Een bezoek van Willem de Clercq aan het Oude Slot in 1806, Kennemeroord, en het ongewisse lot van door Adriaan Pauw verzamelde wapens

Niet ver van Haarlems grijze vest, In Heemsteês lustrijk oord, Ligt een Kasteel, dat door het groen, Zijn trotsche torens boort. Niet slechts zijn poort en muur en brug, Door ’t woên des tijds verschoond, Neen binnen is ‘t, of op het Slot Nog Jan van Heemstee woont. In dat zoo adelijk gesticht, Vertoont de Wapenzaal, Bij harnas, vuurroer, speer en schild,  De aloude Ridderpraal”.(…) (Adriaan Loosjes)

Van de ongeveer 90 collectioneurs van enige importantie in de Hollandse Gouden Eeuw was ridder Adriaan Pauw ondanks zijn drukke bestuurlijke besognes niet een van de geringste. Het gelukte hem de grootste bibliotheek van zijn tijd bijeen te brengen. Hiernaar is de laatste jaren intensief archief- en literatuuronderzoek gedaan en enige tijd geleden is een deel van de ‘Bibliotheca Heemstediana’, zoals Pauw’s boekerij door de dichter Bruno werd genoemd, opgespoord in de ‘Herzog August Bibliothek’ te Wolfenbüttel (1). Het oude Heerlijkheidsarchief is via de familie Beels in bezit gekomen van de gemeente Heemstede. Betrekkelijk weinig is gepubliceerd over de herkomst en het lot van de oudheden, beelden, wapens en rariteiten die mede het Slot te Heemstede tot een waar Hollands-Renaissancistisch lustslot hebben gemaakt. Na zijn pensionering als schout-secretaris op 69-jarige leeftijd bleef Willem Dólleman nog werkzaam als notaris en heeft hij veel tijd gestoken in een geschiedschrijving van Heemstede op basis van het Heerlijkheidsarchief. Zo vervaardigde hij in 1793 een inventaris van documenten, boeken, kaarten en tekeningen, charters, papieren e.d. betreffende het Huis te Heemstede en de riddermatige familie Pauw (2). In dat jaar is zijn Huis ofwel Slot en de Heerlijkheid Heemstede voor een bedrag van ƒ 125.000,- door de toenmalige ambachtsheer Leonard Pauw verkocht aan Vrouwe Johanna Maria Dutry, wegens “wederzijdse tegenstrijdigheden van humeuren en daaruit voortvloeiende huis-geschillen” in 1781 gescheiden echtgenote van J.F.H, de Drevon (3). In ‘s-Gravenhage bezat Dutry vier huizen en zelf bewoonde zij een patriciërswoning aan de Riviervismarkt. Jonkvrouwe Dutry kwam na de Bataafse Omwenteling in conflict met schout Jan Dólleman, die zij van van zijn posten onthief. Dólleman spande een rechtszaak aan, en heeft na een financiële regeling het Slot verlaten, maar is door de volksstem in zijn functie hersteld. Het kasteel en de overige Heemsteedse bezittingen werden beheerd door een rentmeester, tevens kastelein ofwel slotbeheerder. Op l november 1796 is een lijst gemaakt van “alle de Geweeren, Wapenen en verdere Rariteiten, zig bevindende op de zogenoemde Geweer Zaal, op den Huijze van Heemstede”. Op dat moment behalve 38 Oost- Indische rariteiten – op verzoek van de Heer van Heemstede met VOC-schepen naar Holland gebracht – intotaal zo’n 400 geweren, stukken geschut, hellebaarden, harnassen, sabels, degens, spiesen, schilden en ander wapentuig bevattende. Merendeels verzameld door Adriaan Pauw en aangevuld door diens zoon Gerard Pauw met wapens afkomstig uit het arsenaal van Delft. Naast enkele middeleeuwse tournooilansen behoorden 5 – intussen beschadigde – met ivoor ingelegde geweren uit 1590 tot de topstukken van deze museale collectie evenals een in 1578 door de grootvader van Adriaan Pauw gebruikt burger-vaandel der stad Amsterdam. Via het Engelse dagboek van Lodewijck Huijgens is bekend dat de Heer van Heemstede als ambassadeur in Engeland behalve boeken uit het bezit van koning Karel V ook 24 fraai bewerkte antieke speren – nota bene afkomstig uit de Tower! – als geschenk van het Engelse Parlement heeft ontvangen. Het was een gewoonte van Pauw aan zijn gastheren duidelijk te maken waar zijn persoonlijke belangstelling naar uitging. Uit het decennium van vóór de afbraak omstreeks 1810 kende ik tot voor enige jaren slechts twee beschrijvingen van bezoekers die het interieur van het kasteel bezochten, te weten Adriaan Loosjes in zijn ‘Hollands Arkadia of wandelingen in de omstreeken van Haarlem'(4) en H.Potter: ‘Reizen door een grootgedeelte van Zuid-Holland gedaanin de jaren 1807 en 1808’ (5). De heer W.A.de Clercq uit Santpoort-Zuid maakte mij in 1996 attent op het feit dat diens betovergrootvader Willem de Clercq in zijn jeugd dikwijls op ‘Kennemeroord’ logeerde bij zijn oom Herman Rahuzen en tante Sara Rahuzen-de Clercq. Op donderdag 26 juni 1806 heeft voornoemde Willem de Clercq met zijn vader Gerrit een bezoek gebracht aan het Huis te Heemstede.

