NAPOLEON IN HAARLEM EN HEEMSTEDE; drie maanden van intensieve voorbereiding voor passage van de keizer op 24 oktober 1811 van 10.15 tot 10.45 uur.

Geparafraseerd kan men rustig stellen: “Koning, keizer, admiraal… in Heemstede kwamen ze allemaal”. Tsaar Alexander I, keizer van Rusland, hield op weg naar Haarlem en Amsterdam stil bij de Dorstige Kuyl voor een verversing annex sanitaire stop. Wilhelm II, (ex)-keizer van het Duitse Rijk bezocht zijn trouwe vriendin Catalina von Pannwitz 103 maal op de Hartekamp, om van daaruit ook menigmaal uitstapjes te maken in de omgeving.

De Heerenweg, een eeuwenoude verkeershoofdweg, is tussen 1807 en 1809 bestraat onder koning Lodewijk Napoleon en heette in de Napoleontische tijd een keizerlijke weg. Dit verhaal handelt over keizer Napoleon Bonaparte die op 24 oktober 1811 met groot gevolg in staatsiekaros door Heemstede en Bennebroek reisde. Grote gebeurtenissen werpen hun schaduw vooruit en half Holland was in rep en roer toen bekend werd dat de Franse keizerin september-oktober ons land, dat een jaar voordien door Frankrijk was geannexeerd, voor een inspectiereis zou bezoeken. Over het verblijf in Holland schreef G.F. Gijsberti Hodenpijl een boek, getiteld “Napoleon in Nederland” (Haarlem, 1904) (1) . Opdat Napoleon ongestoord en met alle eer die een absoluut vorst betaamt Heemstede zou kunnen passeren op donderdag 24 oktober 1811 is de plaatselijke vroedschap gedurende een kwartaal bijna dag en nacht in touw geweest, gelet op de uitvoerige briefwisseling die in het Rijksarchief bewaard is gebleven. Eerst volgt enige informatie over de politieke situatie in ons land en de twee korte bezoeken – in totaal ruim 3 uur omvattende – van Zijne Edele Majesteit aan de stad Haarlem, alvorens het half uur dat hij verbleef op Heemsteeds territoir en het kwartier op Bennebroeks grondgebied aan de orde te stellen. Napoleon I, geboren te Ajaccio in 1769, liet zich in 1804 tot keizer kronen door paus Pius VII. In 1814 werd hij verbannen naar het eiland Elba, keerde nog voor 100 dagen terug als keizer totdat hij in 1815 in Waterloo definitief werd verslagen en toen naar St. Helena is verbannen, waar hij in 1821 is overleden. In 1795 hadden in ons land de patriotten gezegevierd op de prinsgezinden en ving de Franse Tijd aan die uiteindelijk tot 1813 zou duren, toen Willem I de soevereiniteit in Amsterdam aanvaardde. In 1806 was Lodewijk Napoleon (Louis Bonaparte), broer van de grote Napoleon, uitgeroepen tot koning van Holland. Na Amsterdam en Utrecht zetelde hij in het Paviljoen, voorheen “Welgelegen” geheten, te Haarlem, voormalige residentie van de vermogende bankier Henry Hope. In 1810 moest hij het veld ruimen voor zijn keizerlijke broeder en werd Holland bij Frankrijk ingelijfd. In het holst van de nacht van 2 op 3 juli verliet hij via een achterdeur het paleis in de Haarlemmerhout in gezelschap van admiraal Bloys van Treslong, zijn lijfarts, twee kamerdienaars en zijn hond Thiel. De trouwe viervoeter sprong in de verwarring op het laatste moment uit de koets en werd jammerlijk overreden. Volgens een ander verhaal zou Lodewijk in grote haast en in het pikkedonker op weg naar de karos zijn gestruikeld en in een sloot gerold. Doornat en bemodderd moest hij vervolgens door zijn kamerdienaren in het rijtuig gehesen worden. Een week later maakte Holland bij decreet deel uit van het Franse Keizerrijk. Ruim een jaar nadien maakte de Franse keizer, in gezelschap van zijn nieuwe echtgenote Marie Louise (dochter van de Oostenrijkse keizer Frans I) een inspectietocht van vijf weken door Holland, waarbij verschillende grote steden werden bezocht en om deze te bereiken allerlei dorpen gepasseerd, waaronder  Heemstede en Bennebroek. Op bevel van de Franse autoriteiten is Napoleon met zijn gemalin overal met pracht en praal ontvangen, ondersteund door speciaal in het leven geroepen “Gardes d’Honneur” en moesten ook de dorpen zoveel mogelijk erebogen oprichten. Vreugdeschoten mochten niet worden afgevuurd en voor zijn veiligheid moesten alle bloempotten voor de ramen van huizen waar Napoleon langskwam tijdelijk worden weggenomen, om een onverlaat niet op verkeerde ideeën te brengen. Dit laatste schijnt te zijn betreurd door keizerin Marie Louise omdat zij zeer gesteld was op bloemen en planten. Vrijwel zeker nim- mer voordien in onze vaderlandse geschiedenis waren de veiligheidsmaatregelen zo streng. Dé gemaakte kosten om keizer en keizerin te behagen moeten voor die tijd enorm geweest zijn. De inspectiereis ving aan op 18 september vanuit Compiègne. Na een bezoek aan Zeeland arriveerde Napoleon 9 oktober in Amsterdam, na Parijs en Rome de derde hoofdstad van het toenmalige Franse keizerrijk (2).

