“Rustenburg” (“Het Bokje”), een kwade herberg in De Haarlemmerhout

'De herreberg Rustenburg'. Ets van Jan Vincentszoon van der Vinne, uit kort na 1700 in een serie 'Gesigten buijten Haarlem'.

‘De herreberg Rustenburg’. Ets van Jan Vincentszoon van der Vinne, uit kort na 1700 in een serie ‘Gesigten buijten Haarlem’.

De herbergen Het Wapen van Amsterdam en Rustenburg [’t Bokje. de Ooievaar] door P.van Loo (1768) (Noord-Hollands Archief)

'Het Wapen van Amsterdam' naar een tekening van Hendrik Tavenier (1734-1804)

‘Het Wapen van Amsterdam’ naar een tekening van Hendrik Tavenier (1734-1804)

Rustenburg1

                                 De herberg Rustenburg in de Hout; door F.T.Renard (1778-1820)

Gedurende de late Middeleeuwen waren talrijke herbergen buiten de Grote Houtpoort in de Haarlemmerhout gelegen. Deze tapneringen ressorteerden onder het rechtsgebied van de Heren van Heemstede. De stad Haarlem had het bos in erfpacht gekregen van de Staten van Holland, sedert 1583 voor een bedrag van ƒ 325,-per jaar. In de Hout bevonden zich in de eerste helft van de 16e eeuw ‘zekere huysen’, waarvan de bewoners ‘henlieden generende zijn met tappen ende taverne te houden ende onder ’t dexel vandien converseren ende verkeren aldaer, dagelijcx, groote menigte van rabauwen, hoeren ende boeven, ende ander quaet ongeregelt volck, die anders niet en doen dan droncken ende versmoert te drincken, ende den goedenluyden aldaer…passeerende, te beschaemen verlosten ende verdrucken, ende dagelijcx diversche foertsen, moorden, dootslagen, gewelt, luxuriën, vloucken, zweeren, dobbelen ende andere veele sonden gebueren ende geschien” (1). De ambachtsheren van Heemstede stonden toe in dit gebied belastingvrij te tappen. Dit tot groot ongenoegen van de tapperijen in de binnenstad en de Haarlemse vroedschap. In 1527 is door Keizer Karel V, Landsheer der Nederlanden, het verbod uitgevaardigd dat binnen een territoir van 500 roeden (circa 1.885 meter) rondom de stad Haarlem geen accijnsvrij bier, wijn of ander gedistilleerd meer mocht worden getapt. Aanvankelijk zonder veel succes, als gevolg waarvan in 1535 opnieuw een verdrag is ondertekend tussen o.a. Roeland, Heer van Heemstede en de burgemeesters van Haarlem, bevestigd door keizer Karel. Als tegemoetkoming voor het derven van accijnsen is Heemstede met jaarlijks 50 gulden schadeloos gesteld (2). In 1545 is het tapverbod uitgebreid tot het huis bij het Mannepad. Aan het afzonderlijk verbod geen brouwerijen te stichten in het gebied van Heemstede – buiten de brouwerij in het Slot – is wél voldaan. Na de herbeplanting van de Haarlemmerhout in 1585 keerden de kroegen echter geleidelijk terug en is het verbod tot vestiging massaal overtreden. Ook in ’t Crayenest, langs de Herenweg en in het oude centrum (3). In de 17e eeuw is in de Napels- ofwel meester Lottelaan een buurtschap ontstaan, voornamelijk bewoond door herbergiers, chirurgijns, wevers, bakkers en andere neringdoenden. Adriaen Pauw stelde  een deken (opzichter) en twee vinders (assistenten) aan die erop toezagen dat de keuren werden uitgevoerd, zoals het betalen van straatgeld en het reinigen van de omgeving. Regelmatig trachtte de Heer van Heemstede een verbod uit te vaardigen aan een kastelein die de keuren (verordeningen) overtrad, doch veelal zonder het gewenste resultaat. Men krijgt de indruk dat menigmaal de magistraten van Haarlem, de baljuw van Kennemerland (alsmede zijn plaatsvervanger) “de Stedehouder” en de Heer van Heemstede met zijn dienaren waar mogelijk tegen elkaar zijn uitgespeeld. Het staat vast dat de Heren van Heemstede veel toegeeflijker waren dan bijvoorbeeld de baljuw. Vanzelfsprekend speelde mee dat (belasting)inkomsten een welkome aanvulling betekenden. Vergunningen om te tappen waren vóór de Franse Tijd het recht van de ambachtsheer van Heemstede én hadden soms een voorwaardelijk karakter, indien hem klachten bereikten over schending der goede zeden of zich na dronkenschap vechtpartijen hadden voorgedaan dan wel aan ongure gasten zoals dieven en oplichters onderdak was verleend. De Hollandse herbergiers hadden volgens een Duitse bezoeker de naam zeer gewinzuchtig te zijn. Op 30 april 1759 noteerde de Zweedse astronoom Bengt Fermer op bezoek in Holland: ‘In een herberg buiten Haarlem betaalden wij voor ons drieën en den knecht 15 gulden, terwijl wij alleeen maar een schotel kleine en een schotel grote baarzen hadden gegeten, benevens boter en brood en een fles wijn’. De herberg Rustenburg (’t Bokje) aan de Groote Houtwech (Dreef) genoot van alle herbergen in de Hout zonder twijfel de meest bedenkelijke reputatie, niet in de laatste plaats omdat hier lange tijd een “hoerhuys” was gevestigd. In de 18e eeuw eeuw hebben priesters en predikanten op de kansel veelvuldig gewaarschuwd voor de morele gevaren van losbandigheid die zich vooral tijdens kermisdagen en in herbergen voordeed, waar ijdelheid en ondeugd heersten. De Kermis in de Haarlemmerhout had plaats in de maand september na de Sint Janskermis op 28 en 29 juni. Op 24 juni 1623 bracht de verdreven “Winterkonning” van Bohemen Frederik V, vergezeld van een aantal edellieden tijdens een meerdaags tochtje door Noord-Holland een beleefdheidsvisite aan Adriaen Pauw op het Huis te Heemstede en reed daarbij via de Achterweg langs de blekerijen. Enkele dagen later is het gezelschap op de kermis te Haarlem gesignaleerd.

