Tags

,

Persbericht de Heemsteder 13-3-2013

Persbericht de Heemsteder 13-3-2013

Op 4 mei is aan de Vrijheidsdreef nabij Groenendaal in Heemstede een herdenkingsmonument onthuld in herinnering aan 162 Joodse slachtoffers van WO II uit Heemstede. Het heet 'Boek van de Namen - 'Sefer HaSjemot' in navolging van een namenmonument in heerdenkingscentrum Yad Vashem te Jeruzalem. Onder het monument in de vorm van een opengeslagen boek is een door Harald van Perlstein uit Israël meegebrachte steen met davidster gedeponeerd. De grote steen is afkomstig uit China, werd gehouwen door..in Diemen en is ontworpen door Patrick van der Vegt, grafisch vormgever uit Haatlem die in 2013 ook het Joods monument in de Spaarnestad vorm gaf met in totaal 700 namen.

Op 4 mei 2015 is aan de Vrijheidsdreef nabij Groenendaal in Heemstede een herdenkingsmonument onthuld in herinnering aan 162 Joodse slachtoffers van WO II uit Heemstede. Het heet ‘Boek van de Namen – ‘Sefer HaSjemot’ in navolging van een namenmonument in heerdenkingscentrum Yad Vashem te Jeruzalem. Onder het monument in de vorm van een opengeslagen boek is een door Harald van Perlstein uit Israël meegebrachte steen met davidster gedeponeerd. De grote steen is afkomstig uit China, werd gehouwen door Tetterode Natuursteen Amsterdam-Duivendrecht en is ontworpen door Patrick van der Vegt, grafisch vormgever uit Haarlem die in 2013 ook het Joods monument in de Spaarnestad vorm gaf.

4 mei 2015 verscheen m.m.v. de gemeente Heemstede een brochure 'Een Joods Monument in Heemstede' met medewerking van Harld van Perlstein, Paola Koningsveld, Patrick van der Vegt en Hans Krol. Zolang de voorraad strekt kan 1 exemplaar worden aangevraagd via het email adres: jlpmkrol@tiscali.nl

4 mei 2015 verscheen m.m.v. de gemeente Heemstede een brochure ‘Een Joods Monument in Heemstede’ met medewerking van Harld van Perlstein, Paola Koningsveld, Patrick van der Vegt en Hans Krol. Zolang de voorraad strekt kan 1 exemplaar worden aangevraagd via het email adres: jlpmkrol@tiscali.nl

Voor een lijst van vanuit Heemstede omgekomen Joodse personen:

https://ilibrariana.wordpress.com/2012/04/09/lijst-van-omgekomen-joodse-burgers-1942-1945/

JOODSE ONDERDUIK, VERVOLGING EN VERZET IN HEEMSTEDE

Deel 1, De Heemsteder, 10 mei 1995 Van de ruim 140.000 in 1940 in Nederland wonende (vol)joden met vier of drie joodse grootouders hebben naar schatting 103.000 personen de Tweede Wereldoorlog niet overleefd. De historicus dr. J. Presser heeft de vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom in de jaren 1940-1945 op indrukwekkende wijze beschreven in het boek ‘Ondergang’ (twee delen; eerste druk 1965). Uit recent onderzoek, verricht door o.a. Marcel Bulte en Dolf Böing, blijkt dat minstens 145 joden die op 10 mei 1940 als bewoner van Heemstede In het bevolkingsregister stonden geregistreerd zijn omgekomen, voornamelijk in Sobibor en Auschwitz. Voorts nog 26 joodse burgers die zich na de capitulatie van Nederland officieel in Heemstede gevestigd hebben en op grond van de Jodenmaatregelen via het doorgangskamp Westerbork naar vernietigingskampen zijn overgebracht, alsmede een onbekend aantal in Heemstede opgepakte onderduikers. De registratie van alle joden in 1941 heeft de grondslag gelegd voor hun economische, sociale en ruimtelijke uitstoting. Ook in Heemstede is ingevolge verordening nr. 6-1941 van de Rijkscommissaris van het bezette Nederlandse Gebied een dergelijke lijst samengesteld, die 323 namen bevat (in mei 1940 bedroeg het officieel geregistreerde aantal nog 370). Omdat zes aanmeldingsplichtigen wegens onvermogen geen leges konden voldoen is hiervoor 317 gulden ontvangen. Van de 323 persoonsnamen ontvingen 236 het predicaat ‘Volljude’. Bij Harry K.V. Mulisch, destijds woonachtig in de Spaarnzichtlaan, staat G1 vermeld, hetgeen betekende: half jood ofwel 2 joodse grootouders. Zijn moeder Alice Schwartz, afkomstig uit Antwerpen, was van joodse origine. Zijn vader maakte een bedenkelijke carrière bij het bankiershuis Lippmann- Rosenthal en Co., waar joden hun geld, effecten en tegoeden moesten storten alvorens op transport te worden gesteld (om die reden ook bekend als ‘Duitse roofbank’).

H. Loeb

De enige op voornoemde lijst die tevens staat vermeld op een gedenksteen aan de voet van het monument voor de gevallenen in Groenendaal is Henk Loeb. Deze was half-arisch en half-joods, met twee joodse grootouders van vaders kant. Van zijn nog in Heemstede wonende zuster ontving ik enige jaren geleden de volgende informatie. Hendrik Otto Ernst Loeb werd op 20 juli 1919 geboren als zoon van E. Loeb, makelaar in Oliën, Heemsteedse Dreef 1. Voor verzetswerk is hij opgepakt en in het bureau aan de Amstelveenseweg vastgezet. Weer vrijgelaten heeft de jonge Loeb zich agressief tegenover de bezetter gedragen en is hij wederom opgepakt en toen naar het kamp Vught overgebracht. Daar kreeg hij een Jodenster opgespeld, ondanks het feit dat hij enkel half jood was. Naar Westerbork op transport gesteld is Henk Loeb in het concentratiekamp Sobibor omgekomen. Van de met 19 transporten in totaal 34.313 naar Sobibor gedeporteerde Nederlanders hebben slechts 18 personen de oorlog overleefd. Eén van hen, Jules Schelvis, heeft in 1994 een boekwerk over dit vernietigingskamp gepubliceerd, met daarin voor het eerst een gepubliceerde lijst met namen. H.O.E. Loeb komt voor op de transportlijst van 18 mei 1943 en is drie dagen later met 2.511 anderen omgebracht.

Hendrik Otto Ernst (Henk) Loeb

Hendrik Otto Ernst (Henk) Loeb

Jodenvervolging

Het percentage vermoorde joden uit Nederland bedraagt circa 74%, zeer hoog vergeleken met België (38%) en Frankrijk (29%). Enkel in Polen en Griekenland is dit percentage nog hoger dan in Nederland. De nazi’s hebben zich meer dan eens lovend uitgelaten over de efficiëntie en snelheid waarmee de deportaties uit ons land konden worden uitgevoerd. Op 22 en 23 februari 1941 vond in Amsterdam de eerste grote razzia plaats, waarbij 400 joden zijn weggevoerd. Na de oorlog bleek nog slechts één van hen in leven te zijn. Op 25 en 26 februari 1941 legde een algemene staking in de hoofdstad als protest tegen de Jodenvervolging het leven stil. Deze zogeheten Februaristaking kostte het leven aan 15 leden van de Geuzengroep, onder wie de Haarlemmer Bernhard IJzerdraad, alsmede aan drie stakers. In 1942 werden de joden gebrandmerkt met een gele Davidster en in juli van dat jaar begon de grootscheepse deportatie uit Nederland via Westerbork, van waaruit de meeste van de in totaal 102 transporten vertrokken. Het merendeel kwam om in Auschwitz, Sobibor en Bergen Belsen. Sommigen in Dachau of Theresienstadt, zoals de joodse bankier F. Gutmann van huize ‘Bosbeek’. Ongeveer 16.000 joden hebben de vervolging overleefd dankzij de onderduik, waaronder verhoudingsgewijs veel in Heemstede. Aanvankelijk waren zo’n 25.000 joodse burgers ondergedoken, maar velen zijn verraden, soms voor een premie van  7,50 gulden. De NSB-burgemeester van Heemstede J.H.van Riesen (1) die geboekstaafd staat als “een eerste klas jodenjager” en bij verschillende aanhoudingen van joodse onderduikers aanwezig was heeft bij zijn proces voor het gerechtshof verklaard dat hijzelf – ondanks vermoedens van het tegendeel – nimmer (anonieme) brieven uit de bevolking heeft ontvangen over ondergedoken joden.

Registratiekaart J.H.van Riesen, Politieke Recherche Afdeling, Afdeling Haarlem

(1) September 1947 heeft de op dat moment vastgehouden J.H.van Riesen aan de Politieke Recheche Afdeling afdeling Haarlem het volgende verklaard: “(…) Toen Kramer begin 1943 als korpschef van Politie in Heemstede kwam, wist ik dat hij evenals ik lid van de N.S.B. was. Ik kan U met zekerheid verklaren, dat voor de komst van Kramer door de toenmalige korpschef Berentsen of door mij of in tegenwoordigheid van mij in de gemeente Heemstede geen Joden zijn gearresteerd zijn geworden of een onderzoek naar hen is ingesteld. Ook zijn er in die tijd daar geen opdrachten voor gekomen. Of de bezettende macht in die tijd op eigen initiatief Joden in de gemeente Heemstede, zonder tussenkomst of medeweten van de plaatselijke politie, heeft gearresteerd is mij niet bekend. In de tijd dat Kramer als korpschef in Heemstede is geweest, zijn er van de bezettende macht verschillende opdrachten gekomen hetzij bij mij of bij Kramer om een onderzoek te doen instellen naar ondergedoken Joden in de gemeente Heemstede. Ik heb nu de indruk dat de bezettende macht met het geven van die opdrachten zolang heeft gewacht, totdat er in Heemstede een N.S.B.korpschef kwam en temeer ook al dat Kramer terzake deskundig was, omdat hij in Amsterdam voor zijn komst in Heemstede werkzaam was geweest aan het bureau Joodse Zaken en dat dan ook de gegeven opdrachten door de bezettende macht wel zouden worden uitgevoerd. Toen dan ook de eerste opdracht kwam om Joden in de gemeente te arrsteren, sprak ik met Kramer af dat ook ik in den vervolge bij iedere jodenarrestatie in Heemstede aanwezig wilde zijn. Ik had namelijk van Kramer gehoord, dat het bij de Jodenarrestaties in Amsterdam hardhandig toeging. Omdat ik geen hekel aan Joden had en ik niet wilde hebben dat zij hardhandig zouden worden behandeld, ben ik bij diverse Jodenarrestaties aanwezig geweest. Bij al die arrestaties waarbij ik tegenwoordig ben geweest, was er door de bezettende macht opdracht gegeven. In de opdracht werd dan het perceel genoemd, waar Joden zouden zijn ondergedoken. Hoe de opdrachgevers daaraan kwamen is voor mij altijd een raadsel geweest. De arrestaties liet ik altijd aan Kramer over, omdat ik daar geen verstand van had. Ik had namelijk geen arrestatiebevoegdheden. Kramer sprak met mij dan een tijd af hoe laat in het opgegeven perceel een inval zou plaats vinden. Geen enkele maal heb ik de bewoers van het opgegeven adres gewaarschuwd of laten waarschuwen dat er zo en zo laat bij hen een inval zou plaatsvinden naar ondergedoken Joden. Thans voel ik aan dat het beter was geweest , dat ik die mensen van te voren had laten waarschuwen. Wat er met de gearresteerde Joden ging gebeuren heb ik nimmer geweten. Ik dacht altijd dat zij naar het kamp Westerbork werden vervoerd en vandaar uit naar Duitsland te werk gesteld. (…). Ik kan mij nog herinneren dat ik bij de volgende Jodenarrestaties in de gemeente Heemstede aanwezig ben geweest, namelijk bij Molenaar aan de Van Merlenlaan nummer 1, op een adres aan de Jan Steenlaan, op een adres aan de Johannes Vermeerstraat en de Zandvoortselaan in de buurt van het station Heemstede-Aerdenhout [Hiervan is door J.H.A.Sweers ten nadele van Van Riesen in augustus 1945 aangifte gedaan]. Van deze laatste drie adressen kan ik mij de namen van de bewoners niet heer herinneren. Hoeveel Joden er op deze adressen gearresteerd zijn geweest weet ik niet meer, doch ik schat het aantal op twaalf tot vijftien stuks. Al deze mensen zijn zoals Kramer mij later mededeelde, overgeleverd aan de S.D. te Amsterdam. Wat er van deze mensten terecht is gekomen is mij niet bekend (…)”.  

riesen1

Schrijven van een NSB-ambtenaar van het raadhuis aan NSB Opperluitenant P.Kramer over installatie van NSB-burgemeester Van Riesen 26 juni 1943

Riesen2.jpg

Van Riesen inspecteert de erewacht van de Landwacht op het Raadhuisplein.

riesen3

Vervolgens inspecteerde Van Riesen leden van de Jeugdstorm uit Heemstede en omgeving

N.S.B.burgemeester J.H.van Riesen (links) is 11 mei 1945 in Bloemendaal aangehouden en gevangen gezet in de garage van Van Lent in de Raadhuisstraat. te Heemstede. Op 4 juni is hij overgebracht naar interneringskamp Duinrust te Overveen.

N.S.B.burgemeester J.H.van Riesen (vooraan) is 11 mei 1945 in Bloemendaal aangehouden en gevangen gezet in de garage van Van Lent in de Raadhuisstraat. te Heemstede. Op 4 juni is hij overgebracht naar interneringskamp Duinrust te Overveen.

Na zijn arrestatie op 11 mei 1945 gemaakte pasfoto’s van J.H.van Riesen. Op 22 september 1948 is hij mede op basis van een “indrukwekkende dodenlijst” door het Bijzonder Gerechtshof veroordeeld tot 12 jaar vrijheidsstraf, Op 11 mei 1949 diende Van Riesen een verzoek om gratie in vanwege zijn slechte gezondheid. Dat werd ingewilligd en al op 11 augustus werd hij ontslagen om aanvankelijk thuis en vervolgens in een verpleeghuis tot zijn overlijden te worden verzorgd. Tegen de gewezen korpschef van de Heemsteedse politie Piet Lambertus Gerardus Kramer (geboren op 16-2-1912 te Den Haag) werd door het Bijzonder Gerechhtshof op 16 paril 1948 vijftien jaar cel gevonnist. Hij was betrokken bij de arrestatie van Joden in Amsterdam, Hilversum en Heemstede. Een schier eindeloze rij van mensen die het niet overleefden is tijdens een zitting van negen uur voorgelezen: Oostra, Sara Oostra-Rothschildt, Sajet, Schaap, Eliazar Moffie, David van Dam, Winnik, Snoek, Thomas Hendrik Grippo… etc. Een Joodse musicus die met elf anderen bij profesor J.W.Pootjes in Hilversum was ondergedoken, vertelde dat hij de enige overlevende was van deze groep die eveneens door Kramer werd gearresteerd. Na zijn vervroegde vrijlating begin 1954 ingeschreven in Eygelshoven is Kramer vervolgens naar Duitsland verhuisd waar hij met een Duitse vrouw is hertrouwd. In 1988 kreeg hij van de Minister van Justitie toestemming om zijn zieke moeder te bezoeken die – o ironie – werd verpleegd in huize Bosbeek, het vroegere huis van het in 1944 in resp. Theresienstadt en Auschwitz omgebrachte Joodse echtpaar Gutmann. In 1992 aan een hersenhumor lijdende liet Kramer zijn echtgenote schrijven dat hij een ‘te goed’ politieman was geweest die slechts bevelen van hogerhand uitvoerde.

Na ruim tien dagen in Bloemendaal te zijn ondergedoken werd J.H. van Riesen na aanhouding door leden van de Binnnenlandse Strijdkrachten binnengeleid in de garage Van Lent

Van Riesen op 15 mei 1945 na zijn zijn arrestatie achter prikkeldraad bewaakt door leden van de Binnenlandse Strijdkrachten achter de garage van Van Lent in de Raadhuisstraat

==========================================================================

Fragmentgenealogie Salomon Israël Mogendorff (bron: genealogieonline)

Fragmentgenealogie Salomon Israël Mogendorff (bron: genealogieonline)

Het lot van de familie Mogendorff

Komende uit Arnhem vestigde S.I.Mogendorff zich begin april 1940 in een huis aan het Sweelinckplein in Heemstede (EHC, 11-4-1940)

Komende uit Arnhem vestigde S.I.Mogendorff zich begin april 1940 in een huis aan het Sweelinckplein in Heemstede (EHC, 11-4-1940)

Bernard Mogendorff (1932-1943) met zijn zus Sara (1929-1943) in toenmalig woonadres Sweelinckplein 2, Heemstede

Mevrouw Mogendorff schrijvende, 1940

Mevrouw Grietje (Greta) Mogendorff-Meijer, in 1940

Uit acht joodse families in Heemstede hebben vier gezinsleden de holocaust niet overleefd. Daaronder de familie Mogendorff. Afkomstig uit Arnhem zijn vader Sally (Salomon Israel), moeder Greta en twee kinderen, Sara Antoinette en Bernard, op 2 april 1940 naar het adres Sweelinckplein 2 verhuisd. De 22-jarige Lies Grintje werkte bij de familie in de huishouding en verhuisde mee. Lies Grintjes huwde in 1943 in Heemstede en is thans nog in deze gemeente woonachtig (1). Enkele familiefoto’s, een Jodenster en de laatste briefkaarten uit het kamp Westerbork – welke tijdens de recente tentoonstelling in het raadhuis zijn getoond – vormen de enige tastbare herinneringen aan deze voor haar dierbare familie. In 1942 werd de familie Mogendorff verplicht zich in Amsterdam te vestigen, waar men een bovenetage in de Rivierenbuurt betrok. Vervolgens is men ondergedoken bij een boer in de Haarlemmermeer en door verraad opgepakt. Algemeen is bekend dat Johannes Boogaard (‘Oom Hannes’) honderden joden heeft bijgestaan en ook joodse kinderen in Heemstede heeft ondergebracht. De Mogendorff’s zijn overgebracht naar het kamp Westerbork nabij Hooghalen. Op 20 februari 1943 ontving Lies Grintjes, die intussen werkzaam was bij tandarts Ten Hones aan de Heemsteedse Dreef, een laatste briefkaart met o.a. de volgende inhoud: “Wat prettig dat je nog geregeld schrijft. Ook de kinderen vinden het fijn als een brief van je komt en dan worden er altijd oude herinneringen opgehaald. Wij maken het naar omstandigheden goed. Onze stemming laat wel eens wat te wensen over. Ik werk veel in de buitenlucht. Het nichtje Nel is ziek en haar toestand nogal ernstig. Maar zo lang er leven is is er hoop.” Het laatste levensteken is een adreswijziging, op 24 februari afgestempeld in Assen, met als oud adres ‘Barak 67 Westerbork’ en nieuw adres ‘onbekend’. Op 24 maart 1943 schreef een familielid vanuit Amsterdam: “Je zult al wel weten, dat Gré en de kinderen weg zijn. Er was niets meer aan te doen. Afschuwelijk. Verder zijn nu ook weg mijn zuster en zwager, die in Enkhuizen hebben gewoond, zonder de kinderen. ’t Is allemaal even erg.” Uit verklaringen van het Internationale Rode Kruis blijkt dat mevrouw G. Mogendorff-Meijer en haar twee kinderen op 26 februari 1943 in Auschwitz zijn omgebracht en dat S. Mogendorff al eerder naar Polen op transport is gesteld en dat op 13 december 1942 aan zijn leven een eind werd gemaakt in hetzelfde vernietigingskamp.

Foto van de in 1929 geboren Sara Antoinette Mogendorff, toen zij op het Sweelinckplein woonde. Sara draagt hier de verplicht gestelde jodenster. Zij stierf op 26 februari 1943 in Auschwitz (foto mw. S.H.Boelsma-Grintjes)

Op bovenstaande foto van links naar rechts: Salomon Israël Mogendorff (geboren 19 juli 1904 in Arnhem en omgebracht 13 december 1942 in Auschwitz), Grietje Mogendorff-Meijer (geboren 21 juli 1906 in Groningen) en overleden 26 februari 1943 te Auschwitz), Suzanne Mogendorff-de Leeuw (geboren 7 juni 1902 in Groningen en omgebracht 25 oktober 1944 in Auschwitz), Michael (Michel) Mogendorff (30 juli 1901 in Arnhem geboren en 28 februari 1945 in Midden-Europa gestorven).

Het laatste levensteken van Sally (Salomon) en Grietje (Gré) Mogendorff aan Lies Grintjes was een adreswijziging op 24-2-1943 afgestempeld in Assen, met als oud adres: ‘Barak 67 Westerbork’ en nieuw adres ‘onbekend’.

(1) Elisabeth (Lies) Grintjes, geboren op 18 oktober 1918 is op 25 april 2005 in Heemstede overleden.

Vermelding van naam Mogendorff met meer dan 6.700 andere Joodse familienamen in herdenkingsruimte van de Hollandse Schouwburg

Deel 2, De Heemsteder, 17 mei 1995 Tientallen families in Heemstede hebben de moed gehad, ondanks alle gevaren en risico’s, joodse onderduikers in huis te nemen. Achter vele verhalen zit een tragedie. In deze aflevering een drietal voorbeelden uit respectievelijk de Pieter de Hooghstraat, de Hugo de Grootlaan en de Koediefslaan. Familie Den Engelse De in 1994 op 85-jarige leeftijd overleden verzetsman C.F.S. Dulk heeft na de oorlog zijn herinneringen op papier gezet en schrijft onder meer: “Ik heb diverse schuilplaatsen in huizen gemaakt voor onderduikers, meest Joden. Een treurig voorval moet ik hier melden. Bij de familie Den Engelse in de Pieter de Hooghstraat 7 waren vijf Joodse onderduikers in huis waarvoor ik boven een schuilplaats had vervaardigd. Een kindje stierf aan slijmhoest in bed. Ik kreeg hiervan bericht en ging ’s avonds om tien uur mijn oude brikkie in het pikkedonker over de Johan Wagenaarlaan naar het huis van de familie Den Engelse om het lijkje op te halen, dat in een grote koffer werd gedaan. Terug met deze last reed ik naar de werkplaats, gelegen in de Lombokstraat achter in de poort naast slager Reemeijer. Ik heb toen voor die stakker een eikenhouten doodskistje gemaakt, twee bossen fresia’s gekocht en de kleine gekist en vervolgens het deksel met koperen schroeven in het vet dichtgemaakt. Het kistje paste precies in de koffer en de volgende dag heeft dokter Van Luin met zijn gasauto achteruit de poort inrijdende het kistje in de kofferbak meegenomen en in het geheim op de openbare begraafplaats in Heemstede ter aarde besteld. Ik heb hier verder nooit meer iets van gehoord. Het ergste was dat het doorgangshuis van de familie Ten Boom in de Barteljorisstraat in Haarlem opgerold werd en de mensen naar concentratiekampen verdwenen. Dit was vermoedelijk  mede oorzaak van het feit dat in de Pieter de Hooghstraat 7 een inval door de moffen werd gedaan, waar toevallig de Joodse onderduikers om de tafel beneden een verjaardag aan het vieren waren. Mevrouw Den Engelse en de Joodse huisgenoten werden opgepakt en weggevoerd. De zoon en zijn vader waren op dat moment niet thuis. De heer Den Engelse die ondanks een waarschuwing ’s avonds naar huis ging werd prompt gearresteerd. Het echtpaar kwam in een kamp terecht, maar overleefde de oorlog en is na de bevrijding in Den Haag gaan wonen. Van de Joodse onderduikers is niets meer vernomen.” Als dank ontving de heer Dulk van de familie Den Engelse een exemplaar van het boek ‘Gevangene en toch ..’ van Corrie ten Boom met daarin de volgende opdracht: “Met grote dankbaarheid voor het liefdevolle werk, wat u deed en voor de verzorging van het lijkje van onze Joodse baby ‘Petertje’ bieden wij u dit boekje aan, waarvan de schrijfster tegelijk met ons in het concentratiekamp Vught was. (Ondertekend) H.P. den Engelse.” Mevrouw Nieuwenhuis-Schilpzand Mij is verteld dat het voorkwam dat personen die Joodse onderduikers in huis hadden daar soms problemen mee kregen. Sommigen waren veeleisend, men wenste extra eten of een extra bed als de vrouw onrein was. Ook is het voorgekomen dat een beginnende verhouding dreigde te ontstaan met een huisgenoot. De heer J.E. Baalbergen uit Andijk heeft de herinneringen aan zijn grootmoeder in Heemstede die aan verschillende Joden onderdak heeft geboden in 1992 op schrift gesteld. Dat betrof mevrouw Jo Nieuwenhuis-Schilpzand die met  haar kinderen op het adres Hugo de Grootlaan 14 woonde.