Intocht van keizer Napoleon op 9 oktober in Amsterdam. Willem Joseph baron van Brienen biedt op een kussen de sleutel van de stad Amsterdam aan. (schilderij door Matthieu van Bree, 1813)

Vanuit de marinebasis Den Helder reisde hij 17 oktober naar Haarlem. Alvorens de Spaarnestad te bereiken passeerde Napoleon Bloemendaal, alwaar door de plaatselijke autoriteiten talrijke maatregelen waren genomen om de doorkomst soepel te laten verlopen. De Bloemendaalse schilder Pieter de Roos kreeg opdracht een erepoort te vervaardigen. Hij voorzag de boog o.a. van twee arenden, het wapen van de keizer, naast het gemeentewapen. Historici nemen aan dat Napoleon niets van De Roos’ werkstuk, waaraan deze enkele weken onafgebroken had gearbeid, heeft gezien omdat Napoleon in de avond Bloemendaal passeerde en bovendien het weer volgens een kroniek uit die tijd “somber en druilig” was. Om half acht werd Haarlem bereikt. Een reusachtige ereboog op de Grote Markt bevatte in het Frans en in het Latijn het volgende opschrift: “Haarlem heeft dit teken van onderdanigheid en gedienstigheid opgericht ter ere van Napoleon de Grote”. Voorts stond een triomfboog bij de ingang van de Jansstraat. De verdere gebeurtenissen blijven hier buiten beschouwing. Wél dient vermeld dat eerder op de dag keizerin Marie Louise in het Paviljoen in De Hout het déjeuner heeft gebruikt en daarna een rijtoer maakte door de fraaie landouen van Haarlem, inklusief langs de buitenplaatsen in Heemstede. Aan het eind van de dag bracht zij een bezoek aan de Grote Kerk en woonde daar een orgelconcert bij. Marie Louise verliet Haarlem richting Halfweg voordat haar gemaal daar zou aankomen. Zij verzocht – tegen betaling – elke dag enkele bloemstukken in Amsterdam te bezorgen. Bij haar vertrek uit de hoofdstad een week later kreeg zij van de Haarlemse bloemisten een rekening gepresenteerd van ƒ.372,- “weegens hulde van bloemen gedurende tien dagen aan de Doorluchtige Vorstin”. In de avond van 17 oktober spoedde de keizer zich in ijltempo door de straten van Haarlem en kwam hij tot verrassing van zijn vrouw al vóór tien uur aan in het Paleis op de Dam. Een week later genoot Haarlem de eer Napoleon nogmaals binnen zijn stadsgrenzen te mogen ontvangen en wel op donderdag 24 oktober van 8 tot 10 uur ’s morgens. Klokslag 7 uur vertrok de keizer met groot gevolg uit Amsterdam; de keizerin sliep toen nog en zou later volgen. Om en nabij acht uur arriveerde hij in Haarlem waar even buiten de stad de Municipale Raad hem opwachtte en waarnemend maire W.Ph. Barnaart de keizer begroette met de volgende – vanuit het Frans in het Nederlands vertaalde woorden: “Sire, ik heb de eer aan de voeten  van Uwe Majesteit de sleutels van de stad Haarlem neer te leggen. Als tolk van de gevoelens van bewondering, van eerbied en trouw van de inwoners dezer gemeente voor de grootste der vorsten, bied ik Uwe Majesteit hun diepste hulde aan. Dit ogenblik van de tegenwoordigheid van Uwe Majesteit, waarnaar we zo verlangd hebben, zal voor ons steeds gedenkwaardig blijven en voor mij het schoonste van mijn leven”. Vervolgens bezocht men Teylers Museum waar de oudste van de directeuren mr. Adriaan van Zeebergh Napoleon ontving. Herhaalde malen probeerde de keizer te achterhalen hoe groot de nalatenschap van wijlen P. Teyler van der Hulst was geweest, maar Van Zeebergh gaf steeds ontwijkende antwoorden. Hem was immers maar al te zeer bekend dat Napoleon hele kunstverzamelingen en bibliotheken naar Parijs had laten overbrengen tot uit Egypte toe. Ofschoon de keizer zijn gastheer achterdochtigheid verweet kon hij niet nalaten aan het eind van de rondleiding Van Zeebergh aan diens rechteroor te trekken, een patriarchaal gebaar dat Napoleon immer hanteerde als hij in een goede luim verkeerde. Napoleon gelastte hem ten slotte een memorie te schrijven over aard en doel van de Stichting, welke via gouverneur-generaal Ch. Lebrun naar Parijs diende te worden verzonden. De geleerde Martinus van Marum had nog een kort wetenschappelijk gesprek met de keizer en demonstreerde zijn electriseermachine. De keizer voegde hem bij zijn afscheid toe: “Continuez … mais tachez surtout d’être utile” (Ga zo door, maar tracht vooral praktisch te blijven).

