MMKB08_000109891_mpeg21_p001_imageDE HARTEKAMP ALS MUSEAAL CENTRUM EN TREFPUNT VAN DE ARISTOCRATIE; de periode van mevrouw Catalina von Pannwitz, 1921-1940 (1952)

har24

Vooraanzicht van de Hartekamp, bijgenaamd het (witte) ‘ paleisje’ na de vooruitstekende aanbouwen door architect Berchtenbreiter

Diverse malen is mij gevraagd naar informatie over zowel de kunstcollectie van mw. Catalina von Pannwitz als over het leven op de Hartekamp in de periode van het Interbellum, recentelijk nog  door de heren Sieghart von Pannwitz en  Peter Frederiks. De Hartekamp was in die periode het onbetwiste middelpunt in ons land van de Duitse kolonie, van wie er velen mede vanwege Nederlands neutraliteit tijdens of na de Eerste Wereldoorlog naar ons land waren uitgeweken.  Omdat hierover tot op heden nog niet of nauwelijks is gepubliceerd reden om na onderzoek onderstaand een eerste aanzet te geven, in de toekomst uit te breiden met nog nader te verifiëren archiefgegevens.

Scan1465

Entree van de Hartekamp met vazen en de helaas gestolen stenen beelden van 2 honden die als  ‘bewakende schildhouders’ dienden

Buitenplaats de Hartekamp in Heemstede heeft sinds het verblijf van Linnaeus (1735-1737) altijd tot de verbeelding der mensen gesproken. In de tijd van baron van Verschuer (in 1901 overleden) werd het buiten regelmatig op reis van Den Haag naar Amsterdam enige uren bezocht door koningin Sophie, die dan verlangde de erudiete pastoor Borret van de parochie Vogelenzang ‘voor een gevoelige conversatie’ te ontmoeten. ‘Het Paleisje’ zoals de Hartekamp in de omgeving menigmaal werd genoemd, en vooral de laatste particuliere bewoonster met haar zwierige levensstijl, die in het interieur van het buiten tot uitdrukking kwam, voedde menig sprookje, ijverig doorverteld van een barones of gravin die keizers, gekroonde hoofden, museumdirecteuren en diplomaten uit de Oude Wereld ontving. Mevrouw Catalina [voor intimi: Käthe] von Pannwitz was niettemin geen gravin, noch barones, maar zoals een vroegere Duitse kamenierster opmerkte ‘eine gnädige Frau’, vaak aangeduid als ‘de elegante dame’. Zij bewoonde de Hartekamp met een allure die sinds de 18e eeuw ondenkbaar scheen geworden. Haar toekomstige man Walther von Pannwitz was dankzij een erfenis  vermogend en begon al op jonge leeftijd als advocaat in München kunstvoorwerpen te verzamelen. Diens eerste verzameling met vooral Duitse kunst is door hem met winst in 1905 in de Beierse hoofdstad geveild. Daarna is hij opnieuw gaan verzamelen.  Hij werd daarbij geadviseerd door de kunstexperts I.Bode en M.Friedländer. Na zijn huwelijk met Catalina von Pannwitz is het echtpaar in 1910 naar Berlijn verhuisd.

In 1911 is uit het op 26 mei 1908 in Dresden gesloten huwelijk met de in 1856 te Mehlsack geboren jurist en kunstverzamelaar Walter von Pannwitz, telg uit de oude Duitse aristocratie afkomstig uit Silezië, het eerste en enige kind geboren, Ursula geheten [zie bijlage 1]

 Roth en Argentinië

Vader van mevrouw von Pannwitz was de Duitser Friedrich Roth (1839-1906 ), die in 1873 trouwde met Anna Carolina Mathilde Auguste Eduarde Spangenberg (geboren in 1844 te Güstrow – volgens een andere bron in 1842 te Rostock – en in  1900 overleden in Rostock.  In 1876 is  Käthe Caroline Catharina Friederike Georgina (Catalina) Roth in Rostock  geboren [zie bijlage 2].  Haar vader heeft met  Carlos Roth – met niets begonnen maar begiftigd met een zakelijk instinct in Argentinië fortuin gemaakt, met het fokken en inblikken van runderen op de Pampa’s. Hij was zowel grootgrondbezitter als vleestycoon.  Dochter Catalina was de erfgename van een miljoenenbezit, waaronder 30.000 hectare land, en behield naast de Duitse de Argentijnse nationaliteit. Haar vermogen werd geschat op tussen de 60 en 70 miljoen goudmark. Ter vergelijking: de waarde van het bezit van Bernhard (‘Berni’), prins zur Lippe, vader van onze prins Bernhard, werd geschat op 325.000 mark – wat reden was om van verarmde adel te spreken.  De 20-jaar oudere echtgenoot van Catalina is op 8 november 1920  in Buenos Aires overleden.

Har7

Het echtpaar Catalina Roth en Walter von Pannwitz (Dora Heinze). De 20 jaar oudere Walter von Pannwitz overleed in Buenos Aires in 1920 op 64-jarige leeftijd en is begraven in Berlijn.

Kunst- en antiekverzameling gecatalogiseerd

In de jaren van 1910 tot 1920 is met veel speurzin en weinig gehinderd door financiële belemmeringen de basis gelegd voor de uiteindelijke Hartekamp-collectie. Regelmatig werden internationale kunstcentra als Parijs, Londen en Amsterdam bezocht, en zijn  zowel op veilingen als bij antiquairs en kunst- en antiekhandelaren aankopen gedaan.  Uit de inleiding op de catalogus van Friedländer blijkt dat veel werk is gekocht uit de Parijse collecties van Rudolf en Moritz Kahn, bij Ambroise Vollard en Jacques Seligmann, via de veiling van particuliere verzamelingen van Kaufmann en Albert von Oppenheim, bij Paul Cassirer in Berlijn Verder van Goudstikker, Weber, Steengracht en Janssen in Amsterdam. Van 1913 tot 1920 bewoonde het echtpaar een enorme patriciërsvilla in Italiaanse Renaissancestijl, tegelijkertijd woonhuis èn privémuseum in de wijk Grunewald, een kolonie buiten Berlijn waar uitsluitend miljonairs woonachtig waren. Het door de uit München afkomstige  architect German Bestelmeyer (1874-1942) in neo-klassicistische stijl ontworpen huis, waaraan het aanzienlijk bedrag van 5 miljoen Goldmark is gespendeerd, door schrijfster Dora Heinze ‘Palais (von) Pannwitz’ (1)  genoemd, stond van beneden tot boven vol met kunstschatten, schilderijen, maar ook wandtapijten, beelden, boeken etc.  Tevens zijn hier grote banketten gegeven, een enkele keer met ongeveer 1000 gasten, door 200 bedienden geserveerd. Van een grootsheid zoals in Berlijn hooguit voorkwam in het keizerlijk paleis. Indrukwekkend was de enorme hal met de leeuwentrap. [Tegenwoordig is in het pand na een grondige interieurverbouwing door Karl Lagerfeld als luxe hotel in gebruik].

Scan1404

Exterieur van Palais Pannwitz na de bouw in 1913

Har5

De hal van Palais Pannwitz in Grunewald, Berlijn

(1)Behalve de boekuitgave ‘Das Schlosshotel im Grunewald: Geschichte eines Adelspalais is door Dora Heinze een film vervaardigd over het Adelspaleis, uitgezonden SFB v14 april 1997 en door 3SAt herhaald.

Har6

Foto van het huidige 5 sterren Schlosshotel, met 53 luxe kamers, voorheen Palais Pannwitz in de wijk Grunewald, Berlijn

alma

Conferentiezaal in Schlosshotel Grunewald, Alma Berlin

Verhuizing naar Heemstede

Ursula1

Een jonge Ursula von Pannwitz. Zij was vernoemd naar haar oma Ursula J.Tobler. Op 10-jarige leeftijd verhuisde zij naar Heemstede (Dora Heinze) Voluit waren haar voornamen Ursula Katherina Cornelia Elisabeth, geboren 23-11-1911 in Berlin-Grunewald.

Na het overlijden van haar echtgenoot is Grunewald voor 1,5 miljoen Reichsmark verkocht aan de Duitse Staat.Vervolgens heeft mevrouw Von Pannwitz in 1921 voor meer dan vier ton de Hartekamp aangekocht. Zij zou voor Nederland gekozen hebben om in de omgeving van de uitgeweken Duitse ex-keizer te wonen, met wie tijdens de Berlijnse periode een hechte vriendschap was ontstaan. Direct na de aankoop gaf zij de Amsterdamse werkzame maar uit Duitsland afkomstige architect H.C.Berchtenbreiter opdracht het huis te verbouwen – met de naar voren springende zijvleugels van ir. A.G.van der Steur uit 1902 –  ten behoeve van haar kunstverzamelingen. Een Italiaans cassettenplafond is herplaatst en de marmeren schouw heeft de Haarlemse beeldhouwer Louis Vreugde ontworpen. Ook de achtergevel onderging in het midden een wijziging: daar werd het ‘uitstek’ tot het dak toe opgetrokken. De decoratie van het interieur is  ingrijpend veranderd. In de grote ruimten in de linkerhelft van het huis, die mevrouw Von Pannwitz voor het voor het grootste deel van het kunstverzameling had bestemd, zijn de wanden nieuw gedecoreerd. Boven de deuren van de zaal naast de hal, die de gouden of rococozaal werd genoemd, zijn grisailles van de achttiende eeuwse schilder Jacob de Wit aangebracht. De haaks daarop gelegen renaissancezaal kreeg een beschilderd balkenplafond en een rood marmeren schoorsteen.  In het uitstek kwam een stucplafond en zijn in de wanden vitrines voor de porseleinverzameling opgenomen. De grote achterkamer aan de rechterkant, die de spiegelzaal heette, werd kreeg een bestemming als eetzaal. Hier waren in plaats van gordijnen spiegels in de panelen tussen de ramen verborgen, die ’s avonds voor de ramen konden worden  verschoven.

cat

Ursula von Pannwitz (links) met Duitse herder en haar moeder bij de vijver van de Hartekamp (1928)

 

rotstuin

Tekening van rotspartij op de Hartekamp uit ‘Het merckwaerdigste meyn bekent’ deel 6, door Jan Bouman.

 

 

In 1935 schreef de befaamde landschapsarchitect Leonard Springer dat ‘in 1921 de Hartekamp bij publieke verkoping in handen kwam van mevrouw weduwe C.von Pannwitz. Zij liet het huis verbouwen en de nieuwe Hartekamp met z’n rijk historisch verleden werd door haar op de meest voortreffelijke wijze onderhouden’. (Het Landhuis, 28-8-1935).

Scan1473

Plattegrond van de Hartekamp na de uitbreiding met aanbouwsels van 1902 en 1921. 1: Balzaal ofwel achtersalon , 2: Renaissancezaal, ook aangeduid met bibliotheek, 3: Rococozaal, ook Gouden zaal en voorsalon genoemd, 4: het uitstek (porseleinverzameling), 5: Spiegelzaal (eetzaal), 6: Oud-Hollandse kamer ook rookkamer genoemd. Reconstructie op grond van bouwtekeningen uit 21 Openbare Werken Heemstede (uit boek: Het landgoed de Hartekamp in Heemstede, 1982, pagina 39).

Hartekamp4

                                                           Achterzijde van de Hartekamp, 1932

Har10

De porseleincollectie van mevrouw von Pannwitz op de Hartekamp in het uitstek (Buiten, 1932)

 

 

hartekamp9

 

Voorgevel van huize de Hartekamp, uit Kastelen, buitenplaatsen in Nederland van Loosjes en Jongsma, 1932

 

 

 

 

voor1                                                    Voorsalon de Hartekamp, 1932

Hartekamp7

                                    Bibliotheek in huize de Hartekamp, 1932

 

voorsalon

Deel voorsalon de Hartelamp met zicht op de hal. Grisaille van Jacob de Wit en een tapisserie, 1932

Hartekamp5

                                                   Achtersalon in huize de Hartekamp, 1932 met cassettenplafond

Het nieuw aangestelde personeel, gedeeltelijk uit Duitsland afkomstig, overnachtte tijdelijk in ‘De Geleerde Man’ te Bennebroek. Alle personen die mevrouw Von Pannwitz persoonlijk gekend en meegemaakt hebben zijn intussen overleden.  Toch heb ik in de jaren 70 van de vorige eeuw nog 2 vroegere dienstboden in Lisse en Alkmaar gesproken. Die omschreven haar als een kunstzinnige, apolitieke en sociaal-voelende zakenvrouw die pas echt opleefde wanneer er mensen op bezoek waren.  Vaak persoonlijke vrienden uit Duitsland en, maar ook diplomaten en conservatoren van buitenlandse musea, met wie zij dan het Rijksmuseum of het Frans Hals Museum bezocht.

ddd_010657161_mpeg21_p007_image

In 1923 werd de Hartekamp-collectie na de introductie van een museumdirecteur voor belangstellende kunstliefhebbers open gesteld (Algemeen Handelsblad, 21-9-1923)

In de zomer van 1926 hield zij een groot tuinfeest ten behoeve van het steuncomité voor Intellectueel Centraal Europa.

ddd_010531384_mpeg21_p008_image

(De Tijd, 146-1926)

har2

Tuinfeest op de Hartekamp in 1926 waarbij de opbrengst ten goede kwam aan een goed doel. Prins Hendrik begroet de deelnemende personen

ddd_010359650_mpeg21_p013_image

Romanschrijfster Jo van Anmmers-Küller die als hobby de handlijnkunde beoefende voorspelt de toekomst van prins Hendrik (Sumatra Post 15 juli 1926)

Prins Hendrik, een trouw bezoeker van party’s, was hierbij aanwezig en werd aan de in historische kledij gestoken deelnemers voorgesteld. Drie jaar later, 7 juli 1928 was Heemstede landelijk nieuws toen de eerste Europese oceaanvliegers, de Ier Fitzmaurice, en de Duitsers Köhl en baron von Hühnefeld op de Hartekamp met een diner zijn gehuldigd. De vliegers arriveerden om 12 uur te Soesterberg en zijn vandaar weer opgestegen en naar Schiphol gevlogen. Daarbij vlogen zij enige keren in een Junker laag over huis Doorn. De familie van de gewezen Duitse keizer stond op het dak. Tot afscheid wierpen zij een pakje naar beneden, dat hun groeten bevatte. Van Schiphol gingen ze per auto naar de buitenplaats van mevrouw von Pannwitz te Heemstede. Daar gebruikten de beroemde luchtvaarders met een aantal gasten de lunch. Van daar vertrokken zij per limousine naar Schiphol waar de oceaanvliegers hun toch per vliegtuig voortzetten, aldus o.a. de Leeuwarder Courant van 9 juli 1928.

Har3

De oceaanvliegers worden ontvangen op de Hartekamp. V.l.n.r.: de Ier James C. Fitzmaurice, en de Duitsers Hermann Köhl, Catalina von Pannwitz, Ursula von Pannwitz en baron E.G.von Hühnefeld

Ex-keizerWilhelm 11

zeppelin

Luchtschip de Graaf Zeppelin boven het Spaarne. Boven de Hartekamp maakte men een sierlijke buiging als een groet aan de daar aanwezige ex-keizer Wilhelm 11 (Eerste Heemsteedsche Courant, 18-10-1929)

vijftig

(50ste bezoek van Wilhelm 11 aan de Hartekamp. Uit: Sumatra Post, 19-1-1932)

 

ddd_010535131_mpeg21_p004_image

Bezoek aan bollenbedrijf van A.C.van der Schoot in Hillegom (De Tijd, 16-7-1932)

Har14

De ex-keizer en zijn gevolg in 1935 bij een ontvangst op de Hartekamp. Links van hem mevrouw Catalina von Pannwitz en helemaal rechts echtgenote Hermine van Pruisen. Verder v.l.n.r. baron von Groncy, prins Oskar van Pruisen, (kalend) baron Eduard von der Heydt (bankier), prinses = echtgenote van prins Oskar, prinses Herzeleide van Pruisen.

har17

Het 75ste bezoek van de keizer op de Hartekamp. Elke 25 keer werd een ereboog opgericht. In het midden mevrouw von Pannwitz met een boeket bloemen. Links van haar met bontjas prinses Hermine van Pruisen en helemaal rechts dochter Ursula von Pannwtz

In 1918  heeft keizer Wilhem 11 als balling in het tijdens WO1 neutrale Nederland gevestigd. Op 29 november onderkende hij in de gobelinzaal van kasteel Amerongen de officiële abdicatie en in 1910 is verhuisd naar naar huis Doorn nadat het kasteel, bijgebouwen park waren gekocht van douarière Wilhelmina Cornelia baronesse van Heemstra.  Voor de meubels en andere voormalige eigendommen zoals antiek e.d. uit het ‘Neues Palast’ en ‘Stadtschloss’ in Berlijn  mocht Wilhelm een keuze maken; zijn geld stalde hij grotendeels bij de handelmaatschappij en bank van Rhodius.  Een persoonlijke vriend van Catalina von Pannwitz-Roth, wier man Walter von Pannwitz 8 november 1920 overleed in Buenos Aires,  was en bleef de in ballingschap wonende Duitse keizer Wilhelm 11. Hij noemde haar liefkozend ‘Panni’. Talloos waren de roddels dat de ex-keizer een verhouding had met de nog altijd bevallige weduwe. Talrijke bezoeken zijn aan Huize Doorn afgelegd en tot begin 1940 heeft Wilhelm met zijn echtgenote prinses Hermine van Pruisen en hun gevolg, in totaal 103 maal de Hartekamp bezocht. Iedere 25ste keer werd gevierd met een ereboog van groen op het bordes evenals een diner in de Spiegelzaal. Het honderdste bezoek had in 1939 plaats. Soms zijn gemeenschappelijke uitstapjes gemaakt zoals naar de bollenvelden, de Flora-1935 in Groenendaal of de kwekerij van A.C.van der Schoot te Hillegom. De keizer was namelijk een groot liefhebber van planten en bloemen, in het bijzonder van rhododendrons en diepblauwe delphina’s. Mevrouw Von Pannwitz beschikte over een eigen jacht ‘Olympia’ in de Ringvaart afgemeerd en had een motorjachtdrijver, de heer Fijnheer, in dienst.