Schildpadschilden. Het linkerschild is beschilderd met het wapen van de Heer van Bennebroek. Dergelijke schilden dienden niet ter verdediging maar als decoratie. Afkomstig uit wapenzaal van het Slot te Heemstede en na afbraak van het Slot te Heemstede via Willem Hekking jr. in het Oude Doolhof, nu in het Historisch Museum van Amsterdam terecht gekomen.

Willem de Clercq (1795-1844)

Willem de Clercq, telg uit een Amsterdams koopmansgeslacht, behoort met Bilderdijk en Da Costa tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de protestantse richting in de romantiek en van het Nederlandse Réveil, een (internationale) beweging van orthodox-reformatorische strekking. Toen koning Willem 1 in 1824 de Nederlandsche Handelmaatschappij oprichtte werd De Clercq secretaris en later directeur van deze instelling. Hij stond bekend om zijn eloquente improvisaties als dichter en spreker, maar publiceerde weinig. Wél hield Willem de Clercq gedurende meer dan dertig jaar een dagboek bij, dat door Allard Pierson in 2 delen (I: 1811 1824; II: 1828-1844) onvolledig is uitgegeven in 1888. Door een historicus gekenschetst als “het bijzonderste, menselijkste en dichterlijkste document van het Réveil” (6). De Clercq logeerde ’s zomers vaak in de omgeving van Haarlem, op  ‘Zomerzorg’ in Bloemendaal of bij zijn familie op het buiten ‘Kennemeroord’. In haar standaardwerk over het Réveil schreef dr. M.Elisabeth Kluit: “In januari 1836 maakte de jonge theoloog Nicolaas Beets (1814-1901) kennis met Isaac da Costa en woonde enkele van zijn colleges bij. De kennismaking ging al spoedig over in hartelijke toenadering. In 1840 werd Beets in Heemstede beroepen. Da Costa, De Clercq en Pierson waren dikwijls zomers met hun familie buiten in Heemstede en kerkten dan bij Beets. (…) Het was een reeds vermoeide en geestelijk afgetobde Willem de Clercq, die in Heiloo en in Heemstede bij Beets naar verkwikking voor zijn moegestreden ziel zocht. Een verkwikking die hij zich maar node toestond en dikwijls ook zou ontzeggen” (7).

