Legendevorming en volksgeloof in Heemstede en Bennebroek

“Wonderlijke vertelling van een monnik in Heemstede” Aldus omschrijft de geleerde Leidse pastoor Hugo Franciscus van Heussen (1654-1719) een verhaal in diens “Historia episcopatum foederatii Belgii” (Leiden, 1719, 2 delen). H. van Rijn bezorgde een vertaling met vele aantekeningen in twee edities van welke het derde en vierde deel, uitgegeven te Leiden in 1726 “Kerkelijke Historie en Outheden der zeven vereenigde provinciën…”, gegevens bevatten over Rijnland en Kennemerland. Een foliant, verlucht met gravures  Met name de oorkonden die betrekking hebben op de stichting tussen 1455 en 1458 van het Bernardietenklooster zijn in deze uitgave in extenso gepubliceerd. Deze abdij die onder supervisie van het Cisterciënserklooster “Marienhave” te Warmond tot stand kwam is op 27 juni 1572 blijkens een dagboeknotitie van Willem Janszoon Verwer “gebrocken ende geplondert” (1). Nader onderzoek leert dat de wonderlijke vertelling van onze monnik “van Heemstede” feitelijk niet thuishoort onder het Bernadietenklooster. Uit een bewaard gebleven lijst van ingetreden paters en lekenbroeders blijkt dat de ingetredenen uit talrijke ambachten en steden in Holland afkomstig waren, doch geen enkele was afkomstig uit Heemstede. Dat betekent geenszins dat de gemeente geen bijdrage geleverd heeft aan het spirituele leven in de middeleeuwen. Dirk en Jan van Heemstede waren geziene monniken in het Karthuizer-klooster in Leuven, van wie laatstgenoemde in kontakt stond met Erasmus, en Engelbertus van Heemstede, telg uit het adellijk geslacht van die naam, stond na 1510 als proost aan het hoofd van de Sint Servatiuskerk in Maastricht en wordt aldaar op een koperen plaat op zijn grafsteen geëerd als “Inclytus Hemstedius” (= beroemd) Heemstedenaar). Enkele nonnen uit Heemstede zijn ingetreden in de middeleeuwse abdij van Rijnsburg. De godvruchtige monnik waarover de door Van Heussen beschreven legende gaat was weliswaar afkomstig uit Heemstede, maar is ingetreden in het klooster van Onze Lieve Vrouwe Visitatie te Haarlem, die in de ‘Acta Sanctorum’ wordt omschreven als ordelid der Reguliere Kanunniken van Sint Augustinus volgens het Kapittel van Windesheim, welke leefden vanuit de geest der Moderne Devotie (2). In de plaatselijke historische literatuur is enkel door onderwijzer H.H.B. Binnewiertz met één zin aandacht besteed aan de legende van een anonieme monnik uit Heemstede. Op bladzijde 28 over het Klooster schreef hij: “De geschiedkundige Hoynck van Papendrecht in de acta sanctorum, op het leven van den H. Patricius spreekt van een monnik of regulieren kanonnik van Eymstede (Heemstede), die zeer vroom van leven, stipt de kloosterregelen volbragt”. De “Acta Sanctorum” (Latijns voor: de handelingen der heiligen) is een kritische levensbeschrijving van alle heiligen met nauwgezet bronnenonderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van handschriften, archeologische vondsten, overleveringen, plakkaten, oorkonden, middeleeuwse literaire werken en kronieken enz. Het initiatief van deze uiteindelijk gigantische reeks heiligenlevens nam in 1603 de Utrechts-Antwerpse jezuïet J.H. Rosweijde en is voortgezet door bekende Vlaamse jezuïeten als Jan (van) Bolland en Daniël (van) Papenbroeck, na de dood van eerstgenoemde in 1665 voortgezet door het schrijverscollege, genaamd de Bollandisten. De legende van onze Heemsteedse kanunnik handelt over diens pelgrimage naar Sint Patricius’ vagevuur in Ierland.

De heilige Patricius (Patrick), zoon van een Romeins decurio (hoofdman) leefde in de vijfde eeuw en wordt thans genoemd de Apostel van Ierland. Hij missioneerde in dat land en organiseerde de Ierse kerk met territoriale bisschoppen naar latijns model. Saint Patrick is de patroon van Ierland en zijn naamfeest (17 maart) wordt nationaal gevierd. De gehele middeleeuwen zijn levens van de heilige Patricius geschreven en er zijn in de loop der eeuwen talrijke legenden rond zijn persoon ontstaan. Van het verhaal ‘Patricius’ vagevuur’, dat wordt gerekend tot de visioenliteratuur, bestaat ook een onvolledig bewaard gebleven Nederlandse berijming (434 versregels) uit het begin van de 14e eeuw, evenals een prozavertelling uit 1387, teruggaande op de latijnse Patricklegende van de cisterciënser Henry of Saltrey uit omstreeks 1189.

Toegang naar St. Patrick Purgatory (Vagevuur) nabij Donegal in Ierland

Toegang naar St. Patrick Purgatory (Vagevuur) op Station Island in het graafschap Donegal, Ierland

Over dit vagevuur van S. Patricius en het bedrog daaromheen gepleegd schreef de kerkhistoricus Van Heussen ook in zijn beschrijving van het klooster Oostbroek in het deel betreffende Utrecht. O.a. Erasmus, Rabelais en Burton hebben over dit vagevuur geschreven en het purgatorium in de Goddelijke Komedie van Dante zou hierdoor geïnspireerd zijn. Saint Patrick zou in een grot veertig dagen hebben gevast en als gevolg hiervan een visioen van het hiernamaals hebben gehad. Een pauselijk edict in 1497 uitgevaardigd en diverse Ierse parlementswetten ten spijt vinden tot op de dag van vandaag pelgrimages naar de grot op Lough Derg in Donegal plaats. De bedevaart naar die plaats wordt beschouwd als buitengewoon zwaar. Het komt neer op drie dagen vasten en op barrevoetse penitenties. Het staat vast dat vanaf de zesde en voornamelijk sedert de 13e eeuw pelgrims naar het eilandje gaan, waar door Patricius aan berouwvolle zondaars de gelegenheid geschonken zou zijn zich bij leven van de helse straffen en hemelse vreugden te overtuigen. In 1398 maakte Jan van Brederode een boetetocht naar Ierland en na terugkomst stichtte hij in 1399 een kapel in Santpoort tot eer van de Almachtige God en Sint Patrick, welke kerk tijdens de oorlogshandelingen van 1572 in Velserbroek is verdwenen (3). De legende over onze anonieme monnnik uit Heemstede luidt aldus:

Ten tijde van bisschop David van Bourgondië en paus Adrianus VI (4) leefde er in het klooster van Heemstede (moet vermoedelijk zijn Schoten; H. K.) in het gewest Holland een vrome monnik. Nadat hij vele jaren devoot volgens de regels van het Kapittel van Windesheim had geleefd heeft hij – onbekend door wat gedreven – de prior verzocht in een strengere orde te mogen intreden dan wel als arme bedelaar een pelgrimstocht naar andere landen te mogen maken. Uiteindelijk is zijn verzoek ingewilligd en is hij al bedelende in Ierland terechtgekomen teneinde kennis te maken met St. Patricius’ vagevuur waarover hem via medebroeders reeds veel ter ore was gekomen. Bij de grot op Station Island aangekomen in Lóugh Derg, in het graafschap Donegal, begaf de monnik van Heemstede zich naar de overste van het klooster aldaar om te vragen het vagevuur te mogen betreden. De prior wees de broeder van Heemstede er op dat enkel de bisschop bevoegd was hiervoor toestemming te verlenen. Op het bisschoppelijk paleis aangekomen wilde de bedienden hem aanvankelijk niet te woord staan omdat hij een bedelaar en geldeloos was. De monnik die op zijn voettocht al heel wat hindernissen had genomen hield stug vol, maar de bisschop liet weten dat volgens de regels een som geld betaald diende te worden. Omdat de monnik arm was en de bisschop wist te overtuigen dat het kopen van een gunst zijn ziel zou bezoedelen verkreeg hij na enig talmen een voorspraakbrief om die aan de Prins van de landstreek Donegal te tonen. Ook die eiste in eerste instantie enige penningen, maar toen hij inzag dat de monnik zonder geld was heeft de prins permissie gegeven om de grot te bezoeken. Met de brieven van bisschop en prins ging de monnik terug naar de prior, welke laatste mededeelde dat de Hollander eerst een aalmoes aan het klooster zou moeten geven, hetgeen algemeen gewoonte was. Daaraan kon niet worden voldaan. Om van het gezeur af te zijn heeft de overste aan zijn kerkbewaarder opdracht gegeven de monnik van Heemstede naar de plek te begeleiden nadat die eerst het Lichaam van de Heer had genuttigd. Met een lang touw liet men hem vervolgens in een onderaardse poel zakken na hem een stuk brood en een kopje water te hebben gegeven om de bedelaar te sterken in zijn te verwachten strijd tegen de duivel. Daar zat de monnik van Heemstede dan ondergronds “sidderende en beevende” en de gehele nacht biddende, omdat elk moment de aankomst van de duivel kon worden verwacht. Bij het ochtendkrieken liet de kerkbewaarder het touw vieren en trok de monnik op uit het diepe gat. De monnik was verwonderd en behoorlijk boos, omdat hij niet had geleden, noch iets gezien of gehoord. De ingezetenen ter plaatse wisten hem te vertellen dat het wonder niet meer voorkwam maar “happig op geld en gewin” hielden ze het geloof in het oude mirakel in stand en zeiden dat de zuivering nog incidenteel plaatsvond. Alles overwegende is de monnik naar Rome gereisd teneinde bij de paus gedaan te krijgen dat aan dit bedrog een einde zou worden gemaakt. Uiteraard kreeg de eenvoudige monnik van Heemstede geen direkte toegang tot de paus, doch hij kon aan de Penitentiaris, een kerkelijk hoogwaardigheidsbekleder met bijzondere volmachten, omschreven als “een eerlijk en kerkelijk persoon”- onder ede verslag doen van het voorval in Ierland. De paus nam dit bedriegen van simpele zielen zeer hoog op en stuurde een brief met het pauselijk wapen bezegeld naar zowel de bisschop, prins als prior met de opdracht onmiddellijk de ingang van het zogenaamde Patricius’ vagevuur te vernielen. “Zoo is dan de gemelde Broeder, met den Pausselijken brief, weder naar Ierland gezonden. De Bisschop, de Prins der plaatze, en de Prior, den Pausselyken brief gezien hebbende, hebben de plaats der bedriegerye eenemaale verdelgt, en den paus door hunne brieven, kennis van dat verdelgen gegeven. De Schryver meent dat het mirakel daar opgehouden was: en, was ‘er nu geen Patricius Vagenvuur meer; het was ‘er, volgens hem, evenwel geweest. Maar ik zouwt ‘er voor houden dat de leste Monniken noch de beste zyn geweest. Zy lieten dien Kanonnik van Heemstede slegts in ’t Vagenvuur nederzakken, zonder hem het Vagenvuur te doen lyden, en door allerhande vertooningen van duivels en monsters vervaard te maaken. Maar de Monniken van ouder tyden zullen zoo wat gemaakte duivels vertoont en zoo wat geraas en gerommel, ja de vreeselijkste vertooningen die zy bedenken konden, gemaakt hebben. Een reiziger, die eenvoudig genoeg was om het Vagenvuur in Ierland te gaan zoeken, en daarby door de naarheit van den nacht, en alle die vreeselijke vertooningen half dood zijnde, zal ook eenvoudig genoeg zyn geweest om al die grimassen en fratzen voor duivelsche aanvechtingen aan te nemen“, aldus H.F. van Heussen, verwijzend naar de speurder naar oude bronnen C.P. Hoynck van Papendrecht.

De oorsprong van Bennebroek en het legendarische klooster

Volgens een sage van welke de oudste bron is Martinus Hamconius in zijn ‘Frisia’ (Franeker, 1620) zou Bennebroek rond 300 na Christus gesticht zijn door een Fries edelman Benno of Keno geheten, die zich in ’t broek (= laag drassig veenland) vestigde, welke plaats aldus naar zijn naam Bennebroek is geheten. Hij was een zoon van Heico en afkomstig uit Friesland. Vandaar trok Diederik, een kleinzoon van Askon, de eerste hertog der Friezen, met vier andere edelen naar Noord-Holland en nam Diederik in het jaar 334 de titel van koning der West-Friezen aan. Geografisch probleem is nochtans dat Bennebroek veel zuidelijker ligt dan de andere genoemde plaatsen: Medemblik, Opdijk, Wijdenes en Winkel. Vermoedelijk is een vergissing gemaakt met het plaatsje Benningbroek, in de gemeente Noorder-Koggenland,ten noorden van Hoorn.