De elektriseermachine in Teylers naar een schilderij van W,Hendriks uit omstreeks 1800

De elektriseermachine in Teylers naar een schilderij van W.Hendriks uit omstreeks 1800.

Bij een receptie voor de rechterlijke macht, wereldlijke autoriteiten en geestelijkheid werd Napoleon door de gemeenteraad een request aangeboden, waarin werd gewezen op het industriële verval van Haarlem, de penibele situatie van de gemeentekas en dreigende armoede. Van Teyler reed de keizer volgens ooggetuigen in vliegende galop naar het Paviljoen – na 1810 (tot 1813) domein van de Franse Kroon – waar hij een audiëntie verleende aan de officieren van het garnizoen en de commandant van de Gardes d’Honneur. Als dank voor de aan hem bewezen eer schonk de keizer der Fransen aan de armen van Haarlem een bedrag van zesduizend francs. In ruil daarvoor hadden de diaconiemannetjes en -vrouwtjes hun kelen schor geschreeuwd met juichkreten. Geheel volgens een strak schema verliet Napoleon om tien uur de stad om zich via Heemstede en Bennebroek naar Hillegom te begeven, in welke gemeente zijn echtgenote zich bij hem voegde. Tussen ongeveer 10.15 uur en 10.45 uur passeerde Napoleon de parel aan de kroon van Zuid-Kennemerland: Heemstede. Bij keizerlijk decreet van 21 oktober was besloten dat Bennebroek – wederom – bij Heemstede zou worden gevoegd, evenals de gemeente Berkenrode. Het aantal inwoners van de drie plaatsen gezamenlijk bedroeg ongeveer 2.300. De “maire” ofwel schout/burgemeester in Heemstede, na het overlijden van W. A. Dolleman, per 17 juli 1811 Jan Sleght, had toen al tien jaar bestuurservaring opgedaan als lid en president van de gemeenteraad. Hij ontving bevelen van de prefect van het departement van de Zuiderzee en (onder)prefect van het arrondissement Amsterdam. Nog maar net i n dienst getreden als maire kreeg hij de aankondiging dat zijn gemeente het onuitsprekelijke geluk zou smaken op 24 oktober, op weg van Amsterdam naar Den Haag, de Doorluchtige Souverein en Almachtige Gebieder via de Herenweg zou zien langskomen. Gelet op de onbetekenendheid van Heemstede in die dagen – dat was 1,5 eeuw eerder ten tijde van ambachtsheer Pauw anders geweest – werd geen oponthoud in Heemstede in het programma opgenomen. Op 31 augustus schreef Sleght aan de “auditeur bij den Staatsraad, onderprefecht van het Arrondissement  Amsterdam”, dat “in deze gemeente bij gelegenheid der gewenschte overkomst van H.H.M.M, een algemeene illuminatie door de ingezetenen, het uitsteken der vlaggen en het luiden der klokken zullen dienen plaats te grijpen, ’t welk naar onze gedachte ons het meest geschikt bij die geleyenheid voorkomt en waartoe ook alsdan bijna geen kosten zullen worden vereischt”. De municipale raad van