Abraham Boot (1606-1636) secretaris van den Huyze van Heemstede (1626-1629) en auteur van twee dagboeken

De heerlijkheid Heemstede heeft verschillende kundige en nog meer ijverige schouten/burgemeesters en secretarissen gehad. Over twee telgen uit het geslacht Van llpendam, Jacob Dircszoon en Dirck Jacobszoon, is al geschreven.  Aan de geleerde, notaris, schout en gemeentesecretaris mr. Jan Reeland (1) zal ik nog aandacht besteden. De bestuurders uit het geslacht Dolleman zijn beschreven in het boek ‘Heemsteedse gemeentepolitiek in de jaren tussen omstreeks 1750 en 1900′(Heemstede, VOHB, 1989).  Thans een bijdrage over een uit Utrecht afkomstige persoon, die door Adriaan Pauw naar Heemstede gehaald werd, op diens initiatief als secretaris diplomatieke reizen volgde naar Zweden, Polen en Engeland, evenals twee journalen naliet, die respectievelijk in 1632 en ruim drie eeuwen later in 1936 zijn gepubliceerd. Opmerkelijk is dat géén van de historici die zich afgelopen jaren met het nagelaten werk van A.B. (= Abraham Boot) hebben beziggehouden, zoals de heren W.M.C. Regt, dr. D.H. Smit en A. Merens, de functie van secretaris in Heemstede heeft onderkend, welke voorafging aan de benoeming van Abraham Boot(h) tot gemeentesecretaris in Wijk Bij Duurstede (1630), alwaar hij nauwelijks dertig jaar oud waarschijnlijk tengevolge van heftige niersteenaanvallen op 19 september 1636 is overleden en begraven (2).

Familie Boot(h): een predikant en geletterde regenten

Abraham Boot, afstammeling van een voornaam Dordts geslacht, is in Utrecht geboren als zoon van Everard Boot en van Alida Ruys. De familienaam wordt wisselend geschreven als Boot en Booth. Zijn vader studeerde letteren aan de Academie te Franeker, vervolgens theologie in Leiden en was eerst proponent en daarna predikant van 1602 tot zijn overlijden acht jaar later (op 32-jarige leeftijd) in zijn geboortestad. Hij vertaalde een boek van de bij de contra-remonstranten populaire auteur William Perkins uit het latijn en stelde met collega-predikanten de eerste gedrukte catalogus van de Utrechtse stadsbibliotheek samen. In een album amicprum van Everard Boot, met inscripties tussen 1596 en 1603 geschreven in Franeker, Leiden, Bazel, Cenève en andere plaatsen komen bijdragen voor van bekende geleerden als Franciscus Junius, Janus Dousa, Carolus Clusius en Jos. Scaliger. In een vers van 26 zogeheten hendecasyllabi, gedichten van elf lettergrepen, zegt Daniël Heinsius dat hij jaloers is op zijn eigen verzen die Boot verweg over vreemde landen en zeeën zullen kunnen begeleiden. Boot moet daarom Heinsius zelf in zijn gedichten aannemen: zo kunnen zij beiden altijd samen zijn. Uit het huwelijk met Alida Ruys (dochter van mr. Jacob Ruys met hoge functies als pensionaris in Amsterdam in 1578 en advocaat fiscaal bij het Hof van Holland sedert 1581) sproten drie kinderen: één dochter Henrica, die ongehuwd is overleden, en twee zonen: Cornelis en Abraham (of Abram). De oudste zoon Cornelis Boot (1605-1678) vestigde zich na zijn studie in Leiden en promotie aan de universiteit van Caen eerst als medicus en vervulde na 1632 functies in de vroedschap van Utrecht, in 1656 en 1657 als burgemeester. Hij was zeer cultureel aangelegd, bekwaam genealoog en heraldicus, samensteller van archiefregisters, verzamelaar van een grote boekerij, en vanaf 1640 tot zijn dood (eerste) bibliothecaris van de stadsbibliotheek, later tevens universiteitsbibliotheek. Zijn letterkundige nalatenschap is met manuscripten van zijn broer Abraham en andere familieleden eerst in 1906 bij Frederik Muller geveild. Een portret van Cornelis Boot, op 21-jarige leeftijd door een onbekende schilder afgebeeld, bevindt zich in het Centraal Museum van de Domstad.