Ten dele doet zich dit probleem ook voor met het legendarische nonnenklooster dat volgens broeder Jan van Leiden (15e eeuw) in 942 zou zijn gesticht in Bennebroek “niet ver van Haarlem bij het dorp Heemstede”. Mr. J.W. Groesbeek, in publikaties van 1965 en 1982, meent dat Benningbroek in West-Friesland bedoeld is. Dr. H.A van Vessem (Jaarboek Haerlem 1978) bestrijdt de mening van de Haarlemse  kroniekschrijver Jan van Leiden met historische argumenten en wijst op de mondelinge overlevering in de historiografie. Volgens een bericht verplaatste graaf Dirk II de nonnen in Egmond onder leiding van zijn zuster, de abdis Arlinda naar elders vanwege de woestheid der (West)Friezen, onder de vreemdsoortige bepaling dat geen nieuwe kloosterlingen mochten worden aangenomen. “Zij gingen derwaarts om uit te sterven” aldus een 19e eeuws kerkhistoricus. In het magistrale werk van wijlen pater J. Hof over de abdij van Egmond, verschenen in 1973, wordt met geen woord over dit nonnenklooster gerept, waaruit ik slechts kan concluderen dat bedoeld convent nimmer gerealiseerd is. Het dubieuze verhaal van Jan van Leiden was aanleiding voor talrijke nieuwe speculaties. Het klooster in Bennebroek zou zijn verzwolgen door de wrede Waterwolf (lees: Haarlemmermeer). Anderen beweerden dat het door blikseminslag was verwoest. De nonnen zouden de linnenblekerij in deze regio geïntroduceerd hebben. In 1729 en nogmaals in 1745 is de Rijmkroniek gepubliceerd van Klaas Kolijn, zogenaamd een 12e eeuwse monnik uit Egmond. Over Bennebroek schreef hij:

“Als oic zin zustere cel

Arlinde scanc een Misgewade

Kostelike en van stade:

 Ende was ie hou gewis

Te Bennebucke ti ierste Abdis”.

De geleerde en letterkundige Balthasar Huydecoper die in 1772 de Rijmkroniek van Melis Stoke uitgaf ontmaskerde Reinier de Graaf, graveur te Haarlem, als de werkelijke schrijver. Sensationeel ook was even na 1800 de vindplaats van een steen in Bennebroek, bekend als “De steen van Velleda”, gevonden bij het afzanden van de Klingduinen, waarop een abdis zou zijn afgebeeld. Een afbeelding is gepubliceerd door Hendrik de Wijn in het blad ‘Huiszittend Leven’ van 1804. De steen zelf, mogelijk een vervalsing, ging verloren. Volgens kunsthistorici wijst de afbeelding op een dame uit de adellijke stand in de 16e eeuw.

De zogeheten steen van Bennebroek ofwel steen van Velleda

De zogeheten steen van Bennebroek ofwel steen van Velleda

Nog in 1972 presteerde de auteur C. Bregman het in zijn boek: ‘Houdt u ook zo van Bennebroek?’ te schrijven over de mogelijke ligging van het legendarische klooster: “Oude Bennebroekers menen dat dit was aan de oostzijde van het dorp, in het verlengde van de Reek. Er zou zich daar een put hebben bevonden, die daarop zou kunnen wijzen”. Na nog te hebben gewezen op de mogelijkheid dat de overblijfselen van het nonnenklooster “door de nijdige golven van het Haarlemmermeer zijn verzwolgen” en “Benningbroek” te hebben uitgesloten eindigt hij als volgt: “Nee, Bennebroekers, dat klooster laten we ons niet ontnemen!”.

Houtsnede klooster Egmond-Binnen naar de natuur getekend. aldus notitie van  Bodel Nijenhuis uit de Divisie Chronyk, 1517. In het onderschrift is geschreven: 'Dirk de Grave van Holland & ca. heeft het houte klooster tot Egmond, dat gedeeltelijk door de Vriesen verdestrueerd was, wederom van steen laten opmaken, en verplaatste de Nonnen na Heemstede buijten Haerlem en stelde tot Egmond in haer plaetse Monniken van St.Benedictus Order, welke hij voorzag met schoone Renten en goederen tot haer Onderhoud.'

Houtsnede klooster Egmond-Binnen naar de natuur getekend. aldus notitie van Bodel Nijenhuis uit de Divisie Chronyk, 1517. In het onderschrift is geschreven: ‘Dirk de Grave van Holland & ca. heeft het houte klooster tot Egmond, dat gedeeltelijk door de Vriesen verdestrueerd was, wederom van steen laten opmaken, en verplaatste de Nonnen na Heemstede buijten Haerlem en stelde tot Egmond in haer plaetse Monniken van St.Benedictus Order, welke hij voorzag met schoone Renten en goederen tot haer Onderhoud.’

De slag aan het Manpad: factum of fictie?

Witte van Haemstede met banier op de Blinkert. Staalgravure door H.Sluyter, 1880

de Witte van Haemstede op de Blinkert bij Overveen. Schilderij van Jacobus van Dijk (1817-1896)

de Witte van Haemstede op de Blinkert bij Overveen. Schilderij van Jacobus van Dijk (1817-1896) in het Amsterdam Museum

Witte van Haemstede vertoont zich in de wapenuitrusting van een krijgsman te Haarlem. Gravure door Renier Vinkeles

Witte van Haemstede vertoont zich in de wapenuitrusting van een krijgsman te Haarlem. Gravure door Renier Vinkeles

Witte van Haamtede te Haarlem. Naar tekening van  R.Craayvanger in staalgrare door J.W.Kaiser (Arend, Geschied. deel 1)

Witte van Haamtede te Haarlem. Naar tekening van R.Craayvanger in staalgrare door J.W.Kaiser (Arend, Geschied. deel 1)

In het ‘Hollandse Sagenboek’ nam de samensteller J.R.W. Sinninghe de volgende sage op met als (troebele) bron Adriaan Loosjes’ ‘Hollands Arkadia’ uit 1804: “Witte van Haemstede, uit Zierikzee gekomen, landde te Zandvoort om de Haarlemmers bij te staan. Op een hoog duin plantte hij zijn banieren, opdat men ze van verre zou zien blinken in de zon en hen te hulp te komen, wat dan ook gebeurd is. Van die blinkende banieren kreeg het duin den naam Blinkert Daarna versloeg hij de Vlamingen op een pad en het getal der verslagenen was zoo groot, dat het pad sindsdien den naam Manpad droeg”.