Voorbeeld van een tapvergunning door Heer van Heemstede Gerard Pauw geboren Hoeufft aan kastelein J.Wiedemeijer jr. van herberg Rustenburg uit 1716

Logementen in de Haarlemmerhout. Tekening door Jacques Kuyper, 1791 (Rijksmuseum Amsterdam)

Logementen in de Haarlemmerhout. Tekening door Jacques Kuyper, 1791 (Rijksmuseum Amsterdam)

Vrolijke herbergscène in de Haarlemmerhout; door Richard Brakenburgh (1650-1702)

Vrolijke herbergscène in de Haarlemmerhout; door Richard Brakenburgh (1650-1702)

In de Hout was, evenals op Crayenest, een concentratie van kroegen en logementen, echter zoals uitgezocht door Paul van den Brink, hooguit vijftien tegelijkertijd. Sommige tapneringen zijn met wisselende eigenaren meer dan eens van naam veranderd. De benaming van herberg “Rustenburg” – evenals de voormalige hofstede Rustenburg gaat vermoedelijk terug op een gelijknamige schans in Schalkwijk die een voorname rol heeft gespeeld ten tijde van het beleg van Haarlem in 1572-1573. Sinds ongeveer 1720, toen de herberg tevens bordeel was, ook aangeduid met “de Oyevaar”. De naam van een vogel waaraan in het volksgeloof bijzondere deugden zijn toegeschreven. Ook in de 17e eeuw was al een herberg met de naam “Oyevaar” nabij het Verwulft/de Zijlstraat. Omstreeks 1735 is een uithangbord “’t Bokje” aangebracht (met variaties: Bok en Bokki). Een naam die we bij onze voorouders veelvuldig tegenkwamen op gevelstenen en uithangtekens van ook burgerwoningen, looierijen en bierbrouwerijen (bokbier). Zo’n halve eeuw later is het opschrift “Plaats Royaal” aangebracht, in de 17e eeuw ook een bekend Amsterdams logement, refererend aan het Parijse plein, een groot vierkant met zuilengangen omringd. In 1707 werd uit de bossen (=collectebussen) via de herbergen van Heemstede een bedrag van 55 gulden, 1 stuiver en 8 penningen bijeengebracht, maar de maandelijkse inzameling door de Armmeesters onder de inwoners van Heemstede bracht aanzienlijk meer op (4). Gedurende de jaren 1766/1767 is jaarlijks in Heemstede bijna 25.000 stoop wijn en brandewijn ofwel ongeveer 62.000 liter geschonken. De Staten van Holland en Westfriesland verleenden octrooi aan de Armmeesters van de gemeente ten behoeve van de schaal-armen een stuiver te mogen heffen van elke stoop (2,5 liter) wijn, brandewijn of ander gedistilleerd dat binnen de Heerlijkheid werd gebruikt. Deze toestemming is op 21 augustus 1781 voor vijftien jaar verlengd.