Roth3

De ex-keizer in gesprek met A.C.van der Schoot in Hillegom. Links mw. von Pannwitz (foto huis Doorn)

 

Har4

Bezoek aan kwekerij A.C.van der Schoot hr. in Hillegom. Achter de bollenkweker, de keizer, Catalina von Pannwitz, prinses Hermine van Pruisen en majoor M.C.van Houten (foto Huis Doorn)

In zijn gepubliceerde memoires ‘Der Kaiser in Holland’ (1924-1941; in 2015 herdrukt), zowel in een Nederlandse als Duitse editie verschenen, schrijft vleugeladjudant Sigurd von Ilsemann enige malen [21-12-1925; 12-8-1932; 27-9-1938, 12-5-1940] over de wederzijdse bezoeken. Op 5 januari 1934 noteerde hij het volgende anekdotische verhaal: ‘Mevrouw von Pannwitz  die verscheidene weken met haar dochter in Argentinië  is geweest, bracht gisteren de avond met de majesteiten door en ontbeet vanmorgen met hen, voor Z.M.  naar het bos ging. Bij deze gelegenheid zei zij misprijzend, dat Hitler had toegestaan dat in verband met de Olympische Spelen het stadion voor negentien miljoen mark verbouwd werd. Deze kritiek op Hitler was voor H.M. [bedoeld wordt echtgenote Hermine van Pruissen] voldoende aanleiding om tegenover de goede Panni een vreselijke scène te maken en haar met de scherpste verwijten te overladen. Panni was zo in haar wiek geschoten, dat zij mij na haar thuiskomst in de Hartekamp opbelde waarbij zij haar verontwaardiging over zo’n  behandeling niet onder stoelen of banken stak. H.M. had haar in bijzijn van haar dochter en de beide prinsessen als een viswijf toegesnauwd en haar de meest ongelooflijke dingen naar het hoofd geslingerd. De keizer maakte zich zo kwaad over de uitlatingen dat hij wel een hartaanval had kunnen krijgen.’  Op 21 december 1925 staat vermeld: ‘Op de 19de was Z.M. en gevolg bij mevrouw von Pannwitz te gast voor het eten en de thee. Ik heb mij laten verontschuldigen. Als gasten waren ook uitgenodigd: de Duitse gezant in Den Haag, excellentie Lucius von Stoedten, mevrouw von Lindeneier en mevrouw Voss (Goltz). Z.M. vertelde mij erover: “Toen Lucius mij zei, dat wij, Duitsers, zonder leger en geld niets konden doen, antwoordde ik hem dat hij dus dan ook tot hen behoorde die alles opgegeven hebben en zich bij de feiten neergelegd! Op zijn bewering dat wij in het vaderland ook niet de juiste leiders hadden antwoordde ik: “Nou, dan hebt u mij dus al bij het oud ijzer gezet, ik tel voor jullie zeker niet meer mee?” En wat deed Lucius? Hij sloeg zijn ogen neer en bleef mij een antwoord schuldig. En dat is nu een man die nog onder mij ambtenaar is geweest! (…)’ Op 12 augustus 1932 schreef von Ilsemann: ‘Gisteren maakte ik met Z.M. weer eens een tochtje naar mevrouw von Pannwitz. De keizer heeft het er deze keer met Niemann over gehad dat bij de opstelling van het nieuwe leger, na zijn terugkeer, de infanterie nog meer machinegeweren bedeeld moest krijgen dan hij aanvankelijk met Gabriel had besproken.’  Op 17 mei 1935 noteerde hij: ‘(…) Daarna vertelde hij: ‘Mevrouw von Pannwitz en haar vriendin Ysenburg wilden mij er onlangs toe overhalen om de uitvoering van de “Walküre” in Amsterdam bij te wonen. Toen ik opmerkte dat dit in verband met de aanwezigheid van het publiek onmogelijk was, wilde Panni meteen regelen dat ik de generale repetitie bij zou kunnen wonen, want daar is immers helemaal geen publiek bij. Toen ik erop wees dat de mensen mij dan weliswaar met in de schouwburg, maar misschien wel op de reis daarnaartoe zouden zien, gaven zij het nog steeds niet op. Toen werd deze vrouwenpraat mij te gek. Ik sloeg met de vuist op tafel en zei: “Stelt u zich eens voor wat men thuis zou zeggen als men hoorde dat de keizer naar een Nederlandse schouwburg gaat!”  Nee, zolang het Duitse volk zich niet van de schande ontdoet om haar eigen keizer als laatste krijgsgevangene in ballingschap te laten, zolang ga ik geen schouwburg binnen.’

Sigurd

Sigurd von  Ilsemann, 1920, de trouwe adjudant van keizer Wilhelm 11 (1920, foto Bibl. Nat. de France).

Op 27 september 1938 schreef von Ilsemann: Omdat de majesteiten gisteren bij mevrouw von Pannwitz waren, zag ik de keizer tweeëneenhalve dag niet. Wat hebben zich in deze dagen toch belangrijke politieke zaken afgespeeld! De rede van de Führer van gisteren vormde het hoogtepunt van de crisis tot nu toe. Al dagenlang praat men over niets anders dan of er oorlog komt of dat de beker nog één keer aan Europa voorbijgaat. En de keizer?  De hele ochtend was ik bij hem en hij sprak over het weer, over China en Spanje, over zijn bezoek van gisteren aan een Amsterdams museum, maar geen woord over de Europese situatie. Toen ik deze zaken tijdens het voorlezen uit de kranten ter sprake bracht, vermeed hij  het onderwerp wederom.’  Ten slotte 12 mei 1940 (Eerste Pinksterdag): ‘Z.M. houdt de gebruikelijke morgenwijding. Tegen vier uur ’s middags deelt de keizer aan graaf Moltke en mij in de torenkamer mee, dat de burgemeester van Doorn hem een half uur geleden een aanbod van de Engelse regeting gezonden had, om de majesteiten met inachtneming van de verschuldigde eerbied voor de duur van de oorlog, naar Engeland over te brengen, omdat Doorn spoedig bij de gevechtshandelingen betrokken zou worden. Baron van Nagell [de Doornse burgemeester]  was hierover telefonisch dor lady Chichester (geb. von Pannwitz), wier man van het Engelse gezantschap in Den Haag, is verwittigd, met het verzoek dit aan de keizer door te geven. Na telefonische ruggespraak constateerde de burgemeester, dat noch het ministerie van buitenlandse zaken noch de Nederlandse regering van dit Engelse aanbod op de hoogte waren. Nadat de regering zich echter van de juistheid van dit aanbod overtuigd had, liet zij Z.M. via baron van Nagell weten, dat zij tegen aanneming van dit aanbod door de majesteiten geen bezwaar had. Z.M. verklaarde er niet aan te denken die Engelse uitnodiging te aanvaarden, ik verlaat Huis Doorn niet!’

Wilhelm 11 was antisemitisch en gaf de schuld van de financiële crisis in Duitsland aan Joodse bankiers, maar maakte in gesprekken met de joodse bankier Fritz Gutmann van Bosbeek, die regelmatig op de Hartekamp kwam voor hem een uitzondering… In 1936 luchtte de ex-keizer in een brief aan Catalina zijn hart ‘over de schadelijke invloed van de joden die zich niet laten assimileren’ en aan gravin von der Goltz in Arnhem schreef hij: ‘Mijn lieve gravin, dat de joden in neutraal Nederland altijd goed Oranisch (Oranje-gezind) waren, had een reden: in dit neutrale land konden zij hun geld veilig opstapelen en de macht in handen krijgen. Wat deze joden in Nederland aan schandelijkheden tegen Mijn volk en vaderland en tegen mij persoonlijk hebben gepresteerd, kon ik tijdens twintig jaar van mijn verblijf in Nederland zelf met verontwaardiging vaststellen.’

Scan1481

Aankomst van de Mercedes op de Hartekamp. De chauffeur laat ex-keizer Wilhelm uitstappen, Ursula vooraan en daarachter Catalina von Pannwitz staan klaar om Wilhelm 11 te begroeten, terwijl bedienden in livrei klaar staan om koffers in ontvangst te nemen.

Scan1474

Moeder en dochter von Pannwitz begroeten ex-keizer Wilhelm 11 bij een van zijn bezoeken aan de Hartekamp. 

Har16

Een galadiner op de Hartekamp ter ere van de ex-keizer. en zijn familie. 1 = Hermine van Pruisen (tweede echtgenote van de keizer),  = Freiherr Alexander von Semarclens Grancy, kapitein-vleugeladjudant, 3 = Hermine Caroline (1910-1992), 4 = Ferdinand (1913-1973), 5 = Henriëtte (1918-1979), was gehuwd met een kleinzoon van Wilhelm. Daarnaast Catalina von Pannwitz, 6 = Marius van Houten, majoor marechaussee (1879-1953).  De kamenierster met witte schort heettte Elisa Grieschat en was afkomstig uit Polen. Naast haar rechts in livrei een Nederlandse butler Bram de Wit en vervolgens de Duitser Büter.

Bij de verschijning van het boek over de historie van de Hartekamp in 1982 benadrukte Ursula Chicester de eenvoudige levensstijl van de keizer. Wat echter het voormalig personeel het meest is bijgebleven is bijvoorbeeld het feit dat hij zijn handen niet met kraanwater maar met eau-de-cologne waste…en dat enkel de badkamer van de keizer over gouden kranen beschikte.

Mevrouw Catalina von Pannwitz neemt op het bordes afscheid van Wilhelm 11 na een bezoek aan de Hartekamp, circa 1939 (coll. Pierre Bussen)

Bussen2

Catalina von Pannwitz doet Wilhelm 11 uitgeleide op het bordes van de Hartekamp (fotocollectie Pierre Bussen)

florakeizer

Bezoek van de ex-keizer aan de internationale  Fora-bloemententoonstelling in Groenendaal, Heemstede. Links de Hillegomse kweker A.C.van der Schoot en achter hem en Wilhelm 11 mw. Catalina von Pannwitz-Roth  (Katholieke Illustratie, 1935)

 

har15

Theevisite op de Hartekamp. V.l.n.r. Catalina von Pannwitz, ex-keizer Wilhelm 11, de in Amsterdam gevestigde  bankier Eduard on der Heydt (1882-1964) die in Zandvoort woonde (en zich bij de NSDAP aansloot) en prinses Hermine van Pruisen, echtgenote van de keizer

442c8aa5-478e-205e-92d8-2f4ee80af0da

Ook de ex-kroonprins Friedrich Wilhelm en prins Heinrich, broer van ex-keizer Wilhelm 11, zijn regelmatige bezoekers geweest van de Hartekamp (Nieuwe Leidsche Courant, 4 februari 1927)

Via de ex-keizer uit het geslacht der Hohenzollern zijn de kontakten tot stand gekomen met de prinselijke familie Von Lippe Biesterfeld, zoals prinses Armgard en haar zonen de prinsen Aschwin en Bernhard, evenals met prinses Juliana die allen in de jaren tussen 1933 en 1939 op de Hartekamp herhaaldelijk vertoefden. Na de oorlog heeft mevrouw Von Pannwitz de prins geïntroduceerd bij Argentijnse zakenlieden en naar wordt aangenomen voor hem bedoeld via Juliana ook geld uit haar Argentijnse vermogen verstrekt.

Groen3

Keizer Wilhelm 11 met in zijn gevolg Catalina von Pannwitz in wandelbos Groenendaal, 1935 (collectie huis Doorn)

Prins Bernhard als bezoeker in de jaren 1930-1939

pannwitz

Bericht n.a.v. aangekondigde verloving van prinses Juliana met prins Bernhard. Uit de Arnhemche Courant van 9 september 1936

Reckenwalde

Familiereünie op Reckenwalde met v.l.n.r.: prins Ashwin in uniform, prinses Armgard, prinses Juliana en prins Bernhard (Vrij Nederland, 16 oktober 1976)

Juliana

                Prinses Juliana en prins Bernhard na een bezoek aan de Hartekamp in 1936

 

a4ce6b32-5b1c-500b-4702-dd0742b70ffb

Slechts bij hoge uitzondering kwam een bezoek van prinses Juliana en prins Bernhard aan de Hartekamp in het nieuws. (Haarlem’s Dagblad, 29-10-1936). Prins Bernhard kwam overigens meestal alleen en voor 1936 incidenteel met zijn moeder prinses Armgard en broer prins Aschwin.

 

In een gepubliceerde rede ‘Het prinselijk paar gehuldigd’, uitgesproken aan de Keizer Karel Universiteit te Nijmegen op 28 juni 1937 en gepubliceerd in 1937 ter gelegenheid van het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard schrijft professor dr. Jac. van Ginniken S.J. over de periode dat Bernhard stage liep bij de Nederlandse Handelmaatschappij : ‘Hij reed toen met zijn eigen auto en zelf aan het stuur, elken dag op en neer van Heemstede naar Nederlands hoofdstad, en meestal zat ’s avonds Juliaantje op hem te wachten. Was het dan zoo onvergeeflijk, dat hij er graag gauw was, en zoo hard reed, dat een politieagent zoowaar de grijze auto aanhield en met strenge blik een proces-verbaal wilde opmaken? Bernhard nam de heele zaak leuk op, maar wachtte zich toch wel voor een tweede keer.’ (Onze Tuin, 1937).

wilhelm

Keizer Wilhelm en zijn vijf zonen (uit:Alles over Royals: Wilhelm II versus Hitler; zijn laatste uren als keizer van Duitsland en zijn verbanning naar Nederland,  2016, p.46-53

ddd_010002802_mpeg21_p006_image

In 1929 werd in de binnen- en buitenlandse pers naar aanleiding van een bericht in de Telegraaf het huwelijk aangekondigd van Ursula von Pannwitz met (kroon)prins Wilhelm, oudste zoon van de ex-kroonprins en kleinzoon van ex-keizer Wilhelm 11, maar de jongedame, die ook al de prinsen Louis Ferdinand en Bernhard afwees, zag uiteindelijk van een verloving af en werd verliefd op een Engelse graaf en niet op een Duitse prins. (Het Centrum, 11-3-1929)  

ddd_010212423_mpeg21_p002_image

Al spoedig werden de geruchten tegengesproken als zou Wilhelm, kroonprins van Pruisen/Hohenzollern met Ursula von Pannwitz trouwen.

Kaiser Wilhelm II. mit Sohn und Enkel

Rechts: kroonprins Wilhelm 111 (1906-1940), helemaal links zijn vader prins Wilhelm en tussen beiden grootvader, de ex-keizer Wilhelm 11, Prins Wilhelm 111 trouwde in 1933 met Dororthea Salviati. In 1940 nam hij als Duits luitenant deel aan de invasie van Frankrijk, raakte daarbij gewond en is ten slotte in een veldhospitaal in het Belgische Nijvel gestorven. 

Al voor de verloving in 1936 kwam prins Bernhard met zijn broer Aschwin verscheidene keren  op de Hartekamp.

Leopold

Op 30 mei 1931 vierde vader Leopold zijn zestigste verjaardag. De meeste naaste familieleden waren daarbij aanwezig, maar niet zoon Bernhard.  Op bovenstaande foto staand van links naar rechts: Lilli, Ada, Lori, Sieglinde, Aschwin Leopold Bernhard (Lo), Chlodwig en Ernst. Zittend: Carola, Marie, Anna met Leopolds jongste zoon Armin, Leopold, Julius en Berni. Annejet van der Zijl schrijft in haar biografie over Bernhard (pagina 191): ‘Bernhard en Armgard [von Cramm  1883-1971, later gravin von, respectievelijk prinses zur Lippe-Biesterfeld, moeder van Bernhard – de vader van Bernhard was ‘Berni’ prins zur Lippe 1872-1934] ontbraken op het verjaardagsfeest – zij laafden zich deze pinkstervakantie weer aan het luxeleven op de Hartekamp en de tochtjes met Catalina’s jacht Olympia. Eind juli keerde Bernhard zoals gewoonlijk weer terug naar Woynowo om daar de zomer door te brengen (…)’

MMKB08_000109891_mpeg21_p001_image

Prinses Armgard, moeder van prins Bernhard in een artikel over de verloving van haar zoon met prinses Juliana (Arnhemsche Courant, 9 september 1936)

nsdap

Inschrijvingskaart van Prins Bernhard zur Lippe als lid van de NSDP, door Gerard Aalders aangetroffen in het Nationaal Archief van de USA in Washington. De prins heeft als reactie op de vondst beweerd dat iemand anders hem heeft dat iemand anders hem moet hebben laten inschrijven (zijn broer?) (NIOD)

De familie van Bernhard was (aanvankelijk) goed bevriend met de schatrijke Herbert Gutmann, zoon en mededirecteur van de (Joodse) oprichter van de Dresdner Bank. Daar leerde hij Catalina von Pannwitz en haar dochter Ursula kennen die ook tot de vriendenkring  en regelmatige bezoeksters van ‘Herbertshof’ behoorden.  Op uitnodiging van Catalina speelde Bernhard in de zomermaanden tennis op de privébaan van het landgoed van de Hartekamp, maakte hij tochtjes op de boot ‘Olympia’ en sjanste met dochter Ursula, die echter niet openstond voor zijn avances. Volgens Lili Collas Gutmann ‘was Bernhard verliefd op Ursula. ‘Hij had graag met haar willen trouwen. Maar zij zag niets in de armlastige prins. Ursula was een zeer knap meisje, maar had een moeilijk karakter. Enige dochter, een beetje verwend’, vertelde zij tijdens een van haar bezoeken aan Heemstede. Begin 1936 wees Ursula een huwelijksaanzoek van de prins af en enkele maanden later, 8 september 1936, nadat ook prinses Marie-Louise Reuss Bernhard had afgewezen, heeft hij zich tot veler verrassing met prinses Juliana verloofd. De toen 17-jarige  Lili Vera Gutmann, woonachtig op het nabijgelegen Bosbeek, was de beste vriendin van de twee jaar oudere Ursula en hoorde van het huwelijksaanzoek van haar moeder die dat weer vernomen had van de masseuse die ook ‘tante Käthe’ [zo genoemd door zowel Lili Gutmann als prins Bernhard] van  mw. Von Pannwitz had gehoord. Ondanks de eerdere teleurstelling bleef Bernhard een vaste gast op de Hartekamp. Hij logeerde menigmaal in het huis toen de prins in 1937 praktijkervaring opdeed bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Sommigen hebben deze kontakten met lede ogen aangezien. In zijn dagboekherinneringen noteerde de Amsterdamse bankier en zakenman  Ernst Heldring [zie literatuur opgave] 10 november 1936 o.a. dat hij [= Bernhard] ‘moet echter zijn omgang goed kiezen, vooral omdat de Prinses hoegenaamd geen standsverschil aanvoelt. Daar ik het minder gelukkig vond, dat hij onlangs een bezoek bij mevrouw  von Pannwitz, wier huis een milieu van Duitse snobs is, aflegde, heb ik daarop de aandacht van Beelaerts [= jhr.mr.Frans Beelaerts van Blokland. H.K.], die zijn mentor in dergelijke aangelegenheden is, gevestigd. Deze was het met mij eens, maar gelooft niet dat dit een geregelde relatie wordt, al heeft hij in Duitsland kennissen die een brug met mevrouw von Pannwitz vormen. Dat Duitse schijnt nogal “fast” te zijn, veel echtscheidingen en mesalliances. Het is te hopen dat hij niet besmet is.’

Bij het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard op 7 januari 1937 was mevrouw von Pannwitz een van de eregasten en gaf zij fraai zilverwerk als geschenk, dat vervolgens is tentoongesteld in het paleis aan de Kneuterdijk. Begin april 1937 maakte het prinselijk paar een reis naar de Rivièra en was Catalina von Pannwitz als gast aanwezig in Monaco. Zowel bij de huwelijken van de nazaten van ex-keizer Wilhelm 11 in Doorn als tussen Dorothea Anna Pauw van Wieldrecht en burggraaf  Zu Dohna in het Duitse Buckow waren prins Bernhard en Catalina von Pannwitz met haar dochter Ursula aanwezig.

ee789f17-bc8f-6012-955c-96cc4ab17563

In 1938 trad prins Louis Ferdinand von Hohenzollern in Doorn in het huwelijk. Eerder had Ursula von Pannwitz hem, zoals ook zijn oudere broer,  als huwelijkskandidaat afgewezen. (Leidsche Courant, 4 mei 1938)

har19

Ursula von Pannwitz met Duitse herder bij een prieeltje op de Hartekamp

In de officiële geautoriseerde biografieën gewijd aan het leven van prins Bernhard zoals van Alden Hatch zal men tevergeefs zoeken naar de betekenis der kontakten met mevrouw von Pannwitz. Enkel zijn broer prins Aschwin heeft zich ooit laten ontvallen dat beide broers en hun moeder prinses Armgard tussen juni 1934 en voorjaar 1936 de ex-keiser Wilhelm in Doorn bezochten en vele malen logeerden  ‘in de omgeving van Haarlem’. Pas aan het eind van zijn leven heeft prins Bernhard in een monoloog aan twee journalisten van De Volkskrant, Jan Tromp en Pieter Broertjes,  een tipje van de sluier van zijn turbulente liefdesleven opgelicht, dat officieel tot 2  buitenechtelijke kinderen heeft geleid (Alicia de Bielefeld en Alexia Grinda), mogelijk nog 2 (geadopteerde) dochters (Jane Eales en Mildred Zijlstra). Meer informatie  over zijn zakelijke en particuliere activiteiten vindt men wèl in de politieke biografie van Wim Klinkenberg (3e verbeterde druk 1986) en in ‘Bernhard, een verborgen geschiedenis’ van Annejet van der Zijl (2010), evenals in twee artikelen van Vrij Nederland-journalist Igor Cornelissen van 9 en 16 oktober 1976,  gebaseerd op aangetroffen documenten in het Nationaal Archief van de Verenigde Staten te Washington.

vliegbrevet

Nadat prins Bernhard – hier in een hurricane – in 1941 in Engeland zijn vliegbrevet behaalde heeft hij meer dan een halve eeuw gevlogen.

