IPENRODE (VOORKOEKOEK)

Tekening van toegangshek naar Ipenrode in Heemstede

De gronden van de Hartekamp, Boekenrode en ook Ipenrode behoorden gedurende het eind van de middeleeuwen aan de adellijke (Haarlemse) familie Van Berkenrode. Zoals voor veel buitenplaatsen geldt is de hofstede Voorkoekoek vermoedelijk ontstaan uit een boerderij. Eigenlijk twee, de Voorkoekoek en Achterkoekoek. De laatste lag aan de westzijde van de Leidsevaart in Vogelenzang.

Het jachthuis De Koekkoek (Achterkoekkoek) nabij het Koekoeksduin tussen Aerdenhout en Vogelenzang op een foto uit 1939. De zolder van het jachthuis werd vanaf 1648 als schuilkerk gebruikt voor samenkomsten van katholieken

Het jachthuis De Koekkoek (Achterkoekkoek) nabij het Koekoeksduin tussen Aerdenhout en Vogelenzang op een foto uit 1939. De zolder van het jachthuis werd vanaf 1648 als schuilkerk gebruikt voor samenkomsten van katholieken

Evenals Berkenrode, de Hartekamp e.d. ligt Ipenrode in een veenstrook tussen de strandwal ten oosten van de Herenweg en het binnenduingebied ten westen van de Leidsevaart.

Omstreeks 1652 is een ‘heerschapswoninge’ gebouwd, na 1728 vervangen. Circa 1780 is de achterzijde van het herenhuis verfraaid met een vijfkantige aanbouw. De mooiste gevel kwam aldus aan de Leidsevaartkant; gasten kwamen toen vaak per boot. In de 17e eeuw was Ipenrode in bezit van Lombardische geldschieters, een bierbrouwer en een bonthandelaar. De eerste helft van de 18e eeuw van Haarlemse magistraten (Guldewagen en Druyvestein), gevolgd door Amsterdamse kooplieden en regenten.

18e eeuwse toegangspoort naar Ipenrode (foto V.C.Klep)

In de tweede helft van de 19e eeuw raakte Ipenrode in verval, maar een periode van bloei kwam na 1890 onder Hendrik Jan Deutz van Lennep (die via een erfenis Meer en Berg in bezit kreeg) en telgen uit het Haarlemse drukkersgeslacht Enschedé. Op 26 mei 1956 had een felle uitslaande brand plaats met als oorzaak verhitting van een geiser. De schade bedroeg ongeveer ƒ 100.000,- , waarbij ook schilderijen, meubelen en boeken gingen. Het pand is met spoed gerestaureerd. Na een tijdelijke inzinking toen Ipenrode eind 1977 (tot begin 1983) in handen was van dubieuze projectontwikkelaars, is dankzij de twee laatste eigenaren, notaris mr. J.A.E.Koning uit Amstelveen en ondernemer P.H. van den Bos Ipenrode helemaal opgeknapt, inclusief koetshuis en het park.

Ipenrode in barre tijden, 1981

Achterzijde van Ipenrode in de steigers (2-6-1983)

Achterzijde van Ipenrode in de steigers (2-6-1983)

Lentebodes op een vernieuwd Ipenrode, 1984

Achterzijde Ipenrode met uitbouw op een ansichtkaart uit 1911

Achterzijde Ipenrode met uitbouw op een ansichtkaart uit 1911

“De Randstad is in schrikbarend hoog tempo aan het urbaniseren, stellen Van den Bos en zijn echtgenote C.van den Bos-Loogmans, ‘daar willen wij een dam tegen opwerpen. Rustpunten met en historisch karakter zullen in de toekomst van het grootste belang zijn. Voor ons is het ook een zinnige besteding van de laatste levensperiode. Het is mooi om iets te betekenen voor de samenleving’”  (De Volkskrant, 7 augustus 1988).

Quote, april 2002, in een artikel over kasteelheren en buitenplaats-eigenaren:

Twee jaar geleden kocht Piet van den Bos ook het landgoed Waterland in Velsen voor 8 miljoen gulden en bedoeld als investering. [Een klasgenoot herinnerde zich dat op een vraag wat hij wilde worden, het antwoord was: “rijk”]. Zelf formuleerde hij het zo in een interview met een journalist van het tijdschrift Quote: “Ik maakte fortuin door ouderwets Hollandsche spaarzucht.”

 Overzicht van eigenaren/bewoners van de hofstede Voorkoekoek/Ipenrode van circa 1600 tot heden

Toegngspoort en koepel van huize Ipenrofr aan de Herenweg in Heemstede. Tekening door Cornelis van Nootde (1731-1795) (N.H.A.)

Toegngspoort en koepel van huize Ipenrofr aan de Herenweg in Heemstede. Tekening door Cornelis van Noorde (1731-1795) (N.H.A.)

Cornelis Franse                                                         voor 1606

Frans van Nesse                                                         1606-

Pieter Symonszoon Ruyter                                           – 1608

Cors Corneliszoon Pollenburch (Poelenburg)                  1608-1618

(weduwe) Weyntgen Willems                                       1619-1626

Catharina Gobeau (Goban), wed.van M.Laignier             1626-1641

Cornelis Frans van der Wiele(n)                                    1641-1652

Portret van Pieter van der Wiel door D.de Bray. Hij was een zoon van Coenelis Frans van der Wiele(n), die zijn oon toestond op de Achterkoekoek in een zogeheten schuilkerk op zolder erediensten te houden. Het gebouwtje Jachtlust, thans bij Koekoeksduin in Vogelenzang.

Portret van Pieter van der Wiel, vermoedelijk door D.de Bray. Hij was een zoon van Cornelis Frans van der Wiele(n), die zijn zoon toestond op de Achterkoekoek in een zogeheten schuilkerk op zolder erediensten te houden. Het gebouwtje Jachtlust, thans bij Koekoeksduin in Vogelenzang.

Cornelis Ormea                                                            1652-1666

Scipio Ormea                                                               1666-1679

Erven Ormea                                                                1679-1688

Hendrik Honthom (Hunthum)                                         1688-1716

Abraham Guldewagen/Maria Dicx                                    1716-1728

François Aernout Druyvestein                                          1728-1738

Portret van Francois Aernout Druyvesteijn door Fr.Decker

Portret van Francois Aernout Druyvesteijn door Fr.Decker

Brug met duiker en hek uit de tijd van Druyvestein, circa 1730.

Brug met duiker en hek uit de tijd van Druyvestein, circa 1730.

Abraham (van) Tarelink                                                   1738-1744

Constantijn Nicolaaszoon Sautijn                                      1744-1748

(weduwe) Catharina Jacoba Lievensdr. Geelvinck               1748-1759

Nicolaas Geelvinck                                                           1759-1760

Abraham Dedel                                                                1760-1798

Portret van Abraham Dedel, eigenaar van Ipenrode, door J.Humbert (Iconografisch Bureau)

Portret van Abraham Dedel, eigenaar van Ipenrode, door J.Humbert (Iconografisch Bureau)

Jan van de Poll                                                                 1799-1822

Rechts een geridderde jonkheer mr. Jan van de Poll, magistraat en koopman, grootgrondbezitter in Heemstede. Geboren 25 augustus 1759 te Amsterdam en overleden op Ipenrode, 22 juni 1822. Links een geschilderd portret van zijn echtgenote Anna Catharina Valckenier (1766-1842)

(weduwe) Anna Catharina Valckenier                             1822-1842

Portret van Anna Catharina Valckenier (1766-1842), echtgenote van jhr. mr.Jan van de Poll (Iconografisch Bureau)

Portret van Anna Catharina Valckenier (1766-1842), echtgenote van jhr. mr.Jan van de Poll (Iconografisch Bureau)

Litho van Ipenrode door P.J.Lutgers, circa 1843

Litho van Ipenrode door P.J.Lutgers, circa 1843

Sara Johanna van de Poll (wed. van J.W.Calkoen)           1843-1867

Anna Catharina Calkoen (x M.W.C.baron van Boetzelaer) 1867-1874

Sara Maria van Boetzelaer (x P.C.H.graaf van Bylandt)     1874

Hendrik van Wickevoort Crommelin                                 1874-1891

Hendrik van Wickevoort Crommelin (1832-1901) van Berkenrode, was van 1874 tot zijn overlijden eigenaar van Ipenrode.

Hendrik van Wickevoort Crommelin (1832-1901) van Berkenrode, was van 1874 tot zijn overlijden eigenaar van Ipenrode.

Hendrik Jan Deutz van Lennep                                        1891-1906

Johannes Enschedé (Johan V)                                         1907-1911

Portret van Johannes Enschede (1851-1911), eigenaar van Ipenrode van 1907-1911

Portret van Johannes Enschede (1851-1911), eigenaar van Ipenrode van 1907-1911 (Iconografisch Bureau)

Prentbriefkaart van Ipenrode uit 1901

Prentbriefkaart van Ipenrode uit 1901

Heemstede Huize Ipenrode, achterzijde. Zondagsblad, 19 juli 1909

Huize Ipenrode, achterzijde. Zondagsblad, 19 juli 1909

(weduwe) Henri(weduwe) Henriëtte Francina Krantz         1911-1921

Johannes Enschedé (Johan VI)                                        1921-1938 (1)

Johannes Enschede (1879-1938), eigenaar van Ipenrode van 1921-1938 (Iconografisch Bureau)

Johannes Enschede (1879-1938), eigenaar van Ipenrode van 1921-1938 (Iconografisch Bureau)

(1) In Lodewijk van Deyssels’ ‘Gedenkschriften’ zijn op 21 april  1938 herinneringen aan Ipenrode en Johannes (VI) Enschede naar aanleiding van diens overlijden op schrift gesteld. Men nam eerst afscheid van de dode in de bibliotheekkamer van Ipenrode ‘waar ik zoo een groot aantal uren met hem heb vertoefd. In deze zelfde kamer hebben wij al die onvergetelijke vondgesprekken gevoerd, onvergetelijk niet door diepte of lichtrijkheid der bereikte wijsgerige, zielkundige, geestdriftige of in levens-schildering sterke geestesverwerkingen, die in de woorden werden vernomen (…)’ Over Ipenrode schrijft Van Deyssel: ‘Het huis van Jan Enschede was een mooi huis. Huizen zijn namelijk, in hun geheel – met de meubels een vederen inhoud dus, en met de omgeving buiten en haar vergezichten – minder of meer, en zus of zoo, mooi op andere wijze als door eenig architectuur-kunst-schoon te vertoonen. Architectonisch gezien, is Ipenrode goed, normaal, fatsoenlijk, degelijk, gezond; maar heeft niet eenige speciaal uitkomende bouwkunst-schoonheid. Maar het is als smaak, voorkeur en begrip uitdrukkende wooning mooi, zeer Hóllands mooi, omdat het van buiten geheel uit grauwe effen vlakten bestaat, terwijl het dan van binnen – behalve de kamerruimten – nagenoeg geheel met wit marmer bekleed is. Van buiten niets bizonders of het oog treffend te laten zien en van binnen van een edelen rijkdom, dat is Hollandsch (…)’. Van Deyssel maakt de lezer deel van een op Ipenrode gehouden conférence van het door de Haarlemse Krafft van de Waalse Kerk gestichte ‘Amitiés Hollando Suisses’, met als leden onder anderen de commissaris van de koningin van Noord-Holland Röell, de toenmalige minister van buitenlandse zaken Van Karnebeek en de romanschrijver Johan de Meester. [Lodewijk van Deyssel, Gedenkschriften; voor de eerste maal volledig naar het handschrift uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Harry G.M.Prick. Zwolle, Tjeenk Willink, 1962. Voor Ipenrode, zie deel 2, pagina’s 820-824].

Boudewijn Franciscus Enschede 1938-1969/1971

Boudewijn Franciscus Enschede (1893-1978), eigenaar van Ipenrode van 1938 tot 1969/1971 (Iconografisch Bureau)

Boudewijn Franciscus Enschede (1893-1978), eigenaar van Ipenrode van 1938 tot 1969/1971 (Iconografisch Bureau)

Olieverfdoek van B.F.Enschedé door Sierk Schröder

Olieverfdoek van B.F.Enschedé door Sierk Schröder

ipenrode

Nog een geschilderd portet van B.F.Enschedé , in dit geval door de Bloemendaalse kunstschilder Oscar Mendlik

 

 

buiten1

‘Gelegenheidssteen’, aangebracht na herstel in juli 1957 van een brand in de nacht van 25 op 26 mei 1956  Voor deze steen in de vorm van een gestyleerde postzegel. De naam van de toenmalige eigenaar B.F.Enschedé is de verklaring. (foto V.C.Klep)

Hobbe van Baerdt van Sminia                                            -1972

Bastiaan Smallegange                                                        1972-1973

Nicolaas C.de Groot van Embden                                         1974-1977

Portret van mr.NB.C.de Groot van Embden, oud directeur van de firma Joh. Rnschedé en Zonen en voorzitter van de Kamer van Koophandel Haarlem, die van 1974 tot 1977 Ipenrode bewoonde

Portret van mr.NB.C.de Groot van Embden, oud directeur van de firma Joh. Rnschedé en Zonen en voorzitter van de Kamer van Koophandel Haarlem, die van 1974 tot 1977 Ipenrode bewoonde

Petrus J.M.Beerents                                                            1977-1982

Jacobus Henricus Bakker                                                     1982-1983

Jan Aleid Edward Koning                                                     1983-1989

Ipenrode voor de grote restauratie dankzij J.A.E.Koning (foto G.J.Dukker, 1983)

Ipenrode voor de grote restauratie dankzij J.A.E.Koning (foto G.J.Dukker, 1983)

Pieter Hendrik van den Bos                                                 1989 –

Literatuur

Interieuropname Ipenrode ten tijde van B.F.Enschedé

Interieuropname Ipenrode ten tijde van B.F.Enschedé met zicht op de bibliotheekkamer.

Scan1335

Interieurfoto Ipenrode ten tijde van de familie Enschede

 achtergevel

Achtergevel Ipenrode (foto Gerard Schuitemaker)

L.H.Albers, P.W.A.Broeders, H.Krol:  ‘Vier eeuwen Voorkoekoek-Ipenrode, een historische buitenplaats in Heemstede’(Heemstede, VOHB, 2001).

Voorzijde Ipenrode- boek

Trapje naar de huishoudelijke entree van huize Ipenrode (foto V.C.Klep)

Trapje naar de huishoudelijke entree van huize Ipenrode (foto V.C.Klep)

Ipenrode, januari 1979

Ipenrode, januari 1979

Ipenrode in wintertooi. Foto van familie Van den Bos, eind 2000

Ipenrode in wintertooi. Foto van familie Van den Bos, eind 2000

Redacteur Hans Krol voor het huis Ipenrode

Achterzijde Ipenrode-boek

Detail kaart uit 1613-1615 met laan vanaf de Herenweg naar de Voorkoekoek (=A) en richting Aerdenhout Achterkoekoek (= B). (Uit: Raap-rapport)

Detail kaart uit 1613-1615 met laan vanaf de Herenweg naar de Voorkoekoek (=A) en richting Aerdenhout Achterkoekoek (= B). (Uit: Raap-rapport)

Voorkoekoek (Ipenrode)  en Achterkoekoek op kaart van Balthasar Floris van Berkenrode uit 1643. Ipenrode vergroot.

Voorkoekoek (Ipenrode) en Achterkoekoek op kaart van Balthasar Floris van Berkenrode uit 1643. Ipenrode vergroot.

Achter-/tuinkant van landhuis Ipenrode

Achter-/tuinkant van landhuis Ipenrode

Landgoed Ipenrode in volgelvlucht (1977)

Landgoed Ipenrode in vogelvlucht (1977)

Paarden op het landgoed Ipenrode

Paarden op het landgoed Ipenrode

Johannes (V) Enschede liet op het terras een tuinkamer bijbouwen onder architectuur van Johannes Wolbers. Tevens liet hij door architect Wolbers en aannemer W.A.van Amstel in 1908 op het landgoed een tuinmanswoning  bouwen.

Johannes (VI) Enschede liet op het terras een tuinkamer bijbouwen onder architectuur van Johannes Wolbers. Tevens liet hij door architect Wolbers en aannemer W.A.van Amstel in 1908 op het landgoed een tuinmanswoning bouwen.

Inrijhek Ipenrode (foto G.J.Dukker, 1968)

Inrijhek Ipenrode (foto G.J.Dukker, 1968)

Vroeg-landschappelijk mini-vijvertje op Ipenrode

Vroeg-landschappelijk mini-vijvertje op Ipenrode

Van in 1944 gehouden dankzijn de gastvrijheid van eigenaar B.F. Enschede gehouden verkennerskampen op het landgoed Ipenrode verscheen 1944 een boekje met herinneringen. Het werd aangeboden aan Kampvader B.F.Enschedé ter gelegenheid van diens 51ste verjaardag op 19 augustus 1944.

Van in 1944 dankzij de gastvrijheid van eigenaar B.F. Enschede gehouden verkennerskampen  van Johez-meisjes en jongens (kinderen van drukkerijmedewerkers) op het landgoed Ipenrode verscheen in 1944 een boekje met herinneringen. Het werd aangeboden aan Kampvader B.F.Enschedé ter gelegenheid van diens 51ste verjaardag op 19 augustus 1944. Opgenomen zijn 17 prozastukjes en 5 gedichten.

Ipenrode1

Pagina uit boekenserie, deel 2, Joh. Enschede 2003-1703. Beelden van driehonderd jaar bedrijfsgeschiedenis, pagina 79.

Ipenrode3

De heer B.F.Enschedé  stelde ruimhartig zijn landgoed Ipenrode in Heemstede beschikbaar voor evenementen, o.a. ovor het personeel van de firma.

Voormalig koetshuis/tuinmanswoning Ipenrode (foto G.J.Dukker, 1968)

Voormalig koetshuis/tuinmanswoning Ipenrode (foto G.J.Dukker, 1968)

Voormalig koetshuis IPenrode (foto G.J.Dukker, 1968)

Voormalig koetshuis Ipenrode (foto G.J.Dukker, 1968)

Ten noorden van Ipenrode is een luxueus appartementencomplex Résidence Beukerode gebouwd

Ten noorden van Ipenrode is een luxueus appartementencomplex Résidence Beukerode gebouwd

Uit: Het Landhuis, jaargang 30, 1935, nummer 10

Uit: Het Landhuis, jaargang 30, 1935, nummer 10

Vervolg uit: Het Landhuis, jrg.30,1935,nr.10

Vervolg uit: Het Landhuis, jrg.30,1935,nr.10

Het jachthuis de Koekoek nabij Koekoeksduin (Achter Koekoek tussen Aerdenhout en Vogelenzang) is vanaf 1648 gebruikt als schuilkerk voor katholieken uit de wijde omgeving. Het tongewelfje op zolder is daarvan nog een stille getuige (NHA)

Het jachthuis de Koekoek nabij Koekoeksduin (Achter Koekoek tussen Aerdenhout en Vogelenzang) is vanaf 1648 gebruikt als schuilkerk voor katholieken uit de wijde omgeving. Het tongewelfje op zolder is daarvan nog een stille getuige (NHA)

Artikel over de brand op Ipenrode uit het Haarlems Dagblad van 26 mei 1956

Artikel over de brand op Ipenrode uit het Haarlems Dagblad van 26 mei 1956

Poort maar Ipenrode

Poort maar Ipenrode

Achterzijde Ipenrode, in 1979 getekend door Piet Kapsenberg

Achterzijde Ipenrode, in 1979 getekend door Piet Kapsenberg

Vooraanzicht Ipenrode vanaf de Herenweg (Wikipedia)

Vooraanzicht Ipenrode vanaf de Herenweg (Wikipedia)

Bijlage 1: Onderlinge verwantschappen Geelvinck-Sautijn-Dedel-Van de Poll

Geelvinck - Sautijn - Dedel - Van de Poll. Vet gedrukt betekent eigenaar/bewoner van Ipenrode

Geelvinck – Sautijn – Dedel – Van de Poll. Vet gedrukt betekent eigenaar/bewoner van Ipenrode

Bijlage 2: Broedvogelpopulaties

Broedvogelpopulaties Op de foto mevrouw C.L.van den Bos-Loggers met een jonge valk

Broedvogelpopulaties Op de foto mevrouw C.L.van den Bos-Loggers met een jonge valk

Ipenrode vanuit de lucht

Ipenrode vanuit de lucht

Ipenrode; door Chris Schut, 1990 [Uit: Gezichten in Zuid-Kennemerland. Alphen aan den Rijn, Canaletto, 1991]

Ipenrode; door Chris Schut, 1990 [Uit: Gezichten in Zuid-Kennemerland. Alphen aan den Rijn, Canaletto, 1991]

A.M.Hulkenberg schrijft o.a. in de begeleidende tekst: ‘(…) Na het vertrek van Mr. Enschede in 1970 is een tijd van ergernis en ellende voor “Ipenrode” aangebroken. Verhandelen, versjacheren. Projectontwikkelaars, die overal huizen willen zetten en hoge flats langs de Leidsevaart. Plannen die telkens weer door de Gemeente worden getorpedeerd. Het grote huis stond vervallen, twee jaar lang kapotte ruiten. Voor de gevel hingen grote dekzeilen, om ten minste nog iets te beschermen. Faillissementen, weer andere plannen… En toen eindelijk, in 1983, begon het te dagen. “Ipenrode” werd aangekocht door de heer J.A.E.Koning, notaris te Amstelveen. Herstel. Sinds januari 1984 wonen hier nu de heer en mevrouw Koning met hun zoons Rob en Olivier. In het vroegere koetshuis geheel rechts woont nu de heer J.Bakker, eveneens notaris. De heer Koning doet zijn best het 14 ha grote landgoed – met zijn “Springer”-tuin”, aldus Mevrouw – weer in ere te herstellen; de vijvers opknappen, de zichtlijnen openmaken. Regelmatig ziet men hier hoveniers van “Stichts Landschap” uit de Bildt, dat zich bezig houdt met het herstel van historische tuinen, aan het werk. Het is het streven om het hele monument als monument-in-de-zin-der-wet gewaardeerd te krijgen. “Wij genieten hier nu van”, aldus Mevrouw, “maar zo iets moet je doorgeven aan mensen die na ons komen”. Reeds meer dan dertig jaar geleden wees de toen nog jeugdige Heemsteedse ornitholoog Fred Koning mij in het park Haarlems Klokkernspel (Saxifraga granulata flore pleno) en de heren J.M.de Graaf en M.Koning te Lisse, die van de Flora in Zuid-Kennemerland een zeer serieuze studie hebben gemaakt, noemen “Ipenrode” “een geheimzinnige buitenplaats” Die “geheimzinnigheid” vond misschien haar oorzaak in de weinige toegankelijkheid, de dichte begroeiing en het woud van grote brandnetels aan de zijde van de Leidsevaart. Nu is het nog januari, maar straks “verkondigt de blijde nachtegaal met een helder georgel en een schellen slag dat hij daar is om het lied der lente te zingen”. Inderdaad een “Koninklijk” buiten.’