Portret van Cornelis Boot(h) op 21-jarige leeftijd. Utrechts meester, 1626 [Van Abraham Boot(h) is geen afbeelding bekend

Toen Cornelis in 1629 huwde met Amelia van Oord schreef Abraham vanuit Londen een gelegenheidsgedicht, waarin deze zijn broer afschildert als een serieuze student die de boeken liefheeft (3). De naam leeft o.a. voort in de Boothstraat (al in de vroedschapsbesluiten van 1659 zo genoemd!), nabij het Janskerkhof, waar o.a. Nicolaas Beets na zijn verhuizing uit Heemstede naar Utrecht heeft gewoond (4).

Familie Boot: dienaar van Adriaan Pauw en reiziger tussen Oost en West

Abraham is een jaar na zijn broer Cornelis in Utrecht geboren en zal eveneens het Hieronymus gymnasium doorlopen hebben. Vermoedelijk heeft hij, evenals zijn vader en broeder, in Leiden gestudeerd, echter niet zijn studies met een diploma afgerond. Vanaf 1619 (tot 1627) was Adriaan Pauw curator van de Academie in Leiden. December 1620 had hij de Heerlijkheid Heemstede gekocht en een van zijn eerste taken was geweest het laat-middeleeuwse slot grondig te renoveren en verfraaien. Op zoek naar een secretaris voor het Huis te Heemstede is hij op onbekende wijze attent gemaakt op Abraham Boot. Hoe de eerste ontmoeting ook moge zijn geweest, vast staat het volgende :”Op den 18 Maart 1626 committeerde den Heere van Heemstede Abraham Boot, tot Secretaris van synen huyze te Heemstede, die in die qualiteit den behoorlijken eed aflegde” (5). Secretaris van dorp en ambacht was Johan van Asch, die ook nog de officiële functies vervulde van baljuw van het huis, schout van dorp en heerlijkheid, houtvester particulier, pluimgraaf en stadhouder van de lenen. Als secretarts van het Huis gold Boot naast Van Asch als een vertrouweling van Adriaan Pauw. In 1617 kwam een eind aan de Amsterdamse loopbaan van Pauw, na zijn benoeming tot eerste voorzittende raad en rekenmeester der Grafelijkheidsdomeinen van Holland en West-Friesland. In datzelfde jaar volgde zijn verhuizing naar een groot huis aan de Korte Poten in ‘s-Gravenhage. Op instigatie van Pauw die de politiek prefereerde boven de handel en steeds meer diplomatieke activiteiten ging ontplooien is Abraham Boot als tweede secretaris aangewezen voor het gezantschap dat onder leiding van de Amsterdamse regent Andries Bicker in 1627 naar Zweden en Polen werd afgevaardigd om een verzoening tussen beide staten te bewerkstelligen. Boot hield toen – zonder op de geheime besprekingen zelf in te gaan – van-dag-tot-dag een relaas bij, dat in 1632 is uitgekomen bij uitgever Michiel Colijn in Amsterdam onder de titel: “lournael van de Legatie, gedaen in de laren 1627 en 1628 by de Ed. Erentfeste, Hoogh-Gheleerde, Voorneme seer discrete Heeren, Rochus van den Honaert…, Andries Bicker… ende Simon van Beaumont… afgesonden op den Vrede-Handel tusschen de Coninghen van Polen ende Sweden. Inhoudende cort en warachttich verhael, so vant gene dagelijcx is gepasseert, de gantsche Reyse gheduyrende: Als oock de moeyelijckheyt ende verscheyden empeschementen op de selve Reyse voorgevallen”. Door A.B., een van de twee “Secretarissen der selver Ambassade”.  De andere secretaris was N. Schultsen. De koning van Zweden Gustaaf. Adolf beloonde Abraham Boot met een gedenkpenning, die aan zijn broer Cornelis is gelegateerd. Terug naar het vaderland kwam Boot op 12 juni 1628 aan land in Den Helder en heeft hij na een bezoek aan zijn familie in Utrecht zich naar Heemstede begeven. Van Randwijk en Pauw hadden toen al enkele maanden met de Engelsen onderhandeld. Die ambassade was opgedragen in 1627, maar door westelijke wind konden de schepen pas eind januari richting Engeland uitzeilen. Adriaan Pauw, zeer gesteld op ceremonieel en titulatuur, ontving 20 februari 1628 van Koning Karel l een diploma, waarbij aan hem en zijn nakomelingen werd toegestaan de Engelse roos in het geslachtswapen te voeren. Dit geschiedde vervolgens door plaatsing van een rode roos in een schildje van goud. Geschiedschrijver Jan Wagenaar kon later over het resultaat van de missie Pauw-Van Randwijk noteren: “(…) de bevrediging tusschen Frankrijk en Groot-Britanje was, door de bemiddeling der Staatsche gezanten, op zulk een’ goeden voet gebragt, dat zij, op den vierentwintigsten van Grasmaand (= april), getekend werdt”. In dit verband mag niet onvermeld blijven dat beide ambassadeurs (Pauw in gezelschap