Tags

               DE KOEPEL EN EEN MYSTERIEUS GEWELF IN GROENENDAAL

                                         DE BILJART- OFWEL THEEKOEPEL

De oorsprong van de helaas in 1970 in opdracht van de gemeente Heemstede gesloopte koepel in Groenendaal, gelegen aan de Sparrenlaan niet ver van het restaurant (voormalig koetshuis) gaat terug tot circa 1740. Daarvoor was Groenendaal overigens al buitenplaats. In een akte van 1634 is sprake van “de wooninge genaamt Grounendaal”, toen in bezit van de uit Brugge afkomstige textielkoopman Francois Tierens die zich had gevestigd in de Grote Houtstraat in een pand ‘Daar Breda uythangt’, dat bij zijn overlijden in 1648 op 30.000 gulden werd getaxeerd. Hij verhuurde Groenendaal met boomgaard aan Huijbert Cornelisz. uit Heemstede om het tien jaar later voor ƒ 4.800,- te verkopen aan de Amsterdamse koopman Abraham de Wijs. Na enige andere eigenaren is Groenendaal in 1767 door mr. David van Lennep, die lonkte naar het grotere Huis te Manpad, verkocht aan bankier John Hope voor  27.000 gulden inclusief een tuinmanswoning, stallingen, koets- en wagenhuizen, broeikassen etc. Voordien was door professor Jacob Philippe d’Orville omstreeks 1740 een nieuw huis gebouwd. John Hope had grootse plannen en liet in Groenendaal zijn allengs uitbreidende verzameling kunstschatten en antiquiteiten opslaan. In 1784 kocht hij het nabijgelegen Bosbeek met een steviger gebouwd huis. In hetzelfde jaar is hij echter overleden en zijn beide hofstedes Bosbeek en Groenendaal door de erven samengevoegd. In 1787 is het herenhuis van Groenendaal voor het grootste deel gesloopt. Enkel het middendeel, de koepel, bleef intact De Amsterdamsche Courant berichtte op 30 december 1786: “Op woensdag den 3 January 1787 voormiddags ten 11 uuren zal men by besloten briefjes, aan de hoogstinschryvende verkoopen: het afbreeken van het grootste gedeelte van het Huis op de Hofstede Groenendaal, gelegen onder Heemstede beider volgens conditien, die dagelyks op de gemeldene hofstede, als mede by den heer Anth. Charles te Amsterdam (alwaar de briefjes ook zullen geopend worden) voor een yder zullen te zien zyn.”  De koepel is als tuinhuis vernieuwd, waar men zich zomers kon verpozen om thee te drinken, te roken, een kleine maaltijd te eten, een boek te lezen of gezellig te kouten. Tevens is hier een biljart geplaatst, in 1872 met andere inboedelgoederen in Amsterdam geveild. De aanwezige kelder, bedoeld om bederfelijke etenswaar koel te houden, was met een ijzeren deur afgesloten en met slechts drie treden bereikte men deze ondergronds. Het tuinhuis (1) werd opgenomen in de ‘Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst’ (Deel V, 1). Ik citeer: “Van het overigens gesloopte buiten GROENENDAAL staat nog het middendeel (XVIII b, nu tuinkoepel) met een stuc-plafond en een witje’ (2).  In 1913 toen de gemeente Heemstede Bosbeek en Groenendaal aankocht van de erven van jonkheer Jean Baptiste van Merlen heeft de koepel geen duidelijke functie meer en begon geleidelijk het verval. Van 1945 tot 1968 is het sierlijke gebouwtje in gebruik geweest als honk van de Heemsteedse Trekkers.

