WERELDJAMBOREE 1937 IN VOGELENZANG: EEN PRACTICAL JOKE VAN GODFRIED EN JAN BOMANS: BEZOEK VAN DE PRINS VAN DZJIBOUTI  AAN HAARLEM

3 in 1937 door de PTT uitgegeven postzegels bij gelegenheid van de Wereldjamboree

Nog een affiche van de Wereldjamboree 1937

In de zomer van 1937 is op de terreinen van ‘Het Huis te Vogelenzang’ en ‘Teylingerbosch’ van de familie Barnaart de vijfde wereld-jamboree gehouden van 31 juli tot 9 augustus (1). Er waren zo’n 27.100 deelnemers uit 35 landen, waarvan 15.526 uit het buitenland, die in tenten sliepen. Eregasten waren koningin Wilhelmina en de oprichter van de scouting-beweging de Engelsman Lord Baden Powell. In deze periode woonde de familie Bomans op Berkenrode aan de Herenweg. Godfried Bomans was 24 jaar en zijn jongere broer 22. Eerstgenoemde studeerde rechten in Amsterdam en kwam in de weekenden vaak thuis. Jan Bomans werkte na het Triniteitslyceum te hebben gevolgd als volontair op de gemeentesecretarie van Bennebroek en woonde nog op Berkenrode.

‘Berkenrode’ waar de familie Bomans zich in 1933 vestigde en mr. J.Bomans 19 maart 1941 overleed. Godfried schreef op de achterzijde van deze foto: “mijn moeder bleef er tot na de bezetting wonen.”

Michel van der Plas schreef in ‘Godfried’ (2) over de jamboree het volgende: “De belangstelling van het Nederlandse publiek, de Haarlemmers voorop, is geweldig. Ieder wil ze wel zien, de Schotten die rokjes dragen, de Polen met hun wandelstokken en de Hongaren die pluimen op hun hoed hebben. Iedere verkenner wordt om zijn handtekening gevraagd en de vraag ‘Change?’, doelend op de uitwisseling van kleine souvenirs, is niet van de lucht. Daar springen dan ineens de twee gebroeders – Godfried en Jan – Bomans tussen met een maskerade, een practical joke, die illustreert hoe groot de goodwill is van padvinders in die dagen bij het publiek. Er bestaan twee versies van de act, een van Godfried en een van Jan. De laatste is de historisch juiste. Van de eerste zou men willen dat het de echte was. Men wordt herinnerd aan wat Godfried bewonderd heeft in zijn vader: de kunst van het liegen. Zijn verhaal heeft de volle kracht van de met groot talent verdichte waarheid. Met moet het prijsgeven ter wille van de historische toedracht. Dat doet men met spijt, maar niet dan nadat men nog eenmaal van de mooie leugen genoten heeft, van de dichterlijke vrijheid.” (3)

Foto van Jan Bomans, vermomd als prins van Dzjibouti, vervaardigd door vaste fotograaf in de Haarlemmerhout

Een echte arabische padvinder tijdens de wereldjamboree van 1937 (foto Wiel van der Randen)