Hugo de Grootlaan 14 op een foto uit 1938

“Via Julia, een zuster van Jo, kwam de eerste Joodse onderduiker in huis, Nora Brouwer (schuilnaam Carry). Julia werkte bij het onderduikadres van Nora’s moeder, de familie Scheer in de Javalaan. Nora werkte als verpleegster in het Portugees ziekenhuis in Amsterdam en zocht een onderduikadres. Waarom Jo haar in huis besloot te nemen is niet echt duidelijk. Waarschijnlijk had zij hiervoor meerdere redenen. Zij was allereerst iemand die er niet tegen kon als er iemand werd achtergesteld of buitengesloten. Ook haar opvoeding is hierbij van belang geweest, zeker in het licht van haar geloof, dat haar leerde dat haar medemens niet in de steek te laten. Een laatste reden kan zijn geweest dat de extra inkomsten haar in staat stelden de uitgaven meer te spreiden.” Op 25 november nam zij een Joods echtpaar in huis, Jacob (Jaap) en Rosalie (Rosalein) de Vries-Stern uit Haarlem. Die kwamen onder hun schuilnaam Kees en Bep Klok op hun inmiddels derde onderduikadres. Ze waren eerst ondergedoken geweest in Opheusden bij een vriend van Jaap en in Haarlem-Noord, waar Jaap’s ouders achterbleven. Hun drie kinderen waren ondergedoken in een internaat voor schipperskinderen en hebben de oorlog overleefd.  In het voorjaar van 1943 is eerdergenoemde Nora Brouwer weer vertrokken naar een vriendin in de Betuwe. [Nora Brouwer heeft de oorlog overleefd en werkte daarna o.a. als privéverpleegster in Amsterdam]. Omdat de ouders van Jaap problemen kregen op hun Haarlemse onderduikadres grepen zij de mogelijkheid aan om naar de Hugo de Grootlaan te verhuizen. Zo kwamen Bernard (roepnaam Benjamin) en Sara (roepnaam Suze) de Vries-van Kloeten in november 1943 als onderduikers in Heemstede. [Deze familie had in de Smedestraat een winkel in porselein en huishoudelijke artikelen]. “De onderduikers hadden als woonkamer de voorkamer boven tot hun beschikking. Op deze kamer sliepen ook Benjamin en Suze. Zoon Jaap en diens vrouw Rosalie sliepen op de zolderkamer achter . Dat hield natuurlijk in dat Jo en haar kinderen hun eigen kamer moesten afstaan en met elkaar de overgebleven slaapkamers moesten delen. Het voedsel werd eerlijk verdeeld. Menigmaal kwamen de vier onderduikers beneden eten en las Jaap na de maaltijd uit de Bijbel (O.T.). Vanzelfsprekend werden de Joodse spijswetten niet meer gevolgd. Dat was trouwens ook onmogelijk aangezien men blij was met alles wat voedsel betreft dat kon worden verkregen. Als er eens een extraatje was, bijvoorbeeld koek, dan werd er ook boven van genoten. Op normale dagen brachten de onderduikers de dag door met huishoudelijke werkzaamheden, lezen, studeren, schrijven, boeken vertalen, schaken en monopoly spelen. Vanzelfsprekend moesten ze zich tijdens deze activiteiten steeds bewust zijn geen geluid te maken en zich niet voor de ramen te vertonen. De vitrage bleef dan ook vaak overdag gesloten. Koken deed Jo op gas. Het gas was echter op rantsoen: je mocht en bepaald gedeelte gebruiken van de hoeveelheid die voor rantsoenering werd gebruikt. Natuurlijk heb je voor negen personen meer nodig dan voor vier. Er werd dus gas gebruikt tot de meter bijna de maximale hoeveelheid aangaf. Dan schroefde Jaap de gasmeter los en verbond de beide van de pijpen met de binnenband van een fiets. Zo konden ze weer en tijdje vooruit. Tegen de tijd dat de stand van de meter werd opgenomen, schroefde Jaap de gasmeter weer op zijn plaats.” 

Distributiekaart van Barend de Vries, één van de kinderen van het echtpaar De Vries, elders ondergedoken. In dun schrift is ook zijn onderduiknaam nog te zien: Meijer

Het aantal mensen dat van het verblijf van de twee echtparen De Vries afwist was klein, zo’n acht tot tien personen. Helaas één teveel. D. uit de Zaanenstraat zou de S.D op de hoogte hebben gesteld. Ten gevolge van dat verraad is mevrouw Nieuwenhuis wegens Jodenbegunstiging met vier Joodse onderduikers op 30 juni 1944 aangehouden door de Haarlemse gemeentepolitie (onder wie Krist) voor de S.D. Door de tuin en de heg van nummer 12 is men via de bijkeuken binnengekomen. na een huiszoeking zijn Jo Nieuwenhuis, haar aanwezige kinderen Ria en Jos en de familie De Vries naar het politiebureau in de Smedestraat te Haarlem afgevoerd. “In de Smedestraat kwamen Jo (net 45 jaar oud) en haar kinderen met ongeveer vijftien andere mensen in een grote, kale ruimte met aan het plafond één klein lichtpitje. Ze hadden spullen zoals veters etc. moeten afgeven. Ze werden vredelijk vuil, want de de matrassen waarop ze zaten en lagen waren vies en stoffig. Het eten was belabberd, maar gelukkig was kwam de vader van een andere gearessteerde zijn zoon (Imco Leemhuis) voedsel brengen. Steeds werden ze uit de zaal gehaald om te worden verhoord.” Door bemiddeling van Jaap de Vries zijn kinderen Ria en Jos Nieuwenhuis de volgende dag vrijgelaten. Op 5 juli 1944 is mw. Jo Nieuwenhuis met de Joodse familie De Vries en andere gevangenen in een bus naar Amsterdam vervoerd. Ze kwam terecht in een huis van bewaring op de Amstelveenseweg.  Op 13 juli zijn de vier personen De Vries naar doorgangskamp Westerbork overgebracht. Op 3 september volgde transport naar Auschwitz waar Benjamin de Vries (geboren 26-11-1884 in Haarlem op 6 september in de gaskamer is overleden. [Bron: In Memoriam. SDU, 1995, p.778]. Sara de Vries-van Kloeten (geb. 8-1-1891 in Zierikzee) ging op transport naar Bergen-Belsen, maar is volgens I.M. op een onbekende dag in september 1944 in Auschwitz gestorven. Rosalie de Vries-Stern (geboren 25-8-1914 in Groningen) is op 13 oktober 1944 in Birkenau aan tyfus gestorven. Jaap (Jacob) de Vries overleefde de oorlog en is intusen overleden. Over de reis in een veewagen naar Auschwitz schreef hij later o.a.: “O, wat lag ik moeilijk. M’n benen waren stijf. Ik had kramp in mijn nek. Maar Ro lag goed. En Pa en Moe, zo zag ik in het schemerdonker, zten tegen elkaar aanleunend tegen de zijwand en op de dekenrol. Ik kon dat duidelijker zioen toen iemands sigarenaansteker even oplichtte.” Na de Bevrijding keerde hij via Odessa en Marseille op 31 mei 1945 behouden in Heemstede terug. Mevrouw Nieuwenhuis-Schilpzand is wegens jodenbegunstiging op 12 augustus 1944 naar kamp Vught vervoerd. Op 5 en 6 september werd de kampbevolking van Vught naar Duitsland geëvacueeerd vanwege het naderen van de geallieerde troepen. Op 7 september is zij  met een grote groep vrouwen per trein naar concentratiekamp Ravensbrück ten noorden van Berlijn op transport gesteld. Daar kwam zij in contact met o.a. Helena Kuipers-Rietberg (Tante Riek) en Corry ten Boom en heeft ze Betsy ten Boom verpleegd. Vandaar is zij begin oktober naar Dachau gezonden om in een buitencommando voor de nazi’s dwangarbeid te verrichten. Op 26 april ging zij op ‘dodenmars’ uit Dachau en enkele dagen later (4 of 5 mei 1945) is zij door de Amerikanen bevrijd. Via Bern, Lyon, Mons, Brussel, Rozendaal en Oudenbosch is mevrouw Nieuwenhuis op 22 mei 1945 bij haar huis in Heemstede afgezet.  Na haar terugkeer ontving ze een oorkonde ‘Welkom in Heemstede’ met handtekeningen van de bewoners uit de Hugo de Grootlaan. Mevrouw Jo Nieuwenhuis-Schilpzand overleed in 1972 en haar is postuum de Yad Vashem-onderscheiding toegekend. Oorkonde door bewoners van Hugo de Grootlaan, Heemstede, aangeboden aan mw. Jo Nieuwenhuis-Schilpzand na behouden terugkeer uit Ravensbrück mei 1945. APPENDIX. De archivaris van Haarlem, drs. J.J.Temminck, heeft op verzoek van de heer J.E.Baalbergen de dagrapporten van de Haarlemse gemeentepolitie geraadpleegd. Blijkens het dagrapport 182 de dato 30 juni 1944 werden die dag te 15.00 uur voor de S.D. (F.Krist) de volgende personen ingesloten in het politiebureau aan de Smedestraat: 1. Jacob de Vries, geboren Haarlem 08.05.1914, vertegenwoordiger, wonende Zaanenlaan 62; 2. Benjamin Jacob de Vries, geboren Haarlem 26.11.1884, winkelier, wonende Zaanenstraat 62; 3. Rosalie Stern, geboren Groningen 25.08.1914, wonende Zaanenstraat 62; 4. Sara van Kloeten, geboren Zierikzee  08.01.1891,  zonder oproep, wonende Zaanenlaan; 5. Johanna Regina [Nieuwenhuis] Schilpzand, geboren Hillegom 09.06.1899, zonder beroep, wonende Hugo de Grootlaan 14, Heemstede; 6. Hendrica Cornelia Nieuwenhuis, geboren Hillegom 23.01.1923, dienstbode, wonende Hugo de Grootlaan 14, Heemstede; 7. Johanna Regina Nieuwenhuis, geboren Hillegom 27.03.1927, zonder beroep, wonende Hugo de Grootlaan 14, Heemstede. Volgens dagrapport 183 de dato 1 juli 1944 werden de arrestanten Nieuwenhuis die dag te 13.30 uur heengezonden. Volgens dagrapport 187 de dato 5 juli 1944 werden te 11.30 uur o.a. de arrestanten Schilpzand, De Vries (2x), Stern en van Kloeten naar Amsterdam getransporteerd.

Andries Sternheim

Andries Sternheim, 6 maart 1944 omgebracht in Auschwitz

In 1991 verscheen een proefschrift van Bertus Mulder gewijd aan de Nederlandse socioloog en vakbondsman in de ‘Frankfurter Schule’ Andries Sternheim. Vanaf 1920 was hij hoofd van bibliotheek-documentratiecentrum van het Internationaal Verbond van Vakvereenigingen (IVV). Nadat in 1943 hen de grond te heet onder de voeten werd in Amsterdam, lukte het Sternheim en zijn echtgenote via een vriendin een onderduikadres te vinden bij boekhandelaar Taeko Edelman en diens vrouw Anna Lucretia Sas, Koediefslaan 4 in Heemstede (1), die eerden in ‘s-Gravenhage woonachtig waren geweest. Een woning, die daar intussen door de Joodse Jacob Wallage met zijn gezin was verlaten. “Ze gaan door voor arische vrienden van het echtpaar Edelman, doen boodschappen en maken ’s avonds wandelingen.”. Hun positie blijft echter hachelijk, schrijft Mulder. Als de huisarts doorgeeft dat een razzia op komst is, neemt de spanning weer bezit van het echtpaar Sternheim. In zijn dagboek ‘Balling in eigen land’ (1943) schrijft de geleerde volkomen in tegenspraak met zijn benarde situatie op zijn onderduikadres op 5 september 1943: “Ik geloof, ondanks alle theorieën die het omgekeerde beweren, onvoorwaardelijk aan de vooruitgang der mensheid. Ik zie in de ontwikkeling van de menselijke samenleving, trots neerslagen en regressie, een tendens die naar steeds hoger wijst. Ik geloof aan het betere individu, zoals ik ook aan een betere gemeenschap geloof. Geloven is eigenlijk niet juist gezegd, want het zou kunnen doen veronderstellen, dat het alleen maar een wens, een verlangen uitdrukte. Neen, ik meen op grond van de uitkomsten der sociologische wetenschap te mogen vaststellen, dat ook hier van wetmatigheid sprake is en dat wij niet behoeven te wanhopen.” Op 7 oktober 1943 overleed Taeko Edelman aan een longontsteking. Sternheims zonen, elders ondergedoken, werden opgepakt. Driekoningen 1944 is het huis in de Koediefslaan door agenten van de S.D. uit Amsterdam omsingeld en wordt het echtpaar met de vrouw des huizes mevrouw Edelman-Sas naar Amsterdam op transport gesteld (2). Sternheim weet de chauffeur te bewegen zijn dagboek te bezorgen bij de familie Hogeweg. Op 12 januari zijn dr. A. Sternheim en echtgenote naar Westerbork afgevoerd. In een laatste briefkaart van 3 maart 1944 aan vriend Piet Laroo schrijft hij: “Het is anders gegaan dan wij verwachtten. Plotseling Auschwitztransport waarmee ook wij gaan. Wij zitten in de trein, zijn beiden gezond en sterk en vol goede moed. Zijn goed doorvoed en bereid alles te ondergaan. Nogmaals dank ook aan de vrienden. Treur niet om ons, Wil, wij houden ons wel sterk. Heel veel liefs voor allen. Jullie Lien en Andries.” Drie dagen duurt de reis en op 6 maart 1944 wordt door de nationaal-socialisten een eind aan hun beider leven gemaakt in Auschwitz. Zonen Leonard Andries Sternheim (geboren in 1926) en Paul Sternheim (geboren in 1924) zijn in 1944 in Auschwitz omgebracht.  In 1991 promoveerde Bertus Mulder uit Veenwouden op Andries Sternheim, vergeten theoretici van de Arbeidersbeweging.

Pagina uit oorlogsdagboek van Andries Sternheim uit 1943. Was bedoeld voor zijn 2 zonen die echter de oorlog niet overleefden (Joods Historisch Museum)

Pagina uit oorlogsdagboek van Andries Sternheim uit 1943. Was bedoeld voor zijn 2 zonen die echter de oorlog niet overleefden (Joods Historisch Museum)

Andries Sternheim met zijn echtgenote Gholina Sternheim-Cohen op een foto, gedateerd 24 juli 1938

(1) Zij dreven met Marinus Sas een boek- en kunsthandel annex leesbibliotheek ‘Boekenroode’op het adres Zandvoorselaan 147 in Heemstede. (2) Het dagrapport meldt op 6 januari 1944, dat op de Koediefslaan van de SD worden overgenomen voor transport naar Sipo Amsterdam: Andries Sternheim (1890) en Gholina Sternheim-Cohen (1898) uit Amsterdam. Mevrouw Anna Lucretia Edelman-Sas (1879), Koediefslaan 4, die de Joden verborgen hield is ook gearresteerd en later vrijgelaten. Deel 3, De Heemsteder, 31 mei 1995 Enige tijd geleden zijn bij het verwijderen van het behang in een huis aan de Achterweg in Heemstede twee stam- of abonnementskaarten van de NZHTM aangetroffen, met pasfoto en de namen van respectievelijk Bertha Wallage, geboren 13 november 1934 en Carolina Wallage, geboren 5 mei 1930. Uit onderzoek in het bevolkingsregister blijkt dat ze, afkomstig uit Coevorden, op 15 juni 1939 zijn ingeschreven op het adres Javalaan 59, nadat een broer Jacob Wallage reeds met zijn gezin in Heemstede woonachtig was (1). Niemand van deze familie heeft de holocaust overleefd. Op 6 juni 1942 ontving men het bericht direct naar Amsterdam te evacueren. Pas op 18 januari 1943 zijn ze uitgeschreven, naar Amsterdam (Swammerdamstraat 15). Een buurvrouw uit de Javalaan heeft de familie Wallage daar nog bezocht en in zorgwekkende toestand aangetroffen. Op 11 mei 1943 zijn de ouders en twee dochters vanuit Westerbork op transport gesteld naar Sobibor, waar moeder en kinderen drie dagen later overleden. Vader Levie Wallage was met nog 79 mannen uitgezocht om in het nabijgelegen Dorohuzca werk voor de nazi’s te verrichten en stierf op 30 november van hetzelfde jaar, vermoedelijk aan uitputting. (1) Op 15 juni 1942 meldt het politiedagrapport dat op die datum Levie Wallage, Javalaan 59, is aangezegd, dat hij en zijn gezinsleden morgen 17 juni moeten vertrekken voor evacuatie naar Amsterdam. Jodenmaatregelen Op 1 augustus 1942 stuurde de gevreesde SD-chef Willy Lages een brief naar de gemeente Heemstede met een overzicht van wat joden voor hun gedwongen verhuizing naar Amsterdam mochten meenemen. Daaronder 1 koffer of rugzak, 2 paar sokken, hemden en onderbroeken. Voorts 2 wollen dekens, 1 bord, een drinkbeker en 1 lepel (vanzelfsprekend geen vork of mes), alsmede een handdoek en toiletartikelen. Verder proviand voor drie dagen en voor deze tijd geldige distributiestamkaarten en schriftelijke gegevens omtrent vermogen, aandelen e.d. Het huis moest worden afgesloten en de sleutel in een bijgevoegde enveloppe aan de Duitse autoriteiten worden afgegeven. Eind augustus is een waarnemend NSB-burgemeester door de Commissaris der Provincie Noord-Holland land benoemd, die in mei 1943 na een spoedcursus voor burgemeesters te hebben gevolgd is geïnstalleerd. Deze burgemeester ontving ‘strikt geheim’ een brief, gedateerd 15 september 1942, van de (Nederlandse) Procureur-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam, in opdracht van de Sicherheitspolizei Zentralstelle für Judische Auswanderung. De brief bevatte adressen van buitenlandse joden die onverwijld gearresteerd moesten worden, ongeacht hun leeftijd. Bij een beroep op de gezondheidstoestand moest er ten aanzien van de arrestant enkel op gelet worden of deze vervoerd kon worden. “Met het arresteren moet begonnen worden op woensdag 16 september om 20.00 uur. (…) Met het oog op het eventueel uitlekken van het voornemen om tot arrestatie over te gaan, moge ik u er op wijzen dat het aanbeveling verdient het u onderhebbend personeel eerst op het laatste ogenblik de betreffende opdrachten te geven.” Ofschoon toen al de meeste joodse burgers naar Amsterdam waren overgebracht en vandaar naar doorgangskamp Westerbork dan wel waren ondergedoken begon de Jodenvervolging in alle hevigheid na 1 februari 1943 toen een NSB’er P.L.G. Kramer, zoon van een Haagse politiechef, als korpschef van de politie naar Heemstede kwam in de rang van opperluitenant Hij had ervaring opgedaan bij het 11e Bureau, Joodse Zaken, in Amsterdam, ‘in het bijzonder belast met alle zaken welke voortvloeien uit de Verordeningen de Joden betreffende’, waar het naar zijn zeggen hard toeging. Deze politiechef heeft uiteindelijk tientallen joden opgepakt in Amsterdam, Heemstede en Hilversum. Hiervoor is hij na de oorlog gestraft en thans leeft hij nog in Duitsland. De periode februari 1943 tot maart 1944 is zonder twijfel de donkerste bladzijde in de historie van Heemstede sedert 1573 in de Tachtigjarige Oorlog. Omdat deze politieman zijn werk nog beter wilde doen dan de Duitsers is hij door Willy Lages op het matje geroepen die ‘onvoorwaardelijke gehoorzaamheid’ eiste en vervolgens door de hoogste politiechef in ons land H. Rauter ontslagen. NSB-burgemeester Van Riesen die bij verschillende Jodenarrestaties aanwezig was kreeg een straf opgelegd van 12 jaar, maar is vanwege zijn slechte gezondheid al na een jaar vrijgelaten. Hij verdedigde zich voor de rechtbank dat hij “geen hekel had aan joden” en vooral meeging om de hardhandige korpschef te temperen, met andere woorden “slechts dingen gedaan had om erger te voorkomen”, hetgeen bij de rechter niet erg geloofwaardig overkwam. Zijn secretaresse heeft verklaard dat hij na afloop van zo’n aanhouding haar vol trots op het raadhuis mededeelde: “wij hebben weer een aantal joden gevangen” of woorden van die strekking. Zijn persoonlijk archief op het raadhuis liet hij bij nadering van de bevrijding vernietigen. Overleven In Heemstede met relatief veel grote huizen was een actieve L.O. (Landelijke Organisatie voor onderduikers), tot zijn dood geleid door Marinus Vaumont uit de Bachlaan. Deze verzetsorganisatie, opgericht door dominee F. Slomp en mevrouw Helena Kuipers-Rietberg heeft in Heemstede niet minder dan 1385 onderduikers verzorgd, zeemansvrouwen, joden en mannen die niet als dwangarbeider naar Duitsland wilden. Na de bevrijding zijn toch nog 140 ondergedoken of weggevoerde joden behouden in Heemstede teruggekeerd. Eén van hen, J. van Beem, nam na ruggespraak met een aantal van hen het initiatief tot plaatsing van de volgende advertentie in de regionale pers: “In overleg met vele andere lotgenoten stel ik er prijs op, ook namens hen, de Heemsteedsche bevolking in den breedsten zin hartgrondig dank te zeggen voor alle hulp en steun, die zij gedurende de zoo moeilijke jaren van Jodenvervolging op ondubbelzinnige wijze en in allerlei vorm heeft geboden. Deze hulp bepaalde zich niet alleen tot het verschaffen van onderduikmogelijkheden, het opbergen van goederen, maar er werden ook levensmiddelen en brandstof verstrekt aan geheele gezinnen, zoodat inderdaad mag worden gezegd, dat wij ons leven te danken hebben aan de hulp, welke ook in geestelijk opzicht haar werking had, die niet te vergeten is en niet vergeten zal worden” (Nieuwe Haarlemsche Courant, 5 juli 1945). Op de Joodse begraafplaats aan de Vijfhuizerweg is in 1951 een monument onthuld. Daarin zijn driehonderd namen van Joodse slachtoffers uit 1940-1945 gebeiteld, o.a. van Anne Frank. Behalve in Heemstede hebben ook veel joodse onderduikers in de Haarlemmermeer onderdak gevonden. De namen op dit monument zijn Joodse slachtoffers die in concentratiekampen zijn omgekomen en waarvan de graven onbekend zijn gebleven. In Heemstede is in mei 1995 voor het eerst een lijst gepubliceerd met omgekomen Joodse burgers uit deze gemeente. Deel 4, De Heemsteder, 7 juni 1995

Leesha Rose op een foto uit 2010 toen zij 88 jaar was in Jeruzalem waar zij het Nederlandse herdenkingskruis toont. Tot voor kort gaf zij rondleidingen in Yat Vashem tot zij in conflict kwam met orthodoxe Israëliërs die geen foto’s tentoongesteld willen zien van na de bevrijding in concentratiekampen door Britten en Amerikanen gemaakte foto’s van naakte lijken, terwijl zij meent dat deze vanwege de realiteit juist getoond dienen te worden en bovendien iedere sexuele connotatie ontbreekt.

In 1978 verscheen in de Verenigde Staten en Engeland het levensverhaal van Leesha Rose, geboren op 18 juli 1922 in Polen als Shava Bornstein, die onder haar schuilnaam Elisabeth Bos in 1943 en 1944 vanuit Heemstede verzetswerk heeft verricht. Het boek is intussen in veel talen verschenen, in ons land onder de titel ‘De Tulpen zijn Rood’ (1980). In het voorwoord bij de Nederlandse editie schrijft, C.B. Arriëns, toenmalig ambassadeur van Israël in Nederland, o.a.: “Leesha Rose heeft mij eens verteld dat zij mede tot het schrijven van ‘De Tulpen zijn Rood’ was gekomen, omdat zij in de loop der jaren nogal eens had horen betogen dat de Nederlanders hun reputatie de traditionele grote vrienden van het Joodse volk te zijn niet verdienden, omdat zij tijdens de oorlog lang niet genoeg voor de Joden in hun eigen land hadden gedaan. Zij wist dat dit verwijt in zijn algemeenheid niet opgaat, en zij hoopte dit aan de hand van haar eigen ervaringen duidelijk te kunnen maken.” Op de voorzijde van de omslag is het in Heemstede door de heer G.J. Kruiderink afgegeven vervalste persoonsbewijs afgedrukt, dat mede haar leven heeft gered (1)  Het boek is opgedragen aan haar vader, moeder en twee broers die allen omkwamen, alsmede aan haar vriend en mentor, de verzetsstrijder Frits van Kampenhout, die vijf maanden voor de bevrijding door de nazi’s werd opgepakt en in de Amersfoortse gevangenis is doodgemarteld. In 1947 trouwde zij in Canada met kapitein I. Rose, die zij in mei 1945 in Holland ontmoette.

