Tags

, , , , , , , ,

 

situatietekening van de Hartekamp in 1901 en tegenwoordig oppervlak van de instelling voor geestelijk en meervoudig gehandicapten

MMKB08_000109891_mpeg21_p001_imageDE HARTEKAMP ALS MUSEAAL CENTRUM EN TREFPUNT VAN DE ARISTOCRATIE; de periode van mevrouw Catalina von Pannwitz, 1921-1940 (1952)

Mw. Catalina (Käte) von Pannwitz-Roth. Geboren in 1876 te Rostock. Erfgename van een enorm vermogen aan geld en de estancia [veeboerderij] Catalina door o.a. haar vader Anton F.H. (Frederiko) Roth (1857-1906) en diens broer Carl (Carlos) opgebouwd in Argentinië, waar zo’n 100.000 hectare land op de Pampa’s werd verworven, grotendeels aan derden verpacht (1)  Sinds 1919 met de Argentijnse nationaliteit. In 1908 te Marburg a.d.Lahn getrouwd met dr. Walter von Pannwitz, uit een aristocratische familie en topadvocaat in München, vervolgens in Berlijn. Na diens overlijden in 1920, het jaar daarop verhuisd naar de Hartekamp in Heemstede. De Tweede Wereldoorlog woonachtig in Zwitserland. In 1949 verhuisd naar Buenos Aires. Overleden te Zürich in 1959. Begraven in een familiegraf nabij Berlijn.

(1) haar vader was: Anton Friedrich Hermann [in Argentinië ‘Frederico’ genoemd], op 28 augustus 1839 in Wardenburg (D), 27-6-1907 overleden op een boot in de Atlantische Oceaan , komende van Montevideo op weg naar Hamburg; haar moeder: Anna Caroline Mathilde Spangenberg, geboren 23 december 1844 in Güstrow en gestorven op 31 mei 1900 in Rostock.   Uit dit huwelijk is 1 dochter geboren Catherine [genoemd Catalina] Caroline Driederike Georgine Roth, 3 september 1876 geboren te Rostock  (overleden 20 mei  1959 in Zürich).

Moeder Catalina en dochter Ursula von Pannwitz. Een 2019 in het Duits verschenen boek ‘Zwischen Rembrandt und Kaiser Wilhelm.  Das glamouröse Leben der Catalina von Pannwitz (187-1959)‘ is te bestellen bij de schrijver Sieghard von Pannitz. Email adres:  cvonpannwitz@gmail.com

 

har24

Vooraanzicht van de Hartekamp, bijgenaamd het (witte) ‘ paleisje’ na de vooruitstekende aanbouwen door architect Berchtenbreiter

Diverse malen is mij gevraagd naar informatie over zowel de kunstcollectie van mw. Catalina von Pannwitz als over het leven op de Hartekamp in de periode van het Interbellum, recentelijk nog  door de heren Sieghart von Pannwitz en  Peter Frederiks. De Hartekamp was in die periode het onbetwiste middelpunt in ons land van de Duitse kolonie, van wie er velen mede vanwege Nederlands neutraliteit tijdens of na de Eerste Wereldoorlog naar ons land waren uitgeweken.  Omdat hierover tot op heden nog niet of nauwelijks is gepubliceerd reden om na onderzoek onderstaand een eerste aanzet te geven, in de toekomst uit te breiden met nog nader te verifiëren archiefgegevens.

Scan1465

Entree van de Hartekamp met vazen en de helaas gestolen stenen beelden van 2 honden die als  ‘bewakende schildhouders’ dienden

