chterzijde ver“Emile Erens werd bij gelegenheid van zijn vijf en tachtigste verjaardag te Heemstede gehuldigd als Heemstedenaar, maar niemand kan Schaesberg betwisten, dat het de bakermat der beide Erensen is geweest.” [Paul Haimon, 15-9-1951].

EMILE ERENS (1865-1951), hagiograaf en anjerkweker

Portret in brons van Emile Erens door Mari Andriessen uit 1942/1943 (in bezit van Museum Henriëtte Polak te Zutphen). Ook de beeldhouwster mw. Truus Loeff-van Someren Greve uit Bennebroek boetseerde (in 1950) een portretbuste van Emile Erens.

IMG_0019

Borstbeeld v1867-1935) van Chris Rutten. in 2003 geplaatst voor Château St.Gerlach in Valkenburg in een beeldentuin, een initiatief van hotelier Camille Oostwegel

Emile Marie Joseph Hubert  Erens is in 1865 in het Zuid-Limburgse Schaesberg geboren en op bijna 86-jarige leeftijd op het Oude Slot in Heemstede gestorven. Deze opmerkelijke maar onopvallende man deed pionierswerk op twee nogal verschillende gebieden. Als kweker van anjelieren en vernieuwer van de hagiografie, het beschrijven van het leven der heiligen. Emile Erens was de acht jaar oudere broer van de letterkundige mr.Frans Erens en leeft voort als de auteur van enkele biografieën van heiligen: “uitmuntend door hun verzorgden en welluidenden stijl, hun zielkundig inzicht en hun vrome humaniteit”, aldus Anton van Duinkerken in: De Katholieke Encyclopedie. Het r.k. Lektuurrepertorium noteerde: “voortreffelijke hagiografieën, alsmede verhalen, welke echter een ernstig voorbehoud wettigen”. Geboren in Huize De Kamp te Schaesberg

De Kamp in Schaesberg, waar de beide letterkundigen Emile en Frans Erens zijn geboren (in 1971 gesloopt)

Emile Erens is op 27 april 1865 op de boerenhoeve ‘De Kamp’ in Schaesberg geboren als zoon van (landbouwer) Hendrik Joseph Erens en Helena Bartolina Hubertina Menten, afkomstig uit Roermond.  De jonge Emile groeide op in een godvruchtig katholiek gezin, van wie twee broers voor het priesterschap kozen – en bezocht de lagere school in zijn geboorteplaats. Vervolgens doorliep hij vanaf 1878 – evenals zijn broer Frans – het gymnasium, tevens kostschool, van Rolduc in Kerkrade. Daarna ging hij notariaat studeren. Zijn zwakke gezondheid – hij leed aan tuberculose – noopte hem deze studie op te geven. Na twee jaren van rust en een opleiding in de plantentuinen [‘Botanische Garten’] van Keulen en Hoeilaart nabij Brussel gevolgd te hebben, vestigde hij zich in 1894 op advies van een medicus vanwege de zuivere lucht “niet ver van zee” in het toen nog zeer landelijke Heemstede. Eerder was het in Schaesberg voorgekomen dat Emile zo ernstig ziek was dat een knecht van de boerderij midden in de nacht naar Aken liep om ijs voor kompressen te halen. Hij werd opgenomen in het ziekenhuis, en de Joodse arts in Aken sprak later van een wonderbaarlijke genezing, die naar zijn mening enkel bij katholieken voorkwam. Zelf zou hij zijn genezing toeschrijven aan de verhoorde gebeden van zijn zuster Marie. Hem was gezegd dat zeelucht hem goed zou doen en via Haarlem en Zandvoort kwam hij in Heemstede terecht. Bloeiende anjerkwekerij ’t Clooster Mevrouw Dólleman Thierry de Bye, bewoonster van villa ‘het Clooster’ in Heemstede stelde hem in de gelegenheid een stuk grond nabij de Cloosterweg voor een schappelijke prijs te kopen. Daar is Erens begonnen tomaten, perziken, druiven en andere vruchten in kassen te verbouwen om naar België uit te voeren. Later legde hij zich toe op het kweken en veredelen van rozen om zich vanaf 1908/1910 succesvol te specialiseren op (Amerikaanse) anjers. Op de anjerkwekerij, piëteitsvol ‘’t Clooster’ genoemd als een verwijzing naar het middeleeuwse Bernardietenklooster, stonden in de jaren vijftig van de vorige eeuw kassen met ongeveer 7.000 vierkante meter glas. Kwam de anjerplant in de begintijd niet hoger dan 80 cm., dankzij verbeterde methoden bereikte men uiteindelijk zo’n twee meter. Door kruising werden tal van nieuwe variëteiten gekweekt, zoals de destijds zeer gewilde roze prinses Irene-anjer. De anjelieren gingen naar de betere bloemenwinkels en/of de veiling in Aalsmeer. Het bedrijf is nog jarenlang voortgezet door zijn dochter Liesbeth Erens. Ook een andere zoon Jan (J.M.J.F.) Erens was aanvankelijk bij de kwekerij van zijn vader betrokken, woonde in het huis ‘l’Hermitage op de hoek van de Zandvoortselaan en huidige Westerduinweg in Bentveld/Zandvoort, was o.a. ringmeester van de Haarlemsche Rij- en Jachtvereeniging en vestigde zich na de Tweede Wereldoorlog als kweker in Frankrijk. Rond 1973 is de Heemsteedse anjerkwekerij gestopt. In de jaren van bloei stonden gemiddeld 130.000 plantjes in de kassen van Erens’ kwekerij aan de Cruquiusweg en werden minstens 10.000 bloemen wekelijks over de wereld gezonden.

Annonce van de anjerkwekerij in de FLORA-gids van 1925

Advertentie van anjerkwekerij uit 1953, intussen beheerd door Liesbeth Erens

Op 17 juni 1955 wijdde de Leeuwarder Courant een artikel aan de anjerkwekerij van Erens onder de titel ‘Op boerderij van Huis Heemstede worden anjers gekweekt, waaruit de volgende gegevens: “(…) De tegenwoordige bewoonster Liesbeth Erens ziet de vliegtuigen dalen om op Schiphol te landen, ze ziet ze koers zetten naar Oost en West en ofschoon ze van het landleven houdt, is ze vertrouwd geraakt met deze vlugge moderne vogels. Immers vliegtuigen vervoeren de producten van haar bedrijf over de gehele wereld, ze helpen haar de exportorders op tijd af te leveren. Want het meisje Erens, dat geboren is en gespeeld heeft op deze plaats, is haar vader opgevolgd op de anjerkwekerij en is nu directrice van een bloeiend bedrijf, waarschijnlijk de oudste anjerkwekerij van ons land. In de komende maanden is de bedrijvigheid op de kwekerij groot. In juni en juli zijn de meeste anjers in bloei. Ze zijn dan ook het goedkoopst, dikwijls een derde van de prijs in januari. Al vroeg in de morgen worden ze gesneden, in dozen verpakt en naar de bloemenwinkels of de veilingen verzonden. Van de totale anjeraanvoer aan de Nederlandse veilingen wordt 36 procent geëxporteerd, dat zijn ongeveer 37 miljoen bloemen, waaraan deze kwekerij ook haar aandeel levert. Even belangrijk als de bloemenexport is de export van stekken. De zijscheuten van de moederplant worden met een scherp mesje onder het lid afgesneden. Het uiteinde van de stek doopt men even in Rizopon en dan wordt het in rivierzand gezet. De jonge plantjes zijn na vier weken geschikt voor het verzenden, waarvoor ze in vermiculte worden verpakt. Vermiculte kan de aarde gedurende reis vervangen. Het is een bij 2000 graden Celsius ‘gepofte’ mica en heft de eigenschap verbazend licht te zijn zodat de verzendkosten niet noemenswaardig verhoogd worden. De stekken voor het eigen bedrijf worden in kleine potjes opgezet en zij gaan na twee maanden weer in andere kassen in de volle grond om daar te groeien tot de prachtige rode, zalmkleurige of wit-gestreepte anjers. Op de kwekerij van mej. Erens heeft men oog voor nieuwe werkmethoden. Eén kas staat onder toezicht van het T.N.O.instituut  uit Delft. In deze kas worden de bloemen gekweekt op z.g.n. anjertabletten, met onderbevloeiing. De planten staan niet meer op aarde maar in enorme grote bakken met grint. Het water geven gaat niet, zoals tot nu toe gebruikelijk was, boven op de grond, maar door draineerbuizen, welke op de grond van de cementbak gelegd zijn. Aan het water worden kunstmeststoffen toegevoegd. De resultaten, die men met deze werkwijze verkrijgt, zijn zeer gunstig en geven hoop de concurrentiestrijd, die met andere landen gevoerd moeten worden, het hoofd te kunnen bieden.”