Berkenrode schreef terug dat de plaats nauwelijks 60 inwoners – “geen feesten wist op te geeven” en ook Bennebroek liet de organisatie van festiviteiten gaarne over aan buurgemeenten Heemstede en Hillegom. Met voortvarendheid werd in Heemstede een feestplan uitgewerkt, met als hoogtepunten het weghalen van mestvaalten langs de Groote Straatweg teneinde te voorkomen dat deze gemeente een onwelriekende indruk zou achterlaten bij de keizer, alsmede de oprichting van twee erebogen. In de meeste gemeenten die Napoleon in zijn koets passeerde stonden erepoorten opgesteld met opschriften die de macht en grootheid van op dat moment ’s werelds beroemdste sterveling verkondigden. Op 25 september schreef de onderprefect mr. Ewoud van Vredenburch aan de maire van Heemstede: “Het is noodzakelijk dat er ook op het territoir Uwer Gemeente op den grooten straatweg eene Eereboog worde opgericht; de Keizer zal waarschijnlijk aldaar passeeren. Gij zult U verder in alles moeten gedragen naar ’t geen de Prefect en ik U desweegens reeds hebben geschreeven, en mij ten spoedigste de onkosten opgeeven welke er gemaakt zullen moeten worden. Overigens zult gij wel alles willen toebrengen wat in U vermogen is om de geheele bevolking in beweeging te zetten; men moet de inwooners engageeren om hunne huizen met tapijten, met Bloemwerken enz. te versieren; men moet alles doen wat mogelijk is om dit evenement Vreugde bij te zetten en H.H.M.M. van onze gevoelens van bewondering en van liefde te verzeekeren. Eindelijk moet er ook nog gezorgd worden, dat er met geene geweeren geschoten worden, of eenige diergelijke vreugde betooningen plaats grijpen”. De kosten van twee erebogen op de Herenweg werden geraamd op 600 francs. Enkele dagen later volgde veen nieuw verzoek: “Zijt zo goed mij per omlopende post in te zenden de opschriften welge gij op de eereboogen in Uwe gemeente heb laten stellen (…)”. In een schrijven van 3 oktober deelde maire Sleght mede “dat op de eerebogen, welke binnen deze gemeente geplaatst zijn, langs den Heerenweg, geen andere opschriften zijn gesteld dan op ieder de woorden ‘Commune de Heemstede'” (Gemeente Heemstede). In tegenstelling tot de meeste andere gemeenten was het opschrift in Heemstede uitermate bescheiden, mogelijk tengevolge van gebrekkige kennis van de Franse en Latijnse taal onzer toenmalige magistraten. Ten overvloede kwam nog uit Amsterdam per speciale koerier een herinnering: “Ik hoop dat gij bezig zijt met de noodige preparaties te maken tot ontvangst van H.H.M.M. Niets moet U beletten om zonder verwijl daarmee voort te gaan. Alles moet morgenavond klaar zijn”. Met man en macht werd in Heemstede gewerkt om alles op tijd klaar te krijgen want de dag van hun leven naderde.