Volgens de destijds in Argentinië  wonende Dietmar von Pannwitz, een petekind van Catalina – later geëmigreerd naar Canada – is prins Bernhard 28 februari in 1943 naar Argentinië gevlogen, wat de prins zelf heeft ontkend. Hij zou in het noorden het landgoed van Amadeo Zorreguieta hebben bezocht en verder gesproken hebben met Eva Maria Duarte, een bekende hoorspelactrice, die later als echtgenote van Juan Perón onder de naam Evita in haar land tot grote hoogten zou stijgen. Mevrouw von Pannwitz  introduceerde Bernhard na de oorlog  bij Argentijnse zakenmensen, waaronder de familie Zorreguieta. Verder is bekend geworden dat de Duitse Argentijn Alfredo Hirsch, een goede bekende van de prins, in een brief uit 1949,  aanwezig in de ‘National Archives’ te Washington, bericht dat hij gelden heeft overgemaakt naar de privérekening van prinses Juliana, volgens de dienst mogelijk ‘fondsen voor Nederlandse hulp’.

Bernhard

 

Prins Bernhard haalt zijn dochtes Irene en Beatrix op na de jeugdruiterdag van 1949 in Groenendaal

peronPrins Bernhard hangt in 1951 bij Evita Perón de versierselen om die behoren bij het Grootkruis van Oranje Nassau,  haar toegekend nadat Argentinië via zijn bemiddeling een order had geplaatst voor 553 treintoestellen bij Werkspoor.

ddd_010664416_mpeg21_p010_image

Een aristocratisch huwelijk in Zeist: freule Anna Theodora Pauw van Wieldrecht en de Duitse burggraaf Fabian zu Dohna SChlodien (Algemeen Handelsblad, 15-2-1941)

De kunstschatten van Bosbeek en de Hartekamp

Naast de collectie oude kunst van F.B.E.Gutmann op landgoed ‘Bosbeek’ bevond zich in Heemstede tijdens het Interbellum nog een particuliere verzameling topwerken die haar weerga niet kende in Nederland. Deze bevond zich in alle benedenzalen van de Hartekamp. Alleen al in de afgelopen paar jaar zijn via Sotheby’s 57 lots geveild van kunstwerken die op de Hartekamp aanwezig waren. Werk uit het voormalig bezit  Gutmann op Bosbeek is in 2002 en 2003 voornamelijk bij Christie’s geveild.

Scan1469

De Gouden Zaal (ofwel Rococozaal) op de Hartekamp.  De zogeheten Renaissancezaal (1932)

Hartekampfakeboekenkast

Pseudo-boekenkast tussen Bibliotheek/Renaissancezaal en Balzaal gesitueerd waarachter zich de grote brandvrije kluis van mevrouw von Pannwitz op de Hartekamp bevond en waar zij o.a. haar sieraden en waardepapieren opborg.  (foto Bob van der Lans)

De Hartekamp van 1901 tot 1921

Na het overlijden van baron Barthold van Verschuer en zijn echtgenote Anna Maria Brants, beiden in 1901 gestorven, vond op de Hartekamp ‘boelhuis’ plaats. Het bekende schilderij van een jonge Linnaeus in Laplands kostuum is toen gekocht door ornitholoog Ernst Blaauw voor zijn landgoed ‘Gooilust’ en bevindt zich tegenwoordig in de Artis-bibliotheek. O.a. een marmeren beeld, voorstellende David die zich opmaakt Goliath te doden is aan de Nederlandse Staat gelegateerd met nog enkele beelden die een plaats kregen in het Parlementsgebouw. Lange tijd een lege plaats achterland in de nissen van de vestibule, intussen opgevuld met enkele moderne sculpturen met een verwijzing naar de rijke historie dankzij Linnaeus.

David

Beeld van David dat in de 19e eeuw in de  hal van de Hartekamp stond en door baron Barthold van Verschuer is gelegateerd aan de Nederlandse regering; tegenwoordig opgenomen in collectie van het Rijksmuseum Amsterdam

Het uitgebreide complex aan beide zijden van de Hartekamp, van de Leidsevaart in het westen tot de Binnenweg in het oosten is in handen gekomen van een exploitatiemaatschappij voor onroerende goederen en vervolgens is de overplaats verkaveld (Eikenrode, Hertenduin, Linnaeushof).De buitenplaats en het daaromheen liggende park, gereduceerd van de Leidsevaart tot de Herenweg, is van 1904 tot 1921 in bezit geweest van de familie Smidt van Gelder, directeur van Van Gelder Papierfabrieken in Velsen. Een fraai schilderij met daarop afgebeeld de godin Flora en twee geleerden die het boek ‘Hortus Cliffortianus’ bewonderen, is door Pieter Smidt van Gelder geschonken aan de Linnaeus-Sociëteit in het Zweedse Uppsala.

Flora

Schilderij van Jacob de Wit, voorstellende de godin Flora en twee geleerden die het boek ‘Hortus Cliffotianus’  betreffende de tuin van de Hartekamp van Linnaeus bewonderen. Door Pieter Smidt van Gelder (1878-1956) als toenmalig bewoner van de Hartekamp geschonken aan de Linnaeus Sociëteit in Uppsala, Zweden

Wegens verhuizing, eerst naar Genève, daarna naar Antwerpen, is de Hartekamp in het Ververschingshuis van Groenendaal geveild. Bedoeling was het landgoed van ruim 27 hectare in 14 percelen te verdelen. Doch uiteindelijk bleef het gelukkig voor versnippering gespaard, want het geheel werd voor een bedrag van ƒ 421.858,-  aan een toen nog onbekende bieder gemijnd op naam van de Amsterdamse antiquair Staal. Het Haarlems Dagblad schreef: ‘De heer Staal was nog niet bereid de naam van zijn principaal te vernoemen. Wij vernamen bij geruchte dat koopster zou zijn een Duitse dame, weduwe van een Argentijnse kapitalist, die het voornemen zou hebben zich op de Hartekamp te komen vestigen.

Aankoop van de Hartekamp in 1921

Die dame was Catalina F(riedericke) G(eorgina) von Pannwitz-Roth. Haar vader Friedrich Roth naar Argentinië verhuisd waar met andere familieleden een in- en exportbedrijf is gesticht in San Nicolas y Peregrino. Het moet hen zeer voor de wind zijn gegaan, want omstreeks 1900 bezaten de Roths liefst 100.000 hectare land, verpacht aan boeren die runderen fokten.  Na het overlijden van haar vader heeft zij een kapitale  erfenis ontvangen. Tevens heeft zij van haar vader het zakeninstinct geërfd, dat haar bij onderhandelingen over aankopen van kunst, o.a. met rijksmaarschalk Hermann Goering goed van pas kwam. Zij trouwde met de ook al via een erfenis rijk geworden dr. Walter Sigismund Emil Adolf von Pannwitz. Een gewaardeerd rechtskundige in München later in Pruisen, o.a. juridisch adviseur van het vroegere Saksische koningshuis en van keizer Wilhelm 11. Tevens was hij, zoals dat al evenzeer zou gaan gelden voor Catalina, een verzamelaar van oude kunst en antiek, schilderijen naast gobelins en voorwerpen van toegepaste kunst, zoals Meissen-porselein, glaswerk, beelden, miniaturen e.d.  Onder architectuur van de architect German Bestelmeyer liet het miljonairsechtpaar in 1912 een grote villa bouwen in de dure wijk Grunewald aan de bosrijke rand van Berlijn,  met ‘Pannwitz Palast’ aangeduid, tegenwoordig vestiging van het zogeheten Schlosshotel Grunewald. Na het overlijden van haar man in 1920 in Buenos Aires is de weduwe een nieuwe huisvesting gaan zoeken, zowel in Duitsland maar vooral in ons land, waarbij haar oog viel op het  op dat moment te koop staande landgoed de Hartekamp. Zij was na een bezichtiging zo gecharmeerd van de villa dat zij een bekende antiquair-makelaar opdracht gaf een bod te doen op het landgoed. In een stoet van verhuiswagens liet zij alle kunstschatten vanuit Berlijn overbrengen. Verder nam ze het initiatief tot uitbreiding van het hoofdgebouw met twee naar voren springende zijvleugels. Het huis telde vervolgens 8 grote en 11 kleinere kamers en bijvoorbeeld op de bovenverdieping niet minder dan 5 volledig ingerichte logeerkamers en  badkamers met speciaal sanitair voor haar speciale vriend, de ex-keizer.

Catalogi van Max Friedländer en Otto von Falke

Het was haar echtgenote geweest die al in de beginjaren van de vorige eeuw met het vormen van de kunstverzameling was begonnen. Ook Catalina was van jongs af een groot liefhebster van oude kunst uit de Middeleeuwen, Renaissance en Barok. Zij had al kunstvoorwerpen aangekocht, welke beide collecties na hun huwelijk in 1908 zijn samengevoegd. De traditie van het verzamelen werd na het overlijden van haar echtgenoot voortgezet en verder uitgebreid met nieuwe objecten: schilderijen, tapisserieën, beeldhouwwerk en een verzameling van antiek porselein. De befaamde kunstkenner Max J.Friedländer kreeg opdracht een in groot formaat en gebonden een catalogus van schilderijen te vervaardigen en kunsthistoricus Otto von Falke de overige kunstvoorwerpen te inventariseren De catalogusboeken waren mede bedoeld als een postuum eerbetoon aan haar in 1920 op 64-jarige leeftijd in Buenos Aires overleden echtgenoot.  De 2 delen verschenen, rijk geïllustreerd, in kloeke banden in 1925 en 1926. Tegelijkertijd kwam een mapje met 25 prentbriefkaarten uit met afbeeldingen van verschillende afbeeldingen van schilderijen e.d. In het deel van Friedländer zijn 69 schilderijen beschreven alsmede vier Franse miniatuurboeken uit omstreeks 1500.  In het andere deel zijn 463 voorwerpen van kunstnijverheid beschreven: wandtapijten, meubels, porselein, Venetiaans glas etc.  Verlucht met 74 platen die 432 voorwerpen voorstellen  De verzameling Von Pannwitz was een typisch ensemble van internationaal karakter, dat door drie hoofdgroepen bepaald werd:  1) Zuidnederlandse primitieven, 2) kunstvoorwerpen  en schilderijen der Hollandse School uit de 17e eeuw en 3) Italiaanse meesters uit de 15e en 16e eeuw.  Bij deze kernen sloten zich dan aan:  Italiaanse miniaturen op perkament uit de late middeleeuwen, gobelins, een rijke collectie Duits verguld zilverwerk en houten en bronzen, beeldhouwwerken.  Veel kostbaar porselein  uit Meissen, Frankenthaler, Fürstenberg, Rosental en Sèvres. De Gouden Eeuw was vertegenwoordigd met werken van de meeste der grote Hollandse meesters, zoals Rembrandt, Job Berckheyde, d’Hondekoeter, Jan van der Heyden, Jan Corneliszoon Verspronck, Frans Hals, Jacob van Ruisdael, Johannes Vermeer, Gerard Terborgh, Albert Cuyp, Adriaen Brouwer, Aert van der Neer, Jan van Scorel, Pieter de Hoogh, Jan Steen, Gerard Dou, Gabriël Metsu, Philips Wouwerman, Lucas van Leyden en Meindert Hobbema.

Steen1

Mevrouw von Pannwitz beschikte op de Hartekamp over twee doeken van Jan Steen. Bovenstaand schilderij van een dokersbezoek, door Friedländer gecatalogiseerd als ‘Die Liebeskranke’  ,werd onlangs bij Sotheby’s  geveild voor bijna 1,1 miljoen dollar.

Aan Rembrandt werden de volgende drie schilderijen toegekend: 1) oudere man met baard in oriëntaalse kleding en tulband, thans eigendom van de Rijksdienst voor Beeldende Kunst [meer recent toegeschreven aan een leerling van Rembrandt; dit werk is tentoongesteld  geweest in Japan in najaar 1994 en vervolgens in de Kunsthal te Rotterdam] , 2) Abraham en drie engelen [tegenwoordig in het Metropolitan Museum of Art] en 3) borstbeeld van een knaap [Titus?]

 

Rembrandt1

Abraham ontvangt de engelen, toegeschreven aan Rembrandt. Het schilderij was in bezit van Catalina von Pannwitz op de Hartekamp en is door haar erfnamen via de New Yorkse kunsthandelaar Otto Naumann voor bijna 20 miljoen dollar verkocht aan een anonieme kunstverzamelaar in New Jersey die het werk in bruikleen heeft gegeven aan het Metropolitan Museum of Art’s in New York.

Van Frans Hals bezat zij het paneel van een zittende vrouw vermoedelijk Maria Vernatti. Het doek verhuisde met dochter Ursula naar haar woonhuis in Salesbury, nadat zij 26 maart 1940 met John Pelham,  een Engelse graaf van Chichester was getrouwd. Mevrouw Von Pannwitz heeft destijds de wanden van de zalen in de Hartekamp opnieuw gedecoreerd. In de aanbouw, met ‘balzaal’ aangeduid, is het cassettenplafond aangebracht, dat eerder uit een Florentijns paleis afkomstig was en via het huis in Berlijn naar Heemstede is overgebracht.  Boven de deuren in de voorsalon, ook aangeduid met ‘Gouden Zaal’ of Rococozaal zijn grisailles (‘witjes’) aangebracht van de 17e eeuwse kunstschilder Jacob de Wit en oorspronkelijk afkomstig uit een Amsterdams grachtenpand, zoals dat ook geldt voor een prieel dat eens in de achtertuin van een pand aan de Keizersgracht prijkte. In 1926 heeft het Frans Hals Museum een tentoonstelling georganiseerd met oude kunst in particulier bezit, waarbij zowel schilderijen van Gutmann uit Bosbeek als van mw.von Pannwitz uit de Hartekamp voor het publiek te zien waren.

Stilte1

Schilderij uit 1640 van de Haarlemmer J.C.Verspronck, leerling van Frans Hals. Voorstellende de schutter van de Kloveiersdoelen Andries Stilte als vaandeldrager. Hij was bierbrouwer en eigenaar van de buitenplaats ‘Duin en Vaart’ in Heemstede. Aangekocht in 1917 van kunsthandel Goudstikker door Walter von Pannwitz. Catalina von Pannwitz leende het schilderij uit aan het Maurits Museum Den Haag van 1917 tot 1923. Tegenwoordig aanwezig in de National Gallery of Art te Washington, D.C. 

Een belangrijke aanwinst in haar Heemsteedse tijd was het doek ‘De stam van Jesse’ van Jan Mostaert, ooit bezit van de Russische graaf Stroganoff en tegenwoordig eigendom van het Rijksmuseum. Menigmaal gaf zij schilderijen in bruikleen voor overzichtstentoonstellingen in musea als het Rijksmuseum (1932), het Zoölogisch Museum in Artis (Linnaeus-gravures) Frans Hals Museum (‘Kind En Kunst’, waarbij zij deel uitmaakte van het erecomité),  Boymans in Rotterdam, o.a Vermeer, 1935 en 1938  en het Mauritshuis, museum De Lakenhal in Leiden (Jan Steen, 1928), het schilderstuk ‘De stam van Jesse’ toegeschreven aan Jan Mostaert  aan het Aartsbisschoppelijk museum te Utrecht (1928).   Incidenteel verkocht zij ook schilderijen o.a. aan de kunsthandels J.Goudstikker en Helmuth Lütjens in Amsterdam.

Har12

Schilderij van ‘de  stam van Jesse’ , uit omgeving van Geertgen tot Sint Jans, vroeger toegeschreven aan Jan Mostaert (tegenwoordig in het Frans Hals Museum)

Intermezzo: een societyhuwelijk in Heemstede en Bennebroek met een Engelse graaf

har20

Ursula von Pannwitz peddelend in een bootje in de (zwanen)vijver van de Hartekamp

Scan1667.jpg

Ursula von Pannwitz bij de zwanenvijver op de Hartekamp

1d01cc53-fbd4-760e-9f80-94f7cd2e9d3d

                                       (Uit: Woerdensch Weekblad30 maart 1941)                    

Hieronder: huwelijk in raadhuis en ontvangst op de Hartekamp (uit “Nieuwe Tilburgsche Courant, 27-3-1940)

ddd_010250159_mpeg21_p007_image

har21

Het echtpaar John Buxton Pelham en Ursula von Pannwitz komende uit de Hervormde Kerk van Bennebroek na de kerkelijke inzegening van het huwelijk, 27 maart 1940

Dankzij de door haar moeder georganiseerde diplomaten-diners op de Hartekamp kreeg dochter Ursula von Pannwitz alle gelegenheid een toekomstige levenspartner te vinden. Na het afwijzen van prins Bernhard en twee kleinzonen van de ex-keizer is zij kort voor het uitbreken van de oorlog in Nederland in het huwelijk getreden met John Buxton  Pelham, de achtste graaf van Chichester, in dat jaar persattaché en derde secretaris van de Britse delegatie in Den Haag. John Pelham, ook aangeduid als John Chichester, stamde uit een adellijk geslacht. De voorgeschiedenis van de graven van van Chichester gaat terug tot Francis Leigh in 1644, overleden in 1653. De eerste graaf uit het geslacht Pelham of Stanmer was Thomas Pelham (1728-1805) van 1801 tot 1805. Vooral de tweede graaf Thomas Pelham (1756-1826) heeft als Engelse staatsman bekendheid gekregen. Chichester is de hoofdstad van het graafschap West Sussex in het zuiden van Groot-Brittannië.  John Buxton Pelham (1912-1944)  genoot zijn opleiding in Eton en vervolgens aan het Trinity College te Oxford. In 1931 is hij benoemd tot attaché in Warschau, in 1933 in Washington. Daarna was hij tussen 1933 en 1934 privésecretaris van de Hoge Commissaris in Canada en in 1939 was hij persattaché van Groot-Brittannië in Den Haag.

Scan1494

                       Catalina von Pannwitz (rechts) met het bruidspaar in de voorsalon op de Hartekamp

Het huwelijk werd op dinsdag 26 maart 1940 in de Engelse taal door burgemeester jonkheer van Doorn in het Raadhuis van Heemstede gesloten. De eigenlijke plechtigheid vond twee dagen later plaats in de Hervormde Kerk van Bennebroek gevolgd door een receptie op het landgoed de Hartekamp. Een lange rij limousines verzamelde zich ’s morgens op de oprijlaan van de Hartekamp, waar de gasten waaronder veel diplomaten uit Den Haag, zoals de Britse gezant sir Neville Bland en de Argentijnse ambassadeur Carlos Brebbia veelal voorzien van grote bloemstukken, door lakeien werden ontvangen. Omstreeks 11 uur begaf de bruidegom zich naar het altaar van de kerk waar bij met zijn bruidsjonker mr. Ellicott plaatsnam in afwachting van de bruid. De kleine kerk was geheel gevuld met genodigden: het voltallig personeel van de Hartekamp, de burgemeester, commissaris van de koningin mr.dr. A.Baron Röell, gezanten van Argentinië, Zwitserland, Frankrijk en Engeland, maar ook bijvoorbeeld de twee postbodes van Bennebroek. Als bruidsmeisjes fungeerden Nancy Parish en freule H.Gevers uit Noordwijk, dochter van baron Gevers, oud-attaché van het Nederlands gezantschap te Warschau.

Het kerkgebouw was getooid in een bloemenzee van witte hortensia’s, witte azalea’s, witte fresia’s en witte anjers. Om half twaalf schreed de bruid binnen aan de zijde van de Argentijnse gezant Carlos Brebbia, sinds jaren huisvriend van de familie von Pannwitz. De dienst werd geleid door dominee H.M.Williams, Engels predikant in Den Haag die het huwelijk voltrok in de Protestants-Anglicaanse ritus. Tijdens de dienst deed zich een klein incident voor. Geheel tegen het protocol had zich een fotograaf in rokkostuum met hoge hoed onder de genodigden begeven. Op het moment dat de inzegening plaatsvond haalde hij zijn verborgen camera te voorschijn en maakte tot ontsteltenis van de familie een foto. Hem werd te verstaan gegeven het godshuis onmiddellijk te verlaten waaraan hij voldeed. De volgende dag prijkte de foto in de Oprechte Haarlemsche Courant, gevolgd door  andere bladen in de regio.  De korte plechtigheid duurde  tot 12.15 uur. Terwijl het bruidspaar de kerk verliet klonk het bruidskoor uit Lohengrin, uitgevoerd door het dameskoor uit Aerdenhout onder leiding van Felix de Nobel.