Overzichtskaart van herbergen in de Haarlemmerhout. Tekening door Paul Marselje, 1984.

Diverse populaire tapperijen vinden we vanaf de 18e eeuw aan de Dreef (thans ook Fonteinlaan) in het gebied tussen de Meester Lottenlaan (de grens met Heemstede) en zuidelijk de Oude Houtweg (de tegenwoordige Wilhelminalaan nabij Dreefzicht).  Van noord naar zuid waren hier de volgende etablissementen gesitueerd:

1) Amsterdam, later Oostenhout genoemd (sinds ongeveer 1645);

2) Napels, later geheten Het Gulden Vlies (ofwel Vergulde Vlies), het Wapen van Amsterdam, Hildebrand (in de periode van circa 1650 tot 1961) (5);

3) Rustenburg, de Oyevaar, ’t Bokje, Plaats Royaal;

4) Fortuin, Heerenlogement, Hotel van den Berg – in 1889 na sloop nieuwbouw -, Hotel Scholten, Hotel Roozen, Hotel den Hout (tijdens de Duitse bezetting was hier de Ortskommandantur gehuisvest) – in 1971 afgebroken om plaats te maken voor de toenmalige Nutsspaarbank (daarna vestiging van de Westelijke Land- en Tuinbouworganisatie);

5) “Trou moet blijcken”, Dreefzicht. In 1839 gebouwd naar ontwerp van J.D.Zocher jr., als buitensociëteit (tot 1922) van de aloude Haarlemse rederijkerskamer der Pelikanisten. Sedert 1960 in gebruik als wegrestaurant binnen het Van der Valk-familieconcern. Tegenwoordig La Place.

De herbergen ‘Het Wapen van Amsterdam’ en ‘Rustenburg’ ofwel ’t Bokje’ ofwel ‘de Ooievaar’ op een kopergravure door Hendrik de Leth uit circa 1730.

De historie van Rustenburg/De Oyevaar/Het Bokje/Plaats Royaal: ‘een plaets van vermaeck’

Al in de Middeleeuwen is in de rechtsbronnen sprake van goede en kwade herbergen, die de toenmalige overheid de nodige hoofdbrekens bezorgden. Uiteraard vooral de laatstgenoemde welke behalve als logement en pleisterplaats ook als speelhol en bordeel fungeerden met ‘lichte wive’ ofwel meisjes van ‘lichter fame’. Andere aanduidingen van een dergelijke gelegenheid waren ‘jufferhuys’ en de middeleeuwse benamingen ‘kuip’ of ‘stoof’. Ofschoon klandestien werd prostitutie door de overheid gedoogd, maar was in tegenstelling tot het tappen op zondag strikt verboden. Pas ten tijde van de Franse Tijd werd het legaal een bordeel te houden wanneer de gelegenheid en aldaar werkzame meisjes van plezier waren opgenomen in het “register van publieke vrouwen en bordeelhouders”.

Vrolijk gezelschap onder een boom van neen herberg. Tekening door Cornelis Troost, circa 1740-1745 (Rijksmuseum)

Vrolijk gezelschap onder een boom van neen herberg. Tekening door Cornelis Troost, circa 1740-1745 (Rijksmuseum)