Briefkaart van anjerkwekerij 't Clooster, verzonden op 7-12-1942

Briefkaart van anjerkwekerij ’t Clooster met op achterzijde vermelding van prijzen, verzonden op 7-12-1942

Huwelijk In 1903 is Emile Erens in Haarlem getrouwd met de in Amsterdam geboren Josephine Maria Wilhelmina Bouvy, uit welke verbintenis acht kinderen zijn geboren. Ook zijn broer Frans zou korte tijd later op 49-jarige leeftijd huwen, en wel in Heemstede op 12 september 1906 met een zuster Sophia Bouvy, die overigens twintig jaar jonger was dan haar man. Dat huwelijk bleef kinderloos. Letterkunde Voordat Emile Erens zich in 1894 in Heemstede vestigde onderhield hij enkel literaire betrekkingen met Maria Viola (1871-1951), die zich in 1896 tot het katholicisme had bekeerd en zich in katholieke kring onderscheidde als dichteres en essayiste. Na oprichting in 1901 sloot Erens zich aan bij de katholieke Nederlandse Kunstkring De Violier waar hij architecten als Cuypers en Stuyt, en beeldend kunstenaars als Theo en Antoon Molkenboer leerde kennen. Sporadisch ging hij meewerken aan het tijdschrift ‘Van Onzen Tijd’. Al de 40 gepasseerd debuteerde hij als auteur van proza in boekvorm. 1908 verscheen van Emile Erens een bundel letterkundige schetsen: ‘Korte verhalen’, terwijl hij verder religieuze werken in het Nederlands vertaalde. Hij won de achting in de Katholieke schrijvers rond ‘Roeping’ en ‘De Gemeenschap. “In de stilte van zijn kassen rijpten niet alleen zijn bloemen, doch verwierven ook zijn gedachten vorm en gestalte” schreef Godfried Bomans die in het essay ‘Twee merkwaardige mannen’ een psychologisch voortreffelijke karakteristiek van de artistieke broers Frans en Emile Erens heeft nagelaten. Van Huize Meerwijck naar ’t Oude Slot

‘Meerwijck’, een deftig herenhuis aan de Achterweg in Heemstede waar Emile Erens van 1894 tot 1903 op kamers woonde

Kost na vestiging in Heemstede, waar hij eerst op kamers woonde in Huize Meerwijck aan de Achterweg, had Erens al belangstelling voor het Oude Slot en diverse malen bezocht hij de bewoners van de boerderij, het vroegere Nederhuis, circa 1630 gebouwd in opdracht van de toenmalige ambachtsheer Adriaen Pauw. In 1903 kreeg hij de gelegenheid de vroegere poortwoning van het omstreeks 1810 afgebroken kasteel te verwerven door aankoop van de landbouwer Jacob van de Berg. Na een inwendige verbouwing van boerderij naar woonhuis omstreeks 1905 naar een ontwerp van architect Jan Stuyt, die rekening hield met de historie, is dit pand met toen 16 kamers bijna een Limburgse enclave geworden en dat tot zijn overlijden bijna 48 jaar gebleven. In het Oude Slot vond hij als het ware een remplaçant van de Schaesbergse vestinghoeve. Op de zolder werden slaap- en logeerkamers ingericht voor de zich allengs uitbreidende familie met ten slotte acht kinderen.

Aan deze zijde, parallel aan de ir. Lelylaan, was de ingang naar de woning van de familie Erens

Na vertrek van de Erensen en aankoop door de gemeente is het poortgebouw rond 1960 grondig hersteld

Een recente foto van Het Oude Slot met op de voorgond de walmuur en Vredesbrug

De eerste bewoner van het Nederhuys was schout Hendrik de Goyer. Hier links zittend op een schilderij van Adriaan van Ostade, die zichzelf staande heeft afgebeeld. Tussen hen in de vrouw van De Goyer: Maria Questiers en haar zuster, de schrijfster Catharina Questiers (1630-1669), die een papier in de hand houdt, Ondanks verscheidene renovaties is de kamer tot op de dag van vandaag nog herkenbaar.

Zijn broer, de letterkundige Fans Erens (1857-1935), kwam er vaak logeren met echtgenote, een zuster van Emile’s vrouw. Ook talrijke andere kunstenaars bezochten dit huis, zoals ook in de eerste decennia van de 20e eeuw feitelijk sprake was van een ‘literair en kunstzinnig centrum’, alwaar onder meer regelmatig leesavonden georganiseerd werden.

Op bezoek bij Emile Erens in ’t Oude Slot. Van links naar rechts zijn broer Frans Erens, Lodewijk van Deyssel en professor P.H.van Moerkerken (maart 1930). Frans Erens was toen 72 jaar en Van Deyssel 65.

Portret van Emile’s jongere broer Frans Erens (1857-1935), schrijver van o.a. ‘Vervlogen jaren’ (1938)

Tot de vriendenkring behoorden Isaac Israëls, Herman Kruyder, Jacqueline Royaards-Sandberg, Hein Boeken, Lodewijk van Deyssel, professor dr. P.H. van Moerkerken, en Mari Andriessen. Zij allen, evenals Anton Pieck, Slauerhoff en Bomans, kwamen onder de bekoring van deze omgeving, “waarvan de kleine, bescheiden, zacht sprekende man met de broze gestalte, de edel gevormde Latijnse schedel het middelpunt vormde.” (Mari Andriessen in een necrologie).

Deze foto van de Vredesbrug is in juli 1925 gemaakt. Na een bezoek aan Emile Erens poseerden v.l.n.r. de schrijver J.J.Slauerhoff (met strohoed in de hand), Mari Andriessen, zoontje en echtgenote van de beeldhouwer.

In 1925 zou het heiligenleven over de heilige pelgrim/zwerver Benoît Joseph Labre (1748-1783), waaraan Godfried Bomans een column wijdde in De Volkskrant van 26 maart 1948:  “(…)  Verschillende malen is beproefd het leven van de heilige pelgrim ons in grote trekken voor ogen te stellen, in ons land door de schrijver Emile Erens, de nu 83-jarige bewoner van ‘Het Oude Slot’ te Heemstede. Van het kleine, doch exquise oeuvre, dat deze hagiograaf ons schonk, is zijn boek ‘De Heilige Pelgrim’, waarvan de vijfde druk is uitgekomen, ongetwijfeld de parel der collectie. Ik kan deze biografie van St. Labre niet warm genoeg ter lezing aanbevelen, omdat het een voorbeeld is van elke hagiograaf. Want naast een rijke belezenheid in zijn onderwerp, die Erens in staat stelde om alleen die bijzonderheden te vermelden, die ons de heilige aanschouwelijk voor ogen stellen, heeft hij ook de kracht zichzelf geheel op de achtergrond te houden, waardoor zijn boek vrij is van elke storende didactiek en juist door deze afwezigheid van vrome conclusies een diepe indruk maakt. In het leven van een heilige immers zijn het de feiten die spreken.”  Volgens Michel van der Plas telde Zuid-Kennemerland tussen 1940 en 1950 twee grote attracties in bejaarde letterkundigen: Emile Erens, en een trapje hoger Lodewijk van Deyssel (pseudoniem van K.J.L.Alberdingk Thijm).  Als volgt verwoord: “Emile Erens is in 1941 zesenzeventig. Hij heeft zich in recente jaren als schrijver vooral aan de hagiografie gewijd. Hij woont in Heemstede op het Oude Slot, een idyllische behuizing. Godfried Bomans zet zich hier op het Oude Slot aan de voeten van de grijze meester. Hij brengt op zijn bezoeken veneratie en diep respect mee, vleiende belangstelling.” De woning bestond beneden uit verschillende vertrekken, één ervan met een grote schouw. In een zijkamer verdiepte Emile Erens zich graag in zijn boeken en werkte hij al op gevorderde leeftijd rustig aan zijn met grote tussenpozen verschijnende geschriften. Hij voelde zich het meest aangetrokken door de heiligen die simpel en onopvallend leefden. Mèt pater M.Molenaar (1886-1969) uit Sittard stond hij te boek als een vernieuwer van de hagiografie, het beschrijven van heiligenlevens. Ze legden zich niet in eerste instantie toe op chronologisch of historisch onderzoek, doch brachten het gemoed van de lezer zo dicht mogelijk in contact met het innerlijk van de beschrevenen. Het zijn biografische portretten, geschilderd in fresco-achtige tinten, sierlijk afgewerkt, fijn van stemming en toon, nauwgezet van gelijkenis. De zielstoestanden en bekoring van de heiligen gaf Erens in weinig woorden weer, al is het soms wel verweten dat hij teveel bijzonderheden beschreef, in plaats van een enkele bijzonderheid te plaatsen op het juiste moment. “Het is een voortdurend streven geweest dit alles zo aanschouwelijk en reëel mogelijk te verhalen tot in de kleinste bijzonderheden.”, meende Erens zelf. In 1925 verscheen een biografie over de heilige pelgrim Joseph Labre, twaalf jaar later een boek over de pastoor van Ars, in 1941; Kluizenaressen: Sinte Pelagia en de mystieke vrouw Jeanne Maquerite de Montmoncy uit de Pyreneeën. Ten slotte in 1948 een levensbeschrijving van Marquerite-Marie Alacoque. Vooral het werk over St. Jean Marie Baptiste Vianney, de pastoor van het Franse Ars, is een succes geworden met even drukken in tien jaar. Professor W.Asselbergs, beter bekend onder pseudoniem Anton van Duinkerken, was zeer gecharmeerd door Erens’ werk en kenschetste hem zelfs als “een schrijver van de toekomst” maar heeft niet kunnen voorzien dat de belangstelling voor heiligenlevens sinds de jaren zestig van de vorige eeuw zó zou verminderen onder het katholieke volksdeel. Zijn woorden, hoe eerlijk gemeend, komen nu achterhaald over: “Misschien zal een volgend geslacht eerst beseffen, hoe Emile Erens op de edelste wijze de edelste strevingen van zijn eigen tijd belichaamde in zijn heldere verhaaltrant, die vrij van ijdelheid is.” (1949). Godfried Bomans wijdde een artikel aan de broers Frans en Emile Erens onder de titel: ‘Twee merkwaardige mannen’, met daarin de volgende karakterisering: “Ongetwijfeld minder begaafd dan Frans, van smaller eruditie en beperkter gezichtsveld, is Emile nochtans tot de hamonie uitgegroeid, die zijn oudere broer onthouden was. Zijn gesternte was reeds dadelijk gelukkiger. Om zijn zwakke gezondheid werd hem een verblijf ‘niet ver van zee’ aangeraden, zodat hij in 1894 te Heemstede zich vestigde, om daar voorgoed, tot zijn dood in 1951, te blijven. Deze noodzaak van keuze, waardoor hem de dobbering der culturen bespaard bleef, gevoegd bij het geluk dat hij er aanstonds een vaste betrekking vond, gaf zijn wezen stabiliteit en richting. Nog andere factoren begunstigden die ontwikkeling. Hij trof in ‘Het Oude Slot’ een woning, in sfeer sterk aan het ouderlijk huis verwant, terwijl de anjerkwekerij, die hij daar opzette, zijn volle liefde had. Vooral dit laatste is een factor, die in de literatuurgeschiedenis te weinig bekeken wordt. (…) Niets dwong hem tot publiceren. En in de stilte van zijn kassen rijpten niet alleen zijn bloemen, doch verwierven ook zijn gedachten vorm en gestalte (…)”.