van zijn echtgenote Anna van Ruytenburg) op 4 juli van dat jaar als blijk van waardering een eredoctoraat ontvingen van de universiteit van Cambridge. Enige maanden later had een gebeurtenis plaats die diepe indruk maakte op de diplomaat. Op 28 november, tijdens zijn “logement” in het fraaie gebouw van de Hollandse ambassade, eigendom van sir Edward Cecil, in Londen brandde het pand bijna volledig af. Kostbare schilderijen, wandtapijten, beelden en boeken gingen verloren. De brand was ontstaan tengevolge van onvoorzichtigheid van dienstpersoneel en de Heer van Heemstede schrijft aan Boot, op dat moment in Den Haag, “onze domestiquen” te vermanen voorzichtig te zijn met kaarsen, daarbij refererend naar zijn waardevolle bezittingen, met name in Heemstede. Voor zijn vertrek met ” ’s Lands schip van Oorloge” naar Engeland had Pauw zijn schout en baljuw Van Asch op het hart gedrukt alle taken zorgvuldig waar te nemen, bevreesd als hij was dat men van zijn afwezigheid zou profiteren en de hand lichten met allerlei uitgevaardigde verordeningen. Per missive werd secretaris Boot op de hoogte gesteld. In het verleden waren er moeilijkheden geweest met de Houtvester van Holland over de bevoegdheid van helmschouw der duinen en wildernisse. Na het bereiken van wederzijdse overeenstemming deden zich in 1628 tijdens absentie van Pauw opnieuw problemen voor en Abraham Boot consulteerde burgemeester Reynier Pauw (vader van Adriaan Pauw) om zich hierover met de Houtvester te verstaan. Dit gebeurde en de Houtvester liet weten zich van geen kwaad bewust te zijn, maar dat de meesterknapen (jonge edellieden) op eigen initiatief hadden gehandeld, terwijl een helmschouw tot de competentie van de Heerlijkheid hoorde. Intussen wachtte voor Abraham Boot een nieuwe taak als toegevoegd secretaris van een buitengewone ambassade naar Engeland. Al spoedig na de oprichting waren er sedert 1602 bij herhaling wrijvingen tussen de Nederlandse en Engelse Oost-Indische Compagnie. “In 1920 gaf Johan E. Elias een uitvoerige beschrijving van wat hij als ‘het voorspel’ van de strijd beschouwde: spanningen tussen de Noordelijke Nederlanden met hun snel en wereldwijd groeiende handel en scheepvaart en de Engelsen die met hen poogden te concurreren, spanningen die zich tenminste een halve eeuw vóór 1652 al begonnen te manifesteren” (6). Vooral in Oost-lndië, in het bijzonder op het eiland Ambon, botsten de wederzijdse handelsbelangen van beide naties. In 1627 legden de Engelsen beslag op drie Oostinjevaarders, die naar Portsmouth zijn opgebracht en aldaar aan de ketting gelegd. De ambassadeur in Engeland Joachimi deed hieromtrent verslag aan de Staten-Generaal. Het Parlement besloot dat de Heer van Heemstede, Van Randwijk en Van Vosbergen (resident van de Koning van Denemarken te Den Haag) beklag zullen doen bij de heer Carleton, de Engelse gezant in ’s Cravenhage, met het verzoek een request aan de Koning mede te ondertekenen, waarin gevraagd wordt de Hollandse schepen onmiddellijk vrij te geven. De Engelsen met waardevolle onderpanden in beheer traineerden de zaak, maar lieten de boten uiteindelijk gaan nadat met Joachimi was overeengekomen dat een Hollandse delegatie in Engeland zou komen onderhandelen. Aanleiding voor dit gezantschap was mede het uitbreken van de oorlog tussen Frankrijk en Engeland in 1627, welke strijd gevolgen had voor de Nederlandse handel ter zee. De Heren XVII, besturend college der Nederlandse Oost-Indische Compagnie, werden met de afdoening der zaak belast en als speciale ambassadeurs der Staten-Generaal is Adriaan Pauw, bewindvoerder der V.O.C.-Kamer Amsterdam (bovendien in 1613 door koning Jacobus 1 tot gulden ridder geslagen) afgevaardigd, alsmede een gezien diplomaat uit Gelderland: Arnold van Randwijck (7). Op verzoek van Joachimi en (nog) in dienst van Adriaan Pauw is Abraham Boot later, na zijn succesvolle missie naar Polen, Duitsland en Zweden, aangesteld tot secretaris van de delegatie naar Engeland. Boot schreef zelf in zijn journaal: “Den 4den November 1628 hebben d’Heeren gecommitteerde vuyt het Corpus der Bewinthebberen ter Camere van Amsterdam – aen wien d’Heeren van de XVII dese saecke hadden geremitteert – op de intercessie van de Heeren van Heemstede ende Joachimi, ambassadeurs in Engelandt, geresolveert in myn employ als secretaris van de gemelte gedeputeerde, met