Scan1467

Links het jonge echtpaar Chichester-von Pannwitz op het bordes van de Hartekamp en rechts de gewraakte foto genomen tijdens de inzegening van het huwelijk door Rev. H.M.Williams, geplaatst in o.a. de Heemsteedsche Courant en de Hillegomsche Courant van 30 maart 1940

De genodigden begaven zich naar de Hartekamp waar het huwelijk op luisterrijke wijze is gevierd en zich onder de gasten H.K.H. prinses Juliana en Z.K.H. prins Bernhard bevonden. Van de huwelijksplechtigheid bestaan enkele Polygoon filmbeelden die via de site van ‘Beeld en Geluid’ openbaar zijn. De huwelijksreis leidde naar historische grond, het landgoed van de familie der bruidegom in Chichester, een stadje in het zuiden van Engeland, hoofdstad van  het graafschap West-Sussex. Vanwege haar huwelijk kreeg Ursula de titel van ‘Gravin van Chichester’. Zij nam de naam van haar man aan, en in 1957 van haar nieuwe echtgenot Henderson, maar na de scheiding werd het weer Ursula Chichester.

Het jonge paar heeft in 1940 aanvankelijk een villa in Wassenaar betrokken en men is vanwege het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog naar Engeland verhuisd. In 1942 is uit de echtverbintenis een dochter Gina (Georgina) geboren. Gravin Ursula was in haar zevende maand van een tweede kind toen haar man op tragische wijze bij een verkeersongeval om het leven kwam. Dat ongeluk had plaats op 21 februari 1944 op een moment dat de graaf in militaire dienst was als kapitein bij de ‘Scottish Guards’.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Stanmer Churchyard waar John Buxton Pelhem (1912-1944) ligt begraven

Har23

Graf van Jon Buxton Pelham (1912-1944), 8e graaf van Chichester

Deze enige zoon John, de negende graaf van Chichester, is op 14 april 1944 geboren. Zoals bekend is de Hartekamp in 1952 verkocht en vanwege zijn jonge leeftijd heeft de sinds 1966 in ‘Little Durnford Manor’  in Salisbury woonachtige graaf slechts vage herinneringen aan het Nederlandse landgoed van zijn grootmoeder, voor hem zoals hij mij schreef meer bekend uit de verhalen van zijn moeder. Na het tragisch verlies van haar man heeft Ursula zich toegelegd op de opvoeding van haar twee kinderen. Pas in 1957 is zij opnieuw in het huwelijk getreden, toen met Ralph Gunning Henderson en heeft het paar zich in Argentinië gevestigd. Die echtverbintenis heeft 14 jaar geduurd.  In 1971 is de echtscheiding uitgesproken en keerde Ursula terug naar ‘Reddish House’ in Salisbury, Wiltshire.

Na de bevrijding in 1945 kwam haar moeder Catalina von Pannwitz nog slechts incidenteel naar de Hartekamp, voornamelijk om zakelijke redenen zoals de bestemming van haar gigantisch kunstbezit. Zij woonde wisselend in Argentinië, Zwitserland en bij haar dochter in Engeland. Het was met name in Zürich waar de kleinkinderen uit Engeland graag verbleven. Dit blijkt onder meer uit een Duitstalig krantenartikel uit 1947 met foto van de twee kinderen en hun ‘vaderlijke vriend’, de in zijn tijd bekende Britse bestsellerauteur Robert Smythe Hichens (1864-1950) die de laatste jaren van zijn leven in Zwitserland woonde.

Scan1423

De Britse auteur Robert Smythe Hichens met Gina en John, dochter en zoon van Ursula Chichester-von Pannwitz (Schweizer Tageszeitung, 1947)

Schweizer

(Schweizer Tageszeiting, 1947)

In 1982 liet gravin Ursula Chichester bij de presentatie van een boek over de Hartekamp weten dat zij in Heemstede de gelukkigste jaren van haar leven had doorgebracht. Na 1952 heeft naar moeder voor zover bekend de Hartekamp niet meer bezocht, dit in tegenstelling tot dochter Ursula (met haar in 1944 geboren zoon). Broeder Edmundus Gijsbers, die in 1964 na Broeder Raymundus zijn werkzaamheden in de Hartekamp, intussen een instelling voor verstandelijk gehandicapten, was aangevangen,  herinnert zich dat Ursula in 1965 en 1967 met haar zoon tijdens een zomervakantie in Noordwijk de Hartekamp bezocht. Zij wilde de pas gereed gekomen eerste paviljoens op het terrein liever niet zien, maar was in zoverre voldaan dat het landgoed de nieuwe bestemming als zwakzinnigeninstituut had gekregen mèt behoud van het monumentale hoofdgebouw. In 1982 zou de Ursula Chichester voor de laatste maal de Hartekamp bezoeken. Op 30 augustus 1989 overleed zij plotseling aan een hartinfarct en is haar as begraven op ‘Little Durnford Manor’.

har22

Ursula Chichester-von Pannwuitz was in 1982 voor de laatste keer op de Hartekamp bij de presentatie van een boek over de historie van de buitenplaats. Op deze foto met links burgemeester Van den Bosch (Heemstede) en burgemeester De Wit (Bennebroek), in welke plaatsen hert landgoed is gelegen.

Zeven jaar eerder had zij in een brief vanuit het kasteel ‘Redddish House’in Salisbury geschreven: ‘De gelukkigste jaren van mijn leven (1922-1939) zijn doorgebracht op dat prachtige landgoed, zo vol traditie en historie – ik heb nog het boek Hortus Cliffortianus dat Linnaeus aldaar heeft geschreven – waar interessante en historische personen kwamen, zoals prinses Juliana, prins Hendrik en vele anderen.’

De kunstverzameling in oorlogstijd

Eén van de grootste kunstverzamelaars uit de vorige eeuw – anderen spreken liever van kunstrover – was de Duitse nazi-bons Rijksmaarschalk Hermann Goering. Vol gestouwd in de ruimten en kamers van Carin Hall en verder in de kastelen Veldenstein en Mauterndorf evenals in zijn paleis aan de Leipzigerplatz  pochte hij in 1944 bezitter te zijn van de waardevolste kunstcollectie ter wereld.  Hij beschikte over een aantal kunstambtenaren, die  antieke schilderijen en andere kunstvoorwerpen voor hem moesten verwerven, soms in concurrentie met personen die voor het in Linz te vestigen kunstmuseum gewijd aan Hitler ‘verzamelden’. Wegens het voor nazi-Duitsland dramatisch verlopen oorlogsgeweld is zijn idee voor een groots Goering museum, niet tot uitvoering gekomen. Kenners hebben na de oorlog vastgesteld dat qua hoeveelheid de roofcollectie van Hitler groter was, maar Goering  veelal over kwalitatief betere werken beschikte. Behalve uit Duitsland haalde Goering zijn kunstwerken uit o.a. Nederland, Frankrijk [opgeslagen in het Musée Jeu de Paume] , Italië en Polen. Eenmaal zijn 26 wagons met kostbare schatten bij hem afgeleverd. Voor liefst 1,6 miljoen gulden kocht hij een zogenaamd meesterwerk van Johannes Vermeer, voorstellende Christus en de overspelige vrouw, dat pas na de bevrijding een vervalsing bleek van Han van Meegeren.

ddd_010643163_mpeg21_p013_image

De nazi-agent Alois Miedl kocht in 1942 in opdracht van Hermann Göring het schilderij ‘Christus en de overspelige vrouw’ van Johannes Vermeer voor een recordbedrag van ƒ 1.650.000,-. Na de oorlog bleek dit doek te zijn vervaardigd door meestervervalser Han van Meegeren (Uit: Amigoe, 9-8-1985).

Alois Miedl en vooral Andreas Hofer, feitelijk beheerder van Goerings rijke privémuseum, bezochten Bosbeek en de Hartekamp en kochten voor de rijksmaarschalk in, die buiten zijn politieke beslommeringen veelvuldig op speurtocht was en soms zelf  de onderhandelingen leidde.

 

Miedl

De nazi-bankier en kunsthandelaat Alois Miedl (1903-1990) kwam zowel op de Hartekamp als Bosbeek en werkte zowel voor Goering als Hitler.

Boven het baldakijn van zijn bed hing een naakt van Lucas Cranach en Goering moet zich als een feodaal heerser uit de Renaissance gevoeld hebben. Hij was zo gehecht aan alle kunstschatten dat, zoals de historicus dr.J.Presser heeft opgemerkt, hij in de laatste fase van de oorlog meer belang stelde in de redding van zijn kunstbezit dan in de redding van het Derde Rijk. Tijdens het proces van Neurenberg werd hij eenmaal echt boos toen de aanklager hem verweet als kunstrover te werk was gegaan. Goering verdedigde zich door de rechters er op te wijzen dat voor elk kunstvoorwerk dat hij had bemachtigd was betaald of dat het was geruild met een ander doek of meerdere schilderijen van gelijke waarde.

Goering2

In één van de bunkers van Goering nabij Carinhall volgestouwd met kunstschatten worden in 1945 schilderijen en beelden naar buiten gebracht door Amerikaanse soldaten van de 101st. Airborne Division. Behalve in Carinhall en Veldenstein beschikte Goering nog min of meer over filialen met geroofde kunst in Parijs (Jeu de Paume) en Rome.

Twee bezoeken van Hermann Goering aan de Hartekamp

Goering5

Foto rechtsboven (eigenlijk afbeelding van een filmpje) waarbij Hermann Goering in 1931 huize Doorn verlaat na ex-keizer Wilhelm 11 te hebben bezocht, waarbij ook Catalina von Pannwitz aanwezig was. Afbeelding is opgenomen in enkele biografieën van de keizer, o.a. bij John Röhl, Kaiser Wilhelm 11. [met dank aan Pierre Bussen].

Het is niet verwonderlijk dat ook de Von Pannwitz-verzameling die hem onder andere uit de catalogi van Friedländer en Von Falke uit 1926  bekend was zijn aandacht had. Al vóór het uitbreken van de oorlog in Nederland had Goering belangstelling getoond voor sommige werken uit de Hartekamp-collectie, maar mevrouw von Pannwitz zou hem hebben gezegd niet van zins te zijn kunstbezittingen te verkopen. Met zekerheid 2 maal en mogelijk 3 keer heeft Goering  de Hartekamp bezocht in 1939 en 1940. Walter Andreas Hofer heeft via Frits Gutmann een tip gekregen dat von Pannwitz hem wilde ontmoeten, omdat ze naar Zwitserland wilde verhuizen, en van Hofer wilde weten hoe ze dat het beste kon aanpakken. Hofer suggereerde toen een aantal kunstwerken aan Goering te verkopen.

Hofer

Hermann Goering met rechts Walter Andreas Hofer (1893-1971), die enige malen in Heemstede was in verband mer de collecties van Von Pannwitz  en Gutmann (Bosbeek)

Behalve geld zou ze dan een visum moeten bedingen.  In de zomer en het najaar van 1940 was de rijksmaarschalk in Nederland, altijd uitgedost in zijn mooiste witte uniform – door de Amsterdammers die hem zagen spottend ‘Sneeuwwitje’ genoemd.

Fokker1

Hermann Goering (in het midden) op bezoek bij de Fokkerfabrieken in juni 1940

ddd_010439597_mpeg21_p002_image

Over de bezoeken van Goering aan de Hartekamp geen woord in  de ‘gelegaliseerde’ pers, enkel een verwijzing in ‘illegale’  kranten, zoals de Vonk van 15-2-1041

In 1940-941 had mevrouw von Pannwitz een arbeidsvergunning voor de volgende buitenlanders met Duitse nationaliteit die als personeel op de Hartekamp werkzaam waren: Otto Bode (geb. 25-7-1892), chauffeur; Annie Müller (geb.8-5-1893), kamenier; Elise Grieschat (geb.15-2-1896), linnenmeisje; Spphia Markgraf (geb.11-0-1895), keukenmeisje: Margarete Brüggemann (geb.10-3-1901), werkmeisje; Veronika Schenk-Laskowski (geb.29-5-1887), kokin; Ludwig Prieve (gen.17-11-1886), huismeester. Laartstgenoemde was lid van de NSDAP en onderhield de contacten met de plaatselijke autoriteiten. Zijn naam komt veelvuldig voor bij overleg met de politie.

Toen de anti-Joodse werden uitgevaardigd zorgde hij er voor  ‘oude meesters’ te bemachtigen van joodse kunsthandelaren zoals Katz en Goudstikker.  Mw. Ursula Chichester-von Pannwitz schreef me dat het initiatief om kunstvoorwerpen uit de Hartekamp aan te kopen uitging van Goering. Uit andere bronnen blijkt echter dat het initiatief eerder van mw. Von Pannwitz  uitging, zij het met een speciale reden, en Goering al voor de oorlog in diens residentie in Carinhall heeft bezocht.  Ruth en Max Seydewitz schrijven in hun boek ‘Das Mädschen mit der Perle’ (Berlijn-DDR, 1972), dat de invitatie van de rijke weduwe de rijksmaarschalk heeft geïmponeerd. In zijn Mercedes omringd door adjudanten en lijfwachten, begaf Goering zich naar de Hartekamp. Tot zijn verbazing kreeg hij een aantal schilderijen in tegenstelling tot een eerder bezoek thans niet te zien, omdat deze voor alle zekerheid uit een oogpunt van veiligheid waren ingepakt. Enkele werken waarvoor hij eerder interesse had getoond bood zij hem aan, namelijk ‘Portret van een oude man met baard en tulband’  toegeschreven aan Rembrandt en gewaardeerd op  110.000 gulden. Verder een ‘Madonna met kind’ van Lucas Cranach [gewaardeerd voor ƒ 50.000], evenals twee altaarvleugels uit de Duitse School, waaraan een waarde van ƒ 80.000,- is toegekend]. Goering was een scherp onderhandelaar, maar ook mw. Von Pannwitz bleek een gewiekste zakenvrouw. Men kwam tot overeenstemming op een totaal bedrag van ƒ 280.000,- . Goering liet zijn vleugeladjudant een koffer openen met gloednieuwe biljetten van 1000 gulden, doch mevrouw von Pannwitz die onmiddellijk begreep dat dit waardeloze geld in een nazi-drukkerij was vervaardigd, bedankte beleefd en deelde de rijksmaarschalk mede dat zij het geld graag op haar bankrekening in Argentinië overgemaakt zag.

Goering1

Sneeuwpop ‘Göring’ in wandelbos Groenendaal, foto uit 1941

In de Duitse archieven ontdekte schrijver-onderzoeker Adriaan Venema brieven de dato 17 oktober 1940 van Hofer aan Goering en van 18 oktober door de administrateur van Von Pannwitz, de heer W.Hartsuyker aan Andreas Hofer waaruit blijkt dat een bedrag van ƒ 390.000,- alsnog  op 18 oktober contant is uitbetaald in het Amsterdamse Amstelhotel nadat het was gestort op de bank van Handel-Maatschappij H.Albert de Bary & Co in Amsterdam. Hieruit kan worden geconcludeerd dat onderhands nog 1 of meer kunstvoorwerpen ter waarde van ƒ 110.0000,- zijn verkocht. (1).

Scan1475

Rechts op deze foto, gemaakt bij een bezoek van de Wilhelm 11 aan Catalina von Pannwitz zien we haar secretaris-administrateur Hartsuyker, die later in 1940 het geld afkomstig van Göring voor een aantal gekochte kunstwerken in ontvangst nam.

Behalve de contante betaling verkreeg mevrouw von Pannwitz een uitreisvisum naar Zwitserland (waar zij in Zürich een appartement huurde), benzine voor haar auto en ook mocht zij een bedrag van 15.000 Zwitserse franken naar haar verblijf bij Zürich meenemen.  Tevens wist zij via Goering de garantie te verkrijgen dat de Hartekamp nimmer door Duitse soldaten mocht worden gevorderd. Hieraan hebben de bezetters zich strikt gehouden. In 1941 waren nog 7 Duitsers en enkele Nederlanders onder wie Maarten Planting in dienst van de Hartekamp.

goud

Hermann Goering verlaat met Alois Miedl in 1939 de kunsthandel van Goudstikker, Herengracht 458, zich begevend naar de Hartekamp. Behalve Miedl waren na de bezetting nazi-kunstrovers bij uitstek Walter Andreas Hofer en de Oostenrijkse kunsthistoricus dr.Kajetan Mühlmann die in het gevolg van Seyss-Inquart in Den Haag de Dienststelle Mühlmann opzette, zich bezighoudend met het (particulier) kunstbezit in Nederland en België.

Carinhall1

Carinhall was de residentie van Hermann Goering. In 1945 stond de villa evenals kasteel Veldenstein vol met zijn ‘geroofde’ kunstschatten

carinhall

De bibliotheek van Carinhall bevatte begin jaren 40 van de vorige eeuw circa 20.000 boeken over kunst naast enige duizenden (veiling)catalogi. Het was een ‘Fundgrube’ voor Goering en zijn ambtenaren, inclusief Alfred Rosenberg (leider van een naar hem genoemde ‘Einsatzstab”) belast met het verzamelen van kunst en boeken, bij voorkeur van Joodse eigenaren, na de bevrijding aangeduid met roofkunst. Musea bleven buiten schot van de rijksmaarschalk. Met Rosenberg, belast men de roof van bibliotheken en archieven, kwam het vanwege onderlinge rivaliteit tot een botsing zoals ook met andere kopstukken uit het naziregime zoals Bormann, Hess en Himmler.

goering3

Hermann Goering in het uniform van de ‘Luftwaffe’  in zijn werkkamer aantekeningen makend in een kunstboek

In 1944 heeft een andere nazi-bons Heinrich Himmler opdracht gegeven aan Kajetan Mühlmann opdracht gegeven het schilderij van Frans Hals uit de Hartekamp-collectie voor hem te verwerven. Daartoe is Mühlmann naar Zürich gereisd maar de onderhandelingen liepen op niets uit., omdat mw. Von Pannwitz teveel aan het schilderij gehecht was om het te verkopen. Het gaat hierbij om het paneel ‘Portret van een zittende vrouw’, vermoedelijk Maria Vernatti, ongesigneerd en ongedateerd uit omstreeks 1645 of iets later. Maria Vernatti werd geboren uit een Hollandse patricische familie in Delft, die zich in Engeland vestigde. Haar vader sir Philbert Vernatti introduceerde de Nederlandse methode van drooglegging en landherwinning in Lincolnshire. Het doek was lange tijd in bezit van de graaf van Gainsborough en zou zich tegenwoordig in familiebezit Chichester bevinden. Seymour Slive oordeel dit schilderij  nog als authentiek van de Haarlemse meester, doch ondanks de hoge kwaliteit is het door andere experts als Montagni en Grimm intussen toegeschreven aan een onbekende meester uit de directe omgeving van Frans Hals.