Leesha Rose in Canada

Pas na meer dan en kwarteeuw was zij in staat haar herinneringen aan de oorlogsjaren op schrift te stellen, hetgeen in een sobere stijl, maar op authentieke en boeiende wijze is gebeurd. Sinds een aantal jaren is Leesha Rose als gids verbonden aan het Holocaust-museum Yad Vashem in Jerusalem, waar zij koningin Beatrix en prins Claus tijdens hun officieel bezoek aan Israël begeleidde. Toen de oorlog uitbrak was Rosa Bornstein 18 jaar, haar broers Paul en Jackie respectievelijk 16 en 4 jaar. Met de ouders vormden ze een gelukkige joodse familie. De Duitse invasie bracht echter angst, wanhoop en hoop op betere tijden. Vanaf april 1942 werkte Leesha als verpleegster in de Joodse Invalide, een hospitaal voor invalide en chronische zieke patiënten. Paul wordt op 18 mei 1943 via Westerbork gedeporteerd, terwijl Leesha’s vader, moeder en andere broer op 16 november van dat jaar volgen. Ook de zieken en het verplegend personeel in de Joodse Invalide ontlopen dat lot niet. Leesha weet uit handen van de Gestapo te ontvluchten, eenmaal uit de gereedstaande deportatietrein en eenmaal via het dak van de Hollandse Schouwburg, de laatste verblijfplaats van naar, schatting 50.000 joden. Onder de illegale naam Elisabeth Bos heeft zij zich bij het verzet aangesloten. In juni 1943 ontvangt zij een aanstelling als verpleegkundige in het Marishuis, Marisplein 3 te Heemstede, een rusthuis voor welgestelde oudere mensen. Leesha Rose schrijft:  “Toen ik er met Eddie -kontaktpersoon in het verzet- heenging en het voor het eerst zag was ik verrukt over de ligging en over de omgeving: door bomen overschaduwde, bochtige lanen, kleurrijke en mooie huizen en tuinen, parken, de vijver tegenover het huis en de windmolen die zich aftekende tegen de lucht. De goed verzorgde huizen werden omgeven door struiken en erachter lagen schaduwrijke tuinen. Hierdoor kon je niet gemakkelijk door priemende ogen opgemerkt worden bij het verzorgen van patiënten. Ik kookte en kweet me zo goed mogelijk van andere taken die ik op me genomen had. Ik werkte efficiënt, rustig en snel. Niemand in het huis wist iets van mijn dubbelleven -mijn kontakten en medewerking met de Ondergrondse. Tijdens de treinreis van Leiden naar Heemstede had Eddie gezegd dat ik belangrijke stukken zou moeten bezorgen en verzenden. (…) Deze werkmethode was opgezet door de aktieve zuster Johanna, de eigenares van het Marishuis, die nog een tehuis voor herstellenden bezat dat een kwartier van ons af lag. Deze energieke en onbevreesde dame was de enige die wist dat ik Joods was.

Het vroegere Marishuis, Marisplein 3 (foto V.C.Klep)

Nadat ik in het huis was geplaatst hoorde ik via de Ondergrondse hoezeer zuster Johanna aktief betrokken was bij het onderduiken van mensen die moesten vluchten.” Met hulp van de illegaliteit is tevens het zestienjarige meisje Nora in het Marishuis ondergebracht als helpster”.

Het door de heer G.Kruiderink van de gemeente Heemstede verstrekte persoonsbewijs

Een verzetsleider in de regio Leiden en Oegstgeest was de reeds genoemde Reinier van Kampenhout, via wie Leesha Rose als koerierster in het verzet kwam om uiteindelijk de verantwoording te krijgen over tientallen joodse onderduikers. Reinier was getrouwd “met een vrouw die goed voor me is”, maar raakte hopeloos verliefd op de donkerharige Leesha (Liesje), hetgeen hem in ernstige gewetensnood bracht, zoals blijkt uit gepubliceerde brieven. “Het is zo moeilijk op het kruispunt van gevoel en verstand te staan” en hij verontschuldigt zich voor zijn liefdesbetuigingen tijdens wandelingen in de HaarIemmerhout. Hij deed ook verslag van zijn belevenissen in Heemstede: “Ik mag niet klagen dat het leven eentonig is. Na tevergeefs te hebben aangebeld bij Herik, liep ik naar de tramhalte op weg naar Heemstede. (,…) Ik nam mijn maandelijkse toewijzing bonkaarten voor mijn ‘patiënten’ mee (wat nog een heel pak was), ging naar de halte ‘lJzeren Brug’ en stapte daar op de tram. Na een paar minuten stopte deze. Vijftien Duitse soldaten haalden alle mannen uit de tram, er ontstond paniek. Toen ik uit de tram stapte dacht ik aan mijn gevaarlijke pakje met illegale bonkaarten … Plotseling maakte ik een snelle, handige beweging. Ik stapte aan de andere kant van de tram uit en ging doodstil tegen de tram staan. Een paar andere mannen stapten ook aan deze kant uit maar zij begonnen te rennen om te ontkomen aan de greep van de Moffen. Helaas begonnen de Moffen te schieten op het moment dat zij begonnen te rennen. De mannen gaven hun ontsnappingspoging op en kwamen terug (…). Alle mannen moesten hun persoonsbewijzen tonen en iedereen tussen de 18 en 50 jaar werd weggevoerd met uitzondering van N.S.B. leden.” Reinier van Kampenhout wist zich te redden door een hartaanval te simuleren.

Amerikaans-Engelse editie van Leesha Rose: The tulips are red.

Amerikaans-Engelse editie van Leesha Rose: The tulips are red.

De Nederlandstalige editie van Leesha Rose: de tulpen zijn rood.

De Nederlandstalige editie van Leesha Rose: de tulpen zijn rood.

Tulips are red verscheen oktober 2012 ook in een Duitstalige uitgave: Tulpen sind rot.

Tulips are red verscheen oktober 2012 ook in een Duitstalige uitgave: Tulpen sind rot.

(1) “Mevrouw Pond was getrouwd met Stein, hij was een jood en natuurlijk ondergedoken. Om moeilijkheden te voorkomen had hij zich laten scheiden. Om haar inkomen te kunnen houden, had zij tweemaal per jaar nodig een attestatie de vita (een bewijs van in leven zijn) van haar man. Zo kon zij toch een inkomen behouden. Ook dat bewijs verzorgde Kruiderink, tot na de oorlog. Op de avond van 20 november ’44 belde bij Kruiderink een meisje aan. Zij was 20 jaar, jodin en zat in grote moeilijkheden. Haar naam was Rosa Bornstein. Zij had een persoonsbewijs nodig en een functie om te kunnen leven. Kruiderink wist raad. Zij kreeg een persoonsbewijs op naam van Bos, Elisabeth, geboren te Amsterdam 18 juli 1922, en van beroep verpleegster. Voorts bracht hij haar in de avond van die dag naar het Marisplein. Daar was een verpleeghuis en daar werd zij aangenomen als verpleegster. Van van dit meisje heeft hij nimmer meer iets gehoord. Totdat de vriendin van zijn dochter, Grieske Swagerman, die na de oorlog naar Amerika was geëmigreerd, hem in een brief het volgende liet weten. In de plaats waar Grieke woonde, had een damescomité haar gevraagd iets te schrijven over de oorlog in Europa welke zij had meegemaakt. Om informatiemateriaal te verzamelen was zij naar de plaatselijke bibliotheek gegaan en daar vond zij het boek “The tulips are red”. Tot haar grote verwondeering kwam zij in dit boek de naam Kruiderink tegen en las zij het verhaal van Leesha Rose; de verpleegster Elisabeth Bos. Zij kon niet nalaten om Kruiderink dit per brief ijlings te berichte, Het boek is al in verschillende talen verkrijgbaar, ook in het Nederlands. Hier heeft het als titel “De tulpen zijn rood”. Kruiderink vond het bijzonder aardig van Grieke en heeft het boek natuurlijk zelf ook aangeschaft. Het is nog niet zo lang geleden dat notaris Voors het feit ophaalde, dat Kruiderink voor Naadje de Hoop (joodse vrouw) haar hulp en steun en toeverlaat was naar de mens gesproken. Hij hield haar in die bange dagen trouw op de hoogte als er enig gevaar te duchten was. (…)”  Aldus een citaat uit de oorlogsherinneringen van M.van Ravenstein, die in 1984 in boekvorm zijn verschenen onder de titel ‘Waarheen gaat….Gij?'”.

Ravenstein 1

Vooromslag van boekuitgave door Machiel van Ravenstein: Waarheen gaat…Gij? 1984, waarin hij zijn verzetsactiviteiten, arrestatie, veroordeling en verblijf in diverse gevangenissen in Nederland en Duitsland beschrijft.

M. van Ravenstein, in het Duitse Langsdorf getekend door Toussaint. Hij werd 12 mei 1941 door Obersturmführer May van de Sicherheitsdienst in 1941 gearresteerd, gelijktijdig met zijn vriend Lambert van Wijk (die de oorlog niet overleefde), en kwam 1 januari 1943 vrij.

RavensteinRheinbach

Tekening van voorzijde cel 164 in Theinbach waar van Ravenstein vastzar. Na zijn arrestatie lwam hij 12 mei 1941 in strafgevangenis Oranje Hotel Scheveningen, is hij in september overgebracht naar de gevangenis Weteringschans te Amsterdam, kwam hij op 4 oktober voor het Kriegsgerecht, kwam hierna in een cel aan de Amstelveenseweg, vandaar naar de gevangenis aan de Pompstationsweg in Scheveningen, vervolgens naar Brauweiler en ten slotte belandend in een cel te Rheinbach.

Artikel van Alice Verwey uit de Heemsteedse Courant van 8 mei 1980

Deel 5, De Heemsteder, 14 juni 1995 In de vorige aflevering is over het levensverhaal van Leesha Rose geschreven, die onder schuilnaam Elisabeth Bos vanuit Heemstede verzetswerk deed. Ook Dolle Dinsdag wordt door haar beschreven. “Het was niet te geloven! Was het eindelijk voorbij? Tegen het middaguur ging als een lopend vuurtje het gerucht dat Rotterdam bevrijd was! Voor het eind van de middag zouden ze hier in Heemstede zijn! Dat was geweldig! Nora en ik oefenden ons schoolengels. Samen met honderden volwassenen en kinderen snelden we naar de grote weg (Herenweg) om de naderende geallieerde troepen op te wachten. Kinderen zongen. Nederlandse volksliedjes, sommige mensen zwaaiden met de Nederlandse vlag, anderen kwamen met bloemen om de geallieerden welkom te heten. (…) Al snel verscheen de Groene Politie en joeg de wachtende menigte uiteen. Onze teleurstelling en neerslachtigheid waren onbeschrijflijk! We hadden ons te vroeg verheugd! We renden vlug naar huis, weer bang voor de dodelijke bedreigingen van de Nazi’s”. Een bittere (honger)winter zou nog volgen. Honger leidde tot een bijna fatale ruzie met haar (Joodse) vriendin Nora. Omdat  ze geen bonnen vond in de tas van Leesha verscheurde ze in een opwelling van woede haar persoonsbewijs en gooide de stukken in de goot. “Mijn persoonsbewijs dat het kritisch onderzoek van de beruchte S.D., de inlichtingendienst van de Gestapo, had doorstaan – mijn paspoort naar de veiligheid – dreef door de riolen van Heemstede. Woedend trok ik mijn tasje uit haar handen en bedwong een driftige neiging om haar in het gezicht te slaan. Ik zei kil: ‘Schandelijk beest!’ Ik draaide me om en liep weg (…) Hoe kon iemand een ander zo kwetsen. En wat erger was, hoe kon de ene Jood die zich goed bewust moest zijn van de gevolgen van zo’n onverantwoordelijke daad dit de andere Jood aandoen?” Later Kreeg Nora spijt van haar ondoordachte daad. Frits schakelde zijn Ondergrondse kontakten in Heemstede in. Op het politiebureau werd Leesha geholpen door een meneer Veen. “Tot m’n grote verrassing kreeg ik al spoedig opdracht om naar meneer Geruiderik – de naam heeft ze niet goed kunnenlezen, bedoeld wordt Kruiderink. HK – op het Heemsteedse gemeentehuis te gaan om een nieuw, legaal persoonsbewijs te halen. Dit was bijna ongelooflijk! Dit betekende dat de Ondergrondse zelfs vertegenwoordigd was bij de officiële instanties en dat de mensen die er werkten er vlak onder de ogen van N.S.B.’ers en Duitsers hun illegale werk deden. Ik verbaasde me over de durf en de vindingrijkheid van ’t Verzet”. Een check in het bevolkingsregister van de gemeente Heemstede leert dat de namen van Elisabeth Bos (haar schuilnaam) en haar joodse collega, ingeschreven op 16 juni 1943 -zonder vermelding van datum vertrek en nieuwe woonplaats – vrijwel zeker door de heer J. Kruiderink zijn doorgestreept. Laatstgenoemde vertelde me dat hij nooit meer iets van joodse meisje had vernomen totdat haar boek in de Verenigde Staten verscheen en de naar Amerika geëmigreerde Griekse Swagerman, een vriendin van zijn dochter, het boek uit de plaatselijke openbare bibliotheek had geleend en hem hierop attent maakte. Wijlen de heer Kruiderink zou veel hebben kunnen vertellen. Gelukkig heeft de heer M. van Ravenstein in zijn publicatie ‘Waarheen gaat… Gij? (1984) enkele voorvallen geboekstaafd, zoals ten aanzien van mevrouw Pond die was gehuwd met de jood Stein voor wie Kruiderink een ‘attestatie de vita’ regelde, en Naadje de Hoop, die hij steeds op de hoogte hield als er gevaar dreigde. In de winter van 1944/1945 werden de rantsoenen steeds kleiner en was men genoodzaakt het Marishuis te sluiten en moesten de patiënten naar familieleden terugkeren. Korte tijd heeft men nog gebruik gemaakt van de Centrale Keuken. Het clubgebouw van de nabijgelegen Koninklijke Roei- en Zeilvereniging Het Spaarne werd als uitdeelpost gebruikt voor eten uit de Haarlemse gaarkeuken ten behoeve van de bewoners der Heemsteedse Schilderswijk. “Nora en ik sleepten iedere dag grote, zware gamellen met stamppot uit de centrale keuken, ook al liet het eten veel te wensen over. Ik sprak zuster Marie moed in en hielp haar het rusthuis draaiende te houden, vooral omdat ik er veilige dekking vond voor mijn ondergrondse werk. (…)  Na langdurige bezinning en overleg besloot zuster Marie het Marishuis een week na nieuwjaar te sluiten. (…) De beslissende faktor was het toenemende gevaar voor onze veiligheid door de onmiddellijke nabijheid van de V1 lanceerterreinen (in Vogelenzang, HK). (…) Het bewustzijn dat we elkaar zouden moeten verlaten maakte dat er in het Marishuis een gedrukte stemming heerste, bij de patiënten, zuster Marie, Nora en mijzelf. Met de wetenschap dat ze elkaar niet meer zouden zien raakten de patiënten hun gewone remmingen kwijt en ze gingen elkaar troosten. Ze vergaven en vergaten hun kleine ruzietjes, jaloezietjes en irritaties.”

Illustratie uit het boek ‘De tulpen zijn rood’ van Leesha Rose

Nora en Leesha verlieten het Marishuis met een fiets aan de hand en al hun bezittingen in een koffer liepen, vanzelfsprekend niet via de hoofdweg, van Heemstede naar Leiden. Eenmaal zijn ze aangehouden door een Nederlandse politieman; wellicht omdat Nora begon te huilen liet hij hen doorgaan. Dankzij Frits van Kampenhout kwam Leesha op een onderduikadres in Oegstgeest, vanwaar ze met geld dat werd verkregen dankzij kontaktpersonen bij het Nationale Steunfonds en met illegaal ontvangen levensmiddelenbonnen een aantal andere onderduikers heeft geholpen. Haar illegaal in Heemstede verkregen persoonsbewijs werd in Leiden door Duitse politieagenten gecontroleerd en redde nogmaals haar leven. Ergens tussen Amsterdam en Apeldoorn ontmoette Leesha in mei 1945 captain l.B. Rose van het Canadese bevrijdingsleger. Deel 6, De Heemsteder, 21 juni 1995 Leesha Rose kreeg nog grote schokken te verwerken, zoals het bericht van de dood van haar leidsman Reinier van Kampenhout. Via het Rode Kruis ontving zij de koele gegevens over de aankomstdatum in Westerbork, deportatie en overlijdensdatum in Auschwitz en Sobibor van haar moeder, vader en beide broers. “Voor ieder van hen drie regeltjes als grafschrift. Terwijl ik naar het papier keek welde in mij een golf van wilde haat op. De letters en cijfers ontstaken een vuur in mij dat me verteerde met een folterende pijn die ik nooit eerder had gevoeld.” Om voort te kunnen leven heeft Leesha Rose haar gevoelens van verdriet hermetisch als in een kluis opgesloten, nimmer pratend of lezend over de Holocaust. Eerst stortte zij zich op de studie medicijnen aan de Universiteit in Amsterdam. Tevens hielp ze Joodse ‘displaced persons’ de grens te passeren op weg naar Israël (toen nog Palestina). Om het pijnlijke verleden te verwerken werkte ze hard. “Mijn energie kende geen grenzen”. De studie en andere activiteiten gaf ze op om januari 1947 in Canada in het huwelijk te treden met lsaac B. Rose. Na 25 jaar begon zij te ontwaken en op aandringen van hun kinderen heeft ze haar levensverhaal op schrift gesteld, als ooggetuige en overlevende, mede omdat ondanks de overvloedige bewijslast sommigen de Holocaust als een bedenksel ontkennen. Haar nieuwe naam is die van haar man, maar Leesha herinnert aan de naam Elizabeth die ze in de oorlogsjaren als schuilnaam in Heemstede en Oegstgeest droeg. Leesha Rose woont nu in Israël waar zij rondleidingen verzorgt voor Yad Vashem. Medio februari 1995 kwam zij nogmaals wereldwijd in het nieuws omdat orthodox-joodse burgers de schokkende foto’s van naakte slachtoffers in de concentratiekampen willen doen verwijderen. Leesha Rose heeft zich tegen wil en dank in een verbitterde discussie gemengd en meent dat deze afbeeldingen niets met seks te maken hebben en ontering van de nagedachtenis der slachtoffers betekenen. “Als overlevende zou ik juist zeggen dat de hele wereld moet weten wat er is gebeurd. Kijk naar de stapels skeletten, allemaal naakt. Willen ze dat achter een gordijn verbergen? Willen ze het ontkennen? Daarmee bewijzen ze alleen maar een dienst aan mensen die zeggen dat er nooit vernietigingskampen hebben bestaan. Die kunnen dan zeggen: Yad Vashem heeft die foto’s weggehaald en daaruit blijkt dat de Duitsers nooit systematisch joden hebben vermoord. Hoe kunnen wij als joden dat doen? Dit zijn de originele foto’s en die moeten we laten zien.” (Haarlems Dagblad, 15 februari 1995).

Begon oktober 2013 bracht Harald van Perlstein uit Heemstede een bezoek aan de 9-jarige Leesha Rose in verzorgingshuis Beith Barth in Israël (foto Albert pappenheim)

Begon oktober 2013 bracht Harald van Perlstein uit Heemstede een bezoek aan de 91-jarige Leesha Rose in verzorgingshuis Beith Barth in Israël (foto Albert Pappenheim)

Leesha Rose tekent haar boek 'The tulips are red' (foto Albert Pappenheim)

Leesha Rose tekent haar boek ‘The tulips are red’ (foto Albert Pappenheim)

Als schenking ontving de Heemsteedse Bibliotheek de biografie van Tom Gehrels: ‘On the glossy sea’ (1988). De astronoom Tom Gehrels, geboren als zoon van een landbouwer in de Haarlemmermeer; heeft als wetenschappelijk onderzoeker, o.a. voor NASA, naam gemaakt en is hoogleraar in Tucson (USA) en Ahmedabad (India). Een deel van de bezettingstijd beleefde hij in zijn ouderlijk huis, Crayenestersingel 18 te Heemstede, waar hij o.a. Dolle Dinsdag meemaakte zoals hij in zijn boek beschrijft. In de 340 bladzijden tellende publicatie gaat hij in op het aangrijpende boek ‘The Tulips are Red’ van zijn vroegere plaatsgenote Leesha Rose, een verhaal van lijden, maar ook van strijd en verzet. In het hoofdstuk ‘Oorlog en Verzet’ noteert Gehrels: “Mijn ouders wilden niet in het gebied blijven dat door de Duitsers onder water zou kunnen worden gezet, gescheiden van hun twee zonen en boerderijen in het westen, daarom verhuisden we naar Heemstede, ten zuiden van Haarlem, waar ik de middelbare school vervolgde.” Over Tulips in Red en Leesha Rose: “Toen de Duitsers voor de derde maal joden oppakten, deed zich een geweldige ontsnapping voor die uit louter spanning in haar boek gelezen moet worden. Dit keer kwam zij in kontakt met de Nederlandse Ondergrondse en werkte enkele jaren samen, voornamelijk in Heemstede, onze gemeente. Het is een indrukwekkend verhaal van heldendom en lijden. Zij geeft complimenten aan de hulp die zij van niet-joodse Nederlanders ontving, maar dit blijkt al te edelmoedig, omdat we zoveel meer hadden kunnen doen: ik heb een gevoel van schuld en nalatigheid, maar wellicht hebben we ons door de Duitsers in de luren laten leggen aangezien zij het kwaad gaandeweg hebben weten op te voeren.” [Artikelenserie in 6 delen verschenen in mei-juni 1995 in weekblad ‘De Heemsteder’. Met dank aan Marloes van Buuren] Hans Krol

Februari 1943 in alle Nederlandse kranten gepubliceerde beschikking het verbod voor Joden te wonen in Haarlem en omgeving + Voorschoten en zich in Amsterdam te melden.

Februari 1943 in alle Nederlandse kranten gepubliceerde beschikking het verbod voor Joden te wonen in Haarlem en omgeving + Voorschoten en zich in Amsterdam te melden.

Hulp aan Joden: N.K.J. van Waas en echtgenote

N.K.J.van Waas, 11 januari 1945 overleden in concentratiekamp Neuengamme

Iemand die zich inzette voor Joodse medeburgers was de heer Nicolaas K.J.van Waas, evenals trouwens zijn echtgenote, mw. Wilhelmina Frederika van Waas-de Bock.

Deel van persoonsbewijs van mevrouw W.F.van Waas-de Bock

Hij is op 30 december 1866 in in Gouda geboren, was hoofdverpleger bij de Landmacht en vervolgens op het belastingkantoor te Haarlem. In Heemstede woonde hij op het adres Havenstraat 34. Hij hielp met zijn vrouw veel joden aan een veilig onderkomen. Regelmatig had men Joodse onderduikers in huis. Met sommigen kreeg men problemen, omdat men veeleisend was zoals extra eten wilde of een extra bed wanneer de vrouw onrein was. Van Waas was lid van een verzetsgroep en betrokken bij de verspreiding van illegale bladen. Mevrouw W.F.van Waas-de Bock werd op de Grote Markt in Haarlem met een joods meisje opgebracht en is in 1943 enige maanden in kamp Vught vastgehouden.

Archiefstuk betreffende mw. Van Waas-de Bock uit het Van Waas-archief

De heer van Waas is op 15 april 1944 op zijn onderduikadres door de SD gearresteerd en in kamp Amersfoort geïnterneerd. Vandaar is hij naar concentratiekamp Neuengamme overgebracht, waar hij op 11 januari, naar werd medegedeeld “aan hartzwakte” is overleden. —————————————————————————————- Johan Limpers (1915-1944) is op 2 augustus 1915 geboren in Heemstede (Oosterlaan) en was leerling van de Voorwegschool. Van 1923 tot 1928 woonde hij vervolgens in een pand van de door ‘Heemstede’s Belang’ gebouwde nieuwbouwhuizen: Bosboom Toussantlaan 37. Limpers was een veelbelovend beeldend kunstenaar, leerling van professor Bronner. In 1940 onderscheiden met de Prix de Rome voor de versierende en monumentale beeldhouwkunst. Bekend vanwege het beeldje ‘Eva’. Vanaf 1940 was hij actief in het kunstenaarsverzet en droeg bij aan het illegale blad ‘De Vrije Kunstenaar’. Hij verleende hulp aan Joodse onderduikers door hen te voorzien van onderduikadressen en verder vervalste hij persoonsbewijzen. Op 3 april 1944 is Limpers door de Sipo gearresteerd in Amsterdam. Als verzetsstrijder is Johan Limpers op 10 juni 1944, tezamen met andere legendarische figuren als Gerrit Jan van der Veen, Frits van Hall, Cor Teeseling en Anne op ’t Land door de Duitsers gefusilleerd in de duinen bij Overveen. Herbegraven op de Erebegraafplaats in Bloemendaal. In 1954 is in Haarlem naar hem vernoemd het Johan Limpersplantsoen Johan Limpersstraat en in 1988 een tehuis voor senioren, de Johan Limpershof. Ook in Amsterdam is een straat naar hem vernoemd.

