ENDENHOUT EN ELSRYK: twee hofdichten door Jan Baptista Wellekens “pastoraal dichter bij uitstek” heruitgegeven

Onlangs is bij Florivallis in Amersfoort een boekuitgave verschenen van: ‘Endenhout en Elsryk’; Buitens met hun bewoners in Haarlem/Heemstede en Amstelveen. Bezongen door Jan Baptista Wellekens (1658-1726). Heruitgegeven en toegelicht door Riet Schenkeveld-van der Dussen en Willemien B.de Vries. 123 pagina’s. ISBN 978 90 75540 47 5. In de boekhandel verkrijgbaar voor 15 euro.

Titelgravure van ‘Endenhout’ door J.B. Wellekens, gegraveerd door Jan Goeree

Sinds 1793/1794 staat de neoclassicistische villa Eindenhout aan het eind van de Spanjaardslaan aan de Wagenweg in Haarlem.  Tot de annexatie van 1 mei 1927 behorende bij Heemstede. Tot de sloop omstreeks 1787 stond hier de hofstede Endenhout pal naast een herberg met de naam ‘Dronkenhuisje’ ofwel ‘Dronkemanshuisje’.

De uit Vlaanderen afkomstige dichter Jan Baptista Wellekens wijdde in 1709 een gedicht van 20 pagina’s aan de buitenplaats van toenmalig eigenaar, de Amsterdamse koopman in textiel Jan Muijser, die het bescheiden buiten in 1703 voor ƒ 4.500,- had verworven. Wellekens schreef behalve over ‘Voortwyk’ (1723) aan de Vecht in Breukelen nog een derde hofdicht onder de titel ‘Gezangen voor Elsryk’ (circa 1707). Een vroegere buitenplaats aan de Amstelveenseweg (nu Amsterdamse weg) bij het tegenwoordige Amstelveen, die vanaf 1685 tot 1720 eigendom was van rechtsgeleerde mr. Philip Moilives van der Noot, (evenals de dichter en eigenaar van een buitenplaats Pieter Vlaming) mecenas van de katholieke dichter J.B.Wellekens.

J.B.Wellekens: Herdenking aan Voortwijk

Het hofdicht

Met uitzondering van J.te Winkel en enkele andere literatuurhistorici heeft het hofdicht lange tijd  minimale aandacht gekregen. In 1957 verscheen een bekroonde monografie van R.Pennink: Silvander (Jan Baptista Wellekens) 1658-1726, Haarlem, De Erven F.Bohn, 1957. Twee in dit verband belangrijke overzichtswerken kwamen in de tweede helft van de vorige eeuw kort na elkaar uit, allebei als dissertatie. In 1960 promoveerde P.A.F. van Veen op een proefschrift over de hofdichten (1) en in 1963 publiceerde Th.J.Beening ‘Het landschap in de Nederlandse letterkunde van de Renaissance’, waarbij ook Zuid-Kennemerland in beschouwing wordt genomen. Verscheidene van de veelal Amsterdamse kooplieden, bankiers en magistraten, lieten hun hofstede bezingen door een dichter. De patriciërs-poëten Constantijn Huijgens (‘Hofwijck’), Jacob Cats (‘Sorghvliet’ nu het Catshuis) en Jacob Westerbaen (Ockenburg bij Loosduinen) deden dat zelf. Opmerkelijk is overigens dat de lusthuizen zelf veelal minder aandacht kregen dan de tuinen, de broeikassen, de kunstwerken (tuinbeelden e.d.), menagerie, de (thee)koepel etc. Algemeen kenmerk van de hofdichten is dat het landleven geïdealiseerd werd, daarentegen het stadsleven als jachtig en onrustig afgeschilderd, als plaatsen waar verdorvenheid heerste. In sommige gevallen hebben de hofdichten ook topografische betekenis, met name voor onze kennis over de geschiedenis van de tuinarchitectuur. Uit de regio Haarlem zijn vooral ‘Hogerwoert’ (gelegen in Schoten, tussen Overveen en het Spaarne: “een vierdedeel van een uur buiten Haarlem”) (2) door eigenaar èn dichter-geleerde Pieter Vlaming (1708) evenals ‘Endenhout’ van J.B.Wellekens bekend geworden.

