Bennebroek in de letterkunde

“Onomstotelijk is vastgesteld dat het paradijs moet hebben gelegen in Bennebroek, met een klein stukje op Heemsteeds grondgebied” (Godfried Bomans, ‘In Paradisum’, Haarlems Dagblad van 16 juli 1964).

Huis te Bijweg op een foto uit begin 1900

Ofschoon Bennebroek ontbreekt in ‘Querido’s letterkundige reisgids van Nederland (1982) blijft genoeg te melden over poëtische uitingen in relatie tot deze plaats. De stad- en dorpbeschrijver van Kennemerland L. van Ollefen, die ook een kort gedicht aan Bennebroek wijdde, schreef in 1796 over het ambacht en dorp Bennebroek o.a. de navolgende lovende woorden: “Dit is wel een klein, maar echter tevens een der vermaaklijkste gedeelten van het grijze Kennemerland; men kan er met waarheid van zeggen dat het ’t nabuurig Heemstede den voorrang van landlijk schoon betwist”. Ofschoon aan Heemstede, goeddeels dank zij de eens talrijke buitenplaatsen, veel meer lofdichten zijn gewijd, hebben verschillende dichters zich door het landschap of gebeurtenissen in Bennebroek laten inspireren.

Zeventiende eeuw

Constantijn Huygens ‘Uytwandeling’

In dit kader dient allereerst Constantijn Huygens vermeld te worden, die van 23 augustus tot 4 september 1669 in een koets bespannen met twee paarden en in gezelschap van twee bedienden, een hond en een luit een tocht maakte vanuit Den Haag via kasteel Endegeest (waar Descartes enige tijd verbleef). Warmond, Sassenheim, Lisse, Bennebroek, Heemstede, Bloemendaal, Santpoort, Haarlem, Amsterdam, Muiden, Naarden, Eemnes, Soest, Amersfoort, Utrecht om ten slotte op zijn fraaie buiten ‘Hofwijk’ – thans Huyqens-museum en gelegen in Voorburg – terug te keren. Het letterkundig resultaat van de reis werd vastgelegd in een bekend gedicht ‘Uytwandeling’ geheten, dat in totaal 119 versregels bevat en op 1 december 1669 op ‘Hofwijk’ is voltooid. Voor Bennebroek van belang zijn de regels 31-34, die als volgt luiden:

“Korts vond ick Bennebroeck sijn’ hoven en sijn’ versche Bleickerijen,

Sijn ‘eicken’ Wilderniss en groene Galerijen,

En Vaer en Grootevaer en Grootevaers kinds kind.

Van velen om veel deughds, en ander veel, bemint”,

Drie onderwerpen stelt Huygens met betrekking tot Bennebroek aan de orde: 1) de natuur; 2) de lijnwaad- en garenblekerijen, waarvan er in het midden van de zeventiende eeuw in Heemstede en Bennebroek tezamen zeker 12 gevestigd waren; 3) het geslacht Pauw. In 1669 was Adriaan Pauw jr. ambachtsheer van Bennebroek. Als raadsheer en een aantal jaren ook president bij het Hof van Holland (een rechtscollege) had deze zijn residentie in Den Haag, maar verbleef zomers bij voorkeur op ‘Duinwijk’ in Bennebroek. Met ‘Grootevaer’ wordt Reinier Pauw bedoeld, heer van Nieuwerkerk en verscheidene keren burgemeester van Amsterdam, de ‘Vaer’ is raadpensionaris Adriaan Pauw, sinds eind 1620 heer van Heemstede en Bennebroek; met ‘Grootevaers kinds kind’ moet zonder twijfel Adriaan jr. – en niet diens broer Reinier, zoals dr. J.A. Worp (1) gemeend zijn.

(1) J.A. Worp. De gedichten, van Constantijn Huygens, naar zijn handschrift uitgeqeven. Zevende deel 1661-1671. Blz, 290. Arnhem, S. Gouda Quint, z.j.

Deel uit Uytwandeling van Constantijn Huygens uit 1669 in de editie Worp, waarin hij Bennebroek, Heemstede en Bloemendaal beschrijft.

Deel uit Uytwandeling van Constantijn Huygens uit 1669 in de editie Worp, waarin hij Bennebroek, Heemstede en Bloemendaal beschrijft.

Een gedicht en een lied van P.S.Kagman

Adriaan Pauw (1622-1697) en echtgenote Cornelia Pauw (1626-1692) + 2 van hun zes kinderen van wie alleen Anna Christina (rechts op het schilderij) in leven bleef. Doek van Johannes Mijtens uit 1653. (foto RKD-Den Haag)

Adriaan Pauw (1622-1697) en echtgenote Cornelia Pauw (1626-1692) + 2 van hun zes kinderen van wie enkel de in 1653 de 4-jarige Anna Christina (rechts op het schilderij) in leven bleef. Doek van Johannes Mijtens uit 1653. (foto RKD-Den Haag)

Ter gelegenheid van hun huwelijk op 18 mei 1644 in ‘s-Gravenhage verscheen een brochure met houtsnede en een gelegenheidsvers onder de titel: ‘Bruylofts eerdicht, ter eeren van den edelen, wysen Heer, mijn Heer, de Heer Adriaen Pau, Heer van Bennebrock, bruydegom, ende sijn edele, eer en deughtrijcke Iufvrouw Cornelia Pau, de bruydt’.  Uitgegeven door Marten Iansz Brandt in Amsterdam en aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek.