last van my eerstdaechs te prepareren om mette selve ende in compaignie van d’Heer ambassadeur Joachimi – die eerstdaechs meende te verreysen – over te seylen”. Vanaf februari 1629 tot juli 1630, toen Abraham Boot naar het vaderland terugkeerde om een nieuw ambt als gemeentesecretaris van Wijk bij Duurstede te aanvaarden, is een dagboek bijgehouden, dat als manuscript bewaard bleef en in 1936 (ten dele) en in 1942 in extenso in boekvorm ïs verschenen. Het dagboek heet voluit: “Journael van myne Reyse ende van ’t gepasseerde in Engelandt, beginnende in October 1628, vervolgende den 12 February 1629, ’t vertreck tot den 1 January 1630 incluys”. (Feitelijk gaat het verslag door tot 9 juli 1630). Boot geeft een levendige beschrijving van de gang van zaken, bezoeken en tegenbezoeken die worden afgelegd, het ceremonieel aan het Britse hof, de middelen van verkeer en gebrekkige communicatie etc. Tevens schreef hij een “Descriptie eeniger steden in Engellandt; vooreerst van de twee academiën Oxfort ende Cambridge”, door hemzelf geïllustreerd met tekeningen van o.a. stadsgezichten. Boot was behalve genealoog ook een bekwaam tekenaar van heraldische wapens. In dit artikel beperken we ons tot het bezoek der ambassadeurs aan de Koning van Engeland. Het gevolg van dr. Adrraan Pauw bestond uit de volgende personen: “Sijn Edelluyden: Nicolaas Pauw, Ridder H(ee)r van Benneb(roek) (8), Pieter Pauw, Ridder; Lodewijck van Alteren, Ridder, jongeheere tot Jaersvelt etc.; …….Aqiulius; met 5 off 6 Dienaars”. Benevens de heer Albert Joachimi, gewoon ambassadeur in Londen, met zijn gevolg en de heer Arnold van Randwijk met zijn edellieden en dienaren, bestond het Hollandse gezelschap nog uit Melchior vander Perre als tweede secretaris, hofmeester Vastenhoven, alsmede enige beambten, zoals een kok, bottelier, koetsier, staljongen, palfrenier e.d. In totaal ruim veertig personen. Op 23 februari ging Boot aan boord van een schip in Vlissingen met een bemanning van 60 personen en 14 stukken geschut. De ambassadeurs gingen aan boord van een andere boot met meer dan 100 bemanningsleden en 22 stukken geschut. Ter bescherming tegen Duinkerker kapers en andere zeerovers zouden permanent 2 à 3 “vrijbuyters” de kleine vloot tot de kust in Engeland begeleiden. In Londen werd men op 2 maart 1629 verwelkomd door sir John Finnet, directeur van de Ceremoniën van Zijne Majesteit en “Den 6 s’morgens quamen in ons logement eenige Grooten trompetters Haer E. met spel verwellecomen, een gebruyck – sijnde een specie (= soort) van bedelrye – hier mede in swang gaende”. De volgende dag zijn Joachimi en Pauw ten huize van Van Randwijk verschenen in afwachting van orders van het Hof. Omstreeks twee uur kwamen daar aan de graaf van Stanford en andere voorname edellieden en hofdignitarissen met 5 of 6 andere grote karossen die eerst de ambassadeurs, gevolgd door de dienaren, naar het paleis White Hall vervoerd hebben. Men betrad de Raadkamer, passeerde schildwachten en hellebaardiers en werd eerst ontvangen door sir Henry Rich, verheven tot graaf van Holland en daarna bij de koning geleid, die hooggezeten was “op eene verheven plaets ofte throon” met boven zijn vorstelijke hoofd een statiekleed. Uit het verslag blijkt dat bij de audiëntie veelvuldig minzaam met het hoofd gebogen werd en dat een heel regiment Britse hoogwaardigheidsbekleders (18 worden met naam en functie genoemd) aanwezig was. Met een koninklijk knikje gaf Karel 1 na enige tijd aan dat het bezoek afscheid mocht nemen. Abraham Boot was diep onder de indruk van het groot ceremonieel. Begeleid door de Engelsen werd men in de koetsen naar het Hollandse logement gereden, waar de Hollandse delegatieleden hartelijk afscheid namen van de Britse hofdignitarissen. Hierna is men op uitnodiging van grootmaarschalk sir Thomas Howard, graaf van Arundel en Surrey, naar diens herenhuis gereden. De graaf van Arundel stond bekend als een groot liefhebber van kunst en oudheden, hetgeen met name zeker ook gold voor Adriaan Pauw. Boot bericht dat men prachtige oude schilderijen van beroemde meesters zag, en voorts gobelins, rariteiten, grafstenen, monumenten uit de Griekse en Romeinse Oudheid, die de Engelsman uit talrijke landen had bijeenvergaard. Hij voegt er aan toe te vermoeden dat op géén plaats in Rome of elders zoveel moois bij elkaar te zien is (9).