bos

P.H. (Piet) van den Bos enthousiast vertellende over ‘zijn’ buitenplaats Ipenrode, 28 november 2001 in het raadhuis van Heemstede

bos

Piet van den Bos(rechts) en de op Ipenrode in Heemstede woonachtige virtuoze Wit-Russische pianist Sergei Smirnov voor wie Van den Bos zich inzette om dreigende uitwijzing van de concertpianist te voorkomen (Haarlems Dagblad, 1 oktober  2008)

 

Oldenburger.jpg

Kaart van tuinenhistorica Carla Oldenburger naar aanleiding van verschijning publicatie over Ipenrode

Bijlage 3: IPENRODE

De meeste mensen uit Heemstede kennen Ipenrode als het komende uit de Van Merlenlaan in de verte gelegen wit gepleisterde huis met groeven zodat lijkt of dat grote blokken natuursteen zijn. Maar schijn bedriegt. De achter- en zijgevels laten zien dat van bruine baksteen sprake is. De bepleistering heeft in de tweede helft van de 19e eeuw plaatsgevonden, zoals van meer buitenplaatsen. De vijfhoekige aanbouw aan de achterzijde is zeer bijzonder. Zeker is ook dat met de weilanden, het herenhuis en het park daarachter tot de Leidsevaart een samenhang bewaard is gebleven. Het herenhuis dateert uit omstreeks 1730, maar de bewoningsgeschiedenis gaat terug tot even na 1600. Wellicht verder gelet op een landmeterschets uit 1563 mar verdere gegevens zijn niet bewaard. Zoals ook voor bijv. de Hartekamp geldt is de buitenplaats ontstaan uit een boerenhofstede en ligt de vermoedelijke oorsprong bij de heren van Berkenrode. Oorspronkelijk lagen er 2 boerenhofsteden. Met de Voorkoekoek aan de oostzijde en de Achterkoekoek aan de overzijde van de Aerdenhoutsvaart, in 16657 vergraven tot de Leidse Trekvaart. Over de historie van de buitenplaatsen Berkenrode, Huis te Manpad en de Hartekamp heeft de VOHB al eerder een publicatie het licht doen zien. Ipenrode nog niet. Wel is de geschiedenis al eens beknopt beschreven in een artikel van mw.Sterck-Proot in het Jaarboek Haerlem 1943. Omdat het geplande monumentenboek is uitgesteld wordt nu in deze lacune voorzien, weliswaar in een beknopte uitgave maar toch met veel en in ieder geval de meest essentiële informatie. Een paar jaar geleden is door een adviesbureau archeologisch onderzoek gedaan naar de resten van het vroegere heerschapshuis waarbij men dacht dat deze zou liggen op een verhoging in een omgracht weiland achter het herenhuis. Op één meter 30 diepte vond men weliswaar puin, maar dat moet van iets anders zijn.. Want…toen medeauteur Lucia Albers die na de pauze over de tuinarchitectuur zal spreken nog eens een oude kaart van Balthasar Floriszoon van Berkenrode in het raadhuis bestudeerde bleek dat op de plaats van het huidige huis niet enkel het zogeheten heerschapshuis, maar eerder ook de boerderij heeft gelegen. Dat geld voor een oudheidkundig bodemonderzoek had de opdrachtgever zich dus kunnen besparen. Ipenrode betekent letterlijk het rooien van iepen wat voorafgaand aan de bouw in 1730 zou zijn gebeurd. Zoals eeuwen eerder het kappen van berken: Berkenrode.Nog tamelijk recent is in 1989 het appartementencomplex Résidence Beukenrode aangelegd, maar daarvoor hebben toeval of niet een aantal ongeveer 1,5 eeuw oude statige beuken langs de oprijlaan naar Ipenrode het loodje gelegd.

Ipenrode is niet openbaar toegankelijk en dat is wellicht de reden dat het voor veel mensen iets mysterieus heeft. De weinige toegankelijkheid, dichte begroeiing van bos en brandnetels vroeger nabij de Leidsevaart. Tijdens de oorlogsjaren liet toenmalig eigenaar B.F. Enschedé kinderen van werknemers bij de gelijknamige drukkerij in de zomer een week kamperen. Jongens apart en meisjes apart. Die hebben allebei hun herinneringen, in de vorm van gedichten en opstellen, op papier gezet en steeds blijkt dat het ’s avonds stikte van de spoken. De 18e eeuwse toegangspoort is bewaard gebleven, in tegenstelling tot de theekoepel die al in 1801 is afgebroken. Uit de 18e eeuw dateren ook het vroegere koetshuis en één van de twee tuinmanswoningen. Tot ongeveer 1740 waren voornamelijk Haarlemmers eigenaar: o.a. lommerdhouders (oorspronkelijk afkomstig uit Lombardije) en een bierbrouwer. Daarna Amsterdamse kooplieden en magistraten, zoals Sautijn, gemeentesecretaris en vervolgens Dedel die behalve bankier/assuradeur ook burgemeester is geweest. Het landgoed is bijna 1,5 eeuw in Amsterdams familiebezit geweest tot Hendrik van Wickevoort Crommelin het landgoed aankocht. In de vorige eeuw is het 60 jaar in bezit geweest van het gelddrukkersgeslacht Enschede. In 1956 brak een felle brand uit bij de huisbewaarder op de zolderverdieping en het is aan de Heemsteedse brandweer te danken – die in 5 minuten en 58 seconden ter plaatse was – dat niet het gehele gebouw tot de grond toe afbrandde. Een aangebrachte gedenksteen herinnert aan het herstel. Na 1969 is – gelukkig voorbijgaand – de ellende begonnen met notoire projectontwikkelaars waaronder Beerents (1977) – een naam die iedereen in de krakersscene kent, al was het maar vanwege de ‘grote Keyser’ in Amsterdam. Hij wilde op het terrein 76 serviceflats bouwen doch dat convenieerde niet het een jaar eerder aangenomen bestemmingsplan ‘Natuurgebieden’. Ondanks mogelijk ook alle goede bedoelingen hij ging failliet, dat gold ook voor de Tilburgse Hypotheekbank en notaris Slis-Stroom die bij al die papieren geldstromen betrokken was belandde bij in de bajes. Na nog een intermezzo met iemand die Ipenrode voor 8 ton kocht en een paar dagen later het complex Babylon in Den Haag voor 102 miljoen en vervolgens in Vogelenzang is opgenomen is het allemaal toch weer goed gekomen. Nu is Ipenrode zoals het eens was een oase van rust voor flora en fauna.  Eerst met notaris Koning uit Amstelveen en sinds 1989 met de huidige eigenaar P.H.van de Bos, die zoals een ander postzegels of stropdassen, landgoederen verzamelt. Waterland in Velsen, beheerd door een dochter, is er in 1998 bij gekomen. Daar is een filmband van die desgewenst in de pauze kunt bekijken.

Nu over tot de uitreiking… H van Baert van Sminia door familiebanden een kwart eeuw op Ipenrode gewoond. U woont nog altijd in Heemstede, nu wat hoger met een uitzicht op het oostelijk deel van de gemeente. U was en bent een groot paardenliefhebber en die liepen en lopen nog altijd rond Ipenrode. Er komt ook een paardenstal en er is zelfs een stal van arabische volbloeds met de naam Waterland-Ipenrode.

J.W.Enschedé. U heeft pas afscheid genomen van het Museum Enschedé en daarmee ook van de firma waarmee uw familie zo lang verbonden is (en gelukkig nog met de naamgeving).

Aan het eind van de oorlog was met ouders ingekwartierd op Ipenrode en bewaard daar goede herinneringen aan.

3e. Mevrouw van den Bos-Logmans, voorzitter van de Stichting Ipenrode en ook hoofdbewoonster. Voor buitenstaanders lijkt het alleen maar leuk zo’n buiten te bewonen, maar men weet vaak niet dat naast de vreugden van Haarlems klokkenspel en boomvalken er ook zorgen zijn bij wat er allemaal bij het beheer komt kijken. Uit eigenbervari8ng weet ik dat u altijd een geweldige gastvrouw bent. Dat is helemaal in de traditie van, om maar eens iemand te noemen uit omstreeks 1845 jonkvrouwe Calkoen, die Nicolaas Beets en Isaac da Costa ontving, op Ipenrode eigengekweekte druiven gaf en door een gedicht een bescheiden plaatsje kreeg in de literatuurgeschiedenis.

BIJLAGeE4  IPENRODE IN BEELD EN LITERUUR; door Hans Krol

De naam Ipenrode is gegeven door de Haarlemse magistraat mr. François Aernout Druyvestein, die het landgoed ‘Voorkoekoek’ in 1728 erfde van zijn moeder. Ter vervanging van het ‘heerschapshuis’ liet hij een nieuw huis bouwen. Daarop werd zoals gebruikelijk in die tijd een bronzen klok met inscriptie aangebracht Soli Deo Gloria Anno 1733. Deze klok ging ongeveer een kwarteeuw geleden tijdens een periode van verloedering helaas verloren.

Afbeeldingen

De Haarlemse kunstschilder Frans Decker (1684-1751) vervaardigde een staatsieportret in olieverf van mr. Druyvestein, dat niet is gedateerd. De jurist is uitgedost in het ambtsgewaad, een rode mantel. Van 1726 tot 1727 was hij Commissaris van de Kleine Bank, voorloper van het kantongerecht. Rechts van hem is een (groot) huis op de achtergrond afgebeeld. C.W.D.Vrijland (1) meent dat ‘Ipenrode’ is afgebeeld, welke hofstede in 1716 met het geld uit de erfenis van zijn vader door zijn hertrouwde moeder Maria Dicx mede voor zijn stiefvader de magistraat mr.Abraham Guldewagen (1667-1728) was aangekocht voor ƒ 20.900,-. Omdat het tegenwoordige herenhuis van ‘Ipenrode’ pas na 1729 is gebouwd heeft men verondersteld dat het buitenhuis later op het schilderij werd aangebracht. Gelet op de gelaatstrekken is het heel wel mogelijk dat dit portret op latere leeftijd is vervaardigd. In 1738, meer dan een jaar na zijn intrede in de Haarlemse vroedschap, verkocht Druyvestein (1703-1748) het landgoed aan de Amsterdamse walvisreder Abraham Tarelink voor ƒ 28.000,-. Het doek is nog altijd in familiebezit. De Haarlemse kunstenaar Cornelis van Noorde (1731-1795) heeft een groot aantal tekeningen van taferelen in Zuid-Kennemerland getekend, ten dele ook gegraveerd. Voor een plaatboek ‘Aangenaame Gezichten in de vermakelijke landsdouwen van Haarlem’ (1761-1763 met Hendrik Spilman). In het ‘tweede’ schetsboek (2) zijn twee tekeningen van C.van Noorde niet gedateerd, te weten: ‘Kraantje Lek’ en ‘Ipenrode aan de Herenweg’. Laatstgenoemde schets geeft een beeld van de Herenweg gezien naar het Zuiden, richting Bennebroek. Rechts zien we de theekoepel en wat verderop het nog bestaande gietijzeren inrijhek met twee hardstenen pijlers waarop een vaas. De datering is tussen 1761 en 1765. De pentekening bevindt zich tegenwoordig in de Archiefdienst voor Kennemerland (03608K) te Haarlem. De koepel is aan het eind van 1801 afgebroken, de toegangspoort staat er nog altijd in volle glorie. Dat Ipenrode (Voorkoekoek) ontbreekt in de plaatwerken ‘Hollands Tempe verheerlykt’ (Abraham Rademaker) – 1728 – en ‘Zegenpralent Kennemerlant’(Hendrik de Leth) – circa 1730 – is niet zo verwonderlijk omdat deze uitgaven enkele jaren eerder verschenen voor de bouw van het herenhuis in opdracht van bouwheer F.A.Druyvestein. Omstreeks 1840 is een tekening van Ipenrode vervaardigd door lithograaf P.J.Lutgers (1808-1874) voor zijn prentwerk over de omgeving van Haarlem Gezigten in de omstreken van Haarlem naar de natuur geteekend en op steen gebragt. In 19 afleveringen uitgegeven tussen 1837 en 1844. Als toelichtende tekst schreef Jacob van Lennep slechts: “De Hofstede Ipenrode, tusschen de Haagschen weg en de Leijdsche trekvaart gelegen, behoort aan Vrouwe S.van de Poll, Douairière Calkoen”. Het huis is op een verhoging gelegen en romantisch gestoffeerd, o.a. met paarden en koeien die hier ook vandaag de dag nog grazen. In 1909 zijn regelmatig op de voorpagina van het Zondagsblad der ‘Oprechte Haarlemsche Courant’ houtgravures opgenomen, gesigneerd door drukker “Joh.E. Zn”. De achterzijde met de na 1760 onder Abraham Dedel gerealiseerde vijfkantige aanbouw is te vinden in de editie van maandag 19 juli 1909, no.29, als bijvoegsel van de Stads-editie. Twee jaar eerder was Johannes Enschedé eigenaar geworden van het huis met park. Op het vooromslag van een overdruk van het artikel van mevrouw Sterck-Proot over Ipenrode in het Jaarboek Haerlem 1943 is een tekening met monogram JW opgenomen, voorstellende de poort en oprijlaan. De Vereniging Oud-Heemstede-Bennebroek gaf in 1977 als jaarpremie een serie van zes historische prenten uit, inclusief een reproductie van Ipenrode door P.J.Lutgers. In 1979 vervaardigde de heer Piet Kapsenberg een tekening van het (achter)aanzicht met fraaie Lodewijk XV ornamentiek van Ipenrode, gepubliceerd in Nieuwsbrief VOHB 27, mei 1981. Deze voorstelling is met zeven andere Heemsteedse en Bennebroekse taferelen als ansichtkaart uitgegeven door de VOHB in 1983. Een jaar eerder gaf Henk Jagtenberg Plastics in Alphen (Gld) een kalender uit. Bij de maand januari is de buitenplaats Ipenrode in kleurige wintertooi afgedrukt. Voorts onder december een winterlandschap van de Reek bij Bennebroek. In 1991 verscheen van A.M.Hulkenberg (tekst) en Chr.Schut (illustraties) het boekwerk ‘Gezichten in Zuid-Kennemerland’. De Utrechtse topografische tekenaar Chris Schut schetste een vooraanzicht van het herenhuis. Zij het beknopt is Ipenrode (met een verwijzing naar de familie Enschedé) te zien op de jubileumvideoband ‘Wandeling door Heemstede en Bennebroek’, een VOHB-uitgave uit 1997. Het lijkt zeer wel mogelijk dat Ipenrode nog door andere amateur-kunstenaars is afgebeeld, bekend is mij enkel een aquarel door oud VOHB-voorzitter G.J.Schuitemaker. Omstreeks 1990 zijn onder leiding van de kunstschilder Henk Mellink teken-en aquarellerlessen gehouden in de openlucht op het landgoed Ipenrode Op het Internet ten slotte zijn fotografische ‘Streetsides’ op 21 april 2000 gescand door fotograaf J.A.(Hans) Post. Als nummer 10 van 11 foto’s zien we de entree van de buitenplaats Ipenrode. Zie: www.home.zonnet.nl/post340/gallery2.html Van de bewoners van Ipenrode van vòòr omstreeks 1850 zijn behalve van F.A.Druyvestein portretten bekend van Catharina Jacoba L.Geelvinck en haar broer Nicolaas Geelvinck (schilderij door Arnold Boonen, 1716), Abraham Dedel (door Jean Humbert), een silhouetje van Jan van de Poll en portretschilderijen van dezelfde jonkheer mr.A.van de Pol en (in Canada) zijn echtgenote Anna Catharina Valckenier In de tuin van het tegenwoordige zijn behalve een stenen poort, een vaas en 2 van elders afkomstige sfinxen geplaatst. Voorts vindt men in de tuin enige moderne beelden van Guusje Hamelynck (‘de danseres’) en Antoinette van Deijl (‘Overpeinzing’). Ook uit het Afrikaanse land Zimbawe zijn twee buitensculpures overgebracht, namelijk ‘rustende krijger’ en ‘een vrouw die naar iets luistert’.

 De “soeticheydt des buytenlevens”; een Heemsteeds Arkadia

Minder dan nabijgelegen buitenplaatsen als Meer en Berg, Berkenrode, te Manpad en de Hartekamp komen we Ipenrode tegen in geschriften van letterkundigen. In de achttiende eeuw al helemaal niet. Adriaan Loosjes noemt in zijn ‘Hollands Arkadia (…)’(1804) Ipenrode enkel in de lijst der hofsteden met Jan van de Poll als eigenaar. Sinds 1799 verbleef hij gedurende de zomermaanden op het buiten te verblijven met zijn echtgenote Anna Catharina Valckenier, afkomstig van de hofstede ‘Oostende’ in Hillegom. Uit deze echtverbintenis zijn uiteindelijk acht kinderen geboren. De oudste dochter Sara Johanna zou later Ipenrode erven, haar jongere zuster Anna Catharina trouwde met de eigenaar van het nabijgelegen Huis te Manpad de classicus-dichter David Jacob van Lennep. De literair begaafde zoon uit een eerder huwelijk Jacob van Lennep schreef in de levensbeschrijving van zijn grootvader en vader (3): “Op de Hofstede Ipenrode, de eerste, welke men, van ’t Manpad naar Haarlem gaande aan zijn linkerhand ontmoet, woonde des zomers Mr.Jan van de Poll, Lid van gedeputeerde Staten en verre neef van de Weduwe van Cornelis van Lennep. Uit ’s mans huwelijk met Anna Catharina Valckenier, waren twee zoons en drie dochters geboren. Twee dezer laatste waren getrouwd, de oudste reeds weduwe: de jongste der drie, Anna Catharina, die nu 28 jaren telde, was nog vrij. D.J.v.L. vond behagen in haar uiterlijk voorkomen en opgeruimden aart, en hy was genoeg in de gelegenheid om zich te verzekeren, dat haar innerlijke hoedanigheden ook voldoende waarborgen opleverden voor zijn geluk: en zy van haren kant kende sedert lang haar buurman, het Manpad en al wat daarmede in betrekking stond”. Haar het hof makend in het najaar van 1818 trouwde hij een jaar later. Het werd een gelukkig huwelijk en bij het zilveren huwelijksfeest in op 28 april 1844 schreef de dichter een hartelijk gedicht en organiseerde hij een groots familiebanket op het Huis te Manpad. In een speciaal voor deze gelegenheid verschenen herdenkingsuitgave moest de toenmalige bewoonster van Ipenrode verstek laten gaan. Na een opgave van alle aanwezigen vermeldde David Jacob van Lennep: “Om bijzondere omstandigheden waren afwezig de beide Zusters der Bruid, Vrouwe Sara Johanna van de Poll, Douairière Calkoen en Vrouwe Magdalena Antonia van de Poll, Douairière Ram. Van de eerstgenoemde, die wegens de ongesteldheid harer dochter, niet bij het feestmaal konde aanwezig zijn, ontvingen Bruidegom en Bruid des ochtends een bezoek”.

Onder meer uit het Dagboek (1833-1838) van Nicolaas Beets weten we dat hij met koets of te voet reisde van zijn ouderlijk huis in Haarlem naar Academiestad Leiden vice versa. Aan de Haarlemmerhout is het hoofdstuk over een onaangenaam mens (= Nurks) gewijd. Heemstede en de Glip worden daarin één keer genoemd. Verder de vermaarde herberg ‘de Geleerde Man’ in zijn dagboek (evenals Posthuis Berkenrode) alsmede in het verhaal ‘De huurkoetsier’. Verondersteld wordt dat ‘Ipenrode’ model gestaan heeft voor het buiten in het verhaal ‘’s Winters Buiten’ (1840) in de Camera Obscura (4): Ook de vijver komt daarin ter sprake: “Ik veronderstel dat gij zelf bezitter zijt van een of ander landhuis nabij een klein dorp; daar zult gij ook een ijsvreugd zien en indien gij van kinderen houdt, zal zij u verrukken: De volwassenen versmaden dezen geringen plaats; maar hier hebben wij den kleinen dikken Wulbert met de mooie ogen, die zijn schaatsjes loopt halen, zoodra hij hoort ‘dat de jonge heeren er op mogen’, en zijn nog kleiner broertje meebrengt, dat voor het allereerst begint te scharrelen. Alras verzamelt zich uit alle woningen een aardig troepje van boertjes en boerinnetjes, die elkander allen bij den naam noemen en zeer familiair zijn met de jonge heertjes en jonge juffrouwtjes van de Buitens die hunne schaatsen binnenskamers hebben aangehouden met groot rumoer, en die met hunne bouffantes en even roode wangen zich in den stoet komen mengen “.

In de tijd van Nicolaas Beets (1840-1854) en David Jacob van Lennep (overleden in 1853) was Heemstede een pleisterplaats van Nederlandse geleerden en dichters, ook vanwege het permanente verblijf van de achtenswaardige publicist H.J.Koenen op de Gliphoeve. Da Costa verbleef hier in 1843 (‘ter versterking van zijn gestel”) en 1847 in pension ‘Ruimzicht’, W.J.de Clercq in ‘Gliplust’, en ook de dichters Hasebroek, Bernard ter Haar en anderen kwamen bij Beets of Van Lennep op bezoek.

Nicolaas Beets (5) introduceerde Isaäc da Costa bij zijn tweede bezoek aan Heemstede in 1847 (6) bij de eigenaresse van Ipenrode, alwaar deze is getrakteerd op vermoedelijk op de buitenplaats gekweekte druiven. De gemeenschappelijke godsdienstige overtuiging van de bewoonsters van zowel Ipenrode als Meer en Bosch leidde tot een zekere verbondenheid. Op zijn beurt maakte Da Costa een poëtisch, duidelijk op de bijbel geïnspireerd, tegengeschenk:

Aan Mevrouw de Douairière

Calkoen, Geb. Van de Poll,

In antwoord op een geschenk van vruchten.

 Neen! Den druif van Ipenrode streeft geen moerbei van het Y

Noch de heuschheid harer Vrouwe Ruimzichts zwakker zucht op zy.

Maar geen kampstrijd, zelfs van heuschheid, werd van weêrzij ook bedoeld.

Slechts by ’t uiten van een vriendschap, vast gegrond en diep gevoeld,

t’ zaam genieten van den rijkdom van eens Scheppers heerlijkheid,

t’ zaam verheffen van de liefde van een heiland neêrgeleid

in ’t omhulsel van den wijngaard, van den wijnstok, van den wijn,

die van hooge heilgeheimen teedre zinnebeelden zijn.