Johan Limpers (1915-1944)

Graf van verzetsstrijder Johan Limpers op de Erebegraafplaats in Bloemendaal

Beeld van Eva in het Hofje van Oorschot te Haarlem [foto Christien]

Door Johan Limperrs in 1940 vervaardigd beeld en in 1969 aangekkocht ter herinnering aan deze beeldbouwer/verzetsman. Geplaatst in de Johan Limpersstraat te Amsterdam. Vooorgesteld is Kora, dochter van Zeus.

Door Johan Limpers in 1940 vervaardigd beeld en in 1969 aangekocht ter herinnering aan deze beeldbouwer en verzetsman. Geplaatst in de Johan Limpers- straat te Amsterdam. Vooorgesteld is Kora, dochter van Zeus.

—————————————————————————————-

De heer I.C.Barnstein en zijn familie ondergedoken bij Frans Muriloff, Roemer Visscherplein 15, Heemstede. Andere familieleden Barnstein kwamen om in de vernietigingskampen.

Marga Minco en ‘Het bittere kruid’; haar onderduikverblijf in Heemstede

Marga Minco en haar vriendin Tientje Louw op de Res Novabrug nabij haar onderduikverblijf in Heemstede, voorjaar 1944

De schrijfster Marga Minco werd op 31 maart 1920 in Ginniken geboren, als dochter van orthodox-joodse ouders. Het gezin moest tijdens de oorlog naar Amsterdam verhuizen. Haar vader en moeder werden via Westerbork naar het vernietigingskamp Sobibor getransporteerd. Ook haar zuster en zwager, broer en schoonzuster werden weggevoerd. Marga Minco dook onder met een vals persoonsbewijs. Na een periode bij een daglonersgezin in Nieuw-Vennep (Haarlemmermeer) kwam zij op aanraden van een vriend terecht in Heemstede.  In ‘De Rommelpot’ – een voormalige wasserij van Van der Weiden bij de Blekersvaart waar een pottenbakkerij van Henk Koolhaas (1) was gevestigd – bij een groep semi-artistieke mensen die van de oorlogstijd nog het beste trachtten te maken door intensief met elkaar om te gaan, te praten, te feesten zelfs. Haar latere echtgenoot, de schrijver Bert Voeten, die ze sinds 1938 uit Breda kende, voegde zich hier bij haar (2). Marga Minco schreef hierover in ‘Het bittere kruid’ dat in 1957 verscheen en sedertien meer dan dertig drukken beleefde en is vertaald en verfilmd. In dit boek schrijft ze:”Later, toen we in Heemstede langs een smalle vaart liepen, wees Wout naar een laag, oud huis. ‘Kijk’, zei hij, ‘hier is het. Je zult er volkomen veilig zijn.’ We gingen een bruggetje over met een ijzeren hek. Een lang blond meisje in een overall kwam ons tegemoet. Ik zei mijn naam, mijn nieuwe naam.” (1) In 1939 door keramisch kunstenaar H.J.Koolhaas opgericht en vanwege de ligging nabij het Haemstedeplein ‘Potterie Haemstede’ genoemd – na de oorlog verhuisd naar Amsterdam. (2) In februari 1944 dook Bert Voeten onder in de pottenbakkerij van Koolhaas, waar Marga Minco al een schuilplaats had. Ze sloten er vriendschap met tekenares Tientje Louw die hier als pottenbakster werkte. In Heemstede schreef Voeten het poëtisch pamflet ‘Babylon herhaald’, een aanklacht tegen de jodenvervolging. Het verscheen illegaal in Den Bosch in 60 gestencilde exemplaren, van een omslag voorzien door Tientje Louw. In juli/augustus 1944 toen de situatie in Heemstede te gevaarlijk werd geacht zijn Marga Minco, Bert Voeten en Tientje Louw [later getrouwd met dichter Gerrit Kouwenaar] ondergedoken in een leegstaand huis aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam (informatie Piet Calis). In een gesprek met Elisabeth Lockhorn, gepubliceerd in OPZIJ-WAD-Mediabank (1-11-1998) vertelde Marga Minco onder meer:  “Louis van Gasteren woonde in het huis op de Kloveniersburgwal dat mijn laatste onderduikadres was. Een huis vol kunstenaars. De groep was een voortzetting van mijn onderduikadres in Heemstede. Daar heb ik Tientje ontmoet, Tientje Louw. In het laatste hoofdstuk van Het bittere kruid, net voor de epiloog, beschrijf ik hoe ik een bruggetje over ga en bij een oude boerderij arriveer. Een lang meisje met lange blonde haren komt me tegemoet, gekleed in een overall. Dat was Tientje. Ze werkte daar omdat ze pottenbakker wilde worden. Ze kon ook prachtig tekenen, is later naar Frankrijk gegaan, heeft lang voor Le Soir getekend. Ze hielp me zoals je een onderduiker helpt die berooit aankomt. Het was een nest van verzet. Er kwamen veel kunstenaars en studenten. Er werden verhalen verteld, er werd geschilderd, muziek gemaakt. Na al die jaren van angst, voelde het als een bevrijding. Ik heb Bert Voeten gebeld, die is gekomen en al gauw gebleven. Ik had een vervalst persoonsbewijs en was lichtblond in die tijd. Ik ging gewoon naar buiten, zelfs naar lezingen. Werpt een kritische blik op mij: ‘Jij, jij zou meteen zijn aangehouden met die donkere krullen. Ik was roekeloos, het kon me niets meer schelen toen iedereen weg was. Soms draaiden Duitse soldaten zich op straat lachend naar me om, maar ik zorgde er wel voor dat ze me niet te dichtbij kwamen en mijn scheiding konden zien. Toen de grond in Heemstede te heet onder de voeten werd, zijn we met z’n allen naar Amsterdam verhuisd naar de Kloveniersburgwal.’ Bert en ik woonden op de tweede verdieping. Op de bovenste etage zat Tientje met haar geregelde vrienden, later met Gerrit Kouwenaar met wie ze trouwde.(…)”

Portret van Marga Minco (foto Eddy Posthuma de Boer)

Portret van Marga Minco (foto Eddy Posthuma de Boer)

Schrijven van Marga Minco, 31 juli 1980

Schrijven van Marga Minco, 31 juli 1980

.

Handschrift van Marga Minco

Handschrift van Marga Minco

Het was Udenaar Sieger Postuma die in 2003 de Israëlische Yad Vashem onderscheiding ontving. Tijdens de oorlog hielp hij Joodse mensen aan valse papieren. Als ambtenaar in het Friese Bergum was hij tijdens de Tweede Wereldoorlog verantwoordelijk voor het verstrekken van paspoorten. Op 15 oktober 1943 kreeg hij een seintje om een 23-jarige vrouw te helpen. Dat was Marga Minco. Zij zat op dat moment ondergedoken bij een pottenbakker in Heemstede en wilde verhuizen naar Amsterdam. ‘Ik heb haar toen aan valse papieren geholpen. Vanaf toen heette ze Fimkje Kooi. Ze blondeerde nog haar haren om niet op te vallen’ herinnert de verzetsman zich. Dertig jaar later kwam Postuma er door toeval achter dat hij in de oorlog de later bekend geworden schrijfster Marga Minco heeft geholpen. Onder het indentiteitsbewijs staat zijn handtekening. Het was Marga Minco die de onderscheiding aanvroeg en zij was ook bij de uitreiking aanwezig. (De Gelderlander, 2 december 2003).

—————————————————————————————

De Patriot/2  en The (Dutch) Times (1) In Heemstede zijn tussen 1943 en 1945 niet minder dan 11 illegale bladen verschenen. Bij minstens twee daarvanwaren ook Joodse personen betrokken, te weten 1) De Patriot, verschenen tussen 1 augustus 1944 en 8 juni 1945. Dagelijks gestencild in een oplage van 30 tot in mei 1945: 6.200. Eind 1942 werd te Heemstede dit getypt buurtbad verspreid door J.J.Nieuwendijk (Raadhuisplein 21), H. de Beer en de medisch student L.A.Cats, een joods onderduiker ten huize van de heer en mevrouw Tol, Crayenestersingel 19. Deze familie heeft jaren lang vijf joodse onderduikers verborgen, maar was ook nog bereid het risico op zich te nemen in het huis de vrije zenders via de radio voor De Patriot te beluisteren. Verder werkten mee aan de vervaardiging, de heer N.K.J.van Waas, een ex-sergeant-majoor-hoofdverpleger en schrijver bij de Directe Belastingen in Haarlem, met zijn echtgenote en moeder. Hij is 15 april 1944 door de SD gearresteerd en vanuit kamp Amersfoort overgebracht naar Neuengamme, waar hij op 11 januari aan ‘hartzwakte’ is overleden. 2) The Dutch Times en The Times zijn twee namen voor één en dezelfde uitgave. Deze lokale uitgave van Vrij Nederland werd geredigeerd door H.M.Mos (Frederik van Eedenplein 12), A. Moorman (Vondelkade 7) en K. de Vries, een ondergedoken zakenman uit Amsterdam. Volgens mr.R.H.A.J.Everard werd dit illegale blad in Heemstede geredigeerd en van daaruit ook in Aerdenhout verspreid, dagelijks vanaf 18 oktober 1944 tot mei 1945. De oplage bedroeg circa 500. (1) Uitvoerige informatie in: De Ondergrondse Pers in Heemstede 1940-1945. Catalogus met toelichting. Gemeentelijke Openbare Bibliotheek Heemstede, 1985.

—————————————————————————————–

De jeugdjaren van Paul Oppenheimer in Heemstede

Vooromslag van het in 1991 verschenen en vele malen herdrukte boek door Paul Oppenheimer

Achteromslag van het boek geschreven door Paul Oppenheimer

Omgebrachte familieleden Oppenheimer. Appendix uit: From Belsen to Buckingham Palace.

Omgebrachte familieleden Oppenheimer. Appendix uit: From Belsen to Buckingham Palace.

Rudi en Paul Oppenheimer met hun fietsje voor het huis in de Jacob Vermeerstraat in Heemstede

Rudi en Paul Oppenheimer met hun fietsje voor het huis in de Jacob Vermeerstraat in Heemstede

Paul Oppenheimer

Paul Oppenheimer terug in Heemstede in 1970. Hier stat hij tweede van rechts tussen de vroegere schoolkameraden Bob Luif, Jurjen Camello en Jan ter Hagen. Ook op de foto: goede vriendin Ati von Glahn-Yzer en in het midden Pauls vrouw Corinne (foto MvdL, Haarlems Dagblad)

Mevrouw Ati von Glahn-Yzer deed in 2001 onderzoek naar de bewoners van de Johannes Vermeerstraat en omgeving in de jaren 1940-1945. Tenminste acht joodse medeburgers die in deze Heemsteedse straat in de Schilderswijk woonden zijn uiteindelijk omgekomen in de vernietigingskampen van Auschwitz, Mauthausen, Sobibor of Bergen-Belsen. In het Spaarnekwartier hebben zich na 1933 talrijke gevluchte Duitse Joden gevestigd.  De Johannes Vermeerstraat werd eind jaren 30 soms wel het Jeruzalemstraatje genoemd. Voor zover kon worden nagegaan overleefden minstens 8 joden wèl de oorlogsperiode, onder wie Richard Egon Culp en Hedwig Culp-Oswald (J. Vermeerstraat 7) evenals de broers Paul en Rudolf (Rudi) Oppenheimer en hun zuster Rachel Eve Dorothy Oppenheimer. [Paul Oppenheimer is 8 maart 2007 overleden met op 9 maart een uitvaartdienst in Birmingham, maar Rudi houdt anno 2015 zijn lezingen zonder ophouden]. Hun beide ouders kwamen om, te weten vader Johann (Hans) Felix Robert Oppenheimer (Bergen-Belsen, 20-3-1945) en moeder Friederike (Rita) Oppenheimer, geboren Fürst (Bergen-Belsen, 17-1-1945). Voornoemde Paul Oppenheimer, die het kamp Bergen-Belsen overleefde is na een wetenschappelijke carrrière in Groot-Brittannnië o.a. koninklijk onderscheiden.  Geboren op 20 september in Berlijn-Charlottenburg vluchtte zijn familie vanwege de nazi-bedreigingen naar het buitenland en heeft men van september 1936 tot oktober 1940 gewoond “in a rural and pleasant area of Heemstede”. In zijn in Engeland vooral onder scholieren populair geworden boek ‘From Belsen tot Buckingham Palace’, dat vele herdrukken beleefde, is een hoofdstuk aan deze periode gewijd, o.a. aan de twee jaar op de Bronsteeschool en vanaf 1938 de nieuwe Crayenesterschool. Gesproken wordt van “four of the happiest years of my life”.

Van Paul Oppenheimer bewaard gebleven schoolrapporten uit v.l.n.r. Berlijn, Heemstede (Bronsteeschool), London en Naarden.

Daar kwam verandering in toen de Duitsers Nederland bezetten. Zoals voor meer Joden gold verhuisde men in oktober naar Naarden in het Gooi (tot mei 1942) waarna een gedwongen verblijf naar Amsterdam volgde, daarna het doorgangskamp Westerbork en ten slotte van februari 1944 tot april 1945 het kamp Bergen-Belsen. Het Britse leger heeft daar op 15 april de overlevenden bevrijd. Paul Oppenheimer ontmoette ik tweemaal in Heemstede. Hij is maart 2007 in Birmingham, maar zijn echtgenote woont nog in Solihull, West Midlands. Het door hem nagelaten boek geeft een chrononologische levensbeschrijving te beginnen met Berlijn, vervolgend in Londen, Heemstede, Naarden, Amsterdam, Westerbork, Bergen-Belsen, Tröbitz, Leipzig, Maastricht [‘Un-welcome home’], Laren, Londen, Birmingham en ten slotte Solihull.

Borden voor Joden verboden waren geplaatst in Groenendaal en de Haarlemmerhout

Borden ‘Voor Joden verboden’ waren geplaatst in Groenendaal en de Haarlemmerhout

Moeder F.Oppenheimer-Fürst en haar drie kinderen Ruzzi, Eve en Paul Oppenheimer voor het huis in de Johannes Vermeerstraat 11 (1937)

Paul Oppenheimer (met bril) en Rudi Oppenheimer, beiden vooraan in het midden met studenten uit Warwick nabij Royal Leamington Spa op Holocaust-reis in 2001 bij hun bezoek aan de bewoners van Johannes Vermeerstraat 11 in Heemstede.

Paul Oppenheimer (met bril) en Rudi Oppenheimer, beiden vooraan in het midden met studenten uit Warwick nabij Royal Leamington Spa op Holocaust-reis in 2001 bij hun bezoek aan de bewoners van Johannes Vermeerstraat 11 in Heemstede.

Oppenheimer

                Paul Oppenheimer, 15 augustus 2005 voor de laatste maal terug in Heemstede

Paul Oppenheimer tijdens zijn laatste bezoek aan Heemstede in augustus 2005, hier gefotografeerd bij restaurant Groenendaal met Hans Krol (rechts).

Oud-Heemstedenaar Paul Oppenheimer bij zijn laatste bezoek aan Heemstede in augustus 2005, hier gefotografeerd bij restaurant Groenendaal met Hans Krol (rechts).

V.l.n.r. Eve, Paul en Rudi Oppenheimer. Paul Oppenheimer overleed 8 maart 2007. Daarmee zijn anno 2015 zijn zuster Eve en broer Rudi, allebei woonachtig in Engeland, de laatste overlevenden van de Duitse kampen, voordien woonachtig in Heemstede.

V.l.n.r. Eve, Paul en Rudi Oppenheimer. Paul Oppenheimer overleed 8 maart 2007. Daarmee zijn anno 2015 zijn zuster Eve en broer Rudi, allebei woonachtig in Engeland, de laatste overlevenden van de Duitse kampen [in dit geval Bergen Belsen], vroeger woonachtig in o.a. Heemstede, tegenwoordig in Engeland.

Rudi Oppenheimer die Bergen Belsen overleefde houdt in 2015 nog altijd lezingen op scholen in Engeland. Op onderstaande foto toont hij zijn bewaarde Jodenster (Express)

 

Rudi

————————————————————-

Voorbeeld van Joodse onderduikers die na de bevrijding opduikers genoemd werden. H.J.van Beem uit Heemstede (Paraat, 6 mei 1945).

Voorbeeld van Joodse onderduikers die na de bevrijding opduikers genoemd werden. H.J.van Beem uit Heemstede (Paraat, 6 mei 1945).

———————————————————————————————–

Gustav Wolf en Julie Amalie Wolf-Straus vermoord in Auschwitz Julie Amalie Wolf-Strauss is geboren op 16 februari 1880 geboren in Frankfurt am Main. In 1906 is zij aldaar getrouwd met Gustav Wolf, op 25 februari 1873 geboren in Bickenbach. Vanuit Frankfurt am Main vestigde het echtpaar zich op 6 april 1939 in Heemstede op het adres Camplaan 26 bij het gezin van hun zoon (1). Daarna volgden nog twee adressen in Heemstede, achtereenvolgens Herenweg 158 en Lentelaan 8. Per 4 oktober 1940 zijn zij verhuisd naar Nijmegen. Hun huis werd op 20 april 1943 ontruimd. In het bevolkingsregister is per 19 december 1942 genoteerd “Vertrokken naar het buitenland” De heer Wolf en mevrouw Wolf-Strauss waren toen al op 27 november 1942 overleden in vernietigingskamp Auschwitz.

Gustav Wolf (1873-1943)

Julie Amalie Wolf-Strauss (1880-1943)

(1) Dat was Hans Gabriel Wolf (1906-1947), die gehuwd was met Hertha Martha Herkner, een niet-joodse vrouw. Dankzij dit gemengde huwelijk overleefde hij de oorlog. Bronnen: Oorlogsdoden Nijmegen 1940-1945 en Bevolkingsregister gemeente Heemstede.

——————————————————————————————

Het lot van mevrouw La Chapelle – Johanne Hedwig van Straaten Mevrouw Johanne Hedwig van Straaten is op 17 februari 1891 in ‘s-Gravenhage geboren. Zij trouwde in 1912 met Ph.C.la Chapelle, in 1924 werd het huwelijk ontbonden. Ondanks de echtscheiding hield zij de naam La Chapelle aan. In 1937 kocht zij het pand Binnenweg 91, tot dan eigendom van H.J.Pistorius die op dat adres een boek- en kunsthandel dreef. In Heemstede woonde zij aanvankelijk in de Antonis Duycklaan en in 1939 verhuisde ze naar Meindert Hobbemastraat 25. In 1939 heeft zij de naam van de boekenzaak gewijzigd in ‘Kennemerland’.

Advertentie van boekhandel Kennemerland in Heemstede uit 1939

Advertentie van boekhandel Kennemerland in Heemstede uit 1939

Soms komt ook de naam ‘Hedwig’ voor, haar voornaam. Mevrouw De la Chapelle-van Straaten was joods maar beleed het remonstrantse geloof. Op 17 oktober 1941 is zij in het Heemsteedse bevolkingsregister uitgeschreven en per 25 november van dat jaar is zij geregistreerd in ’s -Gravenhage waar zij oorspronkelijk vandaan kwam met als huisadres Frederikstraat 157. Op een onbekend tijdstip is zij via Westerbork op transport gesteld. Daar is ze, zoals blijkt uit een aantekening op de bevolkingskaart, overleden op 12 mei 1945 in Theresienstadt. Het in Tsjechoslowakije gelegen concentratiekamp was vier dagen eerder bevrijd door het Russiche Rode Leger. Mevrouw van Straten is waarschijnlijk overleden als gevolg van ontberingen en uitputting. Haar jongere zuster Marie Mathilde van Straaten, geboren in 1897, woonde van 1940 tot eind 1941 op de bovenverdieping van Binnenweg 91. Zij kwam om op 21 januari 1943 in vernietigingskamp Auschwitz. Hun namen zijn opgenomen in een ‘In Memoriam’ lijst, in 1995 in Heemstede samengesteld. ————————————Een Joodse onderduiker in het verzet: Jacob Lopes de Leao de Laguna (1901-1942) gestorven in concentratie kamp Sachsenhausen in Oranienburg Jacob (Jaap) Lopes de Leao de Laguna was een zoon van Baruch Lopes de Leao [1864-1943, was kunstschilder en is in Auschwitz vermoord] en Frederika Crost [1875-1942 in Auschwitz vermoord]. Hij is geboren in Amsterdam op 21 oktober 1901, was van Portugees-Joodse afkomst en woonde in 1941 ondergedoken in Heemstede op het adres Zandvoortselaan 177, waar in de oorlogsperiode een filiaal was gevestigd van bakkerij Franken en bovendien mevrouw A.Verhoog-Helders woonde. Hij was was bij de mobilisatie Reserve Kapitein Infanterie als ex-militair, fabrikant in Amsterdam en in het verzet lid van de O.D. [= Orde Dienst, een belangrijke illegale organisatie].  Hij werkte voor meedere illegale inlichtingendiensten en geldt als mede-oprichter van Het Parool. Als zodanig stond hij in contact met o.a. mr. Maurits Kann (journalist bij ‘de Groene Amsterdammer’), Koos Vorrink, professor Mekel, professor Schoemaker (allebei hoogleraar in Delft), J.G.A. van Medenbach de Rooy en Broeder Joseph Klingen. Jacob Lopes de Leao maakte deel uit van de zogeheten ‘Naardense groep’ [ofwel ‘Bilthovense groep’ als woonplaats van Van Medenbach de Rooy] en werkte voornamelijk illegaal in regio het Gooi evenals in zijn tijdelijke woonplaats Heemstede en omgeving. Ab Lopes de Leao, een broer van Jacob, en eerste koerier is al tijdens de razzia’s in februari 1941 door Duitsers gearresteerd en na een week aan ‘longontsteking’ overleden. Jacob Lopes de Leao is bijna gelijktijdig met Broeder Joseph, Maurits Kann (uit Bussum) en Schuylenburg (voormalig Amsterdams politieagent) op 26 mei 1941 in Heemstede aangehouden terwijl men gezamenlijk in bespreking was, aldus Otto Haubrock van de Sicherheitspolizei in Den Haag in een verklaring van 20 december 1947 [dossier Van der Waals] die bij de arrestatie aanwezig was (1). Verraden door de achteraf beruchte Anton van der Waals, de V-mann van Schreieder [SS’er, Gestapo-chef, hoofd van de Duitse militaire inlichtingendienst]. Eerst was men in het Broederhuis aan de Herenweg geweest om Broeder Joseph te arresteren. Lopes is van andere arrestanten rond Broeder Joseph afgezonderd en is met 33 andere personen uit de zgn. Naardense verzetsgroep bij het Maastrichtse O.D.proces voor Nederlandse ex-militairen berecht (2). Tot eind augustus 1941 bleef hij in gevangenis Oranjehotel in Scheveningen. Vervolgens is hij ongeveer drie maanden geïnterneerd geweest in kamp Amersfoort en vervolgens teruggekeerd naar Scheveningen. Met anderen naar kamp Sachsenhausen overgebracht is Jacob Lopes de Leao aldaar op 11 mei 1942 omgekomen. Korte tijd daarvoor was al mr. Maurits Kann op 29 maart 1942 in Sachsenhausen aan uitputting overleden. (1) M.de Keizer, schrijfster van een boek over Het Parool: ‘Verzetsblad in oorlogstijd’ schrijft daarenetegen over arrestatie van Kann, Lopes de Laguna en “een koerier van Koos Vorrink” [= Schuijlenburg] “op het station in Haarlem”. (2) Van hen zijn er 24 gefusilleerd dan wel in een concentratiekamp omgekomen. In een boek van G.Poorter: Verzetspioniers. Deventer 1995, schrijft de auteur op basis van bestudering van processtukken over Jacob Lopes de Leao onder meer: “Geb. Amsterdam, 21 oktober 1901. Hij was aldaar fabrikant en woonachtig te Heemstede. Hij was reserve kapitein bij de infanterie en werd op 26 mei 1941 gearresteerd. Hij verzamelde berichten en maakte tekeningen van te bombarderen objecten. Petrus Josephus Maria Kuntz, sergeant bij de Luchtdoel Artillerie in zijn geboorteplaats Zaandam en gearresteerd op 28 maart 1941, transporteerde deze zaken naar J.G.A. van Medenbach de Rooy. Lopes de Leao had verbindingen met groep ‘Broeder Joseph’.

Ofschoon niet officieel in Heemstede ingeschreven geweest bevindt zich toch een vermelding in het bevolkingsregister, waarin overigens niet alle gegevens kloppen. Op een vervolgblad is sprake van een kind: Renée Lopes de Leao, geboren 12 april 1931. Voorts de volgende aantekening betreffende Jacob Lopes de Leao: “Plaats van overlijden onbekend. Volgens opgave van het Feldgericht des kommandierenden Generals und Befehlhabers im Luftau Holland is betrokkene gefusilleerd.” In het archief van Heemstede zijn verder geen overlijdensstukken aanwezig.