Hogerwoert door Jan Goeree ‘naar het leven’ afgebeeld. Rechts de ‘Arx Cliv.’ ofwel ruïne van het Huis ter Kleef. 1710 Illustratie bij het hofdicht van Pieter Vlaming, als uitslaande prent opgenomen in Dichtlievende uitspanningen van J.P.Wellekens en P.Vlaming.

Aan ‘Westermeer’ in Heemstede [waar zich nu de Algemene Begraafplaats bevindt] zijn zelfs twee hofdichten gewijd, door Frans Rijk en Willem van der Hoeven (3), terwijl deze buitenplaats bovendien nog genoemd wordt in verzen van Pieter Langendijk en Abraham Bogert. Aan de buitenplaats ‘De Dageraad’ in Bennebroek is een lang vers gewijd door Jan de Marre (1696-1763), waarin ook de Hartekamp met eigenaar Clifford ter sprake komt. De Marre schreef tevens hofdichten over ‘Groeneveld’ bij Eemnes, ‘Boom en Bosch’ in Breukelen en ‘Rustrijk’ bij Muiderberg, laatstgenoemd lusthof ook door Pieter de la Rue bezongen. Het hofdicht ‘Heemstede’ door Lucas Rotgans is overigens gewijd aan het Stichtse buitengoed nabij Jutfaas/Houten. Anthonie Jansen wijdde in 1668 een jubeldicht aan de buitenplaats ‘Vlietzorg’: ”Op den hof, Genaamt Vliedzorg, van Abraham Inses, Geleegen buiten Haarlem, aan ’t Spaaren.’ In ‘Hollands Tempe verherelykt (…)’ zijn met gravures van Abraham Rademaker de buitenplaatsen vanaf de Haarlemmer Trekvaart in Amsterdam tot Marquette Te Heemskerk in dichtvorm verheerljkt door G.Tijsens (1728), terwijl Claes Bruin o.a. ook een hofdicht wijdde aan de lustplaats Soelen aan genoemde trekvaart in 1723.

Jan Baptista Wellekens

Het was in 1726 dat Wellekens zijn geestelijke erfenis naliet aan zijn vriend en beschermheer de veertigjarige mr. Pieter Vlaming (1686-1733).

Pieter Vlaming door Cornelis Troost met een onderschrift van J. v.d.Streng (1734). Van J.B.Wellekens is geen portret overgeleverd. Troost vervaardigde behalve deze kopergravure ook een schilderij van Vlaming.

Deze wijdde in een door hem gefinancierd boek (4) een levensbeschrijving aan J.B.Wellekens. Die is op 13 februari 1658 te Aalst geboren [in welke Vlaamse gemeente een straatnaam aan Wellekens herinnert, evenals in Hengelo (Ov.)]. Zijn vader was laken- en hophandelaar en zond de zoon naar Amsterdam bij zijn oom van moederskant teneinde zich als goudsmid te bekwamen. Maar Jan Baptista zag hiervan af en nam les bij Anthony de Grebber om kunstschilder te worden. Daarvoor reisde hij naar Italië, i.z. Rome “de Hoge School der Schilders” , waar hij uiteindelijk van 1676tot 1687 is gebleven. Een oogprobleem als gevolg van een beroerte in Venetië overkomen deed Wellekens afzien van schilderen en voortaan legde hij zich toe op het dichten, en dan vooral waarvoor hij in Italië gefascineerd was geraakt: land- veld- herders- en visserszangen. Na bijna elf jaar kwam Wellekens terug in Amsterdam, waar zich intussen ook zijn moeder had gevestigd. Daar huwde hij met Joanna van Hardenhoek, met wie hij vier kinderen kreeg, waarvan er bij zijn overlijden op 14 mei 1726 nog twee in leven waren. Vlaming bericht dat het leven van Wellekens een aaneenschakeling was van ziekte en smart. Ten slotte worden de verschillende boekuitgaven van Wellekens vermeld.