In het Koenenarchief (UB-Amsterdam) bevinden zich brieven van mevrouw S.J.van de Poll-Calkoen uit de periode 1835-1858 alsmede van dochter Anna Catharina van Boetzelaer-Calkoen, de latere eigenares van Ipenrode. In de tijd van de Enschedé’s tussen 1907 en 1969 zijn talrijke ‘literaire’ gasten ontvangen, onder wie de dichter P.C.Boutens en prozaschrijver Lodewijk van Deyssel, schuilnaam van K.J.L.Alberdingk Thijm. Boutens kende hij als docent van de kostschool Noorthey bij Voorschoten en bleef een levenslange vriend. (7). Publicist Antoon den Doolder (8) schreef vanuit het huis de volgende brief aan de ‘Tachtiger’: Hooggeachte Heer Van Deyssel, Op het oude buiten, ‘Ipenrode’, dat door grote majestueuze beuken en eiken ligt omgeven, zat ik voor het open haardvuur met uwen vriend Mr.Johannes en tuurde de voolijke vonkjes na, die als vlinders om elkaar heen dansten. Wij spraken over U en over deze uitgave, deze uitgave welke voor Uw feestdag diende te verschijnen. Ik heb geantwoord dat het mogelijk was, omdat ik ten volle bewust van mijn groote vereering voor U, mij met hart en ziel zou wijden aan den inhoud. Et zijn niet alleen mijn woorden geweest, het waren die van al Uw vrienden, van allen die onze taal minnen, van allen die het proza liefhebben, waarvoor Gij zelve tegenover de geheele wereld Uw liefde toont. Met mijn oprechte gevoelens van hoogachting de Uwe w.g. Anton den Doolder.

In Van Deyssels’’Gedenkschriften’ (9) zijn op 21 april 1938 herinneringen aan Ipenrode en Johannes (VI) Enschedé naar aanleiding van diens overlijden op schrift gesteld. Men nam eerst afscheid van de dode in de bibliotheekkamer van Ipenrode “waar ik zoo een groot aantal uren met hem heb vertoefd. In deze zelfde kamer hebben wij al die onvergetelijke avondgesprekken gevoerd, onvergetelijk niet door diepte of lichtrijkheid der bereikte wijsgeerige, zielkundige, geestdriftige of in levens-schildering sterke geesteswerkingen, die in de woorden werden vernomen (…)”. Over Ipenrode schrijft hij: “Het huis van Jan Enschedé was een mooi huis. Huizen zijn namelijk, in hun geheel – met de meubels en verderen inhoud dus, en met de omgeving buiten ze en haar vergezichten – minder of meer, en zus of zoo, mooi op ándere wijze als door eenig architectuur-kunst-schoon te vertoonen. Architectonisch gezien, is Ipenrode goed, normaal, fatsoenlijk, degelijk, gezond; maar heeft niet eenige speciaal uitkomende bouwkunst-schoonheid. Maar het is als smaak, voorkeur en begrip uitdrukkende woning mooi, zeer Hóllandsch mooi, omdat het van buiten geheel uit grauwe effen vlakten bestaat, terwijl het dan van binnen – behalve de kamerruimten – nagenoeg geheel met wit marmer bekleed is. Van buiten niets bizonders of het oog treffend te laten zien en van binnen van een edelen rijkdom, dat is Hollandsch (…)”. Van Deyssel maakt de lezer deel van een op Ipenrode behouden conférence van het door de Haarlemse predikant Krafft van de Waalse Kerk gestichte gezelschap ‘Amitiés Hollando Suisses’, met als leden onder anderen de commissaris van de koningin van Noord-Holland Röell, de toenmalige minister van buitenlandse Zaken Van Karnebeek en de romanschrijver Johan de Meester.

In 1944 verscheen een zeldzaam boekje ‘Ons Kampboek Ipenrode 1944’, samengesteld onder redactie van mej. M.Paape. Aanleiding was het vakantiekamperen van Johez-meisjes en     -jongens (kinderen van drukkerijwerknemers) enkele dagen in zomer, waarbij op de hooizolder sliep en ruimschoots van het park en een roeiboot gebruik maakte. Het verscheen als verjaardagsgeschenk voor gastheer B.F.Enschedé op 19 augustus 1944, toen hij 51 jaar werd. In deze uitgave zijn 17 prozastukjes en 5 gedichten opgenomen. Een beetje centraal staat de ‘geheimzinnigheid’ van Ipenrode, die volgens sommigen is gelegen in de weinige toegankelijkheid, de dichte begroeiing en het bos van brandnetels nabij de Leidsevaart. Verscheidene keren komen ‘geesten’ en ‘spoken’ op het eiland en in het bos ter sprake, zoals in een ode van zekere Josefien:

En ‘Ipenrode’ had een spook;

Dat bracht mij helemaal van de kook.

Ik gilde van belang,

Want ik was voor dat spook zo bang.

Hetzelfde jaar verscheen een tweede (nog zeldzamer) ‘Ons Kampboek’ van het jongenskamp, samengesteld onder redactie van Anne Sietses en typografisch verzorg door één van de deelnemers Theo de Wal. Het bevat een voorwoord en 17 korte bijdragen. Geschreven wordt dat het kamp plaatshad “in de onmiddellijke omgeving van de Mauer-Muur”. Iemand schrijft dat je in het park van Ipenrode niet merkt dat je zo dicht bij de stad zit. Wat ook voor de meisjes gold: er werden kampliedjes gezongen, men deed aan volksdansen, spelletjes, roeien in de vijver. Na een hooidoop geschiedde installatie als Ipenrode-kamper. Uit 1975 is in ‘Een wandeling langs de Buitenplaatsen van Heemstede in de voorzomer van het jaar 1847’ door C.Peper ook een denkbeeldig bezoek gebracht aan de adellijke weduwe Sara Johanna Calkoen-van de Poll op haar buiten Ipenrode. Amateur-historicus wijlen Albert Suerink, die zich als weinig andere inwoners van Heemstede in de jaren zeventig voor het behoud van Ipenrode pleitte, schreef: ‘Het mysterie van Ipenrode’. Een openluchtspel over het heden en verleden van de hofstede, vervaardigd ter gelegenheid van het 375-jarig bestaan. Het stuk met als decor het voorhuis van Ipenrode is nimmer opgevoerd. Met een nieuwe heer sinds 1989, die de buitenplaats voor de toekomst wil veiligstellen, is het afwachten in hoeverre de intussen vier eeuwen oude buitenplaats Ipenrode, voorheen Voorkoekoek, in de toekomst in beeld en/of geschrift anderen zal inspireren.

Noten

(1) Zie: mr.C.W.D.Vrijland, Gerecht in klein bestek; het kantongerecht te Haarlem en zijn voorgangers. Haarlem, 1974, pagina’s 12-15.

(2) Bert Sliggers, Het ‘tweede’ schetsboek van Cornelis van Noorde 1761-176. In: Hart voor Haarlem; liber amicorum voor Jaap Temminck. 1996, pagina’s 185-191.

(3) J.van Lennep, Het leven van mr.D.J.van Lennep 1774-1853. Tweede deel. Amsterdam, 1862. Twaalfde hoofdstuk. Tweede huwelijk van D.J.van Lennep, pagina’s 171-298.

(4) A.M.Hulkenberg en Chr.Schut, Gezichten in Zuid-Kennemerland. Alphen aan den Rijn, Canaletto, 1991, pagina 56.

(5) De predikant Beets, zich noemende ‘herder’, was een vaste bezoeker van de bewoners der buitenplaatsen, zoals de Gliphoeve (H.J.Koenen), Boekenrode (mr.J.Messchert van Vollenhoven), Manpad , Meerenberg (families Van Lennep), Oud-Berkenroede (Izaak Hodshon), Meer en Bosch (jhr.mr.E.van Weede, ov.1844), en Ipenrode (weduwe van J.van de Poll).

(6) In hetzelfde jaar verscheen ook een vers, gewijd aan de bewoonster van Meer en Bosch, de Douairière Van Weede van Dijkveld, naar aanleiding van een bezoek en de schenking van rozen.

(7) Noorthey, opgericht in 1820, had als opleidingsinstituut een goede naam. De dichter-predikant (1814-1885), en oud-leerling J.P.Hasebroek schreef hierover in 1845 “men is noortheysch opgesnoeid en opgewassen: hoe zou men zich ómscheppen? Hoofd en hart neigen zich naar het gesticht der ontwikkeling, gelijk de plant haar bloemstengel naar den oorsprong des lichts wendt”. De firma Johannes Enschedé en Zonen drukte in 1920 een fraai gedenkboek Noorthey bij gelegenheid van het eeuwfeest. Oud-leerling Charles Enschedé verzorgde de inleiding. Enkel leerlingen uit de hoogste maatschappelijke klasse bevolkten het internaat, waaronder talrijke jonkheren en baronnen. Met namen als Borski, Boreel, Van Tuyl van Serooskerken, Van Merlen, Van Tets, Quarles van Ufford, Six,Van Limburg Stirum, Willink e.d.

(8) Antoon den Doolder, Lodewijk van Deyssel. 1934, pagina’s 70-71.

(9) Lodewijk van Deyssel, Gedenkschriften; voor de eerste maal volledig naar het handschrift uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Harry G.M.Prick. Zwolle, Tjeenk Willink, 1962. Voor Ipenrode, zie deel 2, pagina’s 820-824.

BIJLAGE 5 DE ONTWIKKELING VAN HET LANDGOED IPENRODE

Lucia H. Albers en Piet W.A.Broeders

Inleiding

 De naam Ipenrode wordt voor het eerst aangetroffen in de verkoopakte uit 1738. Toen verkocht Francois Druyvestein het landgoed aan Abraham van Tarelink. In tien jaar tijd had Druyvestein en zijn vrouw van de hofstede Voorkoekoek een belangrijke buitenplaats gemaakt. Hij verkocht “een hoffstede, stallinge, tuynmanswooningh, waetermoolen met alle het verdere getimmerte en beplantinge op de Hoffstede en Landerijen, groot intgeheel omtrend 34 morgen 556 Roeden” voor 28 duizend gulden. Voor de nieuwe buitenplaats was een nieuwe naam nodig en de nabijgelegen middeleeuwse heerlijkheid Berkenrode had voldoende status om na te volgen. Iepenbomen werden er gerooid voor de aanleg van de nieuwe tuin en zo ontstond “Ipenrode”. Hoge hagen stonden er in die tuin, die vanaf “scheerbanken” geknipt moesten worden. Beelden, vazen en potten op mooi bewerkte voetstukken (piedestallen) stonden ook in de tuin. Afbeeldingen van deze tuin zijn helaas niet bekend. Toen de landschapstuin in de mode kwam, waren Abraham Dedel en Anna Jacoba Geelvinck de eigenaren die vermoedelijk de vijver met eiland achter het huis lieten aanleggen, in combinatie met de slingerende lanen. Zij kochten veel grond en konden daarmee dus nieuwe plannen verwezenlijken. Na 1907 vinden weer vele veranderingen plaats aan huis en tuin voor de familie Enschedé, die tot 1969 het huis bewoonden. Daarna brak een roerige tijd aan van grove verwaarlozing, zoals beschreven in de inleiding van de heer Van den Bos. Om het landgoed te kunnen restaureren, werd onderzoek verricht in het terrein en in archieven. Beginpunt was het artikel over “De Buitenplaats Ipenrode” dat J.M. Sterck-Proot in 1943 publiceerde in het Haerlem Jaerboek. Het archiefwerk neergelegd in het rapport “Het landgoed Ipenrode te Heemstede, archief- en literatuuronderzoek” Albers Adviezen Utrecht 2001, vormt de basis van onderstaand artikel. Daarin worden alle verwijzingen gevonden die hier niet vermeld staan. Het opnieuw bezien van alle gegevens, heeft geleid tot nieuwe inzichten omtrent de plaats van het eerste huis en de inrichting van het landschapspark voor en na 1800.

Oudste geschiedenis – Voorkoekoek

In het archief van de familie Enschedé bevindt zich een blikken trommel met perkamenten archiefstukken met zegels. Daarin zat ook een kaartje dat eigenlijk weinig zegt over Ipenrode, maar het is wel het oudste kaartje en dateert uit 1563. De landmeter Pieter Coenens heeft een stuk grond gemeten van 28 hont, 52 roeden en 3 voet, gelijk aan ongeveer 4 hectare. Waar dit stuk grond lag is onbekend, maar aangezien het kaartje werd gevonden in de trommel met archiefstukken van Ipenrode, zal het er wel mee te maken hebben. Het gebied tussen de Herenweg en ‘des heren Wildernis’ was een venige strandvlakte tussen de oude duinen met de Herenweg aan de oostkant en de jonge duinen van de Wildernis. De jonge duinen waren pas in de middeleeuwen door het stuivende zeezand ontstaan, terwijl de oude duinen al 3000 jaar voor Christus waren afgezet. Daarop lag Heemstede en Haarlem. In de vlakte tussen de duinen liep de Aerdenhoutsevaart, die in 1657 werd vergraven tot de Leidse Trekvaart. Aan weerszijden van de Aerdenhoutse vaart lagen dus de Voorkoekoek en de Achterkoekoek. De Achterkoekoek ten westen van de vaart vindt men nog terug in de naam Koekoeksduin. De Voorkoekoek was het begin van het huidige Ipenrode. Op de kaart van de heerlijkheid Heemstede door Balthasar Floris van Berckenrode van 1643 staat de boerderij vrij nauwkeurig opgetekend. Het lange huis had een dwarshuis. Verder stonden er twee hooibergen en een stal op het erf. Een moestuin was in vier vakken gedeeld. Daaromheen lagen sloten. Een restant van de vroegere sloot langs de zuidkant van het erf vindt men waarschijnlijk nog terug in het stukje sloot dat vanuit de gracht de tuin in komt. Men kwam er via dezelfde oprijlaan als nog steeds aanwezig is. Het is dus zeer waarschijnlijk dat deze boerderij lag op de plek van het huidige huis. Geen wonder dat het archeologisch onderzoek in het omgrachte weiland niet het verwachtte resultaat, nl de boerderij Voorkoekoek, opleverde. Dit weiland werd waarschijnlijk pas omgracht in de 18de eeuw, toen het als moestuin en boomgaard in gebruik werd genomen. Het is ook te groot voor een omgracht erf. In 1641 verwerft Cornelis van der Wiele, poorter van de stad Haarlem en bierbrouwer van beroep, een huis, erf, boomgaarden en bijbehorende gronden, groot 5 morgen, 1,5 hont. 1 morgen is 0,85 ha. Zijn stuk grond was dus niet veel meer dan de bovenstaande 4 hectare van het kaartje. Van der Wiele had het huis met bijbehorende grond gekocht van Maximiliaan Laignier, een lommerdhouder, bij wie men bij gebrek aan geld zijn goederen in onderpand kon geven. In 1644 kocht hij er drie percelen wei- of hooiland bij, groot 6 morgen en 517 roeden volgens de kaart van de bekende landmeter Pieter Wils. De kaart zit helaas niet bij het stuk. De weilanden lagen tussen “de grote heemsteder heerewech” en de Aerdenhouts vaert; zij waren eigendom geweest van de Heer Floris van Alckemade, heer van Berckenrode etc. De dochter van Laignier, getrouwd met Cornelis Ormea, kon de grond waar zij opgroeide niet vergeten, want in 1652 kocht Ormea de Voorkoekoek. De brug over de vaart moest volgens de verkoopakte worden afgebroken: “de vercopers ende den coper sullen doen afbreecken de brugge leggende over de aerdenhouts vaert daer mede men van dese woninge plach te gaen op de hofstede genaempt den achterkoeckoeck.” Mogelijk was die afbraak reeds in voorbereiding op de te graven Leidse trekvaart, maar de kaart van de geprojecteerde trekvaart dateert pas uit 1656. Cornelis Ormea breidt op 21 juni 1659 zijn bezit uit met een perceel groot 4 Morgen 400 Roeden dat hij koopt van de erven Van Alckemade. Ook deze grond had dus tot Berkenrode behoord. Hij betaalt daarvoor ƒ 6.000. Bij zijn dood laat Cornelis het goed na aan zijn zoon Scipio Ormea, die gehuwd was met Clara Johanna Kriecx. Hij overleed toen de kinderen nog minderjarig waren Op 8 maart 1688 verkoopt Clara Johanna Kriecx ten behoeve van de drie minderjarige kinderen Ormea voor ƒ 15.000 de Voorkoekoek aan Hendrik Huntum (Hontum), uit een Amsterdams koopmansgeslacht. De oppervlakte bedraagt dan 221/2 Morgen. In de koopacte staat vermeld: “een heerschaps huysinge met de boomgaert en laen mitsgaders een boere wooninge met ontrent twee en twintigh morgen en driehondert roeden soo wey als teellant“. De Ormea’s hebben van de Voorkoekoek een aanzienlijk huis laten maken, de “heerschapshuysinge”. Bovendien is een nieuwe boerderij gebouwd, mogelijk het huis dat later tuinmanswoning wordt genoemd. Ernaast staan heel oude taxusbomen die op een foto in het artikel van Sterck-Proot van 1943 al even oud leken. Ze lijken niet gegroeid te zijn en kunnen 17de of 18de eeuws zijn.   Ook Hendrik Huntum breidde het grondgebied van Voorkoekoek uit. Op 4 november 1702 koopt hij van Otto Hessels 2 Morgen 500 Roeden wei- of hooiland aan de Heerenweg; de prijs bedroeg ƒ 700. In 1714 wordt het huis verhuurd.

Over het grondgebruik en de ligging van percelen uit die tijd handelt een document uit 1716. Daarin staat informatie over het grasgewas van dertien percelen wei- en hooiland dat door de erven Huntum wordt geveild. Uit de geografische aanduidingen blijkt dat de percelen tussen de Leidse vaart en de Herenweg lagen; uit het feit dat bij tien van de dertien percelen het recht van overpad geregeld werd, kan afgeleid worden dat het om aaneengesloten kavels ging. In 1718 wordt de Voorkoekoek gekocht door Maria Dikx. Haar tweede echtgenoot Abraham Guldewagen ruilt in 1727 grond met zijn buurman postmeester Gommarus Duyst, zodat beide meer aangesloten percelen krijgen. De zoon uit het eerste huwelijk met Druyvenstyn erft dus in 1728 een stuk grond dat nog maar kort een geheel was.

Geometrische tuin 1728-1759

Zoon Francois Aernout Druyvenstyn gaat aan het werk op de hofstede die hij van zijn moeder heeft geërfd en maakt er een ware buitenplaats van, wat hij aan zijn stand als raad en schepen van Haarlem en gedeputeerde in de statenvergadering in Den Haag verplicht was. Slechts tien jaar bezaten hij en zijn vrouw Gerligs de buitenplaats. In die tijd maakte hij grachten om zijn nieuwe bezit, rooide iepen en legde lanen aan langs de binnenkanten van de grachten. Hij verbouwde het herenhuis, zette er de nog bestaande gevel voor en liet er een klok op aanbrengen in 1733. Ook de vijfhoekige uitbouw aan het huis is vermoedelijk door hem aangebracht, gezien de gevelversiering die men ca 1730-40 zou kunnen dateren. Sterck-Proot vermoedt echter dat Dedel de bouwer ervan was. De gracht kreeg voor het huis een halfronde uitstulping om het geheel meer cachet te geven en de koetsen te kunnen laten rondrijden. Een koetshuis werd gebouwd en een tuinmanswoning. Een gemetselde brug met een smeedijzeren hek naar het weiland dateert vermoedelijk ook uit die tijd. De koepel langs de Herenweg staat op een kaart van 1761 en een ongedateerde tekening door C. van Noorde. Vreemd genoeg wordt de koepel in geen archiefstuk genoemd, behalve bij de afbraak in 1802. De koepel met geknikt mansardedak heeft een voorkant met drie zijden. De stijl van de koepel past in de eerste helft van de 18de eeuw. Het is dus mogelijk dat de koepel ook door Druyvenstyn werd gebouwd. Het grote smeedijzeren toegangshek met de rococo pijlers lijkt wat later te zijn neergezet, maar waarschijnlijk voor 1761. Ook wordt een watermolen gebouwd. Was er water in de nieuwe gracht nodig of kreeg de tuin fonteinen? Mogelijk stond de watermolen aan de Leidsevaart recht achter het huis, waar op de kadasterkaart een onduidelijk blokje staat. Hier kan ook de aanlegplaats zijn geweest waar men uit de trekschuit stapte. Langs de Leidse vaart lag een beschoeiing van dakpannen die in elkaar gestapeld een soort kademuur maakten. Dat was een gebruikelijke manier om waterkanten te beschermen tegen afkalven. Later werd deze constructie vervangen door een houten beschoeiing, waarvoor in 1757 toestemming werd gegeven aan mevrouw Sautyn-Geelvinck. Dit Amsterdamse echtpaar kwam met hun goederen per trekschuit, wat voor de Haarlemmers Druyvenstyn-Gerlings, niet nodig was. Waarom Druyvenstyn zijn buitenplaats in 1738 verkocht, is niet duidelijk. Zijn vrouw leefde tot 1751, Druyvenstyn zelf overleed in 1748 in Den Haag. Was de afstand Den Haag – Heemstede te groot geworden? In 1738 werd Abraham van Tarelink eigenaar van Ipenrode, 35 morgen groot, voor f 28000. Hij had zijn geld verdiend als Amsterdams reder van schepen in de walvisvaart. Na zes jaar, in 1744 verkocht hij Ipenrode weer voor f2000 minder dan waarvoor het werd aangekocht. Behalve de gebruikelijke formulering “Een Hofstede en Landerijen, Stallinge, Tuynmans Wooningh, watermoole, met al het verder getimmerte en beplantinge op de Hoffstede en Landerijen staande” werd toegevoegd, “mitsgaders alle het Tuynmans gereetschap, hoe genaamt Broey Bakken met de Lessenaars en alle de Ramen, de Scheerbank, het schuytje en de Praam, Wagen, Car alle de Beelden, vasen, Potten en hunne Pedestallen en alle de zitbanken“. Deze formulering wordt nog gebruikt in de overdracht van Dedel aan Jan van de Poll jr. Ook de watermolen bestaat dan nog. In 1818 komt de watermolen niet meer voor op de kadasterkaart en in de kadastrale legger. Zoals gezegd duiden de scheerbank, de beelden, vazen, poten en banken op een tuin vol met tuinornamenten. Had Tarelink de buitenplaats verwaarloosd? Het volgende echtpaar Sautyn-Geelvinck zou ook maar kort plezier hebben van Ipenrode. Mr. Constantin Sautyn (1710-1748) overleed vier jaar na aankoop op 38 jarige leeftijd. Zijn vrouw overleed toen ze 49 jaar oud was in 1759. Door haar broer en erfgenaam Nicolaas Geelvinck werd Ipenrode in 1760 vermaakt aan zijn schoonzoon Abraham Dedel (1732-1798), in 1755 gehuwd met Anna Jacoba Geelvinck (1736-1793). Zij was dus een nicht van de vroegere eigenaresse en was opgegroeid op de buitenplaats Waterland bij Velsen in de zomer.