—————————————————————————————–

Leonard Baruch (23 oktober 1905 – 7 maart 1978)

Een joodse Haarlemmer/Heemstedenaar, geboren in Amsterdam, die de Tweede Wereldoorlog overleefde was Leonard Baruch. Dit in tegenstelling tot o.a. zijn vader Isaac Haim [omgekomen in Theresienstadt] en zuster Selly [28-2-1945 in onbekend kamp Midden-Europa overleden]  In 1932 heeft hij zich als apotheker in Heemstede gevestigd en opende aan de Zandvoortselaan 164 (later op nummer 162) de zogeheten – nog altijd bestaande ‘Aerdenhout Apotheek’ . Baruch overleed aldaar op 7 maart 1978. In zijn Haarlemse jeugd was Leonard een verwoed amateur-fotograaf. Zijn bewaard gebleven negatievencollectie is in 1992 is geschonken aan de Historische Werkgroep Haerlem.  De heren Marcel Bulte en Wim Post hebben hiervan een fotoboek samengesteld onder de  titel ‘Haarlem: Verdwenen Stadsbeelden; de Collectie-Baruch’ (Haarlem, Schuyt, 1993).

Schrijven van de burgemeester van Heemstede de dato 24 maart 1942 aan de heer H.Baruch, Zandvoortselaan 164.

——————————————————————————————— Familie Stopper

De familie Stopper, afkomstig uit Polen kwam via Bochum naar Amsterdam. Woonde tijdens de oorlog op het adres J.Perklaan 3. Op deze foto staat Osias/Isaac Stopper met familieleden o.a. broers en zwagers. Op 31 december V.O.W. Op 15 september 1935 teruggekeerd in Heemstede. Drie familieleden Stopper zijn omgekomen in Auschwitz en Sobibor (foto Yad Vashem)

De familie Stopper, afkomstig uit Solotwina in huwelijk, via huwelijk in Bochum naar Amsterdam verhuisd. Woonde tijdens de oorlog op het adres J.Perklaan 3. Op deze foto staan Osias/Isaac Stopper en een aantal familieleden, zoals vrouw, zoon en broers + zwagers. Op 31 december V.O.W. Op 15 september 1945 teruggekeerd in Heemstede. Drie familieleden Stopper zijn omgekomen in Auschwitz en Sobibor (foto Yad Vashem)

Yad Vashem-onderscheiding postuum voor echtpaar Lugtigheid-Bijsterveld In mei 2008 zijn de heer Johannes Lugtigheid en mevrouw Elisabeth Lugtigheid-Bijsterveld postuum geëerd met een Yad Vashem onderscheiding. Ouderling Lugtigheid van de Nederlands Hervormde Kerk en zijn echtgenote lieten in april 1944 in hun Heemsteedse huis een Joods meisje Bep Gerritse onderduiken, die daarmee de oorlog overleefde. De heer Lugtigheid was glasschilder van beroep en woonde op het adres Rijnstraat 16. Behalve aan o.a. Godfried Bomans (postuum) en voorgesteld door Sara Teebooom aan Hendrikje van Daalen-Terpstra (postuum) is de Israëlische Yad Vashem onderscheiding ook toegekend aan Willemiena (Mien) Bouwman (1920 – 3 maart 2007 Bennebroek) vanwege haar hulp bij het onderbrengen van Joodse kinderen tijdens de bezettingsjaren. Zij was ook betrokken bij oprichting en verspreiding van het illegale blad Trouw, na de oorlog voortgezet als dagblad. De enige naoorlogse onderscheiding die zij ooit heeft aanvaard voor haar verzetswerk was: Yad Vashem. Voorts ontving ook Gezina van der Molen (1892- Aerdenhout 9 oktober 1978) deze onderscheiding postuum voor het onderbrengen van Joodse kinderen om deportatie te voorkomen. Haar schuilnaam was ‘Tante Lien’.  Zij redde kinderen uit het Joodse kinderhuis in de Plantage Middenlaan tegenover de Hollandse Schouwburg door hen onder te brengen bij allerlei onderduikadressen. Op 30 januari 1943 is in haar huis aan de Klapheklaan in Aerdenhout de toen illegale krant Trouw opgericht. Al drie weken later verscheen het eerste nummer. Dr. Gert van Klinken wijdde aan haar leven een uitvoerige levensbeschrijving: ‘Strijdbaar en Omstreden, een biografie van de calvinistische verzetsvrouw Gezina van der Moolen.’ Amsterdam, uitgave Boon, 2006. Naar Gezina van der Molen zijn straten vernoemd in Alphen aan den Rijn, Coevorden, Enschede, Pijnacker en Spijkenisse. Na de oorlog was Gezina van der Molen voorzitter van de Voogdijcommissie voor Oorlogspleegkinderen (OPK). Op basis van literatuurstudie en in de jaren 80 van de vorige eeuw gevoerde gesprekken met personen die als kind de Holocaust overleefden ben ik van mening dat zij achteraf gelijk heeft gekregen door joodse weeskinderen bij de oorspronkelijke (christelijke) pleegouders te laten blijven, destijds bevestigd door de directeur van het Bureau voor de Commissie voor Oorlogspleegkinderen. Intussen heeft het gemeentebestuur van Bloemendaal besloten een laan naar haar te vermelden in het plangebied Haringbuys nabij de plaats waar zij van 1930 tot 1978 heeft gewoond met haar levenspartner Mies Nolte, die ook actief in het verzet is geweest en bovendien eerste vrouwelijke wethouder van de gemeente Bloemendaal van 1953 tot 1966. Bij de postume toekenning aan Gesina Hermina Johanna van der Molen in 1998 van ‘The Righteous Among the Nations’ is door Yad Vashem de volgende motivatie gegeven: ‘Law student Gesina van der Molen, who was raised as a strictly religious Protestant, refused to sign a declaration that she was “Aryan” at the beginning of the war. Born in Baflo, Groningen, she was active in the Dutch Christian Women’s  Movement and later became a professor of international law. As one of the first editors of the underground newspaper Vrij Nederland, Gesina was arrested together with her friend on June 1942, in their house in Noordwijk, South Holland. The police appeared to be unaware of the extent of their involvement and the two women were released on July 25. In 1943, Gesina left the paper and set up a Protestant Resistance publication, Trouw. As a member of the Protestant Teachers College next door the Jewish crèche, which was opposite the Hollandsche Schouwburg in Amsterdam. When Johan W.van Hulst, the director of the Teachers College, showed her how Jewish children could be smuggled out, she said, “Now I understand why God brought me here.” During the exam period, Gesina moved 12 children into hiding, using contacts at the newspaper and her colleague, Hester Baracs-van Lennep. She and her friend also sheltered children in need of a temporary refuge at a summer house in Vlodrop, Limburg. On October 29, 1998, Yad Vashem recognized Professor Gesina Hermina Johanna van der Molen as Righteous Among the Nations.’  Naar aanleiding van in Bloemendaal ontstane commotie over de benaming berichtte mw. Irena Steinfeldt, directeur van de afdeling der Rechtvaardigen bij Yad Vashem o.a. het volgende: ‘The story of Gezina van der Mollen touches on most complex and painful issues. The commission for the Designation of the Righteous was well aware of Mrs. van der Molen’s post war activity within the OPK, and this was discussed at length by the Commission’s  plenary in 1998. After a thorough debate the Commission decided to recognize Gezina van der Molen as Righteous Among the Nations for having risked her life to save Jewish children during the Holocaust. In this the Commission acted according to its Mandate – to evaluate rescue activities during the Holocaust and to determine if they fall within the Commission’s criteria.’

Mien Bouwman met in haar hand dagblad Trouw

Mien Bouwman met in haar hand dagblad Trouw

 

Gezina van der Moolen (1892-1978), verzetsstrijdster, journaliste en hoogleraar in het volkenrecht

Gezina van der Molen (1892-1978), verzetsstrijdster, journaliste en hoogleraar volkenrecht

P{rovisioneel straatnaambord: Gezine van der Molenlaan in Aerdenhout, gem. Bloemendaal (Bericht uit Heemsteedse Courant van 3 september 2015)

P{rovisioneel straatnaambord: Gezine van der Molenlaan in Aerdenhout, gem. Bloemendaal (Bericht uit Heemsteedse Courant van 3 september 2015)

Januari 2013 is op de gevel van het huis Klapheklaan 14 in Aerdenhout een plaquette aangebracht in herinnering aan bewoonster Gezina van der Molen die aan de basis stond van dagblad Trouw

Januari 2013 is op de gevel van het huis Klapheklaan 14 in Aerdenhout een door Frederick van de Bunt ontworpen plaquette aangebracht in herinnering aan bewoonster Gezina van der Molen die aan de basis stond van dagblad Trouw (foto gemeente Bloemendaal)

Bovenstaande gedenkplaat is in opdracht van het Abraham Kuyperfonds ontworpen door de heer Frederick van de Bunt, tevens ontwerper van o.a de in 2013 geplaatste informatieve muurplaat bij de Joodse begraafplaats aan de Tetterodeweg in Overveen.

Verklaring Yad Vashem omtrent toekenning

Verklaring Yad Vashem omtrent toekenning ‘The Righteous Among the Nations’ aan Gesina van der Molen

Op deze plaats in Aerdenhout, nabij de Vogelwijk in Heemstede zal een laan worden vernoemd naar verzetsstrijdster Gezina van der Molen

Op deze plaats in Aerdenhout, nabij het Vogelpark in Heemstede zal een laan worden vernoemd naar verzetsstrijdster Gezina van der Molen (Google streetviews)

Manfred Pollatz en echtgenote Lili Pollatz-Engelsmann vluchtten uit Nazi-Duitsland en stichtten in een huis aan het Westerhoutpark in Haarlem een tehuis voor Joodse kinderen uit Duitsland en Oostenrijk. Aan hen is postuum in 2013 de Yad Vashem onderscheiding verleend

Manfred Pollatz en echtgenote Lili Pollatz-Engelsmann vluchtten uit Nazi-Duitsland en stichtten in een huis aan het Westerhoutpark in Haarlem een tehuis voor Joodse kinderen uit Duitsland en Oostenrijk. Aan hen is postuum in 2013 de Yad Vashem onderscheiding verleend

————————————————————————————————– Vanuit de gemeente Bennebroek (maart 1942, Rijksstraatweg 1b) zijn zes personen uit één gezin, de familie Van der Molen, op één dag in het vernietigingskamp Auschwitz omgebracht, te weten: 1) Bennie van der Molen, geboren in Amsterdam, 5 februari 1896. Was van beroep autohandelaar. Overleden in Auschwitz, 28 januari 1944. Hij was gehuwd met: 2) Heintje van der Molen-Casseres, geb. Amsterdam, 20 februari 1904. Auschwitz, 28 januari 1944. Samen hadden zij vier kinderen, namelijk 2 zonen en 2 dochters: 3) Esther van der Molen, geb. Amsterdam 18 juli 1930. Auschwitz, 28 januari 1944 4) Sara van der Molen, geb. Amsterdam 4 juli 1933. Auschwitz, 28 januari 1944 5) Meijer van der Molen, geb. Bennebroek 11 maart 1837. Auschwitz, 28 januari 1944 6) David van der Molen, geb. Haarlem 26 februari 1937. Auschwitz, 28 januari 1944

======================================================

————————————————————————————— STICHTING JOODS MONUMENT HEEMSTEDE 18 september 2012 is via notaris mr.E.H.Huisman een stichting in het leven geroepen die streeft naar een gedenksteen aan de Vrijheidslaan met namen van de Joden die vanuit Heemstede zijn omgekomen in concentratiekampen of vermist als gevolg van vervolging tijdens de tweede wereldoorlog. Het bestuur bestaat uit mevrouw P.E.Koningsveld (voorzitter), H.B. van Perlstein (secretaris), D. Asser (penningmeester), W.A.de Wagt en J.L.P.M.Krol. Rabbijn S.Spiero van de Joodse gemeente Haarlem, Noord-Holland Noord-West, ontwerper Patrick van der Vegt en de heer Robert Groen (Joods monument Haarlem) zullen als adviseur optreden. Tot de eerste taken behoren overleg met de gemeente, een ontwerp van het monument, een begroting opstellen en fondsenwerving.

Bericht uit het Haarlems Dagblad van 10 oktober 2012

———————————————————————————– ——–

Rijmprent geschreven door A.G.A. van Rappard en in druk verschenen voor de jeugd van Heemstede, 5 mei 1960

Bevrijdingslied mei 1945 van Herman Divendal, geplaatst in de Katholieke Illustratie, juni 1946. Tevens verschenen als afzonderlijke rijmprent.

Bevrijdingslied mei 1945 van Herman Divendal, geplaatst in de Katholieke Illustratie, juni 1946. Tevens verschenen als afzonderlijke rijmprent.

Zie ook: Lijst van omgekomen Joodse burgers 1942-1945  https://ilibrariana.wordpress.com/2012/04/09/lijst-van-omgekomen-joodse-burgers-1942-1945/

De heer en mevrouw Barnstein (Barnstijn), ondergedoken bij de familie Muriloff in Heemstede. Isidor Cohen Barnstein overleed op 69-jarige leeftijd, 23 januari 1947, in Utrecht.

Joodse onderduikers doen de afwas in het huis van de Haarlemse familie Ten Boom in de Barteljorisstraat. Van de familie Ten Boom, gedeporteerd naar Ravenbrück, overleefde enkel Corrie ten Boom de oorlog.

‘Verdwijnoefening’ in het huis van de familie Ten Boom. Haarlem, juli 1943, op een door Hans Poley vastgelegde foto.

Tijdens de bezettingsjaren ondergedoken Joden in het Provinciaal Ziekenhuis Meerenberg in Bloemendaal boden in 1946 een herdenkingsplateau aan [Foto Noord-Hollands Archief]

———————————————————————————————

Foto uit 1944 van een verzetsgroep, bestaande uit 6 personen, bij Huize St. Joseph in Heel (Limburg). Van links naar rechts rector Schaecken (van St. Joseph), kapelaan Mutsaers (St. Anna), Dias Santilhano (Joodse onderduiker), pater Janssen Camiliaan uit Vaals, Silvester Berden en jongere broer Joost Berden. Silvester Berden, geboren in Den Haag en student in de rechten, is op 5 november 1944 gevangen genomen en op 7 november in een bos te Kessel gefusilleerd.

Philip Dias Santilhano is op 1 februari 1878 in Amsterdam geboren. Na korte tijd in Bloemendaal te hebben gewoond verhuisde hij zich op 18 mei 1933 naar het adres Heemsteedse Dreef 47 in Heemstede, en op 13 april 1940 naar de Albert Neuhuysstraat 4 in de Schilderswijk. Hij dook onder en nam de schuilnaam ‘Van Welschen’ aan. Op 9 oktober is in het bevolkingsregister genoteerd: VOW [= Vertrokken Onbekend Waarheen]. Dat bleek Heel in Limburg te zijn waar hij met een vals persoonsbewijs en in het verzet de Bevrijding heeft afgewacht. Hij sloot zich aan bij een verzetsgroep die een illegaal blad ‘Daalzichtse Berichten Dienst’ (D.B.D. verzorgde. Bij een omsingeling van het klooster 5 november 1944 wisten rector Schaecken, Joost Berden P.Dias Santilhano ternauwernood te ontsnappen door de Maas over te zwemmen en elders onder te duiken. 7 november is Sylvester Berden op bevel van Ströbel en bevelhebber van de in Heel gelegerde parachutisten generaal-luitenat Rosenheim in Kessel-Eijk geëxecuteerd.  Op 23 april 1946 is Ph. Dias Santilhano wederom in Heemstede geregistreerd op het adres Albert Neuhuysstraat 4. Aan de oorlogsperiode in Heel wijdde de heer Chris Clout uit Velserbroek een publicatie.

Over Philip Dias Santilhano als directeur van Kurhaus, Zandvoort (dr. T.G.van der Linden. Ondernemers met lef, pagina 85).

Over Philip Dias Santilhano als directeur van Kurhaus, Zandvoort (dr. T.G.van der Linden. Ondernemers met lef, pagina 85).

Philip Dias Santilhano was van 1936 tot 1942 directeur van Hotel Kurhaus en het Kurhaus/Casino in Zandvoort

Philip Dias Santilhano was van 1936 tot 1942 directeur van Hotel Kurhaus en het Kurhaus/Casino in Zandvoort (Bobenstaande gegevens uit: dr. T.G.van der Linden. Ondernemers met lef; Joods Bad Zandvoort 1881-1951. 2015.

————————————————————————————

In het Engelse boek ‘Things we could’nt say’ door Diet Eman (en James C. Schaap)komt ook Heemstede een aantal keren voor als onderduikadres van de schrijfster. Deze publicatie bevat de levensbeschrijving van een vrouw die met Hein Sietsma haar leven in de waagschaal stelde om honderden joodse medeburgers in de bezetingstijd te redden, wat haar verloofde met de dood moest bekopen. Ook in een Nederlandse vertaling verschenen: ‘Die hun leven niet liefhadden tot in de dood’ (Vaassen, Medema, 1995). ————————————————————————————————- In 2004 berichtte de heer Max Cohen uit Heemstede dat zijn moeder mevrouw Roosje Cohen-van Wesel en zuster Elly Cohen, oorspronkelijk wonende Houtplein 15 te Haarlem, vanaf augustus 1942 ondergedoken zaten bij de familie W.Willemse in de Johannes Vermeerstraat te Heemstede. “Daarbij is later als onderduiker gekomen, de heer L. Groen, naar ik meen een graanhandelaar en een zakenvriend van de heer Willemse. De koerier van deze meneer is in mei 1944 verraden, gevolgd en zo kwam de S.D. aan het adres. Een overval op 26 mei 1944 of kort daarna was het resultaat: behalve heer Groen, pakten ze meteen mijn moeder en zuster mee. En daarna werd de heer Willemse Sr. gearresteerd. Allen zijn niet meer teruggekomen.” Later voegde hij hieraan toe: “Nadat mijn moeder en zuster en Groen waren doorgestuurd naar Westerbork heb ik alles gedaan om te voorkomen dat ze naar Auschwitz zouden worden doorgezonden. Dat is een heel verhaal. Met Boort (industriediamant) af te geven in de Jan van Eijkstraat te Amsterdam zouden ze naar een kamp gaan, namelijk Celle. Dat is inderdaad gebeurd. Celle was het treinstation van het beruchte kamp Bergen-Belsen. Oorspronkelijk bedoeld als Austauschkamp, stierven de mensen daar achter elkaar door vlektyfus, waartegen niets werd gedaan. En zo zijn zij enkele weken voor de Engelsen kwamen gestorven, ongeveer dezelfde tijd en plaats als Anne Frank.” Mevrouw Roosje Cohen-van Wezel, geboren 19-19-1888 in Amsterdam overleed 23-11-1942 in Auschwitz. Haar dochter Elly Cohen is op 11-7-1921 geboren in Soerabaja en overleed 27-3-145 te Bergen-Belsen. Louis Groen, geboren op 10 maart 1881 in Haarlem overleed op 31 oktober 1941 in Auschwitz. Over W.N.Willemse sr. is o.a. het volgende bekend. Hij was meel-importeur van beroep en woonde op het adres Johannes Vermeerstraat 2. Aanvankelijk was hij vrijwel vanaf de oprichting lid van de NSB, in 1937-1038 zelfs Kringleider in Zandvoort (1). Hij brak echter met de beweging en liet in zijn huis tijdens de bezetting Joden onderduiken. Mogelijk door verraad van een NSB’er lekte dat uit en bij een inval werden zijn echtgenote en dochter op 26 mei gearresteerd. Terwille van hen meldde hij zich op 28 mei 1944 bij de SD. Via Amsterdam en kamp Vught kwam hij in kamp Sachsenhausen terecht waar Willemse Sr. op 24 oktober van dat jaar overleed. Eerder was zijn zijn gelijknamige zoon W.H.Willemse jr.(geboren in 1922) slachtoffer. Het schip ‘Farnsum’ waarop hij richting Canada voer in december 1940 werd door een Duitse onderzeeboot getorpedeerd, waarbij 12 personen omkwamen (2). Belde namen van vader en zoon komen voor op de plaquette van het Bevrijdingsmonument aan de Vrijheidsdreef en zij zijn tevens geregistreerd als oorlogsslachtoffer bij Oorlogsgravenstichting.   (1) In het boek van P.E.Hammann: De nationaal Socialistische Beweging in Haarlem en omgeving (1996) staat op pagina 38 vermeld: “Na het Spaarne kwam er in Haarlem-Zuid een tweede Kringhuis aan het Florapark. In één van de beide huizen was vanaf 1936 iedere woensdagavond een inlichtingendienst aanwezig om voorlichting te geven. Deze dienst bestond uit de heren Houtman, Willemse en Fortgens (NIOD, NSB-Archief. Doos 199, map c).” (2) In nummer 108 (april 2001) verscheen een artikel over de Schilderswijk in Heemstede in oorlogstijd, in het bijzonder ook over de Johannes Vermeerstraat en omgeving. Mevrouw Ati von Glahn-Yzer, die in die periode op het adres J. Vermeerstraat 3 woonde, schreef over Willemse: “Op nummer 2 kwam verdriet: vader en zoon Willemse waren voor de oorlog beiden lid van de N.S.B., maar probeerden het blijkbaar na de inval van de moffen te compenseren. Er waren onderduikers in huis. Willemse sr. werd verraden en opgepakt. Hij overleed in een concentratiekamp. Zoon Wim ging naar zeggen in het verzet, maar werd wel in een fout uniform in de straat gesignaleerd. Hij vond in december 1940 de dood, toen hij het schip waar hij op zat, werd getorpedeerd.” Van zijn hand wordt beschikt over de afdruk van een artikel: ‘De ondergang van het s.s.Alkmaar der K.N.S.m. febuari 1940 [5 februari 1940]’.  Uit het dagboek van Wim Willemse, in leven assistent-machinist SS Farnsum der n.v. stoomvaartmaatschappij Oostzee. Het Joodse monument op de Joodse begraafplaats in Vijfhuizen (foto Ben van Bohemen/NIOD) Het Joodse monument aan de Vijfhuizerweg op de begraafplaats ‘Gan-ha-Sjalom’ (Tuin van de Vrede; in 1931 door de Liberaal Joodse Gemeente in Nederland in gebruik genomen) naast de Algemene Begraafplaats is in 1951 onthuld door mevrouw Koster. Op de bovenzijde staat aan voor- en achterkant vermeld, respectievelijk in het Hebreeuws en Nederlands: “Moge God gedenken onze doden, de martelaren die stierven in de jaren der vervolging en wier graf niemand kent tot op deze dag” 1940-1945. Op zowel de voor- als achterzijde zijn elk circa 150 namen vermeld. Het aantal slachtoffers is veel groter omdat bij herhaling is gebeiteld “en familie”. [In 1770 is een Joodse begraafplaats in Haarlem gesticht aan het Bolwerk, welke in 1960 is geruimd, waarbij de stoffelijke resten werden bijgezet op de joodse begraafplaats aan de Amsterdamsestraat, welke na de Bevrijding weer in orde was gebracht, waarbij de meeste graven geïdentificeerd konden worden. Op deze begraafplaats aan de Amsterdamsevaart bevindt zich ook een gedenkteken ter herinnering aan de slachtoffers van WOII, tevens in Hebreeuws schrift.

Over de Joodse begraafplaats aan de Tetterodeweg in Overveen, gemeente Bloemendaal, publiceerden dr. Jaap Meijer en mw. Jet Slagter in 1983 een boek ‘Versteend verleden’ (Serie Haarlemse miniaturen, deel 2). Oorspronkelijk in gebruik genomen als begraafplaats van de ‘Neie Kille’ van Amsterdam. Vanaf 1797 zijn hier ongeveer 120 grafzerken aangetroffen, waarbij 3 tussen 1940 en 1945 en 6 van 1948 tot 1981 geplaatst. Enkele prominente Joodse Nederlanders hier begraven zijn o.a. rabbijn Izaak Abraham Graanboom (rabbijn van de ‘Nije Kille’, Mozes Joles (winkelier uit de Kruisstraat die na zijn dood in 1927 zijn gehele vermogen naliet voor de oprichting van een Joodse ziekenhuis Haarlem, naast het St.Elisaberh’s Gasthuis het Joles ziekenhuis genoemd), A.C.Wertheim (bankier en filantroop) en mr.L.E.Visser (lid van de Hoge Raad). Voorts bevindt zich nog een kleine Joodse begraafplaats op het voormalig terrein van het Provinciaal Ziekenhuis aan de Brederodelaan in Santpoort-Zuid met drie zerken uit 1907.

Mr. L.E.Visser op een geschilderd portret van H.Kamerlingh Onnes. De Portugese Synagoge in Amsterdam is gelegen aan het Mr.Visserplein 3.