De koepel van Groenendaal hier nog in volle glorie omstreeks 1930

De koepel van Groenendaal hier nog in volle glorie omstreeks 1930

Openluchtspel in 1923 met telgen uit de Heemsteedse aristocratie in historische kledij, die hier poseren voor de koepel van Groenendaal

Openluchtspel in 1923 met telgen uit de Heemsteedse aristocratie in historische kledij, die hier poseren voor de koepel van Groenendaal

Op 15 september 1923 werd bij gelegenheid van het zilveren regeringsjubileum van koningin Wilhemina het beleefdheidsbezoek nagespeeld van de Engelse koningin Henriëtte Maria en haar gevolg aan Adriaan Pauw op 8 september 1642. Het meisje vooraan op de foto, Caroline Beels, speelde de rol van dochter van Reynier Pauw en Adriana Jonckheyns. De andere dames met tussen haken de historische personen die zij hebben verbeeld zijn: freule Van Riemsdijk [hofdame Abercromby], mejuffrouw J.Meinesz [Adriana Jonckheyns, weduwe van Reynier Pauw], mevrouw. Teding van Berkhout-van Lennep [freule Van Dohna, juffer van staet], freule A. Teding van Berkhout [Henriëtte Maria van Engeland], mevrouw Ineke Beels van Heemstede [Anna van Ruytenburgh, echtgenote van Adriaan Pauw], freule Teixeira de Mattos [Lady Stamhope], mejuffrouw M.Aberson [hofdame Madame Lillies], mw. E. Dorhout Mees [Anna Cornelia Pauw, echtgenote van jonkheer Servaas van Panhuys], mevrouw. Quarles van Ufford-Dolleman [freule van Brederode, juffer van staet].

Van links naar rechts: Jenny (Valken-)Meinesz, Caroline Beels en haar moeder mw. Ineke Beels van Heemstede

Van links naar rechts: Jenny (Valken-)Meinesz, Caroline Beels en haar moeder mw. Ineke Beels van Heemstede

H.C.Beels van Heemstede als Adriaan Pauw

H.C.Beels van Heemstede als Adriaan Pauw

De toen 8-jarige Caroline Beels voor de koepel van Groenendaal

De toen 8-jarige Caroline Beels voor de koepel van Groenendaal

De koepel van Groenendaal nog in volle glorie in wintertooi

De koepel van Groenendaal in wintertooi. Herstel zou volgens de verantwoordelijk wethouder in 1970 voor de gemeente minstens één ton hebben gekost – evenveel als volgens een raming restauratie van de veel gecompliceerdere belvédère – maar een aannemer beweerde achteraf dat voor hooguit eenderde van dat bedrag de monumentale koepel van de ondergang gered had kunnen worden.

Koepel Groenendaal in februari 1969 (foto G.J.Dukker)

Koepel Groenendaal in februari 1969 (foto G.J.Dukker)

Begin 1970 hebben één of meer vandalen de koepel bovendien beschadigd. Akela Lies Visser schreef aan de gemeente een vertwijfeld schrijven met dringend verzoek de historisch belangwekkende koepel door middel van restauratie voor Heemstede en Kennemerland te behouden, maar vond geen gehoor. Kunstenaar Willem Snitker zond een brandbrief persoonlijk aan de burgemeester, wethouders en fractieleiders die in de gemeenteraadsvergadering van 27 maart 1969 ter sprake kwam en de notulen neem ik hier integraal over

Raadsnotulen februari 1970

Raadsnotulen van 27 maart 1969

Nogmaals, maar nu voor het laatst, kwam de koepel aan de orde in de rondvraag van een raadsvergadering de dato 26 februari 1970. “De heer dr.J.J.L.van Berckel zegt indertijd een lans te hebben gebroken voor behoud van de biljartkoepel in Groenendaal. Toen is spreker geantwoord dat de herstelkosten zeer hoog zouden zijn, n.l. een ton, en dat daaromtrent contact was opgenomen met Monumentenzorg. Spreker is nu geschrokken van de situatie ter plaatse. Hij gelooft dat deze Heemstede niet waardig is. Er moet z.i. binnenkort een beslissing worden genomen, hetzij voor afbraak hetzij voor herstel. Wethouder mr. O.van Wijk deelt het misnoegen van de heer van Berckel dat de biljartkoepel er nog staat. Nadat de vergunning tot afbraak afkwam is er al een paar maal op aangedrongen dat nu ook te doen. Spreker meent nog geen 14 dagen geleden openbare werken gevraagd te hebben waarom dat ding nog niet weg is, want het is ter plaatse een zeer gevaarlijke en nare toestand. Spreker zal er opnieuw op aandringen dat de biljartkoepel zo spoedig mogelijk verdwijnt.”