Visitekaartje van het echtpaar Erens-Bouvy

Herinneringen van Henriëtte Mooy De gastvrijheid in de slotboerderij is beschreven door Henriëtte Mooy, die in 1924 enkele keren de Erensen bezocht: “In de eetkamer zaten wij met ons zestienen aan tafel! Dat was daar gewoon. In het midden tegenover elkaar, een handvol volwassenen, en dan deinde het links en rechts aan beide zijden van de gulle tafel oneindig ver uit met jong goed, variërend tussen vijftien en drie jaar, waar dan ook wat vriendjes, vriendinnetjes of logétjes tussen zaten. Dat kòn. En het trof, hoe de moeder, met haar aandacht overal tegelijk, en enkele malen hulp verlenend aan de afdeling ‘kleintjes’, nog gelegenheid vond belangstellend méé te converseren. Er was ook een bijzonder kamertje op het Oude Slot. Belangstellende gasten werden door de kinderen meegetroond naar ‘vaders werkcel’. Het was een klein grijs vertrek met kale muren en een venster; een stoel en tafel waren het enige meubilair. Daar, als in een kloostercel, mediteerde Emile en schreef hij zijn gedachten op in een schriftje. Een groter contrast tussen het royale huis met vele mensen en deze kleine eenzaamheidscel was nauwelijks denkbaar.” Autobiografische aantekeningen van Gerard Brom Prof. dr. Gerard Brom schreef over de tijd dat hij leraar was in Haarlem in zijn herinneringen aan Emile Erens onder meer het volgende: “Bij dominee De Hartog hebben we in Haarlem ook Emile Erens en zijn vrouw leren kennen, een paar van de liefste mensen die er op aarde leefden. Hun woonhuis was denkelijk een bijgebouw geweest van het kasteel, waarvan niets overbleef dan de ruïne van een brug, die het rijk rustig liet vervallen. Op het Oude Slot was een stemming of liever een ziel, zoals ik nooit ergens meer beleven zou. Het was eigenlijk een soort herenboerderij, waar de moeder zelf haar geiten melkte en waar de vader onder een portret van mevrouw Royaards, geschilderd als jong meisje door Isaac Israëls, onverstoorbaar over mystiek en literatuur zat te praten. Wat een rust, wat een vrede in dat landelijk huis dat nog doodstil aan de grens van Haarlemmer Meer lag! Ik trof Emile op een zondagmiddag met een boek van Bloy bij een oleander in een kristallen kruikje en sprak hem onwillekeurig aan als ‘le paysan de Paris’. Zijn vrouw, die zich anders heel elegant wist te kleden, droomde van emigreren naar eenzame velden, maar bleef haar groot gezin degelijk opvoeden. Van Pesch kwam er tuinwerk doen om zich te ontspannen en speelde ’s avonds viool met begeleiding van mijn vrouw. Emile leek ons een voudiger en dieper dan zijn broer Frans, die zijn  naam dankte aan het meelopen met de Tachtigers. Die heren moeten wel erg onbelezen geweest zijn, als hij voor erudiet kon doorgaan, want ik heb van hem alleen domheden op gewichtige toon onthouden. Zo vroeg hij aan een violist, of hij de Mondscheinsonate niet speelde; en zwart op wit schreef hij, dat de Fransen een spreekwoord hadden: ‘De geest waait, waar hij wil’, zoals hij ook ‘Bien mugli lion’ aanhaalde, zonder blijkbaar Shakespeare te kennen.” (1) (1) De uitdrukking ‘Bien mugli lion’is een populair geworden vertaling van ‘Well roared lion’, uit W.Shakespeare. A midsumer Night’s Dream, vijfde bedrijf, 1ste toneel.

Frans en Sophie Erens gefotografeerd bij de Vredesbrug van het Oude Slot in Heemstede (foto: Emile van Moerkerken)

Frans en Sophie (Josephine) Erens gefotografeerd bij de Vredesbrug van het Oude Slot in Heemstede (foto: Emile van Moerkerken)

Huwelijk van (zoon) Paul Erens met Claartje Leeuwenberg in Heemstede. Links Emile Erens. Foto genomen bij het Oude Slot uit dagblad De Tijd van 7 februari 1940

Huwelijk van (zoon) Paul Erens met Claartje Leeuwenberg in Heemstede. Links Emile Erens. Foto genomen bij het Oude Slot uit dagblad De Tijd van 7 februari 1940

Huldiging in Teisterbant De zeventigste verjaardag van Emile Erens is op het Oude Slot gevierd en kreeg aandacht in de katholieke pers. Mathias Kemp wijdde in het blad ‘De Nedermaas’ een bijdrage aan hen met bijzondere aandacht aan het specifiek Limburgse karakter van diens werk. Hij meende dat men bij Marie Koenen en de Erensen wellicht het spontane en elementaire mist, doch dat zij daarenetegen iets dellicaats en nobels schenken, dat in waarde daaretegen ruimschoots opweegt. Mari Andriessen vervaardigde later een prachtig gebeeldhouwd portret van zijn vriend Emile Erens. De paus verhief de bewoner van het Oude Slot tot ridder in de orde van Sint Gregorius de Grote.

Vooromslag van ‘De keldergang der heren’ door Louis Ferron. Op de onderste foto overhandigt Godfried Bomans een oorkonde aan Emile Erens. Dit diploma bevindt zich in het Noord-Hollands Archief te Haarlem.

Enveloppe met uitnodigende brief van Godfried Bomans aan Emile Erens (1950)

Enveloppe met uitnodigende brief van Godfried Bomans aan Emile Erens (1950)

Schrijven van Godfried Bomans aan Emile Erens vioor een 'verrassing' in Teisterbant

Schrijven van Godfried Bomans aan Emile Erens vioor een ‘verrassing’ in Teisterbant

Op zijn 85ste verjaardag is hij op waarlijk grootse wijze gehuldigd door de Haarlemse sociëteit Teisterbant met feestsprekers als Anton van Duinkerken, Godfried Bomans, Lodewijk van Deyssel. Laatstgenoemde had evenals Erens zijn gymnasiumopleiding in Rolduc gedaan en noemde hem één der eminentste geesten die thans in ons land leefden, terwijl hij niemand met zo weinig schedelomvang kende wiens geestesontwikkeling evenwijdig zou zijn aan die van de gehuldigde. Godfried Bomans sprak bij de opening van de Sociëteit Teisterbant op 11 maart 1950 de volgende woorden: “(…)  Een speciaal woord ook tot U, Emile Erens, die uw 85 jaren niet als een beletsel hebt kunnen beschouwen om morgen tot uw kleinkinderen, naast de schier eindeloze gebeurtenissen die gij reeds hebt meegemaakt, te kunnen zeggen: ook hier ben ik bij geweest. Uw bescheidenheid zal U verbieden te gewagen van de genegenheid, waarmee gij U hier omringd weet. Die taak zal ik van U overnemen, zodra zij gekomen zijn tot de rijpheid, om de volle omvang ervan te beseffen. Wij danken U voor Uw aanwezigheid, die wij als een bewijs zien ener eeuwige jeugd en waaruit zij de hoop durven putten U nog menigmaal in ons midden te zien. Dezelfde gevoelens, mevrouw A.van Gogh-Kaulbach, ons eerste ere-lid, draag ik U toe. Gij zijt het sieraad onzer Sociëteit.”

A.Diepenbrock jr. feliciteert Emile Erens, vooraan naast de jubilaris zijn echtgenote en tussen beide heren zit Erens’ jeugdvriendin, de toneelspeelster Jacqueline Royaards-Sandberg

Nog een foto van de feestelijke bijeenkomst van sociëteit Teisterbant bij gelegenheid van de 85ste verjaardag van Emile Erens op 1 mei 1950. Vooraan zit Lodewijk van Deyssel

Ondanks de hoogtepunten van huldigingen in Teisterbant en Schaesberg waren ten gevolge van o.a. een verminderend gezichtsvermogen en het overlijden van zijn echtgenote de laatste levensjaren van Emile Erens niet zonder zorgen. Hij maakte dagelijks wandelingen in de omgeving van het Oude Slot, Hageveld en Groenendaal en genoot van de landelijke geluiden. De bloemen herkende hij op de tast en aan de geur.