Buitenplaats de Hartekamp in Heemstede heeft sinds het verblijf van Linnaeus (1735-1737) altijd tot de verbeelding der mensen gesproken. In de tijd van baron van Verschuer (in 1901 overleden) werd het buiten regelmatig op reis van Den Haag naar Amsterdam enige uren bezocht door koningin Sophie, die dan verlangde de erudiete pastoor Borret van de parochie Vogelenzang ‘voor een gevoelige conversatie’ te ontmoeten. ‘Het Paleisje’ zoals de Hartekamp in de omgeving menigmaal werd genoemd, en vooral de laatste particuliere bewoonster met haar zwierige levensstijl, die in het interieur van het buiten tot uitdrukking kwam, voedde menig sprookje, ijverig doorverteld van een barones of gravin die keizers, gekroonde hoofden, museumdirecteuren en diplomaten uit de Oude Wereld ontving. Mevrouw Catalina [voor intimi: Käthe] von Pannwitz was niettemin geen gravin, noch barones, maar zoals een vroegere Duitse kamenierster opmerkte ‘eine gnädige Frau’, vaak aangeduid als ‘de elegante dame’. Zij bewoonde de Hartekamp met een allure die sinds de 18e eeuw ondenkbaar scheen geworden. Haar toekomstige man Walther von Pannwitz was dankzij een erfenis  vermogend en begon al op jonge leeftijd als advocaat in München kunstvoorwerpen te verzamelen. Diens eerste verzameling met vooral Duitse kunst is door hem met winst in 1905 in de Beierse hoofdstad geveild. Daarna is hij opnieuw gaan verzamelen.  Hij werd daarbij geadviseerd door de kunstexperts I.Bode en M.Friedländer. Na zijn huwelijk met Catalina von Pannwitz is het echtpaar in 1910 naar Berlijn verhuisd.

In 1911 is uit het op 26 mei 1908 in Dresden gesloten huwelijk met de in 1856 te Mehlsack geboren jurist en kunstverzamelaar Walter von Pannwitz, telg uit de oude Duitse aristocratie afkomstig uit Silezië, het eerste en enige kind geboren, Ursula geheten [zie bijlage 1]

 Roth en Argentinië

Vader van mevrouw von Pannwitz was de Duitser Friedrich Roth (* Wardenburg 1839-1907 op een boot voor de kust van Senegal aan een longontsteking overleden), die in 1873 trouwde met Anna Carolina Mathilde Auguste Eduarde Spangenberg (geboren in 1844 te Güstrow – volgens een andere bron in 1842 te Rostock – en in  1900 overleden in Rostock.  In 1876 is  Käthe Caroline Catharina Friederike Georgina (Catalina) Roth, van joodse afkomst,  in Rostock  geboren [zie bijlage 2].  Haar vader ‘Frederico’ heeft met  diens broer Carl Gottlieb Wilhelm (Carlos) Roth (*1841  Wardenburg, ov. 1902 in Buenos Aires) Carlos Roth – met niets begonnen maar begiftigd met een zakelijk instinct in Argentinië fortuin gemaakt, met het fokken en inblikken van runderen op de Pampa’s. Hij was zowel grootgrondbezitter als vleestycoon.  Dochter Catalina was de erfgename van een miljoenenbezit, waaronder 30.000 hectare land, en behield naast de Duitse de Argentijnse nationaliteit. Haar vermogen werd geschat op tussen de 60 en 70 miljoen reichsmark. Ter vergelijking: de waarde van het bezit van Bernhard (‘Berni’), prins zur Lippe, vader van onze prins Bernhard, werd geschat op 325.000 mark – wat reden was om van verarmde adel te spreken.  De 20-jaar oudere echtgenoot van Catalina is op 8 november 1920  in Buenos Aires overleden.

Har7

Het echtpaar Catalina Roth en Walter von Pannwitz (Dora Heinze). De 20 jaar oudere Walter von Pannwitz overleed in Buenos Aires in 1920 op 64-jarige leeftijd en is begraven in Berlijn.

Een jonge Walther von Pannwitz, geportretteerd door Walther Firle (1859-1929). Rechtsonder gesigneerd, linksboven het familliewapen Von Pannwitz. in 2016 geveild door het Venduehuis in Den Haag bij de augustus-september auctie, lotnummer 300. Olieverf op doek 131×81 centimeter. Het bevindt zich sindsdien in de familiegalerie van ‘Little Durnford Manor’ de residentie van John Pelham, negende graaf van Chichester. Walter Sigismund Emil Adolf von Pannwitz (1866 Oost-Pruisen – 1920 Buenos Aires, Argentinië) was een Duitse advocaat, vertrouweling van keizer Wilhelm II, 1,5 jaar burgemeester van Kulmbach en mecenas. In de jaren 1905-1920 bouwde hij een belangrijke verzameling schilderijen en kunstnijverheid op en werd daarbij geadviseerd door de kunstkenners H.Bode en M.Friedländer.