Portret van Nicolaas Pauw (1607-1640) door J.A.van Ravesteyn (foto RKD Den Haag)

Portret van Nicolaas Pauw (1607-1640) door J.A.van Ravesteyn (foto RKD Den Haag)

Anna van Lockhorst die in 1634 huwde met Nicolaas Pauw. Geschilderd door Jan van Ravesteyn. Tegenwoordig in het Louvre museum Parijs (foto RKD Den Haag)

Anna van Lockhorst die in 1634 huwde met Nicolaas Pauw. Geschilderd door Jan van Ravesteyn. Tegenwoordig in het Louvre museum Parijs (foto RKD Den Haag)

Een bruiloftsdicht van Joannes Vollenhove

De volgens tijdgenoten beeldschone Anna Christina Pauw, gehuwd met Nicolaas Sohier de Vermandois, en ambachtsvrouwe van Bennebroek van 1697 tot 1719

De volgens tijdgenoten beeldschone Anna Christina Pauw, gehuwd met Nicolaas Sohier de Vermandois, en ambachtsvrouwe van Bennebroek van 1697 tot 1719 (foto RKD-Den Haag)

Een dochter van voornoemde Adriaan Pauw jr., Anna Christina Pauw, volgde haar vader op in het bezit van de heerlijkheid Bennebroek in 1697. Deze jonkvrouwe huwde in 1671 op ‘Duinwijk’ met Nikolaas Sohier van Vermandois, ambachtsheer van o.a. Warmenhuizen. Onder de talrijke genodigden bevond zich ook de in zijn tijd zeer populaire kanselredenaar en dichter Joannes Vollenhove (1631-1708). Het door hem als herinnering aan deze adellijke bruiloft geschreven gelegenheidsvers is opgenomen in de bundel ‘Poëzy’ (Amsterdam, 1686) en telt twaalf strofen, waarvan in de eerste – zeker ook als vriendelijk gebaar tegenover het bruidspaar – de schoonheid van Bennebroek boven de pracht van de hofstad wordt gesteld:

“Nu naar Bennebroek getogen

Met een blyde bruifoftswys,

Want ons Hollantsch paradys,

’s Gravenhaag behaagt elx ogen

Nu zo trots niet, noch zo schoon.

Nu spant Bennebroek de kroon”.

Achttiende eeuw

Jan de Marre’s hofdicht ‘De Dageraadt’

In de literatuurkritiek heeft het hofdicht lange tijd slechts minimale aandacht gekregen. Twee in dit verband belangrijke werken verschenen kort na elkaar, beide als dissertatie. In 1960 promoveerde P.A.F. van Veen op een proefschrift over de hofdichten en in 1963 publiceerde Th.J. Beening ‘Het landschap in de Nederlandse letterkunde van de Renaissance’, waarbij ook Haarlem en omgeving in beschouwing genomen worden. Verscheidene van de – veelal Amsterdamse – kooplieden, bankiers en magistraten die over een buitenplaats beschikten, lieten hun hofstede bezingen door een dichter. De patriciërs-dichters Constantijn Huygens (‘Hofwijck’) en Jacob Cats (‘Sorghvliet’) deden dat zelf. Opmerkelijk is overigens dat de lusthuizen zelf vaak minder aandacht kregen dan de tuinen, de broeikassen, de kunstwerken (tuinbeelden e.d.), menagerie, de koepels etc. Algemeen kenmerk van de hofdichten is dat het landleven geïdealiseerd werd, daarentegen het stadsleven als jachtig en onrustig afgeschilderd, als plaatsen waar verdorvenheid heerste. In sommige gevallen hebben de hofdichten ook topografische betekenis, met name voor onze kennis omtrent de geschiedenis van de tuinarchitectuur. Uit deze regio zijn vooral ‘Hogerwoert’ (gelegen in Schoten) door Pieter Vlaming (1710) en ‘Endenhout’ (= het huis met de beelden) van J.B. Wellekens (1709) bekend geworden. Aan ‘Westermeer’in Heemstede zijn zelfs twee hofdichten gewijd, door Frans Rijk en Willem van der Hoeven (1), terwijl deze buitenplaats bovendien nog genoemd wordt in verzen van Pieter Langendijk en Abraham Bogaert.

(1) Zie: drs.C.G.M.Smit [Kees Smit]. De twee hofsteden op Westermeer (1721). In: Nieuwsbrief V.O.H.B., nr.26, blz. 6-12.

Portret van Jan de Marre, gegraveerd door J.Houbraken (1745) (Univ.Bibl. Leiden)

In de lofzang van Frans Rijk wordt Bennebroek enkel als plaats aangeduid, Willem van der Hoeven gaat echter in op de Hervormde Kerk en bouwmeester Adriaan Dorsman:

“Digt by leyt Bennebroek, gedooken in de linden.

Die graag een kerkgebouw, heel konstig, tragt te zien.

Die zal daar Dorsman geeft, en kloek vernuft, in vinden.

Ik ken zo een Bouwheer niet, al koos ik een uyt tien!”

In de historie van Bennebroek zijn tenminste vijftien hofsteden en ‘pleisierplaatsjes’ bekend. Genoemd kunnen o.a. worden ‘De Hartekamp’, voor een klein deel op grondgebied van Bennebroek gesitueerd; ‘Duinwijk’ (het Huis te Bennebroek), residentie van de Ambachtsheren en -vrouwen van Bennebroek; ‘Huis te Bijweg’, tussen Huis te Bijweg in vervlogen tijden  naer zich aldaar gevestigd had; en ‘Uijtvlugt’ of ‘De Dageraad’, vereeuwigd in een lang vers door Jan de Marre. De Marre (16961763), een in zijn tijd gevierd poëet, is geboren en gestorven in de hoofdstad en begon zijn loopbaan als dichter tijdens zijn laatste reis als scheepskapitein naar Oost-lndië in 1728. Vier jaar later kreeg hij een baan als directeur van de schouwburg. Diverse toneelstukken en dichtbundels staan op zijn naam, o.a. ‘Hof- en Mengeldichten’ uit 1746. Laatstvermeld werk bevat gelegenheidsgedichten evenals vier hofdichten op: 1) ‘De Dageraad’ in Bennebroek, 2) ‘Groeneveld’ bij Eemnes, 3) ‘Boom en Bosch’ in Breukelen en 4) ‘Rustrijk’ bij Muiderberg. ‘De Dageraad’ lag niet ver van de grens met Heemstede aan de Noordzijde van de kerk. November 1742 kocht Dirk Hellemans, advocaat in Amsterdam, “een plaisierplaats genaamd de “Dageraadt” voorheen de “Uijtvlugt”, groot 290 roeden mitsgaders de beternisse van een boomgaart groot 1000 roeden, genaamd het Hekkeveld, voor ƒ 3.550,-“ (1) Ofschoon de Hofheer niet met naam genoemd wordt lijkt het aannemelijk te veronderstellen dat het hofvers op verzoek van mr. Dirk Hellemans is vervaardigd. Het gedicht, gedrukt op 29 bladzijden, telt 561 versregels en is geschreven met gepaard rijm. Jan de Marre laat ons weten dat De Dageraad weliswaar geen vorstelijk paleis is, maar een lustpriëel der door de kunst verfraaide natuur:

“Veréénigt met het groen van Bennebroeks bosschaadje”.