Kennemeroord

Kennemeroord; door P.J.Lutgers, circa 1840

Het was Jan Baptist van Keulen die de eens vermaarde herberg ‘De Dorstige Kuil’ aan de Herenweg omstreeks 1800 transformeerde in een buitenplaats, genaamd ‘Kennemeroord’. Blijkens de bewaard gebleven transportacte heeft Van Keulen de nieuwe hofstede, groot 4,5 hectare, tegelijk met twee percelen weilanden gelegen aan de Herenzandvaart, groot 863 roeden, voor in totaal ƒ 19.750,- verkocht aan Herman Rahuzen. De nieuwe eigenaar was een succesvol koopman in Amsterdam, oorspronkelijk afkomstig uit Leer in Oost-Friesland (Duitsland) en gehuwd met Sara de Clercq, een zuster van de vader van Willem de Clercq. Het landgoed omvatte achter het herenhuis dat dicht aan de Herenweg stond een theekoepel, menagerie, koetshuis en stalling, tuinmanswoningen oranjerie (8). Het was voornamelijk in zijn jeugdjaren dat Willem de Clercq met zijn vader op Kennemeroord verbleef. Diens dagboek dat in druk wellicht meer dan 30.000 pagina’s zou beslaan – vangt aan op 9-jarige leeftijd! De volgende passages komen uit het 10e hoofdstuk, 3e journaal van Kennemeroord, met een aardige beschrijving  van een bezoek aan het Slot te Heemstede. De datering is donderdag 26 juni 1806 (9), aldus geschreven op 11 jarige leeftijd! Februari 1816 zou Willem de Clercq, lopende in de sneeuw van Leiden naar Haarlem, onderweg de door Jacob Abraham van Lennep aangelegde (gefingeerde) ‘graftombe van Rousseau nabij Soekabrenti  onder Heemstede bezoeken, hem  via Loosjes bekend. De Clercq was  een groot bewonderaar van voornoemde Franse schrijver en cultuurfilosoof, ”’s Ochtends speelden wij met de bal, Oom Rahuzen met Papa in de chais gaande rijden vroeg deze laatste mij of ik agterop wilde staan. Wij reden de laan van Juff Hodshon (a) De Leidsche Vaart en bij Schouwtje na de Wagenweg de Stad door zagen ’t huis van de Heer Barnaard bijdewelke de koning gelogeerd heeft (b). Vervolgens reden wij de buitensingels, toerden eenige laanen in den hout reden de Spanjaardslaan en Heerenweg na Kennemeroord. Te 3 uur wandel de duinen, en wij wandelden den Agterweg tot Heemstede waar wij vroegen om het slot te zien ’t geen ons toegestaan wierd waar van ik de beschrijving zal geven. Een ontzagelijke oprijlaan leidt na het slot. Wij klopten aan de poort, zij ging open en men trad in een tuin waar men de wallen van ’t slot zag waar op grote kloten (d) en gebeeldhoude leeuwen (e) zag de tweede poort van ’t slot doorgegaan zijnde kwam men in ene plaats daar zag men het borstbeeld van den stichter Jan van Heemstede (f) daar zag men een antique pomp (g). Wij klommen vervolgens de geweer-kamer: daar een gansch harnas met een helm en visier was men zag er schilden welke de huiden van schildpadden waren (h). Er was een zeer fraai schild waarop Prins Maurits te paard sittende verbeeld was en  op de schoorsteen pronkte een steen van Egyptische afkomst (i) nevens een Jacobas kannetjen (j). Men zag er kleine kanonnen, een schild waarin een kanonnetje was, een ijzeren stormhoed. Aan de wanden zag men enige oude bogen het vaandel van een pijlkoker, donderbussen, degens, allerhande soorten van lancen, speeren en spietsen, bussen daar men het kruid in plagt te hebben. Papa zag een klein raampje en was zeer nieuwsgierig om te weten wat het verbeelde en hoorde dat gediend had tot een schoenenkast Vervolgens kwamen wij in ene andere kamer alwaar het Profil van Constantinopelen (k) hong. Wij kwamen in de ridder kamer alwaar een zeer fraai geweven behangsel was verbeeldende een jagt (l). Wij kwamen ook in de oude wapenkamer alwaar al de oude wapens der overleedene heeren waren (m). Wij zagen nog enige andere kamers daar bijna niets aan te zien was en klommen op de toren door kleine en naauwe trapjes. Daarboven was een verrukkelijk gezigt. Het oog ontdekte het Sparen daar het zich in den Haarlemmermeer uitstort (n), het zeeduin int kort den geheelen omtrek toen gingen wij na den herberg alwaar wij advocaten borrel dronken t geen ons zeer verkwikte. Wij wandelden den landweg weder terug alwaar wij ontrust werden dooreen koe wiens hoofd aan zijn poot vast gebonden was en die ons agterna wilde zitten Smiddags wandelen en wij dronken thee in de biliard” (o).