Portret van dr.Walter von Pannwitz met het Johannieterkuis; door Alfred Schwarz, hofschilder van Wilhelm 11. Hij is eerst getrouwd in 1893 in Limburg a.d.Lahn met Maria Faber. Uit dit huwelijk is een zoon geboren Walter von Pannwitz (jr.), als jonge luitenant gesneuveld tijdens de eerste wereldoorlog.Na een scheiding hertrouwde hij in 1908 te Dresden met de 20 jaar jongere  in Rostock geboren Catalina Roth, vermogend dankzij een miljoenenerfenis van haar het jaar daarvoor overleden vader Anton Friedrich Hermann (Frederico) Roth (1839-1907). Wat het echtpaar bond was hun beider voor antiek en de kunst. In 1911 is hun dochter Ursula geboren. Tussen 1912 en 1914 is het Palais Pannwitz gebouwd in de wijk Grunewald  bij Berlijn- vandaag de dag een luxe hotel. Walter von Pannwitz, in zijn tijd een gevierd advocaat, is onverwacht, op 64-jarige leeftijd overleden in Buenos Aires enkele dagen na een blindedarmoperatie op 8 november 1920. Een jaar later is de weduwe Catalina von Pannwitz-Roth met har dochter en alle reeds bijeengebrachte kunstschatten verhuisd vanuit Berlijn naar de Hartekamp in Heemstede, waar een nieuwe periode van bloei begon die abrupt eindigde met het uitbreken van de tweede wereldoorlog, waarna zij dankzij een vrijgeleide van de Duitse autoriteiten zich vestigde in Zürich om in 1949 naar Argentinië te verhuizen. Veel kunstschatten gingen naar haar dochter in Engeland of zijn geveild bij Rosenberg in New York. Op 20 mei 1959 is zij overleden in Zürich – in welke stad ook haar enige dochter 30 jaar later zou overlijden. Het stoffelijk overschot van Catalina is bijgezet in het familiegraf op het Stahnsdorfer Waldfriedhof  ten zuidwesten van Berlijn. Ursula is begraven in het park van het familiebezit van de graven van Chichester: Little Durnford Manor.

Catalogusboek: Sammlung von Pannwitz. München, 1905 Kunst-und Kunstgewerbe des XV-XVIII. Jahrhunderts (Ernst – antiqbook)

Kunst- en antiekverzameling gecatalogiseerd

In de jaren van 1910 tot 1920 is met veel speurzin en weinig gehinderd door financiële belemmeringen de basis gelegd voor de uiteindelijke Hartekamp-collectie. Regelmatig werden internationale kunstcentra als Parijs, Londen en Amsterdam bezocht, en zijn  zowel op veilingen als bij antiquairs en kunst- en antiekhandelaren aankopen gedaan.  Uit de inleiding op de catalogus van Friedländer blijkt dat veel werk is gekocht uit de Parijse collecties van Rudolf en Moritz Kahn, bij Ambroise Vollard en Jacques Seligmann, via de veiling van particuliere verzamelingen van Kaufmann en Albert von Oppenheim, bij Paul Cassirer in Berlijn Verder van Goudstikker, Weber, Steengracht en Janssen in Amsterdam. Van 1913 tot 1920 bewoonde het echtpaar een enorme patriciërsvilla in Italiaanse Renaissancestijl, tegelijkertijd woonhuis èn privémuseum in de wijk Grunewald, een kolonie buiten Berlijn waar uitsluitend miljonairs woonachtig waren. Het door de uit München afkomstige  architect German Bestelmeyer (1874-1942) in neo-klassicistische stijl ontworpen huis, waaraan het aanzienlijk bedrag van 5 miljoen Goldmark is gespendeerd, door schrijfster Dora Heinze ‘Palais (von) Pannwitz’ (1)  genoemd, stond van beneden tot boven vol met kunstschatten, schilderijen, maar ook wandtapijten, beelden, boeken etc.  Tevens zijn hier grote banketten gegeven, een enkele keer met ongeveer 1000 gasten, door 200 bedienden geserveerd. Van een grootsheid zoals in Berlijn hooguit voorkwam in het keizerlijk paleis. Indrukwekkend was de enorme hal met de leeuwentrap. [Tegenwoordig is in het pand na een grondige interieurverbouwing door Karl Lagerfeld als luxe hotel in gebruik].