Grondaankopen

Abraham Dedel en zijn echtgenote Anna Jacoba Geelvinck woonden in Amsterdam, maar kwamen vermoedelijk regelmatig op hun buiten, dat Anna kende uit de tijd dat haar tante er woonde. Er wordt flink uitgebreid aan huis en grondbezit. De vijfkantige uitbouw aan de achtergevel zou volgens Sterck-Proot door hem bij het huis zijn aangebouwd, volgens ons mogelijk reeds door Sautijn. Dedel heeft voortdurend grond geruild en aangekocht. Met de eigenaar van Leiduin, gelegen aan de overkant van de Leidse vaart, ruilt hij kavels zodat ieder de grond aan zijn kant van de vaart verwerft. Ook in 1767 verwerft hij grond van de eigenaresse van het Huis te Manpad, Deborah Elias de weduwe van Dirk van der Meer, schepen en raad van de stad Amsterdam. Veel archiefstukken zijn gevonden in het Rijksarchief te Haarlem en in het archief Enschedé. Maar een onmisbare hulpbron is het beroemde boek van J. Elias, de Vroedschap van Amsterdam 1778-1795, uitgegeven in 2 delen in 1903 en 1905. Uit de trommel van Enschede komen de volgende teksten. Op 25 september 1769 koopt Dedel van Van Loon drie stukken land met elzen en wilgen beplant, tezamen 8 Morgen 198 Roeden en drie stukken weiland tezamen 5 Morgen 7 Roeden voor ƒ 6.100. Daarna koopt hij op 22 november 1777 via Pieter Bucherius Bunel van de erven en descendenten van Maria Magdalena Parmenter 2 kampen land van 2 M. 370 Roeden en eveneens 2 kampen van 5 M. 174 Roeden. Op 29 oktober 1779 doet Dedel andermaal zaken met Van Loon: hij koopt 4 Morgen 514 Roeden, die hij in 1767 in de ruil aan Van Loon heeft gegeven; de prijs bedraagt ƒ 4.500. Deze gronden zijn eerder in bezit geweest van Dirk van der Meer en op 25 september 1769 eigendom geworden van Van Loon. Het “Schuytenhuys” aan de Leidsevaart wordt buiten de verkoop gehouden. (Op 19 juni 1770 was door de burgemeesteren van Haarlem aan Jan van Loon vergunning verleend in de Leidsevaart een schuitenhuis van 36 voet lengte te bouwen.) Ook aan de overzijde van de Herenweg breidt Dedel zijn bezit uit. Op 2 juni 1784 verkopen Arie Schenkeveld en de voogden van zijn minderjarige kinderen aan hem het perceel vanouds ‘Duynmayershuis’, in 1784 ‘Conijnenberg’ geheten, bestaande uit een huis, stal of schuur, erf en tuin. Op dit perceel lag een bewoningsbeding: in het huis mocht onder bepaalde voorwaarden de toenmalige bewoonster, de weduwe Marijtje Heemskerk, blijven wonen. Uit deze koop mag worden afgeleid dat Dedel landschappelijke aspiraties had in verband met Ipenrode. Het idee van een overtuin met de zekerheid van een vrije (schuine) zichtas werd op vele plaatsen toegepast. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij het was die tuin en park liet moderniseren, zoals ook Tromp vermoedt. Op 2 juli 1798 weet Dedel het schuitenhuis in het bezit te krijgen. Dat zal gebeurd zijn bij de veiling van Leyduin.

Landschapspark vanaf 1760

 Het huidige park van Ipenrode vertoont vooral een aanleg in vroege landschapsstijl. Ontwerptekeningen, kaarten of archiefstukken zijn er niet van bekend. De eerste kaart na die van 1634 is de kadasterkaart van circa 1818. Het park bestond uit slingerende lanen met hakhout daartussen. De rechte lanen die er tot dan toe lagen, werden deels slingerend gemaakt. Een nieuwe vijver werd gegraven, met een eiland. De vijver ligt ver achter het huis, waarschijnlijk omdat hij werd aangelegd achter de toen bestaande tuin. Tevens werd de vijver geprojecteerd over de sloot (zie kaart 1643). Op Waterland ligt de vijver ook ver van het huis. (ook verfraaid met twee eilanden waarschijnlijk door J.G. Michael sr voor Archibald Hope, na 1781.) De vorm van de vijver lijkt heel sterk op die van Boekenrode. Daar werd de vijver vermoedelijk ontworpen door de tuinarchitect J.G. Michael na 1789 voor Jan Nicolaas van Eys. Hier lag de vijver wel vlak achter het huis, evenals te Vogelenzang, waar een reeds bestaande ronde waterkom werd uitgebreid tot een landschappelijke vijver, circa1779 voor Jan van Marselis, vermoedelijk weer door Michael. Het lijkt logisch dat eerst een ronde waterkom achterin het bos heeft gelegen, welke later werd vergroot tot een vijver met eiland. Dat gebeurde op veel buitenplaatsen, zoals op het Huis te Vogelenzang en Waterland (beide mogelijk door J.G. Michael.) Op Ipenrode ligt het ronde gedeelte van de vijver echter niet in de as van het huis, ook niet in het centrum van een denkbeeldig bosket. In 18de eeuwse archiefstukken wordt geen melding gemaakt van een vijver. De landschappelijke vijver moet dus wel in een keer gegraven zijn, terwijl een klein eiland werd uitgespaard. Hij kon niet recht achter het huis worden aangelegd zonder het omgrachte weiland aan te tasten en de restanten van de laan die naar de Achterkoekoek leidde. Meest bijzonder van de vijver zijn de twee linden die aan weerszijden staan bij de vernauwing van de vijver. Zij zijn heel dik en reiken tot de grond. Even verderop staat een rijtje linden naast de vijver. De bomen blijken te bestaan uit telkens twee bomen in een plantgat; een beschutte plaats om een bank voor te zetten, hetgeen ook is gebeurd. Bij nader bekijken van de dikke linden aan weerszijden van de vijver blijken ook die elk uit circa vijf stammen te bestaan. Deze plantmethode was in de 18de en 19de eeuw heel gebruikelijk. In het Russisch werd een dergelijke boom(groep) een boomboeket genoemd. Andere mooie voorbeelden ervan vindt men in Groenendaal en een dikke beuk aan de kleine vijver in het Bennebroekerbos. Op de kadasterkaart van 1818 staat een “tuinmanshuis” en “kapel” aangegeven, zo vermeldt de bijbehorende legger. In de woning is nog steeds een raampje dat aan een kapel doet denken. Een dergelijke romantische folly past in een vroeg landschapspark. Men kon er tijdens zijn wandeling langs lopen en denken aan de godvruchtige middeleeuwen. Ook op Beeckestijn, uit de tijd van Jacob Boreel en zijn tuinarchitect Johan Georg Michael is een dergelijke combinatie van tuinmanswoning en kapel gebouwd. Deze staat bij de achteringang van Beeckestijn, op een afgelegen plek, zoals het hoort. Dedel heeft dus een eigentijds landschapspark aangelegd. De omgrachte boomgaard en moestuin pasten in dat park, evenals de kapel, de vijver en de slingerlanen. Vermoedelijk zijn de slingerlanen door Abraham Dedel geplant. De jaarringen zijn geteld van een oude omgezakte eik, die omstreeks 1790 moet zijn geplant. Hoeveel tuinlieden op Ipenrode werkten in de tijd van Dedel kan men vermoeden aan de hand van zijn testament. Daarin wordt f 200 toegekend aan een tuinknecht, twee vaste werklieden en twee jongens, eenmalig voor elk. Of de daar genoemde werkman Jan Franse ook werkzaamheden in de tuin verrichtte, is niet bekend. Hij kreeg f 400,- voor bewezen diensten. Op 2 juli 1798 weet Dedel het schuitenhuis van Leiduin nog in het bezit te krijgen. Dat zal gebeurd zijn bij de veiling van Leyduin. Op 11 december 1798 is hij overleden. Bij de boedelscheiding op 9 april 1799 erft Mr Jan van de Poll de Jonge, de zoon van zuster Anna Maria Dedel, het landgoed dat dan 34 Morgen groot is. “Alle meubelen, porselein, linnen, provisie en wijnen”, die bij het overlijden van Abraham Dedel op de buitenplaats Ipenrode aanwezig waren, had hij al ontvangen. “En nog alle des overleedens geschreeven Boeken en Papieren, als mede alle gedrukte Documenten”, die wegens de verschillende betrekkingen van Dedel in zijn boedel zaten. Daarnaast erft hij de boerderij Eikenbos aan de Manpadslaan en weilanden tot een gezamenlijke grootte van 52 morgen. Voorts aan de overzijde van de Herenweg het Duijnmaaiershuis, zoals het vroeger werd genoemd, in 1799 bekend onder de naam Conijnenberg.

Ipenrode in de 19de eeuw

Twee jaar achtereen worden er veel bomen verkocht op Ipenrode in 1800 en 1801. In 1800 had een beruchte storm gewoed. Op 29 november 1800 werd er een veiling gehouden van “een groote partij extra zwaare Ipe, Eike, Abeele, en Linde boomen; allen bekwaam tot werkhout.” Onder Jan van der Poll werden daarna waarschijnlijk veel nieuwe bomen geplant op Ipenrode, onder andere aanplant van eiken in de slingerlanen. Twee in 1997 omgewaaide linden bleken te dateren van omstreeks 1810. Ook op andere wijze wordt duidelijk dat Van der Poll actief was op zijn pas verworven buitenplaats. In voorbereiding op het komende kap- en plantseizoen verwierf hij en zijn opvolgers van de Vrouwe van Heemstede het recht om de strook bomen en hakhout langs de Herenweg, tussen de weg en de sloot te kappen en weer in te planten. Daarvoor moest hij aan de eigenaar van de Heerlijkheid Heemstede jaarlijks f 12,- komen betalen op 1 januari op het Huis van Heemstede. In dit archiefstuk wordt benadrukt dat de sloot langs de Herenweg moet blijven, in de staat waarin hij zich bevindt. Het stuk werd ondertekend 20 juli 1801. In december werd actie ondernomen, want op 22 december 1801 werd op Ipenrode geveild “een groote Partij Elsen en Essen Hakhout, en een steene Koepel, tot afbraak, kunnende alles gemakkelijk te water en te land worden vervoerd.” De koepel die bij het hek had gestaan en door Van Noorde is getekend, is toen dus afgebroken, vermoedelijk omdat hij niet meer werd gebruikt, ouderwets en bouwvallig was. Op een buitenplaats in landschapsstijl hoorde geen vervallen barokke koepel. De aanleg van het landschapspark dat door Dedel was begonnen, werd waarschijnlijk door Van de Poll verbeterd naar de modernere ruimere landschapsstijl. Achter het huis werd een ovaal bosje aangelegd in het veld, zoals de kadasterkaart van 1815 laat zien. Daardoor werd het zicht vanuit het huis gesplitst in twee zichtassen; de linker bood uitzicht over de vijver, de rechter keek uit over de omgrachte moestuin en boomgaard. Tot 1822 genoot Van de Poll, in 1815 tot Jonkheer verheven, van zijn landgoed. Zijn echtgenote overleed in 1843. Vervolgens ging het naar de dochter en de kleindochter. Een van beide liet een “zomerhuis” bouwen. De achterkleindochter, wonende te Bonn, laat Ipenrode verkopen. Van 1744 tot 1874 is Ipenrode telkens vererft . Via een veiling wordt Ipenrode op 13 oktober 1874 verkocht aan Jhr. H. van Wickevoort Crommelin, die reeds eigenaar is van Berkenrode. De omschrijving in de akte luidt: “De Hofstede genaamd “Ipenrode” met Heeren-Huizing, koetshuis met Paardenstallingen, Tuinmanswoning, afzonderlijk zomerhuis met Loods en verdere Getimmerten, voorts Moestuin, Boomgaard en Broeierij, en eindelijk gronden met opgaand Geboomte en Hakhoutbosschen bezet, Lanen, wandeldreven, aanleg tot vermaak en waterpartijen, alles gelegen onder de Gemeente Heemstede met een oprijlaan, uitkomende aan den Haagschen Straatweg, nabij het eerste tolhek van Haarlem, achter strekkende tot aan de Leidsche vaart.” De totale oppervlakte met wei-en hooilanden staat in de akte aangegeven als “19 bunders, 95 vierkante roeden en 56 ellen.” Was de eigenaar van Berkenrode geïnteresseerd in Ipenrode mede omdat hij een gunstige overeenkomst wilde afsluiten met de Amsterdamse Duinwatermaatschappij? Op 31 mei 1875 wordt een overeenkomst gesloten met de Duinwater Maatschappij te Amsterdam, die zo het recht krijgt een hoofdbuis aan te leggen in percelen aan de zuidzijde. In de periode waarin Van Wickevoort Crommelin eigenaar is, wordt Ipenrode aan een aantal families verhuurd en staat het huis ook tijdelijk leeg.Geen tijd dus voor grote activiteiten in het terrein. Op 24 maart 1891 wordt de nieuwe eigenaar Jhr. H.J. Deutz van Lennep. In het archief van de Rijksdienst voor Monumentenzorg te Zeist bevindt zich de veilingcatalogus met bijbehorende kaart, de “Notitie der Vrijwillige Verkooping van de KAPITALE HEEREN-HOFSTEDE genaamd: “IPENRODE” met Heerenhuizing, koetshuis en stallingen, tuinmanswoning, moestuin, waterpartij en uitstekende bloembollengronden, benevens het vóór de Hofstede gelegene WEILAND [etc.], 20 hectaren, 76 aren, 90 centiaren “.   In deze veilingcatalogus is het huis beschreven, hetgeen in de transportaktes niet gebeurde. “De sterke en goed onderhouden HEERENHUIZING, bevattende marmeren vestibule en gang, 12 meest groote zoo boven als benedenkamers, bijna alle van stookplaatsen voorzien, ruime zolders met diensbodenkamers, sousterrain met ruime keuken, diensboden- mangel- en provisiekamers, kelders en alle verdere gemakken, die tot eene welingerichte Heerenhuizing behooren. Voorts een hecht, sterk en ruim Koetshuis met twee stallingen voor zes paarden, Hooizolder en Koetsierswoning.Verder doelmatig ingerichte Tuinmanswoning en verdere getimmerten, groot 1 hectare, 35 aren, 70 centiaren. Een en ander voorzien van duinwaterleiding.”  In de beschrijvingen van de percelen wordt getracht de belangstelling te trekken van bloembollentelers. Perceel IV wordt als volgt omschreven: “uitmuntende bloembollengrond met tuinmanswoning en bollenschuur, 2 ha. 31 a. 20 ca.”. Aan het einde van de notitie staat vermeld: “...zijnde reeds een gedeelte der gronden gedurende eenige jaren als zoodanig met goed succes in cultuur gebracht.” Buiten de verkoop wordt gehouden: “De in den grond aanwezige bloembollen, groenten, voorts de stellingen in de schuur en het riet, alles in en op perceel numero vier“, dat is het omgrachte stuk grond. Opmerkelijk is wat in Artikel 29 van de koopakte over de berm van de Haagsche Straatweg [de Herenweg] vermeld wordt: deze behoort bij de aanpalende percelen. Er wordt niet gerept over de recognitie-overeenkomst van 1801 die in 1874 in afschrift aan de veilingvoorwaarden was toegevoegd. Ook in de voorlopige koopakte van 1907 wordt er niet over gesproken. Wel is aan deze laatste een niet gedateerde kadastrale tekening toegevoegd waarop als perceel 983 de wegberm staat aangegeven. Dit perceel is kennelijk punt van discussie geweest wat is af te leiden uit de potloodkrabbels aan de onderrand. Er werd ƒ 2,- per m2 berekend; dit bedrag komt ook in potlood voor op het omslag. Deutz van Lennep krijgt via erfenis ‘Meer en Berg’ in zijn bezit, besluit daar te gaan wonen, en verkoopt Ipenrode in 1907.

20ste eeuw

Mr Johannes Enschedé kocht een huis met terras, als nieuw toegevoegd element aan de verkoopakte. Op dit terras liet Enschedé een tuinkamer bouwen door architect J. Wolbers. Tevens wordt een nieuwe entree gebouwd, een hal aan de noordzijde. De stenen stoep en ingangspartij waren afkomstig van een achttiende eeuws huis uit Haarlem. Toch stonden beide wit geschilderde onderdelen als vreemde elementen tegen het bakstenen huis. Inmiddels zijn beide weer afgebroken en alleen het terras is bewaard gebleven. Er bevinden zich in het archief Enschedé drie blauwdrukken van het ontwerp voor een nieuwe tuinmanswoning, gedateerd 2 sept.1908; ook hier was Wolbers de architect. Op de achterzijde van één der blauwdrukken staat: “Teekening behoorende bij het bestek voor de bouw van een tuinmanswoning op het landgoed Ipenrode te Heemstede. W.A. van Amstel heeft voor de som van ƒ 3764,46 de bouw aangenomen 12 sept. 1908“. In diezelfde tijd werd de omgrachting van de moestuin en de noordelijke laan onregelmatig gemaakt en beplant met bijzondere bomen en struiken. Ook heeft er een slingerende kastanjelaan gestaan in het omgrachte weiland. Er zijn hardnekkige geruchten dat de bekende tuinarchitect Leonard Springer zich met die aanleg bemoeid zou hebben, maar daarvoor zijn geen bewijzen gevonden. Na de dood van haar man in 1911 blijft Mevr. H.F. Enschedé-Krantz tot 1921 op Ipenrode wonen. In datzelfde jaar gaat het buiten in eigendom over op haar oudste zoon Mr Joh. Enschedé (Johan VI). In de jaren ’20 brengt de architect A.A. Kok vensters aan in de blinde zuidgevel van het huis, verbouwt de stalling en plaatst beelden op het hek bij het weiland. Bij het overlijden van Joh. Enschedé in 1938 wordt diens broer Boudewijn Franciscus Enschedé eigenaar. Deze treedt in het huwelijk met Liesbeth van Geen. Het huis wordt opgeknapt. Op 26 mei 1956 wordt het huis zwaar beschadigd door brand. Bij de herstelwerkzaamheden komt onder de kap aan de achterzijde een appartement en aan de voorzijde een zolder. De in 1906 aangebouwde hal wordt dan verwijderd. Er wordt een gevelsteen aangebracht met de tekst: “Na de brand in de nacht van 25 op 26 mei 1956 hersteld juli 1957. Enschedé-Van Geen. Bataafsche Aannemingsmaatschappij“. Achter het huis lag het landschapspark, waarvan het grasveld al veel opener was geworden, omdat vele bomen verdwenen waren op een grote beuk en linde na. Aan de zuidkant was een grasveld en een bloemborder met een taxushaagje erachter. Dit haagje is nu uitgegroeid tot een hoge haag, later aangevuld met een gedeelte chamaecyparus. De haag scheidt de voorkant van de achterkant van het park.

Verval

Op 13 juni 1969 verkoopt B.F. Enschedé het huis, waarna het in handen komt van een aantal projectontwikkelaars en bouwcombinaties. “Het buiten werd er niet beter op: rottend fruit in de moestuin, talrijke dode bomen, vervuild water en een [o]vervloed onkruidwoekering duidden er op dat Ipenrode hard op weg was naar zijn ondergang. Diverse particulieren hielpen bovendien een handje mee door mooie struiken weg te halen.” In 1977 gaat Ipenrode in eigendom over naar projectontwikkelaar Beerents. Deze heeft plannen het hoofdgebouw, dat als kantoor dienst doet, te verbouwen en in te delen in een aantal appartementen. Hij wil achter in het park langs de Leidsevaart flats met 76 service-appartementen laten bouwen. In overleg met de Amsterdamse tuinarchitecte Mien Ruys wordt gewerkt aan een tienjarenplan voor het park. In februari 1979 wordt dat plan aan het gemeentebestuur aangeboden. De Gemeente Heemstede heeft voor de plannen van Beerents echter geen gewillig oor. In februari 1979 is er verhoogde activiteit op Ipenrode. Op 1 en 8 februari van dat jaar staan er uitvoerige artikelen in de ‘Heemsteedse Courant’: “Werkzaamheden stopgezet. Eigenaar ‘Ipenrode’ moet aanlegvergunning aanvragen.” Het betrof een weg die in de winter van ’78 op ’79 dwars over het eiland werd aangelegd en door de buurtbewoners werd gezien als eerste aanzet tot de realisering van een bungalowpark. Naar eigen zeggen wil Beerents een elektrisch gemaal en een sloot aanleggen om de wateroverlast in het park tegen te gaan. De schapen mogen op het eiland blijven grazen. Er wordt gedacht aan bomenherplant om de geometrrische opzet te herstellen. Er worden karrenvrachten dood hout uit het park verwijderd. Hij wil zelf in het huis gaan wonen. Bij alle tegenwerking laat hij de plannen voor een appartementencomplex varen. Op 8 februari 1979 kopt het artikel op pagina 3: “De buitenplaats Ipenrode: een ware lusthof.” Daarin wordt ruim geciteerd uit het artikel van Mevrouw Sterck-Proot. En het artikel op pagina 5 van de editie van diezelfde datum heeft als kop: “Eigenaar Beerents: “Bedoeling is er landschapspark van te maken.” Beerents geeft daarin een toelichting op zijn idee van het bewaren van het landgoed door middel van de serviceflats. De bewoners zouden moeten opdraaien voor de kosten van zestien man personeel voor het beheer van het park. Het probleem van de wateroverlast in het park zou aangepakt moeten worden door een ander waterbeheersingssysteem. Wat had moeten gebeuren, namelijk het baggeren van vijvers en sloten en het opruimen van boomstammen in het park werd uitgesteld. In plaats daarvan greep men de enige oude kaart die voorhanden was, de kadastrale kaart van 1818-1832, zonder de bijbehorende verklaring in de legger te raadplegen. Resultaat is dat men een ovaal bosje aanzag voor een vijver, die dan ook alras werd gegraven, een historische vergissing. Aan de noordkant van het huis, bij de keukendeur is een omhaagde tuin aangelegd door tuinarchitect Arend Jan van der Horst. Deze is nu na 20 jaar in uitgegroeide vorm nog aanwezig.