Hij bejubelt het vreedzame en stille landleven, evenals de welige natuur en verfoeit het aards vermaak. De deugd woont op het platteland. De dichter verafschuwt het winstbejag en egoisme, kenmerken bij uitstek voor het stadsleven.

“o Gy, die ’t Landhuis poogt te schilderen naar het leven!

Hoor my, gy hebt niet all’ waar op het roemt beschreven.

Ik ben de Vriendschap; ‘k ben der harten eedle band;

‘k Zoek, uit de stad verjaagd, een schuilplaats op het land,

Wyl ’t menschdom, meerendeeld verbasterd in zyn oordeel,

Niets eert, of niets bemint, dan om een verfoeilyk voordeel”.

(1) A. van Damme. De buitenplaatsen te Heemstede, Berkenrode en Bennebroek; 1628-1811. Haarlem, 1903. Zie ook: mr. J. W. Groesbeek. De geschiedenis van Bennebroek, blz. 20; in: Bennebroek-Vogelenzang. Meppel, 1965.

De Marre prijst vervolgens de verschillende onderdelen van de tuin, zoals de schelpengrot, het beekje, de waterfonteinen, vijvers, bloemperk, boomgaard, het Bennebroekse pad en de omliggende weiden. Al het aardse en zijn kunstmatige bekoorlijkheden zijn nietig, enkel de natuur is heilig en na een bespiegeling over de stilte jubelt de dichter plots onder verwijzing naar de eeuwige Heer in de Hemel:

“Maar welk een jubeltoon! wat lofzang treft mijn ooren?

Het volk van Bennebroek galmt in de Tempelkooren”,

Evenals bijvoorbeeld bij ‘Endenhout’ wordt de hele streek in beschouwing genomen. Het Meir (Haarlemmermeer), het Spaarne, de blekerijen in de omgeving, Haarlem, Huis te Zwanenburg en tamelijk uitgebreid Heemstede, in het bijzonder het adellijk Slot. Na te zijn ingegaan op de Hoekse en Kabeljauwse twisten, die het volk met “schrik, verwoesting, bloed en moord” vervulde, keert hij terug naar ‘De Dageraad’ en spreekt De Marre de hoop uit dat dit lustprieel niet – zoals in de Middeleeuwen het Huis te Heemstede – door oorlogsgeweld ten onder zal gaan. Voorts wordt gezinspeeld op het werk van Linnaeus op ‘De Hartekamp’:

“Of voert u daar de Kunst de planten ’t leven geeft.

En nyvre Cliffort in zyn Kruidwaranden streeft,

Geboomte, en artseny van twee paar waereiddeelen.

Vertoont in ’t kruidgebouw of groenende priëelen”.

Haast vanzelfsprekend, zoals ook in ‘Westermeer’ en andere hofdichten worden de genietingen van het buitenleven beschreven, zoals het vogelvangen (lijsters en vinken), de konijnenjacht met honden en de fret, en het vissen. Tenslotte behandelt De Marre de vier seizoenen. In de lente kan men genieten van de ontluikende planten en het geluid van de zangvogels en maakt de hofheer gebruik van paard en rijtuig om in de prachtige omgeving te rijden. In de zomer geeft hij er de voorkeur aan om met zijn speel jacht op het Haarlemmermeer te varen. Als – recreatieve – activiteiten in de herfst lezen we over de Vinkenbaan en het jagen op konijnen en hazen in de Kennemerduinen. ’s Winters brengt hij “by den warmen haart” door met lezen, zich verkwikkend aan poëzie, als gevolg waarvan “de avonden slechts weinige oogenblikken worden”. Rest nog te vermelden dat reeds dertig jaar na publicatie ‘De Dageraad’, toenmaals in bezit van Bennebroek’s schepen Jan van Alkemade, moest plaats maken voor de katoendrukkerij van de Engelsen Osborn en Duncan, een bedrijf dat overigens ook geen lang leven beschoren was.

J.J. van Drunen, geboortig uit Bennebroek

In 1868 stelde J.W. Regt een boek samen, getiteld ‘Neerlands beroemde personen’, waarbij hij ten aanzien van Bennebroek niet meer dan één persoon – in deze gemeente geboren – waardig genoeg achtte om opgenomen te worden, namelijk: Jacobus Johannes van Drunen (1733-1804), zoon van de bekende Bennebroekse predikant Martinus van Drunen, die bijna een halve eeuw in de Hervormde Kerk voorging, van 1732 tot 1781. J.J. van Drunen was een geleerde, in 1722 aan de Illustere School te ‘s-Hertogenbosch benoemd als hoogleraar in de Oosterse talen en publiceerde een aantal theologische tractaten. Hij beoefende ook, zij het met middelmatig talent, de Nederduitse dichtkunst en liet bij zijn overlijden een manuscript van 300 folio-pagina’s na met geboorte-, bruilofts-, lof- en mengeldichten, gemaakt tussen 1752 en 1801. Een verjaarsvers gericht aan zijn vader Martinus van Drunen, predikant in Bennebroek, bij gelegenheid van diens 70ste verjaardag, is in 1775 te Haarlem gedrukt.

Vooromslag van album amicorum uit 1754 voor J.J.van Drunen (1733-1804), redikant en oriëntalist (collectie Koninklijke Bibliotheek Den Haag)

Vooromslag van album amicorum uit 1754 voor J.J.van Drunen (1733-1804), predikant en oriëntalist (collectie Koninklijke Bibliotheek Den Haag)