Zittende vrouw, vermoedelijk Maria Vernatti, toegeschreven aan Frans Hals, welk werk in bezit was van mevrouw von Pannwitz (foto: russianpaintings)Vernatti

In de in 1946 uitgeven publicatie ‘Kunst in de schuilkelders; de Odyssee der nationale kunstschatten gedurende de oorlogsjaren 1939-1945 schrijft H.P.Baard (toenmalig directeur van het Frans Halsmuseum te Haarlem onder meer: ‘(…) In april 1940 was de Castricumse kluis gereed en werden genoemde schilderijen via Beverwijk daarheen vervoerd. Bovendien werden hierin nog ondergebracht schilderijen uit gemeentelijk bezit (Amsterdam), een deel van de collectie van mevrouw Von Pannwitz…(pagina 22) en verder op pagina 33: ‘Behalve enig particulier eigendom, waaronder een deel van de omvangrijke collectie van mevrouw Von Pannwitz, herbergden de Zandvoortse kluizen nog bezittingen van H.M.de Koningin, de serie wandschilderingen van de Oranjezaal uit het Huis ten Bosch…’

Collectie  van dr.Otto Lanz

Vriendschapsbanden tussen zowel mw. Von Pannwitz als Frits Gutmann waren er met de in Nederland wonende Zwitser dr. Otto Lanz, een vermogend chirurg die hoofdzakelijk Italiaanse schilderijen, beeldhouwwerken en renaissancemeubelen verzamelde. Kunstwerken uit Lanz’ bezit hadden ook de aandacht van Goering, maar die  kreeg de gelden voor aankoop – 2 miljoen Zwitserse franken –  niet rond, in tegenstelling tot Hans Posse die voor het Hitler-museum in Linz werkte, waarbij Bormann bemiddelde.  Tevens moest een een visum voor Zwitserland worden verstrekt aan Nathan Katz (van joodse origine) van de firma D.Katz uit Dieren, destijds een van de belangrijkste kunsthandels van Nederland, waarvoor ook Bormann zorgde die hierover contact opnamen met Heydrich. [Volgens Aalders heeft Nathan Katz hieraan waarschijnlijk re danken, want  hij bleef na vertrek, eind 1941, voor de rest van de oorlog in Zwitserland en daarmee buiten bereik van de nazi’s.

Lanz

Dr.Otto Lanz en echtgenote. Uit: De Prins, 22-10-1927 (Geheugen van Nederland)

(1)  In eerste instantie zijn de volgende 7 kunstwerken aangekocht: 1) Rembrandt/atelier: Man met baard en tulband, 2) Lucas Cranach: Madonna met kind en St.Johannes, 3) Meester van Messkirch: St. Wernherus, 4) Stoel in Gotische stijl, 5) Meester van Frankfurt: St. Catharina – altaarvleugel, 6) Meester van Frankfurt: St, Barbara – altaarvleugel 7) Klumbach: de geboorte van Maria. Daar is later onderhands bijgekomen een portret van Titus. Ruth en Max Seydewitz schreven nog naar aanleiding van het in Berlijn gedrukte ‘waardeloze geld’ waarmee Göring vaak trachtte te betalen: ‘Noch viele andere Kunstwerke kaufte Göring mit dem wertlozen Papiergeld, das einer seiner Adjudanten stets in Koffern sich herumtragen musste. Zwei Millionen, 10 Millionen, 100 Millionen – das spielte alles keine Rolle, Papier war geduldig, und die Nazidruckereien drucken in jeder Währung grosszüging und unerschöpflich wertloses Papiergeld.’ (pagina 171).

Scan1414

Man met baard, in oriëntaalse kledij en tulband, in de tijd van mw.von Pannwitz  toegeschreven aan Rembrandt van Rijn, tegenwoordig Nederlands cultuurbezit

==============================================

Gerard Aalders (zie literatuuropgave) schreef: ‘Göring werd na de oorlog over de von Pannwitz-transactie ondervraagd. Had hij geen misbruik gemaakt van zijn positie want tenslotte kon alleen hij, en niemand anders, haar een uitreisvisum bezorgen. Catalina von Pannwitz verkeerde volgens de toehoorder in een evidente dwangpositie: zonder verkoop geen visum. Maar Göring vond dat er van misbruik geen sprake was geweest en dat hij Von Pannwitz juist had geholpen. Want behalve een visum, zou ze ook geen geld hebben gehad om te vertrekken, omdat het tijdens de oorlog  onmogelijk was geld van haar Argentijnse bank op te nemen. Op de vraag of hij de schilderijen zou hebben geconfisqueerd indien Argentinië in oorlog met Duitsland was geweest, hield hij zich wijselijk op de vlakte door te zeggen dat die vraag speculatief was’ [NA, RG 260. Records of the United States Occupation Headquarters WW11, Ardela Hall Colleccion, Box 450, Rosenberg, ‘Consolidated Interrogation Report’, No. 2,15 september 1945, ‘The Goering Colleccion’; idem Box 180, Folder ‘Interrogation of War Criminals’. Interrogation of Hermann Goering, 30 augustus 1946 en NA, RG 331, Allied Operation and Occupation Headquarters, World War 11, Box 328, 290/7/27/6 ‘Removal of Works of Art from the Netherlands during the German Occupation’].

Hitler

Hitler schenkt Goering voor zijn verjaardag het schilderij ‘de valkenier’  van de Oostenrijkse schilder Hans Makart uit 1880.

verhoor

Verhoor van Göring voor het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg. Hij behield zijn arrogante houding en achtte zich onschuldig. De laatste woorden In zijn slotpleidooi waren: “Het enige motief dat mijn doel was betrof mijn innige liefde voor mijn volk, haar geluk, haar vrijheid en haar voortbestaan. Hiervoor roep ik de Almachtige en mijn Duitse volk tot getuige”. Göring werd veroordeeld tot dood door de strop. Eén dat voor de executie, gepland op 16 oktober 1946, nam hij 15 oktober ’s avonds een gifcapsule met cyaankali in, die hij volgens een schriftelijke verklaring van hemzelf al die tijd bij zich had gehouden.

Topstukken naar bunkers in de duinen

Nadat in april 1940 de Castricumse kluis, een betonkelder in de duinen van 212 kubieke mater, gereed was is hiernaar een deel van de collectie Von Pannwitz overgebracht. Andere kunstvoorwerpen zijn een jaar later in de Zandvoortse bunkers ondergebracht, naast topstukken uit de grote musea in het Westen van ons land, bezittingen van H.M.koningin Wilhelmina etc. In een bewaard gebleven schrijven van kunst-administrateur Andreas Hofer aan Goering staat te lezen dat de verzameling von Pannwitz stond opgeslagen in ondergrondse opbergplaatsen, samen met o.a. de schilderijen uit het Rijksmuseum. Venema vermeldt verder: ‘Maar, was de stelling van Hofer. Mocht Argentinië ooit in oorlog met Duitsland komen, dan was het gemakkelijk om bezit te nemen van de collectie.’ Tijdens de bezettingstijd hing op de Hartekamp de Argentijnse vlag om nog eens te benadrukken dat inkwartiering van de Duitse bezetters ongewenst was.

 Recuperatie na 1945

Na de bevrijding zijn alle werken afkomstig uit de Hartekamp teruggekomen. Het aan Goering verkochte doek van een man in oosterse dracht dat aan Rembrandt was toegeschreven, wordt tegenwoordig aan een leerling van de meester toegekend. In 1949 is dit schilderij tentoongesteld in Japan bij de expositie ‘Gezichten in de Gouden Eeuw; 17e eeuwse Nederlandse portretten’ en van 12 november 1994 tot 22 januari 1995 was het te zien in de Kunsthal te Rotterdam.  Een ander door Gerson aan Rembrandt toegeschreven schilderij heet ‘Abraham bedient de drie engelen’, is gesigneerd en gedateerd 1646. Het derde en tot op heden laatste deel van het Corpus van het Rembrandt Research Project loopt tot en met 1642. Bedoeld doek dat tot in 1702 aan Jan Six toebehoorde, is door Walther von Pannwitz gekocht uit de verzameling van A.Janssen en bevindt zich voor zover bekend bij kleinzoon John Chichester in Engeland. Gravin Ursula Chichester heeft in brieven laten weten dat haar moeder die voor de werken was betaald, aan jonkheer Röell van het Rijksmuseum heeft laten weten dat de door Goering gekochte schilderijen nu Nederlands bezit waren geworden. In 1947 is een deel van de Von Pannwitz-verzameling tentoongesteld geweest in het Rijksmuseum. Aan deze expositie zijn diverse artikelen in kranten en tijdschriften gewijd, maar een catalogus is niet in druk verschenen (1) Door het museum zijn later drie topwerken die in de Hartekamp hingen aangekocht, in 1957, 1962 en 1967 van de kunstschilders Jan Mostaert, Dirck Jacobszoon en Jan Cornelis Vermeyen, o.a. via de antiquairs Rosenberg en Stiebel in New York, bij welke firma mw. Von Pannwitz een aanzienlijk deel van haar bezit heeft laten veilen.

Har11

In 1947 is in enkele zalen van het Rijksmuseum de Hartekamp-collectie voor het laatst bijeen voor het publiek tentoongesteld

(1) O.a. A.C.Willink: Verzameling von Pannwitz in het Rijksmuseum. Het Vrije Volk, 1-2-1947; – M.Flothuis: Tentoonstelling van Oude Kunst. De Vrije Katheder, 8-2-1947; – K.G.Boon: De verzameling von Pannwitz in het Rijksmuseum, Maandblad voor Beeldende Kunsten, 1947.

=========================

Pelham1

Portret van John Nicholas Pelham, geboren op 14 april 1944 als zoon van Ursula von Pannwitz, negende graaf van Chichester (the Peerage)

Een ander deel is vererfd aan Ursula in het graafschap Wiltshire, en bevindt zich ten dele nog in het begin 18e eeuwse buitenhuis ‘Little Durnford Manor’, in Salisbury (Wiltshire)   van de zoon John Pelham, de negende graaf van Chichester (1). Catalina Carolina Friedericke Georgina von Pannwitz-Roth (geboren in 1876) is op 20 mei 1959 op 82-jarige leeftijd overleden  in de villa ‘Long Crumples’, in  Swaines Hill, Hampshire, Engeland , zo staat het tenminste vermeld in de officiële genealogieën, doch John Chichester berichtte me in een schrijven van 29 september 1994 dat zij in het Zwitserse Zürich is gestorven:

Scan1485

Zij werd begraven bij haar echtgenoot Walther von Pannwitz op het ‘Stahnsdorfer Friedhof’ in Berlijn met een monumentaal gedenkteken  in Jugendstil-stijl. Dochter Ursula heeft in 1980 toen zij nog was getrouw met Henderson het 18e eeuwse buitenhuis Manor ‘Reddish House’ in het dorp Broad Chalke (graafschap Wiltshire)  gekocht waar zij bleef wonen totdat zij in 1987 verhuisde naar een woning in het naburige dorp Bishopstone, waar zij twee jaar later is gestorven.

Har8

Grafmonument echtpaar Von Pannwitz-Roth op het Stahndorfer Friedhof in Berlijn

(1)  In juni 2002 is in ‘Little Durnford Manor’ ingebroken waarbij erfstukken van de graven Pelham voor meer dan 1 miljoen pound zijn gestolen, o.a. antieke klokken, vazen, Meissen porselein etcetera. Bij de Londense antiekhandelaar Lawrence Perovitz  is een deel van de antieke kunstvoorwerpen door de politie aangetroffen, waarvoor hij wegens heling door de rechtbank voor 2 jaar gevangenis werd veroordeeld plus een geldboete, die uiteindelijk tot ergernis van de graaf niet betaald is omdat de antiquair aangaf door de gebeurtenissen geruïneerd te zijn en al zijn geld opging aan de  kankerbehandeling van zijn vrouw in de Verenigde Staten. Een aanzienlijk deel van de gestolen goederen is niet teruggevonden omdat de mededaders van de roof niet konden worden aangehouden.

(2)  Korte in memoriams in de kunstliteratuur verschenen bij mijn weten slechts in: Weltkunst, 1929, 1959, pagina 4,  zowel van Rudolf M.Heilbrunn, Im Andenken an Frau Catalina von Pannwitz als van Max Pannwitz,  Zum Tod von Frau Catalina von Pannwitz.

———————————

Vergeefse claim door erfgenamen von Pannwitz

In 2007 is een poging ondernomen door een kleindochter van mevrouw von Pannwitz, woonachtig in Argentinië en zich daar onder meer bezighoudend met het fokken en verhandelen van paarden en  met haar echtgenoot het beheer van een landgoed  met lodges  (1), tot teruggave van een zestal in 1940 aan Hermann Goering verkochte  kunstwerken, die na de bevrijding in het Rijksmuseum zijn teruggekeerd en thans als nationaal bezit zijn gewaarmerkt. Als reden voor de claim is door advocaat Fremy in Berlijn aangegeven, dat de schilderijen e.d. onder dwang van de oorlogsomstandigheden zijn vervreemd en op basis van het Nederlandse oorlogsrecht verkopen aan de Duitse bezetters nietig waren. Meegespeeld heeft ook dat de erven Goudstikker het bedrag dat  voor de collectie was betaald bij verkoop aan de Duitsers niet aan de Nederlandse Staat hoefde te worden terugbetaald, omdat Nederland ongeveer 70 jaar de vruchten had geplukt van het feit dat de schilderijen in Nederlandse musea voor het publiek waren tentoongesteld.  Het ging bij de erven von Pannwitz om 1) ‘Man met baard en tulband’, leerling Rembrandt, zich momenteel bevindend in depot van Instituut Collectie Nederland te Rijswijk; 2) St.Werner, door de Meester van Messkirch, 3) Madonna met Christuskind en Johannes de Doper door Lucas Cranach, in het Bonnefantenmuseum te Maastricht, en 4)De heilige Barbara, 5) de heilige Catharina van Alexandrië,  beide door de Meester van Frankfurt en 6) Geboorte van Maria, door Hans von Kulmbach, drie werken in het Mauritshuis te Den Haag. [Het lot van de Gotische stoel, in 1940 ook door Goering aangekocht is onbekend]. De minister van O.C. en W. heeft de Restitutiecommissie onder voorzitterschap van professor W.J.M.Davids gevraagd om advies uit te brengen. Deze commissie heeft het verzoek van de erven na archiefonderzoek in haar vergadering van 6 april 2009 unaniem afgewezen om de volgende redenen. Mevrouw von Pannwitz ontving in oktober 1940 een totaalbedrag van ƒ 390.000,- wat voor die tijd als hoog mag worden beschouwd. Bij een nieuwe taxatie op 19 november 1949 zijn de schilderijen getaxeerd op 130.000 gulden. Belangrijker is echter een door mevrouw von Pannwitz op 27 april 1950 ondertekende schriftelijke verklaring aan de Stichting Nationaal Kunstbezit, waarin zij teruggave van de uit Duitsland teruggevoerde kunstwerken bevestigt, maar hiervoor persoonlijk geen prijs stelt ‘zoodat Uwe Stichting daarover vrijelijk kan beschikken.’

(1) Omstreeks 1900 had Friedrich Roth al ongeveer 100.000 hectare in Argentinië verworven.  In Argentinië bestaat vandaag de dag nog een klein deel van de voorvaderlijke nalatenschap, de  ‘Estancia la Catalina’ in (vroeger Orellanos, daarna Colonia San Ricardo geheten) Diego de Alvear y Ponce de Léon nabij Iriarte in het district Buenos Aires op de grens van Santa Fé.  De exploitatie van dat landgoed is al in 1898 begonnen, sinds 1942 is sprake van een toeristisch centrum. Het is vandaag de dag nog in eigendom van de dochter van Ursula Chichester-von Pannwitz:  Georgina Jocelyn (Gina) Pelham , die naar Argentinië verhuisde. Zij is in 1942 geboren in Engeland en is in 1974 gehuwd met Helios Alberto Caranci die de naar Catalina von Pannwitz vernoemde estancia nog altijd beheren en drie kinderen hebben: Cecilia Catalina (*1976), Ursula Claudia (*1978) en Helios Nicolas (*1983).

lodge

Lodge op de estancia (haciënda) La Catalina in Argentinië, die geleid wordt door  kleindochter Georgina (Gina) van mevrouw Catalina von Pannwitz.

LaCatalina

Situering van estancia La Catalina in Patagonië ten noordwesten van Buenos Aires nabij Santa Fé

Pelham2

Georgina Jocelyn Pelham die met haar man het landgoed El Catalina, vernoemd naar haar grootmoeder tegenwoordig beheert

———————————-

HET DEFINITIEF EINDE VAN EEN GLORIEUS TIJDPERK

In het najaar van 1940 is mevrouw von Pannwitz, die volgens jeugdvriendin  Lili Gutmann niets van de nazi’s moest hebben, naar Zürich verhuisd en tot 1942 dankzij verkregen in- en uitreisvisa nog enkele malen teruggeweest. Op de Hartekamp bleven zeven of acht Duitse naast enkele Nederlandse personeelsleden achter. De Duitser Ludwig  Priebe, lid van de NSDAP die in uniform liep, was gewapend en als een spion van de Duitsers werd beschouwd, was door mw. Von Pannwitz als huismeester aangesteld.  [De pro-nazi L.M.Priebe kreeg in juni 1941 ruzie met de Heemsteedse politieagent Kieft en laatstgenoemde heeft de Duitser toen bespuugd. Die ging hierover zijn beklag doen waarna Kieft een reprimande kreeg van de hoofdinspecteur van politie].  In 1944 is Priebe als huisbewaarder  opgevolgd door Maarten Planting.  Na de bevrijding kwam mevrouw von Pannwitz nog een aantal malen terug, maar verbleef zij verder wisselend in Argentinië, Zürich en incidenteel bij haar dochter in Engeland. De unieke particuliere kunstverzameling werd in 1947 nog eenmaal voor het publiek tentoongesteld en wel in het Rijksmuseum. Deze is vervolgens overgebracht naar haar huizen in genoemde landen en verder is een groot deel in New York geveild bij Rosenberg en Stiebel.  Wilde verhalen deden in die tijd de ronde. Zo meldde een dagblad in 1952: ‘Wat ze hebben wilde, wat ze de moeite waard vond om aan die kunstverzameling toe te voegen, kon ze kopen. Zo moeten er ook prachtige middeleeuwse fresco’s met haar naar Zuid-Amerika zijn verdwenen. Die fresco’s  vond ze op een reis in Italië.  Ze zaten tegen het plafond van een kasteel. Mevrouw von Pannwitz kocht toen even het kasteel, liet het plafond er voorzichtig uitnemen en vertrok er mee zonder zich verder om het kasteel te bekommeren…’  De realiteit ligt iets anders. Voor het aan de Brahmsstrasse in Grunewald, Berlijn, gebouwde pand kocht Walther von Pannwitz voor de hal een Renaissance cassettenplafond in een stadspaleis te Florence. Het werd herplaatst en na vertrek uit Grunewald naar een bijgebouwde ruimte in de Hartekamp opnieuw aangebracht, waar het zich tegenwoordig nog bevindt.

achter1

Achtersalon de Hartekamp, 1932

Har9

Achtersalon van de Hartekamp, ook aangeduid met balzaal, met het Italiaans cassettenplafond, 1932.

Berlijn

In Berlijn-Grunewald bleef een deel van het Italiaanse kassettenplafond achter.

Omstreeks 1948 is de villa enige tijd bewoond door Engelse kennissen van de familie. Nadien bleven de vele luiken van het oude landhuis gesloten. Waar in de jaren dertig vorsten en diplomaten hadden vertoefd, kondigden begin 1952 een paar nuchtere borden aan de Herenweg aan ‘Deze buitenplaats wordt in februari 1952 publiek verkocht. Inmiddels uit de hand te koop’ .Met de namen van de makelaars en notarissen.

In een prospectus werd medegedeeld dat mevrouw von Pannwitz meer dan één miljoen gulden aan het landgoed had besteed (aankoop plus restauratie, uitbreiding en verfraaiing zoals de aanleg van een bijzondere rotstuin etc.). De tijd was na de oorlog voorbij dat men privé een dergelijk landgoed kon bewonen. De vraagprijs bedroeg 500.000 gulden. De gemeente Heemstede die met subsidie van het rijk en provincie in 948 voor ƒ 525.000,-  had besteed aan de aankoop van een deel van Meer en Berg kon zich nogmaals een degelijke uitgave niet permitteren. De Hartekamp werd voorts geschikt geacht als conferentieoord, terwijl ook gedacht is aan de vestiging van een hotel-restaurant, maar het bleef bij enkele kijkers, die echter geen serieus bod uitbrachten.

har13

Buitenplaats de Hartekamp stond in 1952 te koop

De veiling had plaats in verkooplokaal Frascati te Amsterdam door de makelaars J.van Campen en H.N.A.M.Verbeek ten overstaan van de notarissen W.H.Lubbers en J.Dragt.   Bij opbod (10 maart) bedroeg het hoogste bod op 10 maart ƒ 305.000,-. Twee weken later, 24 maart,  volgde de afslag. Voor 330.000,-  exclusief kosten werd de Congregatie der Broeders Penitenten van de Heilige Franciscus uit het Noord-Brabantse Boekel eigenaar van het landgoed. Daarmee sinds Adriaan van Berckenrode omstreeks 1600 – het hoofdhuis zelf dateert van omstreeks 1700 –  de 26ste eigenaar en voor het eerst geen particulier, maar een religieuze orde, die zich ten dienst stelde van de zwakzinnigenzorg. (1). Met aanvankelijk 8 Broeders vestigde men zich met ongeveer zestig zwakzinnige jongens in het hoofdgebouw en zijn plannen gemaakt voor de bouw van woonpaviljoens.