Betere tijden

In 1988 werd het eerste beheersplan geschreven voor het Landgoed Ipenrode door de Stichting Particuliere Historische Buitenplaatsen. Zij hebben in grote mate de ravage die op Ipenrode aanwezig was opgeruimd. De lanen vol bramen en omgewaaide bomen werden weer begaanbaar gemaakt. Delen van lanen werden opnieuw beplant. De vijver is gebaggerd en de sloten worden nu regelmatig schoon gehouden. Ongekapt hakhout dat in de kronen van de oude eiken groeide en ze verstikten, wordt weer gekapt. Toen het grootse opruimwerk was gedaan, werden ook weer nieuwe sierstruiken aangebracht in vakken bij de vijver. De jonge uitloper van een omgezakte linde voor het huis werd tot nieuwe boom opgekweekt. Enkele nieuwe linden werden erbij gezet. In plaats van brandnetels en bramen aan de zuidkant van het huis liet de familie Van den Bos een tuin aanleggen door Montfoort Groenprojekten, 1996. De tuin heeft een orchideeënvallei, een paadje met rozenbogen er overheen, relief beplant met sierplanten en struiken en een oranjerie bij een rond pleintje. Voor het huis worden twee linden bijgeplant in het ritme van de gevel. Er zijn drie perioden die voor Ipenrode van veel belang waren. In 1728 wordt mr F.A. Druyvenstyn eigenaar van de hofstede Ipenrode. Hij laat de voorgevel van het tegenwoordige huis bouwen en past er de tuinaanleg aan de voorzijde bij aan: een halfronde waterkom wordt uitgegraven. In de eerste helft van de 18de eeuw moet er een aanzienlijke geometrische tuin zijn geweest met beelden en hoge hagen die met scheerbanken gesnoeid moesten worden. Vanaf 1760 tot 1798 is Abraham Dedel zeer actief om zijn buiten te completeren en te moderniseren naar de landschapsstijl. Een vijver werd gegraven achter de toen nog aanwezige tuin. De enorme gebundelde linden aan weerszijden van de vijver getuigen van de vroege landschapsstijl. Van de Poll gaat na 1800 verder met aanplant in een meer grootse landschapsstijl. Een groot grasveld met wat bomen, uitzichten over de vijver en over de moestuin / bollengrond vervingen de tuin achter het huis. Dit moet het 19de eeuwse beeld zijn geweest. In 1907 kocht Johan Enschedé Ipenrode. Hij bracht verfraaiingen aan, met name rond de omgrachte moestuin, die in zijn tijd weiland was. In 1969 werd Ipenrode door de laatste Enschede verkocht, waarna het grote verval intrad. De van oorsprong zeventiende eeuwse buitenplaats maakte in de achttiende eeuw een grote bloei mee. Het is mijn overtuiging dat na jaren van ernstig verval van Ipenrode, deze buitenplaats weer een nieuwe glorietijd is begonnen.

Literatuur Zie lijst Krol

L.H. Albers, P.W.A. Broeders, Landgoed Ipenrode te Heemstede, 1a. archief- en literatuuronderzoek, 1b. chronologisch overzicht van eigenaren en bezitswijzigingen, bronnen: archiefstukken. Albers Adviezen Utrecht, 2001.

L.H. Albers en A.Guinée, Landgoed Ipenrode te Heemstede, plan van restauratie, Albers Adviezen Utrecht 2001.

EIGENAREN/BEWONERS VAN DE OUDE HOFSTEDE VOORKOEKOEK/IPENRODE

(Herenweg 163, Heemstede; gelegen in de Grote Zuid Kennemer Strandvallei)

De voorgeschiedenis gaat mogelijk terug tot de zestiende eeuw. Uit 1563 dateert een kaart, vervaardigd door landmeter Pieter Coenensz. Deze bevindt zich in het archief Ipenrode (bij de firma Joh.Enschedé in Haarlem)

Zie: rapport Albers Adviezen. *

  1. Erven Cornelis Franse     voor 1606

Vermeld in een akte uit 1702 over wei- en hooiland nabij Manpad. Omdat de grootte der hofstede van 5 morgen en 50 roeden (tussen 4 en 4,5 hectare) exact overeenkomt met de verkoopakte uit 1608, waarin voor het eerst sprake is van “Voorkoekoek”, wordt terecht verondersteld dat het hier om ‘Ipenrode’ gaat. In 1641 is nog altijd sprake van dezelfde oppervlakte.

In 1644 vindt uitbreiding plaats met aankoop van 3 percelen wei- of hooiland.

N.B. De ‘Achterkoekoek’ aan de overzijde van de Aerdenhoutsvaart (latere Leidsevaart) mat aanvankelijk 5 morgen en 150 roeden (bijna 4,5 hectare). Ook hier lag een boerderijwoning.

 2 Frans van Nesse   1606 –

Poorter van Haarlem. Zijn zoon Johan van Nesse beschikte omstreeks 1650 over een perceel ten noordoosten van hofstede ‘De Driesprong’ (gelegen ter hoogte van de tegenwoordige Herfstlaan nabij Groenendaal).

Akte van verkoop aan Pieter Simonszoon Ruyter ontbreekt.

3. Pieter Symonszoon Ruyter   -1608

In transportakte van 1608 wordt gesproken van “Voorcoeckoeck”, begrensd door gronden in eigendom van de adellijke familie van Berkenrode.

 4. Cors Corneliszoon van Pollenburch (Poelenburg)   1608-1616

Uit een geslacht van rooms-katholieke patriciërs. Overleden op 10 december 1618.

Hij was vanaf 1608 lid van het Haarlemse Sint Jacobsgilde. Vinder in 1612 en 1613. Evenals Willem van der Meijde (schepen van Haarlem) schonk hij in 1610 aan het Gild een fraaie zilveren beker (1)

Begin januari 1613 kreeg hij een weiland in erfrecht naast de Koeckoeck van mr.Hendrik Coggeman als medisch doctor residerende in Mechelen.

Na zijn overlijden op 10 december 1618 bleef de hofstede in bezit van zijn echtgenote:

4a Weyntgen Willems 1616-1626

De erven verkopen de Voorkoekoek – via een ‘notwech’ (onverhard pad) over de gronden van Berkenrode bereikbaar – aan:

 4a. Catharina Goubeau (Goubau), weduwe van Maximiliaan Laignier 1626-1641

5. Laignier (Lougier) (2), geboren in 1562 te Rijssel werkte als jongeman in de leentafel van zijn vader te Amsterdam. Zelfstandig geworden in Haarlem trouwde hij met een jongedame uit de kring der geldschieters Catharina Goubeau afkomstig uit Antwerpen. Sinds eind 1593 pachtte hij in navolging van zijn vader Jean Laignier met zijn zwager André Mahieu de Bank van Lening te Haarlem, hetgeen hem veel profijt bracht. In 1618 kocht hij de buitenplaats Leeuwendaal te Rijswijk alsmede de gronden van de Achterkoekoek. “17 December 1618. Nicolaas Suiker schout der stad Harlem en meester Florijs Claes van van den Dijck, verkoopen aan Maximiliaen Lougier; twee stukken land gelegen in de banne van Berckenrode, nevens den anderen, groot het eenen twaalf honderd en vijftig roeden vier voeten, en het andere twaalf honderd zeven en vijftig roeden en vier voeten, belent aan het westen de vaart van den Aardenhout, aan het noorden jonkheer Heinrick van Berckenrode, en het zuiden en oosten “Jan Otsenlaen”, gebruikt wordende bij Ouden Dirk” (Van Damme, pagina 75). Zijn echtgenote het bezit uit met aankoop in 1626 van de hofstede Voorkoekoek, behalve een huis bevattende “boomgaard en bepoting ende beplantinge”. In 1641 verkoop door weduwe aan:

6. Cornelis Frans van der Wiele(n)   1641-1652

Inclusief de Achterkoekoek betaalde hij in 1641 ƒ 18.000,-. Omdat de hofstede in twee ambachten lag vond de overdracht plaats voor schout en schepenen van zowel de banne Tetterode, Aelbrechtsberg en Tetterode (waaronder ook Aerdenhout ressorteerde) als het ambacht Heemstede. Onder de schepenen van Heemstede treffen we Cors Mattheus Heemskerck, die eigenaar was van een noordelijk van Voorkoekoek gelegen hofstede, later ‘Duin en Vaart’ genoemd. Die zou bij verkoop in 1644 met 12 morgen en een herenhuis ƒ 19.000,- opbrengen. Opmerkelijk is dat in de transportakte van 4 april 1641 bij de grenzen van ‘Voor-Koeckoeck’ wel het oosten en zuiden (weduwe en erfgenamen van Hendrik van Berkenrode – die was gehuwd met Maria Persijn) en westen (Johanna van Beeckesteijn = weduwe van jonkheer Johan van Persijn, verwant aan de Van Berkenrode’s), maar de noordelijke begrenzing onvermeld blijft. Van der Wiele was eigenaar van bierbrouwerij Het Fortuin aan de Raamgracht in Haarlem. Het huis op de hofstede Voorkoekoek is de gehele periode verhuurd aan Meyndert Elbertszoon. In 1643 kocht hij een stuk land van 1 morgen en 400 roeden van jonkheer Johan van Heemskerk van Beeckesteyn. Het grondbezit heeft de Haarlemse brouwer in 1644 en 1646 verder uitgebreid met landerijen van respectievelijk Floris van Alkemade, (gehuwd met Goedela van Berkenrode) en Cornelis van der Hoogh. In die tijd is de oprijlaan naar de Herenweg aangelegd. Verder kocht hij van Maria Silling 12 morgen land voor 8.000 carolus guldens, aan de westzijde van de Houtvaart nabij Achterkoekoek. Verkoop door erven Van der Wiele (3) aan:

7. Cornelis Ormea 1652-1666

In 1634 huwde hij met Jeanette Laignier, één van de 3 dochters van voornoemd echtpaar M.Laignier-C.Goubeau. 1652 Aankoop voor ƒ 18.000,-; intussen uitgebreid tot 17,5 morgen. Die vermeerdert zijn bezit in 1659 nog verder met een perceel van 4 morgen en 400 roeden voor ƒ 6.000,- van de erven Van Alkemade, heren van Berkenrode. Twee jaar eerder is de Leidsevaart (verbreding en verdieping van al bestaande Houtvaart) gegraven waarmee een geografische scheiding tot stand kwam tussen Achter- (Aerdenhoutse zijde) en Voorkoekoek. De Achterkoekoek bleef nog enige tijd in familiebezit van Van der Wiele. In de 18e eeuw gesplitst in de “Grote” en “Kleine” Achter Koekoek, voor het grootste deel in de banne van Tetterode c.s. gelegen en een klein deel in de ambachtsheerlijkheid Heemstede. Deze zijn in 1718 en 1720 aangekocht door Jan Trip, die zich formeel ten onrechte heer van Berkenrode noemde; in 1722 kocht hij bovendien de Koekoeksduinen, 55 morgen groot en in Bloemendaal gelegen. Cornelis Ormea bouwde op zijn zomerverblijf ‘Voorkoekoek’ binnen een vierkante gracht een zogeheten “heerschapswoninge”, achter het omstreeks 1730 gebouwde herenhuis (4). De hofstede ging over op de enige erfgenaam, zoon:

8. Scipio Ormea 1666-1679

In 1668 gehuwd met Lombardendochter Clara Johanna Criecx uit Utrecht. In 1676 is het land opgemeten door een zekere Johannis. Drie jaar later overleed Scipio Ormea, waarna de goederen op zijn uitdrukkelijke wil voor hun minderjarige kinderen zijn beheerd door de Haarlemse Weesmeester Pieter Rijcke.

8a Erven Ormea 1679-1688

De weduwe Ormea hertrouwde in 1680 met Pieter van der Does, de latere procureur-generaal van de edele Raad van Brabant.

Omdat zij hiervan kennelijk geen gebruik van maakte en bij testament uitdrukkelijk door de vader was bepaald dat de hofstede (bestaande uit een heerschapshuis en boerenwoning) aan de kinderen toekwam is het buiten door de weduwe Ormea met goedkeuring van de Haarlemse Weesmeesters begin januari 1688 verkocht aan:

9. Hendrik Honthom (Huntum)   1688-1716

Telg uit een Amsterdams koopmansgeslacht. Hij betaalde ƒ 15.000,- voor landerijen ter grootte van 22 morgen en 300 roeden. In 80 jaar aldus ongeveer 4,5 keer in grootte toegenomen. Honthom breidde zijn bezit nog uit met een stuk land aan de Herenweg richting Manpadslaan, in 1702 gekocht van Otto Hessels. In 1714 is de “heerschapshuysinge” verhuurd aan Jacob van Cooge. Twee jaar later had overdracht door erven Honthom (Adriaan van Loon, Nicolaas van Loon en Pieter Honthom) plaats aan:

10. mr. Abraham Guldewagen, optredend namens zijn echtgenote Maria Dicx 1716-1728

Aankoop van 25 morgen en 431 roeden voor ƒ 20.900,-. Abraham Guldewagen (o.a. schepen van Haarlem) was zoon van mr.Dammas Geldwagen, burgemeester van Haarlem. Zijn echtgenote was weduwe van Francois Druyvestein. Voor de in publieke veiling aangekochte hofstede De Voorkoekoek op 14 september 1716 weigerde Abraham Guldewagen het gebruikelijke pondgeld te betalen aan de ambachtsheer van Heemstede. Dit leidde tot een proces aangespannen bij het Hof van Holland (5). “1730 Diderick Spijaart van Woerden (deze had in 1713 ‘Woestduin’ gekocht. H.K.) als vader en vooght van zyn onmondigen zoon Jonkheer Jan Pieter Spijaart van Woerden uit het huwelijk met Eva Maria de Kies van Wissen met approbatie van de Weled. Joseph van Adrichem van Dorp voor sigh en de heeren Petrus Lots Adrian van Rijn en Adr. Kies van Wissen als voogden over Jkvr. Johanna Maria van Adrichem van Dorp mede kinderen en erfg. Van voorn. Vrouwe wijders met approbatie van schepenen van Haerlem d.d. 26-7-1720 hebben verzocht en transporteeren ten behoeven van mr.Abraham Guldewagen, Raad en Oud Burgemeester van Haarlem en Rentmeester van Rijnland een partij zoo wey- als hooyland aen de Heemsteder groote Heerewegh naar de Voorkoeckoeck strekkende tot aen de Leytse Trekvaart na drie stucken aen den andere belent ten N. van cooper, O. de Heereweg, Z. heer cooper groot omtrent 8 morgen 486 roe volgens meting van Johannis de Meeter d.d. 3 sept. 1676 belast met 15 v. verponding van een afgebroken huis anders vrij. Betaald met 2 bijzondere obligaten ten laste van het gemeene land van H olland ten kantore Haarlem, naamloos den 2000 ponden d.d. 1 October 1687, de tweede op naam van Aaltje Jans van Vreen te Haarlem, te zamen ƒ 3000,-“ (Archief Bettink). “Op den 22 July 1725 aen de Heer Abraham Guldewagen het leggen van een dam voor zijn land geleegen aan de grote Heemsteder Heereweg en een overpad van ’t voorsz. land tot op de voorsz. Heereweg, mitsgaders ’t wegneemen van een boom op de weg”. (manuscript Dolleman, pagina 197). In 1727 had een grondruiling plaats met Gommarus van Duyst, eigenaar van het Posthuis aan de overzijde van de Herenweg. Abraham Guldewagen woonde in een huis in de Grote Houtstraat en is in 1628 gestorven (6). Een jaar daarvoor in 1727 was Maria Dicx overleden, eerder gehuwd met François Druyvestein, die testamentair had bepaald dat het landgoed uiteindelijk in handen zou komen van haar enige zoon uit haar eerste huwelijk François Aernout Druyvestein.

11. Mr. Francois Aernout Druyvestein 1729-1738

Op 23 mei 1728 is hij gehuwd met Henriëtte Jacoba Gerlings, die zich verdienstelijk maakte als regentes van het Oudemannenhuis aan het Heiligland.   In leven o.a. magistraat (schepen) van Haarlem, gedeputeerde in de Staten van Holland en West-Friesland, thesaurier en commissaris van de Kleine Bank van Justitie. Zijn portret is geschilderd door de Haarlemmer Frans Decker. Onduidelijk is of het rechts op de achtergrond geschilderd huis Ipenrode voorstelt. “(…) Aan de waarschijnlijkheid dezer suppositie doet echter afbreuk een rechts op de achtergrond van het schilderij voorkomend buiten, dat veel gelijkenis vertoont met het Heemsteedse ‘Ipenrode’. Hiervan werd Mr.Druyvesteyn eerst eigenaar toen hij al geen Commissaris meer was. Men zou dan moeten aannemen dat hij zich, omhangen met de kleurrijke mantel, behorende bij een vroegere waardigheid, heeft laten afbeelden met in het verre verschiet zijn nieuw verworven landhuis, of wel dat op het portret – ervan uit gaande dat het is geschilderd in de jaren van zijn commissariaat – nadien ‘Ipenrode’(?) is aangebracht. Wat de compositie betreft: het huis dat toch zijn trots zal hebben uitgemaakt, ligt wel wat in de verdrukking”. (C.W.D.Vrijland. Gerecht in klein bestek. Haarlem, 1974, pp.14-15). In zijn tijd is het grote huis gebouwd (onder Dedel uitgebreid) blijkens een nog bestaande vermelding op de gevel in 1733 voltooid. Op het huis werd een – niet meer bestaande – bronzen klok aangebracht met de inscriptie ‘Soli Deo Gloria Anno 1733’. Tevens is door hem de naam IPENRODE (vroeger ook gespeld als Ypenrode en Iepenrode) geïntroduceerd. Vermoedelijk is voor deze naam gekozen omdat iepen zijn gerooid alsmede in navolging van andere historische namen als Boekenrode, Berkenrode en dergelijke. “Op den 23 Mey 1732 aen de Heer Francois Aernout Druyvesteyn het verbreeden van zijn weg voor zijn Boerewooning aen de grote Heereweg drie voeten en het maaken van een nieuwe weg van zijn land tusschen twee bomen door, naest de laen van zijn Hofste Ypenrode, mits onder zijn te makene dam in de sloot van de Heereweg leggende een pomp tot doorloping van ’t water” (manuscript Dolleman, pagina 197). Ruim een jaar na zijn intrede in de Haarlemse vroedschap verkocht hij zijn buitenverblijf aan een hoofdstedeling. In tegenstelling tot nabijgelegen hofsteden als het Manpad (in 1634) en de Hartekamp (in 1662) is Ipenrode betrekkelijk laat in handen gekomen van vermogende Amsterdammers.

 12. Abraham (van) Tarelink   1738-1744

Aankoop in 1738 van 34 morgen en 556 roeden voor ƒ 28.000,-. De nieuwe eigenaar maakte deel uit van een Amsterdamse familie die fortuin maakte in de walvisrederij en Groenlandse Vaart. Met een verlies van ƒ 2.000,- is Ipenrode al na enkele jaren doorverkocht aan een andere Amsterdammer, die vanwege het lijden aan podagra behoefte had aan een buitenverblijf.

13. Constantijn Nicolaaszoon Sautijn 1744-1748

Aankoop in 1744 voor ƒ 26.000,-. In de transportakte is de inventaris van het landgoed vastgelegd. “Bardon en C.Roos, notarissen, zullen maandag 17 augustus 1744 te Amsterdam in ’t OH Logement verkoopen: een extra schoone en welgelegene hofstede genaamd: IEPENRODE met deszelfs moderne en sterke Heerenhuysinge, extra nieuwe groote stalling voor 14 paarden en speelhuizen en verder opstallen, groot circa 7 morgen, mitsgaders de schoone Landerijen voorsien met een nieuw steene huysmanswoning en koestal voor 40 beesten en groote schuur, stalling voor 4 paarden en groot met de hofstede 34 morgen 556 voeten. Rhijnlandse maet te zamen in een koop liggende buyten Haarlem aan de Heereweg onder Heemstede strekkende van de Heereweg tot achter aan de Trekvaart van Haarlem op Leyden” (Archief Bettink). Was secretaris van Amsterdam. In 1735 gehuwd met Catharina Jacoba Lievensdochter Geelvinck (7) . “Op den 28 Decbr. 1744 aen de heer Constantijn Sautijn het verbreeden van de uijtry van de laan zijne hofstede Ypenrode geleegen aen de Heemsteder Heereweg ter breedte van twaalff a 14 rhijnlandse voeten en het uytroyen en wegneemen van drie popele boomen blijvende niettemin de eygendom van de grond van de Heereweg en ’t beplanten van deselve daer ter plaetse aan de Heer van Heemstede behalven dat de uijtry van gemelde laan nu ter breedte van 36 voeten niet zoude worden beplant” (manuscript Dolleman, pagina 197). Hij verhuurde in 1746 een boerderij met land aan de Herenweg (de latere Dinkelhoeve) aan Claes Huybertszoon van der Fits. (8). “15 april 1747. Also eenige onbekende Persoonen hen niet en hebben ontsien des nachts tusschen woensdag en donderdag den 29 en 30 Maart l.l. te komen op de hofstede Ipenrode, gelegen in de Heerlijkheid Heemstede buiten Haarlem en daar diefsgewijze met een net te visschen in de eigen vijver, binnen derselver hofstede gelegen, zo word door den Eygenaer van deselver hofstede uyt kragten van ’t appointement van de Ed.Achtb.Heeren Haag Balluw en Leenmannen van Kennemerland van dat. 14 april 1747 een praemie van 10 carolusgulden beloofd voor dengene die dader of de daders ontdekt en aanbrengt te betalen door den Eygenaer”. (Archief Bettink). De buitenplaats Ipenrode heeft hem niet van zijn chronische jicht kunnen genezen. Over 1748 schreef de Amsterdamse kronikeur Jacob Bicker Raye dat mr.Constantijn Sautijn, die op de Herengracht nabij de Vijzelstraat woonde (thans nummer 504), dat deze ondanks zijn betrekkelijk jeugdige leeftijd (nog geen veertig) “seer met podagra was geincommodeert”. Tot ’s mans ongeluk wilde die podagra niet “regt deursetten” maar sloeg hem, daags voor zijn dood, in ’t hoofd en rukte hem als een dol mens uit de wereld. Na zijn dood is Ipenrode in bezit gebleven van de weduwe

13a Catharina Jacoba L. Sautijn-Geelvinck 1748-1759

Zij kreeg toestemming van de ‘Heeren van de Leidsche Trekvaart der Stad Haarlem’ toestemming om een houten beschoeiing te maken in plaats van de vroegere “gemaeckte panneschoeying”. De weduwe deed in 1759 na loting het buiten in Heemstede over aan haar broer

 14. Nicolaas Geelvinck 1759-1760

Deze transporteert Ipenrode al op 1 mei 1760 voor ƒ 26.000,- aan zijn schoonzoon. “1 Mei 1760. Mr.Nicolaas Geelvink, Heere van Castricum, oud Burgemeester der Stadt Amsterdam als geinst. Erfgenaam van sijne suster wijlen Vrouwe Catharina Jacoba Geelvinck, in leven wed. en erfgename van mr.Constantijn Sautijn d.d.16-2-1760, den eygendom bekomen hebbende, transporteren op Abraham Dedel, Commissaris der Stadt Amsterdam, de hofstede Voorkoekoek nu Ypenrode met landerijen, stalling, tuinmanswoning, watermolen, verder getimmerte, beplanting. Groot uit geheel 34 morgen 556 roeden, grenzen als tevoren, met tuingereedschap, beelden, vazen, broeibakken enz. enz.” (Archief Bettink).