19e eeuwse staalgravure met fantasievoorstelling van de Witte van Haamstede die de Vlamingen verdrijft.

19e eeuwse fantasievoorstelling van de Witte van Haamstede die de Vlamingen verdrijft

De Witte van Haemstede verdrijft de Vlamingen in Haarlem. Litho J.H.Eichman/H.Altmann, 1856

De Witte van Haemstede verdrijft de Vlamingen in Haarlem. Litho J.H.Eichman/H.Altmann, 1856

De legende van de slag bij het Manpad is – zoals ook het legendarische nonnenklooster in Bennebroek – te danken aan Jan Gerbrandzoon van Leiden, aldus naar zijn geboortestad genoemd, die karmelieter monnik en kronikeur was, en in 1504 als prior van zijn klooster in Haarlem overleed. De historicus Robert Fruin heeft op de onbetrouwbaarheid van zijn werk gewezen en al in de 16e eeuw beschuldigde Janus Dousa hem dat zijn eerste boek bijna geheel met fabelen is gevuld, “doch deze fabelen behoorden toe tot de geschiedenis”, volgens een 19e eeuwse auteur. De zin – in vertaling – “Sindsdien draagt die weg tot de weg van vandaag in de volkstaal: het Mannepad” is geschreven tussen 1484 en 1490. Wèl is broeder Jan van Leiden een rijke bron van informatie voor de geschiedenis van Holland na omstreeks 1350. Het zou te ver voeren in dit artikel de geschiedenis van alle bronnen te herhalen, maar na meer dan 100 publikaties over dit onderwerp gelezen te hebben, te beginnen met de in historisch opzicht meest waardevolle ‘Rijmkroniek’ van de Zeeuwse hoveling Melis Stoke ben ik met professor dr. F.W.N. Hugenholtz van mening dat de slag aan het Manpad nimmer plaatsvond, althans niet in 1304 tegen de Vlamingen (5).

De Witte van Haemstede op de Blinkert. Steendruk van Gebr. Reimeringer.

Indien al gestreden is onder leiding van Witte van Haemstede in deze omgeving dan was dat ter hoogte van Lisse/Hillegom, maar zelfs dat is twijfelachtig. De slag aan het Manpad, alwaar de Kennemers, Friezen en Waterlanders onder leiding van Witte van Haemstede, bastaardzoon van de in die tijd nog populaire graaf Floris V (in 1296 door enkele edelen nabij Muiden vermoord) de Vlaamse indringers in de pan zouden hebben gehakt, heeft dankzij de romantische geschiedschrijving van méér dichters dan historici: Jacob van Lennep, Willem Hofdijk, Pieter Vergers en vele anderen, in de 19e eeuw volop aandacht gekregen.

Witte van Haemstede bij het Manpad . Illustratie van G.Westermann

Witte van Haemstede bij het Manpad . Illustratie van G.Westermann

manpad

Moderne illustratie van Fiel van der Veen bij een verhaal van Lennaert Nijgh: ‘Mannen op Pad'(in: Haarlem bestaat niet’), 199

Al in 1804 publiceerde de dichter Jan van Walré zijn grote lofdicht: ‘De slag bij het Mannenpad in 1304’  met als ondertitel: ‘Een Haarlemsche volkslegende’. De promotor van deze legende was zonder enige twijfel de classicus-dichter professor David Jacob van Lennep, eigenaar van het Huis te Manpad, wiens ‘Hollandsche Duinzang’ (1826/1827) wordt gezien als het beginpunt van de Nederlandse romantiek in de letterkunde en waarin de Witte als een nationale redder en held (“Geesel der Vlamingen” genoemd) wordt geëerd.

“En om Haamstede drong zich de Landzaat bij een,

En de bloedige strijd werd gestreden,

En der Vlamingen hoogmoed verging en verdween,

 Bij het Manpadt met voeten getreden”.

Houtgravure van monument Mannepad uit Penning-magazijn voor de jeugd. 4e jaargang, 1837-1838

Houtgravure van monument Mannepad uit Penning-magazijn voor de jeugd. 4e jaargang, 1837-1838

Gedenkteken aan het Manpad. Tekening op hout van Kruseman van Ellen, gepubliceerd in Nederlandsch Magazijn.

Gedenkteken aan het Manpad. Tekening op hout van Kruseman van Ellen, gepubliceerd in Nederlandsch Magazijn.

Gedenkteken door D.J.van Lennep opgericht aan de Herenweg nabij het Manpad, mede ter ere van Witte van Haemstede. Houtgravure uit het boek; Geschiedenis van Holland en Zeeland.