Het Huis te Heemstede ofwel Oude Slot in volle glorie; door Gerrit Berckheyde

Vooromslag van een in 1999 verschenen boek over Willem de Clercq (1795-1844), geschreven door W.A.de Clercq, een betachterkleinzoon.

Vooromslag van een in 1999 verschenen boek over Willem de Clercq (1795-1844), geschreven door W.A.de Clercq, een betachterkleinzoon.

Noten

(1) Zie de bijdrage van Marika Keblusek: “Heerlijke’ boeken voor de hertog; Hertog August en de verkoop van de bibliotheek van Adriaan Pauw’. In: ‘De Boekenwereld’, 10e jaargang, nummer 2, december 1993, blz. 71-84.

(2) Als bijlagen E, F en G gepubliceerd in de VOHB-uitgave ‘Het Slot van Heemstede onder Adriaan Pauw’, 1949. Aan de wapenzaal wijdde dichter-toneelschrijver en historicus Pieter Langedijk enkele regels in zijn ‘Lofkrans van de Stadt Haerlem’: ‘Voorts doemt zich Heemstede op, een ad’lijk slot aan ’t Spaaren, waarin men wapens van ’s lands graven ziet bewaaren, Met vuurslotpieken, en meeer ander moordgeweer der Spaansche dwing’landy.’

(3) Haar levensverhaal is beknopt door Kees de Raadt beschreven in het tijdschrift ‘Oud-Heemstede-Bennebroek’, 22e jaargang, no.85, augustus 1995, blz. 92-107.

(4) In drie stukken gepubliceerd in 1804-1805, in totaal 606 pagina’s bevattend. Een tweede druk van twee stukken verscheen in 1814 en een volledige herdruk in 1830. Tijdens de Tweede wandeling’, blz.l6vv is een romantische beschrijving van een bezoek aan het Slot van Heemstede weergegeven.

(5) Amsterdam, 1809. Onder Heemstede komen met name de Slag aan het Manpad, de Hartekamp, Meer en Bosch, de Kerk en vooral de historie van het Huis ter sprake op de pagina’s 129-147.

(6) Gerlof Verwey, Geschiedenis van Nederland; levensverhaal van zijn bevolking. 2e druk. Amsterdam, 1983, blz. 728.

(7) E.M.Kluit, Het Protestantse Réveil in Nederland en daarbuiten 1815-1865. Amsterdam, 1970. Gebruikte citaten op pagina’s 417 en 418.

(8) In 1835 is ‘Kennemeroord’ voor ƒ 28.000,- in bezit overgegaan aan Lodewijk Raphael Bisschoffsheim. Vanwege verbreding van de Herenweg is dit huis omstreeks 1925 afgebroken en heeft men een nieuw herenhuis gebouwd op de plaats van het huidige zorgcentrum.

(9) Ontvangen van de heer W.A.de Clercq (die een biografie over zijn voorvader voorbereidt) zijn dit de bladzijden 36 en 37 van het tijpwerk dat ongeveer 20 jaar geleden gemaakt is van het manuscript van Willem de Clercg, dat zich bevindt in het Réveil-archief van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Willem de Clercq noemde het jaar 1806 niet, maar met behulp van ‘De Tijdgids’, het intekenboek bij ‘De Republiek 1477-1806′ door Jonathan I.Israël, is het jaartal gevonden, ’s Ochtends reed De Clercq met zijn vader langs het huis van de heer Willem Barnaart aan de Nieuwe Gracht, “bij dewelke de koning gelogeerd heeft”. Dat moet koning Lodewijk Napoleon geweest zijn. Verondersteld wordt dat de familie Barnaart in het buitenhuis te Vogelenzang een ‘koningskamer’ had, maar het is mogelijk dat men indertijd het interieur heeft overgebracht van het stadshuis naar het buitenhuis.

Kennemeroord in 1912. Het huis moest in 1926/1927moest wijken vanwege verbreding van de Herenweg.

(a) Jonkvrouwe Cornelia Catharina Hodshon was van 1793 tot 1818 eigenaresse van de buitenplaats Oud-Berkenroede, gelegen op de hoek van de Herenweg en de Zandvoortselaan, zich in westelijke richting uitstrekkende tot de Leidse vaart.