De pseudo- ‘Rijmchronyck’ van Klaas Kolijn

Dat het verschijnsel “vervalsing” (men denke bijv. aan Van Meegeren) of ‘mystificatie’ niet slechts van deze tijd is, moge o.a. blijken uit het volgende verhaal. Omstreeks 1700 woonde in Haarlem de graveur Reinier de Graaf, die tevens een geletterd man was. Hij moet een losbandig leven geleid hebben en om aan geld te komen voor zijn escapades kwam bij hem het idee op een rijmkroniek (vergelijkbaar met Melis Stoke) te maken van de oude Hollandse historie “beginnende met de Simberschen Vloed, en eyndigend met de dood van Graaf Dirk, 1156”. Zijn kroniek zou circa 1170 geschreven zijn door een kloostermonnik uit Egmond, Klaas Kolijn, geheten, en “bij toeval” ontdekt. Het handschrift kon de Graaf voor goed geld verkopen aan de oudheidkenner Cornelis van Alkemade en verscheen in 1729 in druk alsmede enkele jaren later in een prachtuitgave. Historici, als J. Wagenaar, namen onmiddelijk de echtheid aan, maar uiteindelijk werd na grondig onderzoek het bedrog aangetoond en moest Wagenaar de tweede uitgave van zijn bekende werk ‘Vaderlandsche Historie’ schielijk herzien. Reinier de Graaf werd als auteur ontmaskerd, over wie de geleerden Kluit en Van Wijn schreven als een man “niet onervaren in de Letteren en in ’s Lands oudheden en vaardig ter pen in ’t schrijven en teekenen”. Het manuscript berust thans in de Koninklijke Bibliotheek. In de Rymchronyck van Klaas Kolïjn (alias Reinier de Graaf) komt ook Bennebroek voor ‘m de volgende passage:

“Als oic zin zusters eel (= edele zuster)

Arlinde sconk (= schonk) een Misgewade.

Kostelike en van stade (= van waarde)

Ende was als ie hou gewis.

The Bennebrucke ti ierste Abdis”.

Dit verhaal is gebaseerd op een bericht van Johannes a Leydis (in de 15e eeuw levende), dat graaf Dirk II nadat de West-Friezen de – houten – abdij van Egmond hadden vernield, het klooster – in steen – liet herbouwen, waarbij hij in 988 Heemstede en andere stukken land (Velsen, Schagen, Voorhout, Noordwijk, enz.) voor de bloei van Egmond in leen gaf. De nonnen werden onder leiding van Dirk’s zuster Arlinde – eerste, tevens laatste abdis van het vrouwenklooster – naar een rustiger plaats: Bennebroek verplaatst. Het aldaar nieuw gebouwde klooster mocht naar het schijnt op last van graaf Dirk geen novicen aannemen, zodat het in de 11e eeuw moet zijn verdwenen (1).

(1) Ex-rijksarchivaris van Noord-Holland mr. J, W. Groesbeek kwam op grond van zijn onderzoek tot de konklusie dat met Bennebroek mogelijk Benningbroek in West-Friesland bedoeld is. Hiertegen pleit echter vooral het argument, dat Benningbroek in West-Friesland gelegen is. Verder kan worden gesteld dat rond het klooster in Bennebroek allerlei verhalen zijn overgeleverd en op schrift gesteld, terwijl voor wat betreft Bennïngbroek nauwelijks aanwijzigingen voorhanden zijn. Definitief opgelost is de historiciteit van dit klooster nog geenszins. Buitengewoon lezenswaard is in dit verband een studie van dr. H.A. van Vessem: Het klooster van Bennebroek – een onderzoek naar de plaats van de mondelinge overlevering in de historiografie. In: Haerlem; jaarboek 1978. Blz.77-84.

De Bataafse Republiek

Uit het eind van de 18e eeuw, de Franse Tijd, stamt een vierregelig gedichtje van L. van Ollefen (1) waarin de schrijver inhaakt op de woelige gebeurtenissen van die dagen en aangeeft dat de omwenteling in Bennebroek zonder noemenswaardige problemen was verlopen, omdat de meeste Bennebroekers , de Hervormde predikant Maximiliaan den Appel voorop, de patriottenpartij toegedaan waren. Tussen de 30 en 40 Fransen zijn in Bennebroek slechts enkele weken ingekwartierd geweest. De gemeente telde toen 366 zielen, blijkens een volkstelling in 1797, Het vers staat als onderschrift bij een kopergravure van Anna C. Brouwer, voorstellende twee vissers aan een beek, grazende koeien op een weide en op de achtergrond de Hervormde kerk (met de vlag in top), een bosschage, alsmede aan de rechterzijde een landhuis.

L.van Ollefen, het dorp Bennebroek

L.van Ollefen, het dorp Bennebroek, 1796; gravure van Anna C.Brouwer (Universiteitsbibliotheek Leiden)

” ‘T Verrukk’lijk BENNEBROEK, in Kenmerland gelegen,

Deelde ondanks ’t grievendst oorlogswee.

In de alleraangenaamste vreê

Ofschoon verdeeld, is ’t eens, smaakt des den besten zegen”.

Het Huis te Bijweg:  Johan Valckenaer en zijn kring

Oude ansichtkaart van Huis te Bijweg in Bennebroek

Eenmaal van het politieke toneel verdwenen vestigde zich in het Huis te Bijweg te Bennebroek als ambteloos burger, de in zijn tijd beroemde jurist en staatsman (2) Johan Valckenaer (1759-1821). J.A. Sillem publiceerde over hem een uitgebreide biografie – in twee banden – in 1876. Van 1805 tot 1810 bewoonde Valckenaer ‘Meer en Bosch’ in Heemstede, als hereboer en hoofdingeland van Rijnland. In de jaren 1812 tot 1821 was het Huis te Bijweg zetel van een kleine “cercle d’esprit” (3). Gedurende dertig jaar was er een hechte vriendschap tussen Valckenaer en de hoogleraar Theodorus van Kooten, dichter van de “Deliciae Poëticae”, een bundel latijnse elegieën. Laatstgenoemde stierf op het Huis te Bijweg (1813) en werd evenals Valckenaer later (1821) op het kerkhof te Bennebroek begraven. Aan het latijnse grafschrift op de zerk werd op Valckenaer’s wens niets toegevoegd. Het luidt:

“Kotenium hic posuit Valcknari. cura. sodalem.

Quo nemo musis. gratior. ausoniis.

                           ips. Kal. Febr. MDCCCXIII”

Portret van Theodorus van Kooten (1749-1813)

Op basis van nagelaten papieren van o.a. Valckenaer en Van Kooten publiceerde polyhistor W.G.C.Byvanck, die directeur was van de Koninklijke Bibliotheek, een boek over Theodoor van Kooten, tevens vaderlandse geschiedenis op de overgang van de 18e eeuw, onder de titel; ‘Bataafsch verleden (Dorus’droefheid)’. (Zutphen, Thieme, 1917).  Valckenaer’s weduwe bleef tot haar overlijden in 1845 wonen op het Huis te Bijweg, thans sedert meer dan 90 jaar voorgoed verdwenen is. Tot de regelmatige bezoekers van Bijweg behoorde ook de “vloekprofeet” Willem Bilderdijk, die enkele verzen aan Valckenaer wijdde, waarin in gezwollen taal de ballingschap van beiden tot uitdrukking kwam. Valckenaer zette op zijn buiten te Bijweg velerlei activiteiten op touw. Zo beplantte hij de duinen, legde waterpartijen aan en groef zanderijen af. J. van Lennep en J. ter Gouw beschrijven in hun werk ‘Het boek der opschriften’ hoe de ‘vloekprofeet’ Willem Bilderdijk een gevelschrift maakte voor een tuinkoepel in de zanderij, aan de overkant van de Leidse Trekvaart, in eigendom van de “noesten plantheer” waarmee Valckenaer bedoeld werd.