Wat mevrouw von Pannwitz niet de moeite waard vond om mee te nemen naar het buitenland werd in enkele dagen tegelijk met andere 4 boedels verkocht bij veilinghuis ‘De Zon’ aan het Singel in Amsterdam. Een paar grote spiegelkasten, een klein nuffig toilettafeltje, armstoelen waar gemakkelijk twee personen in kunnen en 40 stoeltjes op Queen Anne-pootjes, de kaarsrechte ruggetjes boven een zitting van verkleurd brokaat – door een antiquair gekocht en naar Engeland geëxporteerd. Zes fragiele gouden zeteltjes gingen naar een chique modezaak. Waar de enorme antieke arrenslee met een gouden leeuw naar toe ging heb ik tot op heden niet kunnen achterhalen. In één koop zijn de dertig zwarte livreien geveild, gedragen door de bedienden van mevrouw von Pannwitz. Deze zagen er deftig maar somber uit. In de gouden biezen op de kraag en op de nikkelen knopen herhaalde zich tienvoudig het familiewapen.  Op sommige foto’s van officiële banketten bij het bezoek van de Duitse keizer zijn de livreien nog zichtbaar.

(1) Aan de luister van de Hartekamp, waaraan de laatste particuliere bewoonster niet het minst heeft bijgedragen, kwam in 1952 voorgoed een einde, maar de spiegelzaal, de elegante decoratie van het ‘uitstek’ en de fraaie plafonds kan men nog steeds bewonderen. Met aanvankelijk 8 Broeders onder leiding van Broeder Raymundus vestigde men zich in het hoofdgebouw. De Broeders troffen in het gebouw nog heel veel aan, wat hen herinnerde aan de vorige bewoonster. Zoals een grote maar lege geldkluis achter een schetsboekenkast, zeven logeer- en badkamers, dozijnen spiegels, waarvan er één vierdelige was van de grond tot aan het plafond, (de vroegere spiegelzaal die als eetkamer diende). Verder zeldzaam fraaie lambriseringen in de salons en bibliotheek, schitterend vergulde en gebeeldhouwde plafonds, grisailles en in totaal 113 kasten. De verdwenen kunstschatten hadden lege plekken achtergelaten. Begonnen is met ongeveer 60  zwakzinnige jongens uit de provincies Noord- en Zuid-Holland.  13 jaren van strijd met de rijksoverheid hadden tot resultaat dat in 1963 Broeder Mattheus van Iersel, ondertussen Overste van de Hartekamp geworden na het overlijden van Broeder Raymundus begin februari 1955, het startsein voor de eerste grote bouwfase kon geven. Naar ontwerpen van het architectenbureau van B.J.M.Stevens [die veel in Heemstede heeft gebouwd in de Glip en Mariënheuvel] zijn woonpaviljoens op het terrein verrezen. In 1965 kwamen ‘Plataan’ en ‘Ceder’ gereed’, gevolgd in 1969-1970 door de paviljoenen  de ‘Wilg’,  de ‘Vlier’ en de ‘Iep’, waarna de capaciteit tot 353 plaatsen was gegroeid. Er kwam een modern medisch centrum, een noodgebouw voor de arbeidstherapie, een bassin ten behoeve van de hydrotherapie, een ontspanningszaal [ in de Oranjerie], een sportzaal, en andere voorzieningen. In de voormalige balzaal met een Italiaans plafond en de wanden met rode zijde bekleed kwam de kapel, compleet met altaar en bidstoelen. Na de totstandkoming van al die uitbreidingen en vernieuwingen had op 12 september 1971 de officiële opening plaats door H.K.H. prinses Margriet.

Margriet

Prinses Margriet opent het vernieuwde de Hartekamp als een instelling voor verstandelijk gehandicapten op 2 september 1971 (foto Nationaal Archief)

—————————–

De Hartekamp is verscheidene malen als decor gebruikt in (reclame)films en foto’s van tijdschriften. O.a. als fictief hotel ‘De Rozenboom’ in soapserie ‘Goede Tijden Slechte Tijden’. Voorts toepasselijk in ‘Bernard, schavuit van Oranje’(4delige VPRO-serie in 2010 uitgezonden), Daarin is de achterkant van de Hartekamp voorgesteld als achterzijde van paleis Soesdijk (waar niet gefilmd kon worden) en ook een aangepast interieur komt in deze filmopnamen voor.

*************************************************************

Herinneringen aan leven en werken op de Hartekamp

MAARTEN PLANTING

Wijlen de heer Maarten Planting heeft zich bij mijn weten twee keer in kranten interviews uitgelaten over mevrouw von Pannwitz en leven en werken op de Hartekamp. In 1962 toen hij veertig jaar in dienst was van het landgoed en in 1983 op 90-jarige leeftijd bij gelegenheid van zijn diamanten huwelijksfeest. In tegenstelling tot een voormalige butler van Huis te Manpad die met zijn publieke uitspraken over zijn vroegere broodheer enige opzien baarde, was de heer Planting ook zonder ooit een eed te hebben afgelegd zich bewust van de ongeschreven wet van ‘horen, zien en zwijgen’.

Scan1436

Maarten Planting in een groentenkas van de Hartekamp (Haarlems Dagblad)

Hartekampbrand

Volgens familieoverlevering was Maarten Planting als chauffeur niet zo’n succes, want hij reed zo langzaam en voorzichtig dat hij uiteindelijk alleen de koffers van mevrouw naar het station mocht brengen. Hij woonde in een oud pandje links naast de ingang van de Hartekamp, dat in 1968 is afgebrand en is toen verhuisd naar een bejaardenwoning in de Schoollaan te Bennebroek. Op bovenstaande foto van 1 september 1968 is men aan het nablussen van het afgebrande voormalige  koetshuis van de Hartekamp.

Van 1922 tot 1952 was hij in dienst van mevrouw von Pannwitz, wisselend als tuinman, stoker en chauffeur. Ten slotte als opvolger van de ‘foute’ Ludwig Priebe  als huismeester.   Tuinbaas was de heer J.W.Schoneveld. Van herkomst hovenier leerde Planting al snel de ketel van de centrale verwarming te stoken, die veel later na de aanleg van een centrale oliestookverwarming ten behoeve van de kassen in de tuin is benut. ‘De elegante dame’ had haar Mercedes uit Berlijn meegenomen en een bestuurder nodig. Planting moest naar Kimman in Haarlem en na slechts enkele ritten kon hij zijn rijbewijs gaan halen. ‘De chauffeur zat op een dakje van zeildoek en op een voorruit na helemaal onbeschermd. Portieren zaten er niet aan. Als de regen of sneeuw van opzij kwam, werd je drijfnat.’ Met de auto moest hij gasten op het station in Haarlem ophalen of hij reed ze naar de Ringvaart in Heemstede wanneer mevrouw von Pannwitz met haar gasten ging spelevaren naar de Kaag op haar eigen jacht ‘Olympia’.  ‘Als ze op reis ging moest ik de koffers naar Amsterdam brengen, niet naar Haarlem, dat was te dichtbij en om overstappen te voorkomen. Talloze malen heb ik haar dochter Ursula naar Doorn mogen rijden waar de ex-keizer woonde. Op de Hartekamp was het vaak een “drukke bedoening’. Mevrouw von Pannwitz ontving zomers talloze gasten. Dan waren er grote diners. Als ze geen gasten had, dan leefde ze niet. De eerste jaren woonde ze ’s winters ook hier, later om de winter, ze ging dikwijls op reis, vaak naar Zwitserland en Argentinië. Van 1942 tot na de Bevrijding heb ik haar helemaal niet gezien. Daarna kwam ze nog een paar keer terug. Van 1944 tot 1948 ben ik huismeester geweest, toen woonde ik in de villa. In 1948 kwamen Engelse vrienden op de Hartekamp wonen, maar niet voor lang. Toen werd het landgoed te koop gezet en in 1952 namen de Broeders van Boekel er hun intrek. Je werkte van ’s morgens zeven uur en dikwijls was je pas om 9 uur ’s avonds klaar met je werk. Maar dat was allemaal heel gewoon. Mevrouw von Pannwitz was een goede vrouw die met het personeel uitstekend kon opschieten. Ondanks de pracht en praal op de Hartekamp is zij altijd een vrouw van eenvoud gebleven.’

Scan1626

 

Boven: gezelschap bij de theekoepel van de Hartekamp op de overplaats, achter Hagenduin, afkomstig van mw. Vahl-Lekkerkerker uit 1923 of 1924. Achteraan staat Maarten Planting, zoon van de toenmalige tuinman van mw. von Pannwitz, daarnaast Adrianus Lekkerkerker, daaronder zijn broer Dik. Van links naar rechts zittend: grootmoeder Stijntje Lekkerkerker-Schenkeveld, haar zuster Aartje Dekker-Schenkeveld, de vrouw van de fotograaf Jan Dekker (architect Zoetermeer, Hazerswoude), daarnaast Jacob Lekkerkerker, pas begonnen als N.H.predikant in Bennebroek, met voor hem zijn jongste zoon Kees Lekkerkerker, zijn dochter Liesbeth Lekkerkerker en dan Willem Dekker (getrouwd met Aartje Schenkeveld).

60 jarig huwelijksjubileum van Maarten Planting en Grietje Stroosma in Bennebroek (Heemsteedse Koerier, 4 mei 1983):

planting

 

har18

De chef-kok van de Hartekamp was geen Duitser, zoals soms werd verondersteld, maar een Nederlander die aan de Prinsenlaan woonde.

Mevrouw J.C.M.de Graaff-Savenije

Scan1472

Portret van Käthe von Pannwitz (Dora Heinze)

Naar aanleiding van de publicatie van een boek over de geschiedenis van de Hartekamp kwam ik in 1983 in contact met mevrouw J.C.M.de Graaff, toen woonachtig in Alkmaar. Zij werkte op de Hartekamp van 1940 tot haar huwelijk op 13 mei 1942. Mevrouw de Graaff heeft de trouwerij op 28 maart 1940 van Ursula met de graaf van Chichester nog meegemaakt en was aangewezen als haar kamenierster. In Groningen verdiende ze oorspronkelijk 15 gulden per maand, bij mevrouw von Pannwitz was dat ƒ 40,-  inclusief kost en inwoning, wat een grote verbetering inhield. Secretaris-administrateur Hartsuyker uit Heemstede beheerde de financiën en hield kantoor in huis. Eén dag per week was het personeel vrij. In het huis met alle kunstschatten was heel wat schoon te houden. Het huispersoneel was merendeels uit Duitsland afkomstig in tegenstelling tot de tuinlieden. Huismeester-butler Priebe was tamelijk fanatiek en een aanhanger van Hitler. Ze herinnert zich dat toen Seyss Inquart en Mussert in het Olympisch Stadion in Amsterdam spraken, het Duitse personeel hier naar toe wilde, maar dat zij daar geen behoefte aan had en dat ook duidelijk liet merken. Keizer Wilhelm heeft ze zelf niet meer meegemaakt. Wel weet ze dat personeelsleden uit Doorn soms meereisden, welke dan met het Hartekamp-personeel extra goed eten van de dikke kok kregen voorgeschoteld. Een kamenierster van de familie Gutmann op ‘Bosbeek’ kwam regelmatig mee. Gutmann en mevrouw von Pannwitz waren ook als verzamelaars van oude kunst en antiek goed bevriend met elkaar.

Vanaf de bovenverdieping heeft ze tweemaal rijksmaarschalk Goering zien aankomen. In een limousine met officieren en een volgauto met lijfwachten. Op de Hartekamp hing tijdens de oorlog de Argentijnse vlag, bedoeld als bescherming tegen de Duitse bezetters. Naar aanleiding van het in 1982 verschenen Hartekamp-boek schreef ze: ‘Ik heb met plezier daar gewerkt en het heeft mijn leven beïnvloed en verrijkt, om oog te hebben voor mooie dingen die de geschiedenis heeft voortgebracht.’ Evenals andere personeelsleden roemt zij de goede kontakten met mevrouw Catalina von Pannwitz en haar dochter Ursula. ‘ Over de bezoeken van de ex-keizer schreef Ursula Chichester eerder op 16 augustus 1982 met de mededeling dat het Nederlands haar lievelingstaal was, ofschoon na 40 jaar veel vergeten, ‘These were always very simple and ‘gezellige’ events. On leaving Doorn the Kaiser’s  secretary telephoned the Hartekamp at what time the Kaiser could be expected at the Hartekamp. This was done so that my mother and I could be ready to receive the Kaiser at the front door rather than being in the garden. At no time there was an ‚erewacht‘  van tuinlieden. Neither was there ever a great banquet but always a 3 course lunch. The Kaiser was a simple man in his habits and dinner or lunch parties at Doorn were always simple. Incidentally the Kaier came for more than one hundred visits. My mother enjoyed giving dinner parties mainly for diplomats and het Dutch friends. She also had houseparties during the summer consisting of ‘”gezellige vrienden” of her age group als well as mine. At no time could she not live without guests. What she liked best was to receive international  curators  and directors of art galleries who were taken by her and by me to all the Dutch museum.

Herinneringen aan de kunstcollectie van de Hartekamp van een kunsthistorica

In de Heemsteedse Courant van 27 september 1973 publiceerde een kunsthistorica onder de initialen H.H. een artikel over haar herinneringen aan de kunstverzameling van een bezoek omstreeks 1928. ‘Ik was destijds studente in de kunstgeschiedenis en ons kleine groepje bezocht onder leiding van de betrokken hoogleraar de beroemde kunstverzameling van de Hartekamp, daarom had hij gemakkelijk toegang; in andere gevallen was een schriftelijke verklaring van de direktie van het Rijksmuseum nodig om de kollektie te bezichtigen. Onze professor was van het joviale soort – een uitzondering in die dagen – en in de trein erheen zei hij: “’t Is een mooi wijf, maar ze is op retour.” en dat haar fabelachtig fortuin iets te maken had met de enorme bezittingen in Argentinië, o.a. vleesfabrieken en de handel in Argentijns bevroren rundvlees. Mevrouw von Pannwitz wachtte ons op, begroette de hoogleraar als een oude bekende, en daarna ons. Ze sprak Duits, deze Argentijnse. Ik zie haar voor me als een slanke dame in een simpele dure japon van geel frotté, en ze leek me een jaar of vijftig. Na de ceremonie van de voorstelling was er nog een kort gesprek en toen verontschuldigde zij zich, zij moest zich weer bij haar logés voegen. Daarna hebben wij haar niet meer gezien. Toen begonnen we te drentelen van de ene zaal in de andere, van de ene gang of kamer in de andere, met stomheid geslagen door de ontzaglijke omvang van de kollektie niet alleen,  maar ook door de exquise kwaliteit en de zeldzaamheid van de afzonderlijke stukken. Eigenlijk kon men niet spreken van een verzameling in de gewone zin beperkt tot één kunstsoort, bijv. sculptuur, of schilderijen, of porselein, maar hier was alles kunst: gobelins, tapijten, meubels, schilderijen, beeldhouwwerken, porselein, kristal, smeedwerk aan hekken en ramen, betimmeringen, lichtkronen. We maakten wel meer kunstexcursies in die tijd, maar nooit heb ik meegemaakt, dat iemand werkelijk tussen zijn kunst leefde. En het grootste wonder was misschien wel, dat heel het huis een intieme gezelligheid uitstraalde. Nog lange tijd daarna ben ik diep onder de indruk gebleven en kon ik eigenlijk nooit de Hartekamp geheel vergeten. Daar droeg ook wel een beetje toe bij, dat ons thee met cake werd geserveerd door twee huisknechts in livrei, met kuitbroek en al, terwijl we gezeten waren  in hoge, eeuwenoude stoelen en boven ons hoofd een blauw-en-gouden kassettenplafond straalde, zó overgebracht uit een Florentijns paleis. In een lager gedeelte van het huis bevond zich het eigenlijk museum: veel schilderijen, o.a. Vlaamse en Hollandse primitieven, Rembrandts en andere 17e eeuwers, veel beelden, waarbij ik meen houten beelden van Riemenschneider  gezien te hebben. Eén van de mooiste herinneringen bewaar ik aan het porseleinkabinet, een onmiddellijk achter de hal; gelegen zeshoekig vertrek, de wanden één spiegeling van glas, waarachter het zeldzaamste porselein was bijeengezet. Vanuit dit fonkelende hart van het huis keek je de uitgestrekte tuin in, waar we een aantal mensen zagen wandelen, de logés kennelijk. In één van de salons stond op een lage tafel een gesigneerd portret van de laatste Duitse keizer, een vriend van het huis. Hij had er met zijn Hermine zelfs vaste logeerkamers, en ook onze prins prins Hendrik kwam er. De groten der aarde waren menigmaal de gasten van mevrouw von Pannwitz. Hieruit blijkt, dat deze Duits-Argentijnse schoonheid behalve onwaarschijnlijk rijk, ook een vrouw van grote allure geweest moet zijn (…)’

 Piet van der Linden

In 2004 heeft Veronica Handgraaf verschillende personen geïnterviewd en hun herinneringen verwerkt in een serie ‘Hillegommers vertellen’. Onder hen Piet van der Linden van het gelijknamig transportbedrijf waarbij ook enkele malen de Hartekamp en mevrouw von Pannwitz ter sprake komen: Citaten: ‘Op het Vogelenzangse station stopten in die vooroorlogse jaren 36 treinen per dag. Er werd dan expresgoed en snelgoederen aangeleverd en Van der Linden moest zorgen voor de bezorging. Het is in deze tijd nauwelijks meer te geloven, maar het kwam voor dat heen en weer gereden moest worden naar mevrouw von Pannwitz op de Hartekamp met twee dozen aardbeien of kersen!  Dat was snelgoed en dat mocht niet blijven staan. Ze had ook iedere veertien dagen een bestelling met nieuwe schoenen. En iedere maand kisten met Franse wijn, die in totaal 850 kilo wogen!  Piet moest die in zijn eentje allemaal naar de wijnkelder sjouwen, die onder het hele huis doorliep. Wijnrekken tot het plafond, hij ziet het nog voor zich. Hij zat soms drie of viermaal op één dag op de Hartekamp, want als er geen fruit was, dan waren er wel bloemen te brengen. De kleinere bestellingen konden per fiets worden geleverd. Het was overigens geen wonder, dat de bewoonster grote bestellingen plaatste, want aan tafel zaten voortdurend hoge gasten. De Duitse keizer kwam graag bij mevrouw von Pannwitz en Prinses Juliana en haar verloofde waren er eveneens regelmatig op bezoek. “Er werd veel getennist en omdat ze ons kenden werd ons gevraagd, of mijn broer en ik op zaterdag en zondag ‘ballenjongens’ wilden zijn. Wij rolden de ballen naar degene, die opsloeg. Het was leuk om te doen”. Van der Linden kent overigens een detail, dat tekenend was voor de opvattingen in die tijd. Een verloofd paar mocht nooit onder één dak slapen. Dat gold ook voor Juliana en Bernhard. De prinses sliep dus in het grote huis, maar haar verloofde moest zich dan tevreden stellen met een kamertje boven de stallen.’ (…) Op de Hartekamp stond een schitterend en kostbaar Saksisch servies in de vestibule. Toen er oorlog dreigde moest dat servies in handkoffers vervoerd worden naar een kluis in Amsterdam. “Een koffer per keer!” lacht Piet. Het kostte dus heel wat tijd voor alle onderdelen in veiligheid waren’. (…)

Mevrouw H.M. Mooijman-Packhäuser

Tijdens de presentatie van het Hartekamp-boek in 1982 was Ursula von Pannwitz, gravin van Chichester, de eregast. Ik vertelde haar een brief te hebben ontvangen met het bericht van prins Bernhard dat hij verhinderd was aanwezig te zijn, waarop zij veelzeggend antwoordde: ‘typisch Bernhard’.