Hoererij kwam overigens in de Hout mede voor via tippelende publieke vrouwen ‘avonturiersters’ genoemd, die niet aan een herberg verbonden waren en meestal gedreven door armoede mannen tegen betaling achter bomen en struiken aan hun gerief lieten komen (6). Diverse herbergen in de Hout, zoals “Het Gulden Vlies” en “De Blauwe Engel” fungeerden tevens als bordeel, van welke “Het Bokje” de kroon spande. Na Z.Geeraerts, die een goede naam had, hebben verschillende eigenaars en zetbazen hier gezelschapsdames ofwel animeermeisjes te werk gesteld. Vaak waren dat jonge ongehuwde moeders die het oudste beroep van de wereld uitoefenden om in hun onderhoud te kunnen voorzien. Opvallend is dat in de verzoeken van kasteleins in de 18e eeuw gericht aan de Heer of Vrouwe van Heemstede om zich in de heerlijkheid te vestigen, zijzelf steeds spreken van een ‘tapneringh’, terwijl in de vergunning steevast de benaming ‘hoerhuys‘ is gebruikt. Men kon hiervoor terecht in een kamer op de bovenverdieping, waarbij voor een ‘vluggertje’ ƒ 5,- en voor een nachtelijke ‘bijslaap’ minimaal 25 carolus gulden moest worden betaald. Een veelzeggend opschrift over de aard van deze ‘quade’ herberg (7) luidde volgens een aantekening van Jeroen Jeroense:

‘ ’t is gewis twee vrouwen billen

konnen meer lokken

als alle kloosters kloeken

laatste vrij luijen

datze haar moer bruijen’.

De herberg Rustenburg. Tekening in O.I.inkt door Barend Gaal uit omstreeks 1770 (N.H.Archief, Haarlem)

De ‘plaizierplaets’ was ook geliefd bij bezoekers uit Amsterdam, maar een bron van zorg voor de overheid. In de bijna twee eeuwen dat deze herberg heeft bestaan is deze minstens vijftien maal van eigenaar veranderd. Vaak is een uitbater in het etablissement gezet. Voor het eerst wordt in 1633 de uit Heemstede afkomstige Zacharias Geraerts als waard genoemd van “Rustenburg”, die deze tapgelegenheid huurde van zekere Jacques Schott, terwijl ook Robert Thomassen genoemd wordt. Twintig jaar later is Geraerts na aankoop van een Haarlemse brouwer voor ƒ 2.800,- ook eigenaar geworden van huize Napels en vestigde daar een herberg. Beide gelegenheden zijn tevens gebruikt als veilinghuis voor boeken en schilderijen. Aangenomen wordt dat onder meer Frans Hals hier sommige van zijn doeken op de markt heeft gebracht. Na 1670 is de uit Heemstede geboortige Herman Capoen enkele jaren bezitter geweest van de herberg en twee aanpalende huisjes waarvoor hij een bedrag van ƒ 5.025,- betaalde. In 1664 kocht hij bovendien de herberg “Napels” waar in navolging van vorige eigenaars veilingen van schilderijen zijn gehouden, hetgeen de stad Haarlem tevergeefs trachtte te verhinderen. Eenmaal overleden op 30 mei 1679 is door de voogden van zijn kinderen Rustenburg (met drie woonhuizen) voor ƒ 9.250,- verkocht aan Andries de Bock uit Haarlem. Deze kastelein nam teveel hooi op zijn vork. Nadat de Nieuwe of Sint Joris Doelen (huisvesting van een schuttersgilde) tot stadsherberg onder de naam “Heerenlogement” was verbouwd heeft De Bock hiervan het beheer op zich genomen. Het etablissement werd incidenteel voor maaltijden en bijeenkomsten gebruikt door de stedelijke regering van Haarlem, maar in 1684 kon hij ‘door de slegte neringe, die hy hadde’ de pacht niet meer opbrengen en is het meubilair verkocht. Verder moest hij een schuldbrief ten bedrage van 600 carolus gulden afgeven waarvoor Andries de Bock zijn huis en herberg in de Nieuwe of Grote Hout ‘daer Rustenburgh uythangt’ als onderpand stelde (8). Ook daar had hij weinig geluk. In 1688 hebben de curatoren van de insolvente boedel Eva van Zingel, weduwe van Andies de Bock, voor maar ƒ 3.410,- overgedaan aan Christiaen Rosaert, die later eveneens “Napels” zou overnemen. Met het aantrekken van publieke vrouwen, die de helft van de verdiensten aan de kastelein afdroegen, is de exploitatie winstgevend gemaakt. In 1701 werkte een dochter van de Haarlemse chirurgijn Joost Plevier als prostituee in Rustenburg. Dat was reden voor Cornelia Arynsdochter het ouderpaar ‘schandelijk’ te beledigen. Moeder Marijtje Plevier is op haar toegestapt om te zeggen dat ze beter haar mond kon houden, waarop Cornelia blijkens een bij een notaris afgelegde verklaring heeft geantwoord: ‘Jou smots, houd je bakkes toe, wil je daar van praten. Je dochter is daarom verhuist omdat se haar soo dikwijls van de heeren bij haar gat liet voelen, daar in dat huis, wijsende met haar vinger op de herberg daar de Ojevaar of het Bokje uitsteekt’. Moeder Plevier heeft haar vervolgens hardhandig bij de arm gepakt en op de borst geslagen, waarbij Cornelia tegen de deur van de nabijgelegen herberg Het Gulden Vlies was gevallen en gewond raakte (9). In deze periode was bakker Munck een notoire dronkaard en hoerenloper, tegelijkertijd een gewaardeerd diaken en ouderling van de Hervormde Kerk. Een decennium later deden zich opnieuw problemen voor. Johanna Wiedemeijer, echtgenote van de nieuwe hospes Lodewijk Rostaert nam de benen na mishandeld te zijn door haar man. De zaak kwam voor de schepenbank in Heemstede en uit getuigenverklaringen van de ‘juffers’ bleek dat de echtgenote bij herhaling overspel had gepleegd. Het oordeel was dat Johanna zich weer moest ‘begeeuenonder de gehoorzaamheid en in de bijwooninge van haar man’.