Portretbuste van Emile Erens door Mari Andriessen (Frans Hals Museum Haarlem). Foto: Arend Velsink

Portretbuste van Emile Erens door Mari Andriessen (Frans Hals Museum Haarlem). Foto: Arend Velsink

Emile Erens ridder kerkelijke orde H.Gregorius. Uit: De Tijd van 11 juli 1950

Emile Erens ridder kerkelijke orde H.Gregorius. Uit: De Tijd van 11 juli 1950

Geboortehuis gesloopt 16 september 1952 is in de voorgevel van het geboortehuis ‘De Kamp’ te Schaesberg een grijze gedenksteen aangebracht, vervaardigd door de beeldhouwer Eymael en gewijd aan de literaire broers Frans en Emile Erens. De onthulling vond plaats onthuld door de weduwe van Frans Erens. Godfried Bomans hield bij die gelegenheid een toespraak. Daarin ‘voorspelde’ hij: “Deze mensen die nooit de roem hebben gezocht zullen wellicht over vijftig jaar aanzienlijk gestegen zijn in de achting van Nederland.’

Huize De Kamp was van circa 1796 tot 1954 in bezit van de familie Erens. Deze foto van de achterzijde van het herenhuis uit omstreeks 1969 toont de desolate staat met dichtgespijkerd of stukgegooide ramen. De tuin, eertijds een lusthof, was tot een woestenij verworden.

Het kan verkeren. Ondanks veel protest is het monumentale huis in verband met bouwvalligheid in 1971 gesloopt om plaats te maken voor het nieuwe raadhuis van de vergrote gemeente Landgraaf  en is deze gedenksteen – naar wordt verondersteld – uit protest door een souvenirjager meegenomen en mogelijk ergens boven de open haard ingemetseld… (1).

De verdwenen gedenksteen met tekst: Geboortehuis van Frans Erens *23-7-1857 +5-12-1935 en Emile Erens *27-4-1965 +16-4-1951

De herinnering aan Emile Erens in relatie tot het Oude Slot is al evenzeer vervaagd, ook al heeft dit gebouw zonder enige twijfel in overeenstemming met zijn denkbeelden een waardige bestemming gekregen. (1) Op zaterdag 24 november 2001 is in het voormalige theehuisje van hoeve de Kamp een kunstwerk onthuld ter ere van Frans Erens [informatie van Jo Schiffelers, voorzitter van heemkundevereniging Landgraaf OCGL]. Eerder is in 1985 een brochure verschenen ten behoeve van het onderwijs bij de herdenking van de 50ste sterfdag van Frans Erens: ‘Frans Erens, de Limburgse Tachtiger’, tevens een beknopte bibliografie van zijn oeuvre bevattende.

Vooromslag van het in 1985 gepubliceerde boekje over Frans Erens

Correspondentie met Jacqueline Royaards-Sandberg uit Haarlem

Jeugdfoto van Jacqueline (Royaards) Sandberg (1876-1976)

In 1981 zijn door toedoen van dr. Harry Prick (1925-2006) de brieven gepubliceerd van de toneelspeelster Jacqueline Royaards-Sandberg (1876-1976) van en aan Isaac Israëls, Lodewijk van Deyssel en Frans en Emile Erens. Emile Erens schreef rond de vorige eeuwwisseling aan de Haarlemse jongedame als een oudere broer liefdevolle, ietwat schoolmeesterachtige brieven vol goede raad. Opgenomen zijn 15 brieven van Emile Erens uit de periode van 30 juli 1896 tot 11 september 1902, wisselend ondertekend met Emile, Mile, Miele en Em.  “Dat het je aangenaam aandoet als men je opmerkt, is zoo natuurlijk, dat je dat niet als een oorzaak om treurig te zijn moet opvatten; daarvoor ben je een vrouwtje. Alleen moet je zorgen daarvoor niet je ziel prijs te geven.”

Begin van een brief van Emile Erens aan jonkvrouwe Jacqueline Sandberg, gedateerd 9 april 1898. De aanhef was steeds ‘Lieve Lientje’ of ‘Lientje lief’.

Geschreven wordt over levensproblemen, zoals zijn innerlijke en uiterlijke troebelen, literatuur, toneel- en muziekuitvoerigen. Erens geeft aan eigenlijk liever met haar te praten of wandelen, dan brieven te schrijven. Wèl zag hij uit naar haar brieven waarin zij schrijft over haar stemmingen. 9 april  1998 schreef hij terug, waarin hij ook refereert aan een buitenechtelijk kind dat hem min of meer regelmatig bezoekt: “Je hebt me een heel goed briefje geschreven, dat heb ik met stille vreugde gelezen. Maar je kwam me heel niet stooren de laatste keer, heusch niet. Ik was blij wat met je te wandelen kunnen want, vooral als ik zoo pas terug ben van mijn kind, vind ik het wel vervelend in die serres, waar dan al die drukte en zorgn weer over me komen. En zoo was je plotseling binnenkomen in dien donkeren mantel mij heel welkom. Je weet wel dat ik je trouwens altijd graag weer terug zie, want je samen-zijn vind ik meestal iets zuivers, soms voel ik me dan zelven wel een beetje grof, vooral als ik dan juist vooraf in de dagelijksche beslommeringen gezeten heb. Kan ik met je samen zijn in een stille kamer met zacht licht, dan gaat het wel eens beter. Ook met mijn kind heb ik dat wl eens gehad, ik zie haar dan juist heel bijzonder als een zacht kind. Het gaat haar nu al beter, zij wordt zoo zachtjes weer sterker. Ik heb veel treurnis om haar gehad. Ik merkte dat je het voelde. Toen was er in je ogen iets heel goeds voor mj. Daarvoor dank ik je. Je weet wel dat ik heel veel van je houd en daarom is mijn dankgevoel ook geel goed (…)”. Dat de jonge Jacqueline Sandberg zeer gesteld moet zijn geweest op haar literaire en zorgzame mentor blijkt uit het feit dat buiten haar latere echtgenoot en beste vriendin Hermine Schuylenburg Emile Erens als enige op de hoogte werd gebracht van haar voorhuwelijkse zwangerschap. Twee jaar vòòr dit brievenboek is een bundel ‘Herinneringen’ van de genoemde actrice verschenen.

Portret van freule Jacqueline Sandberg uit 1898 op het strand van Scheveningen. Vervaardigd door Isaac Lazarus Israëls (1865-1934)

Jacqueline Royaards-Sandberg heeft daarin haar relatie met Erens als volgt beschreven: “Toen ik een jaar of zestien was, ontmoette ik in Haarlem Emile Erens. Emile was een dichterlijke man. ‘Verlegen’, zou het woord niet zijn, dat op hem toepasselijk was, maar ‘onwennig in gezelschap van weltgewandte Menschen’. Over koetjes en kalfjes praten viel hem moeilijk. Hij was eigenlijk in die dagen jong, maar je dacht niet aan leeftijd bij hem, omdat hij door zijn zwakke gezondheid zeer gelijkmatig was, niet oud, niet jong. Deze Limburger was in Heemstede een cultuur begonnen van  druiven. De buitenlucht was voor zijn zwakke gezondheid noodzakelijk, maar de literatuur had zijn eigenlijke belangstelling. Ik vond die serres met druiven en perziken, waarin je zelf ook gestoofd werd, verrukkelijk. Ik werd er onweerstaanbaar naar toegetrokken. Haarlem vond dat niet helemaal ‘comme il faut’. Emile droeg het met gelatenheid. Wij hadden dezelfde belangstelling. Hij heeft gevoelig werk gemaakt, maar zijn serres eisten hem te veel op. Hij is met zijn gezin in de overblijfselen van een oud slot gaan wonen, met dichtbegroeide grachten en een monumentale brug. Het stond dan ook bekend als ‘Het Oude Slot’. Daar zijn de kinderen opgegroeid en waren alle vrienden van oud en jong welkom. Een patriarchaal gezin. De druivencultuur was niet rendabel, die van anjers, welke ervoor in de plaats kwam, werd een financieel succes. Maar niemand beleefde vreugde aan die onnatuurlijke natuurproducten.Hun koppen werden in witte kragen als in een strop opgehangen en zo stonden ze, onwerkelijk in het gelid. De besproeiing ging automatisch. Er was niets meer aan, aan de serres… maar ze rendeerden nu prachtig. De bloemenwinkels, die alle bloemen onnatuurlijk maken, verkochten de anjers grif. Het werd een oude, trouwe vriendschap, die nog tot in de kindren verder leeft. Ik kwam door Emile Erens het eerst in aanraking met het werk van de Tachtigers: ‘Opstellen’ van Van Deyssel (…)”

erens

Overlijdensbericht Emile Erens, 1951

 

Portret van Emile Erens op latere leeftijd en zijn handtekening

Door Otto B.de kat in 1951 vervaarddigde aquarel van woonkamer Emile Erens in het Oude Slot Heemstede (RKD)

Door Otto B.de Kat in 1951 vervaardigde aquarel van woonkamer Emile Erens in het Oude Slot Heemstede

Onthulling van plaquette voor Frans Erens bij zijn sterfhuis te Houthem-Gerlach. V.l.n.r.: burgemeester P.Gillissen van Valkenburg aan de Geul, Elisabeth Erens (dochter van Emile Erens) en Chr.Rutten, 14-2-1985

Onthulling van plaquette voor Frans Erens bij zijn sterfhuis te Houthem-Gerlach. V.l.n.r.: burgemeester P.Gillissen van Valkenburg aan de Geul, Elisabeth Erens (dochter van Emile Erens) en Chr.Rutten, 14-2-1985

Dochter Liesbeth (Elisabeth) Erens die haar vader opvolgde in de anjerkwekerij

Overzicht van het kassencomplex van anjer- ofwel anjelierkwekerij ’t Clooster aan de Cruquiusweg. Vier jongeheren poseren in hun zondagse pak. De glazen kassen zijn intussen vervangen door het industrieterrein met autogaragebedrijven e.d.

