er wordt rekening mee gehouden dat een proces mogelijk jaren kan duren en dat daarom achter de schermen aan een vergelijk tussen de verschillende partijen wordt gewerkt. De verblijfplaats van één doek van Degas, afkomstig uit Bosbeek, is nog altijd bekend. Een overzicht van enige tientallen niet teruggevonden schilderijen uit het bezit van Fritz Gutmann bevindt zich in de Heemstede-collectie bij het Noord-Hollands Archief. Begin februari 1997 kwam overigens hetzelfde veilighuis ook al negatief in de belangstelling na publicatie van het boek ‘Sotheby’s: The Inside Story’. De auteur Peter Watson onthult na een onderzoek van meer dan tien jaar uitvoerig over het veilen in Londen en New York van uit bijna de hele wereld door kunstdieven gesmokkelde antiquiteiten.

Beeld van Venus en Cupido, afkomstig van Bosbeek

 

Tot besluit: een blijvende herinnering aan de verzameldrift van Fritz Gutmann  is het door hem aangekochte beeld van Venus en Cupido ofwel Aphrodite en Eros, dat tegenwoordig de tuin van het Heemsteedse raadhuis siert. Het is destijds op speciaal verzoek van ridder Van Rappard in het zicht van de burgemeesterskamer geplaatst.

Hans Krol

Noten

(1) Zie o.a.een artikel: ‘Louche handel in geroofde kunst bloeit op in Nederland’ in De Volkskrant van 1 maart 1997; ‘Goede sier met een geroofd schilderij; Zwitserland kreeg vijftig jaar geleden joods bezit cadeau’, in Elsevier, 1 maart 1997; ‘Göring liet kunst Nederland naar Spanje brengen’, in De Volkskrant, 5 april 1997. Mevrouw Lili Collas Gutmann die ik onder andere enkele knipsels uit  Nederlandse kranten over de eis tot teruggave van een Renoir toezond schreef op 20 maart terug:  “Ik stuur u hierbij het manuscript met correcties terug zowel als een fotokopie van een artikel in de Duitse krant ‘Handelsblatt’ over het geval DEGAS dat in de Nederlandse pers helemaal niet bemerkt werd, ofschoon er in alle grote Amerikaanse bladen, een gedeelte van de Engelse, Franse en Duitse pers heel veel over isgeschreden. Bovendien werden mijn neven, Nick en Simon Goodman (de zonen van mijn broer Bernard), zowel als ik geinterviewd door de CBN, het TV-programma Arte enz. Een grote bijdrage kwam in het Zwitserse magazine van de Tagesanzeiger-Zürich. Maar zoals gezegd, de Nederlandse pers heeft dit alles totaal geïgnoreerd en is door de Renoir-geschiedenis wakker geworden. Eind april moet ik waarschijnlijk weer naar Chicago, waar Mr.Searle, de tegenwoordige eigenaar van een Degas woont, als enige levende getuige van het hele gebeuren“.

(2) In een bijdrage van Viola Herms-Drath kopte de Duitse krant ‘Handelsblatt’ van 2/3 augustus 1995: “Beutekunst Gutmann-Erben klagen Degas-Pastell; New Yorker Präzedenzfall”. Een proces tegen de de huidige eigenaar is door de Erven-Gutmann via het op dit gebied gespecialiseerde advocatenkantoor Thomas Kline aangespannen bij de rechtbank van Manhatten in New York. Indien succesvol zullen zeker meerdere processen volgen ten aanzien van kunstschatten die tijdens W.O.II door ‘Alfred Rosenbergs Einsatzstab’ van joodse bezitters in beslag zijn genomen.

(3) Ondanks zijn talrijke internationale relaties heeft zelfs het feit dat een zuster van Gutmann was gehuwd met de Italiaanse gezant in Berlijn het echtpaar niet mogen baten.

(4) Adriaan Venema, Kunsthandel in  Nederland 1940-1945. 1986, pp. 79-80.

Post Scriptum: in augustus 1998 is het conflict bijgelegd. Het werk van Edgar Degas is overgebracht naar het Art Institute in Chicago. Formeel heeft Daniel Searle, die niet op de hoogte was van de herkomst, de helft van het eigendom aan de nabestaanden van Gutmann overgedragen. Het museum betaalde de familie na taxatie van het schilderij de helft van de waarde en de verzamelaar heeft zijn aandeel geschonken. Die overeenkomst heeft een door Simon Goodman aangespannen rechtszaak overbodig gemaakt.