Op de ‘Beeldtenis van wylen den Heere Jan Baptista Wellekens’ schreef dichter Sybrand Feitama het volgende vers:

“Des Amstels Theokryt, voor wiens bevallig Dicht

Al ’t Veldpoëtendom met dieper eerbied zwicht;

De grote Wellekens, hier door ’t perceel herboren.

Zet Neêrlands Helikon, een’ nieuwen luister bij

“De schoonste kunststroom sier (dus juichen al de chooren)

“Deez’ Vader der volmaekte Arkader Poëzy!”

1734 [Uit: Dichtwerken van S.F. Amsteldam, 1764].

Jan Muyser en Endenhout

Jan Muyser was textielhandelaar in Amsterdam. Op 30 maart 1681 trad hij in het huwelijk met Geertruyda Moll aan welke gebeurtenis Kaspar en Johannes Brandt een bruiloftsdicht hebben gewijd. Dat deden zij ook in 1706 toen zoon Gerard Muyser huwde: ‘Visscherszang ter bruilofte van den heere Gerard Muyser en jonkvrou Sara Muyser. Vereenigt binnen Amsterdam, den XVIII. Van Grasmaant MDCCVI’. Drie jaar eerder, op 12 december 1703 heeft Jan Muyser Endenhout (5) voor ƒ 4.300,- gekocht van Reynier La Clé, erfgenaam van Johan La Clé, dat wil zeggen de hofstede + de helft van het huis het Dronkenhuisje. De andere helft van de herberg verkocht Cornelis van der Heyden aan Jacob Cool. In 1717 is zoon Gerard Muyser nieuwe eigenaar geworden en pas in 1745 zal de executeur-testamentaire van Sara Muyser, weduwe van Gerard Muyser, hofstede + herberg voor ƒ 10.000,- transporteren aan de Amsterdamse koopman Christoffel Lublink, die korte tijd later ook de buitenplaats Spiegelenburg in Bloemendaal zou kopen (6).

Slotvignet van ‘Endenhout’, gegraveerd door Jan Goeree

Wellekens schreef in 1709 zijn lofdicht op Endenhout. Hij noemt het huis klein en roemt de tuin, ofschoon niet specifiek in details tredend. Op zijn wandeling beschrijft hij de Herenweg, het Spaarne, een bloemperk, volière, paviljoen met (Griekse) godenbeelden [“De Muysers hebben dit de muzen toegewijd”] , taxushagen, boomgaard en koeien. Ook de Haarlemmerhout en (Leidse)vaart – in 1657 gegraven – komen aan de orde. Hij maakt  een uitstapje naar het armzalige vissersplaatsje Zandvoort waar nog niets van de latere bloeiende badplaats valt te bespeuren en de burgemeester wisselend bestuurt en op een vissersboot werkt.

“O Zandvoort, zal ik ik u benijden of beklagen?

Dat in dit barre duin slechts zorgloos uw dagen:

Dat, ver van hoofsche pracht, uw Burgemeesters ziet

Nu in ’t Visscherpink, dan in het Rechtsgebied.

Oud-Rome zag wel eer zijn Raaden aan de ploegen,

En d’Uwe willen zich bij want en netten voeghen.” (…)

Vervolgens wordt de vissersvloot beschreven en dat het kleine Holland vanwege de visvangst (haringen) en zeehandelsactiviteien grotere omliggende landen doet verbazen.

Het gedicht eindigt met de volgende twee regels:

“ O Eindenhout! Zo lang die bloem bij u zal  bloeien,

Zult gij van zegen en vernoeging overvloeien.”