In de volgende raadsvergadering van 26 maart 1970 is enkel medegedeeld dat de koepel van Groenendaal is afgebroken. [De kelder zou met een laag aarde zijn afgedekt].

(1) Het is algemeen bekend dat de krankzinnig geworden Adriaan Elias Hope in opdracht van de familie op Bosbeek werd opgesloten, waar hij op 16 september 1834 levenloos is aangetroffen. Eén bron spreekt van het ‘tuinhuis’ wat meer voor de hand ligt dan in het grote herenhuis, van waaruit hij eenvoudiger had kunnen ontsnappen. Literair-historisch is de gesloopte koepel om de volgende redenen van belang: o.a. op en rond het landgoed Groenendaal speelt zich de bekende historische roman ‘Ferdinand Huyck’ (1840) af, geschreven door Jacob van Lennep die in zijn jeugd regelmatig op het nabijgelegen buitenhuis van zijn vader professor David van Lennep, het Manpad, vertoefde. Men veronderstelt dat de beschreven koepel model stond voor de biljartkoepel waar Huyck en Henriëtte Baeck elkaar ontmoetten, ook al wordt als zodanig ook een koepel bij Soest  beschouwd. In ’s-Graveland meent men dat de theekoepel van het buiten ‘Land en Bosch’ aan de Leeuwerikenlaan nabij de grens met Hilversum model heeft gestaan voor de beschreven koepel in Van Lennep’s historische roman, door de auteur achtkantig en van witte steen genoemd. Weliswaar was de koepel van Groenendaal zeskantig, maar dat kan ook een dichterlijke vrijheid zijn en algemeen bekend is dat Van Lennep het als schrijver van fictie niet zo nauw nam met exacte beschrijvingen. De column van Godfried Bomans over de Oude Geleerde Man in Bennebroek is een mengsel van ‘Dichtung und Wahrheit’.

Afbeelding van de koepel. Deze is ook getekend door Jan Wiegman. Verder komt een tekening voor in 'Het Merckwaerigste Meyn Bekent' (door Jan Bouman met de volgende tekst:

Afbeelding van het tuinhuis. De koepel is ook getekend door Jan Wiegman. Verder komt een tekening voor in ‘Het Merckwaerigste Meyn Bekent’ (door Jan Bouman met de volgende begeleidende tekst: “Op en rond de buitenplaats ‘Groenendaal’ in Heemstede speelt zich de bkendste roman van Jacob van Lennep ‘Ferdinand Huyck’. In het park, dat als gemeentelijk bezit vrij toegankelijk is, staat niet ver van het restaurant een wit gepleisterd 18e eeuws tuinhuis, dat als verkennershonk dienst doet. Volgens de overlevering is dit de biljartkoepel waar Ferdinand Huyck en Henriëtte Blaeck elkaar ontmoetten.”

De roman ‘De vrede van het Maerland’ door Marie van Zeggelen  speelt zich mede af op en rond het landgoed Groenendaal en met het “oud wit huisje” , waar zich de bibliotheek bevond,  wordt vrijwel zeker de koepel bedoeld.

Voorts is in de koepel van Groenendaal door de later gerenommeerde veilinghouder, antiquaar en bibliograaf Frederik Muller (1817-1881) in 1835 de omvangrijke bibliotheek van John Hope uit Amsterdam  gecatalogiseerd, vervolgens naar Engeland overgebracht en ten dele geveild. In zijn memoires noteerde hij: “In de grootste verwarring als een hoop zand op de zolder lag de boekerij in het huis van Six en Backer en is naar het buitenverblijf Boschbeek en Groenendaal overgebracht. Dit is een van de genotrijkste tijden uit mijn loopbaan geweest. Ik was mijzelf niet van geluk, als ik, in de koepel op Boschbeek gezeten aan het werk was. Ik arbeidde daar weken en de verrukking die ik daar genoot, maakte mij het hart nog warm.”  