Scan1404

Exterieur van Palais Pannwitz na de bouw in 1913

Har5

De hal van Palais Pannwitz in Grunewald, Berlijn met het uit Florence afkomstige cassettenplafond, dat ten dele met de verhuizing in 1921 naar Heemstede zich nog altijd in de Hartekamp bevindt.

De keizer 3 november 1897 bij slot Grunewald bij gelegenheid van de jaarlijkse Hubertusjacht met o.a. graaf Hedel (collectie Huize Doorn)

(1)Behalve de boekuitgave ‘Das Schlosshotel im Grunewald: Geschichte eines Adelspalais is door Dora Heinze een film vervaardigd over het Adelspaleis, uitgezonden SFB v14 april 1997 en door 3SAt herhaald.

Har6

Foto van het huidige 5 sterren Schlosshotel, met 53 luxe kamers, voorheen Palais Pannwitz in de wijk Grunewald, Berlijn

alma

Conferentiezaal in Schlosshotel Grunewald, Alma Berlin

Verhuizing naar Heemstede

Portret van een jonge Ursula von Pannwitz (Sieghard von Pannwitz). Zij was vernoemd naar haar oma Ursula J.Tobler.

Ursula von Pannwitz, op tienjarige leeftijd toen zij naar Heemstede verhuisde. Voluit waren haar namen Ursula Katharina Cornelia Elisabeth. Geboren 23-11-1911 in Berlin-Grunewald. (Dora Heinze).

Een volwassen Ursula von Pannwitz bij de bosvijver van de Hartekamp met haar lievelingshond Wastel.

 Na het overlijden van haar echtgenoot is Grunewald voor 1,5 miljoen Reichsmark verkocht aan de Duitse Staat.Vervolgens heeft mevrouw Von Pannwitz in 1921 voor 421.858  gulden  de Hartekamp gekocht van de familie Smidt van Gelder-Kaars Sijpesteijn. Zij zou voor Nederland gekozen hebben om in de omgeving van de uitgeweken Duitse ex-keizer te wonen, met wie tijdens de Berlijnse periode een hechte vriendschap was ontstaan. Direct na de aankoop gaf zij de in Amsterdam werkzame maar uit Duitsland afkomstige architect H.C.Berchtenbreiter opdracht het huis te verbouwen – met de naar voren springende zijvleugels van ir. A.G.van der Steur uit 1902 –  ten behoeve van haar kunstverzamelingen. Een Italiaans cassettenplafond, oorspronkelijk afkomstig uit een Florentijns paleisje en na aankoop gedeeltelijk eerst in Palais Pannwitz in Berlijn aangebracht en met de verhuizing herplaatst in een aangebouwde vleugel. De marmeren schouw heeft de Haarlemse beeldhouwer Louis Vreugde ontworpen. Ook de achtergevel onderging in het midden een wijziging: daar werd het ‘uitstek’ tot het dak toe opgetrokken. De decoratie van het interieur is  ingrijpend veranderd. In de grote ruimten in de linkerhelft van het huis, die mevrouw Von Pannwitz voor het voor het grootste deel van het kunstverzameling had bestemd, zijn de wanden nieuw gedecoreerd. Boven de deuren van de zaal naast de hal, die de gouden of rococozaal werd genoemd, zijn grisailles van de achttiende eeuwse schilder Jacob de Wit aangebracht. De haaks daarop gelegen renaissancezaal kreeg een beschilderd balkenplafond en een rood marmeren schoorsteen.  In het uitstek kwam een stucplafond en zijn in de wanden vitrines voor de porseleinverzameling opgenomen. De grote achterkamer aan de rechterkant, die de spiegelzaal heette, werd kreeg een bestemming als eetzaal. Hier waren in plaats van gordijnen spiegels in de panelen tussen de ramen verborgen, die ’s avonds voor de ramen konden worden  verschoven.

cat

Ursula von Pannwitz (links) met Duitse herder en haar moeder bij de vijver van de Hartekamp (1928)

 

rotstuin

Tekening van rotspartij op de Hartekamp uit ‘Het merckwaerdigste meyn bekent’ deel 6, door Jan Bouman.