15. Abraham Dedel   1760-1798

Geboren in Den Haag in 1732, zoon van burgemeester mr.Jan Hudde Dedel. Was sinds 1750 gehuwd met de regentendochter Anna Jacoba Geelvinck (9). Vestigde zich in 1753 als koopman in Amsterdam en is o.a. als burgemeester gekozen in 1788 en 1792. In de hoofdstad bewoonde hij het huis Herengracht 433. Hij breidde zijn bezit in Heemstede uit en ruilde landerijen met zijn buurman Jan van Loon van Leyduin. Bij de verkoop van Leiduin in 1798 verwierf hij het oude schuitenhuis aan de Leidsevaart. Hij liet de achterzijde uitbreiden met een vijfhoekige aanbouw met fraaie raampartij in het resaliet. Door de twee bouwperioden ontstond een ongelijk vloeroppervlak dat weliswaar aan het interieur een attractief aspect geeft door de trapjes die de woonlagen met elkaar verbinden Aangenomen wordt dat in deze periode het park in landschapsstijl is aangelegd en enkele nieuwe waterpartijen gegraven. “ 1762. Het beplanten van de Heereweg ontmoette midlerwijl egter hier en daer eenige swarigheid van wegens de aangelanden die den heer van Heemstede zoo veel hem mogelijk was segt te believen. Voor de hofstede Ypenrode plantte hij niet dan opgaande boomen om den eygenaar het gesigt uyt zijn huys niet te belemmeren….” (manuscript Dolleman, pagina 298). In de jaren zestig van de 18e eeuw is vanuit de Hofstad het plan geopperd de rijweg tussen Haarlem en Den Haag te bestraten. Tot de personen die tegen verlening van het octrooi bezwaar aantekenden behoorden in 1768 de meeste eigenaren van buitenplaatsen. Daaronder “Abraham Dedel, als eigenaar van Ypenrode, voorbij het Posthuis aan Berkenrode, twee woningen en enige morgen wild plantsoen”. (De Navorscher). “1 Sept. 1770. Op Ypenrode te Heemstede verkoop op de boerenwoning om 10 uur precies van 28 stuks Deensche ossen. Kunnen tot primus November weiden blijven voor haar rekening” (Archief Bettink) Tussen 1760 en 1770 is door de Haarlemse kunstenaar Cornelis van Noorde in zijn tweede schetsboek een gewassen tekening gemaakt van de Herenweg met de toegangspoort en daarnaast gelegen koepel van Ipenrode. In het weiland voor het – niet zichtbare – huis staan enkele koeien – anno 2001 grazen hier paarden “De Heer van Heemstede geconsenteerd hebbende aan Jan Croon (10) die als schipper op Amsterdam van den Heer van Berkenrode commissie had, om in de Leydse Trekvaart onder Heemstede ook te mogen laden en lossen voor de hofsteden Oosterduyn (gelegen onder Hillegom. H.K.) Ipenrode, Leyduin en Woestduyn, goederen de eygenaars van gemelde hofsteden toebehoorende, van daar komende off daer moetende worden besteld, zo beloofde hij daer voor aen de ordinaire veerschippers van Heemstede op Amsterdam en vice versa varende te zullen betalen een jaarlijkse recognitie van ƒ 25-“. (manuscript Dolleman, pagina 305). In 1784 kocht hij ook het Duinmeiershuis aan de overzijde van de Herenweg (11) In de Gereformeerde (Hervormde) Kerk te Heemstede beschikte hij over een ‘Heeren-banck’. Abraham Dedel is ruim vijf jaar na zijn echtgenote op 11 december 1798 overleden. Bij de boedelscheiding in 1799 is Ipenrode vermaakt aan een neef, namelijk zoon van zuster Anna Maria Dedel:

16. Jan van de Poll 1799-1822

Het landgoed omvatte nu 44 morgen. De waarde was intussen getaxeerd op ƒ 40.000,-. Geboren op 25 augustus 1759 in Amsterdam is Jan van de Poll, ter onderscheiding van zijn gelijknamige vader bijgenaamd: de Jonge, is hij aan de universiteit te Utrecht in de rechten gepromoveerd op 19 juni 1782 op een proefschrift ‘De bono publico’. Hij was koopman, zakenpartner van Abraham Dedel, en vervulde verscheidene politieke functies. In 1814 is Van de Poll benoemd tot één der directeuren van de Nederlandsche Bank. Een jaar later is hij in de adelstand verheven. In 1784 te Hillegom is hij gehuwd met Anna Catharina Valckenier. Het echtpaar kreeg 8 kinderen. Jan van de Poll bezat in de Franse Tijd met in totaal ruim 86 morgen over de meeste grond in Heemstede, gevolgd door de eigenaar van ’t Klooster met ruim 78 morgen. Op 29 november 1800 had op Ipenrode veiling plaats “van een groote partij extra zwaare Ipe, Eike, Abeele, en Linde boomen; allen bekwaam tot werkhout” (Elias, pagina 753). Op 20 juli 1801 verwierf Jan van de Poll een strook land nabij de Herenweg (“beginnende omstreeks de Coepel en loopende …) tot aan het slop of dam der boerderij van de voorseide Hofsteede” van de ambachtsvrouw J.M.Dutry, douairière de Drevon. Aan het eind van hetzelfde jaar blijkens een bericht in de Oprechte Haarlemmer Courant van 19 december wederom een veiling van hakhout plaats, maar ook van een afgebroken stenen koepel. Adriaan Loosjes noemt in zijn “Hollands Arkadia…”(1804) in de lijst der hofsteden van Kennemerland Jan van de Poll als eigenaar van Ipenrode en Maria Johanna de Neufville van Jagtlust. “Den 28sten April 1819 hertrouwde David Jacob van Lennep met Anna Catharina van de Poll, dochter van Mr.Jan van de Poll, lid van Gedeputeerde Staten, die des zomers de hofstede Ipenrode, dichtbij het Manpad bewoonde” (M.F.van Lennep. Het leven van mr.Jacob van Lennep. Amsterdam, 1909. Eerste deel, .41) Na het overlijden van jonkheer Jan van de Poll op 22 juni 1822 in Heemstede blijft zijn echtgenote eigenaar tot haar overlijden in Amsterdam op 11 juli 1842.

16ª. Anna Catharina van de Poll-Valckenier   1822-1842 Op 20 januari 1843 is Ipenrode getransporteerd aan de oudste dochter:

 17. Sara Johanna van de Poll, douairière van J.W.Calkoen (1782-1813)

1843-1867

Het huwelijk met de vroegtijdig overleden jonkheer Calkoen – geschilderd door Ch.H. Hodges – heeft op 20 april 1806 in Heemstede plaatsgevonden. Uit deze echtverbintenis zijn 3 kinderen geboren, van wie de jongste Sara Maria Calkoen (geboren in 1811 te Amsterdam) 16 juni 1825 op Ipenrode overleed. In 1844 verscheen van P.J.Lutgers in boekvorm een lithoprent van Ipenrode met als toelichtende tekst van Jacob van Lennep: “De Hofstede Ipenrode, tusschen den Haagschen weg en de Leijdsche trekvaart gelegen, Calkoen Douairière behoort aan Vrouwe S.van de Poll”. Het herenhuis was toen aan de voorzijde nog niet wit gepleisterd. Naar aanleiding van het tweede verblijf te Heemstede (logerend in ‘Ruimzicht’) in de zomer van 1847 vervaardigde de dichter Isaäc da Costa een gedicht, opgedragen aan mevrouw de Douairière Calkoen, geb. Van de Poll: “In antwoord op een geschenk van vruchten” (= druiven), opgenomen in ‘Da Costa’s Kompleete Dichtwerken’(Haarlem, A.C.Kruseman, 1863, deel 2, pagina 72). Eenmaal werkzaam als ‘herder’ in Heemstede bezocht Nicolaas Beets de bewoonster van Ipenrode. Verondersteld wordt dat voor zijn eerder in 1840 geschreven verhaal ‘’s Winters buiten’, opgenomen in de Camera Obscura van Hildebrand dit landgoed model heeft gestaan. Ook de vijver komt in het boek ter sprake: “Ik veronderstel dat gij zelf bezitter zijt van een of ander landhuis nabij een klein dorp: daar zult gij ook een ijsvreugd zien en, indien gij van kinderen houdt, zal zij u verrukken De volwassenen versmaden deze geringen plas; maar hier hebben wij den kleinen dikken Wulbert met de mooie ogen, die zijn schaatsjes loopt halen, zodra hij hoort ‘dat de jonge heeren er op mogen’, en zijn nog kleiner broertje meebrengt, dat voor het allereerst begint te scharrelen. (…)”. In het boek ‘Heemstede’van H.H.B.Binnenwiertz uit 1854 wordt mevrouw Calkoen ook genoemd als eigenaresse van Ypenrode, één van de “niet minder dan 19 lustwaranden tegenwoordig in grooten luister” (bladzijde 6). Op 15 december 1855 had blijkens een advertentie in de Opregte Haarlemmer Courant een houtverkoping plaats

18 Anna Catharina Calkoen 1867-1874 Na overlijden van haar moeder op 4 november 1867 te ‘s-Gravenhage erfde het enig nog levende kind, dochter Anna Catharina Calkoen de Heemsteedse buitenplaats. De nieuwe eigenares was gehuwd geweest met de jong gestorven Willem Charles Baron van Boetzelaer (1803-1834). Zij verbleef enkel tijdens de zomermaanden veelal op Ipenrode. Uit deze echtverbintenis zijn 2 kinderen geboren van wie de oudste zoon kort na de geboorte overleed.

19 Sara Maria Baronesse van Boetzelaer   1874

Na overlijden van haar moeder in 1874 te Bonn ging Ipenrode automatisch over op haar enig levende kind: Sara Maria. De band met Heemstede blijkt o.a. uit het feit dat zij door predikant Nicolaas Beets op 2 juli 1851 in de kerk werd aangenomen, tegelijk met Johanna Maria van Weede van Dijkveld (van ‘Meer en Bosch’). Zij is op 10 juni 1858 in Heemstede getrouwd met Peter Clement Hubert Apolinaris Graaf van Bylandt, Baron zu Reydt, van beroep kapitein bij de Pruisische Dienst. Al op 13 oktober 1874 is Ipenrode via notaris F.H.Dolleman verkocht aan jonkheer Hendrik van Wickevoort Crommelin, die zich voor de hofstede interesseerde uit een oogpunt van status en geldbelegging.

 20 Hendrik van Wickevoort Crommelin   1874-1891

H.van Wickevoort Crommelin, gehuwd met Albertina Johanna Catharina Crommelin, bleef op Berkenrode wonen en verhuurde Ipenrode, de langste tijd aan de Amsterdamse familie Holst, terwijl het soms ook tijdelijk leeg stond. “Ter rechterzijde van den weg staan slechts enkele huizen. Daar is ook de ingang van het buitenverblijf Ipenrode (Holst), dat aan de trekvaart uitkomt. Het uitzicht van den weg is ruim en fraai op de bosschen van Boekenrode en Leiduin, aan de overzijde der vaart, en opde gebouwen der Duinwaterleiding”. (J.C.Craandijk. Gids voor Haarlem en omstreken).   Na een tijdperk van verval zou pas onder de Enschedé’s nieuwe bloei voor Ipenrode dagen. In de veilingbrochure is een indeling gemaakt in 12 nummers, omvattende percelen weilanden, moestuin, bloembollengrond, tuingronden, herenhuizing (tevens koetshuis met twee stallingen voor zes paarden, hooizolder en koetsierswoning, tuinmanswoning), waterpartij en oprijlaan. In totaal met een oppervak van 20 hectaren, 76 aren en 90 centiaren. De verkoop vond plaats plaats op 24 maart 1891 in Hotel Scholten (voorheen Van den Berg) in de Haarlemmerhout te Heemstede. Een en ander ten overstaan van de Heemsteedse notaris mr.W.H.Smit.

21 Hendrik Jan Deutz van Lennep   1891-1906

Tien jaar voor zijn overlijden verkocht de eigenaar van Berkenrode in 1891 Ipenrode, opgedeeld in 12 percelen, aan jonkheer Hendrik Jan Deutz van Lennep. Geboren in 1866 was hij een zoon van jonkheer meester Dirk Jacob Carel Deutz van Lennep en Paulina Agneta Deutz van Assendelft. Op 29 december 1888 huwde Isabella Teding van Berkhout (1869-1957), woonachtig op de hofstede Kennemeroord, in het raadhuis van Heemstede met H.J.Deutz van Lennep (1866-1934), geboren op het landgoed ‘Meer en Berg’. Twee jaar later kochten zij ‘Ipenrode’ waar het paar 16 jaar lief en leed heeft gedeeld. Blijkens een boedelbeschrijving in het RANH vertegen-woordigde de inboedel een verzekerde waarde van ƒ 4.294,50. “Tegenover de Van Merlenlaan ligt landinwaarts in te midden van hoog geboomte de buitenplaats “Ipenrode” bewoond door Jhr.Deutz van Lennep. Als men de fraaie oprijlaan doorwandelt, heeft men een mooi uitzicht op de laderijen en duinen, die vooral bij ondergaande zon de eigenaardige schoonheid van het Hollandsche landschap verhoogen”. (Gids van Heemstede en Bennebroek, circa 1905). In 1906 is dit landgoed verkocht om na een erfenis naar “Meer en Berg” te verhuizen (12). N.B. Bij raadsbesluit Heemstede van 13 maart 1902 was besloten één van de straten in de nieuwe wijk ‘Bosch en Vaart’ te vernoemen naar de buitenplaats ‘Ipenrode’ (in 1927 bij Haarlem geannexeerd).

22   Johannes Enschedé 1907-1911

De directeur van een grote Haarlemse drukkerij mr.Johannes Enschedé (= Johannes V) (1851-1911) kocht Ipenrode voor ƒ 80.200,-. Na de Haarlemse geldschieters de Laignier en Ormeo kwam de buitenplaats nu gedurende ruim zestig jaar in het bezit van Haarlemse gelddrukkers. J.Enschedé gaf opdracht aan de Bloemendaalse architect Johannes Wolbers in 1908 een aanbouw in pseudo-klassieke stijl te ontwerpen, dienende as hoofdingang – intussen weer afgebroken. Ook is in dat jaar een nieuw tuinhuis gebouwd. Volgens overlevering zou tuinarchitect Leonard Springer van advies hebben gediend bij het herstel van het park, ofschoon hiervoor noch in het Springer-archief noch in de vakliteratuur geen enkel bewijs is gevonden. Hij heeft slechts kort van zijn nieuwe bezit kunnen genieten, maar zijn echtgenote zal hier nog zo’n 10 jaar verblijven:

22a Henriette Francina Enschedé-Krantz   1911-1921

 23 Johannes Enschedé 1921-1938 De oudste zoon van voorgaand echtpaar erft Ipenrode. Hij is binnen de stamboom der drukkersfamilie Johannes VI en leefde van 1879 tot 1938. Op 1 februari 1912 trad hij toe als lid van de firma Johannes Enschedé en Zonen. De architect A.A.Kok uit Amsterdam was meer dan een kwarteeuw betrokken bij de restauratie van het huis en andere opstallen. Hij was in de traditie van zijn familie liefhebber van bibliofiel drukwerk en overleed celibatair op Ipenrode. “Hooggeachte heer Van Deyssel, Op het oude buiten ‘Ipenrode’, dat door groote, majestueuze beuken en eiken ligt omgeven, zat ik voor het open haardvuur met Uwen vriend, Mr.Johannes en tuurde de vroolijke vonkjes na, die als vlinders om elkaar heen dansten. Wij spraken over U en over deze uitgave, deze uitave welke voor Uw feestdag diende te verschijnen. Ik heb geantwoord dat het mogelijk was, omdat ik ten volle bewust van mijn groote vereering voor U, mij met hart en ziel zou wijden aan den inhoud. Het zijn niet alleen mijn woorden geweest, het waren die van al uw vrienden, van allen die onze taal minnen, van allen die het proza liefhebben, waarvoor Gij zelve tegenover de geheele wereld Uw liefde toont. Met mijn oprechte gevoelens van hoogachting, Anton den Doolder. (Citaat uit A.den Doolder, Lodewijk van Deyssel, 1934). In een necrologie, gepubliceerd in Jaarboek Haerlem 1938 (1939) schreef mr.W.C.Beucker Andreae onder meer “Op elk gebied waarmede hij zich bezig hield had hij een eigen oorspronkelijke visie. Maar wie hem in stilte van zijn kamer op Ipenrode opzocht vond daar meer: hij vond daar in die zachte, warm klinkende en somtijds instemming met zijn gedachte vragende stem de uiting van echte vriendschap, van de beste die op aarde gevonden wordt”.

24 Boudewijn Franciscus Enschedé   1938-1969/1971 Omdat de vorige eigenaar kinderloos was overleden ging Ipenrode over op zijn broer Boudewijn Frans Enschede. “Een onderbreking volgde al spoedig door de mobilisatietijd gedurende de eerste Wereldoorlog, toen Frans Enschedé als reserve-officier diende hij de Veldartillerie, af en toe onderbroken door tijden van verlof wanneer hij dagelijks te paard van het inmiddels door de familie bewoonde “Ipenrode” in Heemstede naar zijn werk aan het Klokhuisplein ging”. (M.Enschedé, necrologie Boudewijn Franciscus Enschedé. In: Jaarboek Haerlem 1978. 1979, pp.222-223). Tientallen dienstboden en huishoudsters hebben vaak voor korte tijd in het huis ingewoond. Dat gold ook voor een familielid en directielid van de firma Enschedé jonkheer Willem van Andringa de Kempenaer, afkomstig uit Haren, totdat hij in 1938 verhuisde naar een pand aan het Frederik van Eedenplein. In de oorlogsperiode was er een andere familie Enschedé tijdelijk gehuisvest. “Aan het einde van de bezettingstijd werden Jan Willem Enschedé en zijn ouders ingekwartierd op Ipenrode, bij Jan Willems oom B.F.Enschedé, de laatste van de oorspronkelijke ‘bedrijfstak’   van de Enschedés. Jan Willem vertelt dat die periode veel indruk op hem gemaakt heeft. ‘De bibliotheek werd ons toegewezen als woonruimte. Ik heb daar als klein jongetje eindeloos veel boeken gelezen. Mijn liefde voor kerkbouw en monumenten is toen ontstaan. Zo’n boek als Kerken en Godshuizen van Vincent Loosjes, ik herinner me dat nog precies’”. (Uit JEZ-pers; personeelsblad firma Enschedé, mei 1990, pagina 9). Op 21 augustus 1941 door leden van de Vereeniging Haerlem een excursie plaats naar het buiten Ipenrode van de heer Enschedé, waarbij ook architect Kok uitleg gaf. Een uitgebreid verslag hiervan verscheen in het Haarlem’s Dagblad van de volgende dag. Tijdens de oorlogsjaren liet de heer Enschedé de Johez-meisjes (kinderen van drukkerijwerknemers) enkele dagen in juli op Ipenrode kamperen. Hierover verscheen in 1944 en boekje met enthousiaste verhalen en gedichten van de deelneemsters. Tamelijk centraal staan de spoken die men meende te ontwaren. Eén voorbeeld:

“En ‘Ipenrode’ had een spook;

Dat bracht mij heelemaal van de kook.

Ik gilde van belang,

Want ik was voor dat spook zoo bang”

De heer Enschedé is op 22 augustus 1947 te Heemstede in het huwelijk getreden met jonkvrouw Elisabeth van Geen. In de nacht van 26 mei 1956 is het buiten door een felle uitslaande brand gedeeltelijk verwoest. De brand werd ontdekt door huisbewaarder, de heer Gans, die hier in de noordkant van de zolderverdieping met zijn vrouw en kind woonde. Al zes minuten na de melding was de Heemsteedse brandweer aanwezig. De gehele zolderverdieping stond toen al in lichterlaaie. Door het hevige stuur stortten drie schoorstenen in. Na ongeveer een uur was men de brand meester en bleek de bovenste verdieping geheel verwoest. Tevens was er op de eerste verdieping en benedenverdieping waterschade, waarbij schilderijen, meubelen en boeken verloren gingen. Opmerkelijk is dat tijdens de brand alle lichten bleven branden. Oorzaak van de brand bleek na onderzoek oververhitting van een geiser. De totale schade is geschat op ongeveer ƒ 100.000,- (13). Het huis was verzekerd en is hersteld. De in 1908 aangebouwde hal werd toen bovendien verwijderd. Na restauratie is een gedenksteen in de muur aan de kant van de keuken aangebracht met de volgende tekst: “Na de brand in de nacht van 12 op 26 mei 1956 hersteld juli 1957. Enschedé-van Geen”. Randschrift: “Bataafsche Aanneming Maatschappij”. “Reeds meer dan dertig jaar jaar geleden wees de toen nog jeugdige Heemsteedse ornitholoog Fred Koning mij in het park Haarlems Klokkenspel (Saxifraga granulata flore pleno) en de heren J.M.de Graaf en M.Koning te Lisse, die van de Flora in Zuid-Kennemerland een zeer serieuze studie hebben gemaakt, noemen “Ipenrode” “een geheimzinnige buitenplaats”. Die “geheimzinnigheid”vond misschien haar oorsprong in de weinige toegankelijkheid, de dichte begroeiing en het woud van grote brandnetels aan de zijde van de Leidsevaart. Nu is het nog januari, maar straks “verkondigt de blijde nachtegaal met een helder georgel en een schellen slag dat hij daar is om het lied der lente te zingen”. Inderdaad een “Koninklijk” buiten”  (citaat uit A.M.Hulkenberg. Gezichten in Zuid-Kennemerland. 1991, pagina 56 met een tekening van de voorzijde van het huis en deel koetshuis door Chris Schut op pagina 57). Ofschoon verkoop al in 1969 plaatshad nam het echtpaar Enschedé in mei 1971 zijn intrek in een serviceappartement van ‘De Burghave’ te Heemstede.

25   Hobbe van Baerdt van Sminia   1971-1972 Was directeur bij de firma Johan Enschedé en Zonen. Verhuisde januari 1972 naar Bloemendaal.