Links: grafsteen van mr.dr. Lodewijk Ernst Visser (1871-1942), in 1939 benoemd tot President van de Hoge Raad, en in november 1940 vanwege zijn jood-zijn door de Duitse bezetters afgezet. Hij bleef zich verzetten tegen de nazi’s en overleed op 17 februari 1942. Drie dagen later is hij in Overveen begraven. Zijn echtgenote mevrouw Cornelia Johanna Sara Visser-Wertheim, in 1874 in Amsterdam geboren, had in het najaar van 1942 plannen naar het neutrale Zwitserland te ontkomen. Zover is het niet gekomen. Na in december 1942 te zijn opgepakt en weer vrijgelaten is zij na in september 1943 in Westerbork te zijn gearriveerd aldaar op 20 maart 1944 overleden. Zoon Ernst Visser van het echtpaar Visser-Wertheim is in de zomer van 1942 opgepakt, omdat hij zonder verplichte ster zou hebben gelopen. Hij werd naar kamp Amersfoort overgebracht en vandaar naar Mauthausen gedeporteeerd waar Ernst Visser op 2 september 1942 is gefusilleerd [Vermeld op de grafsteen van zijn moeder].

Op de Joodse begraafplaats te Haarlem staat voor de Aula een klein monument: “Ter nagedachtenis van allen die in de Tweede Wereldoorlog aan de Joodse gemeenschap in Haarlem en daarbuiten werden ontrukt.”

Gedenksteen voor joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog op de joodse begraafplaats aan de Amsterdamsevaart in Haarlem (foto Noord-Hollands Archief)

Gedenksteen voor joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog op de joodse begraafplaats aan de Amsterdamsevaart in Haarlem (foto Noord-Hollands Archief)

De Joodse begraafplaats Beth Haim [Huis des Levens] in Ouderkerk aan de Amstel dateert uit 1614. In bijna vier eeuwen is deze begraafplaats met ongeveer 28.000 graven in oorspronkelijke staat gebleven. Op deze foto uit 2005 van Martin Alberts zien we een deel van de Portugees-Israelitsche begraafplaats Beth Haim. In 1714 is buiten de stad een grote Joodse begraafplaats in gebruik genomen op een stuk land tussen de huidige Zeeburgerdijk en het Nieuwe Diep. Uitgegroeid tot een van de grootste Joodse begraafplaatsen – met overwegend arme personen uit de Hoogduitse gemeenschap (1) – in West-Europa met uiteindelijk naar schatting 200.000 graven. Na opening van de begraafplaats in Diemen (2) sinds begin vorige eeuw steeds minder gebruikt en in 1942 gesloten. In 1956 is het oudste deel geruimd voor de aanleg van de Amsterdamsebrug en zijn de stoffelijke resten herbegraven in Diemen, waar ook de resterende grafzerken en plaats kregen. De Stichting Eerherstel Joodse Begraafplaats Zeeburg streeft sinds 2008 naar herstel van deze locatie, onder andere met behoud van de natuurwaarde (3).

(1) Zogeheten Asjekanische Joden, ter onderscheiding van Sefardische Joden, afkomstig uit Zuid-Europa, voornamelijk Spanje en Portugal. (2) Op de Joodse begrafplaats in Diemen, in 1914 in gebruik genomen, bevinden zich ook urnen van mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog te Westerbork zijngecremeerd. (3) Over Joods begraven in Haarlem, zie o.a. – dr. M.Wolff: de geschiedenis der Joden te Haarlem. Deel 1 1600-1815 (Haarlem, 1917); deel 2 1815-1890 (Haarlem, 1919); – M.Pop en J.Temminck: Kleverlaan, de geschiedenis van een begraafplaats. Haarlem, 2002, blz. 12. Over de periode 1940-1945 in relatie tot Haarlem bestaan o.a. de volgende publicaties: 1) J.J.Temminck. Vertrokken Onbekend Waarheen; de Haarlemse joden in de Tweede Wereldoorlog. In: Haerlem jaarboek 1995. 1996, blz. 139-170; 2) Jozeph Michman, Hartog Beem en Dan Michman. Pinkas: Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland. Voor Haarlem [inclusief Bennebroek, Bloemendaal, Haarlemmermeer, Heemstede, Schoten, Spaarndam, Zandvoort], Amsterdam, 1992, blz. 403-408. Hierin staat vermeld dat aan de vooravond van de Duitse inval er ongeveer 1.800 joden in Haarlem woonden. Na het bevel tot vertrek uit de kustgebieden door de Duitse bezetter verlieten veel vluchtelingen Haarlem. Ruim 700 Haarlemse joden zijn in Duitse kampen omgekomen. Na de bevrijding is de niet meer te restaureren synagoge in de Lange Begijnestraat – daterend uit 1841 en die tot 1943 functioneerde – verkocht en gesloopt na een brand op 11 april 1953. In 1980 is ter herinnering aan de joodse oorlogsslachtoffers een gedenkplaat  aangebracht op de muur van het gebouw dat hier nu staat; 3) Wij gedenken; omgekomen – ondergedoken – de Haarlemse Joden 1940-1945. Haarlem, De Vrieseborch, 2004. Bevat een namenlijst en toelichting door S.Hartman en een hoofdstuk: ‘De jodenvervolging in Haarlem’ door J.C.van Veen.

Vanuit de Hollandsche Schouwburg, Plantage Middenlaan 24 in Amsterdam zijn duizenden Joden naar Westerbork en vandaar naar de vernietigingskampen gedeporteerd. Ter herdenking hiervan zijn 6.700 familienamen van weggevoerde personen op een wand in de gedenkruimte gegraveerd.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Voorgevel van de Hollandsche Schouwburg, van 1892 tot 1942 theater en in 1942-1943 als verzamelplaats en doorgangsdepot door de Duitse bezetters gebruikt. De laatste verblijfplaats van naar schatting 50.000 Joden voor hun deportatie naar Westerbork en vervolgens overbrenging naar vernietigingskampen.

———————————————————————————————–

Mw. Paulina Ledeboer-Stevens (1905-1996) uit Heemstede die vier Joodse kinderen bij haar thuis onderdak gaf en welke daarmee de oorlog overleefden, te weten de ondergedoken zusjes Cathrien en Rita van der Heijden, Nunes Cardoza en Maya Bueno de Mesquita (Foto uit 1944, bron: Yad Vashem)

—————————————————————————————–

Ook de familie Steenbergen uit Heemstede, onder wie Egbert Steenbergen (1890-1964) en zijn echtgenote Aaltje (1891-1963) hebben hun huis opengesteld om Joden te laten onderduiken. Daaronder de families Polak en Van der Heijden, met dochters Cathrien en Rita van der Heijden. Na verraad door een landwachter zijn de kinderen overgebracht naar mw. Paulina Ledeboer-Stevens. [Foto van de familie Steenbergen; Yad Vashem].

————————————————————————————–

In het kwartaalblad van de Vereniging Oud Heemstede-Bennebroek, nummer 108, april 2001, publiceerde mevrouw Maud van Beek-Spruyt een bijdrage ‘Herinneringen aan de Johannes Vermeerstraat’.  Zij woonde eerst met haar ouders in Haarlem-Zuid en het gezin in oktober 1939 in de Johannes Vermeerstraat 35 te Heemstede komen wonen. Citaat: “Het werd oktober 1941. Een vriend van mij, Paul D, medisch student in Amsterdam, vroeg of er voor één of twee nachten een joods meisje kon komen slapen. Ze moest onderduiken, maar kon nog niet bij haar duikadres komen. Gastvrij als mijn moeder was, zei ik natuurljk “ja”. Het pakte anders uit. Mijn moeder vond het veel te gevaarlijk, maar het hoefde helaas ook niet meer, want ze was al opgepakt. Toen heerste er toch wel grote woede in ons huis en vanaf dat moment is het bij ons begonnen. Eerst kwam er een oom van Paul D., een journalist uit Naarden. Kort daarna kwam mevrouw Jacobs, die niet lang bleef. Toen mevrouw R.F., een violiste en ten slotte Adriaan (schuilnaam) uit Amsterdam. In het najaar kwam Jetteke B., drie jaar oud. Hetteke kon in Haarlem onderduiken, maar toen ze daar aankwam dorstten deze mensen haar niet op te nemen. Wij werden nu even “tijdelijk” adres. Moeder vond dit zo vreselijk en een klein zusje erbij kon nog wel. Ons huis nu toch wel echt vol. Jetteke is tot het eind van de oorlog gebleven. Ze heeft alle huiszoekingen bij ons overleefd! (…)”

Foto van de Johannes Vermeerstraat uit 1938

In 2012 schrijft mevrouw Jetteke Behr: “Ik was als klein joods meisje ruim een jaar ondergedoken bij de heer en mevrouw C.Spruijt-Scheltema, Johannes Vermeerstraat in Heemstede, onder de naam Jetteke Beerta. Dankzij hun onvoorstelbare moed – en die van hun inwonende volwassen kinderen – hebben tenminste één volwassene en ik de oorlog overleefd.”   ——————————————————————————————–

Foto uit 1943 van Godfried Bomans genomen in zijn woning aan de Zonnelaan 17, met twee onderduikers. Links Jan ter Gouw (Lou Bauer) uit Hillegom en rechts de in 1933 uit Duitsland gevluchte Jood Hans Lichtenstein. Die was dirigent van een joods operettegezelschap (in 1940 door de nazi’s verboden). In 1987 is aan Godfried Bomans postuum de Yad Vashem-onderscheiding toegekend.

In zijn journalen en dagboeken noemt Godfried Bomans diverse keren Hans Lichtenstein. Voorts wijdde hij een column in De Volkskrant aan de ervaringen van de musicus in Palestina (18 oktober 1947), ook gepubliceerd in Godfried Bomans Werken, supplement op deel 5 (1998), p.21-22, die als volgt aanvangt: ‘De dirigent Hans Lichtenstein, die sinds 1930 in ons land woont, is zojuist na 15 maanden in Palestina te hebben doorgebracht, weer naar Nederland teruggekeerd. Gedurende de oorlogsjaren had ik gelegenheid om dezen bekwamen musicus, die in Haarlem zich bij een bevriende familie moest schuilhouden, nader te leren kennen. (…)’

Yad2

Yad Vashem prtijs 1987 voor weduwe Mari Andriessen en weduwe Godfried Bomans (links Algemeen Dagblad, 10 april 1984, rechts Haarlems Dagblad, 10 april 1987)

 

Godfried Bomans is zowel in Yad Vashem (Jeruzalem) als in het Holocaust-museum te Washington (USA) vermeld. =======================================================

De Aerdenhout Apotheek van Leonard Baruch aan de Zandvoortselaan 164 later 162. Dankzij onderduik wisten hij en overleefde hij en zijn echtgenote de oorlogsperiode te overleven.

De Aerdenhout Apotheek van Leonard Baruch aan de Zandvoortselaan 164 later 162. Dankzij onderduik wisten hij en overleefde hij en zijn echtgenote de oorlogsperiode te overleven.

K.R.van Staal die het concentratiekamp Buchenwald overleefde schreef na zijn terugkeer een boekje met herinneringen: 'Terug uit de hel van Buchenwald' dat meteen een bestseller werd, vele herdrukken beleefde en met een half miljoen exemplaren het meest verkochte boek van 1945 in ons land werd. Bericht van zijn overlijden uit Het Vrije Volk van 14-3-1961

K.R.van Staal die het concentratiekamp Buchenwald overleefde schreef na zijn terugkeer een boekje met herinneringen: ‘Terug uit de hel van Buchenwald’ dat meteen een bestseller werd, vele herdrukken beleefde en met een half miljoen exemplaren het meest verkochte boek van 1945 in ons land werd. Bericht van zijn overlijden uit Het Vrije Volk van 14-3-1961

Vooromslag van het direct na de Bevrijding in mei 1945 eenvoudig uitgegeven boekje 'Terug uit de hel van Buchenwald' door K.R.van Staal.

Vooromslag van het direct na de Bevrijding in mei 1945 eenvoudig uitgegeven boekje ‘Terug uit de hel van Buchenwald’ door K.R.van Staal.

Karel Rigard van Staal is na de Bevrijding in Heemstede gaan wonen. Overlijdensadvertentie uit Het Vrije Volk van 16-3-1961

Karel Rigard van Staal is na de Bevrijding een huis aan aan de Heemsteedse Dreef in Heemstede betrokken en werd hij directeur van de Haarlemse drukkerij Boom. In de naoorlogse periode heeft hij zich grote verdiensten verworven als voorzitter van de organisatie  EXPOGE (Ex- Politieke Gevangenen). Overlijdensadvertentie uit Het Vrije Volk van 16-3-1961

BIJLAGE 1: Lijst van Joodse Personen die zich ingevolge de verordening 6/1941 te Heemstede hebben aangemeld (24 februari 1941). Hiervoor moest 1 gulden legeskosten per persoon worden betaald. Zes personen konden vanwege onvermogen hieraan niet voldoen.

Aanmeldingsplichtcirculaire die alle personen uit Heemstede van gehele of gedeeltelijk joodse bloed in februari 1941 ontvingen van de gemeente.

Aanmeldingsplichtcirculaire die alle personen uit Heemstede van gehele of gedeeltelijk joodse bloed in februari 1941 ontvingen van de gemeente.

Pagina 1 [G1 = 2 Joodse grootouders; GII = 1 Joodse grootouder. Alle anderen ‘Volljude’].

Pagina 2 [G1= 2 Joodse grootouders; G11 = 1 Joodse grootouder, alle anderen: ‘Volljude’] .

Pagina 3 [G1= 2 Joodse grootouders; G11 = 1 Joodse grootouder; alle anderen ‘Volljude’].

Pagina 4.[G1 = 2 Joodse grootouders, G11 = 1 Joodse grootouder; alle anderen ‘Volljude’].

Pagina 5 [G1 = 2 Joodse grootouders, G11 = 1 Joodse grootouders; alle anderen ‘Volljude’] .

Pagina 6 [G1 = 2 Joodse grootouders; G11 = 1 Joodse grootouders; alle anderen ‘Volljude’].

==================================================== Bijlage 2: Het levensverhaal van dr. Oskar Moos die Theresienstadt overleefde In 1869 is Oskar Moos in Buchau (Duitse deelstaat Baden-Württenberg) geboren (1). Hij studeerde medicijnen aan de Universiteit van München en vestigde zich in 1894 als arts in Heilbronn. Op 25 juni 1896 trad hij aldaar in het huwelijk met Else Gutmann (op 26 januari 1876 in München geboren), met wie hij in 1956 in rusthuis ‘de Olijftak’ in Heemstede zijn zestig jarig huwelijksfeest zou vieren en 10 jaar later hun 70-jarige echtverbintenis. Het echtpaar kreeg twee zonen, geboren  in 1897 en 1900, die de oorlog niet hebben overleefd (2). Tot hun vriendenkring behoorden o.a. Albert Einstein en de naoorlogse Duitse bondpresident dr. Theodor Heuss.

Voormalige synagoge in Buchau

Joodse gedenksteen in Buchau

Vanwege de anti-joodse maatregelen in het Derde Rijk week de familie uit naar Nederland en vestigde men zich in Scheveningen. Via Westerbork, waar Oskar Moos als arts dienst deed, is het echtpaar in januari 1944 naar Theresienstadt overgebracht, waar na veel lijden in juni 1945 bevrijding door Russische troepen volgde. Dr. Oskar Moos en Else Moos-Gutmann gingen terug naar Nederland waar zij zich in Heemstede vestigden. Dr. Moos is kort na viering van zijn 70ste huwelijksfeest op 5 december 1966 in de Olijftak op 96-jarige leeftijd is overleden. De Duitse publiciste Charlotte Mayenberger wijdde een beknopte monografie aan Oskar Moos onder de titel ‘Von Buchau nach Theresienstadt’ (BC-Heft Biberach 2000/2). Op 6 juni 1956 wijdde het Haarlems Dagblad het volgende artikel aan het toen diamanten bruidspaar: Intussen ontving ik het artikel uit Biberach: ‘Von Buchau nach Theresienstadt. Dr. Oskar Moos (1869-1966). Daarin is het levensverhaal van Oskar Moos gepubliceerd door Charlotte Mayenberger, dat als volgt begint: “Vor einigen Wochen bekam ich zwei Berichte. Sie schildern die Lebensgeschichte von Dr. Oskar Moos der am 11. November 1869 in Buchau geboren wurde. Den ersten Bericht schrieb er als Tischrede zu seinem 70. Geburtstag, der er am 11. November 1939 in Hilligersberg in Holland feierte; es ist eine Erzählung von seinen Jugendjahren, seiner Ausbildung zum Artzt und der Zeit als Artzt in Heilbronn bis 1933. Den zweiten Bericht verfasste er 1946 zum Geburtstag seiner Frau am 26. Januar 1946. Darin berichtet er von seinen Erlebnissen von 1933 bis 1946. Bis zu seinem Tode am 5. Dezember 1966 lebte er anschliessend in Heemstede. Die Berichte haben mich sehr beeindruckt und deshalb habe ich mich dazu entschlossen, um die Erlaubnis zu Veröffentlichung zu bitten, die mir auch gewährt wurde. In den meisten Fällen werde ich Oskar Moos wörtlich zitieren.”

Links het woonhuis van de famile Moos in de Hofgartenstrasse te Buchau. Het gebouw rechts is de synagoge die 9 november 1938 in brand is gestoken.

Omdat de situatie voor joden in Duitsland steeds dreigender werd is Dr. Moos met zijn vrouw op 6 februari 1939 vanuit hun huis aan de Gustlofstrasse 53 in Heilbronn via Mannheim en Frankfurt naar Rotterdam-Hillegersberg gereisd waar zij de eerste weken bij hun al uitgeweken kinderen verbleven. Daarna verhuisde het echtpaar in april naar een pension in Scheveningen. Na 10 mei 1940 en de nazi-bezetting werd ook in Nederland de situatie voor joden steeds slechter. Men vond onderdak in Bilthoven en dr. Moos bezocht bijna dagelijks de universiteitsbibliotheek in Utrecht. In augustus 1943 moest men verplicht naar Amsterdam evacueren en vandaar is men naar Westerbork getransporteerd. De heer en mevrouw Moos en hun zoon Hans zijn vervolgens op 18 januari 1944 naar kamp Theresienstadt gedeporteerd, waar dr. Moos als arts werk kreeg in het ziekenhuis. De situatie was vooral in de winter 1944/1945 bijzonder slecht, maar dankzij zijn werk heeft hij (en zijn vrouw)  het kamp overleefd. Zoon Hans is naar een vernietigingskamp vervoerd en in februari 1945 vemoord. 10 mei 1945 kapituleerde Duitsland en 22 mei is Theresienstadt door Russische troepen bevrijd. Op 22 juni kon het paar met een militair vliegtuig naar Metz meevliegen en vandaar is men naar Eindhoven gereisd, en met een auto in Amsterdam gearriveerd. Citaat: Dann Frachtautofahrt nach Haarlem, wo wir gegen 10 Uhr nachts ankamen, liessen wir die Familie Stijger, bei der doch unsere Möbel und alles was zu unserer ehemaligen Einrichtung gehörte, untergebracht war, telefonisch von unserer bevorsthenden Ankunft verständigen. Nachts 11.30 Uhr brachte uns ein Auto direkt in die Stijger’sche Wohnung. Von Herrn und Frau Stijger wurden wir freundlich empfangen. Herr Stijger war ein Geschäftsfreund useres Kurt, hielt sehr viel von Kurt und Gerda. Beide waren auch einmal in Heilbronn bei uns zu Besuch.” Vandaar is het echtpaar eerst naar Den Haag teruggegaan. “Wir bekamen auf unser Ersuchen aber sofort die Genehmigung, in Heemstede unseren Wohnsitz zu nehmen. Wir fanden auch rasch ein gutes Logis. So leben wir jetzt im lieblichen Heemstede. Nicht nur bei Stijgers, sondern auch in Bilthoven haben wir viele Kostbarkeiten verloren. Man könnte fast einen Roman darüber schreiben. So bereiten wir jetzt mit aller Energie die Rückgabe unserer Sachen, ferner die Vergültung für die die durch das Bombardement von Rotterdam und durch das Naziregime uns und unsereren Söhnen zugefügten Schäden. (…)”

 

De heer en mevrouw woonden hun laatste levensjaren in verzorgingshuis De Olijftak aan de Heemsteedse Dreef

(1) Twee broers overleefden de Tweede Wereldoorlog: 1) Paul Moos (1863-1952). Hij gaf veel muziekboeken uit en ontving in 1929 een eredoctoraat van de Universiteit Tübingen. In 1939 week hij uit naar België, waar Paul Moos op 27 februari 1952 overleed; 2 Rudolf Moos (1866-1951) leidde een kwart eeuw de door zijn vader opgerichte lederfirma. Hij vluchtte naar Engeland en stierf 9 oktober 1951 in Birmingham. (2) Hans Otto Hermann Moos, op 1 april 1897 geboren in Heilbronn is op 28 februari 1945 in Midden-Europa omgekomen; Kurt Moos, geboren op 29 maart 1900 in Heilbronnwürtl, week uit naar Hilligersberg (Rotterdam), is overleden op 31 december 1942 in Auschwitz. Diens echtgenote Gerda Moos-Stern, geboren in 1913 is 21 september 1942 in Deggendorf overleden. Het gezin heeft in 1942 geprobeerd naar het neutrale Zwitserland te vluchten, maar is in Noord-Frankrijk opgepakt. Eén dochter van dit echtpaar is aan een helpster in handen gegven, overleefde de oorlog en is in Frankrijk door pleegouders opgevoed.

Dr. O.Moos.Uit: Haaelem' s Dagblad, 26-6-1956

Receptie echtpaar Moos-Gutmann  Uit: Haarlem’ s Dagblad, 26-6-1956

Adv, 70 jarig huwelijk dr.O.Moos (Nieuw Israëlitisch Weekblad, 10-6-1966)

Adv, 70 jarig huwelijk dr.O.Moos (Nieuw Israëlitisch Weekblad, 10-6-1966)

======================================================= BIJLAGE 3: postume toekenning van een Yad Vashem onderscheiding in 2012

Bericht uit het Haarlems Dagblad van 13 november 2012 over de postume toekenning van een Yad Vashem onderscheiding aan mevrouw Hendrikje van Daalen-Terpstra [begraven in Heemstede op 28 augustus 1976] , die in de oorlogsperiode aan de jonge Sara Teeboom (76) onderdag verleende in haar woning aan de Esdoornlaan.

Hal van de Namen, Yad Vashem Jeruzalem. Voorts bevindt zich een Eremuur in de Tuin der Rechtvaardigen bij Yad Vashem met de namen van meer dan 26.000 mensen, waaronder ruim 3.400 Nederlanders.

Hal van de Namen, Yad Vashem Jeruzalem. Voorts bevindt zich een Eremuur in de Tuin der Rechtvaardigen bij Yad Vashem met de namen van meer dan 26.000 mensen, waaronder ruim 3.400 Nederlanders.

Op 12 november 2015 is door de ambassadeur van Israel de Yad Vashem onderscheiding postuum uitgereikt aan 1 Geert de Boer, 2. mw. Margaretha Hendrik de Boer-Niemöller, 3. Paul Christiaan van Westering en 4. mw. Johanna van Westering-van Scheeven.

Certificaat Yad Vashem: Geert de Boer en Margaretha Hendrika de Boer-Niemöller

Certificaat Yad Vashem: Geert de Boer en Margaretha Hendrika de Boer-Niemöller

De heer Geert de Boer en mw. Margaretha Hendrika de Boer-Niemöller.

De heer Geert de Boer en mw. Margaretha Hendrika de Boer-Niemöller.

Het gezin de Boer woonde met hun dochters en zoon in Overveen op de Oranje Nassaulaan 67. Onder de schuilnaam Lodewijk Peereboom, een evacuee uit Rotterdam werd Levi [Loeki genoemd] Samson (Amsterdam, 13 september 1940) ondergebracht bij de familie de Boer en hun kinderen en overleefde daarmee de oorlog.

Het vervalste persoonsbewijs van Levi Samson onder schuilnaam Lodewijk Peereboom

Het vervalste persoonsbewijs van Levi Samson onder schuilnaam Lodewijk Peereboom

Certificaat Yad Vashem onderscheiding postuum voor Paul Christiaan van Westering en Johanna van Westering-van Schreeven

Certificaat Yad Vashem onderscheiding postuum voor Paul Christiaan van Westering en Johanna van Westering-van Schreeven

De heer Paul van Westering (geboren 1911) was inwoner van Overveen, musicus en componist van beroep (o.a. van liedjes ‘Dikkertje Dap en ‘Het Fluitketeltje”met tekst van Annie M.G.Schmidt, en getrouwd met Johanna. De tiener HESTER WAAS (geboren 2 mei 1927in Zandvoort) kwam in huis bij de familie in Overveen waar ze bleef tot na de Duitse bezetting. Het huis diende ook als een tijdelijk onderkomen voor mensen die onderweg waren naar een veilige schuilplaats.

Paul en Johanna van Westering-van Schreeven

Paul en Johanna van Westering-van Schreeven. Paul van Westering zette zich na WO11 in voor de oeucumene waarvoor hij kerkdiensten organiseerde in de Ned. Hervormde Kerk te Heemstede, samen met de R.K.Kerk en de Joodse gemeenschap. Hij schreef o.a. mziek voor orgel, film en opera.