Hans Krol

De laatste nog in leven zijnde bewoonster van het particulier bewoonde huis Bosbeek is mw. Lili Collas Gutmann. Hier op een foto bij een bezoek in 1984 aan de openbare bibliotheek van Heemstede

Op deze foto mw. Collas Gutmann met directeur Hans Krol van de openbare bibliotheek Heemstede

Op deze foto uit 1994 mw. Collas Gutmann met directeur Hans Krol van de openbare bibliotheek Heemstede

=============================================

Schilderij van Hans Baldung Grien terug naar de Erven Gutmann

Hans Baldung ook bekend onder naam Hans baldung Grien of Grün (1484/1485-1545), een leerling van Albrecht Dürer, wordt gerekend tot een van de grote Duitse Renaissance kunstschilders, tevens vervaardiger van talrijke houtsneden. Hij maakte verscheidene fraaie portretten, o.a. van keizer Maximiliaan 1 en Karel de Vijfde. In ns land bevindt zich één doek van Baldung: ‘Venus en Amor’ (1524-1525), in het Kröller-Müller Museum te Otterloo. Fritz Gutmann bezat een ‘Portret van een jongeman’ uit 1509.

Olieverfdoek ‘Portret van een jonge man’ door Hans Baldung, vroeger bezit van Fritz Gutmann op Bosbeek

In 1941 is het doek met zes andere schilderijen via Karl Haberstock, een kunsthandelaar die voor Hitler werkte, naar Berlijn overgebracht, bedoeld voor het te stichten Hitler-museum in Linz, naar gezegd wordt in ruil voor een vrijgeleide van het echtpaar naar hun dochter in Italië. Twee jaar later zijn Gutmann en echtgenote zogenaamd op de trein via Berlijn naar Italië gezet, maar daar uit gehaald om in concentratiekampen (hij in Theresiënstadt; zijn vrouw in Auschwitz) te worden vermoord. Het schilderij van Baldung Grien kwam nooit in Linz aan en maakte na de Tweede Wereldoorlog een zwerftocht tot het door een kleinzoon Simon Goodman werd ontdekt in Zimmerli Art Museum van de Rutgers Universiteit die het in 1959 van een filantroop had ontvangen; het museum zelf werd in 1966 opgericht en pas in 2009 hing het in genoemde instelling. Bij een onderzoek naar de provenance kwam het bij Christie’s op de veiling in Londen (1948) en vervolgens New York (1953). Ten slotte gekocht door handelaar en verzamelaar Rudolf Heinemann heeft deze het vijf jaar later aan de Rutgers Universiteit in New York geschonken. De waarde werd geschat op 200.000 tot 300.000 dollar. Na een correspondentie en begin van een proces besloot de Rutgers Universiteit begin januari 2011 het doek van Hans Baldung Grien af te staan aan de erven Gutmann, waarna het alsnog is geveild.  Directrice Suzanne Delehanty van het Zimmerli Museum zei daarover: “We would have loved to have been able to have kept it, but wallets are not fat these days. The family didn’t feel they were in a position to give it to us, noting there are heirs to the couple’s collection: daughter Lili Gutmann, who is 91 and living in Florence, Italy, and gradsons Simon and Nicholas.”

Simon Goodman (rechts) ontvangt namens zijn familie het schilderij terug van Hans Baldung Grie

Simon Goodman (rechts) ontvangt namens zijn familie het schilderij van Hans Baldung Grien: Portret van een jongeman, oorspronkelijk bezit van zijn grootvader op Bosbeek. Dat gebeurde tijdens een ceremonie 14-1-2011 in het Zimmeli Art Museum van museumdirecteur Suzanne Delehanty en dr. Philip Furmanski van de Rutgers Universiteit. Op 26 januari 2011 is het doek vervolgens geveild bij Christie’s in New York voor 218.500 dollar.

Portret van Jacob Elsner, een tijdgenoot van Dürer, uit het bezit van Fritz Gutmann op Bosbeek dat na jaren van correspondentie, en onderzoek in mei 2002 met zo’n 230 andere kunstwerken, waaronder ook een doek van Albert Cuyp, door de Nederlandse Staat werd overgedragen aan de Erven Gutmann en vervolgens is geveild.

===================================================

GUTMANN-PIETA NU DEFINITIEF IN MUSEUM HET CATHARIJNECONVENT

De Vereniging Rembrandt publiceerde in het voorjaar 2012-nummer een artikel van Micha Leeflang, conservator en Ruud Priem, inhoudelijk directeur van het Museum Catharijneconvent in Utrecht. Het handelt over een Piëta uit circa 1425, vervaardigd in Bohemen of Zuid-Duitsland en afkomstig uit de Collectie erven Gutmann (2011). Gesproken wordt over een veelbewogen herkomstgeschiedenis. Het behoorde sinds de jaren dertig van de vorige eeuw toe aan Fritz Gutmann op Bosbeek, die het aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog met nog 33 andere kunstwerken en antiquiteiten onderbracht bij de Franse kunsthandelaar Paul Graupe. Daar is het in besag genomen door de roofinstelling Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR). waarna het in de kunstverzameling van Hermann Goering terecht kwam. In mei 1945 troffen Amerikaanse soldaten de sculptuur aan in een treinwagon vol kunstschatten waarmee Goering zijn kunstcollectie in veiligheid wilde stellen en keerde het beeld twee jaar nadien uiteindelijk op 3 juni 1947 terug in Nederland.