De 24ste oktober verliet Napoleon in zijn staatsiekaros met groot gevolg om 10 uur het Paviljoen richting Hillegom. Men reed door de Hout en via de Spanjaardslaan naar de Herenweg. Een aantal ruiters, Haarlemse Gardes d’Honneur, en agenten van de Franse Geheime Dienst voorop. Bij de ereboog voor het Posthuis hadden de Heemsteedse autoriteiten plaatsgenomen. In het midden maire Jan Sleght geflankeerd door zijn schepenen Evert Paradijs, Dirk van den Aardweg en Jan van der Lubbe. De stoet had haast en toen het rijtuig met de keizer volgde hield de koetsier de paarden niet in, waar Jan Sleght, zijn kennis van de Franse taal in aanmerking genomen, waarschijnlijk niet rouwig om is geweest. De heren namen hun steek af en bogen diep, zodat ze hooguit een glimp van Napoleon hebben opgevangen. De ruim 80 Franse militairen die sedert 1810 alhier waren ingekwartierd zorgden voor orde en rust en bejubelden hun keizer. De Heemsteedse dorpelingen keken gelaten toe, maar juichten toch tijdens het moment suprême. De stoet reed verder richting Leiden en korte tijd later zagen de Heemstedenaren keizerin Marie Louise langssnellen die later uit Amsterdam was vertrokken en zich in Hillegom bij haar gemaal voegde. Ze kwam wel meer later, maar wie kon haar dat kwalijk nemen bij het hoge werktempo van Napoleon. Voordien had zich trouwens als gevolg van een misverstand in Bennebroek (5) een klein incident voorgedaan. Een zoon van de herbergierster van “De Geleerde Man” wilde een fles Franse wijn van ongetwijfeld superieure kwaliteit aan de keizer aanbieden en stond met de fles te zwaaien toen Napoleon ter hoogte van de Hartekamp reed. IJverige Franse agenten voorzagen in de fles een mogelijk projectiel en namen de teleurgestelde Jacob mee in de gelagkamer, waar hij pas uitmocht toen de keizer de grens van Bennebroek en Hillegom al gepasseerd was. Burgemeester W.H. Gerlings stond plichtmatig langs de route om de man te zien die algemeen gold als de grootste held en strateeg van zijn tijd, maar door wiens toedoen drie dagen eerder was gedecreteerd dat Bennebroek per 1-1-1812 -wederom – bij Heemstede zou worden gevoegd. De maire kon toen nog niet voorzien dat hij na een eerdere vergeefse poging óók tot burgemeester van Heemstede zou worden benoemd. Iemand die schitterde door afwezigheid in Amsterdam en elders was de Nederlandse staatsman Johan Valckenaer, een heftige Jacobijn en patriot, die sedert 1805 de buitenplaats “Meer en Bosch” bewoonde en in 1810 op verzoek van koning Lodewijk – in de volksmond “Lamme Louis” geheten met een speciale missie naar Parijs was gestuurd om onderhandelingen te voeren met Napoleon, hetgeen zoals bekend op een volslagen mislukking uitliep. Toen hij terugkeerde was Lodewijk Napoleon al afgezet. Later woonde Valckenaer als ambteloos burger in Huize “Bijweg” te Bennebroek, alwaar hij in 1821 overleed. In het gevolg van Napoleon reed Abraham Jacob van Lennep (4), bewoner van hofstede “Meer en Berg” in Heemstede die de titel: “Ecuyer de l’Empereur” (Keizerlijk stalmeester) voerde. Omdat hij. als stalmeester van de keizer deelnam aan de veldtocht in 1813. is Abraham Jacob van Lennep op 24 oktober van dat jaar – precies twee jaar nadat Napoleon Heemstede passeerde – tot “Baron de l’Empire” verheven, een adellijke titel die op grond van een latere uitspraak van de Raad van Adel niet overging op zijn nakomelingen. Volgens plan werd wél gestopt in Hillegom, in welke gemeente een ereboog was opgesteld met de hoogdravende tekst: “Napoleoni beneficiis victoriisque peregranti orbem mosae batavi“, (“Aan Napoleon die over de Maas het Bataafse land binnentrok met weldaden en overwinningen”)- In Hillegom werd Napoleon opgewacht door Baron G. de Stassart, prefect van het Departement van de Monden van de Maas (Zuid-Holland). De keizer was zeer gesteld op deze hardwerkende en bekwame ambtenaar, maar in ons land was hij om zijn maatregelen impopulair. De prefect werd vergezeld door vijftig man van de “Compagnie d’Elite” der Nationale Garde, een kapitein, een luitenant en twee tamboers. De maire van Hillegom, mr. Jan Six, had bijtijds voor inkwartiering gezorgd. De Stassart hield een gloedvolle toespraak en eindigde zijn speech aldus: “Vive Napoléon le grand et le bien aimé!” (Leve de grote en welbeminde Napoleon). Ook keizerin Marie-Louise mocht van een fraaie toespraak genieten. De bijeengekomen boeren en tuinders mochten zich in een heildronk op de keizer en keizerin verheugen. De stoet trok verder via Leiden en Katwijk naar het regeringscentrum Den Haag (5).