Er was een gezamenlijke vriendschap tussen Pieter Vlaming, Wellekens, Jan Goeree en Gerard Muyser. Vlaming, die Muyser vanuit Amsterdam als bewoner van de Warmoesstraat al kende was eigenaar van Hogerwoert, Muyser van Endenhout, beide gelegen in de omgeving van Haarlem. Wellekens noemde Pieter Vlaming in zijn gedichten ‘Amintas’ naar de held uit het werk van de Italiaan Torquato de Tasso (7). In 1723 schreef Vlaming voor Muyser zijn ‘Lof der Vriendschap’ (8). Van Wellekens zijn vanaf 1706 meerdere lofdichten op het echtpaar Jan Muyser en Geertruyd Moll bekend, evenals een ‘Lykdicht op den heere Joan Muyser.’ [overleden 28 augustus en begraven op 3 september 1720] (9). Eerder bovendien een ‘Lykgedicht op het overlyden van mejuffrouw Geertruyda Moll, aan de Heeren Jan en Gerard Muyser’ (1717) + het volgende grafschrift:

“Hier rust Geertruyda. Ach! Der Muysers vreugdt en rouw.

Noit liever Meder, noch beminelijker Vrouw.’

Ten slotte al in 1714 een lijkdicht na het overlijden van Jan Muyser junior: ‘Op het afsterven van den heere Joan Muyser, de Jonge, aan zyne moeder.’

P.S. In het boek: ‘Bruiloftsdichten’ van Jan Baptista Wellekens (Amsterdam, 1729) komen in afzonderlijke verzen de volgende buitenplaatsen in Zud-Kennemerland ter sprake: Endenhout (blz. 14), Hogerwoert, blz. 40, Meer en Berg, blz. 160-161 en blz. 462, Meer en Berg + Bosch en Vaart, blz. 245, Middelhoek en Overveen, blz. 381, Bosch en Vaart, blz. 464. Verder: Bloemendaal, blz. 235.

Elsryk

Titelblad van Gezangen voor Elsryk door J.B.Wellekens met gravure door jan Goeree. Op de achtergrond is het herenhuis afgebeeld.

In 1565 stond al een huis op deze plaats in Amstelveen, niet aan de Amstel maar wel aan een uitloop van het Haarlemmermeer, bij de banpaal aan de Amsterdamseweg. Vermoedelijk is het herenhuis na 1628 gebouwd door de koopman en schepen Jacob Janszoon Reael. De grote buitenplaats kwam in 1685 [tot 1720] in bezit van advocaat mr. Philip Moilives van der Noot. Diens vriend de dichter Jan Baptista Wellekens heeft tussen 1705 en 1707 in totaal vijf ‘Gezangen voor Elsryk’ op papier gezet. Op de titelgravure is het huis afgebeeld. In 1705 is voor de verjaardag van Bartha Pool, echtgenote van voornoemde eigenaar ‘Laura, Herderszang’ geschreven, waarin Silvander een herderslied kweelt voor de schone Laura en Amsterdam als prachtig en Amstelveen als nederig is omschreven.

Hofstede Elsryk op een ets door Abraham Rademaker, uit: ‘Spiegel van Amsterdams Zomervervreugd, op de dorpen Amstelveen (…)’ [1730].

Tekening van Elsryk met grenspaal en inrijhek en op de achtergrond het huis door Cornelis Pronk uit 1736, waarnaar Jan Punt een gravure vervaardigde. Uit: Amstellandsche Arkadia (1737). Provinciale Atlas Noord-Holland [Cf. Stichting familearchief De Clerq).

Elsryk met brug en inrijpoort na de afbraak van het huis in 1797. Enkel het kleine meertje, de Braak, is nog terug te vinden. Op het terrein staat tegenwoordig een kantoorgebouw.

Elsrijk

Jan Schouten, De Braak aan de Amstelveenseweg met de banpaal en het buiten Elsrijk. Penseel in kleur over potlood (uit: Voor Nederland de verzamelingen van het Koninklijk Oudheidkunstig Genootschap in het Rijksmuseum bewaard, 1995, illustratie XXIV).

In najaar 1705 volgde het vers: Silvius. Herderszang, bij gelegenheid op 16 oktober van de verjaardag van Moilives van der Noot. Nog drie verzen uit 1707 completeren het geheel: 1) Silvester, herderszang, 2) Visserszang, en 3) Jagerszang. Evenals bij Endenhout zijn de gegraveerde afbeeldingen van dichter en graveur Jan Goeree (1670-1731), geboren in Middelburg die in 1680 met zijn ouders naar Amsterdam was verhuisd. De obeliskvormige banpaal heeft de tand des tijds doorstaan. Elsryk leeft als naam voort van een Amstelveense woonwijk, gebouwd in de jaren dertig van de vorige eeuw, ruim opgezet en met veel groen.