Voorbeeld van brief van Abraham Boot, gedateerd Londen 8 maart 1629, met in het midden de passages betreffende Adriaan Pauw

Op 15 maart bezocht Boot de Heer van Heemstede, maar noteerde niet wat besproken werd. Drie dagen later gebruikte hij een gezamenlijke maaltijd met de ambassadeurs. De volgende dag vertrokken Pauw c.s. naar Gravesend aan de Engelse kust om met de eerste gelegenheid naar Holland terug te keren. Met de koninklijke koetsen is men naar de kust vervoerd, om met drie of vier oorlogsschepen in afwachting van de “eersten goeden wint” huiswaarts te zeilen. Dit verhaal sluit aan op wat Willem Dolleman schrijft in zijn onuitgegeven boekwerk over de geschiedenis van Heemstede: “De Heer van Heemstede uyt zyne Ambassade in Engeland met ’s Lands Schip van Oorloge het Postpaard met zyn Huysvrouw en verder geselschap behouden in het goedereesche gat gearriveerd zynde, gaf daer van by missive van den 23 Maert 1629 kennisse aen zynen Schout, met ordre, om daer voor in de kerke te Heemstede, God den Heere te doen danken, en hem van den Staet der Heerlykheid en syner particuliere goederen met den Eersten (= zo spoedig mogelijk) in den Hage verslag te komen doen”. Abraham Boot bleef in Engeland achter als secretaris van een V.O.C.-delegatie, bestaande uit Pieter de Carpentier, J.M. Merens, H. de Hase en advocaat mr. Johan van Heemskerck, die met de Engelse Oost-Indische Compagnie verder onderhandelde over wederzijdse handelsproblemen.

illustratie1

Illustratie uit: Abraham Booth: ‘Journael van ’t gepasseerde op mijne reijse in Engelant (UB-Utrecht Hs 1196 (Hs 1 L22)

Pauw zal in Holland naar een nieuwe secretaris voor zijn buitenverblijf in Heemstede moeten uitzien. Intussen blijkt dat financiële perikelen van Boot zijn opgelost. Hij had een aanzienlijk bedrag van 5000 gulden geleend van Adriaan Pauw, welke som verevend is, maar Boot deelt niet mede op welke wijze. Verder leent hij alsnog 100 gulden, met verzoek om kwijtschelding in geval van overlijden. Op 8 maart, één dag, na de audiëntie bij koning Karel 1, schreef Abraham Boot een brief aan zijn broer Cornelis in Utrecht. De correspondentie was geadresseerd aan zijn oom Adriaen Boot, “boeckvercooper en wachtmeester” te Utrecht, die na de vroege dood van vader Everard Boot als pleegvader schijnt te zijn opgetreden. In bedoeld schrijven – bewaard in het gemeentearchief van Uitrecht – bericht Abraham dat men ondanks hevige stormen gezond en wel is aangekomen in Engeland. Voorts dat een bezoek bij de vorst heeft plaats gehad en dat de Heren ambassadeurs eerdaags terugkeren, nog zonder veel gedaan te hebben. Hij verwacht dat zijn verblijf in Londen nog minstens een jaar gaat duren. Voor ons interessant zijn de volgende passages: “In dese onse herbergs hebbe mede aengetroffen Mons(ieu)r Moucheron, die sijne gebiedenis(se) aen UEd(ele) is doen (de) ende my groote vrintschap ende familiariteyt bewijst, lck ben metten H(eer) Rekenm(eeste)r Pauw extraord(inaris) Amb(assadeur)r, alhier, nop(en) den mijne r(eeckeninghe) UEd(ele) bekent, monteren(de) by de 5000 G(u)ldens) geliquideert ende heb van Sijn Ed(ele) daerenboven opgenomen 100 Guld(ens); zal oversulx hiervan acquit (= kwitantie) versoecken tot UEd(ele) ende mijne indemniteyt ende in Preventie van moeyte, die by versterven wel daeruyt mochten ontstaen (….)”.