Op 11 november ging Napoleon terug naar Saint-Cloud (met fraaie arabesken gedecoreerd door Christiaan van Pol uit Berkerode!). De keizer was uitermate tevreden over zijn bezoek aan Nederland en pochte dat de bevolking nergens zo Frans was geworden als in Nederland. In de barre winter van 1812 heeft Napoleons adelaar een gevoelige klap gekregen in Rusland en was de bewondering die de Hollanders getoond hadden goeddeels verdwenen. De nederlaag van Napoleon had een enorme invloed op Europa en bewees de ongegrondheid van de stelling dat hij onoverwinnelijk was. Van de 15.000 Nederlanders in de “grande armee” zijn slechts weinigen teruggekeerd; óók in tenminste twee Heemsteedse gezinnen heerste rouw. Toen in 1813 twee uit de Heemsteedse bevolking gerecruteerde en goed uitgeruste soldaten werden afgevaardigd om het leger van Napoleon te versterken zijn ze, toen prins Willem op 30 november vanuit Engeland in Scheveningen aan land was gegaan, naar het leger van de Prins van Oranje gezonden (6). Napoleon werd in de slag van Waterloo juni 1815 definitief verslagen en naar het afgelegen St. Helena verbannen, alwaar hij zijn mémoires dicteerde en naar wordt aangenomen tengevolge van maagkanker op 5 mei 1821 overleed en in 1840 is bijgezet in het Hotel des Invalides te Parijs, sedertdien jaarlijks bezocht door duizenden Fransen en toeristen uit de gehele wereld. Wat de situatie in Holland betreft: op 2 december 1813 werd de prins -16 maart 1815 nam Willem de titel aan van Koning der Nederlanden – voor het Stadhuis in Haarlem toegejuicht. Op zijn jubeltocht van Den Haag naar Amsterdam stonden overal mensen. In Heemstede en Bennebroek, onder aanvoering van maire W.H. Ger: lings, stonden bijna alle ingezetenen te juichen langs de Herenweg en waren provisorisch erebogen opgericht. Vanuit Haarlem haalden zogeheten rustbewaarders te paard de prins op in Bennebroek. Hun commandant, de heer mr. Johannes Enschedé, voegde zich aldaar bij zijn manschappen, om de man te vergezellen, van wie men algemeen uitkomst uit de misère verwachtte, en de stoet via Heemstede naar Haarlem te volgen. Het Franse garnizoen in de Spaarnestad en de enkele tientallen in Heemstede bij gastgezinnen ingekwartierde Franse soldaten hadden toen al ons land verlaten. De overgang van het Franse bestuur naar het Nederlandse is, zoals de eerdere omwenteling van 1795, in Heemstede zonder grote schokken verlopen, zoals men kan lezen in het aardige boekje “Heemstede in de Franse Tijd” (1956), De twee als triomfbogen bedoelde stellingen onder Heemstede zijn vermoedelijk kort na de doortocht van Napoleon in 1811 afgebroken. Niets herinnert meer aan de luisterrijke passage van de keizerlijke despoot of dat zou het herenhuis “Elba” moeten zijn, vernoemd naar een eiland in de Tyrrheense Zee, dat enkel bekendheid heeft gekregen dankzij het simpele feit dat het eilandje ooit gastvrijheid verleende aan balling Napoleon I, namelijk van mei 1814 tot 26 februari 1815 (7). De bewaard gebleven correspondentie ver de voorbereidingen voor het bezoek van-Napoleon aan Heemstede inspireerde de Haarlemse leraar en auteur P.H. van Moerkerken (1877-1951) tot het schrijven van zijn historische roman “De bevrijders” (1915), heruitgegeven in ondermeer 1922,1950 en 1978, met name de hoofdstukken 18-20. Het is een ironisch verhaal over de nadagen van de Napoleontische tijd en bevrijding van de Fransen in 1813. Plaatsen van handeling zijn gelegen in Haarlem en Heemstede, zoals de Hout, het (oude) Posthuis en de buitenplaats Wyckerveldt, gelegen aan de .Heerenweg (waarvoornaar de mening van vroeger stadsarchivaris dr. Gerda Kurtz buitenplaats “Bosch en Hoven” model heeft gestaan). In tegenstelling tot de historische realiteit houdt in. de roman Napoleons’ koetsier de paarden wél in voor het Posthuis en wisselt de keizer enkele woorden met de hoofdpersoon David van Wyck.