De bewaard gebleven banpaal nabij het voormalige Elsryk, Amsterdamseweg 220, in de vorm van een obelisk

Noten

(1) P.A.F. van Veen. De soeticheydt des buyten-levens, vergheselschapt met de boucken. Het hofdicht als tak van de Georgische literatuur. (1960. Herdruk in 1985). Uit 1965 dateert onder redactie van J.D.P.Warners: ‘Verhandeling van het herderdicht’. In dit verband verdient ook vermelding van  W.B. de Vries:  Wandeling en verhandeling. De ontwikkeling van het Nederlandse hofdicht in de zeventiende eeuw (1613-1710)’. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 1998.

(2) Over Het Huis te Hoogerwoerd, zie o.a.: ‘Over geschiedenis en volksleven der voormalige gemeente Schoten’ Den Haag, Kruseman, 1964, blz. 20-23.

(3) Zie: drs.C.G.M.Smit. [Kees Smit]. De twee hofdichten op Westermeer (1721). In: Nieuwsbrief V.O.H.B., nr. 26, blz. 6-12.

(4) Zedelyke en ernstige gedichten van Jan Baptista Wellekens. Met het leven van den dichter in ’t kort beschreven door wylen den heere Pieter Vlaming. Utrecht, Willem Kroon en Johannes Evelt, boekverkopers, 1737. Deze publicatie bevat: 1) Lofzangen, 2) Herderszangen, 3) Zededichten, 4) Geestelijke gedichten, 5) Zilveren bruiloftsgedichten en 6) Lijkdichten. In 1710 verscheen een eerste druk van een gezamenlijke uitgave: ‘Dichtlievende uitspanningen van Jan Baptista Wellekens en Pieter Vlaming, bestaande in herders- hoef- en veldgezangen, tafereelen, brieven enz.’ Amsterdam, Jacob ter Beek. Daarin zijn opgenomen o.a. Hoogerwoerd (1708) en Endenhout (1709). Een tweede druk kwam na beider dood uit in 1735. Uit 1715 dateert ‘Amintas’, een vertaling van Tasso’s pastorale en postuum kwam in 1729 uit: ‘Verscheiden gedichten en bruiloftsgedichten’.

(5) De geschiedenis gaat terug tot circa 1630 toen nog naamloos maar al sprake was van “een nieuw getimmert huis en erve met boomgaard staande en gelegen bij ’t Dronckenhuijsgen.”

Het Dronkenhuisje aan de Wagenweg. Tekening door Paulus Constantijn la Farque (1728-1782, 1744

Het Dronkenhuisje aan de Wagenweg. Tekening door Paulus Constantijn la Farque (1728-1782, 1744

Op het knooppunt van de Emauslaan, Wagenweg en Spanjaardslaan bevond zich in 1630 als het Dronckemanshuysje ifwel Dronckenhuisje. Hier op een schilderij van Jan Augustini (1725-1773)

Op het knooppunt van de Emauslaan, Wagenweg en Spanjaardslaan bevond zich in 1630 als het Dronckemanshuysje ifwel Dronckenhuisje. Hier op een schilderij van Jan Augustini (1725-1773)

Dronkemanshuisje

Tekening van het Dronkemanshuisje door Jurriaan Andriessen (1742-1819) (Amsterdam Museum) 