Bezoek van de ex-keizer en mw. Von Pannwitz aan bloembollenkwekerij van der Schoot in Hillegom (Amersfoortsch Dagblad, 23-5-930)

 

Pannwitz1

Bezoek van keizer Wilhelm II aan de Flora in Heemstede van  1935. Achter hem staat mevrouw C. von Pannwitz (Katholieke Illustratie, 19335)

In 1935 schreef de befaamde landschapsarchitect Leonard Springer dat ‘in 1921 de Hartekamp bij publieke verkoping in handen kwam van mevrouw weduwe C.von Pannwitz. Zij liet het huis verbouwen en de nieuwe Hartekamp met z’n rijk historisch verleden werd door haar op de meest voortreffelijke wijze onderhouden’. (Het Landhuis, 28-8-1935).

Scan1473

Plattegrond van de Hartekamp na de uitbreiding met aanbouwsels van 1902 en 1921. 1: Balzaal ofwel achtersalon , 2: Renaissancezaal, ook aangeduid met bibliotheek, 3: Rococozaal, ook Gouden zaal en voorsalon genoemd, 4: het uitstek (porseleinverzameling), 5: Spiegelzaal (eetzaal), 6: Oud-Hollandse kamer ook rookkamer genoemd. Reconstructie op grond van bouwtekeningen uit 21 Openbare Werken Heemstede (uit boek: Het landgoed de Hartekamp in Heemstede, 1982, pagina 39).

Hartekamp4

                                                           Achterzijde van de Hartekamp, 1932

Har10

De porseleincollectie van mevrouw von Pannwitz op de Hartekamp in het uitstek (Buiten, 1932)

Meissen porselein beeldje, vervaardigd door Johann Joachim Kändler,  voorstellend Johan Fröhlich, de hofnar van de koningen van Saksen (1694-1757). Was in bezit van Cat. von Pannwitz op de Hartekamp. In 1977 geveild bij Sotheby’s en aangekocht door het British Museum

 

hartekamp9

 

Voorgevel van huize de Hartekamp, uit Kastelen, buitenplaatsen in Nederland van Loosjes en Jongsma, 1932

 

 

 

 

voor1                                                    Voorsalon de Hartekamp, 1932

Hartekamp7

                                    Bibliotheek in huize de Hartekamp, 1932

 

voorsalon

Deel voorsalon de Hartelamp met zicht op de hal. Grisaille van Jacob de Wit en een tapisserie, 1932

Hartekamp5

                       Achtersalon in huize de Hartekamp, 1932 met cassettenplafond

Het nieuw aangestelde personeel, gedeeltelijk uit Duitsland afkomstig, overnachtte tijdelijk in ‘De Geleerde Man’ te Bennebroek. Alle personen die mevrouw Von Pannwitz persoonlijk gekend en meegemaakt hebben zijn intussen overleden.  Toch heb ik in de jaren 70 van de vorige eeuw nog 2 vroegere dienstboden in Lisse en Alkmaar gesproken. Die omschreven haar als een kunstzinnige, apolitieke en sociaal-voelende zakenvrouw die pas echt opleefde wanneer er mensen op bezoek waren.  Vaak persoonlijke vrienden uit Duitsland en, maar ook diplomaten, antiquairs en conservatoren van buitenlandse musea, met wie zij dan het Rijksmuseum of het Frans Hals Museum bezocht.

ddd_010657161_mpeg21_p007_image

In 1923 werd de Hartekamp-collectie na de introductie van een museumdirecteur voor belangstellende kunstliefhebbers open gesteld (Algemeen Handelsblad, 21-9-1923)

(Nederlandsche Staatscourant, 31-12-1927)

De Hartekamp als privé-museum opengesteld voor belangstellenden (Algemeen Handelsblad, 26-8-1937)

In de zomer van 1926 hield zij een groot tuinfeest ten behoeve van het steuncomité voor Intellectueel Centraal Europa.

ddd_010531384_mpeg21_p008_image

(De Tijd, 146-1926)

har2

Tuinfeest op de Hartekamp in 1926 waarbij de opbrengst ten goede kwam aan een goed doel. Prins Hendrik begroet de deelnemende personen

ddd_010359650_mpeg21_p013_image

Romanschrijfster Jo van Anmmers-Küller die als hobby de handlijnkunde beoefende voorspelt de toekomst van prins Hendrik (Sumatra Post 15 juli 1926)