Booth

Caron House at South Lambeth, Kondon. Water-colour by A.Booth in his ‘Journael’, 1629, f.153

Over de opvolging van Abraham Boot als secretaris in Heemstede worden we wederom ingelicht door Willem Dolleman die over het jaar 1629 uit de authentieke officiën o.a. het volgende op schrift stelde: “Abraham Boot, die in den jare 1626 tot secretaris van den Huijze van Heemstede was gecommitteerd, met gedeputeerde van de Oost Indische Compagnie ten deezen tijde naar Engeland vertrokken zijnde, soo committeerde den Heere van Heemstede op den 23 Mey 1629 in desselfs plaets gedurende zijne absentie Jan Andriesse, die in die qualiteit den behoorlijken Eed afleide”. Met Jan Adriesse wordt Jan Andriesse Vrijdermoet bedoeld, die deze functie wat langer en intensiever dan zijn voorganger vervulde, namelijk precies negen jaar, totdat hij in 1638 is benoemd als gemeentesecretaris van Naarden, de enige stad in het Gooi en daarom in het verleden ook wel hoofdstad van Gooiland genoemd. In hetzelfde jaar moest Johan van Asch ten gevolge van ouderdom en lichamelijke zwakheid het ambt van secretaris van de heerlijkheid neerleggen, maar bleef nog wel schout. In plaats van Vrijdermoet en Van Asch is op 26 april 1638 Dominicus van Houff (of van Houve) tot secretaris van huis én dorp benoemd, alsmede tot baljuw (lagere jurisdictie) en kastelein (= slotbewaarder). Abraham Boot op zijn beurt kon de onderhandelingen in Engeland van de V.O.C.-handelsdelegatie niet volvoeren. Op recommandatie van zijn neef Johan Strick, secretaris van de Staten van Utrecht (naderhand raad en rentmeester van de graaf van Culemborg) is Boot op 28 april 1630 door de Staten van Utrecht benoemd tot gemeentesecretaris van Wijk bij Duurstede. (Abraham Boot’s latere sollicitatie naar een hogere functie binnen de provincie Utrecht slaagde niet ondanks de protectie van zijn neef Strick. Op 16 juni 1630 nam Boot in Londen afscheid van de gezanten en op 9 juli arriveerde hij zeer vroeg in Utrecht “waer ik de mijne vont met groote patientje op mij wachten(de)”. Het ambt van gemeentesecretaris vervulde hij tot zijn vroegtijdige dood op 19 september 1636, die mogelijk te maken had met een kwaal waaraan hij al op jonge leeftijd leed, graveel geheten ofwel nierstenen. Vijf jaar eerder was hij in zijn geboortestad gehuwd met Johanna van Hagenouw (of Hagenouwen), dochter van Anthony Hermanssoon Van H., thesaurier der stad Utrecht. Het huwelijk bleef kinderloos en zij hertrouwde in 1637 te Wijk bij Duurstede met mr. Rudolphus van der Nyport, advocaat voor het Hof te Utrecht. De bewerker van Boot’s journaal A. Merens (voormalig vice-consul in Londen) merkt op dat deze zijn relaas van dag tot dag op kladjes schreef, welke hij later in Wijk bij Duurstede heeft uitgewerkt en in het net overgeschreven. Met andere documenten bleef het dagboek lang in familiebezit, totdat het uiteindelijk terecht kwam in de Universiteitsbibliotheek in Utrecht, afdeling Handschriften (M.S. nr. 1197), om in 1936 voor een groot deel te worden gepubliceerd. Ondanks de oorlogsjaren met schaarste aan papier etc., verscheen het volledig dagboek in een kloeke uitgave van 275 bladzijden met talrijke illustraties, waaronder afbeeldingen van originele tekeningen van Abraham Boot. Als bijlage is toegevoegd een “gezicht op Londen” naar een kopergravure die Boot bij zijn beschrijving van Engeland heeft geplakt, welke mogelijk zelfs uniek is. Zoals bekend zijn tijdens de grote brand van Londen in 1666 zeer veel documenten verloren gegaan.