(b) Bedoeld wordt het stadshuis van de vermogende Willem Philip Barnaart aan de Nieuwe Gracht op nummer 7. Lodewijk Napoleon heeft in het Haarlemse stadhuis vertoefd voordat hij eigenaar werd van het Paviljoen.

(c) De huidige Kerklaan heette in de 17e eeuw Heerenzandvaart en werd later in de volksmond ook Postlaan genoemd, omdat zich op de hoek van de Herenweg het (Oude) Posthuis bevond.

(d) Deze kloten ofwel stenen bollen waren afkomstig uit Leiden, Osnabrück en de Tower in Londen.

(e) Bedoeld worden de twee nog bestaande schildhoudende leeuwtjes op de dekplaat van de leuningen bij de toegang van de Vredesbrug. Daarentegen zijn de twee stenen leeuwen die een afgesloten hekje nabij een steiger van de slotgracht flankeerden – te zien op een schilderij van Van Berchem uit omstreeks 1647 spoorloos verdwenen.

(f) Met het ‘beeld van de stichter’ in een nis boven de Tecklenburgse poort (vroeger hoofdingang van het kasteel) werd Jan (Ie Fèvre) van Heemstede bedoeld. Volgens Loosjes had het beeld een arm verloren. De historicus J.C.Tjessinga acht het niet onmogelijk dat een statue van de Beschermengel, ‘Angelus Tutelaris’, begin 19e eeuw voor die van de ‘stichter’ is aangezien. Ook op de binnenhof bevonden zich nissen waar vermoedelijk de bustes van keizer Karel V en koning Hendrik V111 van Engeland zijn geplaatst. Tijdens de naoorlogse archeologische opgravingen is van een borstbeeld een stuk achterhoofd gevonden met golvend haar, waaronder een plooikraag en een stuk van de borst, overdekt met de platen van het harnas. Wellicht één van twee bovengenoemde figuren?

(g) Voor de waterpomp was de volgende tekst – vertaald uit het Latijn -gegraveerd: “Hoofdzaken van het menselijke leven zijn water, kleding en huisvesting”.