Emile Erens in een van de anjerkassen [foto uit Katholieke Illustratie]

Bekroningen kwekerij Emile Erens. Uit: Leidsch Dagblad van 23 oktober 1941

Bekroningen kwekerij Emile Erens. Uit: Leidsch Dagblad van 23 oktober 1941

Midden jaren zeventig van de vorige eeuw kwam ik in contact met dochter Liesbeth Erens, die toen in het grote huis aan de Nijverheidsweg 7 woonde, eigendom van de gemeente. Dat was gebouwd voor de directeur van de gemeentelijke nutsbedrijven en intussen na verkoop door de gemeente aan Kuiper Vastgoed anno 2012 te koop staat. Liesbeth Erens is in 1910 in de slotboerderij geboren, waar zij opgroeide in een beslotenheid waarbij van uitgaan niets kwam, maar zij vertelde dat de natuur en haar vaders vriendenkring zo boeide dat zij eigenlijk geen andere ontspanning nodig had. “Lodewijk van Deyssel was een vaste bezoeker en een geziene gast. De avonden, dat hij er was waren voor ons een feest.”  Van de broers en zusters was er slechts één met belangstelling voor tuinbouw. Besloten werd dat zij het werk van haar vader als anjerkweker zou overnemen. Daarvoor zou zij enkele leerjaren doorbrengen in orchideeënkwekerijen. Ziekte van haar ouders verhinderde dat zij kon uitzwermen en zij was daarom aan het huishouden gebonden. Al enige jaren voor de oorlog kwam zij voorgoed in de kwekerij. Aanvankelijk was de verkoop van bloemen de voornaamste bron van inkomsten. Na de oorlog werd de stekkenhandel belangrijker. Dertigduizend stekjes van verschillende soorten gingen in één keer naar Zweden. Er kwamen veel Zweden naar de anjerkwekerij in Heemstede, reden voor Liesbeth om Zweeds te leren, maar ook Zwitsers, Engelsen, Fransen en zelfs Chinezen. De ‘Prinses Irene’, een roze anjer, was door de firma Erens gekweekt, zoals ook de Floris Verster, een lila gestreepte anjer, verder de ‘Evening Dream’ en een anjer met een kleurenharmonie, ‘Palet’ genoemd. In 1948 kreeg Erens een eervolle vermelding in ‘Gardeners chronicle & new horticulturist’ en in 1964 ontving anjerkwekerij ’t Clooster een bekroning voor de ingezonden stammen van het Proefstation van de Bloemisterij in Nederland. Het anjerbedrijf stond innovatief goed aangeschreven en werkte ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen samen met T.N.O. Citaat uit ‘De geschiedens substraatteelt’ [Aqua Resins Technologies B.V]: “In Nederland is het eerste onderzoek naar plantenteelt zonder aarde bij de Algemene Technische Afdeling T.N.O. door Bram Steiner gestart. De eerste praktijk proeven zijn samen met de N.V. Anjerkwekerij ’t Clooster v/h E.Erens te Heemstede gedaan ter voorkoming van de bodemschimmel Verticillium cinerescens gedaan. Er werd op grint geteeld, waarbij de voedingsoplossing over het substraat werd gegeven volgens het idee van de Nederlandse pionier op het gebied van de hydrocultuur Filippo. Bij het Amerikaanse systeem werd het water van onderop gegeven. Bij het ‘Filippo-systeem’ wordt ook al het hangwater in het substraat ververst, met een goede beluchting van de voedingsoplossing, waardoor betere resultaten behaald werden.”

Liesbeth Erens bezig met de anjerpluk in de kas

Plukdag op de anjerkwekerij. Liesbeth Erens met een handvol bloemen.

Een hoekje in woonhuis ’t Oud Slot omstreeks 1950 met rechts Liesbeth Erens, in gesprek met Christiane Schröder.

Het Oude Slot was na het overlijden van de ouders door de gemeente aangekocht van de erven Erens, nochtans zeer tegen de zin van Liesbeth (1). Ze herinnerde zich dat haar ouders zeer gesteld waren op de Heemsteedse predikant A.H.de Hartog (de latere hoogleraar in achtereenvolgens Utrecht en Amsterdam. Mevrouw de Hartog-Meyes, spiritueel van aard en schrijfster van diverse boekjes, liet meermaals aan Emile Erens weten sterk naar het katholieke geloof te hechten, maar principieel achter haar echtgenoot te willen blijven staan. Als een van hun zonen, van welke Jan de Hartog als auteur internationale faam zou verwerven, met de familie Erens mee naar Limburg ging werd bij de maaltijden beurtelings een rooms-katholiek en protestants-christelijk gebed uitgesproken.

Een diner van Teisterbant in Brinkmann aan de Grote Markt in Haarlem omstreeks 1960. Links van de tafel zitten Godfried Bomans, Hans de Kat-van Zijl, Anton van Duinkerken, Guusje Brants, Harry Prenen. Rechts van de tafel van links naar rechts: Emmy van Lokhorst (naar voren gebogen), vooraan Pietsie Bomans, Jan Brants (gedeeltelijk zichtbaar), L.Ali Cohen (boven Brants), Mari Andriessen (voorover gebogen), A.Roland Holst (boven Andriessen) en uiterst rechts: Liesbeth Erens.

Godfried Bomans schreef: ‘Ongetwijfeld minder begaafd dan Frans, van smaller eruditie en beperkter gezichtsveld, is Emile nochtans tot de harmonie uitgegroeid, die zijn oudere broer onthouden was. Zijn gesternte was reeds dadelijk gelukkiger. Om zijn zwakke gezondheid werd hem een verblijf ‘niet ver van zee’ geraden, zodat hij in 1895 te Heemstede zich vestigde, om daar voorgoed tot zijn dood in 1951, te blijven. Deze noodzaak van keuze, waardoor hem de dobbering der culturen bespaard bleef, gevoegd bij het geluk dat hij er aanstonds een vaste werkkring vond, gaf zijn wezen stabiliteit en richting.’ [Uit: Twee merkwaardige mannen. Frans en Emile Erens; 29 september 1951; Werken V, 352].

Uitsnede van bovenstaande foto. Mr.L.Ali Cohen (middenboven) en rechts daarachter dichter Adriaan Roland Holst. Helemaal rechts Liesbeth Erens. Vooraan voorover gebogen de romanschrijfster Emmy van Lokhorst, in het midden Pietsie Bomans , ten dele zichtbaar notaris Jan Brants en staande naar voren gebogen de beeldhouwer Mari Andriessen.

(1) Antonia Bouwmeester-Kortekaas (1931) die van 1946-1954 bij de familie Erens in dienst was heeft haar herinneringen, ook de wijze waarop Het Oude Slot aan de gemeente Heemstede werd verkocht, aan Pascale van der Vorst verteld in het tijdschrift ‘HeerlijkHeden’, nummer 126, blz. 149-151. Zie ook: Anne Biegel. Anjelierkweekster Liesbeth Erens. In: De Vrouw en haar huis, 37, 1942, p.284-286.

Antonia Kortekaas werkte van 1946 tot haar huwelijk in 1954 als dienstmeisje bij de familie Erens. Haar broer werkte in de anjerkwekerij. Hier staat zij omstreeks 1951 bij de deuropening van het Oude Slot.

Ingang van het woonhuis van de familie Erens io een foto uit 1928 (foto J.P.A.Antonietti)

Ingang van het woonhuis van de familie Erens op een foto uit 1928 (foto J.P.A.Antonietti)

Luchtfoto uit 1948 ten tijde van de opgravingen door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Links het vroegere poortgebouw, waar anjelierkweker en hagiograaf Emile Erens met zijn gezin woonde.

Luchtfoto uit 1948 ten tijde van de opgravingen door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Links het vroegere poortgebouw, waar anjelierkweker en hagiograaf Emile Erens met zijn gezin woonde.

Kat

Een goede vriend van Emile Erens was de Haarlemse kunstschilder Otto B.de Kat, die in 1951 bovenstaande aquarel van het Nederhuys vervaardigde

Erens

                         Aquarel van de woonkamer van de familie Erens, door Otto B. de Kat, 1951

Merkwaardigheden Het is voor de medische wetenschap een raadsel dat Erens ondanks zijn fragiele lichamelijke constitutie zo’n hoge leeftijd bereikte. Opmerkelijk is dat zijn echtgenote die met Emile werkte aan het boek over de Franse vrouw M.M. Alacoque in 1950 overleed, op 18 oktober, de katholieke feestdag van deze heilige. Haar echtgenoot volgde in het daarop volgende jaar. Alsof geen toeval bestaat op 16 april, de feestdag van St. Benoît Joseph Labre, tot welke eenzame pelgrim Erens zich zò aangetrokken voelde, dat hij in 1925 een boek over hem had gepubliceerd. Emile Erens is niet bijgezet in het familiegraf te Schaesberg, maar ingevolge zijn wens op 21 april 1951 begraven op het RK kerkhof ‘Valkenburg’ in Heemstede [locatie III-005H], met in de naamgeving van deze rustplaats een impliciete verwijzing naar zijn geboortestreek Zuid-Limburg. Op zijn bidprentje, waarin om voorspraak bij de Heer wordt gevraagd, staan de namen van zes heilige mannen en vrouwen afgedrukt, die de overledene in enkele zuivere geschriften tot leven heeft gebracht.