“Aan ’t bolwerk dat de zee zichzelv’ ten teugel wrocht.

Op d’ongedekten grond, bewoond door onze vaderen.

Geniet ik ’t zoet der rust, door rustloosheid gekocht,

Met kalme vrede in ’t hart, en Neerlandsch bloed in de aderen.

Wien ooit dit nieuw ge boomt zijn lieflijk lommer biedt,

Vergeet in later tijd den noesten plantheer niet”. (Dichtwerken. Deel IX, blz. 206)

Koepel van Huis te Bijweg

Toen de zanderij na de dood van Valckenaer’s echtgenote in andere handen overging werd de koepel afgebroken en verdween tevens het fraaie opschrift. “Noch de herinnering van Valckenaer, noch die van Bilderdijk mocht onder ’t lommer van ’t nieuw plantsoen blijven aangekweekt”, aldus Van Lennep. Aan ‘Johan Valckenaer op het Huis te Bijweg’ wijdde de literator een hoofdstuk in diens ‘Oud-Hollandsche Karakters’ (1905) en Marca Bultink schreef over deze staatsman en geleerde een voortreffelijke scriptie.

Portret van Johan Valckenaer (1758-1821), door politieke tegenstanders bijgenaamd ‘De dikke Jacobijn’

Johan Valckenaer (1759-1821). Anoniem schilderij, gedateerd 1799 (foto RKD-Den Haag)

Johan Valckenaer (1759-1821). Anoniem schilderij, gedateerd 1799 (foto RKD-Den Haag)

De Geleerde Man, centrum van volksleven én literatuur.

Zoals de blekers en blekerijen menigmaal een dichterlijk talent inspireerden (4), geldt dit in nog sterkere mate voor de herbergen. Onder de bekendste, nog bestaande, pleisterplaatsen in Zuid-Kennemerland wordt ‘Kraantje Lek’ gerekend. In wat “De (Oude) Geleerde Man” heette is tehenwoordig een Oosters restaurant ‘Patrick’s’ gevestigd De historie van laatstgenoemde herberg gaat terug tot 1682. Drie jaar later kocht een oud-schepen van Bennebroek Jan Crijnen de Jongh dit etablissement, toen ‘Het Huis ter Leer’ (= onderricht) geheten, en nam als nieuwe naam ‘lck leer noch’. Later, eenmaal voldoende het horecavak geleerd hebbende, kreeg Crijnen de Jongh als bijnaam “De Geleerde Man”, welke titel hij overdroeg op zijn tapperij. Op een uithangbord en op geschilderd glas is het gehanteerde beeldmerk uitgevoerd: een geleerde in zwarte toga met professorale baret, een boek in de hand houdend. En om zijn geleerdheid nog wat “aan te dikken” hing men een leer (= ladder) over de schouders als een teken van dubbele geleerdheid. Jacob van Lennep vertelt het verhaal (in ‘De Uithangteekens’,deel II) dat op zekere dag enige advocaten aan het confereren waren toen mr. Aart Veder uit Rotterdam zijn confrères de vraag stelde, hoe zij de naam der herberg in ’t Latijn zouden vertalen op een wijze dat de woordspeling bewaard bleef.

“Men keek op en rond

“En krabde zich op den kop

En gaf het eindlijk op”,

toen mr. Veder, met de fijne glimlach die hem kenmerkte, het antwoord gaf: Scaliger – van scala (ladder) en gero (ik draag) (5). Hildebrand (Nïcolaas Beets) noemt De Geleerde Man in zijn ‘Camera Obscura’. In Beets’ tijd was Jan Duin de alom bekende kastelein die op goede voet stond met koning Willem 1 en de prins van Oranje, de latere vorst Willem II, die met hun paarden onderweg van Haarlem naar Den Haag menigmaal deze herberg bezochten. Ook baronesse Orczy (1865-1942), bekend om haar romanserie, “De Rode Pimpernel” beschrijft De Geleerde Man in een van haar boeken, namelijk in “De Voorvaderen van Sir Percy”, waarbij opgemerkt wordt, dat in de tijd dat het verhaal speelt, rond 1624 de plaats van handeling in werkelijkheid nog een wildernis was…  Andere letterkundigen die De Geleerde Man in hun geschriften vereeuwigd hebben zijn o.a. Conrad Busken Huet, S. Kalff en Godfried Bomans (6). Omstreeks 1800 kon de passant bij het uithangbord de volgende opwekking lezen:

“De Geleerde Man die gy hier siet

Die kan U niet vermaacken

Maar kom eens in, en proef myn drank,

Die sal u beter smaacken.”

Schildering van 'de Geleerde Man' (19e eeuw)

Schildering van ‘de Geleerde Man’ (19e eeuw)

Hererg De Geleerde Man op een gravure uit circa 1750

Hererg De Geleerde Man op een gravure uit circa 1750

Nicolaas Beets noemde de Geleerde Man en kastelein Jan Duin in o.a. zijn dagboek als student [in 1983 uitgegeven], in de “Camera Obscura’ en in ‘Na vijftig jaar’ [ook door Hildebrand] (7). Jacob van Lennep heeft in 1859 een uitgebreid vers aan deze pleisterplaats gewijd onder de titel: ‘Weeklacht over de veranderde bestemming, gegeven aan het gebouw onder Bennebroek, van ouds beroemd onder den naam van: De Geleerde Man”.’ Vanuit zijn ouderlijk buitenhuis Te Manpad en later op Woestduin woonachtig is Van Lennep een veelvuldig bezoeker geweest van de Geleerde Man, waar hij vaak kwam in gezelschap van vrienden om er wat te praten, te schaken of te lezen en naar eigen zeggen ook talloze lange pijpen te roken. Het gedicht bevat 13 strofen. De eerste drie en de laatste luiden als volgt:

“Wat sterveling in Nederland

Heeft ooit den weg bereên.