“Op de Jamboree verscheen mijn broer als de zoon van de koning van Amman. Ik trad daarbij op als zijn dienaar en droeg een parasol. Jan was nogal gebruind en zag er met een baard en boernoes heel aannemelijk uit. Ik droeg eenvoudig Europese kleding, wat het heel authentiek maakte. Wij spraken druk met elkaar; we herhaalden voortdurend de eerste bladzijde van de Odyssee. We hadden de kampleiding van tevoren opgebeld. De beginzin was: Wat ik nu ga zeggen, moet u niet ongerust maken. Dat was voldoende om aan de andere kant van de lijn paniek te zaaien. De tweede zin luidde: U moet er ook vooral niet te veel werk van maken. Daar suggereerden we mee, dat het uiterste werd gevergd van het ontvangstcomité. Daarna pas deelden we namens de Ammanese ambassade mee dat de kroonprins zelf een hartstochtelijk padvinder, voor een bliksembezoek onderweg was naar het kamp. De ontvangst was indrukwekkend. We arriveerden per taxi. Alle hoofdverkenners stonden klaar. We inspecteerden bijna alle tenten. Overal gingen we op de grond zitten, waardoor we de anderen in verlegenheid brachten. We uitten tenslotte onze hoge tevredenheid en vertrokken naar V & D. Ook die waren tevoren per telefoon op de hoogte gebracht. De chef stond in jacket klaar. Achter ons aan liepen in het gevolg nog dienaren met een brillenkoker, een paar witte handschoenen en een sandelhouten kistje (hier staat het nog) waarin verondersteld werd dat zich geurige specerijen bevonden. We bezochten voornamelijk de tapijtenafdeling. Mijn broer wees er korzelig naar een rol; toen die werd uitgerold beet hij erin en keek misprijzend. Daarna reden we naar Brinkmann. Daar hadden we naar opgebeld met de bekende beginzinnen, gevolgd door de mededeling dat de vorst er een eenvoudig kopje thee kwam drinken, maar wel met een wat aardig garnituur – kreeft, kaviaar, een stuk reerug, enfin ze moesten maar zien. Er moest vooral niet teveel staatsie zijn en geen loper uitgerold worden, en de prins wenste het gewone bedienend personeel te zien. Jan was erg goed in het terugsturen van schotels waar voor het oog niets aan mankeerde. Hij knipte veel en hard met zijn vingers. We brachten er bij onze binnenkomst deze finesse aan, dat we de aanwezige bestekken lieten vervangen door het zilver dat een onzer in een cassette thuis had meegenomen. Daar lang blijven gevaarlijk was, bleek de vorst overal gepresseerd. Ook hier. Jammer was dat we bij de uitgang de rekening gepresenteerd kregen. Ik gaf de chef opdracht die naar mr. Bomans te zenden.”

Ook Jan Bomans heeft zijn versie van het gebeuren op schrift gesteld (4). Hij schrijft: “Te mooi om waar te zijn is ook ons optreden als Prins van Djibouti. Godfried maakte er van Koning van Amman. Die titel is natuurlijk niet belangrijk. Wel dat Godfried het mooier wil maken dan het was en ook kon zijn. De waarde zit hem in de spontane opwelling en uitvoering. Er is geen student aan te pas gekomen, laat staan een minutieuze voorbereiding. Hier wil Godfried ineens het rijkelui’s zoontje uithangen in het sfeertje dat hij zo goed van Hildebrand kende als student. Die sfeer bestond ten enen male niet bij ons thuis, hetgeen afdoend bewezen wordt in de bijdrage van mijn broer Rex in Herinneringen. Daar vraagt vader na Rex’ slagen in Delft naar diens schulden. Die zijn er echter niet, tot verbazing en teleurstelling van de man die ze zo graag vereffend had. Met een paar tientjes deden we wonderen. Zo was ik te voet van Cluny over Paray le Monial, Ars en de Grande Chartreuse naar La Salette getrokken, diep en hoog in de Franse Alpen, onder invloed van de boeken van Bloy. Met een slaapzak op de rug was ik een maand weggeweest en kwam met een baard terug. In die tijd kon men voor twee kwartjes met de bus van Sommeling van Den Haag naar Haarlem. Die bus zou mij naar Heemstede brengen, doch bij Bennebroek nam hij een andere richting, tijdelijk vanwege de jamboree in Vogelenzang. Ik stapte uit en liep de rest. Ik droeg een scout-riem en een in die tijd gangbare golfbroek. Op de laatste kilometers brachten velen mij de verkennersgroet met twee vingers. Ik groette maar terug! Hieraan zal zeker ook het latere idee niet vreemd zijn. Maar voor ik daar toe over ga, wil ik nog iets aardigs vertellen.