Prins Hendrik, een trouw bezoeker van party’s, was hierbij aanwezig en werd aan de in historische kledij gestoken deelnemers voorgesteld. Drie jaar later, 7 juli 1928 was Heemstede landelijk nieuws toen de eerste Europese oceaanvliegers, de Ier Fitzmaurice, en de Duitsers Köhl en baron von Hühnefeld op de Hartekamp met een diner zijn gehuldigd. De vliegers arriveerden om 12 uur te Soesterberg en zijn vandaar weer opgestegen en naar Schiphol gevlogen. Daarbij vlogen zij enige keren in een Junker laag over huis Doorn. De familie van de gewezen Duitse keizer stond op het dak. Tot afscheid wierpen zij een pakje naar beneden, dat hun groeten bevatte. Van Schiphol gingen ze per auto naar de buitenplaats van mevrouw von Pannwitz te Heemstede. Daar gebruikten de beroemde luchtvaarders met een aantal gasten de lunch. Van daar vertrokken zij per limousine naar Schiphol waar de oceaanvliegers hun toch per vliegtuig voortzetten, aldus o.a. de Leeuwarder Courant van 9 juli 1928.

Pannwitz

De Duitse Kunstvlieger graaf Schaumburg gaf vliegdemonstratie boven Schiphol als gast van de familie von Pannwitz (Nieuwsblad Roermond, 16-7-1930)

 

Har3

De oceaanvliegers worden ontvangen op de Hartekamp. V.l.n.r.: de Ier James C. Fitzmaurice, en de Duitsers Hermann Köhl, Catalina von Pannwitz, Ursula von Pannwitz en baron E.G.von Hühnefeld

wilhelm

Eerder brachten de drie Duitse vliegers die de eerste vlucht van Duitsland naar de Verenigde Staten maakten een bezoek aan de ex-keizer in huize Doorn.

Mw. Von Pannwitz was meermaals als erelid in comité’s vertegenwoordigd, zoals in 1937 bij de Wereldjamboree in Vogelenzang en in 1939 in het comité voor hulp aan nationaal Spanje (De Tijd, 11-3-1934)

Ex-keizerWilhelm 11

Uit: ex-keizer Wilhelm II 75 jaar (Algemeen Handelsblad, 27-1-1934)

zeppelin

Luchtschip de Graaf Zeppelin boven het Spaarne. Boven de Hartekamp maakte men een sierlijke buiging als een groet aan de daar aanwezige ex-keizer Wilhelm 11 (Eerste Heemsteedsche Courant, 18-10-1929)

vijftig

(50ste bezoek van Wilhelm 11 aan de Hartekamp. Uit: Sumatra Post, 19-1-1932)

 

ddd_010535131_mpeg21_p004_image

Bezoek aan bollenbedrijf van A.C.van der Schoot in Hillegom (De Tijd, 16-7-1932)

De ex-keizer bezocht diverse malen de bloembollenkwekerij van Van der Schoot in Hillegom, bijna altijd in aanwezigheid van Catalina von Pannwitz. Op bovenstaande foto neemt de heer A.C.van der Schoot in 1931 afscheid terwijl Wilhelm met zijn chauffeur al in de open mercedes zitten (collectie Huize Doorn)

Wilhelm

Bezoek van de ex-keizer aan kwekerij van der Schoot in Hillegom met o.a. prinses Hermine, majoor van Houten (derde van links), burgemeester W.Pont, A.C.van der Schoot jr. en de dame rechts mw. Catalina von Pannwitz (collectie Huize Doorn)

Bezoek in 1935 van Wilhelm II aan bloembollenkwekerij Van der Schoot in Hillegom. Voor de fotograaf poseren van links naar rechts o.a. prinses Ina Marie, prinses van Pruisen, Wilhelm II, A.C.van der Schoot, Wilhelms zoon Oskar en diens zonen Oskar Jr. en Wilhelm Karl. Voorts zien we Catalina von Pannwitz-Roth en helemaal rechts majoor Van Houten (collectie Huize Doorn)