Die Hillegom van Haarlem scheidt.

Wie heeft by u ooit aangeleid.

Zij’ ’t nog zoo lang geleên

Die zich uw naam. Geleerde Man!

Met blijdschap niet herinnren kan?

Wat ruiter kwam uw deur voorby

Die, hoe gejaagd hy was,

Niet strak den teugel had gekort.

En opgezien naar ’t uithangbord

Of, later, naar het glas,

Waarop ge, o roem van Bennebroek!

Stondt afgebeeld met leer en boek?

Des Eersten Willems rosgespan

Hield aan uw viersprong op:

Ja zelfs zoo menigwerf de held

Van Waterloo kwam aangesneld

In vliegenden galop.

Bedwong hy voor uw stal zijn ruin

En maakte een praatjen met Jan Duin (…)

Herroep, herroep uw wreed besluit,

Gy Heer van Bennebroek!

Gebie! en dat in vollen glans,

De beeltnis des Geleerden Mans

Herrijs met leer en boek:

Zijn gastvrij aanschijn lichte weer

Gelijk voorheen, met boek en leêr”.

(Uit: Holland: almanak voor 1860; Amsterdam, 1859). In dit verband mag voorts niet onvermeld blijven dat ook de in zijn tijd gevierde dominee-dichter Bernard ter Haar (1806-1880) gedurende enige jaren in de zomermaanden in Bennebroek een optrekje huurde van de kastelein van ‘De Geleerde Man’, om van de rust te genieten en zich in het Bennebroekse te laten inspireren voor een bijbeltekst dan wel een poëtische ontboezeming.

Nicolaas Beets noemt o.a. Bennebroek in het gedicht ‘De Conducteur’ [van de diligence of paardentram] in Dichtwerken, 1880.

Bij de heropening van een vernieuwde ‘Geleerde Man’ hield Godfried Bomans een toespraal die is gepubliceerd in De Volkskrant van 18 januari 1967 en als volgt aanvangt: “Gisterenavond had ik de eer om de befaamde uitspanning ‘De Geleerde Man’ te Bennebroek, nadat de luiken daar maandenlang gesloten geweest waren, officieel te heropenen. Het openen van tapperijen is overigens mijn gewoonte niet – ik ben meer een man van het sluitingsuur – maar dit keer maakte ik een uitzondering, omdat het geval mij ter harte ging. Het is immers ná ‘Kraantje Lek’ de oudste herberg van ons land. Typisch hoeveel oude dingen wij hier in en rond Haarlem hebben: de oudste krant van de wereld (De Opregte Haarlemmer), de oudste medicijn (de ‘Haarlemmer-olie’, die zelfs houten benen in hun oorspronkelijke staat herstelt), de oudste sociëteit (“Trou Moet Blijcken” uit 1503), waarvan de leden nog steeds met ‘broeders’ worden angesproken, hoewel er van het celibaat geen spoor meer te bekennen is, de oudste inwoonster des lands, die hier nog lustig zonder bril in het rond fietst, de oudste boom, staande aan de hoek van de zogenaamde ‘blinkert’, dat vermoedelijk ook het oudste duin is en verder een enorm aantal oude zeuren, die daar voortdurend over praten. (…)”

Mercator Pers, naar litho van P.J.Lutgers,

‘De Geleerde Man’ in Bennebroek. Mercator Pers, naar litho van P.J.Lutgers,

In mei 1986 schreef Michel van der Plas (schuilnaam van B.G.F.Brinkel) een lofdicht op de Geleerde Man in de vorm van een acrostichon. Op initiatief van de openbare bibliotheek Heemstede in augustus met de hand gezet uit de Lucreatia-letter en gedrukt door de Mercator pers in Santpoort om op 1 september te worden gepresenteerd aan restaurateur de heer Siliakus.

Illustratie van Willem Snitker

“De Schoolmeester” in relatie tot Bennebroek

Gerrit van de Linde (1808-1858) in de literatuurgeschiedenis vermaard vanwege zijn door Jacob van Lennep postuum uitgegeven ‘Gedichten van den Schoolmeester”, hield op 22 september 1833 tijdens een hulpdienst in de Hervormde Kerk van Bennebroek een belangwekkende preek over het bijbelse thema “de verloren zoon”. In zijn nawoord bij genoemde publicatie schrijft Jacob van Lennep hierover: “Onder andere bevoegde beoordeelaars, die hem een glansrijke loopbaan als kanselredenaar meenden te kunnen voorspellen, kan ik mijn vader noemen: en ik vergeet niet licht de opgetogenheid waarmede de waardige man, toen hy in ’t jaar 1833 Van de Linde te Bennebroek had hooren prediken, den jeugdigen kandidaat met den volbrachten arbeid zijn gelukwensch toebracht en een zegenwensch tevens, die echter niet zoo als hy bedoeld was zou worden vervuld.” De originele tekst van voornoemde preek bevindt zich in de UB-Amsterdam en is in 1979 door Marita Mathijsen gepubliceerd in een monografie over De Schoolmeester (Bzzletin-nummer 64). Ook Gerrit van de Linde behoorde in zijn jonge jaren tot de regelmatige bezoekers van De Geleerde Man en zou in deze uitspanning zijn eerste gedichten hebben opgeschreven.

Sacré Coeur

Ter gelegenheid van de komst van de zusters van Sacré Coeur [het Heilig Hart] naar Bennebroek schreef de dichter-staatsman dr.H.J.A.M. Schaepman in 1895 een welkomstvers in de Franse taal van vier strofen.