Geallieerde soldaten tillen de middeleeuwse piëta uit een zogeheten ‘Sonderzug’.

Vanaf toen maakte de overleden christusfiguur op schoot van een wenende Maria deel uit van de rijkscollectie (tegenwoordig Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) en sinds 1953 als bruikleen in het Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht, dat in 1976 opging in het Catharijneconvent. Na jaren van onderzoek door de Restitutiecommissie is het beeld teruggegeven aan de Erven Gutmann. Citaat:”Begin september 2011 werd de piëta dan ook aan de erfgenamen van Gutmann overgedragen. Het beeld verliet Museum Catharijneconvent. Maar niet voorgoed, want de erven beseften het belang van het beeldhouwwerk, zowel voor de Collectie Nederland als voor het museum, en waren van harte bereid hun medewerking te verlenen aan een verkoop. Eind november werden de onderhandelingen afgerond en kon Museum Catharijneconvent de piëta verwerven, met steun van de vereniging Rembrandt.”

De Gutmann-piëta, vroeger in Bosbeek, nu in het museum Catharijneconvent

pieta2

 

De middeleeuwse piëta uit circa 1425 (Zuid-Duitsland), gerestitueerd aan de erven Gutmann en na onderhandelingen met steun van de postcodeloterij en vereniging Rembrandt verworven door het  Catharijne Convent in Utrecht

Rijksmuseum koopt kunst Gutmann terug  (ANP-bericht van 13 juni 2003)

Werk van Johannes Lencker, circa 1625-1630

“Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft woensdag op de veiling van de Gutmann-collectie een zilveren schenkkan gekocht. De kan was reeds jarenlang te zien in het museum. Het Rijksmuseum betaalde er ruim 1.5 miljoen euro voor, zo maakte het museum donderdag bekend. De Nederlandse overheid gaf vorig jaar 233 kunstwerken terug aan de nazaten Gutmann. De kunst van de familie uit Heemstede werd in de Tweede Wereldoorlog opgeëist door de nazi’s. Na de oorlog viel de verzameling in handen van de Nederlandse staat. De zilveren kan gemaakt door Johannes Lencker I was sinds 1954 te zien in het Rijksmuseum. De veiling bij Chrisie’s in Londen leverden enkele miljoenen euro’s op. Midden mei verwisselden voorwerpen uit de collectie bij een veiling in Amsterdam voor bijna een miljoen euro van eigenaar”.

=====================================================

Twee exceptionele aard- en hemelglobes door Abraham II Drentwett, Augsburg 1697-1699. Oorspronkelijk afkomstig uit zilvercollectie van Eugen Gutmann. In 1938 gekocht door galerie Theodor Fischer in Luzern. In 2010 bij Christie’s geveild voor 1.745.000 euro.

Twee Renaissance-klokken afkomstig uit de collectie van Eugen Gutmann herontdekt in het Landesmuseum Württemberg

Renaissanceklok in Landesmuseum Württemberg uit de collectie Gutmann

Renaissanceklok in Landesmuseum Württemberg Stuttgart uit de collectie Gutmann

Op 29 november 2012 verspreidde het Landesmuseum Württemberg een persbericht over twee Renaissanceklokken, sinds 1973 in het bezit van museum maar afkomstig uit de zilvercollectie van Eugen Gutmann, laatstelijk in privébezit van diens zoon Fritz Gutmann op Bosbeek in Heemstede. Het betrof: 1) een gouden en zilveren tafelklok vervaardigd door Johann Reinhold te Augsburg in 1581/1592, en 2) een gouden ‘Orpheus’-klok uit 1560 rijk gedecoreerd met het mythische verhaal van Orpheus en Eurydice. Kleinzoon Simon Goodman ontdekte dat beide klokken oorspronkelijk aan zijn grootouders toebehoorden en in 1942 ten gevolge van een geforceerde deal van Nazihandelaar Julius Böhler naar Duitsland verhuisden. Beide klokken werden in 1973 uit de collectie van Joseph Fremersdorf uit Luzern door het museum in Stuttgart verworven. Dankzij een getroffen regeling met de familie blijven deze twee topstukken uit de Duitse Renaissance in het Landesmuseum Württemberg.

Goodman2

Uit: NRC Handelsblad, 11-12-1998. Artikel van Vera Illés betreffende  Willi Korte over speuren naar roofkunst.