Bezoek aan kwekerij Van der Schoot in Hillegom april 1935. In het midden zien we ex-keizer Wilhelm II en verder zijn zuster Margarete, rechts van hen kweker A.C.van der Schoot jr., en twee zonen van Oskar en Ina Marie. Links van de keizer zijn schoondochter Ina Marie en zijn zoon Oskar, Catalina von Pannwitz, majoor van Houten en enkele onbekende personen (collectie huize Doorn)

Har14

De ex-keizer en zijn gevolg in 1935 bij een ontvangst op de Hartekamp. Links van hem mevrouw Catalina von Pannwitz en helemaal rechts echtgenote Hermine van Pruisen. Verder v.l.n.r. baron von Groncy, prins Oskar van Pruisen, (kalend) baron Eduard von der Heydt (bankier), prinses = echtgenote van prins Oskar, prinses Herzeleide van Pruisen.

Poserend voor de entree van de Hartekamp bij het vijftigste bezoek van de ex-keizer aan de Hartekamp

har17

Het 75ste bezoek van de keizer op de Hartekamp in 1935.  Elke 25 keer werd een ereboog opgericht. In het midden mevrouw von Pannwitz met een boeket bloemen. Links van haar met bontjas prinses Hermine van Pruisen en helemaal rechts dochter Ursula von Pannwitz

In 1918  heeft keizer Wilhem 11 als balling in het tijdens WO1 neutrale Nederland gevestigd. Op 29 november onderkende hij in de gobelinzaal van kasteel Amerongen de officiële abdicatie en in 1910 is verhuisd naar naar huis Doorn nadat het kasteel, bijgebouwen park waren gekocht van douarière Wilhelmina Cornelia baronesse van Heemstra.  Voor de meubels en andere voormalige eigendommen zoals antiek e.d. uit het ‘Neues Palast’ en ‘Stadtschloss’ in Berlijn  mocht Wilhelm een keuze maken; zijn geld stalde hij grotendeels bij de handelmaatschappij en bank van Rhodius.  Een persoonlijke vriend van Catalina von Pannwitz-Roth, wier man Walter von Pannwitz 8 november 1920 overleed in Buenos Aires,  was en bleef de in ballingschap wonende Duitse keizer Wilhelm 11. Hij noemde haar liefkozend ‘Panni’. Talloos waren de roddels dat de ex-keizer een verhouding had met de nog altijd bevallige weduwe. Talrijke bezoeken zijn aan Huize Doorn afgelegd en tot begin 1940 heeft Wilhelm met zijn echtgenote prinses Hermine van Pruisen en hun gevolg, in totaal 103 maal de Hartekamp bezocht. Iedere 25ste keer werd gevierd met een ereboog van groen op het bordes evenals een diner in de Spiegelzaal. Het honderdste bezoek had in 1939 plaats. Soms zijn gemeenschappelijke uitstapjes gemaakt zoals naar de bollenvelden, de Flora-1935 in Groenendaal of de kwekerij van A.C.van der Schoot te Hillegom. De keizer was namelijk een groot liefhebber van planten en bloemen, in het bijzonder van rhododendrons en diepblauwe delphina’s. Mevrouw Von Pannwitz beschikte over een eigen jacht ‘Olympia’ in de Ringvaart afgemeerd en had een motorjachtdrijver, de heer Fijnheer, in dienst.

Roth3

De ex-keizer in gesprek met A.C.van der Schoot in Hillegom. Links mw. von Pannwitz (foto huis Doorn)

 

Har4

Bezoek aan kwekerij A.C.van der Schoot hr. in Hillegom. Achter de bollenkweker, de keizer, Catalina von Pannwitz, prinses Hermine van Pruisen en majoor M.C.van Houten (foto Huis Doorn)

Wilhelm II op het bordes van de Hartekamp in Heemstede (fotocollectie huize Doorn)

Bezoek van mevrouw von Pannwitz en leden van de American Garden Club aan de tulpenbeplanting op huize Doorn, 9 mei 1938