Voorzijde bidprentje

Bidprentje Emile Erens

Portret Josphine Erens-Bouvy

Bidprentje Josephine Erens-Bouvy

Na opening van de gemeentelijke openbare bibliotheek Heemstede in 1948 schonk Emile Erens een exemplaar van zijn werken aan de instelling. Een kwarteeuw later waren deze veelal afgeschreven, zodat ik voor de bewaarcollectie opnieuw ben gaan verzamelen. Tegelijkertijd ontving ik van Liesbeth Erens enkele manuscripten van haar vader, o.a. van ‘Kluizenaressen’, die in 1976 toen Emile Erens 25 jaar daarvoor was overleden zijn geëxposeerd in de bibliotheek. Deze documentatie bevindt zich tegenwoordig in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.

Flats aan het Emile Erensplein in het Zuidlimburgse Landgraaf

Flats aan het Emile Erensplein in het Zuidlimburgse Landgraaf

Op 14 december 1985 had de onthulling plaats van een plaqette voor Frans Erens in Valkenburg aan de Geul. Links: burgemeester Paul Gilisen, midden: Liesbeth Erens uit Heemstede en rechts: Chr. Rutten, voormalig burgemeester van Nuth die de bronzen plaquette had vervaardigd. [Foto: Rijkcheyt, Heerlen]

Aan de neerlandicus drs. Andries F.J.M.Munnichs uit Nijmegen, met bijzondere interesse in de gebroeders Erens, en die ik als zodanig enige malen in Heemstede ontmoette, is het te danken dat het archief van Emile Erens, dat door dochter Liesbeth werd beheerd, zich sinds 1985 bevindt in het Letterkundig Centrum Limburg Kasteel Oost te Valkenburg, in welke plaats ook in het sterfhuis de St.Maartenshoeve een bronzen plaquette ter nagedachtenis van Frans Erens is aangebracht (1). Veel correspondentie van Emile Erens is verder te vinden in het Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, o.a. in het archief G.B.Brom. In 1996 is in het plan ‘Streep’ door de gemeente Landgraaf een straat naar Emile Erens vernoemd, het Emile Erensplein, evenals een Frans Erensstraat (2). Hans Krol

In het huis van Kees Verwey aan het Spaarne in Heemstede. Boven v.l.n.r. O.B.de kat, Adriaan Roland Holst, C.Kelk, mevrouw Brantjes-Erens, Godfried Bomans, F.Abbing, mej. J.Tilbusccher, Kees Verwey en Mari Andriessen. Zittend: Cornelis Veth, Emile Erens, H.F.Boot, K.J.L. Alberdingk Thijm [= Lodewijk van Deyssel] en mevrouw Mulder (foto uit: Herinneringen aan Godfried Bomans onder redactie van Michel van der Plas)

In het huis van Kees Verwey aan het Spaarne in Haarlem. Boven v.l.n.r. O.B.de Kat, Adriaan Roland Holst, C.Kelk, mevrouw Brantjes-Erens, Godfried Bomans, F.Abbing, mej. J.Tilbusccher, Kees Verwey en Mari Andriessen. Zittend: Cornelis Veth, Emile Erens, H.F.Boot, K.J.L. Alberdingk Thijm [= Lodewijk van Deyssel] en mevrouw Mulder (foto uit: Herinneringen aan Godfried Bomans onder redactie van Michel van der Plas)

(1) Op 9 april 2012 berichtte Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad, dat het bronzen monument voor Tachtiger Frans Erens (1857-1935) in Nieuwenhagen binnenkort een facelift krijgt en tegelijkertijd wordt uitgebreid. Het priëel in de vroegere tuinmuur van Erens’ landgoed De Kamp, ingericht als Erens’ werkkamer, krijgt een schilderbeurt. Ook komt er een portret van de schrijver en een bronzen herdenkingsplaquette die de internationale status van Erens onderstreept. De plaquette wordt ontworpen door kunstenaarsduo Les deux Garcons, terwijl notoir Erens-adept Jean Frins van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde de tekst vervaardigt.

Graf van WEmile Erens en zijn echtgenote Josephine Erens-Bouvy op de algemene begraafplaats , r.k.deel, Heemstede

Graf van Emile Erens en zijn echtgenote Josephine Erens-Bouvy op de algemene begraafplaats , r.k.deel, Heemstede

(2) In editie 2009, nummer 13, van Heidelicht publiceerde Jo Schiffelers een artikel: ‘Erens, drie dorpen, een famile’, handelende over pastoor Erens, J.W.Menten (oom van moederskant van Emile en Frans Erens) en hun schrijvende neven Frans en Emile Erens, wier namen via naambordjes het straatbeeld van de gemeente Landgraaf sieren.

Viering van 85ste verjaardag van Lodewiijk van Deyssel 22 september 1949 in het Frans Hals Museum. Staande van l.n.r. mr.P.Vreede, Mari Andriessen, Henk Leffelaar, Adriaan Roland Holst, Anton van Duinkerken, Paul Huf, dr.P.H.Ritter jr., een onbekende, Cornelis Veth, Otto B. de kat en 2 niet geïdenticeerde dames. Zittend: Maurist F.Pieper, Sophie Mulder, Lodewijk van Deyssel, Emile Erens en Jacqueline Royaards-Sandberg

Viering van 85ste verjaardag van Lodewijk van Deyssel 22 september 1949 in het Frans Hals Museum. Staande van l.n.r. mr.P.Vreede, Mari Andriessen, Henk Leffelaar, Adriaan Roland Holst, Anton van Duinkerken, Paul Huf, dr.P.H.Ritter jr., Han Bijvoet (een neef van Emile Erens. De moeder van kunstenaar Han Bijvoet was Maria Bouvy), Cornelis Veth, Otto B. de Kat en 2 niet geïdentificeerde dames. Zittend: Maurits F.Pieper, Sophie Mulder, Lodewijk van Deyssel, Emile Erens en Jacqueline Royaards-Sandberg

Een overzicht van publicaties door Emile Erens 1906  Korte verhalen. Amsterdam, uitgeverij S.L.van Looy. [Bevat 21 verhalen, o.a. twee Limburgsche novellen; Begijnenhof te Gent; In de rondgangen van den dom te Aken; en Kevelaer].

Vooromslag van ‘Korte Verhalen’ (1906)

1925  De heilige pelgrim, Benoît Joseph Labre. Amsterdam, Van Munster. [In 1935 vanaf 3e druk bij Paul Brand in Hilversum, 5e druk 1947]. [Opmerkelijk is dat van de derde druk twee verschillende edities in omloop zijn: de ene met 195 pagina’s en een tweede met 238 bedrukte bladzijden].

Derde druk van ‘De heilige pelgrim’ (1935)

Nog een derder druk van ‘De heilige pelgrim’ uit 1935, maar verschillend uitgegeven

In 1948 uitgeveven bidprentje van Saint Benoît Labre, uitgegeven bij gelegenheid van diens 200ste geboortejaar (1).

1931  Kevelaer. Maastricht, Middelbare Kunstnijverheidsschool. [Eerder verschenen in ‘Korte verhalen’. Bibliofiele uitgave in kleine oplage vervaardigd door leerlingen van de typografieklas]. 1937  De pastoor van Ars. Saint Jean Marie Baptiste Vianney. Hilversum, Paul Brand [7e druk 1952]

Vooromslag van ‘De pastoor van Ars’

Titelpagina van ‘De pastoor van Ars’ (tweede druk, 1937)

Authentiek portret van de pastoor van Ars, Jean Baptiste Vianney (1776-1859)

Authentiek portret van de pastoor van Ars, Jean Baptiste Vianney (1786-1859)

1941  Kluizenaressen. Hilversum, Paul Brand. [Bevat na een inleiding: 1) De Eenzame [= Jeanne-Marquerite Alacoque] en 2) Sinte Pelagia.

Vooromslag van 'de Kluizenaressen' door Emile Erens

Vooromslag van ‘de Kluizenaressen’ door Emile Erens

Titelblad van het boek ‘Kluizenaressen’ van Emile Erens

1949  Uit het leven van Marguérite-Marie Alacoque. Hilversum, Paul Brand [Onvoltooid bleef een levensbeschrijving van de Franse heiligverklaarde zuster Cathérine Labouré (1806-1876)] (1) Godfried Bomans wijde een artikel aan Benoit Joseph Labre: een heilige landloper, geubliceerd in ‘Nieuwe Buitelingen’. Dagblad Trouw publiceerde op 26 maart 1998 een bijdrage bij gelegenheid van de 250ste geboortedag en met de biografie van Emile Erens als belangrijkste informatiebron.