Johan van Asch (ook nog waarnemend secretaris van het Huis te Heemstede)

Schoutenhuis

Schoutenhuis van Heemstede, rechts = noordelijk van de kerk, op een kaart van Balthasar Floris van Berckerode  uit 1627

Van de ruim de drie jaar dat Abraham Boot formeel in dienst was van de Heer van Heemstede, als secretaris van het Huis, heeft hij ongeveer de helft van de tijd doorgebracht als toegevoegd secretaris van delegaties naar Polen/Zweden (medio 1627 tot juni 1628) en Engeland (vanaf februari 1629). In die tijd werd zijn functie waargenomen door “duizendpoot” Johan Stevensz. van Asch die ook al, behalve baljuw, pluimgraaf etc., schout en secretaris was van dorp en heerlijkheid. Gelukkig voor Pauw was Van Asch plaatsgebonden en minder reislustig dan Boot, want verder dan een bezoek aan Pauw in Amsterdam of na 1627 in Den Haag kwam de schout-secretaris niet. Al vier jaar vóór de komst van Adriaan Pauw naar Heemstede was Johan van Asch benoemd tot schout en gemeentesecretaris. Gekozen door de schepenen legde hij een eed van trouw af voor de ambachtsheer. Het Groot Comptoir (secretarie) was gevestigd op het kasteel, waar Johan van Asch, waarschijnlijk in een bijgebouw, net Nederhuys, aanvankelijk woonde. Later verhuisde hij naar een pand op het Kerkplein, op grond die eigendom was van de Ambachtsheer. Hij oefende beperkt de rechtspraak uit voor kleine strafzaken en was betrokken bij transporten van onroerende goederen en bij het passeren van hypotheekactes. Ook was hij belast met het innen van gelden uit belastingen en accijnsen, in die dagen bepaald geen eenvoudige taak, want uit allerlei voorvallen blijkt dat de burgers niet erg happig op betalen waren. Onder invloed van zijn broodheer “bekeerde” de van oorsprong katholieke Van Asch zich tot het gereformeerde geloof. De soms langdurige verblijven tijdens diplomatieke reizen van Pauw moet de schout-secretaris als een verademing hebben ervaren. Hij was gebonden aan talrijke door de Heer persoonlijk vervaardigde keuren en verordeningen. Tussen 1616 en zijn overlijden in 1643 heeft hij met bijna 100 verschillende personen als schepen samengewerkt (10). Om gezondheidsredenen moest hij van Adriaan Pauw het secretarisambt in 1638 overdragen aan Dominicus van Houff, hetgeen plaatsvond in aanwezigheid van zoon Gerard Pauw en zijn latere opvolger als schout (in 1643): Hendrik de Goyer, die al in 1631 was benoemd tot rentmeester van het Huis en stadhouder van de lenen. Johan van Asch werd begraven in de Kerk te Heemstede, waarvoor hij in opdracht van Adriaan Pauw de gelden voor de bouw had bijeengebracht. Vergeleken met bijvoorbeeld de predikant is hij zijn leven lang onderbetaald geweest. Gelet op Pauw’s scherpe kontrole viel er met betrekking tot de ontvangst van belastingen waarvoor hij verantwoordelijk was weinig te sjoemelen. Na zijn dood moest de weduwe van Van Asch ƒ 2.500,- lenen bij de Ambachtsheer om aan haar verplichtingen te voldoen, waarvoor ƒ 100,- rente per jaar moest worden betaald. Later is zij om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien in haar huis een tapnering begonnen, in een acte uit 1677 een “vermaarde herberg” genoemd, ook schoutenhuis, en dat nog ver in de 20ste eeuw bestond als restaurant onder de oude naam “Het Wapen van Heemstede”.

Bronnen en literatuur

Bachrach, A.G.H. Sir Constantine Huygens and Briatin: 1596-1687; a pattern of culural exchange. Leiden, University Press + London: Oxford University Press, 1962, p.104-105, 124-125, 128,129, 156=157.

Een Booth in het buitenland: de reisdagboeken van Abraham Booth. Utrecht, Universiteitsbibliotheek.

illustratie2

Tekening uit reisdagboek van Abraham Booth: Journael van ’t geapasseerde op mijne reijse in Engelant (UB-Utrecht)

Smit, D.H.  A.Boot’s journaal, geschreven tijdens een verblijf in Engeland in 1628-1630. In: Bijdragen en Mededelingen van het Historische Genootschap; 57e deel. Utrecht, 1936, blz. 62-109.