Bordeelscene door Hendrik Gerritszoon Pot (1580-1657), die van 1603 tot 1650 in Haarlem actief was. Twee heren uit de betere stand zijn door een 'koppelaarster' bij een juffrouw van lichte zeden gebracht

Bordeelscene door Hendrik Gerritszoon Pot (1580-1657), die van 1603 tot 1650 in Haarlem actief was. Twee heren uit de betere stand zijn door een ‘koppelaarster’ bij een juffrouw van lichte zeden gebracht

Bodeelscène. Tekening van Nicolaes Knüpfner (1613-166) door mw.A.H.Beels van Heemstede-van Loon in 1898 geschonken aan het Rijksmuseum

Bordeelscène. Tekening van Nicolaes Knüpfner (1613-1660) door mw.A.H.Beels van Heemstede-van Loon in 1898 geschonken aan het Rijksmuseum.

Herbergscène van soldaten die met de waardin flirten. Aquarel van Willem Pieter Hoevenaar (1808-1863)

Herbergscène van soldaten die met de waardin flirten. Aquarel van Willem Pieter Hoevenaar (1808-1863)

In 1716 komen we Jan Wiedemeijer junior, afkomstig uit Amsterdam, als kastelein tegen. Deze is negen jaar later opgevolgd door Arnoldus Roos, die blijkens een brief in het gemeentearchief van Heemstede op 12 mei 1725 fiat kreeg van ambachtsheer Gerrit Pauw geboren Hoeufft van Heemstede zich in de heerlijkheid te vestigen in een huis naast de herberg. Na diens overlijden zette zijn weduwe Hillegonda van Reenen de zaak voort in een periode dat de herberg wisselend Rustenburg én de Oyevaar heette. In april 1730 is een echte olifant voor herberg Rustenburg aan het publiek vertoond. Op dat moment was Hendrik de Wilde eigenaar van de herberg Napels ofwel Het Vergulde Vlies (Gulden Vlies) en beschikte hij over een kleine dierentuin in “De Blauwe Jan” te Amsterdam. De Heer van Heemstede had consent verleend, tevens ‘daartoe een schilderije uyt te hangen’. Ten onrechte bekeurde de baljuw van Kennemerland hem en legde een boete op van ƒ 25,-. De Wilde deed daarop beklag bij de nieuwe ambachtsvrouwe Geertruid Dutry, welke hem aanraadde de boete niet te betalen. Uiteindelijk is de kwestie zonder gevolgen gebleven, ‘also de baljuw die saak niet durfde voort te zetten’ (10). Hendrik de Leth maakte een fraaie kopergravure van de herbergen “’t Wapen van Amsterdam” en “De Oyevaar” (ofwel “’t Bokje’) nabij de Lottenlaan, in 1732 opgenomen in het plaatwerk “Het Zegenpralent Kennemerlant” met begeleidende teksten van Mattheus Brouërius van Nidek, die zelf op de nabijgelegen hofstede “Uittenbosch” woonachtig was. ‘Wij zien daarop afgebeeld hoe men zich ook in die dagenvermaakte, al ging het er vaak wat schuins naar toe.Waar herbergen zijn, wordt gedronken, daar zijn zij voor, en waar gedronkenwordt, slaat men licht tot baldadigheid en losbandigheid over en  naar ’t prentje te zien, was het leven bij die herbergen, van die goeden ouden tijd, nu juist niet altijd even zedig en eenvoudig’, aldus tuinarchitect en publicist Leonard Springer in diens boek over de Haarlemmerhout uit 1902. Verondersteld wordt dat er juist een kermis of een ander openbaar feest plaatsvond toen plaatsnijder De Leth zijn indrukken opdeed.