Vertalingen: 1907  Gottfried Keller. Romeo en Julia van het land. Amsterdam, Van Looy [uit het Duits] 1910  Dom Desiderius Lenz. Esthetiek van Beuron. Helmond, Van Moorsel en Van den Boogaard, 1910. Ingeleid door G.Brom [uit het Duits] 1916  H.Catherina van Genua. Dialogen en verhandelingen over het Vagevuur . Ingeleid door Dom. Richard Schutte.  Amsterdam, Van Langenhuysen. [uit het Italiaans] 1921  Geestelijk dagboek van Lucie Christine 1870-1908. ’s-Hertogenbosch, Teulings, [uit het Frans]. Emile Erens schreef verder bijdragen in o.a. de volgende tijdschriften en kranten: De Vlaamsche School; Nederland; De Gemeenschap; De Nieuwe Gemeenschap; Roeping; De Gids; Tweemaandelijksch Tijdschrift; de XXe Eeuw; Van Onzen Tijd; De Beiaard; Opgang; Dietsche Warande en Belfort; ‘Onze Boeken’; De Hollandsche Revue. In 1936 verscheen van Albert Kuyle: een jaar vol heiligen. Ingeleid door Emile Erens. Utrecht, Het Spectrum, z.j. Werk van Emile Erens is vertaald in het Duits, Frans en Zuidafrikaans. Hij leverde bijdragen aan o.a. ‘Koningin Wilhelmina-Album voor 1897’, onder redactie van Fiora della Neve (Leiden, E.J.Brill) en een huldeuitgave gewijd aan de Limburgse romanschrijfster Marie Koenen (1879-1949) van het tijdschrift ‘Roeping’, januari 1949.

Over Emile Erens, o.a. – Frans Erens: Vervlogen jaren (1939); – Henriëtte Mooy: Gisteren leeft. (Drachten, 1965); – Gerard Brom: Een katholiek leven; autobiografische aantekeningen bezorgd door Paul Luykx en Jan Roes (Baarn,  uitgeverij Arbor, 1987); – Jacqueline Royaards-Sandberg: Ik heb je zoveel te vertellen. Brieven van en aan Lodewijk van Deyssel, Emile en Frans Erens en Isaac Israëls. Met een voorwoord en voorzien van aantekeningen, bezorgd door Harry G.M.Prick.  (Baarn, Erven Rap, 1981); – Jacqueline Royaards-Sandberg: Herinneringen. Baarn, Erven Thomas Rap, 1979; – J.Manders S.C.J.: Emile Erens, herinneringen. In Roeping, 1952, p. 253-261;- Anton van Duinkerken over Emile Erens. In: Gemeenschap, jrg. 11 (1935), p. 247-251;  – Anton van Duinkerken: Een schrijver van de toekomst. Over Emile Erens’ nieuwste boek. In: De Tijd, 16 april 1949; – J.A.F.Wils: Eerbied voor het mysterie, in: Onze Taaltuin, jrg. 5 (1936-1937), p. 147-155 [Over ‘De heilige pelgrim’]; – André Munnichs: Emile Erens, in: Roeping XXVII (1960), p. 65-97; – Godfried Bomans: Twee merkwaardige mannen; Frans en Emile Erens. Opgenomen in o.a. de bundel ‘Capriolen’ (1953, p. 251-257); – J.J.de Bois: Emile Erens zeventig jaar. In: Haarlem’s Dagblad van 26 april 1935; – Mari Andriessen: Emile Erens. In: Jaarboek Haerlem 1951. 1952, p. 23-25; – Paul Haimon: Schaesberg was bakermat van twee klassieke schrijvers. In: Limburgsch Dagblad van 5-9-1951; – Paul Haimon: Vervolgen jaren in Schaesberg; in dit herenhuis woonden Frans en Emile Erens. In: De Volskrant, 20 januari 1962; – Kees de Raadt: Emile Erens (1865-1951), een leven op het Oude Slot tussen heiligen en anjers. In: HeerlijkHeden, nummer 113, augustus 2002, p. 175-187; – Hans Krol: Emile Erens (1865-1951), bewoner van Oude Slot kwart-eeuw geleden overleden. In: De Heemsteedse Courant van 31 oktober en 14 november 1976. Opmerkelijk is dat aan de anjerkwekerij van Erens geen enkele aandacht is besteed in het boek ‘Bloeiende bedrijvigheid’ (2002). Artikelen verschenen eerder in onder meer de Katholieke Illustratie van 27 maart 1942: ‘Emile Erens: Heiligen en Bloemen’; ‘In de Anjerkwekerij ’t Clooster, de Limburger Emiel Erens, in: de Heemsteedse Courant van 21 juli 1961; van Christiane Schröder: Een vrouw kweekt Anjers, z.j.; ‘Op boerderij van Huis Heemstede worden anjers gekweekt’, in: Leeuwarder Courant van 17 juni 1955. Over ‘Liesbeth Erens, anjelierkweekster’ publiceerde Anne Biegel een artikel in het tijdschrift: De Vrouw en haar huis 37, 1942, p. 284-286.

Michel Bakker. De Heemsteedse biograaf van de Heilige pastoor van Ars. In: Tweeluik; informatiebblad van de rk parochies te Heemstede. Nummer 85, 2014, p. 16-17.

Bijlage 1: brief van Lodewijk van Deyssel, gedateerd 14 februari 1944:

“Waarde Heer Erens, Met de grootste belangstelling en met een mate van waardering zooals ik sinds lang niet meer voor een boek heb gehad, las ik nu ook uw Kluizenaressen. Opmerkelijk is, dat in den Pastoor van Ars de feitelijke praktijk der Kerk (de Diensten, de Sacramenten) meer verweven zijn met het geestesleven van de hoofdfiguur dan in de Kluizenaressen het geval is. Daardoor nadert, naar mij voorkomt de Kluizenaressen dichter de literatuur van Ruusbroec, de H.Teresa en Dionysius Areopagiticus. In de Kluizenaressen zijn passages, waar Uw stijl zich verheft zóó, dat het “groote” bereikt wordt. Dit begrip van “het groote”, “grootheid”, moge nog niet bevredigend gedefinieerd, ja misschien ondefinieerbaar zijn, – de lezer gevoelt, of wordt gewaar, de “grootheid” als een werkelijkheid. Van de veronderstelling uitgaand, – zij het slechts éven, ten behoeve dezer aanvoering, – dat Kunst en godsdienst met elkaar vergelijkbare objecten der gedachte zijn, – zoo heb ik reeds sedert een groot aantal jaren de superioriteit van den godsdienst boven “de Kunst” als een aannemelijke stelling leeren beseffen. De godsdienst maakt van den mensch zelf iets, dat nabijkomt, en in een enkel geval bereikt, het ideale kunstwerk, dat zijn denken kan concipiëren. Volgens mij, volgt uit deze stelling echter niet, dat iemand, die zich aan “de Kunst” heeft gegeven, nu ook noodzakelijk zich moet geven aan den godsdienst. Want zijn inzicht kan zijn, dat hij zich juist tot “de Kunst’ beperkt moet houden. Een der hoogtepunten in mijn geestesleven werd bereikt in 1891, toen ik mij, wonend te Bergen-op-Zoom verdiepte in de mystische literatuur. Ofschoon, door den aard zelf van wat zoo een verheffing is, de ondervinder zal meenen zeer hoog gestegen te zijn, heb ik mij zelf gelukgewenscht met nauwkeurig te weten, dat, hoezeer ook geklommen tot boven de courante geestesverrichtingen, ik gebleven was beneden de laagste laag van het door de hoogere mystici bereikte. Ofschoon na dien zoo lang geleden tijd mijn geestesleven zich niet meer in deze regionen heeft bewogen, blijft het gebeuren van toen toch als een vuurtoren boven het woelen der geheele levenszee steeds zichtbaar. Daarom had ik den drang dit te schrijven aan den auteur der boeken, waarin dichter genaderd wordt wat ik als het beste in mijn eigen leven ben blijven beschouwen dan mij ooit door eenig ander werk der Nederlandsche Letterkunde te beurt viel. Met zeer hartelijke groeten Uw K.J.L. Alberdingk Thijm.” B

ijlage 2: de verhouding van Godfried Bomans tot Limburg, i.z. de broers Emile en Frans Erens; door Paul Haimon

Foto van een jonge Paul Haimon (pseudoniem van W.Laugs; 1912-1996), (Limburgs) dichter, literair criticus en ook initiator van het Letterkundig Centrum Limburg (LCL)