Mede als een posthume hommage aan Witte van Haemstede is in 1817, vervaardigd door de Haarlemse steenhouwer C Douglas, een gedenknaald geplaatst op de hoek van de Herenweg en Manpadslaan met op één zijde van het voetstuk het wapen van Witte van Haemstede (6). Het verhaal van het duin – de Blinkert achter Kraantje Lek – waar Witte zijn banier met de rode Leeuw zou hebben geplant is een voorbeeld van sagevorming, waarbij de kern van een historisch feit dankzij de verbeeldingskracht van een romantische vaderlander bewerkt, zich ging hechten aan één plek in het landschap. Hetzelfde geldt voor de Manpadslaan, gelegen tussen de Herenweg en Vogelenzang maar in 1304 nog niet bestaande, welke naam daarom ten onrechte is toegeschreven aan het vluchten van niet gedode Vlamingen. Feit is nochtans wèl dat het Manpat, veelal Mannepat, als weg tussen Haarlem en Leiden al genoemd wordt in oorkonden uit de tweede helft van de 14e eeuw, evenals op kaarten staat afgebeeld vervaardigd circa 1539 en circa 1570, maar dat is géén bewijs voor een veldslag in 1304, zoals dr. C.L Deelder uit Heemstede meent in een artikel in Haerlem Jaarboek 1973. Dit overigens niet geheel onbelangrijke gegeven is professor Hugenholtz kennelijk ontgaan, evenals het bestaan van twee min of meer revelante charters van 29 en 30 december 1306. Feit is namelijk óók dat in die akten sprake is van aanzienlijke verliezen tengevolge van de strijd met de Vlamingen. Alleen voor Haarlem is een dodental genoteerd van 21, naast talrijke gewonden en een schade van twee duizend ponden. Verder wordt een verlies aan mensenlevens opgesomd in tenminste 12 ambachten gelegen in Kennemerland, Amstelland en Waterland, o.a. 16 doden onder inwoners van Westzaan en 3 doden alsmede 150 ponden schade voor Heemskerk. Lokale historici hebben deze verliezen tot op heden veelal geassocieerd met de slag aan het Manpad. Cornelis de Koning wees hier al op in het eerste deel van zijn ‘Tafereel der stad Haarlem….’ uit 1807. Helaas ontbreekt de vermelding waar al deze personen zijn omgekomen. Mr. J.W. Groesbeek die over het algemeen kritisch is waar het om legenden gaat betwijfelt of na de aankomst van Witte van Haemstede in Haarlem geen druppel bloed gevloeid is (“Heemstede in de historie, 1972, blz. 22-24), maar verzuimt te vermelden dat Heemstede zeker niet in aanmerking komt. In de oudst overgeleverde kroniek waarin sprake is van een bloedige slag, daterend uit omstreeks 1440, wordt Lis (= Lisse) vermeld en tussen haakjes: Hillegom volgens anderen. Jan van Leiden noemt ook expliciet Hillegom. Johannes de Beke in zijn ‘Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Hollant’ (voor het eerst gedrukt in 1517) schrijft over Witte en zijn Kennemer hulptroepen: “ende sloegen die Vlaminge doot waer si se vonden”. Cruciale vraag bij dit alles is: tot hoever waren de Vlamingen Holland noordelijk binnengedrongen. Vermoedelijk tot Leiden en werd Haarlem bedreigd, gelet op een latere vermelding dat “eenige Vlaamingen” met Haarlem in onderhandeling waren. De uitspraak in een wetenschappelijk zeer gedegen studie van de Belg J. Sabbe uit 1951 over de vijandelijkheden tussen de Avesnes en Dampierres in Zeeland, Holland en Utrecht van 1303-1305, en die schrijft dat een groep Vlamingen “te Hellegom ten Zuiden van Haarlem” is verrast en volledig verslagen kan niet als bewijs dienen voor de historiciteit van de slag, vermits Johannes van Leiden zijn bron is. Zeker is dat de doden uit Haarlem en omliggende gemeenten niet in augustus 1304 nabij Zierikzee zijn gevallen waar Guy van Vlaanderen door de vloot beslissend is verslagen, maar ook elders in (Zuid)Holland is kort maar heftig strijd geleverd, zoals nabij Delft en Dordrecht Niet uit te sluiten valt dat de Kennemers, Friezen en Waterlanders in Dordrecht zijn omgekomen. Overgeleverd is voorts dat op Palmzondag 1304 enkele edelen bij een landing op Duiveland, bezet door de Heer van Renesse, aldaar sneuvelden onder wie Nicolaas Persijn en Willem Dirc van Haarlem. In 1305 is de stad Haarlem niettemin beloond voor zijn strijd tegen de Vlamingen met een groot tournooi, waar volgens de Hollandse Divisiekroniek 20 graven, 100 baronnen en 1000 ridders met edelvrouwen verschenen. De festiviteiten duurden een week, inhoudende: “steken, tornieren, hoveren ende dansen ende andere ridderlycke oeffeninge”. Het stuk van een schiettuig in de omgeving van Huis te Manpad gevonden en ooit ‘pronkstuk’ in de fraaie wapenverzameling van de familie Pauw op het Slot kan óók niet als bewijs dienen, omdat het na onderzoek afkomstig bleek van de slag in de nacht van 8 op 9 juli 1573 toen Hollandse troepen, ondersteund door Engelse officieren, tevergeefs hebben getracht Haarlem te ontzetten van de Spaanse overheersing. Die meest gruwelijke oorlogshandeling ooit op Heemsteeds grondgebied plaatsgevonden (tussen Hillegom en de Haarlemmerhout) heeft geleid tot minimaal 700 dodelijke slachtoffers, mogelijk zelfs aanzienlijk meer, en talrijke gekwetsten en het is aan de duisternis en de duinen te danken dat velen een veilig heenkomen vonden om het vege lijf te redden. Het monument aan de Herenweg herinnert ons aan die voor zovele Hollandse jongeren, in wezen een ongeoefende burgermilitie, tragisch verlopen veldslag. De jonge Johan van Oldenbarnevelt die als vrijwilliger bij de strijd deelnam wist tijdig te ontsnappen, maar de veldheer Willem van Bronkhorst en Batenburg werd door de Spanjaarden gevangen genomen en overleed twee dagen later aan zijn verwondingen. Zijn dood is door het krijgsvolk niet betreurd daar men hem om zijn dronkenschap incapabel achtte de hem toevertrouwde onderneming met succes te leiden. Eerst in 1941 zijn door de Haarlemse bibliothecaris W.P.J. Overmeer de volgende tweeoverleveringen van volksgeloof op schrift gesteld (7).

manpadslaan

Uitsnede van ‘Kaerte van Suyt-Hollants grootste deel’, gedrukt door Pieter van der Aa in 1724. Zie vermelding van Manpadslaan ten zuiden van kerkje Berkenrode.

Gedenknaald nabij Huis te Manpad aan de Herenweg Heemstede. Steendruk van H.J.Backer, circa 1840

Gedenknaald nabij Huis te Manpad aan de Herenweg Heemstede. Getekend door P.J.Lutgers; steendruk van H.J.Backer, circa 1840

herenweg

De Herenweg in 1926 met zicht op de gedenknaald

 

Foto van de in opdracht D.J.van Lennep geplaatste gedenknaald op de hoek van de Herenweg en Manpadslaan ter herinnering aan twee slagen in 1304 (tegen de Vlamingen) en 1573 (tegen de Spanjaarden).

Foto van de in opdracht D.J.van Lennep geplaatste gedenknaald op de hoek van de Herenweg en Manpadslaan ter herinnering aan twee slagen in 1304 (tegen de Vlamingen) en 1573 (tegen de Spanjaarden).

