Tags

,

Godfried Bomans en Lodewijk van Deyssel op de Heemsteedse Dreef

Via de heer Frank van der Voordt, al jarenlang actief bestuurslid binnen het Godfried Bomans Genootschap, werd ik attent gemaakt op een in boekvorm uitgegeven ‘Catalogus 1947’, samengesteld door de Haarlemse Boekhandel H.Coebergh. Ingeleid door Godfried Bomans en met een illustratie voorzien van de hand van Harry Prenen, die twee schimmen van de achterzijde heeft afgebeeld, dwalend over de Heemsteedse Dreef. Links Godfried Bomans en rechts Lodewijk van Deyssel, schuilnaam van K.J.L.Alberdingk Thijm (1864-1952) en in de tekst omschreven als ‘een bejaard schrijver’. Een typisch Bomansiaans verhaal, vermoedelijk in december 1946 geschreven, dat onderstaand integraal is overgenomen.

‘KORTEN TIJD GELEDEN WANDELDE IK EENS MET EEN BEJAARD SCHRIJVER OVER DE HEEMSTEEDSCHE DREEF. Het was avond, juist op het uur dat de lampen in de huiskamers ontstoken, doch de gordijnen nog niet overal toegetrokken zijn. Wij liepen vlak langs de keurig onderhouden tuintjes en keken intusschen schuins opzij naar binnen. Ik geloof niet dat dit heelemaal behoorlijk is. Op de meeste dingen die aardig zijn rust de doem eener lichte onbehoorlijkheid. Ze worden er des te aardiger om. Prachtig, die verlichte interieurs, als men zelf in het donker loopt! Huiskamers, die overdag om te schreien zijn, veranderen des avonds, als men buiten staat, in geopende tulpenkelken, vol roodgloeiend licht. De meeste menschen zaten te lezen. Wij zagen ook in elke huiskamer een of twee plankjes met boeken, soms een heel stuk muur met boekenruggen. ‘Zie’, zei mijn bejaarde vriend, ‘dit was in mijn jongensjaren zoo niet. Boeken waren toen het bezit van een bepaalde klasse menschen, die men her en der verspreid kon aantreffen. Zij veronderstelden een zekere welstand en eruditie, die bij den middenstand zeldzaam waren’. Ik wierp hem, met een geprikkeldheid van den Heemsteder die zijn Dreef onderschat waant, tegen dat hier de bloem van Heemstede gevestigd was. Advocaten en doctoren waren hier schering en inslag, en het zou mij, zoo betoogde ik met verheffing van stem, volstrekt niet verwonderen als er ook professoren onder scholen, zoo niet nog hoogere geesten. Hij glimlachte en stelde voor een zijstraat in te slaan  Steeds dieper doolden wij het hart van Heemstede in. Doch overal was het beeld hetzelfde: lezende menschen, boekenrekjes, kleurige bandjes boven het buffet, fraaie deeltjes in rijtjes van drie onder de vensterbank, die op de achtertuin uitzag. ‘Zie’, doceerde mijn vriend, ‘Nederland is gaan lezen. In twintig jaar tijd is dit gebeurd.’ Ik merkte op, dat tusschen de periode dat een gemiddeld gezin slechts twee boeken kende, (de Bijbel en vader Cats) tot dit moment een grootere tijdsspanne verloopen was. Doch hij meende dat men het zoo niet stellen moest. Het ging hierom: sinds welk tijdstip is er sprake van eenige voeling tusschen den doorsnee Nederlandschen staatsburger en de doorsnee romanlitteratuur, die er in de wereld geproduceerd wordt? Dit tijdstip ligt kort achter ons. Men schat het aantal romans, oorspronkelijk en vertaald, dat tusschen 1930 en 1940 in ons land is uitgekomen op…ruim tienduizend. Dit is dan nog slechts 16 procent van het totaal aan boeken op ander gebied dat in Nederland over die periode het licht zag. Deze lawine staat in geen vergelijking met wat een halve eeuw geleden van onze persen kwam. Inderdaad staan wij hier voor een zonderling verschijnsel. Het is de bedoeling dezer inleiding niet de oorzaken ervan bloot te leggen. Volstaan wij voorhands met hare vaststelling. Moeten wij ons hierover verheugen? Op het eerste gezicht schijnt daar weinig reden toe. Men is geneigd de geringe, doch meer solide belezenheid onzer grootvaders de voorkeur te geven boven de meestal critieklooze aanvaarding van wat onder den vlag van romans en trilogieën onzer wateren binnenvaart. Vergissen wij ons echter niet. Door die periode moeten wij heen. Zij is niet te vermijden, willen de eerste vage normen van het waarachtig waardevolle in den baaierd gaan schemeren. Het is de litteraire puberteit van een volk dat op weg is naar wat men ‘algemeene ontwikkeling’ noemt. De koers van dit woord staat laag genoteerd. Het duidt een akelig misverstand aan. Door dit misverstand moeten wij nochtans heen, willen wij tot verstand komen. En evenals de puberteit, kan men ook deze ‘Sturm und Drang’ verkorten door verlichting. Een der middelen daartoe is een boekje als dit. Het heeft het koren van dit seizoen verzameld, ge behoeft dit zelf niet meer van het kaf te scheiden. Het is gebeurd. Het gaat nu voor U slechts om: uit dit algemeen waardevolle het voor U persoonlijk belangrijke te kiezen. Dit kan niemand voor U doen. Wikt met overleg, weegt met aandacht. Deze keus bepaalt het gehalte van menigen avond, die nu voor U ligt. Daarom zijn de momenten dat gij dit boekje doorbladert, belangrijk. Het is redelijk dat gij Uw keuze doet met dezelfde zorgvuldigheid, als waarmee gij Uw vrienden kiest. Want gij kiest een vriend. En een die trouw zal blijken, zoo de keuze juist is’.

Godfried Bomans

Lodewijk7

Lodewijk van Deyssel (J.L.Alberdingk Thijm) en Godfried Bomans tijdens een schaakpartij

Uitspraak van bioloog en schrijver Midas Dekkers, in: Haarlem Bevalt!, 2009, p. 34

Uitspraak van bioloog en schrijver Midas Dekkers, in: Haarlem Bevalt!, 2009, p. 34

midas

Midas Dekkers schreef een lofrede op Bomans’ Erik of het klein insectenboek