Titelblad van vers door dr. Schaepman

Na 1900

In de vorige  eeuw zijn verschillende gelegenheidsverzen aan Bennebroek gewijd, zoals een anoniem vers verschenen bij de opening van de nieuwe electrische tram (1932). H. Boere schreef in maart 1979 het vers ‘1904-1979’ , bij gelegenheid van 75 jaar Willinkschool. Van dichter-zanger Jules de Corte is het lied ‘Carillon’, in 1960 vervaardigd naar aanleiding van de ingebruikname van het nieuwe klokkenspel in de Hervormde Kerk (8).  H. Broere schreef ‘1904-1979’ bij driekwart eeuw Willinkschool in Bennebroek. Van mevrouw A.H. Ringnalda-Huizinga is het vers ‘Afscheid van de stoomtram’ (9) (1932), evenals het 12 strofen tellende gedicht ‘Bennebroek’ (april 1948). Wethouder G.J. Korteling ten slotte noteerde in onversneden kromrijm een gedicht op de hernieuwde Reek (1981). De Haarlemse dichter Jan Kal schreef op 30 november 1969 een vers in Bennebroek onder de titel ‘NZH Lijn 50’, waarvan de eerste strofe luidt:

“bus 50, gaande over Bennebroek

een dorp van 5.100 zielen,

heeft extra hoge stoelen bij de wielen

waarop ik altijd rechts een plaatsje zoek. (…)”

In de bundel ‘Waarom ik geen Neerlandistiek studeer; schrijvers- sonnetten’ (Amsterdam, C.J.Aarts, 1980) zijn verscheidene verzen opgenomen die Jan Kal in Bennebroek schreef tussen 1966 en 1969. Deze en andere  gedichten die al of niet die de lof of het verdriet van Bennebroek bezingen zijn bij elkaar gebracht in de Heemstede/regiocollectie in het Noord-Hollands Archief.  Zoals van de genoemde mevrouw A.H.Ringnalda-Huiziga (april 1948) ‘Bennebroek’. Van C.Bregman is een  ‘Lofzang op Bennebroek’ en van Hans de Winter ‘Bestemmingsplan’ uit 2001.

Tot besluit: in 1840 vatte de auteur A.J. van der Aa zijn typering van Bennebroek in de volgende zes woorden samen: “Eene kleine maar zeer aangename plaats”. Velen voor en na hem hebben in soortgelijke bewoordingen – zowel in poëzie als prozaïsche plaatsbeschrijvingen  hun gevoelens dan wel ervaringen op schrift gesteld.Ook al is (én was) de dagelijkse werkelijkheid lang niet altijd even “paradijselijk” anno 2012 is het voor velen nog goed toeven te Bennebroek, niet in de laatste plaats omdat men kans heeft gezien het landelijk aanzien van het weliswaar intussen behoorlijk ‘versteende’ Bennebroek althans voor een deel heeft weten te handhaven.

Bennebroek: door John Klinkenberg en Peter van Zonneveld

Illustratie Bennebroek door John Klinkenberg.

In de reeks ‘Noord-Holland in proza, poëzie en prenten’, een bibliofiele uitgave van de Stichting Culturele Raad Noord-Holland, verscheen in 1992 de publicatie ‘Bennebroek’, een literaire ontboezeming van dr. Peter van Zonneveld (Leiden, 1948), met een zeefdruk door John Klinkenberg (Bennebroek, 1952). De literair historicus schrijft over Linnaeus, de Hartekamp, de Geleerde Man, Jacob van Lennep, Nicolaas Beets en ook over de al genoemde Gerrit van de Linde. Laatstgenoemde was ooit razend nadat de toenmalige Bennebroekse dominee Hendrik Henny bij een (tweede) preek de voorkeur had gegeven aan een neef boven Van de Linde. Hij schreef: “Ik stik van woede en ik zweer:

Dat ik het vierkant zal verdommen

Om ooit weer met een preek te kommen

In ’t farizeeeuwsche Bennebroek:

Dat Neeffie was maar donderkoek

Dat kon in de andere week wel preeken

Of ’t prulwerk in zijn aarsgat steken.’

Hanlo (Linnaeushof/Van Tubergen) en Carmiggelt (freule A.L.Willink)

Over de problemen die de Zuidlimburgse dichter Jan Hanlo (1912-1969) tijdens een jazz-feest in de Linnaeushof veroorzaakte schreef dr. Hans Renders uitvoerig in het boek ‘Zo meen ik dat ook jij bent; biografie van Jan Hanlo'(1998). Een boekwerk van liefst 677 bladzijden dat tevens uitkwam als proefschrift van de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg. Naast diens letterkundig werk komt vooral Hanlo’s onaangepast gedrag uitvoerig ter sprake. Literatuurcriticus Kees Fens schreef daarover: ‘Hanlo heeft zijn hele leven gedaan waar hij zin in had. En omdat hij zeer veel zinnen had verliep zijn leven uiterst grillig: een kronkellijn zonder weerga.’ In 1962 zat Hanlo een gevangenisstraf van een maand uit in Haarlem, omdat hij op het strand van Zandvoort een 15-jarige jongen over de borst had geaaid. Drie jaar voordien, in augustus-september 1959, vierde de Haarlemse Jazz Club het 10-jarig bestaan met een tuinfeest in de Linnaeushof te Bennebroek. Hanlo die zijn leven lang een grote voorliefde voor de jazz had kreeg hier hoogte van toen hij een week voor de 5e september een jazz-tentoonstelling bezocht in de Haarlemse Vleeshal teneinde gegevens te verzamelen voor een door hem te houden lezing over jazz. Hanlo liet zich na eerst de nodige borrels in de Spaarnestad te hebben gedronken in de late avond van de 5de september vanuit Haarlem met een taxi naar Bennebroek vervoeren. Het werd een nachtelijk bezoek met voor de dichter pijnlijke gevolgen. Kees Schoevers Jr. publiceerde eerder over deze gebeurtenis in een artikel ‘Jazz en poetry’ (Bzzletin 116, 1984, p.54-55) (10).

Hanlo4

                                                  Uit: Jan Hanlo, BZZLETIN, nummer 116, pagina 55.

In deel 1 van een brievenuitgave Jan Hanlo (Amsterdam, Van Oorschot, 1989 – periode 1931-1962, p.223-224) schrijft Hanlo op 30 april 1953 een brief aan zijn moeder in Valkenburg waarin hij bericht speciaal naar Bennebroek te zijn afgereisd om daa zeldzame narcissen te bewonderen, gelegen tegen de velden van kweker Van Tubergen. Hij voegde er aan toe dat de Flora-tentoonstelling in Heemstede niet zijn belangtelling had. Simon Carmiggelt (1913-1987) publiceerde een aardige column in Het Parool onder de titel ‘Een boekhandelaar kijkt om’ over ‘de Paarse Freule’. Daarin vertelt boekhandelaar J. Dekker, die bij de Erven Loosjes in de Grote Houtstraat te Haarlem werkte, over zijn ervaringen met freule Arnoldine Leonie Willink, die vrijwel uitsluitend Franse boeken las. Aangevuld met herinneringen van de heer G.van der Heijden die als onderwijzer aan de ‘Willink-school’ verbonden was (11).