Muller

Aan de hand van bronnen uit de  Bibliotheek van het Boekenvak publiceerde dr. Chris Schriks – uitgever /auteur en sinds 1946 in 2016 70 jaar in het boekenvak een nieuwe biografie over de 19e eeuwse boekenman par excellence Frederik Muller; baanbreker in de wereld van het boek 1817-1881.Hij was koopman, antiquaar, verzamelaar van boeken en prenten, veilinghouder, historicus, bibliograaf en bibliothecaris. Een uitgave van de WalburgPers in Zutphen. ISBN 978.6249.137.3

Schriks

Achteromslag van het boek over Frederik Muller. Op pagina 29 schrijft de auteur over Mullers medewerkers die in de boekenwereld een bijzondere plaats zouden verwerven. ‘Dat gold zowel voor zijn “leerlingen” Martinus Nijhoff, P.A.Tiele en Otto Harrassowitz als voor zijn “klerken” . Martinus Nijhoff werd een geducht concurrent van Muller. Harrassowitz ging terug naar de boekhandel van zijn vader in Leipzig. P.A.Tiele werd in 1866 conservatot  gedrukte werken bij de UB Leiden en daarna bibliothecaris van de UB in Utrecht [naar hem zijn de (intussen opgeheven P.A.Tiele Academie in Den Haag en de dr.P.A. Tiele Stichting genoemd die thans het Frederik Muller Fonds beheert). J.F.van Someren werd bibliothecaris van de UB Utrecht; D.J.Lodeisen custos van de Stads- en Athenaeumbibliotheek te Amsterdam; H.J.Hessels trad in dienst van de universiteitsbibliotheek Cambridge en werd een aanhanger van de theorie dat Laurens Janszoon Coster de boekdrukkunst zou hebben uitgevonden en wijdde daaraan een publicatie als opponent van dr.van der Linde uit Haarlem, vervolgens hofbibliothecaris in Wiesbaden – Frederik Muller bleef daarentegen van mening dat niet Coster maar Gutenberg de ware uitvinder is geweest -. Met werknemer Frederik Adama van Scheltema ten slotte sloot Frederik Muller in 1876 een compagnonschap’.

 

Muller4

Column van Hub. Hubben over ‘De Leonardo da Vince van het boekenvak’ [ook aangeduid in het Parool als ‘de Godfather van het boekenvak’] Frederik Muller], in: De Volkskrant van 7 april 1996 (1)

Muller5

Vervolg en slot van: ‘De Leonardo da Vinci van het boekenvak’ door Hub.Hubben in De Volkskrant van 27 april 1996

Muller3

Van 22 april tot 21 juni 1996 is in de Universiteitsbibliotheek aan et Singel 425 een expositie gehouden over Frederik Muller.

 

Muller1

In 1996 publiceerde de Walburg Pers ook al een boekwerk  met bijdragen van 23 personen uit het boekenvak in de meest ruime zin: Frederik Muller 1817-1881 Leven en Werken, onder redactie van Marja Keyser, J.F.Heybroek en Ingeborg Verheul en in samenwerking met derdejaars studenten van de Opleiding Boekhandel en Uitgeverij (Hogeschool van Amsterdam) onder leiding van Marinanne Bertina.

catalogus

                                                In 1996 verschenen catalogus van tentoonstelling

fred

Biografische schets van Frederik Muller door UB-bibliothecaresse Marja Keizer uit 1977

bibliopolium

Prent van het Bibliopolium van Johannes Muller [was een oom van Frederik Muller] aan het Rokin (adres: Kalverstraat 10) in Amsterdam. De portretjes zijn van werknemers uit die tijd. Tot 1876 toen de naam van het antiquariaat-veilinghuis veranderde in Frederik Muller & Cie. en men verhuisde naar de Nieuwe Doelenstraat. Compagnon van Frederik Muller was Frederik Adama van Scheltema. Houtgravure van A.Smeeton Tilly naar een tekening van J.D.Ebersbach uit 1884, gepubliceerd in Eigen Haard, 1885.  Citaat uit artikel geschreven door R.van der Meulen: ‘(…) Het huis in de Kalverstraat kreeg reeds spoedig nadat het door Joh.Müller in bezit was genomen een grote aantrekkelijkheid voor diens neef, de toen 16jarige Frederik Muller, die daarheen telkens zijn schreden richtte en in die zaak dan ook zijn loopbaan begon. Het was daar dat in een strenge leerschool, doch onder toezicht van een onwaardeerbaar leermeester, de grondslag gelegd werd van die zeldzaam uitgebreide bibliografische kennis, waardoor later deze boekhandelaar-antiquaar zijner firma een bekendheid over de gehele beschaafde wereld heeft bezorgd. De veiling der vermaarde bibliotheek van prof. Wilmet, die in 1837 ten huize van Joh. Müller door de aniquaren Radink en Groebe verkocht werd, gaf wellicht aanleiding dat Frederik Muller van toen af meer begon over te hellen naar, en het besluit nam zich toe te leggen op dien tak van de boekhandel, die gewoonlijk de oude handel genaamd wordt en een veel ruimer veld voor de bibliograaf aanbiedt dan in het debiet in nieuwe werken. Deze keuze bespaarde hem tevens het onaangename van later als mededinger van zijn oom op te treden. (…)’