(6) Toen men de onder Amsterdammers gehate belastingpachter Lublink in 1748 zelfs op zijn buiten Eindenhout lastig kwam vallen, zorgde deze er voor een wijkplaats te hebben in het wat meer afgelegen Aerdenhout. Volgens geschiedschrijver J.Wagenaar werd hij feitelijk gered door de waard van het Dronkemanshuisje die kennelijk op kosten van Lublink die ook eigenaar was van de herberg voor een bedrag van 500 gulden bier en wijn aan het gewone volk uitdeelde. Citaat: “De lustplaats Endenhout buiten haarlem, die den Heere Lublink in eigendom behoorde, liep op deezen tyd ook gevaar van geplonderd te zullen worden; maar zy werd vry gekogt voor een rantsoen van vyfhonderd guldens, ten behoeve der Armen. Dit werkte de Waard in het Dronkemans-Huisje, aan het einden van den Hout, voor hem uit, die, om dit oogmerk te bereiken, ryklyk wyn en bier aan het Gemeen en besten gaf.” Het Amsterdamse huis van Lublink in Amsterdam is overigens wel door de boze pachters geplunderd, evenals de buitenplaats in Ouderkerk van Bunel, een andere belastingpachter.

(7) Het herderdicht ‘Amintas’ is door J.B.Wellekens in het Nederlands vertaald.

(8) M.S.J.Cox-Andrau schreef een monografie: ‘de dichter Pieter Vlaming (1684-1734); een studie over zijn werk met een levensbeschrijving’. Bussum, 1976.

(9) In dat vers wordt ook de buitenplaats genoemd: “O Eindenhout, laat ons geen rouwklacht hooren, Geen woeste orkaan komt uwen hof verloren: Uw schoonste stam van ’t landt Wordt door God zelf in beter grondt verplant.”

Hans Krol

Oude ansicht van het in 1794 gebouwde Eindenhout met wat verderop Vredenhof. In 1804 liet Adriaan Loosjes Pz. in zijn ‘Holland’s Arkadia’ door Antonie zeggen: “Welk een fraai vertoon maakt ook de Groote Lindenlaan en het huis der hofstede Eindenhout; hoeveel verschilt dat van een laag gebouw, dat ik er mijn vroegste kindschheid gekend heb, en den onbeschaafden naam van het Dronkenmanshuisje droeg, in welks geval ook, zo mijn geheugen mij niet bedriegt, een Dronken Boertje op een vaatje zat.”

Zie ook op weblog ilibrariana: Eigenaren van Bosch en Vaart + Endenhout/Eindenhout.

De hofstede Endenhout met de Spanjaardslaan. Naar een tekening in O.I.-inkt door Hendrik Spilman uit omstreeks 1780. Uit dezelfde tijd in in het Noord-Hollands Archief een tekening aanwezig van Endenhout met poort (en gevel van hetberg het Dronckemanshuisje) door H.Schouten.

P.S. In 1717 vierden Dirk van Lennep en Susanna Leeuw binnen Amsterdam hun zilveren bruiloftsfeest. J.B. Wellekens vervaardigde een bruilofsdicht voor het echtpaar, dat de zomermaanden op de Heemsteedse buitenplaats Bosch en Vaart doorbracht. “(…) O Boschenvaart, gy pronk en oog van Haarlems Hout – Hoe graag had u myn zang, op deez Feest beschouwt – Om uw plantaadje en dreeven – En hooge bouwkunst in myn lang gedicht te weeven: – Doch landt en lucht zyn nu zwaarmoedig, bar en koudt. – Nooit zingt de nachtegaal in ’t bladelooze woudt, – Maar hy, van ’t gebloemte en loverryke telgen, – Den koelen dauw mag zwelgen – Dan klinkt zyn heldre door bosschen, berg en dal, – Met lieflyk nageschal. – Noch kan de sneeuw of vorst myn dichtkunst nu niet sluiten, – Daar ik op Boschenvaart, zie vyf beminde Spruiten , – Door deeze Zilvre Feest gequeekt en op gevoedt (…)”

Vooromslag van nieuwe boekuitgave: Endenhout en Elsryk. Met titelgravure van ‘Dichtlievende Uytspanningen bestaande in Herders- Hoef- en Veldgezangen, Tafereelen, Brieven enz’. Gravure door Jan Goeree, die twee dichters met schrijfmateriaal onder een boom verbeeldde. In de boom: muziekinstrumenten. Links een grazend paard en rechts een os. Daarachter een herenhuis (Elsryk?). Op de voorgrond Cupido bij een steen met daarop de titel van het boek. Links daarvan drie zwanen in een vijvertje.