Als bronnen voor deze bijdrage zijn in totaal een 25-tal boeken gebruikt, van welke de relevante passages zijn bijeengebracht in een documentatiemap “Napoleon in Heemstede”, gedeponeerd in het Noord-Hollands Archief, collectie Heemstede.

NOTEN

(1) Napoleon behoort – wellicht met Goethe en Lenin – tot de meest beschreven historische personen in de wereld. Een in 1923 in de Bibliothèque Nationale in Parijs samengestelde bibliografie bevatte al meer dan 600.000 titels. Het lijkt in dit verband niet overdreven te stellen dat iedere voetstap welhaast tienvoudig in drukinkt is vastgelegd. Van de zeer vreemdsoortige publikaties worden slechts gesignaleerd een werkje over geregistreerde winden (scheten) door Zijne Majesteit gelaten en wat te denken van de Engelsman Whately die een uitgebreid boek schreef met als enig doel het bewijs te leveren dat Napoleon nooit geleefd heeft Het grootste aantal geschriften – geïnspireerd door zowel vorsers als letterkundigen betreffende een Franse vrouw heeft betrekking op de Maagd van Orleans, Jeanne d’Arc, de bevrijdster van Frankrijk. Terzijde: Napoleon was niet slechts een geniaal veldheer en staatsman van groot formaat, ook als lezer beschikte hij over meer dan gewone capaciteiten. Een dik boek had hij volgens zijn adjudanten binnen een uur uit. Op zijn militaire expedities beschikte Napoleon in zijn rijtuig vaak over een kleine boekerij, bestaande uit enkele eikenhouten boekenkisten. In 1800 liet hij in het Slot Malmaison bij Parijs een bibliotheek inrichten in klassieke decoratie, die tevens zijn werkkamer was. Zijn belezenheid en boekenliefde moeten ondanks alles geroemd worden. Hij ontwikkelde het plan voor een “perfecte bibliotheek”, bestaande uit ongeveer 3.000 van de beste boeken uit de Franse literatuur en geschiedenis, speciaal voor hem op bibliofiele wijze gedrukt en ingebonden. De keizer schrok echter van de omvang van dit miljoenen francs kostende project dat hij van effectuering afzag. Napoleon voerde ook een meer dan gemiddelde correspondentie. De editie welke tussen 1858 en 1869 verscheen en verre van volledig is omvat niet minder dan 32 kloeke boekdelen. Op St. Helena was zijn bediende dagelijks in de weer met stapels boeken die Napoleon gebruikte. De verbannen keizer was steeds verrukt als weer een schip uit zijn moederland in de haven aanlegde met een kist nieuw bestelde boeken. Op deze wijze verkreeg én las hij in zijn ballingsoord in minder dan zes jaar omstreeks 8.000 banden (E. Ludwig, Napoleon, p.622). Geïnspireerd door onder andere Napoleon heeft president Mitterand een ambitieus plan van ‘Grande Bibliothèque’, de Bibliothèque nationale de France, tot uitvoering laten brengen

(2) In de hoofdstad werd de grootste held van zijn tijd ontvangen door een enthousiaste menigte. Tijdens de tocht van Utrecht naar Amsterdam hadden al grote groepen langs de weg gestaan zeer tot tevredenheid van de keizer. Mr. Jacob van Lennep maakte de ontvangst in de Amstelstad mee als 9-jarig kind en schreef later vanuit zijn herinnering aan deze gebeurtenis: “In 1811 bracht Napoleon zijn bezoek aan Amsterdam. Levendig staat mij nog ’s Keizers intocht op 9 October voor den geest, dien ik op den stoep van het bibliopolium van Den Hengst aanschouwde; levendig het schouwspel van die arme Spaansche krijgsgevangenen, als getuigen van zijn oorlogsroem medegevoerd, en door onze stadgenooten – niet het minst door onze stadgenooten van minderen stand – uit medelijden, of liever om sympathie met hen en haat tegen de Franschen te toonen, rijkelijk van geld en behoeften voorzien. Voorts herinner ik mij het rondvaren van Napoleon door de stadsgrachten, een vuurwerk op de Hooge Sluis, dat eerst om den regen uitgesteld, later toch gegeven werd; maar vooral – het spel van Talma, van Lafond, van Duchesnois, van Bourgoing, die den Keizer hadden vergezeld, en om den anderen avond afwisselend met de Hollandsche tooneelisten Snoek, Corver, Sardet, Wattier, Hilverdink, voorstellingen gaven”.