muller

Geschreven bijschrift bij artikel over ‘Het Bibliopolium te Amsterdam’ door R. van der Meulen. Haarlem, Tjeenk Willink, 1885.

 

pand

Het grachtenpand de Vogel Struys aan de Herengracht 329 nabij de Oude Spiegelstraatdat Frederik Muller in 1849 betrok (tot 1876/1880), waarbij het achterste deel als woonhuis diende.

vistekaart

 

                                      visitekaartje van Frederik Muller, Doelenstraat 10 Amsterdam

exlibris2

Ex libris Frederik Muller Amsterdam

veilinghuis

Het vroegere veilinghuis van Frederik Muller in de Nieuwe Doelenstraat 10 te Amsterdam dat Frederik Muller in 1880 betrok en war het veilinghuis tot de liquidatie in 1963 gevestigd bleef.

catalogus1

                                  Vooromslag van een catalogus van Frederik Muller uit 1912

veiling

Aankondiging uit de krant van 1921 van een veiling antiquiteiten van o.a. P.Smidt van Gelder van huize Bosbeek in Heemstede (die in 1922 naar Zwitserland verhuisde) toen A.W.M.Mensing (1866-1936) directeur was van het veilinghuis Frederik Muller

===============================================================

Van 1 tot 10 augustus 1947 was het secretariaat van een groots opgezette internationale kampeerrally, gevestigd in de koepel van Groenendaal. Georganiseerd door de ANWB en International Federation of Camping Clubs met ongeveer 3.000 deelnemers. Bij die gelegenheid overhandigde een jonge Harry Mulisch het manuscript van ‘Ik, Bubanik’ aan de perschef Joop Veeninga. Het belandde in een bureaulade, maar is in 1994 gepubliceerd door uitgeverij de Bezige Bij.

Vooromslag van 'Ik, Bubanik'

Vooromslag van ‘Ik, Bubanik’ (1947) en ‘Op weg naar de mythe’ (1954) van Harry Mulisch

(2) ‘Witje’ slaat op de 18e eeuwse kunstenaar Jacob de Wit, een basreliëf met putti (engeltjes) in grisaille, die men boven deuren aanbracht. Eén witje ofwel grisaille afkomstig uit Bosbeek bevindt zich tegenwoordig in het Drents Museum te Assen. Wèl zijn in de Hartekamp nog grisailles te bewonderen in de gouden of rococozaal (door mevrouw Catalina von Pannwitz-Roth als decoratie aangeschaft).

Interieur van de koepel uit 1969 kort voor de sloop in maart 1970

Interieur van de koepel uit 1969 kort voor de sloop in maart 1970

Interieurfoto koepel uit 1969 door G.J.Dukker

Interieurfoto koepel uit 1969 door G.J.Dukker

Het verwaarloosde interieur van de koepel in februari 1960 (foto G.J.Dukker)

Het verwaarloosde interieur van de koepel in februari 1960 (foto G.J.Dukker)

HET GEWELF

In 1945 werd bij graafwerkzaamheden in het wandelbos Groenendaal een ondergrondse kelder ontdekt, maar men heeft daar toen weinig aandacht aan besteed. In 1982 is bij het aanbrengen van paaltjes op dezelfde plaats het ondergrondse gewelf opnieuw ontdekt, gelegen tegenover de plaats waar tot 1970 de zogenaamde biljartkoepel heeft gestaan en nabij de afsluitboom.