Na afloop schreef zij de volgende dag  op zondag 28 november vanuit het Amstel-hotel in Amsterdam: ‘Het is mij een behoefte u vóór mijn vertrek naar Engeland te zeggen hoe oneindig dankbaar ik ben voor de fantastische ontvangst en alles wat er mee te doen had gisteren. Ik was niet alleeen verrast maar ook ontroerd over de moeite die u en uw collega’s bij dit feest zich getroost hebben. Nooit had ik zulk een hartelijke ontvangst verwacht. Het ontroerendste moment was toen een ex-kamermeid mij omhelsde. Helaas weet ik haar naam niet meer. Zij zeide: “Ik ben Hedwig, getrouwd met een Nederlander. Ik zou het erg op prijs stellen mocht u mij de naam van dit echtpaar laten weten.’  

Bedoelde vrouw was in betrof mevrouw H.Mooijman-Packhäuser, woonachtig in Hillegom, die van oktober 1929 tot 1937 als kamermeisje op de Hartekamp werkte.  Ik sprak haar in 1994 toen zij 85 jaar was. Zij was geboren in Duitsland en is na de lagere school begonnen als dienstmeisje van gravin Von Kalmein in Kiljis nabij Koningsbergen in Oost-Pruisen. Mevrouw von Pannwitz die bezittingen had in Berlijn heeft haar tijdens een diner in Grunewald’ ontmoet en later naar Nederland gehaald. Tot 1936 verbleef zij intern op de Hartekamp en ontving ƒ 35,- per maand inclusief kost, werkkleding en inwoning. In dat jaar is zij gehuwd en heeft daarna nog enige tijd op part-time basis gewerkt. Ze bewaarde goede herinneringen aan de Hartekamp-periode. Men moest weliswaar hard werken, maar er was ook tussen het personeel onderling een goede band. Ook al was het personeel vanzelfsprekend niet van alles op de hoogte, ze bestreed de veronderstelling van sommige onwetende buitenstaanders als zouden binnen de muren van de Hartekamp onder de Haagse en Duitse hogere kringen orgieën hebben plaatsgevonden. Mevrouw von Pannwitz was volgens haar een hoogstaande vrouw, de beslist geen opspraak wenste en het is wel voorgekomen dat iemand die zich niet aan de regels van fatsoen hield werd ontslagen. Eenmaal per jaar met Kerstmis dineerde het personeel gezamenlijk met de eigenares en dochter en werden geschenken uitgedeeld. Mevrouw von Pannwitz wilde overigens onder geen beding haar verjaardag vieren en men mocht haar zelfs niet feliciteren. In de nissen van de vestibule stonden altijd verse bloemen, ’s winters uit de kassen. In de hal was ook een grote antieke Franse slee opgesteld. Bij hoog bezoek werd politie-escorte ingeschakeld en patrouilleerde een nachtwacht rond het gebouw. De voertaal op de Hartekamp was Duits, maar mevrouw von Pannwitz en Ursula spraken ook Spaans, Frans, Engels en Nederlands.

Mooijman

 

Dankprentje mw. Hedwig Margarethe Mooijman-Packhäuser, april 1996 in Hillegom overleden.

Na de diners met gasten, veel diplomaten en personen uit de kunstwereld, ontving het personeel de volgende dag de resten: reerug, kreeft, mosselen, oesters etc. De middenstanders in Bennebroek, evenals onder meer bakker Eicholtz te Haarlem, verdienden goed aan de Hartekamp. Uit Berlijn kwam vaak mevrouw Von Schwabach uit een bankiersfamilie over, die getrouwd met een Joodse man. Mevrouw Mooijman herinnerde zich dat prins Hendrik – nooit vergezeld door koningin Wilhelmina – altijd goed geluimd was en bovendien zeer royaal. Hij had soms de gewoonte de kameniersters een welwillend kneepje in de billen te geven. Hij kon zeer grappig zijn. Zo onthulde hij eens dat ‘Juliana niet van mai is’. Als je dan verrast vroeg: ‘van wie dan wel?’ zei hij ‘maar van april’, waarna een bulderende lacht van de prins volgde. Eens was hij al vertrokken, liet hij zijn chauffeur omkeren, toeterde en gaf het personeel alsnog een goede fooi. Prins Bernhard speelde graag tennis op de baan van het landgoed en overnachtte in één van de gasten-logeerkamers. Prinses Juliana sloot zich soms ’s avonds aan voor het diner. Mevrouw Mooij mocht dan haar mantel aannemen in de hal. Mevrouw Catalina von Pannwitz, soms gravin of baronesse genoemd, reisde veel en was regelmatig enige maanden in Argentinië, waar zij door de plaatselijke bevolking als een ‘vorstin’ werd behandeld. Ze verbleef ook regelmatig in Berlijn, Zürich en Beiroet, in welke laatste stad ze ooit is overvallen, zoals dat ook is gebeurd in 1935 tijdens een kuurbezoek aan Karlsbad (Karlovy Vary) in Tsjechië.

ddd_011184506_mpeg21_p005_image

(Bericht over overval op mw. von Pannwitz in Karlsbad, uit Nieuwe Tilburgsche Courant, 10-8-1935)

In de Hartekamp is in haar tijd nooit ingebroken. Mw. von Pannwitz had een nachtveiligheidsbeambte in dienst die van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens zes uur de ronde deed.  De rijke weduwe is afgezien van twee overvallen in Libanon en Tsjechië, nimmer iets ergs overkomen, afgezien ook van een ongeluk met de Olympia op de Kaag in 1930 waarbij ook keizer Wilhelm was betrokken en gravin Lehndorff uit Prein en graaf Hermann Dondorf uit Friedenstein ernstig gewond raakten. De inval van de nazi’s betekende voor haar feitelijk het einde van haar geliefde Hartekamp en dito kunstcollectie.

ddd_010661393_mpeg21_p002_image

(Uit:  Algemeen Handelsblad, 19-6-1930)

Over het ongeluk op de Kaag is gepubliceerd in diverse Nederlandse kranten, zoals het Amersfoortsch Dagblad / De Eemlander van 21 juni 1930 met het volgende bericht, waarin overigens voornamelijk bijzonderheden over de gastvrouw voorkomen: ‘Vanzelfsprekend vormt het motorongeluk op de Kagerplassen, waarbij ook de ex-keizer van Duitsland tegenwoordig was, een onderwerp van bespreking in het merendeel der Duitse bladen. Wij lezen daarin o.m. nog de volgende bijzonderheden over de gastvrouw die het uitstapje arrangeerde. Mevrouw von Pannwitz is de tweede vrouw van de overleden advocaat dr. Walther von Pannwitz, die in zijn eerste huwelijk getrouwd was met de dochter van de uitgever van de Maagdenburger Courant, Hedwig Faber.  Mevrouw von Pannwitz, die in Rostock (Duitsland) geboren is, ging in haar prille jeugd met haar ouders naar Argentinië, waar de familie in de staat Buenos Aires een der grootste farms bezit. Zij heeft voorts een fraaie villa in het Grunewald bij Berlijn, die ingericht is als een museum. Vooral haar verzameling oud-porselein vertegenwoordigt een grote waarde.  In de zomer houdt mevrouw von Pannwitz zich meestal op in de omgeving van Haarlem op haar bezitting de Hartekamp. Zij verkeert veel in vroegere Duitse hofkingen. Haar 19 jarige dochter Ursula werd al diverse malen beschouwd als de toekomstige verloofde van een van de zoon van de ex-kroonprins. Zowel prins Wilhelm als prins Louis Ferdinand worden genoemd als mededingers naar de hand van de schatrijke Duits-Argentijnse. De feestelijkheden die mevrouw von Pannwitz in haar villa in Grunewald pleegde te geven behoren tot de glanspunten van het Berlijnse winterseizoen’.

Eenmaal werd door personeelsleden die te diep in het glaasje hadden gekeken, mogelijk uit opkomende afgunst, het plan beraamd haar iets aan te doen. Doch een nuchtere aanwezige wist het idee als snel in de kiem te smoren. Na het vertrek heeft mevrouw Mooijman nog eenmaal een kerstpakket ontvangen. Zoals gezegd heeft zij de toen 71-jarige Ursula na 45 jaar voor het laatst gezien tijdens de memorabele presentatie van een boek over de Hartekamp op 27 november 1982. Zij is in 1996 op 86-jarige leeftijd  overleden.

Scan1466

Berichtgeving  van huwelijk Ursula von Pannwuitz met John Pelham, graag van Chichester, in tijdschrift  ‘Stad Amsterdsam’, 1940, nr.15.

Scan1471

Idem uit tijdschrift Stad Amsterdam, 4-4-1940

Ten slotte: omdat de enige zoon van Ursula, de in 1944 geboren John Nicholas Pelham, 9e graaf van Chichester, geen zonen heeft, zal deze na zijn overlijden vermoedelijk worden opgevolgd door Richard Anthony Henry Pelham, een achterkleinkind van de vijfde graaf van Chichester en achter-achterneef van de huidige graaf. De enige dochter van John Nicholas Pelham is lady Eliza Pelham, geboren in 1983. Zij is op 25 juni 2011 getrouwd met doctor Douglas de Jager, -die zijn vanuit haar studietijd in Oxford kende – in de kathedraal van Salisbury, een huwelijk dat in de Britse boulevardpers opzien baarde vanwege haar sexy trouwjurk.

Selectie van voornaamste geraadpleegde bronnen en literatuur:

– Hartekamp/Von Pannwitz in ‘Heemstede-collectie, Noord-Hollands Archief Haarlem.

– Correspondentie en mondelinge informatie van mw. Ursula Chichester-von Pannwitz en mw. Lili Vera Collas-Gutmann;

– Gesprekken met o.a. mevrouw J.C.M.de Graaff-Savenije (1983) en mevrouw H.Mooijman-Packhause (1994);

– Delpher [= krantenbanksite van de Koninklijke Bibliotheek];

– Internet, o.a. Worldcat; ‘Advies inzake von Pannwitz. Restitutiecommissie’, dossier 1.80 (6 april 2009); Geheugen van Nederland; Europeana; krantenbank Noord-Hollands Archief; Hillegommers vertellen  [ook in boekvorm verschenen];  the peerage, a genealogical survey of the peerage of Britain (…); Rijksmuseum  Amsterdam

-E.Heldring. ‘”herinneringen, dagboek van Ernst Heldring 1871-1954.Groningen, 1970, p.1205-1206.

– Uittreksels uit politiearchief gemeente Heemstede;

– H.P.Baard. Kunst in schuilkelders. Den Haag, 1946;

– Zes artikelen over de Hartekamp, mevrouw Catalina von Pannwitz en dochter Ursula, in de Heemsteder van 12 oktober tot en met 30 november 1996;

– Die Sammlung von Pannwitz. München, Kunst- und Kunstgewerbe des XV – XV111. Jahrhunderts. [Walter von Pannwitz; Ernst von Bassermann].München, Helbing, 1905.

– Max J.Friedländer (herausgegeben), Die Kunstsammlung von Pannwitz. Band 1 Gemälde. München, Verlag F.Bruckmann, 1926.

Kunstsammlung

De twee kloeke boekbanden betreffende de Hartekamp-collectie, samengesteld door de eminente kunsthistorici Max Friedländer en Otto von Falke

– Otto von Falke (herausgegeben), Die Kunstsammlung von Pannwitz. Band 11 Skulpturen und Kunstgewerbe. München, Verlag F.Bruckmann, 1925.

– Ruth en Max Seydewitz, Das Mädchen mit der Perle. Berlin, 1972;

– Het landgoed de Hartekamp in Heemstede; door Lucia Albers, A.J.Kramer, J.L.P.M.Krol en I.van Thiel-Stroman. Heemstede, Vereniging Oud  Heemstede-Bennebroek, 1982;

Scan1476

Vooromslag vanhet boek door Dora Heinze over de geschiedenis van het Slothotel [Palast Pannwitz] in Grunewald, Berlijn.

Scan1427

Mw. Ursula Chichester-von Pannwitz na de presenatie van het Hartekamp-boek in 1982 met de vier auteurs (Heemsteedse Koerier)

– Veronica Handgraaf, Hillegommers vertellen. 1984.

– Wim Klinkenberg, Prins Bernhard: een politieke biografie. 1986. 3e druk ;

– Adriaan Venema, Kunsthandel in Nederland 1940-1945. 1986;

-JA.de Jonge. Wilhelm 11 Keizer van Duitsland. Amsterdam, 1966;

-P.J.Bussen, De laatste Duitse keizer woonde in Nederland; hoe een Duitse dynastie zijn einde vond in ons land. Schoorl, Pirola, 2013.

– Dora Heinze, Das Schlosshotel im Grunewald; Geschichte eines Adelspalais. Berlin, 1997;

– Annejet van der Zijl, Bernhard een verborgen geschiedenis. Querido, 2010;

– Sigurd von Ilsemann, Wilhelm 11 in Nederland. Dagboekaantekeningen bezorgd door Jacco Pekelder en Wendy Landevé. Aspekt. 2015;

– Bert Wagendorp, De Argentinië-connectie, De Volkskrant, 19-12001;

– Igor Cornelissen, Vrij Nederland 9-10-1976 en 16-10-1976: over de merkwaardige relatie van prins Bernhard en kunsthandelaar Alois Miedl;

– Gerard Aalders, Roof; de ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Den Haag, SDU, 1999.

– Simon Goodman, De wolven namen alles mee; op zoek naar de door de nazi’s geroofde kunstverzameling van mijn familie. Amsterdam, Neulenhoff, 2015 [oorspronkelijke titel: The Orpheus Clock. Scribner, 2015].

N.B.Vanwege een aantal onzekerheden is geen gebruik gemaakt van een biografie over prins Bernhard door de historicus  Kikkert, die op basis van informatie van een geheim agent publiceerde dat prins Bernhard 28 februari 1943 met anderen vanuit Canada naar Ascunsion in Paraguay vloog en 1 maart zelf naar het vliegveld Mariano Moreno in Argentinië, hetgeen overigens overeenkomt met de vermelde herinneringen van Dietmar von Pannwitz . Drs. C.J. (Kees) van der Sluijs deed onderzoek naar de Nederlandse ballingschap (12.11.1918  rot 10-11-1923) van Wilhelm, laatste kroonprins van het Duitse Rijk en van Pruisen en oudste zoon van ex-keizer Wilhelm 11.Op basis van zijn research komt hij tot de veronderstelling dat niet de voormalig adjudant van de ex-keizer, C.L.E.graaf von der Goltz, maar Catalina von Pannwitz, de weg naar prinses Juliana heeft bereid en hem in dat geval moet hebben doorgespeeld naar Von der Goltz, die ze immers kende uit de directe omgeving van Wilhelm 11 en die – daar ging het juist om – tevens banden met het Nederlandse hof had [met uitzondering overigens van koningin Wilhelmina die zich terughoudend opstelde tegenover Doorn en in tegenstelling tot prins Hendrik ook niet mw.von Pannwitz op de Hartekamp bezocht]]. Daarnaast was de Hartekamp sowieso al jarenlang een plaats voor samenkomst van Duitse aristocraten en diplomaten. Een en ander zou terug te voeren zijn  op berichten als zou Bernhard Catalina al hebben gekend uit zijn jeugd. Als jonge jongen zou hij met zijn moeder en broer Aschwin regelmatig op de Hartekamp hebben gelogeerd, meestal nadat zij een bezoek hadden gebracht aan de voormalige Duitse keizer in diens huis te Doorn. Adelheid, prinses van Saksen-Meiningen, een schoondochter van de keizer, was een volle nicht van prins Bernhard. Aldus Kees van der Sluijs, in een schrijven van 27 juni 2007.

In het Noord-Hollands Archief zijn aanwezig onder Landgoed de Hartekamp Heemstede, inventaris 3861, o.a. de akten, nummer 187= afgegeven door de notaris mr.C.J.Boerlage, inzake veiling en toewijzing van de Hartekamp, 14 juli 1921; 188= akte verkoop grond door mw.von Pannwitz-Roth in verband met verbreding Herenweg, idem 189= akte verkoop grond voor verbreding weg aan het rijk, 10 juli 1928; akte 190= kopie verkoopakte door notaris W.H.Lubbers van de Hartekamp aan de Vereniging der Broeders Penitenten door mw. Von Pannwitz-Roth, 20 april 1952.

In het Nationaal Archief Den Haag is aanwezig onder nummer 2.14.73: inventaris OCW/Oudheidkunde en Natuurbescherming; particuliere verzamelingen, nummer 898: collectie mevrouw C.von Pannwitz Heemstede 1923-1951.

Selectie van tijdschriftartikelen betreffende werken uit de Hartekamp-kunstcollectie van Catalina von Pannwitz in de Hartekamp

-H.U.Beck. Jan van Goyens Handzeichungen als Vorzeichungen. In: Oud Holland, 1957, p.24 + 250

-K.G.Boon. Geertgen tot Sint Jans of Mostaert. In: Oud Holland, vol.81, 1966, nr.2, p.61-72.

-R.Langton Douglas. La Vierge à la Soupe au Lait by Gerard David. In: The Burlington Magazin for Connoisseurs,ol.88,dec.1996, p.288-293.

-Ralph Edwards. English miniatures at the Louvre. In: The Burlington Magazine for Connoisseurs, vol. 72, May 1938

-Paul L.Grigaut. Rococo. In: Bulletin of the Detroit Institute of Arts, vol.40, 1961-1962, p.59-62.

Marck

Jan Corneliszoon Vermeyen: Erard de la Marck, circa 1528-1530.

-B.Haak. Het portret van Erard de la Marck door Jan Cornelisz. Vermeyen. In: Bulletin van het Rijksmuseum, 1963, nr.1, p.11-19.

-B.Haak. Het portret van Pompejus Occo door Dirck Jacobsz. In: Bulletin van het Rijksmuseum, 1958, nr.2, p.27-37.

Jacobszoon

Dirck Jacobszoon (1483-1537): bankier Pompeius Occo uit Augsburg.  Door mw. von Pannwitz verkocht aan kunsthandel/veilinghuis Rosenberg & Stiebel in New York , die het doek verkocht aan het Rijksmuseum Amsterdam
-Th.H.Lunsingh Scheurleer. French Eigteenth-Century Furniture. in: Holland. In: Burlington Magazine for Connoisseurs, vol.76, Jan.1940, nr.42.
-P.Otten. Twee Oosterse tapijten in het Rijksmuseum. In: Bulletin van het Rijksmuseum, 1954, 2, p.29-34.
-A.van Schendel. De boom van Jesse en het probleem van Geertgen tot Sint Jans. In: Bulletin van het Rijksmuseum, 1957, nr.3, p.75-83.
A.Staring. Vraagstukken der Oranje-Iconographie 11. Rondom twee portretten door Jan Gossaert van Mabuse. In: Oud Holland, 1952, nr.3, p.144-156.
-J.FM.Sterck en D.Wouterszoon. Aanteekeningen over 16de eeuwsche Amsterdamsche portretten. In: Oud Holland, vol.43, 1926, p.249-266.
-Marcus Whiffens. A note on Thomas White of Worchester. In: The Burlington Magazine for Connoisseurs, vol.84, May 1944.
Hans Krol

voorbeeld

Voorbeeld van Meissen-porselein uit Von Pannwitz-collectie de Hartekamp. Vervaardigd door Johann Fröhlich in 1741. Tegenwoordig in het Brits Museum Londen. De von Pannwitz- porceleinverzameling is beschreven door Sebastian Kuhn: Collecting Culture: The Taste for Eigteenth-Century Germain Porcelain, The Arnhold Collection of Meissen Porcelain 1710-1750. (1925).