(3) Medio 1811 was in Bennebroek een aanschrijving gekomen “van den heer Prefect ten eijnde op den Tweede Junij te vieren de Herstelling van H.M. de Keizerin met een Te Deum en andere vreugbedrijven”. Waarop “geresolveerd is zulcks te doen met een generale uitdeeling van l pond Vleesch en 6 pond Brood aan ieder gealimenteerde en wijders eene generale illuminatie“.

(4) Abraham Jacob van Lennep van Meer en Berg begeleidde Napoleon in Amsterdam als Keizerlijk Stalmeester. De volgende anecdote werd door een tijdgenoot voor het nageslacht vastgelegd en is beschreven door G. van Duinen in de publicatie “Heemstede in de Franse Tijd”: “Op een gegeven ogenblik niesde de keizer, waarop een kleine jongen hem toeriep: “Bien vous fasse, monsieur!” (Wel bekome het u, mijnheer!). Napoleon, die in een goede bui was, liet de jongen bij zich komen en vroeg, of hij de Franse taal beheerste. “Un peu, Sire” was het antwoord van de jongen, die in het geheel niet verlegen was. Toen vroeg Napoleon hem, of hij hem wilde vergezellen op zijn ochtendrit “Oui, Sire”, was het antwoord. Daarna wendde de keizer zich tot de Heer Van Lennep en droeg hem op om de jongen onder zijn hoede te nemen.”

(5) Voor een beschrijving van het bezoek aan Lisse, zie: A.M.Hulkenburg. De keizer aller Russen te Lisse, 1814. In: Uit Leidse bron geleverd. Leiden, Gemeentearchief, 1989, p. 476-482.

(6) Het kan verkeren, immers ook cavalerie-generaal J.B. van Merlen (grootvader van de latere bewoner van Bosbeek). die aanvankelijk onder Napoleon had meegevochten, schaarde zich in 1815 bij Quatre Bras en Waterloo bij de geallieerde troepen, alwaar hij door zijn vroegere strijdmakkers is gedood.

(7) De grote wereldveroveraar, teruggekeerd in Parijs na de nederlaag bij Leipzig (oktober 1813), werd de 31ste maart 1814 door de Franse Senaat gedwongen afstand te doen van de troon en verkreeg als vorstendom met volle souvereiniteitsrechten en met een jaarlijks inkomen van 2 miljoen francs het eiland Elba, waar hij 14 mei 1814 aankwam. Hij ijverde zeer voor het bestuur, liet wegen aanleggen, zegenrijke inrichtingen verrijzen, maar hield tegelijkertijd een wakend oog op de Europese gebeurtenissen, waarvan hem een groep spionnen en geheime agenten op de hoogte hielden. De 26ste februari 1815 verliet hij met ruim 1.000 man heimelijk zijn ballingsoord en de 20ste maart had hij reeds opnieuw zijn intrek genomen in de Tuilerieën te Parijs. Napoleon is voor de tweede maal keizer….nu echter voor slechts 100 dagen. Als blijk van dankbare hulde aan de nagedachtenis van Napoleon is door de beeldhouwer Turillo Sindoni te Rome in 1906 een groots Napoleon-standbeeld vervaardigd, dat op het eiland Elba geplaatst is.

Hans Krol

zwaanlisse1834

Logement en regthuis De Zwaan in Lisse, 1934 (Universiteitsbibliotheek Leiden)

P.S. Voordat Napoleon Haarlem bezocht  is hij eerst met zijn gezelschap over Katwijk en Noordwijk naar Lisse  gereden. Daar stopte hij bij logement De witte Zwaan. Een artikel over dat bezoek is gepubliceerd door A.M.Hulkenburg, De keizer aller Russen te Lisse, 1814 (in de verzamelbundel: Uit Leidens bron geleverd, 1989, p.476-482

 

Kasteel van Compiègne: bibliotheek

Kasteel van Compiègne: bibliotheek

napoleon

Napoleon in de Hout. Moderne illustratie door Fiel van der Weel bij een verhaal van Lennaert Nijgh in “Haarlem bestaat niet’, 1996.