26   Bastiaan Smallegange   1972-1973 Verhuisde november 1972 naar Bloemendaal.

27   Nicolaas C de Groot van Embden   1974-1977 Was directielid van de firma Enschedé en verhuisde naar Bloemendaal. Bewoonde tijdelijk Ipenrode dat niet in zijn eigendom was. N.B. Op 26 augustus 1976 nam de gemeenteraad van Heemstede het bestemmingsplan ‘Natuurgebieden’ aan.

28   Petrus J.M. Beerents     1977-1982 Op 1 november 1977 kocht de heer P.Beerents, directeur van Beerents Vastgoed Beheer b.v., het bijna 20 hectare grote Ipenrode van de familie Van de Poll-Van Amerongen voor ƒ 1.400.000,-. De Tilburgsche Hypotheekbank verleende hiertoe een eerste hypotheek van 1,5 miljoen gulden. Al op 9 februari van dat jaar had de nieuwe eigenaar opdracht gegeven aan een bouwkundig bureau met voorstellen te komen voor restauratie alsmede een “nieuwe woonbebouwing”. Het aanvankelijke idee was 76 serviceflats in vijf bouwlagen aan de achterzijde van het terrein te plaatsen, hetgeen niet convenieerde met het bestemmingsplan Natuurgebieden. Het was verder zijn bedoeling in het hoofdgebouw zijn kantoor te vestigen alsmede in een aantal appartementen in te delen. In 1978 zijn voor het park plannen gemaakt door het tuinarchitectenbureau Mien Ruys (A.J.van der Horst) – later herzien, alsmede door bureau De Elk. Zonder dat vergunningen waren afgegeven begon hij veranderingen in het terrein aan te brengen. Op basis van een tekening uit 1891 liet hij in het weiland een sloot graven. Deze werkzaamheden door de gemeente Heemstede in januari 1979 stilgelegd. Op 9 april lanceerde hij een nieuw plan voor een Engelse landschapstuin. Na klachten vanuit de nabijgelegen Rivierenbuurt zijn met dwang nieuwe werkzaamheden op 7 februari 1980 door de gemeente gestopt. In 1981 bracht de Raad van State negatief advies uit over (grootschalige) bebouwing op het landgoed. P.Beerents is failliet verklaard waarna er op Ipenrode en zijn andere panden, waaronder de ‘Groote Keyser’ in Amsterdam beslag is gelegd. Na vijf jaar van (wan)beheer is in opdracht van de Hypotheekbankeigenaar (zelf in financiële problemen gekomen) het landgoed op een veiling van onroerend in Haarlem te koop aangeboden.

29   J.H.Bakker   1982-1983 Tijdens de executoriale verkoop op 7 december 1982 is de heer J.H.Bakker voor ƒ 800.300,- de nieuwe eigenaar geworden. Deze persoon uit Aerdenhout, o.a. directeur van een bloembollenbedrijf, zei in het Haarlems Dagblad op 10 december dat de restauratie spoedig zou worden hervat en hij hier zelf wilde gaan wonen. Alles liep echter spoedig mis nadat hij vier dagen later op een veiling in Den Haag het zogeheten Babylon-complex kocht voor 102 miljoen gulden, daarbij verplichtingen aanging voor in totaal 186 miljoen. De koper moest twee dagen voor Kerstmis in een psychiatrische inrichting worden opgenomen en is met terugwerkende kracht per 1 november ontoerekeningsvatbaar verklaard. Het gehavende gebouw van Ipenrode stond er troosteloos bij. Feitelijk was de Tilburgse Hypotheekbank nog altijd eigenaar.

30   J.A.E.Koning 1983-1984 Voor dezelfde prijs als door Bakker betaald ging Ipenrode nu begin 1983 over naar de inderhaast opgericht ‘Stichting Ipenrode’ (met twee leden: G.Prins, voorzitter en J.A.E.Koning secretaris-penningmeester), eind januari in Amsterdam in het leven geroepen door notaris mr.A.E.Koning uit Amstelveen. Zijn doelstelling was het landgoed te behoeden voor verdere aantasting door speculanten en projectontwikkelaars. Eerst is gewerkt aan het water- en winddicht maken van het al jaren leegstaande hoofdgebouw. Het mooie ronde dakkapelletje bleek helemaal verteerd en ook andere delen van het gebouw hadden veel te lijden gehad. Aannemer Jos Breed en architectenbureau Prins uit Amsterdam, gespecialiseerd in restauratie van historische panden, begonnen aan het herstel. In het park werkten enige tijd hoveniers van het ‘Stichts Landschap’ uit De Bilt. Omstreeks 1983 is door (wijlen) A.H.Suerink een openluchtspel geschreven over het verleden en heden van Ipenrode, bij gelegenheid van het 375 jarig bestaan van de hofstede, onder de titel: ‘Het mysterie van Ipenrode’.

31   H.P.van den Bos     1984 –         Mogelijk omdat herstel en conservering meer tijd en geld vergde dan voorzien is Ipenrode nogmaals, nu zonder publiciteit, verkocht aan de heer H.P.van den Bos, voordien woonachtig nabij Groenendaal in Heemstede. De Stichting Ipenrode bleef intact. Door de nieuwe bewoner is het plan om Ipenrode in oude luister te herstellen met voortvarendheid voortgezet. In 1984 is het vroegere koetshuis door de nieuwe eigenaar de heer J.L.F.Bakker tot woning verbouwd. Sinds 1988 is Ipenrode – na Huis te Manpad; ook nog particulier bewoond – als complex ingeschreven in het RijksmonumentenregisterEen jaar later kwam het landgoed nogmaals in het nieuws toen een Amerikaans computerbedrijf Ipenrode wilde aankopen als investering en woonruimte voor zijn manager. Daarnaast wilde het bedrijf in een deel van het souterrain een klein kantoor vestigen. De nieuwe eigenaar wilde enkel het economisch eigendom verwerven, zodat het juridisch eigendom in handen van de Stichting Ipenrode zou blijven. Uiteindelijk ging deze optie niet door.

In 1989 is een appartementencomplex ‘Résidence Beukenrode’ gebouwd, ingeklemd tussen de Geleerdenwijk en Ipenrode waar zich vroeger een ijzergieterij bevond (14). Eind februari van dat jaar is een deel van de statige beuken (vanwege gevaar van afbrekende takken en die het zicht vanuit de nieuwe appartementen belemmerden) langs de oprijlaan van Ipenrode gerooid. Een kapvergunning was door de Stichting Ipenrode aangevraagd bij Staatsbosbeheer. Een boze T.Jongh Visscher van de Vereniging Oud Heemstede-Bennebroek meende dat men ‘Beukenrode’ beter klip en klaar ‘Beukenrooien’ had kunnen noemen. De ongeveer 1,5 eeuw oude ‘reuzen’ zijn vervangen door jonge aanplant. Veel aandacht wordt de laatste jaren besteed aan herstel van huis en park. In 1988 kwam de eerste versie uit van een ‘Beheersplan 1988-1998’, uitgebracht door de Stichting Historische Buitenplaatsen – later gevolgd door een ‘Beheersvisie 1991-2001. In 1996 en 1997 is op verzoek van de eigenaar op het terrein geofysisch onderzoek gedaan door archeologisch adviesbureau RAAP uit Amsterdam. Het bureau voor historische tuinarchitectuur Albers Adviezen uit Utrecht heeft in 2001 een deelrapport uitgebracht ‘Landgoed Ipenrode te Heemstede’ met op basis van archiefonderzoek, oude kaarten en literatuurstudie een chronologisch overzicht van de ontwikkeling van het landgoed. Een vervolgrapport met de titel ‘Historische aanleg en Aanbevelingen’ is in voorbereiding. Het vierde eeuwfeest van Ipenrode, voorheen VoorKoekoek, in 2006 kon anno 2001 met vertrouwen tegemoet worden gezien.

Ipenrode

Ipenrode vanuit de lucht (1977)

 

Bronnen – Huisarchief in Museum Enschedé, Haarlem

– Transportaktes in Rijksarchief van Noord-Holland. Zie: A.van Damme, De buitenplaatsen te Heemstede, Berkenrode en Bennebroek 1628-1811. Haarlem, 1911. – Documentatie Buitenplaatsen; Ipenrode in Gem.Openbare Bibliotheek Heemstede. 2 archiefdozen.

Basisliteratuur

– Albers, L en P.W.A.Broeders. Landgoed Ipenrode te Heemstede. Utrecht, Albers Adviezen, 2001. – Exaltus,R.P. en I.M.C.Nuijten. Ipenrode; archeologisch onderzoek naar de resten van het heerschaphuis. Amsterdam, 1997 (RAAP-rapport 166). – Groesbeek, J.W. Heemstede in de historie. Heemstede, 1972, Iepenrode, pp. 42-44. – Sterck-Proot, J.M. De buitenplaats Ipenrode. In: Jaarboek Haerlem 1943. 1944, pp. 33-47. – Sterck-Proot. Geschiedenis van Aerdenhout. Haarlem, 1946. Hoofdstuk XIV De Koekoeken, pp.48-51.

Overige publicaties

– Albers, L. Landgoederen van Zuid-Kennemerland; inventarisatie en beschrijving van cultuurhistorische aspecten van de tuinen, parken en bossen. Amsterdam, 1984. – Beheersplan 1988-1998 (1e versie) in opdracht van de Stichting Ipenrode gevestigd te Heemstede. Elburg, 1988. – D. ’t Landgoed Ipenrode in Heemstede. In: Floralia, aflevering 16-5-1935. – Historische buitenplaatsen in particulier bezit. Redactie H.Tromp en T.Henry-Buitenzorg. Utrecht, 1991, pp.172-173. – Landgoed Ipenrode te Heemstede. In opdracht van raadgevend Bureau Beerents bv ontworpen door Vink Vandekuilen Klein bv. Amsterdam, 1978. Bevat als bijlage rapport van de heer H.Wilhelm, rentmeester te Baarn, betreffende renovatie van het landgoed. – Notitie der vrijwillige Verkooping van de kapitale Heeren-Hofstede genaamd “Ipenrode”, met….op Dinsdag 24 Maart 1891. – de Nieuwste kleren van de Groote Keyser; het deksel van de Beerents put. Amsterdam, Bever druk b.v. Tweede druk, circa 1981.(brochure samengesteld door krakers). – Ons Kampboek; een herinnering aan de Ipenrode-Kampen in 1944. Onder redactie van mej.M.Paape. (1944). – Peper, C. Een wandeling langs de Buitenplaatsen van Heemstede in de voorzomer van het jaar 1847. Heemstede, 1975, pp. 45-46. – Suerink, A.H. een historisch verslag van het landgoed “Ipenrode” te Heemstede. In: Canon Light, 1982. – Visscher, A. Kastelen en buitens van Zuid-Kennemerland; vroeger en nu. Delft, 2000. (Afl.F 7a van de serie Natuur en Landschap)

********************************************

beeld

Sculptuur van een leeuw met kruis nabij huize Ipenrode

NOTEN

(1) Zie bijdrage “De geschiedenis van het Haarlemse Sint Jacobsgilde”, Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie 1955.

(2)   Over de Lombardenfamilies Laignier en Ormea, zie o.a.: – Brinkmann aan de Grote Markt; 4000 jaar geschiedenis Hartje Haarlem. Haarlem, 1982, pagina 65. – dr.J.F.Th.R.van Grevenbroek. De Bank van Lening te Haarlem.1981. De hoofdstukken 1 en 2 + bijlagen 3 en 6. – C.van de Haar. Een Haarlems raadsel: waar lag het Lazaristenklooster? In: Jaarboek Haerlem 1963. 1964, pp. 56-65. Citaat: Cornelis Ormea stamde zelf als tweede zoon van Scipio Ormea, tafelhouder te Den Briel, uit een aanzienlijk geslacht van Lombarden. In 1642 kocht hij voor ƒ 28.000,- het derde part in het Haarlemse octrooi. Hij maakte veel winst, want uit allerlei notariële acten blijkt, hoe zijn cliëntèle het vel over de oren te halen. De gebruikelijke rente was 33% ’s jaars. Het is dan ook geen wonder, dat wij in zijn boedelscheiding, naast drie huizen op de Oude Gracht, één op de Grote Markt (de tegenwoordige Hoofdwacht), een herenhuis met boerenwoning in De Rijp en de Voorkoekoek die hij in 1652 had teruggekocht, niet minder dan 122 obligaties tot een gezamenlijke waarde van ƒ 250.000,- vinden. Zijn octrooi werd echter reeds in 1659 voor ƒ 87.000,- afgekocht, zodat toen zijn rijkste bron van inkomsten was afgesneden”. (Pagina 59). – Haarlemse Oude Gracht. Haarlem, 1980. Voor Ormea, zie pp. 190, 194 en 212. – G.H.Kurtz. De geschiedenis van ons Vereenigingsgebouw “De hoofdwacht”. In Jaarboek Haerlem 1942. 1943. Ormea, zie pp.42-45. – J.M.Sterck-Proot. De geldhandel en de Tafels van Leening in Nederland. In: Historia, februari 1944.

(3) Door zonen Frans (“doctor in de medicinae”) en pastoor Pieter van der Wiele. De Achterkoekoek ging naar hun zuster Cornelia van der Wiele, gehuwd met Frans Schade van Westrum. Het gebouwtje Jachtlust, thans bij Koekoeksduin in Vogelenzang (ingang Vogelenzangseweg 5) diende in de 17e eeuw als schuilkerk. Het is in 1939 in opdracht van eigenaar M.Koning gerestaureerd door architect A.Kok, die ook jarenlang voor de familie Enschedé van Ipenrode werkte. Voor literatuur zie ook: Jubileumboek 125 jaar kerk Vogelenzang 1861-1986. Voorts: Historisch gedenkschrift bij het twaalf-en-half jarig bestaan der St.Antoniuskerk. Aerdenhout-Bentveld, 25 juni 1935.

(4) Zie: Ipenrode. Archeologisch onderzoek naar de resten van het heerschapshuis. Amsterdam, 1997 (Raap-rapport 166).

(5) Zie: P.A.van Doorninck. Inventaris van het archief van de heerlijkheid Heemstede. Nummer 488. Bundel processtukken.

(6) Voor informatie over zijn werkzaam leven, evenals over o.a. F.A.Druyvestein, zie o.a.: dr.J.A.F.de Jongste. Onrust aan het Spaarne; Haarlem in de jaren 1747-1751. De Bataafse Leeuw, 1984.

(7) Genealogieën/biografieën betreffende de volgende Ipenrode-eigenaren van de Voor-Koekoek/Ipenrode in Joh.E.Elias. De vroedschap van Amsterdam 1578-1795. 2 delen (1903-1905): Van Tarelink, Sautijn, Geelvinck, Dedel, Van de Poll. Zie ook o.a.: Geslachtslijst van de descendenten der broeders en zusters van Abraham Dedel en zijne huisvrouw Anna Jacoba Geelvinck. Utrecht, 1883.

(8) Vermoedelijk is deze boerderij tussen 1830 en 1840 afgebroken. De Dinkelhoeve staat op dezelfde plaats. Sedert 1937 in bezit van de familie Milatz (daarvoor van Van Beusekom en Meijer) en vermoedelijk omstreeks 1880 gebouwd.

(9) Niet met Magdalena Antoinetta Muysart, zoals abusievelijk vermeld door Groesbeek en Sterck-Proot. Dat was namelijk de naam van zijn moeder.

(10) Over de kleerschippersfamilie Croon/Kroon is een artikel gepubliceerd in het blad van ‘Oud-Heemstede-Bennebroek’, no.75, februari 1993, pp. 4-9.

(11) Zie o.a. De Konijnenberg. Deel I. In: Oud-Heemstede-Bennebroek, nummer 78 november 1993, pp.99-100.

(12) Zie: H.Krol. “Memoires” van douairière Isabelle Deutz van Lennep-Teding van Berkhout”. In: Oud-Heemstede-Bennebroek, nummer 76, mei 1993, pp.48-54.

(13) Zie verslag in het Haarlem’s Dagblad van 26 mei 1956, alsmede: C.J.H.Raateland. 75 jaar Vrijwillige Brandeer Heemstede. Heemstede, 1986, pagina 69.

(14) Op de plaats van Résidence Beukenrode met 28 zeer luxe (villavervangende) appartementen bevond zich voorheen een bedrijf. Een garage is in 1920 gebruikt voor de vliegtuig- en automobielfabriek van John Moos en compagnon H.Huurnink. Het eerste product de auto ‘Humo’ was juist geconstrueerd toen de twee firmanten slaande ruzie kregen. Na 1926 was hier enige tijd een garage van de Haarlemse Brockway Bus Maatschappij. Een latere gebruiker betrof de Nederlandse Metaalgieterijen, onder directie van K.Suyk, waar lagerbrons werd gegoten. Vóór de bouw van Beukenrode is de vervuilde bodem schoongemaakt.

ons

Inhoudsopgave van ‘Ons Kampboek; een herinnering aan de Ipenrode-kampen in 1944. Samengesteld onder redactie van mej. M.Paape.

kamp2

Gastheer, de heer B.F.Enschedé op het bordes van Ipenrode

 

kamp1

2 foto’s van het zomerkamp op Ipenrode (uit: ‘Ipenrode zomer 1944; een idylle in oorlogstijd’; door Kees de Raadt, Heerlijkheden, nummer 120, april 2004.

 

 

Ipenrode1

Vooraanzicht Ipenrode vanaf de Herenweg gezien

 

BIJLAGE: IPENRODE’ ZOMER 194 EEN IDYLLE IN OORLOGSTIJD

De aanleiding

Zestig jaar geleden, 6 juni 1944, vond de geallieerde invasie plaats op de kust van NormandIë. Het was onzeker hoe lang het zou duren voordat Nederland bevrijd werd. Ook was niet duidelijk of in Nederland zwaar zou worden ge­vochten. Dit had onverwachte gevolgen voor het jeugdig personeel van druk­kerij Joh. En­schedé en Zonen te Haarlem. Deze firma organiseerde in die jaren zomerkampen voor jeugdige werknemers uit het gehele bedrijf; van de jongste maga­zijnbediende tot de ‘kostprijs – girls’ van de boekhouding. Ook kinderen van het per­soneel konden hieraan deelnemen. Voor de zomer van 1944 stond een kamp te Esbeek in Noord-Brabant op het pro­gram­ma. Maar door de in­vasie vond de kamp­leiding1) het te gevaarlijk om zover van huis te gaan. De directeur, de heer B.F. Enschedé, stelde daarop spon­taan zijn land­goed ‘Ipenrode’ beschikbaar. Om de jeugdige kampeerders daar te kunnen opvangen werd de zolder van het voor­malige koetshuis2) inge­richt als slaap­zaal. De zoldervloer was daarvoor royaal be­dekt met stro en er ston­den enkele tuinstoelen. Via een steile ladder, die in het stal­gedeelte stond, was de zolder bereikbaar. Natuurlijk vonden de mees­te acti­vi­teiten in de open lucht plaats. Het park was daarom vrij toegankelijk. Er zouden vier kampen worden georganiseerd. Twee jongenskampen, in de laatste week van juni, en twee meisjeskampen in de eerste week van juli 1944. Per kamp waren er 14 á 15 deelnemers.De opzet van de kampen3) was gelijk. De eerste dag ’s ochtends half negen ver­zame­len op het Raad­huisplein. Daar stond de kampleiding hen op te wachten om van­daar, in optocht, over de Van Merlenlaan naar ‘Ipenrode’ te gaan. Van deze kampen zijn verslagen in boekvorm bewaard gebleven. Uit deze boekjes, die nog aan de orde zullen komen, zijn enkele gebeurtenissen en belevenissen ge­plukt. Zodat wij, zestig jaar later, een beeld krijgen van alledaagse voorvalletjes op ‘Ipenrode’ die door de tijdsomstandigheden niet alledaags waren.

 Naar ‘Ipenrode’

Voor de meeste deelnemers was de reis naar Heemstede in de oorlogsjaren al een hele onderneming. Men ging lopend, per tram of op de fiets naar Heemstede; voor enkelen was de tocht naar het Raadhuisplein niet zonder hindernissen. Zo stapte een groepje jongens op het Hout­plein in de tram richting Heemstede. Nauwelijks zaten ze of de conducteur kwam de pas­sa­giers waarschuwen: “Uit­stap­pen, dames en heren, luchtalarm”. Ze vertrokken met een ruime vertraging. Een week later wachtte een groep meisjes tevergeefs op twee collega’s uit Sant­poort. Het was mooi weer en daarom waren ze op de fiets naar Heemstede vertrok­ken. Tot twee keer toe kregen ze een lekke band. Eerst in Bloemendaal waar een fietsen­maker de band repareerde en op de zwakke plekken ter versteviging extra stukjes had geplakt. Maar de band liep heel langzaam leeg, precies op de plaats waar deze extra verstevigd was. Bij het Raadhuis van Overveen stonden ze weer met een lege band. Een fietsenmaker ter plaatse slaagde er wel in om de band goed te plak­ken. Toen ze eindelijk op het Raadhuisplein aankwamen was iedereen al ver­trok­ken. Bepakt met alle soorten koffers en rugzakken maakten de deelnemers, die wel op tijd waren, hun eerste wandeltocht over de oprijlaan van ‘Ipenrode’. Luid commen­taar gevend over al het nieuws dat zij zagen. Ze hadden helemaal geen idee dat ze zo dicht bij de stad waren. Alles wat zij zagen was ver boven verwachting. Aan het eind van de laan wer­den zij verwel­komd door allerlei dieren: konijnen, kippen, een geit en een dalmatiër, die luisterde naar de naam Samo. Al met al maakte dit op hen een landelijke indruk. Na aankomst meldden de deelnemers zich in de (bij)keuken van het koetshuis. Daar moesten zij hun mee­genomen proviand, distributiebonnen en centen inleveren. De keu­kenstaf schreef hun namen op en ze werden, voor alle zekerheid, nog eens vrien­­delijk onder­vraagd of ze ook boter, suiker, enz. enz. bij zich hadden en niet te vergeten piepers: zwarte of blanke. Na alles verplicht te hebben ingeleverd werden ze de keuken uitge­loodst. Waarna ze langs de steile trap naar de zolder klommen om hun koffers uit te pakken. Het kamp was begonnen …

De geesten van ‘Ipenrode’

“ Wat weinig mensen weten is dat er op ‘Ipen­rode’ – sinds eeuwen – nog voor de tijd dat het ‘De Voorkoekoek’ heette twee geesten wonen.” Zo begon het verhaal dat de jongens en meisjes van de kampleiding te horen kregen. “Een diep onder de oude taxusbomen bij de tuinmans­woning en de ander diep onder het kleine eilandje in de vijver. Eens in de honderd jaar moeten zij voor één jaar die woning verlaten en dan zwerven zij buiten op het landgoed rond. Zo ook in het jaar 1944. Maar hun rust werd gestoord door geruchten van naderend onheil. Ze werden opge­schrikt door vreemde geluiden zoals houthakken, cokes kloppen, gitaar spel en nog veel meer.”  Kortom door de jeugdkampen was het gedaan met de rust van de spoken. Met als gevolg dat de gees­ten van ‘Ipenrode’ zich tijdens de kampen vele keren manifes­teerden vooral tot schrik van de meisjes. Want iedere nacht – wanneer in de verte de toren­klok twaalf uur sloeg – ver­schenen twee dansende witte gedaanten in het weiland. Een paar dappere meisjes wilden de spoken vangen maar die poging strand­de in een brand­netelbos.