 

“De witte vrouw” en “de bloedput” [Het Oude slot]

In de nacht van 21 op 22 september 1393 is de maitresse van hertog Aelbrecht van Beyeren, Aleid van Poelgeest, evenals hofmeester Willem Cuser, vermoord op instignatie van enkele Hoekse edelen. Daartoe behoorde heer Jan van Heemstede. De hertog was woedend en ontroostbaar. Jan van Heemstede vluchtte eerst naar Altena, vervolgens naar Henegouwen. Op 12 november van dat jaar gaf hertog Aelbrecht bevel aan de schout van Haarlem, Gerrit Andriesz., om het Huis te Heemstede met de grond gelijk te maken. Onder aanvoering van Coenraad Cuser (8), bewoner van het Huis te Kleef in Haarlem en zoon van de vermoorde vader hebben de “metselaars der stede van Harlem” hun werk zeer grondig uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek in 1947 toonde onder meer aan dat de muren zijn omgehaald, de fundering uitgebroken, de steen is ter plaatse afgebikt en de slopers lieten slechts de met kalkpuin ge vulde bouwsleuven achter. Het volksgeloof wil dat Aleida van Poelgeest na de moord op het Buitenhof in Den Haag zich ophield in de aangrenzende rietlanden van het Heemsteedse kasteel. Haar afgehouwen hoofd hield zij bij zich. Als de duisternis gevallen was verscheen zij geheel in het wit gehuld op het terrein van het slot met het bebloed hoofd in haar handen. Tot vóór ongeveer 70 jaar geleden durfde de krantenbezorger als het donker was niet de krant bij de familie Erens te bezorgen uit angst voor wraak van “de witte vrouw”.

De moord op Aleid van Poelgeest op een ets van Reinier Vinkeles uit 1794

De moord op Aleid van Poelgeest op een ets van Reinier Vinkeles uit 1794

Een 19e eeuwse staalgravure met een afbeelding van de moord op Aleid van Poellgeest en Willem Cuser

Een 19e eeuwse staalgravure met een afbeelding van de moord op Aleid van Poelgeest en Willem Cuser

De tweede legende betreft de overlevering dat bij het kasteel vroeger een bloedput was, eigenlijk een gewone waterput, waarin het water na de moord op Aleida van Poelgeest periodiek bloedrood werd. “Hoewel ook deze overlevering nog eeuwen lang bleef voortleven, is er niemand meer, die de waarheid der kleurverandering heeft gezien”, aldus W. Overmeer.

Op de Plaats in Den Haag is in 1992 een nieuwe gedenksteen geplaatst ter herinnering aan de moord op Aleid van Poelgeest

Op de Plaats in Den Haag is in 1992 een nieuwe gedenksteen geplaatst ter herinnering aan de moord op Aleid van Poelgeest

Nog een sage heeft betrekking op de zogenaamde Aleidissteen. Op de Plaats in ‘s-Gravenhage, voor het standbeeld van Johan de Wit, ligt een steen in het plaveisel, de Aleidissteen. De oorspronkelijke steen was afkomstig van het Buitenhof, waar hij op de plek lag waar Aleida van Poelgeest werd vermoord en later naar de Plaats zou zijn overgebracht, Sommigen menen dat men op die ‘blauwe steen’ nog de tekenen van de zwaardhouwen kon zien. Anderen geloven echter dat die inkervingen, zeven in getal, daar zijn aangebracht op de dag dat de verzoening tot stand kwam tussen de familieleden van de moordenaars, waaronder ook uit het riddermatig geslacht Van Heemstede, Aleida en de edelman Kuser die haar vergezelde. In dat geval zou sprake zijn van een gerechtssteen of zoensteen [Bron: J.R.W.Sinninghe, Spokerijen in Rijnland, Delfland en Schieland. Zaltbommel, 1977].

De minnelist

Op grond van een onjuist bericht in de ‘Batavia Illustrata’ van mr. Simon van Leeuwen (‘s-Gravenhage, 1685) is meermaals ten onrechte gemeend dat het Bernardieten- ofwel Cisterciënserklooster ‘Hemelpoort’ in Heemstede voor nonnen bestemd was, wat tot de volgende sage geleid heeft. Toen Floris, Heer van Alkemade, in 1460 bemerkte dat zijn dochter Anna liefde had opgevat voor jonker Jan van Heemstede zond hij haar naar het nonnenconvent ‘De Hemelpoorte’. Het nieuws drong spoedig door in het slot van Heemstede en jonker Jan bezweek bijna van verdriet Met zijn zuster Maria van Heemstede verzon hij een list. Jonker Jan hulde zich in een lijkwade en ging zogenaamd dood op de lijkbaar liggen. De doodsklokken werden geluid en deze klanken drongen door tot in het maagdenconvent. Maria ging naar de abdis om te zeggen dat haar broer plotseling gestorven was en de goedgelovige non stemde toe dat zuster Anna van Alkemade de laatste eer zou betonen aan de baar. De andere zusters bleven op haar verzoek bij de poort wachten. In de bidkapel wierp jonker Jan de windsels af en kuste innig zijn geliefde. Zij bestegen het paard dat buiten klaarstond en reden heimelijk de duinen in. De andere nonnen die vergeefs wachtten traden na enige tijd de kapel binnen en ontwaarden slechts de lege baar. De abdis die dit hoorde sprak: “Voorzeker heeft een engel haar opgetrokken ten Hemel”. De nonnetjes dachten in stil gepeins: “Ach, mochten ook wij zó ten Hemel varen”.De balladedichter W.J. Hofdijk (1816-1888), bijgenaamd de ‘Kennemer minstreel’ heeft deze legende vastgelegd in een vers, bestaande uit 14 strofen van 5 regels elk (9).De eerste strofe van Minnelist (1460) luidt aldus:

“Heer Floris van Alcmâ sloeg gram op den disch:

Zult gy dus mijn stamboom onteeren?

Ik ben ’t die uw echthei! verzekeren zal!

En hebt gy den Heemsteder lief boven al –

Dat zult gy in ’t klooster verleeren!”.

Kapel van het Bernardietenklooster de Hemelpoort. Prent van Hendrik Spilman uit 1764 nar de plattegrond van Thomas Thomaszoon uit 1578 met 25 prentjes van de 'geestelijke gestichten' in Haarlem, inclusief 1 in Heemstede.

Kapel van het Bernardietenklooster de Hemelpoort. Prent van Hendrik Spilman uit 1764 nar de plattegrond van Thomas Thomaszoon uit 1578 met 25 prentjes van de ‘geestelijke gestichten’ in Haarlem, inclusief 1 in Heemstede.

De, waar het om Kennemer balladen en vertellingen gaat, onvolprezen Willem Hofdijk heeft ook de volgende legende in rijmvorm op schrift gesteld. Deze speelt zich af op Berkenrode onder Heemstede in 1340.