Situering van het gewelf

Situering van het gewelf

Een medewerker van het gemeentelijk technisch bedrijf heeft het gewelf opgemeten. Op basis van het bepaalde in de Monumentenwet is door burgemeester Van den Bosch deze ontdekking gemeld aan het Rijksinstituut voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort. Door tussenkomst is vervolgens januari 1983 een voorlopig archeologisch onderzoek verricht door de heer J. Schimmer, lid van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland. Op grond van het onderzoek van de in het gewelf gebruikte metselstenen is vast komen te staan dat de onderste laag stenen dateert uit het einde van de 15e begin 16e eeuw. Het gewelf heeft een afmeting van lengte 5 x 1.10 x  hoogte 1.40 meter. Het gewelf is voltooid met stenen die jonger zijn: 16e eeuws en 17e eeuws. Het gewelf is niet gefundeerd; de vier wanden zijn zonder fundering, trasraam of verbreding van het metselwerk op de zandlaag opgetrokken. Op de bodem is geen vloer aangetrokken; de bodem bestaat uit een zandlaag. Het vermoeden is uitgesproken dat drie aangetroffen zijarmen – één met een metalen ventilatievenster (circa 20 x 30 cm met 6 spijlen) – zich verder uitstrekken aan weerszijden van de (nog relatief jonge) Sparrenlaan. Het is niet bekend of de boden rondom het gewelf cirkelvormig is onderzocht door met een ijzeren staaf te prikken. De heer Schimmer vermoedde dat het gewelf deel heeft uitgemaakt van een zomerkeuken (1), maar vond het ontbreken van een toegang opmerkelijk.

Tekening n.a.v. onderzoek door J.Schimmer

Tekening n.a.v. onderzoek door J.Schimmer

Tekening doorsnede van het gewelf met drie gangen

Tekening doorsnede van het gewelf met drie zijarmen

Ook oud-rijksarchivaris mr. J.W.Groesbeek is ingeschakeld. Hij wees op de aanwezigheid van boerderijen in de Spaanse tijd. Deze zouden in de
Tachtigjarige Oorlog zijn verwoest. Een andere mogelijkheid die is geopperd betreft de aanwending als wateropslag voor fonteinen, waarbij gewezen werd op de watertoren bij Meer en Berg die voor waterdruk zorgde, maar verbindingen tussen het waternet voor de fonteinen en het gevonden gewelfje zijn niet bekend. Wijnopslag is een aanvaardbaarder mogelijkheid, al blijft het dan een vraagteken hoe dan de flessen uit de kelder konden worden gehaald, omdat deuren ontbreken, alleen enkele kleine doorgangetjes. Zeker is wèl dat het gewelf sprekend lijkt op de kelder die zich onder gesloopte biljartkoepel bevond. Persoonlijk ben ik vanaf het begin van mening geweest dat er een relatie moet zijn geweest met het verdwenen herenhuis van Groenendaal, zoals ik in een schrijven van 26 augustus 1983 heb vastgelegd. De onderste steen is nog niet boven en het mysterie van het gewelfje dat na het laatste onderzoek van 1982/1982 opnieuw met een laag aarde van veertig centimeter is afgedekt blijft aldus vooralsnog onopgelost.

Afbeelding van het gewelf in Groenendaal

Afbeelding van het gewelf in Groenendaal

(1) Zomerkeukens werden in vroeger eeuwen gebruik om groenten, fruit en zuivelproducten in het warme jaargetijde koel te bewaren. De aanwezigheid van een ventilatierooster zou op dit gebruik kunnen wijzen. Nochtans betekent het ontbreken van een vloer van plavuizen in het gewelf weer een onzekere factor.

Gewelf Groenendaal nabij de Sparrenlaan. 1982.

Gewelf Groenendaal nabij de Sparrenlaan. 1982.

Hans Krol

schelp

Een welp van de Heemsteedse Trekkers uitrustend  op een zitbank bij het schelpenhuisje met beeld van de nimf Adriënne in het wandelbos Groenendaal van Heemstede