Heemstede rond 1850

“Wanneer men in dit fraaije dorp den dag wil doorbrengen, neme men, aan het Station, plaats in den Omnibus, die naar de logementen in den Hout rijdt. Aldaar stapt men uit den wagen, en heeft reeds bijna de helt afgelegd van den weg naar het dorp, dat drie kwartier uurs ten zuiden van Haarlem ligt. Op zekeren afstand van den Hout, bereikt men het langs drie verschillende wegen: hetzij over het Clooster, het landgoed van den Graaf VAN WESTERHOLT, hetzij over het voetpad, dat u door het daar naast gelegen weiland leidt; hetzij langs den gewonen rijweg. Het verschil, in lengte dezer wegen, bedraagt nauwelijks vijf minuten gaans. In het vernieuwde en van zwaar geboomte omgeven logement, het Wapen van Heemstede, omstreeks half elf aangekomen, zal men zich zeer wel bevinden en, gedurende het ontbijt, aldaar een fraai gezigt hebben over de landerijen op het Belvédère, dat de Heer HOPE, voor weinige jaren, aldaar op een Duin van zijn uitgestrekt landgoed heeft laten bouwen. Het is nu twaalf uur, en om al het merkwaardige alhier behoorlijk te kunnen zien, geef ik u den raad, uwen maaltijd tegen twee uur te bestellen, en in dien tuschentijd, den Cruquius te gaan zien: een der drie waterreuzen, welke bestemd zijn om de daarnevens liggende Haarlemmermeer droog te stoomen. Gij wandelt dus langs de Molenwerf naar het Spaarne, waar gij een schuitje gereed zult vinden, om u naar het begeerde punt te voeren. Ziet gij aldaar wat drie of vier honderd menschen, in den diepen en uitgestrekten put verrigten, ten einde dien tot de grondslagen des werktuigs bekwaam te maken, dan zult gij nauwelijks durven beslissen, wat merkwaardiger zij; het werk waaraan men thans onder water bezig is, of het gebouw dat, op dien grond, eens boven denzelve verrijzen zal: het is beiden reusachtig te noemen. Wend van hier het oog op het Spaarne: het is, even als de Newa bij Petersburg, een der kleinste rivieren van ons werelddeel, maar die hier en daar eene aanmerkelijke breedte heeft, zeer vischrijk is, en het water uit de Meer, door Haarlem, naar Sparendam leidt, waar het zich in het IJ ontlast. Meer dan twintig duizend schepen varen er jaarlijks door gemelde stad, zoo dat het niet onmogelijk is, dat gij het Spaarne met een aantal zeilende vaartuigen bedekt ziet, terwijl deze eeuwigdurende beweging een aantal rijke lieden heeft uitgelokt, om, langs den bevalligen linkeroever, buitenverblijven aan te leggen, van welken gij er echter hier weinigen te zien krijgt. Nevens u ontwaart gij de Lantaren van de Meer, eene vuurbaak voor den uitgestrekten waterplas, aan welks uitroeijing thans wordt gearbeid; maar die, zoo lang hij nog bestaat, een fraai gezigt oplevert, wanneer gij een aantal zeilende schepen daarover heen zie glijden, of wanneer uw oog geboeid wordt door kleine vaartuigen, die misschien bezig zijn iets tot uwen maaltijd bij te dragen, opdat gij u voor het laatste nog eens aan heerlijken meerbaars zoudt kunnen vergasten. Het schuitje dat u hier heeft overgebragt, zal u waarschijnlijk naar de Molenwerf terugvoeren, om van daar het dorp weer te bereiken, hetwelk gij, om geen tijd te verliezen, ten vier uur voor goed moet verlaten. Thans begeeft ge u naar het zeer nabij gelegen landgoed van den Heer HOPE, Groenendaal en Bosbeek genaamd, en verzoekt den tuinman het straks genoemde Belvédère te mogen beklimmen. Hij zal u langs bevallige paden en wateren derwaarts leiden, en u doen zien, hoe de Kunst hier de Natuur is te groot gekomen; hoe hier alles te zamen liep, om, van dezen heuvelachtiger! grond, een der fraaiste plekjes van Nederland te maken. Maar opgetogen zult gij staan, wanneer ge u op het hoogste gedeelte van het Belvédère bevindt: wanneer ge van daar, ten westen, het oog op Zandvoort slaat, het verder naar Haarlem wendt en zoo vervolgens naar Amsterdam: wanneer ge, zuidwaarts, Leydens Hooglandsche kerk, voorts Rynsburg, Noordwijk – en ten laatste de zee ontdekt. Gewis zoudt ge wenschen hier eenige uren te vertoeven, om zoo veel schoons, in al deszelfs bijzondere deelen, te kunnen nagaan; maar er blijft u nog te veel te zien overig, om aan die begeerte te voldoen, en gij verzoekt dus den tuinman u te vergezellen tot aan het hek naast Meer en Berg, waar gij op den Haagschen straatweg komt, om langs dezen naar den Geleerden Man te gaan, welk logement, een klein half uur van daar gevonden wordt. Op uwen weg derwaats, ontmoet ge al aanstonds, aan de regterhand, een Gedenkzuil, op den hoek van de Mannenpads-laan, door den eigenaar, de Hoogleeraar VAN LENNEP, vader des Dichters, van het Huis te Mannenpad aldaar opgerigt.

Gedenkteken ter eere van Witte van Haamstede aan het Manpad

Wenscht gij eenen, tot ditzelfde landgoed behoorenden, zeer ouden iepenboom te zien, die een zijner gebroken armen over de weg nederbuigt, en aldaar twee jongere stammen verwekt heeft, ga dan eenige schreden dit Mannenpad op, en gij zult op dat gezigt de mogelijkheid erkennen, dat, na verloop van een paar eeuwen, de beide kinderen, op hunne beurt, een hunner armen, in eene tegenovergestelde rigting, naar de plaats uitstrekken, die thans hun nog stevige oude vader bekleedt. -Van hier keert ge naar den straatweg terug, en vervolgt uwe wandeling, onder fraai geboomte, naar den Geleerden Man. Onderweg zult ge het vorstelijk verblijf, de Harte-Kamp, ontmoeten; een landgoed waar, vóór honderd jaar, de beroemde LINNAEUS veel verkeerde; doch de boom, aldaar door hem geplant en naar hem genoemd, is, vóór veertig jaar, door geldzuchtige sloopers omgehakt. En nu bevindt ge u, omstreeks zes uur, aan het reeds genoemde logement, waar ge, voor het huis, een alleraangenaamst gezigt zult hebben op het fraaije dorp Bennebroek. Ondertusschen hebt ge den kastelein, bij uwe aankomst aldaar, last gegeven, dat er, tegen half acht, een wagen gereed sta, om u naar Haarlem terug te brengen. Gij zegt den voerman den straatweg te volgen tot Schouwtjeslaan, die in te rijden, en zóó, langs de Leydschevaart en voorbij de Zijlpoort, langs de Singel, tot aan het Spaarne, en vervolgens over de Bolwerken te gaan, en welke kleine omweg u niet de minst verrukkelijke gezigten zal opleveren.”

Uit: Wegwijzer in Haarlems Omstreken. ‘Haarlem, De Erven F. Bohn, 1847, (Tweede Vertoef: Heemstede, blz. 7-11).

Landschap bij Heemstede; schilderij door A.J.Eymer (1803-1863 (Teylers Museum)

Landschap bij Heemstede; schilderij door A.J.Eymer (1803-1863 ) Teylers Museum