“Herinneringen aan Godfried Bomans hebben velen; in de hause der verering die zijn  nagedachtenis te beurt viel deze te boek te stellen kon de schijn wekken mee te willen profiteren van een gunstige conjunctuur. Ik meen dat de modieuze Bomans-verheerlijking nu wel voorbij is en daarom meen ik aan de reeds geboekstaafde herineringen er toch enige aan te mogen toevoegen; die betreffen dan voornamelijk zijn verhouding tot Limburg. Hij kwam hier graag hoewel niet vaak als hij dat wenste. Hij was aan Limburg geparenteerd door zijn huwelijk met Gertrud Maria Verscheure, door hem daarna ook door zij kennissen Pietsie genoemd. Zij was afkomstig uit Roermond, waar haar vader een voorname functie bij de rechterlijke macht bekleedde. Ontmoette hij een echte Limburger, zwartharig en niet te groot van stuk, dan keek hij naar de ogen. Was het bovenlid van de oogluifels bij de normale blik zo goed als verborgen, dan was je van de goede Limburgse soort. Hij zelf had dat niet en hij was dus terecht, een Hollander. En daar was hij blij om, zei hij dan. Hij had Limburg pas later leren kennen, maar hij had er thuis wel veel over gehoord. Zijn vader was een oud-Rolducien. Toen hij als spreker succes begon te krijgen heeft hij  zichzelf langs ’n bescheiden weg uitgenodigd op Rolduc een lezing te komen houden. Hij wilde de beroemde ijzeren weg wel eens bewandelen. En rondlopen door door de witte gangen van de oude abdij. En met eigen ogen De Kleine Republiek in het vizier nemen waarover de beroemde Lodewijk van Deyssel, inmiddels zijn vriend en trouwe schaakmakker in Haarlem geworden, zulke roemruchte bladzijden naturalistisch proza aan had gewijd. In Heemstede was hij ook bevriend geraakt met de uit Limburg stammende Emile Erens, die daar op een ruïneus kasteeltje Het Slot een anjerkwekerij had opgezet. En dat met enig succes, hetgeen opmerkelijk mag heten want ook deze Erens, een frêle aristocraat, was juist als zijn broer Frans Erens het liefst schrijver geworden. Na een schuchter jeugdboek heeft Emile Erens op latere leeftijd, tussen het anjerkweken door, opnieuw als schrijver gedebuteerd. Zijn voorliefde ging uit naar mystieke literatuur en hij verraste toen met en paar heiligenlevens, een over de Pastoor van Ars, de Franse boerenpastoor wiens eenvoud en geloof bij menig door de hybris aangetaste geest een revolutionaire ommekeer teweegbracht, en een boek over Benoit Labre, de zogenaamde luizenheilige, of de ‘heilige onder de trap’. De boeken brachten mèt de mystieke biografieën van de in Limburg wonende Fries Maurits Molenaar een ommekeer in de hagiografie. Zij stuurden aan op een nieuwe spiritualiteit. Het vrome sausje dat voordien hoofdzaak was in heiligenlevens van pastoors-in-ruste, kwam niet meer in zo’n boek voor, de heiligen waren weer menselijk, ze mochten zelfs dom heten of onder luizen zitten in de ogen der gezeten bourgeoisie, er werd door de nieuwe schrijvers alleen gevraagd naar persoonlijkheid en overtuiging. Emile Erens werd om die boeken in de kringen van de Jongeren der Gemeenschap als een geestverwante oudere-jaars opgenomen. Zijn proza had in Haarlem een doorglansde helderheid gekregen, maar toch roerde hij ermee aan de mystiek. Op het Slot van Heemstede had Godfried Bomans hiervan geproefd. Door de uitgave van zijn eersteling ‘Memoires of gedenkschriften van mr.P.Bas’ werd Godfried over diens graf heen zelfs nog collega van mr. Frans Erens. Bomans debuteerde bij het Thijmfonds in Rotterdam en postuum verschenen ‘Vervlogen Jaren’ van Frans Erens eveneens in dat fonds. Uit dit boek met herinneringen leerde Bomans Huize de Kamp te Schaesberg, het geboortehuis der Erensen, kennen. Toen het nog gaaf overeind stond heeft hij er een gevelsteen in onthuld, die moest dienen tot een blijvende gedachtenis aan die twee belangrijke schrijvers. Als iemand het voorname herenhuis van de ondergang had kunnen redden, zou hij het geweest moeten zijn, maar Limburg lag net iets te ver voor hem om er zich voldoende voor te kunnen inzetten. Bij de gelegenheid van de inhuldiging van die gevelsteen was ook een delegatie van de door hem gestichte sociëteit ‘Teisterbant’. Het gezelschap wilde wat terugdoen voor de Limburgse schrijvers, en men nodigde ons uit in Haarlem iets te komen vertellen over het literaire leven in Limburg. We togen erheen op de dag dat een als Jacoba van Beieren geklede jongedame in een helicopter in de Keukenhof landde. Godfried Bomans deed het toen aan ons voorkomen alsof dit optreden, een reclamestunt van de Keukenhof-exploitanten, een ere-saluut inhield aan het Limburgse gezelschap. Jammer genoeg wist de bevallige jeugdige Jacoba niets af van de komst der Limburgers en kwam het niet tot een intiemere ontmoeting. Ik leerde Godfried Bomans toen pas persoonlijk kennen. Hij ontpopte zich toen voor mij niet alleen als een gemakkelijk spreker die moeiteloos het juiste woord vond om als voorziter iedereen in en uit te luiden. (…)”  Paul Haimon: Godfried Bomans van dichtbij gezien. In: Limburgsch Dagblad van 23 december 1972.

Bijlage 3 Overzicht van de heiligenlevens die voorkomen in het werk van Emile Erens, samengesteld door Kees de Raadt Alacoque, Marguerite-Marie (1647-1690) kreeg toen zij tien jaar was kinder­verlamming waarvan zij vier jaar later op wonderbaarlijke wijze genas. Ondanks bezwaren van haar familie trad zij in 1671 in een klooster. Daar beleefde zij mys­tieke verschijningen van Christus, die haar opdroeg de devotie van zijn Heilig Hart te verspreiden en een Heilig Hartfeest in te stellen. Eerst in de 19e en 20e eeuw kwam deze verering tot stand. [Uit het leven van Marguerite-Marie Alocoque] Christine, Lucie (1844-1908) een Parijse weduwe en moeder van vijf kinderen. Op verzoek van haar biechtvader hield zij een dagboek bij. [vertaling dagboeken] Emmerick, Anna Catharina (1774-1824) [Korte Verhalen] Genua, Catherina van [vertaling dialogen] Labouré, Cathérine (1806-1876) werd op 2 mei 1806 geboren als negende kind in een boe­ren­gezin. In 1830 trad zij in. In 1830 was Maria aan haar verschenen en had zij van haar de opdracht ge­kregen een medaille van de Onbevlekte Ont­vang­e­nis te laten slaan. [onvoltooid manuscript] Labre, Benoît Joseph (1748-1783) deed vergeefse pogingen om kloosterling te worden. Daarop begon hij een zwervend bestaan door Europa. Op 8 december 1881 is hij door paus Leo XIII heilig verklaard. [De Heilige Pelgrim] Montmorency, Jeanne-Marguerite de (1649? –1700) Zij leefde van omstreeks 1649 tot en met 1700. [Kluizenaressen] Pelagia, leefde in de 4e eeuw. Van oorsprong was zij toneelspeelster en dan­se­res. Op latere leeftijd bekeerde zij zich tot het christendom en liet zich dopen. Als boetedoening voor haar lichtzinnige leven gaf zij al haar bezittingen aan de armen. Daarop vestigde zij zich, vermomd als kluizenaar, in een grot op de Olijfberg. Tijdgenoten noemden haar de ‘monnik zonder baard’; pas na haar overlijden ontdekte men haar ware identiteit. [Kluizenaressen] Stommeln, Christina von (1242-1312)  werd geboren in het plaatsje Stommeln dat vlak bij Keulen ligt. Als kind had Christina visioenen van Jezus. Volgens over­leveringen bezat zij de stigmata. Zij was begijn in Keulen later verhuisde zij naar haar [Korte Verhalen] Vianney, Jean Marie Baptiste (1786-1859) stamde uit een eenvoudig boeren­gezin. Hij wilde priester worden maar de studie daarvoor viel hem zwaar. Dankzij privé onderwijs kon hij op 29 jarige leeftijd alsnog tot priester worden gewijd. In 1818 werd hij benoemd tot pastoor van Ars: een ontkerstend dorp. Door zijn simpele kernachtige prediking, maar bovenal door zijn boet­vaar­dig leven, veran­der­de hij Ars in een bloeiende geloofsgemeenschap. Tijdens zijn leven gebeurden in Ars vele wonderbaarlijke dingen, waardoor Ars uitgroeide tot een bede­vaart­plaats. Uit heel Europa kwamen gelovigen om bij hem te biechten en raad te vragen. Op 31 mei 1925 is hij door paus Pius XI heilig verklaard. [De pastoor van Ars]

Bijlage 4: voorbeeld van een manuscriptpagina en drukproef 

Pagina handschrift uit Sinte Pelagia. Eerst gedeeltelijk verschenen in ‘Van Onzen Tijd’ (vanaf 1906) en in 1930 herschreven en gepubliceerd in ‘De Gemeenschap’ Ten slotte in 1941 in boekvorm uitgekomen in ‘Kluizenaressen’. Het manuscript isgeschreven in een bloc-note gelijnde vellen van de firma Anton de Rooij, kantoorboekhandel, Anegang 14, Haarlem.

Bladzijde van een door Emile Erens gecorrigeerde drukproef. Van Sinte Pelagia bestaat naast de geschreven versie ook een typoscript.

———————————————————————————————–

Emilie Erens, uit de Katholieke Illustratie, 1950 (1)

 

Emile Erens, uit de Katholieke Illustratie (vervolg)

Emile Erens, Heiligen en Bloemen. Uit de Katholieke Illustratie, 17 maart 1942

Vervolg Emile Erens uit Katholieke Illustratie van 17 maart 1942

Gedenksteen in geboortehuis van Frans en Emile Erens. Uit: de Tijd of de Maasbode?, 17-9-1951.

Gedenksteen in geboortehuis van Frans en Emile Erens. Uit: de Tijd of de Maasbode?, 17-9-1951.

erens1

Citaat Emile Erens door Godfried Bomans, uit: ‘Beroemd – gekend – gevierd’. Godfried Bomans Genootschap, 2014, pagina 19