=====================================================

Links: synagoge van de Nederlands-Israëlitische Gemeente aan de Lange Begijnesteeg in Haarlem (1911). De synagoge werd in 1842 ingewijd. Tijdens WO II in beslag genomen en als pakhuis aangewend. De inboedel viel ten prooi aan diefstal en vernieling. In 1953 brandde het pand af. Na vanaf 1949 een bovenpand in het Kenaupark als synagoge fungeerde bevindt zich deze tegenwoordig in Heemstede

Links: synagoge van de Nederlands-Israëlitische Gemeente aan de Lange Begijnesteeg in Haarlem (1911). De Israëlitische Gemeente in Haarlem kocht in 1765 een huis op het Begijnhof en richtte dat in tot hulpsynagoge. Dit gebouw bleef in gebruik tot de synagoge in 1842 aan de Lange Begijnesteeg/hoek Wijde Appelaarsteeg werd ingewijd. Tijdens WO II in beslag genomen en als pakhuis aangewend. De inboedel viel ten prooi aan diefstal en vernieling. In 1953 brandde het pand af. Na vanaf 1949 een bovenpand in het Kenaupark als synagoge fungeerde bevindt zich deze tegenwoordig in Heemstede

Een voormalige kantoorvilla in de Lanckhorstlaan 42 fungeert nu als synagoge voor Joodse erediensten.

Een voormalige kantoorvilla in de Lanckhorstlaan 42 fungeert nu als synagoge voor Joodse erediensten.

BIJLAGE 4: aankondiging onthulling van Joods monument in Haarlem

Al in 1945 was bekend dat circa 700 Joodse Haarlemmers de oorlog niet hadden overleefd. Bericht uit: Haarlem's Dagblad van 5-9-1945

Al in 1945 was bekend dat ruim 700 Joodse Haarlemmers de oorlog niet hadden overleefd. Bericht uit: Haarlem’s Dagblad van 5-9-1945

Vooromslag van programma onthulling Joods Monument Haarlem

Inhoudelijk programma onthullingspechtigheid 23 september 2012

Joods Monument: uit het Haarlems Dagblad van zaterdag 22 september 2012

(Haarlemse Hofjes, nummer 18, januari 2013)

(Haarlemse Hofjes, nummer 18, januari 2013)

In 'De canon van Haarlem' door Kim Bergshoeff (Amersfoort, BBNC uitgevers, 2013) is bij de 50 geselecteerde geschiedenisverhalen ook een bijdrage over het Joods monument op het Philip Frankplein opgenomen. Ter aanvulling bericht ik dat secretaris Sam Hartman zeker een kwarteeuw met het project van een Joods monument zich heeft ingezet. Op 4 maart 2009 op 83-jarige leeftijd overleden heeft hij de onthulling niet meer mogen beleven, maar verdient hij postuum alle eer.

In ‘De canon van Haarlem’ door Kim Bergshoeff (Amersfoort, BBNC uitgevers, 2013) is bij de 50 geselecteerde geschiedenisverhalen ook een bijdrage over het Joods monument op het Philip Frankplein opgenomen. Ter aanvulling bericht ik dat secretaris Sam Hartman zeker een kwarteeuw zich heeft ingezet voor een Joods monument in Haarlem. Op 4 maart 2009 op 83-jarige leeftijd overleden heeft hij de onthulling niet meer mogen beleven, maar verdient hij postuum alle eer.

Een overzicht van monumenten ter herinnering aan de Joodse slachtoffers bevindt zich in het boek: 'Sta een ogenblik stil...Momumentenboek 1940/1945 (1980). Op deze foto een beeld van een Joodse vrouw met haar kind op weg naar de vernietigingskampen door Mari Andriessen bevindt zich in het Volkspark te Enschedé

Een overzicht van monumenten ter herinnering aan de Joodse slachtoffers bevindt zich in het boek: ‘Sta een ogenblik stil…Momumentenboek 1940/1945 (1980). Op deze foto een beeld van een Joodse vrouw met haar kind op weg naar de vernietigingskampen, vervaardigd door Mari Andriessen,  bevindt zich in het Volkspark te Enschedé

—————– Bijlage 5: Van de ambtenaren bij de Provincie Noord-Holland in Haarlem werkzam was Jakob Snijders (geb. 29-11-1887 in Enkhuizen) de enige ambtenaar van Joodse huize die naar een Duits vernietigingskamp werd afgevoerd en niet terugkeerde.

Na de Bevrijding is een gedenksteen aangebracht in één der zijwanden van de entree van het griffiegebouw waarmee de herinnering aan Jacob Snijders levendig wordt gehouden.

Na de Bevrijding is een gedenksteen aangebracht in één der zijwanden van de entree van het griffiegebouw waarmee de herinnering aan Jacob Snijders, 31-8-1942 omgebracht in Auschwiitz, levendig wordt gehouden. Ook zijn echtgenote Helena Snijders-Zwart en zoontje Leonard Arnold Jacques Snijders kwamen om. Bij de vernieuwing van het Provinciehuis in 2014 is de plaquette herplaatst

Leo Snijders (1927-1943) was leerling van het Stedelijk Gymnasium in Haarlem. Foto uit december 1939 (Noord-Hollands Archief)

Leo Snijders (1927-1943) was leerling van het Stedelijk Gymnasium in Haarlem. Foto uit december 1939 (Noord-Hollands Archief)

In het Noord-Hollands Archief bevindt zich een krantendagboek uit 1941-1942 van L.A.J. (Leo) Snijders uit haarlem

In het Noord-Hollands Archief bevindt zich een krantendagboek uit 1941-1942 van L.A.J. (Leo) Snijders uit Haarlem

Een artikel: ‘Het krantendagboek van een joodse gymnasiast’ verscheen in NHA nieuws, nummer 17, april 2003, blz. 22-28.

Klase 3 van het Joods Lyceum Haarlem, schooljaar 1941-1942. Zittende tweede van links: Leo Snijders.

De tweede klas van het Joods Lyceum Haarlem, schooljaar 1941-1942. Zittende tweede van links is Leo Snijders.

———————-familie Ten Boom in de Barteljorisstraat 19, Haarlem, bijgenaamd de Béjé

In het bovenhuis van de familie Ten Boom, Barteljorisstaat 19 Haarlem, zijn veel (Joodse) onderduikers ondergebracht. Corrie ten Boom (1892-1983), na de Bevrijding geëmigreerd naar de Verenigde Staten kreeg internationale bekendheid als evangeliste en auteur, o.a. van het autobiografische boek 'De Schuilplaats'(1972). Op deze foto van personen die verborgen waren in de Béjé: in het midden verzetsman Hans Poley en 4 Joodse vrienden, onder wie rechts Mary van Italië en Eusie, die dankzij de familie Ten Boom de oorlog overleefden.

In het bovenhuis van de familie Ten Boom, Barteljorisstaat 19 Haarlem – op de begane grond was/is een horlogewinkel -, zijn veel (Joodse) onderduikers ondergebracht. Corrie ten Boom (1892-1983), is na de Bevrijding geëmigreerd naar de Verenigde Staten en kreeg internationale bekendheid als evangeliste en auteur, o.a. van het autobiografisch boek ‘De Schuilplaats'(1972). Op deze foto van personen die verborgen waren in de Béjé: in het midden verzetsman Hans Poley en 4 Joodse vrienden, onder wie rechts van Poley: Mary van Italië en Eusie, die dankzij de familie Ten Boom de oorlog overleefden.

=========================================================================== De Joodse schrijver G.L.Durlacher (1928-1996) die Auschwitz overleefde en ik in de openbare bibliotheek van Heemstede enkele keren ontmoette, laat in het autobiografische titelverhaal ‘Quarantaine’ (1993) de ik-figuur die op de middelbare school zit en de stadsbibliotheek bezoekt het volgende zeggen: “Een kleine joodse man die de onderduik heeft overleefd, probeert daar weer orde op zaken te stellen. Ik ken hem van vroeger toen hij in onze huiskamer met mijn vader praatte. Zijn Duitse accent heeft hij nog steeds niet afgeleerd. Ik ontwijk zijn onhandige vragen, maar als hij vertelt dat de dochters van mijn moeders hartsvriendin die de oorlog hebben overleefd bij een familie in Heemstede ben ik een en al oor. Ook hun ouders zijn niet teruggekomen. In hetzelfde jaar als wij waren zij uit Duitsland gevlucht en in Rotterdam hebben wij elkaar weer gevonden. Ik wil ze weer zien, hun verhaal horen.” =====================================================BIJLAGE 6: lijst van percelen in Heemstede in bezit van Joodse eigenaren die gedurende de Duitse bezetting in beslag zijn genomen. Toelichting: onderstaand overzicht is in opdracht van het college van Burgemeester en Wethouders in januari 1953 opgesteld. De N.G.V. = Niederländische Grundstückverwaltung was tijdens de bezetting verantwoordelijk voor de onteigening van het Joodse onroerend goed-bezit. Zowel ten aanzien van de grond als de daarop bestaande bebouwing. Na de Bevrijding zijn op initiatief van de overheid door Rechtsherstel de rechten van particulieren en bedrijven onderzocht die tijdens de Duitse bezetting van eigendommen waren beroofd. Deze percelen gingen terug naar de oorspronkelijke eigenaren c.q. hun nazaten/erfgenamen. Sectie B3651, Van Merlenlaan 38, stond aanvankelijk op naam van: Sabelson, Alfred, particulier te Amsterdam. In 1944 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan Haakman, Martinus Marius Antonius, dassenfabrikant te Amstelveen. In 1945 werd het verkocht aan Paulina Wilhelmina van der Horst, echtgenote van Carl August Paul Dütting (curatrice Wilhelmina F.M.van der Horst te Haarlem). Sectie B5274, Herenweg 77a, stond aanvankelijk op naam van Frederik Emile Deen, zonder beroep te Heemstede. In 1945 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan N.V.Handelmaatschappij Hecht, gevestigd te Amsterdam. Vervolgens doorverkocht aan Boon, Jacob, fabrikant te Heemstede. Door Rechtsherstel is het thans in handen van: Deen, Johanna Paulina, weduwe van prof.dr. Richard Friedrich Wolffenstein. Sectie A4746, Crayenestersingel 8, stond aanvankelijk op naam van Lehnhoff, Walter, zonder beroep, wonende te Amsterdam. In 1944 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan Renkema, Jacob Johan Anne Frederik, zonder beroep te Apeldoorn. Door rechtsherstel kwam het in 1949 weder in handen van Lehnhoff, Walter, voornoemd. Sectie A4457, Jan van Goyenstraat 15, stond aanvankelijk op naam van: Van Praag, Simon Joseph, rustend geneesheer te Heemstede. In 1943 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan Kroes, Evert Hubertus, oud gezagvoerder ter koopvaardij, wonende te Heemstede. Door Rechtsherstel staat het thans op naam van: Van Praag, Simon Joseph voornoemd. Sectie A2897, Bronsteeweg 44 stond aanvankelijk op naam van: Van Hasselt, Abraham , fabrikant te Aerdenhout. In 1945 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan; Hagenaar, Catharina Leendert te Heemstede en in 1945 werder verkocht aan: Klok, Naatje, weduwe Engelbertus van Leuven, caféhoudster te Overveen. Sectie A4630, Jan Miense Molenaerplein 12, stond aanvankelijk op naam van: Van Leer, David Julius te Scheveningen. In 1944 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan: Van Tol. Gerrit, koopman te Heemstede. Vervolgens in 1944 verkocht aan: Overbeek, Johannes, manufacturier te Ambt. Delden. In 1949 kwam het door Rechtsherstel in handen van: Bouter, Maria Geertruida, weduwe van D.J.van Leer, voornoemd te ‘s-Gravenhage. Sectie A5168, Pieter de Hooghstraat 1, stond aanvankelijk op naam van: Hamburg Mr. Isidore Lodewijk en cons. te Heemstede. In 1944 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan: Van den Burg, Adrianus Jan, koopman te Heemstede. In 1948 kwam het door Rechtsherstel in handen van: Hamburg, Jacobus, procuratiehouder ener N.V. te Heemstede en cons. Sectie A5134, Paulus Buyslaan 5, stond aanvankelijk op naam van: Van Leer, Theodora Francisca te Heemstede. In 1944 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan: N.V. Bouw- en Expoitatie Mij ‘Bon Ami’ gevestigd te Amsterdam. In 1944 werd het verkocht aan: Erfmann, Arita Cornelia echtegenote van Meijer, Arnoud, zonder beroep te Heemstede. Door Rechtsherstel kwam het in 1948 in handen van: Van Leer, Leon Kalme, koopman te New Jersey (USA). Sectie B5613, Zandvoorter Allee 5, stond aanvankelijk op naam van: Cohen, Willem Leopold, agent buitenlandse huizen te Arnhem. In 1945 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan: Plas, Jan Reijer, grossier in boter en kaas te Haarlem. In 1951 werd het verkocht aan: Van Til, Gerardus Everardus, accountant te Heemstede. Sectie A6080, Van der Spiegellaan 7, stond aanvankelijk op naam van: Van Blankenstein, David Henri, bureauchef te Amsterdam. In 1945 werd het verkocht aan: Kleyne Snuverink, Hendrik fabrieksschoorsteenbouwer te Heemstede. In 1948 kwam het door Rechtsherstel in handen van de oorspronkelijke eigenaar. Sectie B4266, Warande, schuur en erf, gelegen achter het perdeel Valkenburgerlaan 56, stond aanvankelijk op naam van: Lange Hartog, makelaar te Amsterdam. In 1944 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan N.V.Bouw en Exploitatie Mij ‘Bon Ami’ gevestigd te Velsen. In 1945 verkocht aan N.V. Handelmaatschappij ‘Univex’ te Amsterdam. Door Rechtsherstel thans op naam van: de Lange, Elias Johan (afwezig, bewindvoerder Huetinck, Arie te Amsterdam). Idem Sectie B4267, Valkenburgerlaan 54/56/58; Sectie B4268, Valkenburgerlaan 50/52; Sectie B4269, Valkenburgerlaan 46/48; Sectie B4270, Valkenburgerlaan 44; Sectie B4271, Valkenburgerlaan 42; Sectie B4272, Valkenburgerlaan 40; Sectie 4273, Valkenburgerlaan 38; Sectie B4274, Valkenburgerlaan 36; Sectie B4275, Valkenburgerlaan 34; Sectie B4276, Valkenburgerlaan 32. Sectie B5345, Lentelaan 1/3, stond aanvankelijk op naam van: De Lange Hartog, makelaar te Amsterdam. In 1942 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan N.V. ‘De Geruischlooze Weg’ te Heemstede. In 1949 verkocht aan Moerbeek, Johannes, wijnkoper te Haarlem. Idem Sectie B5346, Valkenburgerlaan 69/71; Sectie B5347, Valkenburgerlaan 69; Sectie B5348, Valkenburgerlaan 65/67; Sectie B5349, Valkenburgerlaan 61/63; Sectie B5350, Valkenburgerlaan 57/59; Sectie B5351, Valkenburgerlaan 53/55; Sectie B5352, Valkenburgerlaan 49/51; Sectie B5353, Valkenburgerlaan 45/47; Sectie B5354, Valkenburgerlaan 41/43; Sectie B5355, Valkenburgerlaan 37/39. Sectie A6535, Heemsteedse Dreef 241 stond aanvankelijk op naam van: Van Beem, Jonas Heiman, koopman te Heemstede. In 1943 werd het door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan: Burnotat, Francisca Erna, echtgenote van: Vreeswijk, Willem Lambertus te Amsterdam. In 1944 verkocht aan Hiddema, Abe, arts te Heemstede. Door Rechtsherstel thans op naam van Van Beem, Herman Jonas, koopman te Heemstede en cons. Sectie A6968, Heemsteedse Dreef 72, stond aanvankelijk op naam van: Zendijk, Amon Mozes te Heemstede. In 1943 door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan Burnatot, Francsca, echtgenote van: Vreeswijk, Willem Lambertus. In 1949 door Rechtsherstel op nam van: Zendijk, Bertha Rosette, echtgenote van Gerzon, Ernst te Hattem. Sectie A7524, Meindert Hobbemastraat 5, stond aanvankelijk op naam van Zendijk, Aron Mozes, koopman te Heemstede. In 1944 door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan Brink, Pieter, scheepagent te Heemstede. In 1949 door Rechtsherstel op naam van: Zendijk, Bertha Rosetta, echtenote van Gerzon, Ernst te Hattem. Sectie A5740, Heemsteedse Dreef 125 stond aanvankelijk op naam van Zendijk, Amon Mozes, koopman te Heemstede. In 1944 door bemiddeling van N.G.V. verkocht aan Molenaar, Leendert, bouwkundige te Heemstede. In 1949 door Rechtsherstel op naam van: Zendijk, Bertha Rosette, echtgenote van Gerzon, Ernst te Hattem. Sectie A6622, Johannes Vermeerstraat 20, stond aanvankelijk op naam van de firma Gebr. Buchsbaum te ‘s-Gravenhage. In 1944 verkocht door bemiddeling van de N.G.V. aan Pruijs, Pieter Pieterse bouwondernemer te Santpoort (Velsen). In 1945 door verkoop naar: Schoup Dr. Joan Gustave Henri, ambtenaar te ‘s-Gravenhage. In 1949 door Rechtsherstel op naam van: firma Gebr. Buchsbaum te ‘s-Gravenhage (Scheveningen). Idem: Sectie A6623, Joh. Vermeerstraat 81; Sectie A6624, Joh. Vermeerstraat 16; Sectie A6625, Joh. Vermeerstraat 14; Sectie A6626, Joh. Vermeerstraat 12. Sectie A7442, Fr. Schubertlaan 71, stond aanvankelijk op naam van Zendijk, David Leon, fabrikant te Deventer. In 1944 door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan: Carolina Henriëtte Josephine Bakker, weduwe van Pieter Faber te Heemstede en cons. In 1950 door rechtsherstel op naam van: Zendijk, David Leon voornoemd. Sectie A6890, Heemsteedse Dreef 112, stond aanvankelijk op naam van David Leon Zendijk, fabrikant te Deventer. In 1944 door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan Vens, Krijn, aannemer te Zaandam. In 1949 door Rechtsherstel op naam van D.L.Zendijk voornoemd. Sectie A6284, Heemsteedse Dreef 179, stond aanvankelijk op naam van Zadok de Raaij, koopman te Haarlem. In 1944 door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan: Carolina Helena Swaving buiten gemeenschap van goederen gehuwd met Mr. Johan Alex Levert, directeur ener N.V. te Heemstede. In 1950 door Rechtsherstel op naam van Frieda Helena de Raaij, kantoorbediende te Heemstede. Sectie B5336, Sectie B5337, Clivialaan 23-25 en Sectie B5540, Clivialaan 5-13 stonden aanvankelijk op naam van Emanuel Lissaur, koopman te Amsterdam. In 1944 door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan Friedrich Karl Riedel, koopman te Aerdenhout en Willem Hagen, Koopman te Amsterdam. In 1944 werden Sectie B5336 (nr.27) en sectie B5337 (nr.23-25) gesteld op naam van W.Hagen voornoemd. Sectie B5540 werd gesplitst in Sectie B nr.6891 (nrs. 5 t/m11) en Sectie B nr. 6890 (nr.13). Sectie B6891 ging over op de naam van F.K.Riedel en Sectie B6891 op naam van W.Hagen voornoemd. Alle percelen aan Rechtsherstel, thans op naam van Jesaia Lissaur, koopman te Amsterdam. Sectie A5756 en Sectie A5757, gelegen westelijk van perceel van Jac. van Ruysdaellaan 38 en Sectie A5759, Jac. van Ruysdaellaan 40 stonden aanvankelijk op naam van Lize Geertruida Gerzons b.g.v.g. gehuwd met Meier van Moppes, koopman te Amsterdam. In 1944 door bemiddeling van N.G.V. verkocht aan: Jan Marinus Poelman, adj. commies ter gemeentesecretarie Heemstede. In 1944 verkocht aan Dingenis Poelman, hotelhouder te Middelburg. In 1948 door Rechtsherstel op naam van L.G.Gerzons voornoemd. Sectie B5821 Zandvoorter Allee en Sectie B5822 stonden op naam van Salomon Mozes Mossel, koopman te Amsterdam. In 1944 door middel van N.G.V.verkocht aan Pieter Langeveld aannemer te haarlem. In 1949 door Rechtsherstel op naam van: S.M.Mossel voornoemd. Sectie A7472, Joh. Wagenaarlaan 38 stond aanvankelijk op maam van: Margaretha de Groot b.g.v.g. gehuwd met Abraham van Beetz, bonthandelaar te Amsterdam. In 1944 door bemiddeling van de N.G.V. verkocht aan Carolina Henriëtte Josephine Bakker, weduwe van Pieter Faber, wonende te Heemstede en cons. In 1950 door Rechtsherstel op naam van Margaretha de Groot voornoemd. Op basis van een op 11 augustus 1941 door de bezetter uitgevaardigde Verordening 154/1941 zijn regelingen getroffen voor joodse bezttingen. Onroerende goederen moesten worden aangemeld bij de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV), die het beheer op zich nam. Bosbeek in Heemstede, Glipper Dreef 209, kwam per 6 augustus 1942 onder beheer van de NGV. Op 14 februari 1944 is het landgoed voor  135.000 gulden verkocht aan de Nazional Sozialistische Volkswohlfahrt eigener Verein (NSV) te Berlijn. Hiervan is ƒ 65.000,- aangewend ter besteding van een krediethypotheek ten behoeve van Trustenad te Amsterdam – een N.V. Trust & Administratie Maatschappij, in 1921 gesticht om de zakelijke belangen van Fritz Gutmann en zijn broers en zusters te behartigen. Na de Bevrijding zijn de erfgenamen van de omgekomen Gutmann formeel in het beheer van Huize Bosbeek hersteld. De Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel besloot in het vonnis van 7 januari 1950 dat de vorderingen van Gutmann en Trustenad, behoudens enkele ondergeschikte punten, toegewezen werden en herstelde daarmee de erven in de eigendomsrechten van Bosbeek. Voor derving en toegebrachte schade werd aan de partij Gutmann een bedrag van ƒ 19.669,48 toegekend. Op 20 december 1950 is Bosbeek vervolgens door de erfgenamen van Fritz Gutmann voor ongeveer 200.000 gulden verkocht aan de Sint Hiëronymus Aemilianus Stichting (Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid) in Amsterdam