Noten

(1) Stad- en dorpbeschrijver van Kennemerland. Amsterdam, H.A. Banse, 1796. Opnieuw uitgegeven door de Europese Bibliotheek te Zaltbommel.

(2) Niet “dichter” zoals ten onrechte staat vermeld in ‘De geschiedenis van Bennebroek’ (Neerlands Volksleven nr. 4,1965, blz. 27)

(3) “Wat al genoeglijke avonden sleek ik zoo met hem in een kleinen vriendenkring, waar de schatten der Ouden, snedige gesprekken, vrolijke luim en gezouten scherts ons wel eens deden vergeten dat reeds een gedeelte van den nacht was verlopen, ja vergeten wat rondom ons gebeurde, even als ware Europa in vollen vrede geweest” (J.A.B. Wiselius)

(4) O.a. de dichters Jan H. de Marre, Jan Luyken en Pieter Langendijk, maar ook de Bennebroekse lijnwaad- en kamerijksdoekbleker Pieter van Hulle (1585-circa 1649) heeft van zijn talrijke geschriften een enkele pennevrucht op rijm gezet.

(5) J.J. Scaliger (1540-1609) was een geleerde filoloog van Italiaanse afkomst, die geboren in Frankrijk na 1593 als hoogleraar aan de Academie van Leiden verbonden was.

(6) In 1929 werd ‘De Geleerde Man’ gesloopt, omdat het terrein nodig was voor een verbreding van de weg Haarlem – Leiden. Een nieuwe ‘Oude Geleerde Man’ kwam echter spoedig tot stand. Godfriéd Bomans – die ook al de Linnaeushof openstelde – werd in 1967 uitgenodigd de zoveelste verbouwing van het restaurant officieel te openen. Zijn karakteristieke bijdrage over de historie van deze herberg verscheen in “De Volkskrant” van 28 juni 1967 en is voorts opgenomen in de bundel ‘Die vond men de beste’ (Elsevier, 1972) en in ‘De Werken’. Op 27 april 1977 is een vergaderzaal op de bovenetage naar Bomans vernoemd, bij welke gelegenheid een door Frans Roozen gekweekte Bomanstulp ten doop werd gehouden. Bij een latere feestelijke gelegenheid verzocht de dichter Michel van der Plas, destijds een regelmatig bezoeker van het etbalissement en daaraan ook een lofdicht wijdde,  om dan tenminste de toiletten naar hem te vernoemen.

(7) In ‘Na vijftig jaar’ (Haarlem, de erven F.Bohn, 1888, 2e geheel herziene druk, schreef Beets onder pseudoniem Hildebrand: “De Geleerde man, vermaarde herberg aan den straatweg tusschen Haarlem en Leiden, tegenover de Bennebroekerlaan, waar Dolle Gerrit pleisterde en de student Zus den duren en deunen kastelein van die dagen verbleeken deed door het buitensporig verlangen de lantarens opgestoken te zien “bij klaarlichteen dag”, bestaat sedert jaren niet meer. Duintje is dood: en de straatweg tusschen Haarlem en Leiden, door den spoorweg tot doodschheid verwezen, bleef dit, tot hij in deze laatste jaren, door het op- en neergaan van een stoomtram, tot nieuw leven is ontwaakt.” Ook geeft hij een beschrijving van het etablissement op de bladzijden 154 en 155.

(8) Niet opgenomen in een door C.Bregman geschreven publicatie ‘Carillon van Bennebroek’, maar wel in diens ‘Houdt U ook zo van Bennebroek?’ (1972).

(9) Evenals het gedicht ‘De nieuwe electrische tram’ gepubliceerd in het boek samengesteld door C. Bregman: ‘Houdt u ook zo van Bennebroek?’ 1972, p. 74-76. zie bijlage 2

(10) Incident rond Jan Hanlo in de Linnaeushof; door Hans Renders, ingeleid door Hans Krol. In: Heerlijkheden, nummer 100, april 1999, p. 142-149.

(11) Gepubliceerd in: Simon Carmiggelt en Peter van Straaten. ‘Mooi kado’, 1979, p.70-72 (Boekenweekgeschenk). zie bijlage 4

Hans Krol

Bijlage 1

Een lied voor Bennebroek in 1978 vervaardigd bij het 325 jarig (zelfstandig) bestaan op muziek van Harry de Groot en tekst van Guido Kleinstroom.

Bijlage 2

Het vers 'NZH lijn 50' van Jan Kal

Het vers ‘NZH lijn 50’ van Jan Kal

Bijlage 3

Huis te Vogelenzang

Gezicht op de Vogelenzang (P.J.Lutgers, circa 1940). Mr. Jacob van Lennep schreef o.a. als bijschrift bij Huis te Vogelenzang ‘(…) De tegenwoordige eigenaar, Jonkheer W.P.Barnaart van Bergen, heeft het huis aanmerkelijk verbeterd, en den omtrek door aanplantingen uitgebreid. Het groote perk voor het huis, de fraaije waterpartij daarachter, de breede lanen en slingers van zwaar geboomte, welke men aldaar geniet, noodigen zoowel den wandelaar, die een aangenaam lommer, als den kunstenaar, die geschikte voorwerpen voor zijn penseel zoekt, uit zijn schreden derwaarts heen te wenden.’

Vogelenzand met in de verte de R.K.kerk (P.J.Lutgers, circa 1840)

Vogelenzang met in de verte de Rooms-katholieke kerk (P.J.Lutgers, circa 1840)

Bijlage 4

Tot de klandizie…

freule1

(Uit: Mooi cadeau door Simon Carmiggelt)

freule2

(vervolg en slot uit ‘Een boekhandelaar kijkt om’ (J.Dekker, die gedurende een halve eeuw werkte in boekhandels te Nijmegen, Amsterdam en Haarlem.)In: Mooi cadeau van S.Carmiggelt en illustraties van Peter van Straaten, Boekenweekgeschenk 1979.

freule3

Uit: freule Mathilde Willink, bijgenaamd ‘de paarse dame’ , uit: Het Huis te Bennebroek en z’n bewoners, door M.Verkaik. Bennebroek, 1992.