Een grove grap: “Het bezoek van de ambassadeur der Laberlotten”

Bezoek van de ambassadeur der Labberlotten; schilderij van Cornelis Troost (Rijksmuseum Amsterdam)

Medio juli 1734 is de Amsterdamse houtzaagmolenaar Christiaan Vikke voor ƒ 7.500,- eigenaar geworden die de herberg als geldbelegging heeft gekocht. Spoedig verpacht aan Cornelis van Vleuten als hospes die vermoedelijk de nieuwe naam ‘Het Bokje” introduceerde. Na zijn plotse overlijden is het etablissement blijkens een vergunning om sterke drank te tappen met de kleine maat voortgezet door de weduwe Elisabeth Schuiling als tapster en bordeelhoudster (11). In dit tijdvak (1730-1750) beleefden vrijwel alle herbergiers in de Hout magere jaren, heerste er armoede, en braken in de Hollandse steden – te beginnen in Haarlem in 1748 – onlusten en plunderingen uit tegen de pachters der belastingen (“pachtersoproer”). Rond 1739, had een publiciteitsstunt plaats, de geschiedenis ingegaan onder de naam ‘de misleyden’, doch vooral als ‘de ambassadeur der Laberlotten’, een hoogwaardigheidsbekleder die zich aan het volk vertoont. Bekend geworden tot in Duitsland en Engeland toe dankzij een schilderij en tekeningen van Cornelis Troost, vanwege enige hiernaar vervaardige gravures. Om bezoekers te trekken liet de waardin vanuit het bovenraam haar blote kont zien, waarop een gezicht geschilderd was. “Een bijna geheel rond aanschijn, van eenen omtrek en grootte, zoo als nimmer menschelijk aanschijn gezien was” (12). Het opgerolde hemd deed dienst als tulband. Dit alles tot groot genoegen van het toegestroomde publiek, dat de grap snel doorhad. Tot ergernis ook van twee afgebeelde quakers die hun hoofd van het gebeuren hebben afgewend. Meer gegevens over dit anecdotische voorval elders in een bijdrage op mijn blog.

De ambassadeur der Labberlotten. Gravure door P.Fouquet jr.

'De Ambassadeur der Labberlotten', ets door Pelletier, 1764.

‘De Ambassadeur der Labberlotten’, ets door Pelletier, 1764.

'De Misleyden', gravure van Abrham Delfos (1731-1820)

‘De Misleyden’, gravure van Abraham Delfos (1731-1820)