BIJLAGE 7:  Door Duitse bezetters gemaakte inventarisatie van bij gedeporteerde Joden in Heemstede in beslag genomen eigendommen met waardebepaling. Goederen van waarde (veelal meubilair, een fiets etc.) naar Duitsland getransporteerd. Informatie NIOD, Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg. Inventaris: Hausraterfassung.  41 a Haarlememermeer – Heemstede – ELSE RACHEL LANDSBERGER, Alberdingk Thijmlaan 67. Geboren 15 oktober 1891 in Beuthen, afkomstig uit Amsterdam, weduwe van Ernst Rosenstein. 1 dochter. Opgemaakt 30 mei 1942. Waarde ƒ 1.400,- [Teruggekeerd in Heemstede: 28 augustus 1948: J. Perklaan 6] – REBECCA VAN DAM, dr. P.Cuyperslaan 21a. Geboren op 23-8-1889 in Amsterdam.  Sinds 1938 gescheiden van Christian Pointl. Opgemaakt 10 april 1942. Geen waarde toegekend (meubels behoren aan ex-man). – BURECH/BARUCH HOFFMANN, Glipperweg 61c. Geboren 10 april 1911 in Kalusz (Polen). Ongehuwd. Magazijnbediende. Opgemaakt 29-5-1942. Waarde ƒ 30,-. [Op 2 oktober 1942 uitgeschreven naar Amsterdam. Op 31 maart 1944 omgekomen in Auschwitz] – ALEXANDER HEGT, Havenstraat 40. Geboren 9 juli 1879 in Amsterdam. Getrouwd met Diena Katz (geb. 31-8-1871). Opgemaakt 8 april 1942. Waarde ƒ 110,-. [In bevolkingsregister vermeld: vanuit Postlaan 4 op 19 mei 1942 uitgeschreven naar Amsterdam. Zowel Alexander Hegt als ziijn echtgenote Diena Hegt-Katz zijn op 28 mei 1943 omgebracht in Sobibor] – NANETTE RACHEL RODRIQUES PEREIRA, Herenweg 77d. Geboren 8 juni 1883 in Amsterdam. Weduwe. Opgemaakt 9 april 1942. Geen waarde toegekend. [Na de oorlog in Heemstede teruggekeerd]. – PHILIP SALOMON KLIJN, Landzichtlaan 6. Geboren 5-2-1875 Amersfoort. Opgemaakt op 29 mei 1942. “Naar het buitenland afgevoerd”. Waarde ƒ 349,50. Vorig adres Javalaan 22, Heemstede van 30 mei 1940 tot 27 mei 1941. [Op 24 november 1942 uitgeschreven naar het buitenland. Op 17 september 1942 omgekomen in Auschwitz. Tegelijk met zijn echtgenote Rosetje Klijn-Troostwijk] – W. ANDRIES, Landzichtlaan 51. Opgemaakt 9 april 1942. Geen meubels, enkel kleding. Geen waarde toegekend. [Vermoedelijk is bedoeld Louis Andries, geboren 11 februari 1873 in Amsterdam. Verbleef in een een pension Landzichtlaan 51 en enkele andere adressen (Bosboom Toussaintlaan 64). Is op 18 januari 1943 naar Amsterdam uitgeschreven. Op 26 maart 1943 omgebracht in Sobibor]. – BERNHARD MORITZ SCHUSTER, Narcissenlaan 16. Geboren 13-11-1888 in Frankfurt am Main, afkostig uit Amsterdam. Opgemaakt 30 mei 1942. Waarde ƒ 218,-.  Voorts: 5 personen Narcissenlaan 7. Opgemaakt 9 april 1942. Waarde ƒ 213,-. [B.M. Schuster is tegelijk met zijn echtgenote Rosa Schuster-Monachimoff op 13 augustus 1942 omgekomen in Auschwitz. Voorts: Klaus M. Schuster, geboren 14 mei 1931 in Amsterdam, omgekomen 19-11-1943 en Werner A.Schuster, geboren 10-1-1933 in Amsterdam overleden op 19-11-1943 in Auschwitz. Nota Bene: Robert Hermann Seelenfreund, geboren 18 januari 1935 in Leipzig, woonde sinds 20 oktober 1939 op het adres Narcissenlaan 16, is 12 januari 1942 uitgeschreven naar Amsterdam en 23 juli 1943 omgebracht in Sobibor]. – SIEGFRIED CHARLES BERTUS STöDEL, Overboschlaan 77. Geboren 8-12-1915 Arnhem. Opgemaakt 13-4-1942. Waarde ƒ 40,-. [In het bevolkingsregister m.i.v. 28 oktober 1940 ingeschreven op het adres Pieter de Hooghstraat 24. S.Ch.B.Stödel is op een onbekende dag in augustus 1943 gestorven in Lublin]. – KATE HENDRIX, Oosterlaan 5. Opgemaakt 10 april 1942. Geen waarde toegekend. [Zij was verpleegster en is op 18 januari 1943 uitgeschreven naar Amsterdam. Zij overleefde de oorlog. Dochter van Alexander Hendrix en Johanna Hendrix-Elias, van 17 mei 1940 tot 10 augustus 1940 woonachtig geweest op het adres Cloosterlaan 10]. – MAURITS THEODORUS VAN LEER, Postlaan 6. Geboren 31-12-1863 in Assen. Gehuwd met Marianne Godschalk (geb. 26-11-1874 in Assen) Geboren 7 april 1942. Opgemaakt 7-4-1942. Waarde ƒ 623,-. [op 15 november 1942 uitgeschreven naar Amsterdam. Maurits Th. van Leer, zijn vrouw Marianne van Leer-Godschalk en zijn zuster Theodora Francisca van Leer (geboren 20 juli 1873 in Assen) zijn allen op 30 april 1943 omgebracht in Sobibor]. – SOPHIA KANTEMAN, Rhododendronplein 6. Geboren 11-3-1875 Hengelo. Weduwe van Louis Jacobson, 1 kind inwonend. Opgemaakt 9 april 1942. Waarde 90 gulden. [Inwonende dochter betrof Flora Anna Jacobson. Moeder en dochter zijn op 9 augustus 1933 ingeschreven op het adres Rhododendronplein 6 en op 18 januari 1943 uitgeschreven naar Amsterdam. Sophia Jacobson-Kanteman is op 5 maart 1943 omgekomen in Sobibor. Haar dochter overleefde de oorlog]. – BARRY ALFRED SPANJAARD, Timorstraat 31. Geboren op 16 augustus 1929 in New York.  Opgemaakt 9 april 1942. Geen waarde toegekend. [Op 18 januari 1943 uitgeschreven naar Amsterdam. Overleefde de oorlog]. – FINA ROTHSTEIN, Johannes Vermeerstraat 32. Geboren 21-8-1894 in Birlobrszeg (Polen), afkomstig uit Amsterdam. Ongehuwd en inwonend. Opgemaakt 11 april 1942. Waarde ƒ 135,- [In het bevolkingsregister Heemstede op 20 februari 1934  geregistreerd op het adres Meer en Boslaan 40. Op 18 juli 1942 uitgeschreven naar Amsterdam.  Overleden op 28 januari 1944 in Auschwitz]. =====================================================BIJLAGE 8:  Archiefstukken betreffende Joodse maatregelen in archief gemeentepolitie Heemstede 1940-1945 1938-1940: – Het Duitse Generalkonsulat vraagt op 30 november 1938 of Otto Frank, geboren op 3 juli 1894 te Duisburg-Meiderich op 8 mei 1938 van Heemstede naar Amsterdam is verhuisd. Dossier vreemdelingen  – Zirkular des Generals-Sekretars Stellenvertretend Haupt des Justizministerium nummer 22830 de dato 1 september 1940 inzake de evacuatie van Joden uit het kunstgebied; – Opgave van niet-arische vreemdelingen, die in Nederland zijn gekomen tussen 1 juli 1933 en 1 maart 1938. 1941 – I.Polak, Hendrik Peeperkornstraat 29, verzoekt op 19 april 1941 om zijn radio te mogen behouden. Zijn vrouw is vol Arisch (740/41) – Bewegingingsvrijheid Joden (AZ 1878/41) 1942 – Schrijven inzake inleveren van rijwielen door Joden (1462/42) – Beschikkingen ‘Optreden Joden in het openbaar'(AZ 46/42) – Bericht over een Nederlandse dienstbode werkzaam bij Joodse familie terwijl dat is verboden (AZ 245/41) – Voor de café’s worden 10 bordjes ‘Verboden voor Joden’ bijbesteld. – Instructie ‘Verboden voor Joden’ (AZ 374/42) – Correspondentie over de verhuizing van J.Koe (AZ 329/42) – Opvrage eigendomen van mevrouw S.Frederiks-Frenkel. Informatie verstrekken aan de Joodse Raad, Spaarnelaan 25 te Haarlem (AZ 708 en 948/42) – Bekendmaking over het betreden van het kunstgebied en het dragen van de David-ster (AZ 963/42) – Opgave van goederen en voorwerpen welke Joden mogen meenemen (AZ 1779/42) – Geheim stuk over maatregelen tegen Joden de dato 15-09-1942 (AZ 2153/42) 1943 – Klacht inzake niet dragen van een ster (AZ 1/43) – Briefje over zoekraken persoonsbewijs van Guttmann (Bosbeek) en kontakten met inbrekers (AZ 111-43) – Bericht dat mevrouw Venlet-Koe, Dreef 164, geen ster zou dragen (AZ 241/43) – Stukken van Volkshuisvesting te Amsterdam (AZ 479 en 853/43) – Bestrijden van het vluchten van Joden (AZ 1806/43) – Bepaalde Joden zijn vrijgesteld van het dragen van de Davidster (AZ 2305/43) – Een verloren persoonsbewijs wordt aangetroffen bij een Jood. De gegevens zijn gedeeltelijk vervalst (2815/43) – Liquidatie Van Duijn in de Haarlemmermeer. Proces-verbaal 2516-43 1944 en 1945 geen specifieke documentatie. Nota Bene. In de raadsnotulen van de gemeente van 1940 tot 1945 wordt met geen woord over het lot van de Joodse medeburgers gerept. BIJLAGE 9: Protest in Amsterdam tegen de jodenvervolging in februari 1941

Na de dood van collaborateur H.E.Koot op 14 februari 1941 organiseerden de Duitse bezteers razzia's op Joodse burgers op 22 en 23 februari. Dat was aanleiding voor de Februaristaking 1941. Blad 1 van een illegaal verspreid blad waarin wordt opgeroepen tot protest

Na de dood van collaborateur H.E.Koot op 14 februari 1941 organiseerden de Duitse beztetters razzia’s op Joodse burgers op 22 en 23 februari. Dat was aanleiding voor de Februaristaking 1941. Blad 1 van een illegaal verspreid blad waarin wordt opgeroepen tot protest

Achterzijde van het in Amsterdam verspreide pamflet om te protesteren tegen de razzia's op Joden

Achterzijde van het in Amsterdam verspreide pamflet om te protesteren tegen de razzia’s op Joden op 22 februari 1941. Het gevolg was de februaristaking van 25-26 februari.

BIJLAGE 10: het na-oorlogse lot van Herman Leefsma uit Gorredijk, de enige persoon die 6 concentratiekampen overleefde

Column van René Diekstra uit het Haarlems Dagblad van 13 mei 2013

Column van René Diekstra uit het Haarlems Dagblad van 13 mei 2013

Buchenwald was het laatste kamp waar Herman Leefsma gevangen zat en in april 1945 werd bevrijd.Op deze foto ligt op de onderste laag van de britsen. De eerste van de vier personen (helemaal links, vooraan dus) is Herman Leefsma. Hij emigreerde naar de V.S. en is in 2002 overleden.

Buchenwald was het laatste kamp waar Herman Leefsma gevangen zat en in april 1945 werd bevrijd. Op deze foto ligt hij op de onderste laag van de britsen. De eerste van de vier personen (helemaal links, vooraan dus) is Herman Leefsma. Hij emigreerde naar de V.S. en is in 2002 overleden.

BIJLAGE 11: Fotografen Kurt en Margot Lubinski die in 1937 tijdig vanuit Heemstede uitweken naar Londen De Duitse emigrantenfotograaf en Journalist Kurt Lubinski (Berlijn 1899 – New York 1969) vervulde een pioniersrol in het nieuwe genre van de reisfotografie. Als fotograaf werkte hij nauw samen met zijn echtgenote Margot. De links-liberale Lubinski kwam uit een intellectueel joods gezin. Rond 1930 werkte hij voor het fameuze Berlijnse krantenconcern Ullstein Verlag en als fotojournalist trok hij de wereld door. Zijn reportages verschenen in gerenommeerde Duitse tijdschriften en kranten. Zijn humanistische foto’s tonen authentieke maar ook kwetsbare volkeren en culturen. Met vrouw en zoon vluchtte Lubinski in 1933 voor het opkomende nationaal-socialisme naar het neutrale en veilig geachte Nederland. Hij woonde in Heemstede. Lubinski werkte voor de populaire geïllustreerde tijdschriften van de Haarlemse uitgeverij Spaarnestad. In 1927 reisde hij naar Abessinië en het jaar daarop voor ongeveer 6 maanden met zijn echtgenote naar de Sovjet-Unie, o.a. dwars door Siberië, door hen “een onherbergzaam oord van politieke bannelingen” genoemd. Reizen volgden naar onder meer Amerika (1929), Noord-Afrika (1930, gevolgd door West- en Zuid-Afrika), de Balkan en Turkijke (1932). Eind 1937 weken de Lubinski’s  uit naar Engeland en in 1943 vertrokken ze naar de Verenigde Staten. Kurt Lubinski – intussen gepromoveerd – veranderde zijn voornaam in Curtis en woonde aan de statige Amsterdam Avenue in New York. Zijn carrière als fotograaf was echter voorbij. Hij raakte in de vergetelheid. Hij deelt zijn lot met een hele generatie kunstenaars en fotografen die door de oorlog haar opdrachtgevers, archieven en publiek kwijtraakte. Lubinski’s vintageprints zijn een aantal jaren geleden weer opgedoken bij het Ullstein Verlag en het Spaarnestad Fotoarchief in Haarlem. Louis Zweers stelde in 2009 een boek samen onder de titel: ‘Kurt Lubinski (1899-1969); fotograaf in exil’. Uitgegeven bij de Walburg Pers. In deze uitgave benadrukte Louis Zweers vooral werk van Lubinski’s  reizen door Europa, Turkije, Amerika, de Sovjet Unie en Afrika. Bovendien had in 2009 van 7 maart tot 8 juni een overzichtstentoonstelling plaats in het Joods Historisch Museum.

Vooromslag van het in 2009 uitgeven boek over Kurt Lubinski

Vooromslag van het in 2009 uitgeven boek over Kurt Lubinski

Kurt Lubinski is 19 oktober 1899 in Berlijn geboren. Hij trouwde aldaar met Margot Lewin-Richter (geb. 17 maart 1906 in Berlijn-Wilmersdorf). Op 22 november 1931 is hun enige kind geboren, een zoon: Peter Thomas. Als beroep gaf Kurt Lubinski op: foto-journalist. Op 30 augustus 1933 is het gezin na een kort verblijf in Haarlem te Heemstede ingeschreven in het bevolkingsregister op het adres Clivialaan 14 in de Bloemenwijk nabij het station.

Advertentie van Kurt & Margot Lubinski, Clivialaan 14 Heemstede

Advertentie van Kurt & Margot Lubinski, Clivialaan 14 Heemstede

Op 4 februari 1937 is de familie uitgeschreven met als nieuwe bestemming Londen. Van daaruit zond hij aanvankelijk zijn beelden met bijgaande teksten door naar o.a. de Katholieke Illustratie en Panorama. Aanvankelijk vooral in Duitse boeken en bladen publiceerde Lubinski al voor zijn komst naar Heemstede ook in Nederlandse tijdschriften. In 1943 is Kurt Lubinski met echtgenote en zoon in New York aangekomen. Hij promoveerde aan de New York University en begin jaren vijftig ontvingen zijn het Amerikaanse staatsburgerschap. Aan zijn loopbaan als fotograaf was toen al een einde gekomen.

Vrouw op het strand in Biarritz, Frankrijk door Kurt Lubinski, gepubliceerd in Het Leven (Spaarnestad Photo)

Vrouw op het strand in Biarritz, Frankrijk door Kurt Lubinski, gepubliceerd in Het Leven (Spaarnestad Photo)

Advertentie van voordracht door Lubinski uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 15 februari 1937

Advertentie van voordracht over Siberië met lichtbeelden door Lubinski uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 15 februari 1937

Tussen 1920 en 19140 zijn bijna 30 publicaties met fotoreportages verschenen van Kurt Lubinski, met vaak ook foto’s van zijn vrouw Margot Lubinski. In 1935 verscheen van zijn hand het boek ‘Abessinië; land en volk’ bij uitgeverij Andries Blitz. In 1938 gaf Hodder and Stougton in Engeland uit: ‘This is our world’.

Vooromslag van 'Abessinië, land en volk' door Kurt Lubinski

Vooromslag van ‘Abessinië, land en volk’ door Kurt Lubinski

Artikel van Harm Botman en Jaaps Sluis over foto's van Kurt en Margot Lubinski in het Soaarnestad-fotoarchief

Artikel van Harm Botman en Jaaps Sluis over foto’s van Kurt en Margot Lubinski in het Spaarnestad-fotoarchief

BIJLAGE 12:  Toelichting bij enkele foto’s van Joodse onderduik bij de familie van Johannes Bogaard in de Haarlemmermeer.

Joodse kinderen, ondergedoken in en rond de boerderij van de familie Bogaard in de Haarlemmermeer

Toelichting: op 6 oktober 1943 is een wachtmeester van de politie in Heemstede door het verzet geliquideerd. Beknopt weergeven was de toedracht van deze liquidatie als volgt. Bij de Cruquiusbrug op de grens van Heemstede en Haarlemmermeer werd een man aangehouden, die clandestien vlees vervoerde. Hij werd door drie controleurs van de Crisis Controle Dienst naar het politiebureau in Heemstede gebracht en ofschoon het vlees van zijn vader afkomstig was verklaarde de man dat het om een slachting bij boer Bogaard in de Haarlemmermeer (Nieuw Vennep) kwam. Met de hoofdcontroleur en een politieman uit Heemstede, die voordien bij de politie in de Haarlemmermeer had gewerkt, begaf men zich vervolgens naar het adres Sloterweg 1252 (thans Rijnlanderweg). Onderweg werden ze ingehaald door de politieauto van de gemeente Heemstede, waarbij de opperluitenant Piet Kramer beval dat de door hem meegebrachte agent P.van Duyn moest meerijden, daar er waarschijnlijk joden in de te bezoeken boerderij zouden zijn verborgen. De boerderij van Johannes [Hannes] Bogaard werd geheel doorzocht, maar zelfs in de geheime bergplaats zijn geen onderduikers gevonden. Van Duyn is toen alleen naar buiten gegaan en – vermoedelijk omdat hij onderduikers ontdekte in de boomgaard achter de boerderij – door een niet-joodse onderduiker Kees met één gericht schot doodgeschoten. Deze liquidatie vond plaats met een geleende revolver van C. van Stam, commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in de Haarlemmermeer. Ruim twintig onderduikers vluchtten op ongeveer vijftig meter afstand het veld in, waarop door de andere politieman nog is geschoten, maar niemand werd geraakt. De hoofdcontroleur heeft in de dichtsbijzijnde boerderij telefonisch om medische hulp en politieassistentie verzocht. Tevens is aangedrongen op versterking van de Duitse politie. Ook de burgemeester en opperluitenant uit Heemstede hebben zich onmiddellijk naar de boerderij van Bogaard begeven. Omstreeks vier uur ’s middags verschenen tussen de 300 en 400 man Ordnungspolizei (vanwege hun groene uniform ook Grüne Polizei genoemd), Sicherheitspolizei uit Amsterdam en Nederlandse politie, die uiteindelijk 34 joodse onderduikers oppakten, verstopt in het bouwland, onder draineerbuizen, in hooibergen e.d. Deze zijn afgevoerd en voor zover bekend allemaal in Duitse concentratiekampen omgekomen. De 78-jarige Joh. Bogaard, vader van Johannes Bogaard, een oom en een zoon ondergingen eenzelfde lot. Als door een godswonder zijn door zoon Willem Bogaard 22 joodse kinderen gered, die zich in het koude water van sloten verborgen hielden en ondanks de ingezette speurhonden niet zijn opgemerkt. Johannes Bogaard, bekend als ‘Oom Hannes’ heeft na de oorlog uitvoerig verslag gedaan van zijn activiteiten. Eén citaat daaruit: “(…) Ook heb ik diezelfde tijd nog 2 oude mensen uit het invalidehuis in Arnhem gehaald en bij mijn broer ondergebracht en nog een meisje ook uit Arnhem en in Heemstede onder gebracht en nog 2 oude mensen uit Amsterdam, ik heb toen nog hele jonge mensen weggehaald die pas gehuwd waren en de vrouw nog een baby verwachtte.” Een uitvoerig proces-verbaal met feitenverslag van de gebeurtenissen op 6 oktober is opgesteld door opperwachtmeester van politie A.Velema [Div. 2516-43]. De boerderij van de Bogaards lag in de uitgestrektheid van de Haarlemmermeer onder Nieuw Vennep. De familie beleed het gereformeerde geloof. In die tijd was moeder Teuntje (die 12 kinderen had gebaard) al overleden en werd al ‘Opa Hannes’ genoemd, ter onderscheiding van zijn zoon die men ‘Oom Hannes’ noemde.  Die woonde schuin aan de overzijde in een dubbel daglonershuisje met zijn struise vrouw Klaasje en hun dertien kinderen. Opa Hannes zei altijd “De joden zijn het uitverkoren volk Gods”. En zijn ongetrouwde zonen Teunis en Willem, die beiden op een zondagsschool stonden zeiden steevast: “De Duitsers horen hier niet”.

Willem Bogaard, zijn echtgenote en 4 ondergedoken Joodse kinderen

Ondergedoken bij de boerderij van Johannes Bogaard in de Haarlemmermeer

Een groep onderduikers op de boerderij van de familie Bogaard

Een groep onderduikers op de boerderij van de familie Bogaard

Verborgen en op 6 oktober 1943 ontdekte Joden op de boerderij van Johannes Bogaard

Een provisorische schuilplaats door middel van draineerbuizen

Willem en Teun Bogaard, zonen van Johannes Bogaard, hier met 2 Joodse kinderen die rond de boerderij een schuilplaats hadden.

Op 6 oktober 1943 zijn o.a. in het hooi in totaal 34 Joodse onderduikers rond de boerderij van Bogaard ontdekt en opgepakt

Johannes Bogaard sr. die op 15 februari 1944 op 79-jarige leeftijd omkwam in het Duitse concentratiekamp Sachsenhausen.

Opa Boggard met een aantal Joodse onderduikers. Helemaal links Louis Busnach (Karel) en zijn vrouw Dina Busnach-van Bienen. op de dag van het drama waren zij niet op de boerderij aanwezig en ontkwamen aan het drama. Zie: Joodse onderduikers, in het boek van Frans Out en Marca Bultink: Hillegom '40-'45 (1987). p.56vv.

Opa Bogaard met een aantal Joodse onderduikers. Helemaal links Louis Busnach (Karel) en zijn vrouw Dina Busnach-van Bienen. op de dag van het drama waren zij niet op de boerderij aanwezig en ontkwamen aan het drama. Zie: Joodse onderduikers, in het boek van Frans Out en Marca Bultink: Hillegom ’40-’45 (1987). p.56vv.

Johannes Bogaard (1891-1974) die van talrijke Joodse medeburgers, vooral kinderen, het leven redde. Op het moment van de inval op 6 oktober 1943 zat hij zelf elders ondergedoken.

Maquette in verzetsboerderij van Bogaard onthuld. Uit: Haarlems Dagblad van 7-10-1999

Maquette in verzetsboerderij van Bogaard onthuld. Uit: Haarlems Dagblad van 7-10-1999

Een door de Duitse politie genomen foto van de neergeschoten wachtmeester. In een opinërend stuk werd in het Haarlems Dagblad gesproken van een barbaarse daad zonder enige verwijzing naar de gevangenneming en deportatie van Joodse onderduikers.

NSb-burgemeester van Riesen, die in verhoren zijn rol steeds bagatelliseerde heeft over de dood van politieman Van Duijn en het oppakken van ondergedoken joden in 1946 het volgende verklaard: ‘Op een morgen hoorde ik van [politieluitenant] Kramer dat van Duijn doodgeschoten was in de Haarlemmermeer, bij de opsporing van clandestien vleesch. Kramer en ik gingen per auto erheen, en na inlichtingen gevraagd te hebben aan de Haarlemmermeersche politie, kwamen wij op een erf aan, waar de Politie van de Haarlemmermeer druk in actie was, waar we de agent Velema aantroffen en waar we van Duijn doodgeschoten vonden. Velema gaf een verslag dat er Joden op het erf verborgen waren geweest en wees ons op de verblijfplaats ervan aan vertelde dat een gedeelte ervan de Haarlemmermeer in gevlucht waren. Inmiddels was er een groep Grüne Polizei aangekomen, o.a. met honden en die spoorden daar toen ik aanwezig was een groot aantal Joden op, die onder drainagebuizen en hooibergen verstopt waren geworden. Ik schatte het aantal op ongeveer 20 personen (Joden). Later zijn nog circa 10 door de Grüne Polizei die door het bouwland heentrok aangehouden. De politie van Haarlemmermeer was al aanwezig voor onze komst.’

Overlijdensadvertenties P.van Duijn/Duyn [ontvangen via Eric Wilderom]

Eén dag na het gebeurde rond de boerderij van Bogaard, namelijk op 7 oktober 1943, stond in de (gecensureerde) pers al een bericht over het overlijden van wachtmeester P.van Duyn, zonder enige toelichting over aanleiding en omstandigheden waaronder de liquidatie plaatsvond: “In den morgen van 6 October werd het Heemsteedsche politiecorps opgeschrikt door de treurige mededeling dat een harer beste corpsleden, wachtmeester P.van Duyn, in den ouderdom van 29 jaar door een noodlottig ongeval uit het leven is weggerukt. Wachtmeester Van Duyn stond niet alleen bij zijn corpschef doch ook bij zijn collega’s en velen in de gemeente als een plichtsgetrouw, rechtvaardig en idealistisch politieman bekend. Hij is heengegaan, zoals hij altijd was n.l. monter, opgewekt en enthousiast in zijn dienst. Hij was niet alleen een goed politieman, doch ook een faire sportmakker. Als bestuurslid van de Heemsteedsche politiesportvereeniging wist hij door zijn persoonlijken inzet de Vereeniging op te voeren, zodat deze overal een goeden naam wist te verkrijgen. Zelf was hij een bekwaam sportfiguur en velen zullen hem ook in deze hoedanigheid op de politiesportvelden missen. In hem verliest het corps een van zijn beste leden, die ls een lichtend voorbeeld voor vele anderen gesteld kan worden. De heer Van Duyn begon zijn politieloopbaan te Katwijk, waar hij van 1934 tot 1937 tijdelijk agent was. Op 8 november 1937 volgde zijn aanstelling als agent van politie te Heemstede.”

Begrafenis met korpseer vanaf het politiebureau via het raadhuis naar de algemene begraafplaats voor politieagent P.van Duyn in 1943

Begrafenis met korpseer vanaf het politiebureau via het raadhuis naar de algemene begraafplaats voor politieagent P.van Duyn in 1943

Begrafenis op 11 oktober 1943 met korps- en SS-eer voor een omgekomen wachtmeester. De kleine man in het midden in zwart NSB-uniform is burgemeester Van Riesen.

Verslag van begrafenis P. van Duyn in het Haarlems Dagblad van 12 oktober 1943.

Bericht van begrafenis P.van Duyn in het politievakblad van oktober 943