Titelblad van Kennemerland Balladen door W.J.Hofdijk. Haarlem, J.J.van Brederode, 1852

Titelblad van Kennemerland Balladen door W.J.Hofdijk. Haarlem, J.J.van Brederode, 1852 (Koninklijke Bibliotheek)

Fragment van oude kaart met Heemstede en omgeving uit: Kennemerland Balladen van W.J.Hofdijk

Fragment van oude kaart met Heemstede en omgeving uit: Kennemerland Balladen van W.J.Hofdijk

De Minnelist

De Minnelist (Hofdijk)

De minnegift

Op sinterklaasavond 1284 is Berkenrode door graaf Floris V beleend aan Jan van Haarlem. Zijn zoon Arent, schepen van Haarlem, noemde zich naar het goed “van Berkenrode”. Deze stierf in 1357 nalatende Jan van Berkenrode, burgemeester van Haarlem en erfgenaam van het landgoed Berkenrode. Jan van Berkenrode huwde met Emse Paridaens, hoofdpersoon in de legende. Emse Paridaens zat maandenlang in stil gepeins zuchtend voor zich uit te staren. Haar jongere zuster trok zich haar lot aan en vroeg haar op een gegeven moment vleiend: “Zeg me Emse, waarom laat je je zoete jeugd zo in getreur voorbij gaan?” Emse trachtte via smoesjes de werkelijke reden van haar verdriet te verhullen, eerst door te zeggen dat ze haar mooie pronkgewaad van blauwe damast miste, vervolgens dat de snirrel 9= steenvalk) die bij de jacht gebruikt werd was weggevlogen. Uiteindelijk laat ze de ware bron van haar zielepijn weten. “Dat is Jan van Berkenrode. Hij kwam hier deze zomer, stal mijn hart, maar liet me alleen achter”. “Heeft hij dan niets achtergelaten?” vroeg haar zuster. “Neen, enkel een harp van ceder waarvan successievelijk alle snaren door liefdesverdriet zijn gesprongen”. De zuster van Emse bracht haar een opnieuw besnaarde harp. Emse begon te spelen, hetgeen door Jan van Berkenrode werd gehoord. Het leek alsof haar tedere stem hem vanuit de verte influisterde en Jan verweet zichzelf niet trouw te zijn geweest. Dat zelfbeklag duurde drie dagen. De vierde dag reed hij op zijn snelste ros om tenslotte met zijn geliefde terug te keren naar het huis Berkenrode. “Maar toen hy weêrkwam op het huis was daar geen zweem van rouw: Hy kwam met Emse Paridaens, Die was zijn jonge vrouw”.

Overleveringen

Het spreekt bijna voor zich dat in de periode dat de boekdrukkunst nog niet tot volle bloei was gekomen de mondelinge overdracht een belangrijke rol speelde, maar men mag niet uit het oog verliezen dat een historische gebeurtenis na enkele generaties van vader of moeder op kind te zijn doorverteld veelal totaal is vervormd. Tot besluit enkele lokale voorbeelden ter illustratie van deze stelling. Nadat de kapel (kerk) van Heemstede in de tijd van het beleg rond Haarlem (1573) gedeeltelijk is verwoest zijn aldaar geen godsdienstoefeningen meer gehouden. Wel zou toen tot 1622 de Heilige Mis zijn gelezen in een kamer van de pastorie. Binnewiertz noteerde in 1855 in zijn boek over Heemstede op bladzijde 28 dit uit de mond van “zeker oude Heemsteder” te hebben vernomen. Dat zou betekenen na meer dan 230 jaar ofwel zo’n zeven generaties na het voorval(!) Via nog bestaande oorkonden is geen bevestiging te verkrijgen. Daarin is sprake dat Heemstedenaren voor uitoefening van de kerkelijke eredienst naar de Haarlemse parochiekerk moesten, maar er mochten nog wel ingezetenen binnen de kapel worden begraven.

Volgens overlevering is in de nacht van 4 op 5 mei 1747 de buitenplaats Berkenrode afgebrand tengevolge van de illuminatie met vetpotjes en kaarsen, die Mattheus Lestevenon had laten verzorgen wegens de verheffing van de Prins van Oranje tot Stadhouder. Er is nochtans één getuige in het archief, die het meest geloofwaardig lijkt, maar men in de boeken niet terugvindt, namelijk dat de brand ontstond door onvoorzichtigheid met een huiskaars lang nadat de illuminatie was gedoofd.

Volgens overlevering heeft Heemstede in de 17e en mogelijk begin 18e eeuw twee schuilkerken gekend, namelijk de Achterkoekoek, in 1657 door de Leidsevaart gescheiden van Voorkoekoek (= Ipenrode) én het huis aan de Manpadslaan, met opschrift in steen “de Kapel”. Mevrouw J.M. Sterck-Proot meent nochtans dat de traditie van “de Kapel” nabij het Manpad als schuilkerk niet meer dan een legende is en naar haar overtuiging eerder dekmantel voor een herberg dan een “heilig huisje” is geweest (10).

Huis de Kapel aan de Manpadslaan nabij de Leidsevaart (foto Vic Klep)

Huis de Kapel aan de Manpadslaan nabij de Leidsevaart (foto Vic Klep)

Ook met betrekking tot de herbergen, is menig verhaal te vertellen valt. Bijvoorbeeld: het ontstaan van de namen ‘Oude Geleerde Man’ en ‘Dronkemanshuisje’; het bezoek van de hertog van Langeveld aan ‘Het Gulden Klaverblad’ (de Haringbuis); de ambassadeur der Laberdotten, zich aan het misleide publiek vertonende voor het venster van herberg ’t Bokje in de Hout etc. Daarop wordt in een andere bijdrage teruggekomen.

NOTEN:

(1) Heemstede heeft mijns inziens tijdens de Spaanse beroerten meer geleden dan tot op heden in de lokale geschiedschrijving is aangenomen. Op 27 juni is het Bernardietenklooster ‘Porta Coeli’ geruïneerd en een jaar later de kapel (kerk), alsmede vermoedelijk het huis aan ’t Mannepat. Voorts is de korenmolen van Jacob Harmans op de Molenwerf “verbrandt en de verdistribueert” en in de winter van 1573/1574 is het kasteel Berkenrode door brand verwoest. In hoeverre wilde geuzenbenden van Lumey dan wel de Spanjolen voor deze vernielingen verantwoordelijk waren is niet in alle gevallen na te gaan. De uit Heemstede geboortige edelman Jacob van Ilpendam is in 1568 op last van Alva in Brussel onthoofd en in de nacht van 8 op 9 juli 1573 vond in deze omgeving een gruwelijke slachting plaats met enige honderden doden en talrijke gewonden onder wie Gerrit van Berkenrode.