In 1742 wordt Thomas de Vries als kastelein genoemd. Vier jaar later trad een deurwaarder wegens insolvabiliteit op tegen Vikke en is het Bokje voor slechts ƒ 1.875,- verkocht aan Claas van der Ham, die reeds eigenaar was van verscheidene tapneringen, zoals ’t Fortuin en het Nieuw Verbrand Huis, het Duifje en het Maagdenhuis, allemaal in de Voorhout gelegen. Dirk Bres ging als hospes in de herberg werken, zes jaar nadien opgevolgd door Gerrit Schoonbeek en in 1753 door Willem Palm. Onder zijn beheer deed een nieuwe naam zijn intrede, namelijk “Plaats Royaal” als herinnering aan de in 1610 te Parijs aangelegde Place Royale, dat als het mooiste plein van Europa gold. Willem Palm ondervond een probleem waarmee veel herbergiers teb kampen hebben gehad. Zijn vrouw was aan de drank verslaafd en liep ten slotte in 1772 weg. Na diens dood hebben zijn dochter Catharina Palm en schoonvader Jan Angenent uit Haarlem de herberg voortgezet en deed een nieuwe periode van bloei zijn intrede. Naast kaatsen waren zomers balspelen als kolven, kegelen en beugelen populair bij burgers en boeren. Het kolfspel, gespeeld op open later ook overdekte – banen was sinds circa 1300 een gewild volksvermaak in Holland. Het nieuwe kolfspel werd bij voorkeur op banen in de buurt van herbergen gespeeld, zodat men bij slecht weer naar binnen kon om te schuilen en een likeur of andere drank te nemen, ’s Winters werd ook gekolfd op het ijs van het Haarlemmermeer. De lengte van de banen varieerde van 24 tot 39 meter. De tweede druk van een boekje “Verhandeling over het kolven” uit 1792 vermeldt liefst 350 banen in Holland en Utrecht. In en om Haarlem lagen er toen niet minder dan 12, waarvan l onder dak in “Het Wapen van Amsterdam”. In de opsomming komen we ook tegen: ‘1 buiten de Groote Houtpoort, de Bok’. Op 26 juni 1793 is Plaats Royaal voor het aanzienlijke bedrag van ƒ 17.000,- in handen gekomen van de Haarlemse wijnkoper Christoffel Brands met Rijnier Nonnik als zetbaas. Medio 1807 werd de herberg voor ƒ 13.000,- getransporteerd aan Jan van den Berg (tevens eigenaar van het grotere “Heerenlogement”) en Maria van Dijk. De klandizie liep in de (arme) Franse Tijd achteruit en in 1814 kwam een roemloos einde aan de gewezen herberg Rustenburg, nu Plaats Royaal, toen Jan van den Berg de gehele inboedel verkocht. Eenmaal leeg is het pand voor ƒ 2.500,- verkocht aan de Amsterdammer Daniel Arbman Danielszoon.

De laatste herbergier van Plaats Royaal: Jan van den Berg op een tekening door Christiaan Andriessen uit 1803

Christiaan Andriessen schetste Jan van den Berg met een glas in de hand op 7 juni 1803 voor het Heerenlogement. Onderaan de tekening voegde de kunstenaar toe:‘Deze Hospes J.v.d.Berg uit den Hout had het deezen dag verbaasd druk, had ’s morgens voor 9 uuren reeds voor ƒ 150,- aan krentenbrood ingeslagen en liet zijn gasten dien dag duur betalen!’.

'Een feestje in de Hout'. Tekening met krijt en O.I. inkt getekend door Cornelis Troost.

‘Een feestje in de Hout’. Tekening met krijt en O.I. inkt getekend door Cornelis Troost. (Rijksmuseum Amsterdam)

Bronnen en literatuur: documentatie herbergen: Gemeentelijke Openbare Bibliotheek Heemstede (documentatie herbergen), in depot bij het Noord-Hollands Archief; Gemeentearchief-Heemstede; Atlas (N.H.Archief Haarlem). Voorts: Paul van den Brink en J.H.Grabandt-Pleging: de herbergen en hun gastheren. In: Haarlemmerhout 400 jaar. Haarlem, 1984, blz. 72vv.  Zie ook elders op het internet: ‘De ambassadeur der Labberlotten’ door Cornelis Troost e.a. in beeld gebracht.

Vooromslag van roman ‘Gewassen Vlees’ door Thomas Rosenboom (Querido, 1994)

Noten

(1) Van Doorninck, Archief Heemstede, nummer 247. Citaat uit: B.J.van Houten, Gedenkboek bij gelegenheid van het twee honderd en vijftig jarig bestaan van de St.Bavo parochie te Heemstede. (1944) pagina 11.

(2) Deze recognitie is pas in 1853 voor een bedrag ineens van ƒ 300,- aan ambachtsheer Marien Adriaan Beels door het gemeentebestuur van Haarlem afgekocht.

(3) Voor een beschrijving van een aantal herbergen van Crayenest, aan de Herenweg en “De Geleerde Man”, zie: Nieuwsbrief VOHB, nummer 23, maart 1980. Voor “Emaus” (“Rosendael”), “De Hollander”, “Jerusalem” en “(Oud)Rome” (“de Verloren Koe”) in het buurtschap Crayenest, zie ook: J.W.Groesbeek, Heemstede in de historie, 1972, p.76-79. De herbergen in de Haarlemmerhout zijn beschreven in de publicatie: “Haarlemmerhout 400 jaar” (Haarlem, 1984), p.72-96.