Zeldzaam Meissen-porselein uit circa 1735-1740, collectie C. von Pannwitz, in 2012 geveild bij Sotheby’s.Meissen1

boekband

Boekband ‘The Crucifiction, Frans (Limoges) uit omstreeks 1200. Beschildering koper op hout. Door mw. von Pannwitz geveild bij Rosenberg & Stiebel, New York.

Voor meer foto’s betreffende Hartekamp, Catalina von Pannwitz, keizer Wilhelm 11 e.d. zie:  ilibrariana.wordpress.com/2013/06/19/nieuw-boek-over-keizer-wilhelm-11

Linneausbeeld

Bronzen Linnaeusbeeld van W.M.Retra, op 23 mei 1907 geplaatst in de voortuin van de Hartekamp ter gelegenheid van de tweehonderdste geboortedag van Carolus Linnaeus (Linné) die hier werkzaam was als prefect van de tuinen en natuurhistorische verzamelingen, tevens als lijfarts van eigenaar George Clifford tussen 1735 en 1737

poort3

Vroegere toegangspoort naar de Hartekamp

 

zonnewijzer

Zonnewijzer op terrein van de Hartekamp (Floor Keijzer, 2013)

 

hert

Sculptuur van een hert op het landgoed de Hartekamp

klok

Bovengevel met klok en een hert als windvaan, de Hartekamp Heemstede

 

prieel

Prieel op de Hartekamp, afkomstig uit de achtertuin van een Amsterdams grachtenhuis

pergola

Pergola in tuin van de Hartekamp (in 1909 ontwotpen door tuinarchitect H.A.C.Poortman) met zonnewijzer (foto rijksmonumenten)

oranjerie

Door J.D.Zocher sr. gebouwde oranjerie op landgoed de Hartekamp (foto rijksmonumenten)

interieurInterieurfoto Gouden zaal de Hartekamp (1960) 

achterzijde1

Achterzijde van hoofdgebouw de Hartekamp (architectenbureau De Vries)

Hart15

De voorgeschiedenis van de Hartekamp begint omstreeks 1650 met een bescheiden (boeren-)hofstede genaamd Thorenvliet. In 1693 is postmeester Johan Hinloopen uit Amsterdam bouwmeester van het herenhuis. Bovenstaande plattegrondtekening is in 1708 vervaardigd door landmeter Maurits Walraven. Linksonder een tekening van achterzijde ‘Gezight van de Lijdse trek-vaart; rechtsonder voorzijde met ”t Gezight vande Heere-wegh’  (Noord-Hollands Archief)

hart13

In het kader van de achterstandsregeling is in 2008 een Cascorestauratieplan vervaardigd door bouwburo Vitruvius bv in Asperen. Dat betrof het herstel van het monumentale gevelstucwerk, vervanging van het grootste gedeelte van de lood- en zinkwerken. Tevens zijn alle vensters gerestaureerd en geschilderd en zijn de natuurstenen trappartijen in  die fase meegenomen. De uitvoering vond voornamelijk plaats door aannemersmaatschappij Scheurer in Amsterdam.

hartekamp2

Vooraanzicht van hoofdgebouw de Hartekamp, tegenwoordig in  okergele kleur zoals ook in de 19e eeuw het geval was. Het middendeel is in 1693 gebouwd in opdracht van toenmalig eigenaar Johan Hinloopen, postmeester van het Antwerps Postcomptoir.

Hart11Beeld van Flora, godin van de andbouw en bloemen (foto René en Pieter van der Krogt)

 Hart10

Stenen beeld van Diana, godin van de jacht met een hert  (foto René en Pieter van der Krogt)

BIJLAGE 1: BEKNOPTE BIOGRAFIE WALTER VON PANNWITZ

 

Pannwitz1

Portret Walter von Pannwitz (Dora Heinze)

Walter Sigismund Emil Adolf von Pannwitz is 4 mei 1856 in Mehlsack, Oostpruisen) geboren en op 8 november 1920 in Buenos Aires, Argentinië, overleden. Hij was een Duitse advocaat, burgemeester, kunstverzamelaar en mecenas. Ereridder van de Johanniterorde,

Pannwitz stamde uit een Oberlausitz-Schlesisch adellijk geslacht, dat in 1276 voor het eerst wordt genoemd. Hij trouwde op 6 januari 1893 in Marburg aan de Lahn met Hedwig Faber (1867 geboren in Magdeburg). Dit huwelijk eindige in een scheiding op 20 december 1907 in München. Hij hertrouwde  26 mei 1908 in Dresden met Catalina Roth (* 3 september 1876 in Rostock, overleden 20 mei 1959 in Long Crumples, Engeland, maar volgens haar zoon in Zürich).

Walter von Pannwitz maakte in München naam als scherpzinnig advocaat in strafprocessen. Artistiek was hij zeer begaafd, schreef toneelstukken en was bevriend met de acteur Ludwig Thoma (1867-1921). In deze periode is hij benoemd tot burgemeester van Kulmbach, waar hij vanaf 1888 met succes een ingrijpende bestuurswijziging doorvoerde.

Al in zijn jonge jaren begon von Pannwitz kunstwerken te verzamelen In 1905 liet hij in München bij een veilinghuis zijn porseleincollectie veilen, die belangstelling trok uit alle delen van Europa en zelfs de Verenigde Staten.

Uitstalling van veiling antiek- en kunstvoorwerpen bij veilinghuis Helbing in München, 1905:

Pannwitz10

sammlung

Veilingcatalogus Kunst- ind Kunstgewerbe des XV-XVIII. Jahrhunderts. München, Helbing, 24-25 Oktober 1905

In 1908 trouwde hij voor de tweede maal, nu met Catalina Roth, wier vader Friedrich Roth (in 1906 overleden) en oom Carlos Roth omvangrijke landerijen in Argentinië in bezit hadden (1). De liefde voor de kunst verbond hen, al voor haar huwelijk had zijn echtgenote een belangrijke schilderijenverzameling bijeengebracht. Na hun huwelijk zijn beide collecties samengevoegd en hebben zij deze in de volgende jaren verder uitgebreid. In 1910 is het echtpaar naar Berlijn verhuisd en gaven zij de Münchense bouwmeester German Bestelmeyer (1874-1942) opdracht  om in overeenstemming met hun wensen een groot huis te bouwen op een terrein in de wijk Grunewald van 2,2 hectare. In 1912-1913 kwam een woonhuis annex museum gereed in de stijl van het neoclassicisme. In 1914 bezocht keizer Wilhelm 11 voor de eerste keer het Palais Pannwitz en ontstond een hechte vriendschap. Toen Wilhelm 11 in 1918 exil vond in Nederland volgde Catalina von Pannwitz hem  in 1921 na het overlijden van haar echtgenoot. Zij verhuisde  met dochter Ursula en de kunstcollectie naar een buitenplaats tussen Heemstede en Bennebroek. De Hartekamp werd met haar komst een maatschappelijk centrum van de Europese aristocratie. Een bijzondere vriend van het huis werd de Duitse keizer die sprak over ‘meine Freundin Panni’ en de Hartekamp tot 1939 in totaal 103 maal bezocht.

Bussen

De ex-keizer op theevisite bij mevrouw Catalina von Pannwitz en dochter Ursula op de Hartekamp in Heemstede (fotocollectie Pierre Bussen)

Het stoffelijk overschot van Walter von Pannwitz is bijgezet op het kerkhof Stahnsdorf bij Berlijn, waar zijn representatief graf vandaag de dag nog bestaat en in 1959 tevens zijn echtgenote is begraven.

 

 

 

 

graf3

 

Ruhestaette der Familie Von Pannwitz op Südwestkirchhof Berlijn

Palais Pannwitz in Berlijn-Grunewald is tijdens WO 11 aan het Duitse Rijk verkocht. Het behoorde tot een van de weinige huizen in Berlijn en omgeving die onbeschadigd uit de oorlog kwamen. Lange tijd heeft het leeg gestaan, maar tussen 1941 en 1945 was de Kroatische ambassade in het pand gevestigd. Na 1951 kreeg het een nieuwe bestemming als ‘Schlosshotel Gerhus’. Na de vereniging van Oost- en West Duitsland  hebben Poolse restaurateurs het grote huis omgebouwd tot een modern luxe hotel Grunewald met 43 kamers, waarbij Karl Lagerfeld het interieur onder handen nam. Talrijke ptominenten uit politiek en cultuur hebben hier intussen gelogeerd, o.a. Richard Chamberlain, George Bush, Willy Brandt,Sara Fergusson, Rita Hayworth, Gina Lollobrigida, Hildegard Knef, Romy Schneider, Demi Moore, Janet Jackson,  Joe Cocker, Elton John, Jose Carreras, sir Peter Ustinov, prins Nawaf Ben Abdul Asis, het nationale voetbalelftal van Duitsland tijdens de wereldkampioenschappen van 2006  etc.

engelDeze sculptuur van twee ‘vlezige’ engeltjes ofwel putti zijn na 1952 toen de Broeders Penitenten de Hartekamp overnamen verdwenen [volgens Ad van Unnik mogelijk op het terrein begraven].

Scan1479

Deze twee stenen putti, die de lente en herfst verbeelden zijn geplaatst in de periode van Walter en Catalina von Pannwitz in het Grunewald-pand en hebben de tijd overleefd (Dora Heinze)

In 1925-1926 verschenen in twee grootformaat-banden in opdracht van Catalina von Pannwitz de catalogi ‘Die Kunstsammlung von Pannwitz’, samengesteld door de eminente kunsthistorici Max J.Friedländer en Otto von Falke.  Aan Palais Pannwitz en het Slothotel Grunewald wijdde Dora Heinze in 1997 een boekuitgave.  (WIKIPEDIA)

(1) In de periode 1907-1909 verbleven Walter von Pannwitz en Catalina gedurende twee perioden in het (schoon)ouderlijk huis of in een hotel te Buenos Aires, wat o.a. te maken had met de verdediging van jurist Erik Pringsheim (1879-1909, in Argentinië overleden) en de verkoop van geërfde landerijen  Pringsheim was een bekende Duitse familie van joodse afstamming uit Silezië. Alfred Pringsheim gold als zeer vermogend en bouwde omstreeks 1890 een prachtige villa in neo-Renaissance stijl in München, wat een trefpunt werd van letterkundigen, musici en kunstschilders. De jongste dochter Katharina ‘Katia” Pringsheim (1883-1980) was getrouwd met de schrijver en nobelprijswinnaar Thomas Mann, die de familieverhoudingen in romans heeft verwerkt. Erik Pringsheim, jurist van beroep, was het zwarte schaap van de familie, die schulden maakte door met ongedekte checks te betalen en is min of meer verbannen naar Argentinië, waar hij o.a. zonder over voldoende kapitaal te beschikken een estancia aankocht dankzij een lening van zijn vader. Diens vrouw Hedwig reisde naar Argentinië om meer te weten te komen over het plotse overlijden van haar zoon Erik, waarvoor zij de echtgenote Mary verantwoordelijk hield.  en schreef haar bevindingen in een dagboek.

Erik

 

Mary (Maria) en Erik Pringsheim (1879-1909) in Argentinië  (Bild aus Artikel von Julian D. Delius und Julia A.M. Delius).

Voor de rechtbank was Erik  hij door Walter von Pannwitz verdedigd. De advocaat was  in 1899  succesvol geweest met het verdedigen van de auteur Frank Wedekind (1864-1918) die wegens majesteitsschennis tot zes maanden gevangenisstraf was veroordeeld. In 1902 heeft von Pannwitz op spectaculaire wijze voor de zogenoemde ‘Bayerische Robin Hood’ Mathias Kneissl  als advocaat was opgetreden. Het echtpaar von Pannwitz-Roth verbleef van november 1907 tot februari 1908 in hotel Phoenix in de Argentijnse hoofdstad. Teruggekeerd in Duitsland is het echtpaar in oktober 1908  met de stoomboot ‘König Wilhelm 11’ wederom naar Argentinië afgereisd. Ditmaal minder succesvol bij de verdediging van Erik Pringsheim die in 1909 onder mysterieuze omstandigheden kwam te overlijden (1). In dat jaar is het hart van de erfenis van haar vader (in 1906 overleden)  de estancia ‘San Federico’, van ongeveer 7.000 hectare in Pergamino verkocht, wat de eigenlijke aanleiding zou zijn geweest voor laatstgenoemde Argentiniëreis, waarna men is teruggekeerd naar Berlijn.

Pergamino

Ligging van Pergamino, ten noordwesten van Buenos Aires in Argentinië

(1) Over de perikelen rond Erik Pringsheim is in het Thomas Mann Jahrbuch; 25 (2012), p.297-331 een essay verschenen van hand van de literatuurhistorici Julian D.Delius en Julia A.M.Delius,  onder de titel ‘Erik Pringheims Tod in Argentinien – ein bayrisch-puntanisch-schottisches Drama’. In 2009 verscheen bovendien een boek van Inge en Walter Jens: ‘Auf der Suche nach der verlorenen Sohn. Die Südamerika Reise des Hedwig Pringheim 1907/1908’, dat feitelijk over Erik Pringsheim handelt.

BIJLAGE 2: fragmentgenealogie ROTH

Roth2

Een bekend geworden geleerde natuurwetenschapper en paleontoloog uit het geslacht Roth was de Zwitserse Argentijn dr. Kaspar Jacob (Jakob, James) Roth – in de wetenschappelijke literatuur bekend als Santiago Roth –  zoon van Johan (Jacob) Roth en Ursula Jacob Tobler. Geboren 14 juni 1850 in Hersisau, hoofdstad van het kanton Appenzell Ausserrhoden. In 1866 emigreerde hij met zijn vrouw Elizabeth Schütz en kinderen Friedrich en Karl naar Argentinië en vestigde zich in de kolonie van Zwitsers op de oever van de rivier Parana. Daar onderzocht hij fossielen en planten en publiceerde daarover. In 1871 verhuisde hij met zijn familie naar Pergamino. In 1878 verkocht hij een collectie fossielen uit Patagonië aan de Deen dr. Laussen, tegenwoordig aanwezig in het Zoölogisch museum van de universiteit Kopenhagen. Van 1895 tot zijn overlijden in 1924 was Santiago Roth afdelingshoofd van het natuurwetenschappelijk museum der universiteit van La Plata.

Roth1 

Op 28 november 2008 is in het museum van Baradero een ‘Sala Santiago Roth’ geopend (foto Daniel Buey)

Anton FRIEDRICH [Frederico] Hermann Roth is in 1839 te Wardenburg geboren en in 1906 omgekomen in de Atlantische Oceaan. Hij was in 1873  gehuwd met Anna Carolina  Mathilde Auguste Eduarde Spangenberg (1844 (of 1842?) geboren, overleden in 1900 te Rostock. Friedrich Roth was zoon van Anton Friedrich Christian Roth (1802-1869) en Lucie Friederike Treibs. Andere zoon was CARL [Carlos] Gottlieb Wilhelm Roth (1841-1902).

Roth

Emigratiekaart van Friedrich Roth. Hij reisde op de stoomboot Cap Verde van Hamburg naar Buenos Aires

Beiden vestigden zich na 1859 in Argentinië en waren succesvol in zaken door landerijen te verwerven. Tegen 1900 bezaten ze ongeveer 100.000 hectare. Friedrich woonde op het adres Septemberplein 11 in Buenos Aires [Mulhall Handbook, 1863]. Zijn dochter Catalina Caroline Friedericke Georgina Roth is in 1876 te Rostock geboren en op 20 mei 1959 in Long Crumples, Engeland – maar volgens haar zoon in Zürich – overleden.

Long Crumples

Het huis in Long Crumples, Engeland, waar Catalona von Pannwitz op 82-jarige leeftijd in 1959 zou zijn  overleden, hoewel haar zoon het houdt op dezelfde datum in Zürich.

Zij is in 1908 getrouwd in Dresden met Walter von Pannwitz. 23 november 1911 is in Berlijn geboren: URSULA  Katharina Cornelia Elisabeth von Pannwitz, op 25/26 maart in Heemstede/Bennebroek getrouwd met John Nicholas Pelham, graaf van Chichester. Hij is 21-2-1944 overleden en zij op 30 augustus 1989, beiden in Engeland. Uit het huwelijk zijn 2 kinderen geboren: Georgina  Jocelyn [= Gina] 7-6-1942 en John Nicholas Pelham (9e graaf van Chichester) op 14 april 1944. Laatstgenoemde huwde in 1975 met June Marijke Wells, uit welke verbintenis 1 dochter is geboren: Eliza Catherine Pelham (1983).

Pelham3

De gravin van Chichester (links) met haar enige dochter Lady Eliza Pelham, gefotografeerd bij het bezoek aan een tentoonstelling in Londen, 3 september 1998 (Pinterest)

dochter

Pelham4

Lady Eliza Pelham (geb. 1983) tijdens een ‘Medico Beuaty Coctail Party’, 15 april 2014 in Chelsea.

dochter

Lady Eliza Pelham, in 1983 geboren als enige kind van John Nicholas Pelham, trouwde op 25 juni 2011 in de kathedraal van Salisbury met doctor Douglas de Jager, afkomstig uit Zuid-Afrika. Met haar outfit baarde ze veel opzien in de Britse pers (foto Dominic O’Neill)

Gina Pelham vestigde zich in Argentinië, waar zij een deel van de erfenis, de estancia ‘La Catalina’,  Diego de Alvear, Santa Fe, beheert met haar man na een huwelijk in 1974: Helios Alberto Caranci. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: Cecilia Catalina (*1976), Ursula Claudia (*1978) en Helios Nicolas (*1983).

Catalina1

 

 

Cecilia Catalina, achterkleindochter van Catalina von Pannwitz-Roth trouwde in 2011 in Argentinië (foto Los Tiempas)

===========================================================

Ross

Een Nederlandse roman waarin Catalina von Pannwitz en dochter Ursula met eigen naam voorkomen is de thriller van Thomas Ross: Omwille van de troon. Cargo/De Bezige Bij, 2002.

Bijlage: selectie van in 1925 uitgegeven setje van prentbriefkaarten met afbeeldingen van antiek en kunstvoorwerpen op de Hartekamp, Heemstede:

Scan1669

Kunstsammlung von Pannwitz: boven:  Jacob van Ruisdael; onder: Adriaen Brouwer

Scan1670

Kunstsammlung von Pannwitz. Boven: Wandteppich; onder: A;tarleuchter und Marienfigur (Mittelalter)

Scan1671

Kunstsammlung von Pannwitz. Links: Bernart von Orley, rechts: Wantteppich

Har1

                                                  Kunstsammlung von Pannwitz: Albert Cuyp

Scan1672

Kunstsammlung von Pannwitz. Links Gerard David, rechts: Pieter de Hooch

Har2.jpg

                                                        Kunstsammlung von Pannwitz: Gerard David

Scan1673

Kunstsammlung von Pannwitz, Hartekamp Heemstede. Links: Francesco Cossa, midden: Dirk Jacobsz. rechts: Lucas van Leyden.

Har3                                                   Kunstsammlung von Pannwitz: Porzellan

Bijlage: Herinneringen aan de Hartekamp in Bennebroek; door Kees van der Linden

Hartekamp2

‘Herinneringen aan de Hartekamp in Heemstede’ door Kees van der Linden (uit: Haarlems Dagblad van 22 maart 2004)

Linden

Marc van de Linden. De vrouwen van prins Bernhard. Carrera, 2011. Over: Ursula von Pannwitz, Frances Day, Kokke Gilles, Lady Ann Orr Lewis, Penelope Atkin, Alicia Weller, Juliana, Helene Lejeune, Cecile Dreesmann, Mildres. Gesprekken met Alicia – Alexia Grinda. Aangenomen wordt dat Alicia Webber, Alexia Grinda en Mildred Zijlstra buitenechtelijke kinderen zijn van de prins, alleen van laatstgenoemde heeft hij dat nooit in het openbaar erkend.