Toen ik de parochiekerk passeerde, begon daar juist het lof. Ik ging naar binnen, hetgeen mij zoveel jaren later eigenlijk imponeert, want ik wilde immers dolgraag thuis zijn. Ik liet de (dank)-dienst prevaleren! Ik nam plaats in de heerlijkheidsbanken; onze kerk kent die ook heden nog als herinnering aan de heerlijkheid Berkenrode. Als bewoner van het genoemde huis kwam mij die plaats wel toe, ofschoon we als familie helemaal vooraan in de kerk losse stoeltjes in gebruik hadden. Mijn vader woonde daar de zondagsmis bij, uiterst rechts, meestal staande, wat onze pastoor, Christiaan van Mierlo, mijn vader de titel deed verlenen van de meest vooraanstaande parochiaan van Berkenrode (de parochie draagt de naam van de ambachtsheerlijkheid op wier grond de kerk gesticht werd). De pastoor knielde een paar baken vòòr mij. De toen nog Latijnse hymnen zong ik uit volle borst mee. Op het punt de kerk te verlaten stond hij op en vroeg mij van welke nationaliteit ik was: ‘Ik ben Jan Bomans’, trachtte ik toe te lichten.

Christianus W. van Mierlo, pastoor van H.Bavo-parochie in Heemstede (Berkenrode) van 1935-1955

“Ik vraag van welke nationaliteit u bent!” herhaalde de pastoor, die er kennelijk niets van begreep. Ik kon het hem niet bijbrengen. Toen wij ’s avonds met ons allen thee dronken in een der loggia’s van de buitenplaats, kwam daar na een uur de pastoor op de fiets de poort binnen. Groot was de hilariteit toen hij inderdaad mij als parochiaan tot zijn vertrouwde schapen mocht rekenen.

Wat Godfried vertelt over de boernoes is een vermindering van de werkelijkheid, evenals de door hem genoemde parasol. Godfried wilde aanvankelijk verkleed gaan, doch de aardigheid is juist dat we dit niet gedaan hebben en eigenlijk was de hoofdpersoon evenmin verkleed. Godfried liep in een blauw kostuum drie meter voor mij, de wandelstok van mijn vader, een ebbenhouten geval met zilveren knop als een tambour-maître hanterend. Zelf droeg ik een gewone kampeerbroek, soldatenputtees met rode lintjes van beddentijk en een fez die ik eerder op de Fiero di Milano gekocht had. Onder die fez een afhangende zakdoek tegen de hitte. Toen wij zo de poort van Berkenrode uitschreden richting Haarlem stopte er reeds op de hoogte van onze woning een auto. Vijf meisjes sprongen er uit en vroegen om een handtekening. Godfried bemiddelde, want we sloegen voor beide partijen onbegrijpelijke klanken uit, vervolgens zette ik in het Grieks mijn naam. Ik loog dus niet en mijn baard was niet vals. We zaten ‘snor’ en in groot zelfvertrouwen vervolgden we onze tocht. Wat was nu de oorzaak van het fenomenale succes op die middag? Wel, de mensen kwamen van heinde en verre naar de wereldjamboree om iets bijzonders te zien. Dat valt bar tegen, want alle verkenners zien er hetzelfde uit. Onverwachts zag men zijn moeite beloond, iets aparts.  Iedereen tuin er wat graag in en ik heb inderdaad op de betreffende afdeling van Vroom & Dreesmann in de tapijten staan bijten. Godfried vertaalde aan de chef dat de Prins andere kwaliteit gewenst was! De man begreep niet zonder gêne dat wij zijn inferieure stand moesten verlaten…Het mooiste was de ontmoeting met mijn vader op de Wagenweg. Hij had in zijn roze Mercedes met mijn moeder broer Rex afgehaald die als student uit Delft praktisch werkte in Noord-Scharwoude, dat scheen bij de opleiding te horen. Op de genoemde weg gaat mijn vader op de remmen staan en roept: “Kijk, een Turk!” Ook hier weer dat vervuld zien van een verlangen.  ‘Wat gek’, zei mijn moeder, ‘Godfried loopt voorop’. Ineens zagen ze het, Rex stapte uit maar mijn vader gaf vol gas… Helemaal aan het eind van de odyssee waarbij we elkaar ook vaak toespraken met vaste zinnen uit dit misschien ook wel echte verhaal kwamen we in Den Hout langs zo’n kiekkastje waar je voor een dubbeltje je kon late vereeuwigen. Godfried leidde het weer in en betaalde vooruit (dat hadden we nog wel…) en daaraan danken we die middag ook op beeld. Terwijl de man zijn voorbereidingen trof zei hij tot mijn oudste broer: ‘Wat een typisch Arabische kop is dat, meneer’. Natuurlijk mocht je niet lachen want ik verstond geen Nederlands… Maanden heb ik als blikvanger aan het kastje gehangen. In burger (en geschoren) heb ik de man later niet kunnen wijsmaken dat ik het was! Maar nu een bijzonderheid waarom ik dat alles releveer. Godfried beschrijft in Elsevier en Van der Plas herhaalt nog eens in ‘Dickens waar zijn uw spoken?’ ons bezoek aan de jamboree zelf. Daar zijn we dus niet geweest. Maar dezelfde dag dat Elsevier uitkwam ontmoette ik mijn vroegere buurmeisje op een receptie in Wassenaar. In het bijzijn van velen beschreef ze hoe zijn persoonlijk mij op de jamboree ontmoet had: “Ik zie het nog voor mij!” Ze was er zo van overtuigd en de bijval was zo algemeen dat ik onmogelijk het tegendeel kon beweren: mythevorming waaraan je zelf mee moet doen!”