Ontgroening

Enkele jongens gingen voor het eerst van hun leven kamperen. En zoals als het des­tijds de gewoonte was, werden zij ontgroend. Dat gebeurde tijdens een bonte avond, waarbij ook directie­leden4) waren uitgenodigd. Van te voren was de zolder ver­duisterd en bij het licht van enkele kaarsjes5) kreeg de zolder een spookachtig aan­schijn. De nieuwelingen kregen een blinddoek voor en moesten één voor één een op­dracht uitvoeren. Zo’n opdracht had iets te maken met een karaktertrekje van het slachtoffer. Een van de jongens was buiten mede­weten van de kampleiding gaan roeien. Hij moest in een hondenmand over de zolder ‘roeien’ en werd met een natte spons in de juiste koers gehouden tot hij voor de voeten van de directie zat en daar een lied­je moest zingen. Een ander, die bekend stond als een slokop, kreeg als op­dracht de ketel, waarin die middag erwten waren gekookt, en waar op de bodem nog een rest­je lag, uit te likken. Maar wel met zijn handen op zijn rug. Er kwam meer in zijn haren dan in zijn mond. Toch doorstond hij de vuurproef. Een derde fietste, tot alge­meen vermaak, met een miniatuur driewielertje over de zolder. Na deze ontgroening volgde een toneelstukje waarin een van de jongens in travestie op­trad. Samenzang sloot de avond af, waarna de heer Enschedé ook namens de toe­schouwers dankte voor de gezellige avond.

kamp3

De hooidoop op Ipenrode

 

De meisjes hadden een ander manier ontdekt om nieuwelingen (en bezoekers) te ontgroenen … de ‘hooidoop’. Dicht bij het huis lag een hooiberg. Argeloze meisjes die langs deze hooiberg liepen werden plotseling door kamp­genootjes overmeesterd. Voor zij het be­sef­ten, lagen ze op de grond, onder het hooi. Hierop volgde een hooi gevecht totdat beide partijen er genoeg van kregen. Deze inwijdingsceremonie kreeg de naam van ‘hooidoop’. Iedereen, die op ‘Ipenrode’ wilde kamperen of op be­zoek kwam, moest deze doop ondergaan. Na deze doop waren ze gemachtigd om aan de diverse spelen deel te nemen. Evenals de jongens organiseerden de meisjes een feestavond. Voor deze avond hadden de meisjes de heer Enschedé en enkele directieleden uitgenodigd. Om zeven uur haalden ze de gasten van het huis af. Toen de heren op het bordes verschenen werden ze eerst toegezongen en daarna ging het gezelschap in optocht naar het kamphuis waar de tafels waren versierd met bloemen. Op het programma stonden o.a. een stoelen­dans en een boerendans. Een en ander afgewisseld met zang bij gitaarmuziek. Ook werd die avond een haaienbruiloft gevierd, wat we ons daarbij voor moeten stellen blijkt niet uit de verslagen.

Aan tafel

Het eten nam een belangrijke plaats in. De maaltijden mochten er dan ook zijn. Het ont­bijt begon met twee borden zoete pap ge­volgd door sneeën eigen gebakken tar­we­brood, plakjes Verkade’s ontbijt­koek, snee­tjes ‘Funke’s’ roggebrood plus een por­tie aardbeien. Tijdens de lunch was er volop soep en stapels belegde boter­ham­men met jam, hagelslag, kaas en worst. En op het eind van de dag een avondmaal. Hierbij was een ruime keuze zoals: bruine bonen, sla, komkommer, bloem­kool en als af­sluiting pudding of pap. Ook waren er dagen dat zelfgebakken pannenkoeken op het menu stonden. Om deze maaltijden mogelijk te maken waren corveediensten ingesteld. Er was een groep die groente schoonmaakte, een andere groep schilde aardappels en na­tuurlijk was er een afwasploeg. Tijdens een van de jongenskampen kwam er voor de lunch zelfs erwten­soep uit Haar­lem. Omstreeks half twaalf vertrokken twee jongens met een grote ketel per tram naar de ‘firma’ om soep te halen bij de cen­trale keuken. Om half een kwamen ze daar aan en lieten de ketel vullen. Een kwar­tiertje later gingen ze dezelfde weg terug en kwart over een waren ze weer op ‘Ipenrode’. Hoe ze de soep de hele reis warm hebben gehouden ver­meldt de historie niet. Bij droog weer werd gewoonlijk buiten ge­geten. De jongens zaten meestal op het gras­veld waar voornoemde kippen de rest­jes wegpikten en Samo regelmatig be­del­de om een hapje. Tijdens het eten wis­sel­den praten, lachen, kauwen en slik­ken el­kaar met onregelmatige tussenpozen af. Bij regen verhuisde men naar de keuken. De meisjes zaten aan twee grote tafels ver­sierd met een vaasje vers ge­pluk­te bloe­men. Ook zij genoten van de uitgebreide maaltijden.

 

(water)sport en spel

Het dagelijkse leven tijdens de jongens- en meisjeskampen bestond uit: corvee, spel­letjes, (veel) eten, zwemmen, roeien, luieren, nacht­wandelingen, kampliedjes zingen enz. Wel was er – sportief – een verschil tussen de jongens en de meisjes. Bij de jongens waren de spelletjes ruw en gericht op strijd. Zo werden ze bijvoor­beeld in twee ploegen gesplitst die elkaar ‘be­voch­ten’ om in het bezit van een vlag te komen of om alle zak­doeken van de tegenpartij te veroveren. Zelfs tijdens een rustige bezig­heid als vissen liep een van de jongens een hoofdwond op. Hij moest zich onder dok­ters­behande­ling stellen, dat verhinderde hem echter niet om tot laat in de nacht aan alle acti­viteiten deel te nemen. De spelen van de meisjes waren rustig en de nadruk lag meer op competitie en be­hendigheid. Er waren hardloopwedstrijden op de oprijlaan. Die werden gehouden in drie series met een finale, die gewonnen werd door Tonny. De eerste prijs was een lauwer­krans en ‘taai taai’. Ook hielden zij een speur­tocht met pijltjes en geheime brief­jes in verborgen hoekjes. De tocht voerde door loopgraven en schuilkelders om te eindigen bij de (doop)hooiberg. Wat een mooie aanleiding was om weer een hooigevecht te houden. Zowel bij de jongens als de meisjes had het water een bijzondere aantrekkings­kracht. Er werd volop gezwommen in de tankgracht6) die voor de kampeerders dienst deed als zwembad. Dat het water groenig was, met hier en daar wat kroos, waterplanten en modder, en dat je soms een aal of een vis tegen je benen voelde mocht de pret niet drukken. Het gemak waarmee deze gracht kon worden over­ge­zwommen deed een van de gasten twijfelen aan de militaire waarde van het ‘ding’. Ook lag in de vijver een roeibootje om te spelevaren. Maar roeien is een kunst die geleerd moet worden. Zo gingen zes jongens kopje onder toen zij samen aan één kant van het bootje wilde uitstappen. Het vaartuig kapseisde en met stinkende, zwarte, glibberige pakjes kwamen zij terug op het kamp. Onder grote belangstelling werden ze met een tuinslang schoon gespoten. Een groepje meisjes zou overigens een week hetzelfde overkomen! Een ander groepje meisjes roeide al zig­zag­gend via de tankgracht de Leidse­vaart op om daar in aanvaring te komen met een palingfuik. Een woedende visser kwam drei­gend op hen af. In pa­niek kon­den de dames zich niet zo gauw uit hun benarde situatie redden. In de con­ster­na­tie raakte een van de meisjes met een roei­riem bijna het hoofd van de fuiken­zetter. De man was zo kwaad dat hij de boot wilde om­gooien. Gelukkig kon­den ze nog bijtijds wegkomen.

kamp4

Spelevaren  rond Ipenrode

 

Bij maanlicht

Donderdag 5 juli 1944 was het volle maan. Door de verplichte verduistering, dus geen straatverlichting, en de afgelegen ligging van ‘Ipenrode’ waren de nachten tijdens de meisjeskampen door de maan helder verlicht. Deze avonden inspireerden de meisjes tot poëtische beschouwingen. Ieder op haar eigen wijze. De een zocht de eenzaamheid op om van het schouwspel te genieten: “Doodse stilte heerst om mij heen ijle zilverachtige nevels komen geruisloos aan­zweven en leggen zich als be­schermend over het weiland. Nauwelijks hoorbaar schijnen de bomen met elkaar te fluisteren en lijken in hun onbeweeglijkheid on­verwoestbare wachters. Beschenen door de maan ligt daar het witte huis sprook­jesachtig in al haar schoon­heid. De in­druk­ wek­kend van grote eenzaamheid. Geen zuchtje is te horen alle ellen­de al het strijd­gewoel alle problemen schijnen zich op te lossen in de adem­be­ne­men­de schoon­heid van de nacht. Ik voel een niet te beschrijven verruk­king in mij opstijgen. Ik wil het uit­ju­be­len en tegelijk in deemoed neerzinken. Ik blik naar de maan. Was zij ooit zo mooi als deze nacht? Ondoorgrondelijk als een sfinx blijft zij mij aanstaren van haar onbe­reik­bare hoogte in haar nauwelijks merkbare glimlach schijnt het eeuwige mysterie be­sloten te liggen. Alles om mij heen ver­vaagt en wordt on­wer­kelijk.” Anderen zochten elkaars gezelschap. “Een juweeltje van een optocht was dat iedere avond. Als de maan dan in volle glorie hoog aan de hemel stond zaten wij in diepe bewondering op een bank naar dit geweldige schouwspel te kijken. Over het bos en de weiden hing een dichte nevel. Het geheel was zo mooi als een nacht uit een sprookje. Reuze ro­man­tisch. Dan te bedenken dat het grote deel van de mensen niets van dit prachtige gezien heeft. We konden er dan ook niet toe komen om naar bed te gaan en zijn tot onge­veer drie uur opge­bleven.” Waarna ze de ladder naar de slaapzolder opklommen. Om daar, minder poë­tisch, uit hun slaap te worden gehouden door: muggen, aan het stro knagende muizen en een mek­kerende geit.

Nachtelijk incident

Op een van deze nachten slopen een paar meisjes, bij het licht van ontel­bare ster­ren en een ‘toneelmaan’, naar de aanlegplaats van de roeiboot. De riemen plonsden in het donkere water. Toen klonk een mannenstem van de oever over het water: “goede avond dames”. Een stroper, een min­naar ze wisten het niet. De schrik zat er goed in, ze roeiden dus snel terug en vertelden het gebeuren aan de achterblijfsters. Er was een manspersoon gesignaleerd en nog wel in het holst van de nacht. De meisjes staken de hoofden bij elkaar. Het scheelde niet veel of er was een ‘com­missie tot verdediging’ benoemd. Gelukkig sprak iemand kalmerende woorden; “ik heb een zakmesje bij medus in geval van nood!” Daarop werden de deuren zorgvuldig gesloten en de ladder werd met vereende krach­ten de zolder opgetrokken. Want aldus een van de meisjes: “…stel je voor dat de boef één van ons komt schaken.” Sommigen vonden dat niet zo erg en mompel­den iets van “romantisch”. Opeens brulde een stem over de donkere zolder dat er een man voor het raam stond. Met veel kabaal verdwenen de meisjes onder de dekens en bleven daar een poosje doorgillen. De kampleiding, in de persoon van juffrouw Dijkster­huis, ging man­haftig op onderzoek uit en kwam tot de ontdekking dat het maar een stoel was; met een deken erover gedrapeerd. Dat deed de ‘vreugde’ enigszins zak­ken. Om de meisjes te troosten speelde zij nu voor spook en rende in overmatige ijver een paar maal de zolder op en neer met haar slaapzak als vermomming. Dat geren maakte op de meisjes niet veel indruk. Tot zij haar voet tegen de reeds ge­noemde ladder stootte en ze de voorstelling beëindigde.

De oorlog

‘Ipenrode’ is nooit door de Duitsers gevorderd. Het landgoed lag tamelijk geïsoleerd; aan de zuidkant een tankgracht, in het westen de Leidsevaart, noor­de­lijk een sloot met aan de overkant een garagecomplex. Het hoofdgebouw was aan alle kanten omringd door water. In noodgevallen was er slechts één ontsnap­pingsroute … de lange oprij­laan. Waarschijnlijk vonden de Duitsers dit riskant7). Op ‘Ipenrode’ was dus weinig van de Duitse bezetting te merken. Daarom was het voor de deel­nemers een oase in oorlogstijd. Een van hen merkte dan ook op: “ Wat is de natuur toch prachtig en vredig en het dringt niet tot ons door dat er zoveel in de wereld geleden wordt.” Toch was de oorlog niet veraf, want tijdens de stille nachtelijke uren klonk … “ een sinister gedreun in de verte. Hoor daar zijn mensen in levensgevaar! Wrede oorlog, wrede mensen in zo’n mooie wereld . Ik dacht aan de mensen, de vrouwen en kin­deren die deze nacht misschien in het open veld moeten doorbrengen. Ik dacht aan onze jongens die elders werken; aan onze jongens op zee, die nu al meer dan vier jaar van huis zijn, die dag en nacht in weer en wind moeten strijden. Ik dacht aan ons kamp. Ons kamp geheel afgesloten van de buitenwereld.”

De gastheer B.F.Enschedé

De heer Enschede nam – voor zover zijn werkzaamheden dat toelieten – actief deel aan het kampleven. Hij genoot van de maaltijden, zong de kampliedjes mee en was ere­gast op de feestavonden. Voor de meisjes was dit een reden om hem met enig ceremonieel te instal­leren tot ‘Kamp­vader’. En zoals een goede vader betaamt, nam de heer Enschedé de aan het vaderschap verbonden verplichtingen serieus. Hij vond het bijvoorbeeld nodig vooraf het eten te keuren. ’s Avonds als hij van de zaak terug kwam stapte hij zonder enige schroom de keuken binnen. Hij licht­te de dek­sels van de pannen en snoof keurend de etens­geuren op. Als het er erg lekker uit­zag, zoals pannenkoeken met aardbeien, nam hij een voorproefje. Tijdens de maanlichte avonden, waarop de meisjes gezellig en knus kampliedjes zongen, was de heer Enschedé vaak aanwezig. Zijn bariton was boven de meis­jes­stemmen uit te horen. Een van de meisjes merkte op: “Aan de stem van de heer Enschede had ik echter reuze steun, die galmde tenminste over­al boven uit! Geen wonder hij had bij de vorige kampen goed kunnen oefenen.” Voor de meisjes was deze vaderlijke toewijding een reden om hem de laatste avond uit te nodigen voor het diner. Ter ere hiervan was de tafel met bloemen versierd. En zijn stoel was in een bloementuintje veranderd. Als blijk van waardering voor de ge­noten gastvrijheid werd hem nog een bos anjers aangeboden. De ‘kampvader’ dank­te zijn ‘kinderen’ hiervoor hartelijk. De goede relatie die, op de kampen, was ontstaan tussen de heer Enschedé en zijn jeug­dig personeel bleek ook op het bedrijf. Aan een van de kampleiders vertelde hij – enkele weken later – dat: “… soms, wanneer ik door de fabriek wandel, worden mij plotseling van achter stapels papier kampliedjes toe gefloten. Waarna meestal een of andere ondeugende jongenssnoet om een hoekje gluurt en een vertrouwelijk knikje geeft zo van ‘ons kent ons’.”

Ons Kampboek

De jongens, de meisjes en de kampleiding (!) waren zo enthousiast over hun verblijf op ‘Ipenrode’ dat zij, ieder op hun eigen wijze, hun belevenissen en indrukken op pa­­pier hebben gezet. Ook enkele gasten hebben hun ervaringen vastgelegd. De een schreef een verhaaltje en de ander een gedicht. De stukjes werden gebundeld in twee boekjes; elk met de titel ‘ONS KAMPBOEK’ met als ondertitel ‘Een herin­ne­ring aan de ‘Ipenrode’-Kampen in 1944’. De typografische verzorging lag in handen van Theo de Wal8). De boekjes waren bestemd voor de deelnemers en het personeel van ‘Ipenrode’ dat had meegewerkt aan de vakantiekampen. De oplage is niet hoog geweest, naar schatting ongeveer 50 per kampboekje. De boekjes bevatten een aantal blan­co pagina’s om foto’s op te plakken9). Hierdoor kregen ze een persoonlijk karak­ter. De verschijningsdatum van de boekjes was 19 augustus 1944. Deze datum was bewust gekozen omdat de gastheer, B.F. Enschedé die dag zijn 51ste verjaardag vierde. Met deze boekjes boden de deelnemers hem een passend cadeau aan, om­dat – volgens het voorwoord – het ‘… een aangename en prettige herinnering was voor allen, die bij het kamp betrokken zijn geweest en tevens een poging van ons om aan onze gastheer iets te geven, waar hij nog jarenlang genoegen van zal kun­nen hebben.’

Schuilplaats

Enkele weken na de zomerkampen, in de middag van 25 juli 1944, werd door het verzet een overval gepleegd op het Heemsteedse politiebureau, toen nog aan de Raadhuisstraat. Doel was vijf arrestanten te bevrijden, die waren opgepakt om­dat zij zich niet hadden gemeld voor de Arbeidsinzet. Deze overval mislukte gedeeltelijk. Ver­zets­man Marinus Vaumont, die een belangrijke rol had bij deze bevrijdingspoging werd door een politieagent doodgeschoten. En al snel na de ontsnapping werden twee vluchtelingen op het terrein van Seminarie Hageveld aangehouden. Twee andere gevangenen, Charles Huisman en Johannes Swan, wisten wel uit de handen van de politie te blijven. Zij vluchtten naar Ipenrode10) en hielden zich schuil op dezelfde zolder die eerder onderdak had geboden aan de kampeerders. Die avond kwam de heer Enschedé, met een fles wijn, ze daar bezoeken om hen op te beuren. De volgende dag werden ze door de heer P.W.A. van Breemen, particulier chauf­feur van de heer Enschedé, met het roeibootje de Leidsevaart overgezet en wisten zo te ontkomen.

Tot slot

Het doel van de kampen was bij de jongeren een gevoel van saamhorigheid en ka­me­raadschap te kweken; in huidig jargon ‘teambuilding’. Dit doel was volgens de kampleiding bereikt omdat deze dagen zo­wel bij de jongens als de meisjes een ge­voel van waardering en vriendschap had wakker geroepen. Opdat zij straks – als de vrede er weer is – klaar zouden zijn om mee te kunnen bouwen aan een gezond en krach­tig Nederland. Maar er was nog iets. Als je jong bent, 14 of 15 jaar, vormen vier jaar onder Duitse bezetting een belangrijk deel van je leven. Je bent bijna vergeten hoe het is om in vrijheid te leven. De kampdagen op ‘Ipenrode’ gaven hen daarom even het gevoel van vrij te zijn. Geen angst om te worden aan­gehouden. Je overal vrij te kunnen bewegen zon­der dat er naar je per­soonsbewijs werd gevraagd. Bovendien nog on­bewust van de barre maan­den die zouden volgen: de te­leurstelling na Dolle Dins­dag, razzia’s en een honger­winter. Een van de meisjes lag de laatste nacht lang wakker vol van alles wat ze had mee­gemaakt. Ze schreef: “ In de verte slaat de klok vier uur en ik ben nog steeds wak­ker. Ik bedenk dat ik over een paar uurtjes weer naar huis moet en dat wil ik niet. Terwijl ik nog over een plan lig te peinzen om me op ‘Ipenrode’ te verbergen, val ik uiteindelijk in slaap.”

Bronnen

Dit artikel is grotendeels gebaseerd op de twee kampboekjes. Ook de foto’s zijn uit deze boekjes afkomstig. Voorts ontving ik aanvullende informatie van mevrouw O.E.L. van Breemen, die de jeugdkampen van nabij heeft meegemaakt. De heer V.C. Klep verstrekte mij gegevens over de overval op het politiebureau. Beide dank voor hun medewerking.

Kees de Raadt

Noten

1 De kampen werden georganiseerd door personeelsleden van Enschedé. Voor zo­ver kan worden na­gegaan berustte de leiding van de jongenskampen bij de heren: Sietses en De Wal. De meisjes­­­kam­pen werden geleid door de dames: Paape (bedrijfsmaatschappelijk werkster), Hoeflake en Dijksterhuis. De keuken­staf bestond uit per­so­neel van ‘Ipenrode’ te weten de dames Langeveld en Stolp, Zij kregen de ere­titel ‘Ma’ .

2 Destijds in gebruik als dienstwoning en garage. De stal en paardenboxen waren nog aanwezig. Een gedeelte van het koetshuis deed dienst als bijkeuken.

3 Er waren per week 2 kampen: een van 3 en een van 4 dagen. Niet duidelijk is wie 3 en wie 4 dagen op ‘Ipenrode’mochten kamperen. Vermoedelijk zal dit verband heb­ben gehouden met de leeftijd.

4 De volgende directieleden bezochten de kampen één of meerdere keren: B. F. Enschedé, jhr. W. van Andinga de Kempenaer, B.W. van Riemsdijk en M. van der Meer.

5 Blijkbaar werd niet beseft dat brandende kaarsjes én stro een brand­gevaarlijke combinatie vormen.

6 Deze tankgracht lag ten zuiden van het landgoed. De gracht was bovendien opgehoogd met een aarden wal.

7 Mededeling mevrouw O.E.L. van Breemen.

8 Een bijzonder detail. In verband met papierschaarste en distributie moesten drukkers vanaf juli 1941 op al hun drukwerk een zogenaamd Kennummer ofwel K-nummer vermelden. Bovendien mochten bepaalde publicaties niet meer worden gedrukt zoals: gelegenheidsdrukwerk, albums, ver­eni­gings­tijd­schriften enz. In de kampboekjes ontbreekt een K-nummer en door de inhoud vielen ze ongetwijfeld onder het drukverbod. Waarschijnlijk zijn ze dus illegaal gedrukt.

9 Tijdens de kampweken zijn volgens de verslagen tientallen foto’s gemaakt. Ieder boekje kan dus andere foto’s bevatten. De fotograaf is onbekend.

10 De vader van Charles Huisman was bevriend met de heer Enschedé. Dus Ipenrode was voor hem bekend terrein.