(h) De Grote Zaal werd ook Geweerzaal genoemd, als museale uitstalling van de door Adriaan Pauw verzamelde wapens. Deze stamden voor een groot deel uit de Middeleeuwen, en voor de rest hoofdzakelijk uit de Spaanse tijd. Een laatste aanwinst van omstreeks 1800 betrof een nabij de Manpadslaan opgegraven sabel, welke volgens Loosjes en Potter vermoedelijk gebruikt zijn in de veldslag bij het Beleg van Haarlem (1573). In het midden van deze zaal hing een prachtige ijzeren kroon, die was versierd met geweien van herten. Toen Jan Dólleman op 19 october 1810 het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde was de sloop van het kasteel in volle gang. Voor zover bekend is van de inhoud aan roerende goederen als meubelen, tapijten en wapens geen inventarislijst gemaakt. De voorwerpen zijn op een provisorische veiling aan de hoogste bieders verkocht. Mr.N. de Roever schreef in een artikel over de Rariteitenkamer, destijds verbonden aan het Amsterdams Gemeentearchief, in het tijdschrift ‘Oud-Holland’ (1885) over de wapens afkomstig van het Huis te Heemstede: “Bij de slooping viel geheel de collectie in handen van een israëlïtsch koopman, die ze weder aan aan den toenmaligen eigenaar van het Doolhof verkocht. Deze deed op zijn beurt weer het grootste deel er van over aan een ander, en zoo kwam dit deel ten slotte op het Koninklijk Lustslot Soestdijk terecht. Wat er in het Doolhof bleef ging in 1862 in eigendom aan de stad over. Het vormt thans eigenlijk de kern der verzameling (…)”. Jacob van Lennep die op het moment van de sloop acht jaar was maakte zich bijna een halve eeuw nadien nog boos over deze vorm van cultuurbarbarisme. Hij schreef: “Ik herinner my nog flaauw de prachtige antieke standbeelden, waarmede het voorportaal prijkte, de keurig gebeitelde opschriften en wapenborden, en de groote zaal die een waar arsenaal bevatte van middeleeuwsche rustingen en handwapenen; doch levendig daar tegenover herinner ik my mijn smart, toen dat prachtige gebouw, ’t welk ik ’s zomers alle Zondagen, als ik met mijn grootvader naar Heemstede ter kerke reed, uit het geboomte zag oprijzen, door sloopers handen wreedaardig werd vernield. Nimmer ging de verwoestende hand van het Vandalisme op meer barbaarsche wijze te werk dan te dezer gelegenheid, ’t Is waar, de liefde voor de middeleeuwsche gedenkwaardigheden was toen nog niet, als later, ontgloeid, en de gevolgen der treurige beroeringen, welke men had doorgestaan, en waarvan men het eind nog niet voorzag, maakte de ingezetenen huiverig om hun geld aan kurioziteiten te besteden, en deed zelfs de slooping van het kasteel van Heemstede schier onopgemerkt plaats hebben: -doch hier traden nog bovendien de verkoopers, door hun slordigheid en onoplettendheid, hun eigen belang met voeten. Fraaie marmersteenen met Grieksche inschriften, door een der Pauwen uit de Levant medegebracht, en welke mijn vader aan den rentmeester van ‘t Slot gelast had voor hem te koopen, werden voor een spotprijs aan steenkoopers weggeworpen- lansen en deegens, waarvan de scheeden en gevesten van louter goud waren, gingen voor oud yzer weg-, in een woord ’t was of men zich had toegelegd, hier alles wat waarde had, te versmijten. Het eenige wat mijn vader van de geheele verkooping bekwam, was een schildery, een Vaandrig voorstellende, en voor welke hy, geloof ik, acht gulden betaalde, en welke Vaandrig, hangende in de kamer waarin ik sliep, my alle morgen by ’t ontwaken met norsche blikken aanzag en een heimelijke angst inboezemde. Wat van hem geworden is, weet ik niet”. (J.van Lennep, in: ‘De Werken van Vondel’, vierde deel, bladzijde 34. Amsterdam, Gebroeders Binger, 1858). Ondanks enkele omjuistheden en wellicht enige overdrijving – bijvoorbeeld: de zes beelden van klassieke goden kwamen uit Italië en hadden Latijnse in plaats van Griekse inscripties; van gouden gevesten is niets bekend, wél van ivoren scheden e.d. – had Van Lennep in essentie gelijk. Sommige wapens en oudheden zijn in handen gekomen van W. Hekking, tekenaar en custos van het etnologisch museum te Amsterdam. Deze zijn in februari/maart 1854 tentoongesteld geweest in ‘Arti et Amicitiae’. Andere wapens kwamen terecht in het ‘Oude Doolhof’ in de hoofdstad, na opheffing in 1862 (ten dele?) overgebracht naar een in het leven geroepen rariteitenkabinet van het Gemeentearchief. Anno nu zijn enkel nog twee (decoratie)schildpadschilden te traceren in de collectie van het Amsterdams Historisch Museum. September 1996 is het boekje ‘David en Goliath met zijn schilddrager; een beeldengroep uit het Oude Doolhof’ verschenen. Conservator Marianne Eisma schrijft dienaangaande onder het kopje ‘Nieuwe aanwinsten in de negentiende eeuw’: “Bij de rondgang werd duidelijk dat de eigenaren in de negentiende eeuw hun attracties herstelden en op knapten maar ze voegden ook nieuwe zaken toe. De belangrijk ste bijdrage van Belville, van oorsprong geweermaker en zwaard veger en vanaf 1812 eigenaar van het Oude Doolhof, was de toevoeging uan oude wapens aan de opstelling. Die waren afkomstig uit de wapenzaal van het Huis Heemstede te Heemstede, dat in 1810 werd afgebroken. Met drie borstharnassen uit deze collectie werden de beelden van Olivier Cromwell, Hendrik IV en Alva uitgerust. De laatste kreeg ook zijn laarzen terug die hij eer tijdsnaar verluidt in Huis Heem stede had achtergelaten. Ook deze wapenverzameling werd in 1862 door het gemeentebestuur uit het Oude Doolhof gehaald. Maar op twee schildpadschilden na zijn ze in de huidige gemeentelijke collectie niet terug te vinden “. In bovengenoemde inventarislijst uit 1796 was nog sprake van: ‘6 schilden met Waapens, 1 van dezelve met een Ruyter’. Eén van de schildpadschilden vertoont het heraldisch wapen van Bennebroek, van de tweede is de fraaie huid met schilderwerk verloren.