Merens, A. Een dienaer der Oost-Indische Compagnie te Londen in 1629; journael van Abram Booth en zijn Descriptie van Engelandt. ‘s-Gravenhage, 1912.

Regt, W.M.C, lemma: Booth (Abraham), in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel 4, 1918, blz. 215-216.

Gegevens uit gemeentearchief en gem. openbare bibliotheek Heemstede, o.a. manuscript: “Verhaal van al hetgeen merkwaardig is voorgevallen in en omtrent de Heerlijkheid van Heemstede voor soo verre zulks heeft kunnen na gespoort worden uyt de geschiedenissen en uyt de charters, boeken, documenten, registers en papieren, op ’t comptoir aan den Huyze van Heemstede, berustende van de oudste tijden af” (door Willem Dolleman e.a.).

Noten

(1) In de Nederlandsche Jaarboeken, Deel IX, 1755, blz. 193-194 vond ik het volgende: “Haerlem. Den 27 der laetste Slagtmaend is, op het Slot te Heemstede, in den. ouderdom van zeven en veertig jaren en zeven maenden, na een overval van Beroerte, overleden de Heer Mr. Jan Reeland, Schout en Secretaris van de Heerlijkheid Heemstede, als mede van Rietwijk en Rietwijker-Oord enz., die, gelijk wijlen zijn Oom, Adriaan Reeland, in zijn leven Hoogleeraar op de Universiteit of Hooge School te Utrecht, door zijne Geleerdheid is bekend geweest”.

(2) Door Johannes Ruys zijn de namen der Heeren en Vrouwen (1298-1902) en van de leden der regering van Heemstede tot 1784, nog aangevuld tot 1852, uit authentieke bronnen verzameld en medegedeeld in ,het tijdschrift “Wapenheraut”, 19e jaargang, 1915. Onder het kopje secretarissen van den Huyze van Heemstede staan hierin vermeld: 1626 Abraham Boot; 1629 Jan Andriesz. Vrijdermoet. Na dit jaar waren zij tevens secretaris van “den dorpe en, de Heerlijkheid van Heemstede”.

(3) Een lang Rijm-dicht, gewijd aan zijn broer en schoonzuster Amelia van Oort schreef Abraham Boot voor hun huwelijk in Londen tussen 14 en 24 mei 1629. Dit vers is afgedrukt in het boek van A. Merens, blz. 261-264.

(4) De oudste zoon van Cornelis Boot was mr. Everard Boot, heer van Mijdrecht, lid van het Hof van Utrecht. Hij trad in de voetsporen van zijn familie en was een verzamelaar van handschriften en maakte historische aantekeningen.

(5) Geciteerd uit manuscript W. Dolleman, blz. 117.

(6) S. Groenveld, in: Verlopend Getij, 1984, blz. 11.

(7) Arnold van Randwijck, afgevaardigde van Gelderland in de Staten-Generaal, was in zijn tijd een gezien en invloedrijk man. Tijdens het gezantschap naar Engeland is hem met Pauw in juli 1628 een eredoctoraat Magister in Artibus toegekend door de Universiteit van Cambridge, bedoeld om de Hoog Mogende Heren te eren voor hun streven naar goede verhoudingen tussen Engeland en Holland.

(8) “Heer van Bennebroek” is door Boot later aangevuld. Nicolaas Pauw kreeg die titel van zijn vader na het huwelijk 30 juli 1630 met jonkvrouwe Anna van Lockhorst. Tijdens het bezoek aan Engeland waren Nicolaas en Pieter Pauw respectievelijk 21 en 18 jaar. Het was in die tijd niet ongewoon dat leiders van delegaties familieleden in hun gevolg opnamen. Ook van Randwijk nam een zoon mee.

(9) Het beeldhouwwerk is door zijn kleinzoon Henry vermaakt aan de universiteit van Oxford en ondergebracht in het Ashmolean Museum, het eerste antiquiteitenmuseum in Engeland, gesticht in 1672 en 11 jaar later geopend.

(10) Velen waren gevlucht uit de Zuidelijke Nederlanden en vestigden zich als bleker, zoals A.W. van Aelst, Jan en Gerrit Bossu, Daniel Camby en W.O. van Bourgondien, die in goede harmonie samenwerkten met vertegenwoordigers van de autochtone bevolking, zoals Jan Willemse, Gerrit Jansz. Knol, Jan en Michiel Joosten e.a.

Hans Krol