Een echte prins die wèl aanwezig was in Vogelenzang betrof Gustaaf Adolf van Zweden, die op deze foto koningin Wilhelmina groet bij het defilé

Jaren later ontdekte drs. Cees van Steijnen (5) dat de practical joke van Godfried en broer Jan Bomans tijdens de wereldjamboree in Vogelenzang 1937 (Jan verkleed als Arabische kroonprins) terug gaat op het humoristische boekje ‘De kroonprins van Dziboeti’ van F. de Sinclair (6).

Noten

(1) In 1920 riep Lord Baden Powell voor de eerste maal padvinders uit alle delen van de wereld bijeen om de dank van de jeugd om aan het tot stand komen van de wereldvrede na de Eerste Wereldoorlog gehoor te geven. 27 landen waren vertegenwoordigd. De tweede wereldjamboree had in 1924 te Kopenhagen plaats en de derde in 1929 te Birkenhead. De 22ste wereldjamboree in 2011 was in Zweden en voor 2015 staat Japan op het programma.

(2) Michel van der Plas: Het leven van de jonge Bomans 1913-1945. Bussum, uitgeverij Villa, 1982, blz. 182-184

(3) Niet opgenomen in (verzamelde) ‘Werken’. Deze tekst is gelicht uit een interview met Michel van der Plas. Dat vraaggesprek werd afgedrukt in de Elsevier van 18 april 1970 en is later opgenomen in het boekje ‘Korte berichten’ (informatie van Frank van der Voordt).

(4) Jan Bomans: Godfried achteraf bekeken. Bussum, CentriPress, 1978, blz. 102-106.

(5) C. van Steijnen: De zoon van de koning van Amman of de prins van Dj(z)ibouti? In: Beschreven Bladen, jaargang 6, nummer 5, juni 1996 en in het tijdschrift Godfried van het Godfried Bomans Genootschap, jaargang 19, nummer 2, p.63-68.

(6). F. de Sinclair is de schuilnaam van August Herman van der Feen (1873-1953), die zijn pseudoniem ontleende aan een Schotse voorvader van moederszijde. Hij schreef ongeveer 55 romans, waaronder in 1921 ‘De Kroonprins van Dziboeti’ .

====================================================

Artikel Cees van Steijnen uit Beschreven Bladen (1)

Artikel Cees van Steijnen uit Beschreven Bladen (1)

Artikel Cees van Steijnen. Vervolg 2

Artikel Cees van Steijnen. Vervolg 2

Artikel Cees van Steijnen. Vervolg 3

Artikel Cees van Steijnen. Vervolg 3

Artikel Cees van Steijnen. Vervolg 4

Artikel Cees van Steijnen. Vervolg 4

Artikel Cees van Steijnen. Slot

Artikel Cees van Steijnen. Slot

kroonprins

Vooromslag van ‘De kroonprins van Dziboeti’ door F.de Sinclair

=======================================================

ENKELE AFBEELDINGEN VAN DE WERELDJAMBOREE 1937 IN VOGELENZANG

Entree naar de jamboree 1937 via de Bekslaan in Vogelenzang

Huize Teylingerbosch, bestemd voor centraal bureau en tehuis voor de kampstaf.