Wapenverzameling , detail uit Beeldenzaal in het Oude Doolhof, circa 1845. Pentekening van Willem Hekking jr. De laarzen van Alva en enkele schilden hingen bij het wapenrek waarin de steek- en slagwapens gerangschikt waren. Volgens Pfeiffers hing aan de overliggende wand een identiek rek.

Wapenverzameling , detail uit Beeldenzaal in het Oude Doolhof, circa 1845. Pentekening van Willem Hekking jr. De laarzen van Alva en enkele schilden hingen bij het wapenrek waarin de steek- en slagwapens gerangschikt waren. Volgens Pfeiffers hing aan de overliggende wand een identiek rek.

Schildpadschilden; het links met het wapen van Adriaan Pauw, heer van Bennebroek, afkomstig uit de wapenzaal van het in 1810 afgebroken Huis te Heemstede (Marianne Eisma)

Schildpadschilden; het links met het wapen van Adriaan Pauw, heer van Bennebroek, afkomstig uit de wapenzaal van het in 1810 afgebroken Huis te Heemstede (Marianne Eisma)

Marianne Eisma schrijft in het boekje ‘David en Goliath met zijn schilddrager; een beeldengroep uit het Oude Doolhof’ (1996) het volgende in relatie tot de vroegere wapenzaal in het Huis te Heemstede: ‘(…) De belangrijkste bijdrage van Belville, van oorsprong geweermaker en zwaardweger en vanaf 1812 eigenaar van het Oude Doolhof, was de toevoeging van oude wapens aan de opstelling. Die waren afkomstig uit de wapenzaal van het Huis Heemstede te Heemstede, dat in 1810 werd afgebroken. Met drie borstharnassen uit deze collectie werden de beelden van Olivier Cromwell, Hendrik IV en Alva uitgerust. De laatste kreeg ook zijn laarsen terug die hij eertijds naar verluidt in Huis te Heemstede had achtergelaten. Ook deze wapenverzameling werd in 1862 door het gemeentebestuur uit het Oude Doolhof gehaald. Maar op twee schildpadschilden na zijn ze in de huidige gemeentelijke collectie niet terug te vinden.’

(i) Mogelijk door Pauw uit het buitenland meegebracht was het antieke beeld ‘De Egyptische vrouw met de hiëroglypen’, waarvan de beeldschrifttekens eind 18e eeuw vrijwel afgesleten waren. Zowel Loosjes als Potter spraken van een ‘afgodsbeeld’. Henrick Bruno maakte in 1649 enkele literaire opschriften voor het beeld waaruit Pauw kon kiezen.

(j) Bij de opgravingen van 1948 zijn talrijke scherven en ook verscheidene gave zogeheten Jacoba kannetjes gevonden. Omdat deze in grote hoeveelheden uit de slotgracht van kasteel Teilingen zijn gebaggerd is voedsel gegeven aan de legende dat deze door Jacoba van Beieren zelf vervaardigd zouden zijn. In werkelijkheid kwamen de sierlijke slanke schenkkannen uit de werkplaatsen van Siegburg. een meer dan zakelijke relatie onderhield met ridder Jan van Heemstede en zij elkaar veelvuldig in Heemstede én Sassenheim hebben ontmoet.