(2) Van het Haarlemse convent buiten de Sint Janspoort in de ban van Hogerwoerd is de grondslag gelegd door Hugo Goudsmit, een leerling van Geert Grote. Johannes van Kempen, een broer van de beroemde Thomas á Kempis, is hier na Windesheinm zeven jaar prior geweest. Het klooster is na 1578 verdwenen en de goederen vervielen – evenals die van het klooster in Heemstede na een conflict met de universiteit van Leiden – aan het ‘geestelijk Comptoir van Haarlem’ als vergoeding voor de tijdens het Beleg in 1573 geleden schade. Evenals in Heemstede verscheen op de plaats van de voormalige abdij een buitenplaats onder de naam ‘Het Klooster’. In Schoten, sedert 1927 gemeente Haarlem, herinnert daaraan de Kloosterstraat (zo ook de Regulierstraat en Korte Regulierstraat), zoals in Heemstede de Cloosterlaan en Cloosterweg, alsmede een gedenksteen ‘Porta Coeli’ in de voorgevel van ‘Hageveld’.

(3) Over de Patriciuskapel schreef F. van Geldorp in zijn boek ‘Santpoort; ’t playsante buyten’. (Haarlem, 1971, blz. 28-29).

(4) Adriaen Floriszoon van Boeyen leefde van 1459 tot 1523. Zijn pontificaat als paus Adrianus VI duurde slechts van 31 augustus 1522 tot zijn dood op 14 september 1523. David van Bourgondië, die op 30 maart 1457 toestemming gaf tot oprichting van het Bernardijnen klooster ‘De Hemelpoorte’ was een natuurlijke zoon van Filips de Goede van Bourgondië. Hij is in 1455 tot bisschop gewijd en heerste tot 1496 in de ommuurde stad Utrecht waaruit het bijna voltooide bouwwerk de Dom boven de stad uittorende.

(5) F.W.N. Hugenholtz, Historie en histografie van de slag aan het Manpad. In: jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden 1953-1955.1955, blz. 31-47.

(6) Door alle eeuwen heen hebben sommige historici de Witte van Haemstede abusievelijk van Heemstede genoemd, te beginnen met de middeleeuwer Johannes de Beke, via Schrevelius en Vossius en J.A. Leeghwater in de zeventiende eeuw, tot ver in de 20ste eeuw de schrijfster Helma Wolf-Catz die het presteerde in haar ‘Kleine geschiedenis van grote kastelen’ het gedenkteken voor Witte nabij Huis te Manpad in Haamstede op Schouwen-Duiveland te situeren – of is hier sprake van een zetfout? H.H.B. Binnewiertz noteerde in 1855 “dat vele dorpelingen in den waan zijn, dat Witte van Haemstede één der heeren en welligt de stichter van deze heerlijkheid geweest is” (bladzijde 32).

(7) W.P.J. Overmeer: Het oude slot te Heemstede; historie. In: Haerlem jaarboek 1941. 1942, blz. 64-65. De twee overleveringen zijn verteld door mevrouw E.A.N. Wassenberg-Geuer én voegt de auteur daaraan toe: “bevestigd door eenige oude Heemsteders”.

(8) Het kan verkeren. De vader van Coenraad Cuser Willem Cuser was gehuwd geweest met Machteld van Heemstede, een zuster van Gerrit van Heemstede. Overigens al in 1394 verzoende hertog Aelbrecht zich met de Hoekse edelen en hij sloot op 12 april 1396 een vredesverdrag met Jan van Heemstede en de Wassenaar’s.

(9). In: ‘Kennemerland; balladen’. Ie druk 1850. Het verhaal komt o.a. voor in: ‘Legenden van Holland’s kust’; verzameld door Carel Voorhoeve (Den Haag, 1931), alsmede in: ‘Kennemer legenden; Het Slot te Heemstede’; door G.J. Bettink, in: Buiten, 20 januari 1917, blz. 31-33. De datering 1460 van W. J. Hofdijk stemt beter overeen met de historiciteit van genoemde personen dan het jaartal 1300 door C. Voorhoeve genoemd. Ridder Jan van Heemstede en Benthuysen vervulde het ambt van ambachtsheer van 1446-1473 en was gehuwd met Beatrix van Alkemade, dochter van Floris van Alkemade van den Woude.

(10) In: Historisch gedenkschrift bij het twaalf-en-half jarig bestaan der St. Antoniuskerk Aerdenhout-Bentveld, 1935, blz. 16. B.J. van Houten in zijn gedenkboek 250 jaar St. Bavo-parochie heeft ten aanzien van haar argumenten zijn bedenkingen geuit.

Wintergezicht met ijspret op de Leidsevaart aan de Manpadsbrug met links de Kapel (litho uit 1844)

De Kapel nabij de Leidsevaart dateert uit omstreeks 1700 en is een rijksmonument. Genoemd in neen akte uit 1708 heeft het pand als dienstwoning gediend van Huis te Manpad, waart onder meer pluimgraaf Koert van Cornelis van Lennep heeft gewoond. Het huis is ten dele te zien op een steendruk ‘Wintergezigt aan de Manpadsbrug’ van P.J.Lutgers: Gezigten in de omstreken van Haarlem, uitgegeven in 1844.

Hans Krol

Bijlage: een minnelist

Een minnelist in Heemstede. Uit: De Week in Beeld, 2 mei 1941.

Een minnelist in Heemstede. Uit: De Week in Beeld, 2 mei 1941.

Vervolg van: een minnelist in Heemstede. Uit: De Week in Beeld, 2 mei 1941.

Vervolg van: een minnelist in Heemstede. Uit: De Week in Beeld, 2 mei 1941.

Aleida.jpg

Moderne illustratie van Jurgen Wiersma bij een verhaal van Lennaert Nijgh: ‘De rusteloze jonkvrouw’, in: Haarlem bestaat niet, 1996.

Koster.jpg

Moderne illustratie van Fiel van der veen, bij een verhaal van Lennaert Nijg: ‘De bedrukte stad’, in: Haarlem bestaat niet, 1996.


Coster.jpg

Illustratie van Ingrid Joustra, bij een verhaal van Lennaert Nijgh, in: Haarlem bestat niet, 1996.