Koningin Wilhelmina op de eretribune met links van haar Lord Baden Powell en rechts prins Gustaaf Adolf van Zweden, zelf een scout. Daarnaast in uniform prins Bernhard, die op 7 januari 1937 in het huwelijk was getreden met prinses Juliana.

Op speciaal verzoek van Chief Scout Lord Baden Powell volgde Prins Bernhard de toen 73-jarige Rambonnet op als leider van de Nederlandse verkenners. Hier op een foto uit 1938 in padvindersuniform en met de eretitel ‘Koninklijk Commissaris’.

In de middag van 31 juli 1937 opende H.M. koningin Wilhelmina met een toespraak de vierjaarlijkse wereld jamboree. Naast haar op de eretribune lord baden Powell en hoofdverkenner staatsraad Rambonnet, gedurende het défilé van de 28.000 deelnemers.

Het ogenblik waarop het enthousiasme losbrak, de stormloop naar de tribune, als een massale groet aan de autoriteiten door de padvinders van alle landen.

Enthousiaste padvinders hangen Wereld-jamboree affiches op

Voldoende brandstof voor de kampvuren bij de wereldjamboree 1937. Uit de Katholieke Illustratie van 1-7-1937

Massale samenkomst van padvinders bij het kampvuur

Prins Bernhard kwam 2 x. Hier is hij in geanimeerd gesprek met padvinders uit Nederlands Indië.

Prins Otto von Habsburg werd door zijn landgenoten geestdriftig ontvangen. Hier is hij in gesprek met een Tiroler padvinder

Prins Tsjitsjiboe, broer van de Japanse keizer, wordt hier op de jamboree begroet door het Japanse subkamp.

Deelnemers uit de Verenigde Staten, uitgedost in verentooi als ‘roodhuiden’ ofwel indianen

Op de eerste zondag werd op het grote kerkterrein door apostolisch internuntius mgr. P.Giobbe een pontificale hoogmis opgedagen voor ongeveer 10.000 katholieke verkenners

De erewacht der Polen bij de pontificale hoogmis in het verkennerskamp.

Bisschop mgr. J.P.Huibers reikt aan de Mexicanen de Heilige Communie uit.

Koningin Wilhelmina en prins Bernhard brachten op 4 augustus een officieel bezoek, bij welke gelegenheid zij allerlei geschenken in ontvangst namen. Het Indische contingent bood een prachtig gedreven koperen rooktafel voor het prinselijk jacht aan.

De vlaggenparade in aanwezigheid van Koningin Wilhelmina en Lord Robert Baden-Powell, oprichter van de padvinderij ofwel scouting. Gezongen werd het lied: ‘In 19-3-7 dan zul je wat beleven, dan komt de jamboree naar Nederland…”

Luchtfoto van het kampterrein Wereldjamboree Vogelenzang 1937

Chief-scout Lord Baden-Powell begroet enkele gehandicapte padvindsters tijdens het defilé van de Nederlanders op 6 augustus 1937

De Chief Scout lord Baden Powell die de demonstraties van zeeverkenners bezocht.

Bij het slotkampvuur waren prinses Juliana en beschermheer van de wereldjamboree 1937 prins Bernhard aanwezig

Grote drukte bij het vertrek op het station Bennebroek-Vogelenzang Uit de Katholieke Illustratie van 19.8.1937

Afbeelding van lord Baden Powell uit de katholieke Illustratie van 1 juli 1937

vogelenzang

Het Triniteitslyceum in Haarlem, de school van enkele Bomanstelgen, waaronder Godfried, organiseerde in 1937 een tentoonstelling gewijd aan de wereldjamboree 1937 in Vogelenzang (foto uit Gendenkboek 1922-1947 Triniteitslyceum Haarlem).