(k) Een diverse meters lang ‘algezicht’ ofwel panorama van Constantinopel besloeg volgens Loosjes drie wanden van de ‘Camer Constantinopelen’ op het kasteel van Heemstede. Onder dit ‘groote Schilderije’ las men een uitvoerige inscriptie, waaruit aan het eind blijkt dat de doorluchtige Heer Cornelis Haga, gezant bij de Porte, dit schilderij aan de Staten-Generaal ten geschenke heeft gegeven en toegezonden. Onbeantwoord blijft nog altijd de vraag of de Staten van Holland en West-Friesland dit panorama aan Pauw in bruikleen voor zijn buitenverblijf in Heemstede hebben gegeven dan wel in bruikleen afgestaan. Cornelis Haga was in 1611 als eerste gezant of ambassadeur van Holland naar het Osmaanse Rijk afgevaardigd. Hij vestigde zich in de hoofdstad Constantinopel, sedert innname door de Turken Stanboel (Istanbul) geheten. In zijn gevolg bevond zich als secretaris de toen 18 jaar oude broer van de ambachtsheer van Heemstede, Cornelis (zich noemende ‘Cornelio’) Pauw. Regelmatig hebben de broers met elkaar gecorrespondeerd over Levantse zaken. Bij de bouw van de Kerk in Heemstede in 1622 was Cornelis Pauw hoofdconsul in het Syrische Aleppo met een Hollandse kolonie kooplieden, en schonk deze een aanzienlijk bedrag van 500 gulden – overigens niet uit eigen zak, maar uit een fonds dat in de Arabische wereld “tot Christelijke gebruiken tot zijn dispositie stond”. Uit een rekening van 20 augustus 1767 blijkt dat restaurateur Hendrik Carré het grote panorama met vele defecten voor een groot deel heeft overgeschilderd, waarvoor hij ƒ 50,- in rekening bracht bij toenmalig ambachtsheer Jan Diderik Pauw geboren Hoeufft. Na 1810 ontbreekt ieder spoor. Een soortgelijk ‘Prospect van Constantinopel’, op papier getekend en ten dele ingekleurd op 21 bladen, tezamen 11,5 meter lang en 4,5 meter breed, is één der pronkstukken van de Universiteitsbibliotheek Leiden. Het werd in 1598 door een schoonzoon van Janus Dousa geschonken en is vervaardigd door Melchior Lorich uit Flensburg. De maker bevond zich in het gevolg, gezonden door keizer Ferdinand 1 naar het hof van sultan Suleiman de Grote en dit Turkse stadsgezicht is omstreeks 1560 in Wenen tot stand gekomen na schetsen in de Turkse metropool te hebben gemaakt.

Het meterslange 17e eeuwse prospekt ofwel panorama op Constantinopel door Melchior Lorich in de universiteitsbibliotheek Leiden.

Het meterslange 17e eeuwse prospekt ofwel panorama op Constantinopel door Melchior Lorich in de universiteitsbibliotheek Leiden.

(l) Bedoeld worden de geslachtswapens. Behalve ridder Adriaan Pauw en zijn (tweede) echtgenote Anna van Ruitenburgh zijn tussen 1638 en 1776 de stoffelijke resten van in totaal 49 familieleden in de grafkelder van de Oude Kerk te Heemstede bijgezet. Van tenminste 38 personen is uit de archieven bekend dat een wapenbord in de kerk heeft gehangen. Deze zijn bij de Omwenteling na 1795 uit het godshuis verwijderd en naar het slot overgebracht. Gebaseerd op informatie uit 1795 schreef L.van Ollefen in het één jaar later uitgegeven boek ‘Stad- en Dorpbeschrijver van Kennemerland’: “Het ruim der kerk pronkt, behalven met een deftige marmeren graftombe der Heeren van Heemstede, tot het geslacht van Hoeufft behoorende, (welke graf tombe in het choor staat), met eene groote menigte van oude en nieuwere wapenborden, waarmede de wanden van het gebouw geheel bedekt zijn, zo dat dit kerkjen eene groote verandering zal ondergaan, wanneer het besluit om alle wapenborden uit de kerken weg te neemen, ten uitvoer gebragt mogt worden”. Na de sloop van het kasteel zijn de wapenborden nog enige tijd opgeslagen geweest in de ‘Duivenpoort’ totdat deze op een gegeven moment voorgoed zijn vernietigd.

(m) De ridderkamer werd ook tapijtkamer genoemd. Naast een schilderij met de afbeelding van een boerenkermis is in voornoemde inventarislijst uit 1796 sprake van een “Schildery verbeeldende een jagtstuk” zonder vermelding van de kunstenaar.

(n) Sic! Het Spaame vindt zijn oorsprong in het gebied van de huidige Haarlemmermeer. De rivier verzorgde de afwatering van het hoogveen.

(o) In het herenhuis van Kennemeroord bevond zich een biljartkamer. Ook in het Oude Slot was al in 1649 een ‘billiard kamer’ aanwezig, dienende voor eigen ontspanning van de familie Pauw en vermaak van gasten. Het biljartspel was in de 17e eeuw nog een nieuw spel dat met kromme keuen werd gespeeld.

Hans Krol