(4) Op de jaarrekening van 1700 is van de Gereformeerde schaal ruim ƒ 394,, de Roomse schaal ruim ƒ 224,- en uit de bossen van het kerkhof, herbergen e.d- meer dan ƒ 68,- opgehaald, (cf. G.van Duinen, Het weesen armhuis te Heemstede 1791-1861. (1952), pagina 16).

(5) In 1817 schreef de toen in Duitsland woonachtige baron Strick van Linschoten: ‘De herbergen maken het Haarlemmerhout vooral op Zon- en Feestdagen zeer levendig, en worden zowel door reizigers a/s door Amsterdammers druk bezocht’. Kornelis van Dulkenraadt dichtte in zijn “Haarlemmer Hout-Zang” (1776), pagina 17:

‘k Spoed mij naar het Gulde Vlies

‘k Hoor er Amstels blyde jeugd

Braaf met volle glaasjes klinken’

In dezelfde herberg, inmiddels “Het Wapen van Amsterdam” genoemd zat Hildebrand met zijn neef Robertus Nurks ‘een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout’ op een zondagmorgen de vele bezoekers te becommentariëren. In het boek “Na vijftig jaar” (1887) schreef Nicolaas Beets onder pseudoniem Hildebrand: ‘Het Plein, de Dreef, de logementen, zoo wel het Wapen van Amsterdam (toen van Stoffels) op den hoek van de Meesterlottelaan, scheilinie tusschen Haarlem en Heemstede, als dat op den hoek van den Ouden Hout (het Heeren-logement) worden nog met dezelfde namen genoemd’. Over de Amsterdammers zegt Hildebrand in de ‘Camera Obscura’ (1839) ‘Men ontmoet ze meestal in koppels van negenen: twee mannetjes op zeven wijfjes. Ze dwalen een heel end ver, somtijds wel tot Heemstede of de Glip af, maar strijken ’s namiddags, onder een kruik bier en een boschje scharren, aan de Groene Valk of in den Aalbessenboom neder, om met de laatste schuit naar Amsterdam te vertrekken (…)’.

Stoof- ofwel bordeelscene afgebeeld op een gravure van Cornelis Danckerts, circa 1635-155, naar een tekening van Johann Lis (museum Boymans-van Beuningen)

Stoof- ofwel bordeelscene afgebeeld op een gravure van Cornelis Danckerts, circa 1635-155, naar een tekening van Johann Lis (museum Boymans-van Beuningen)

(6) Zie o.a.: “De wandelaars, of vermakelijke reyze door gantsch Noord en Zuydt-Holland…”. Eerste deel. Amsterdam, 1733.

(7) Volgens E.Maaskamp (1811) was ’t Bokje: ‘een der plaatsen, waar de oorzaak van veel kwaads voor velen was te zoeken’.

(8) Gerda H.Kurtz, Het Proveniershuis te Haarlem (1979), pagina 34.

(9) Zie: ‘Haarlemmerhout 400 jaar’ (1984), bladzijde 89, naar gegevens uit het Rijksarchief Noord-Holland.

(10) J.W.Groesbeek, Heemstede in de historie’ (1972),p.13. Zie ook: l.H.van Eeghen, Notaris Hendrik de Wilde en de exotische dierenwereld. In: Amstelodamum, 1914, p.150-159.

(11) Oud-Notarieel Archief in Rijksarchief NH te Haarlem (actes de dato 19 juni 1737, 24 juni 1738, 22 juni 1740, 20 juni 1741).

(12) Adriaan Loosjes Pz., in: “Het leven van Johannes Wouter Blommensteyn(…)”. Haarlem, 1816, deel 2, pagina 235.

Hans Krol

De ambassadeur van de Labberlotten vertoont zich aan het volk in de Haarlemmerhout. Aquarel van Cornelis Troost uit 1742 (Teylers Museum Haarlem).

Gravure van Pelletier, gedrukt door P.Fouquet jr., van herberg het Bokje in de Hout

Gravure van Pelletier, gedrukt door P.Fouquet jr., van herberg het Bokje in de Hout