In zijn gepubliceerde memoires ‘Der Kaiser in Holland’ (1924-1941; in 2015 herdrukt), zowel in een Nederlandse als Duitse editie verschenen, schrijft vleugeladjudant Sigurd von Ilsemann enige malen [21-12-1925; 12-8-1932; 27-9-1938, 12-5-1940] over de wederzijdse bezoeken. Op 5 januari 1934 noteerde hij het volgende anekdotische verhaal: ‘Mevrouw von Pannwitz  die verscheidene weken met haar dochter in Argentinië  is geweest, bracht gisteren de avond met de majesteiten door en ontbeet vanmorgen met hen, voor Z.M.  naar het bos ging. Bij deze gelegenheid zei zij misprijzend, dat Hitler had toegestaan dat in verband met de Olympische Spelen het stadion voor negentien miljoen mark verbouwd werd. Deze kritiek op Hitler was voor H.M. [bedoeld wordt echtgenote Hermine van Pruissen] voldoende aanleiding om tegenover de goede Panni een vreselijke scène te maken en haar met de scherpste verwijten te overladen. Panni was zo in haar wiek geschoten, dat zij mij na haar thuiskomst in de Hartekamp opbelde waarbij zij haar verontwaardiging over zo’n  behandeling niet onder stoelen of banken stak. H.M. had haar in bijzijn van haar dochter en de beide prinsessen als een viswijf toegesnauwd en haar de meest ongelooflijke dingen naar het hoofd geslingerd. De keizer maakte zich zo kwaad over de uitlatingen dat hij wel een hartaanval had kunnen krijgen.’  Op 21 december 1925 staat vermeld: ‘Op de 19de was Z.M. en gevolg bij mevrouw von Pannwitz te gast voor het eten en de thee. Ik heb mij laten verontschuldigen. Als gasten waren ook uitgenodigd: de Duitse gezant in Den Haag, excellentie Lucius von Stoedten, mevrouw von Lindeneier en mevrouw Voss (Goltz). Z.M. vertelde mij erover: “Toen Lucius mij zei, dat wij, Duitsers, zonder leger en geld niets konden doen, antwoordde ik hem dat hij dus dan ook tot hen behoorde die alles opgegeven hebben en zich bij de feiten neergelegd! Op zijn bewering dat wij in het vaderland ook niet de juiste leiders hadden antwoordde ik: “Nou, dan hebt u mij dus al bij het oud ijzer gezet, ik tel voor jullie zeker niet meer mee?” En wat deed Lucius? Hij sloeg zijn ogen neer en bleef mij een antwoord schuldig. En dat is nu een man die nog onder mij ambtenaar is geweest! (…)’ Op 12 augustus 1932 schreef von Ilsemann: ‘Gisteren maakte ik met Z.M. weer eens een tochtje naar mevrouw von Pannwitz. De keizer heeft het er deze keer met Niemann over gehad dat bij de opstelling van het nieuwe leger, na zijn terugkeer, de infanterie nog meer machinegeweren bedeeld moest krijgen dan hij aanvankelijk met Gabriel had besproken.’  

Sigurd

Sigurd von  Ilsemann, 1920, de trouwe adjudant van tot het einde van keizer Wilhelm 11 (1920, foto Bibl. Nat. de France).

Sigurd von Ilsemann (1884-1952) in vol ornaat met zijn keizerlijke onderscheidingen.

Citaat uit dagboek van 17 mei 1935: ‘Over brieven die hij krijgt, zei de keizer: “Als mijn eigen zoon Auwi het klaarspeelt om brieven aan mij met “Heil Hitler” te ondertekenen, wat kan ik dan van anderen verwachten? Wat moet ik ook met een ondertekening als “Mit deutschen Gruss” en dergelijke frasen?  Als ik dat lees, geeft  mij dat meteen het gevoel dat ik in Duitsland al voor dood gehouden wordt!” (En wat wordt er nog veel post voor de hoge heer achtergehouden!). –  ‘ Maar Auwi is nu klaar met zijn nationaalsocialissme. Ik heb hem verboden zich verder met de partij bezig te houden. Zijn fanatisme was haast ziekelijk. En wat is daarvoor zijn dank en heeft hij ermee bereikt? Helemaal niets! Alleen zijn gezondheid heeft hij ervoor opgeofferd”. Daarna vertelde hij: “Mevrouw Von Pannwitz en haar vriendin Ysenburg wilden mij er onlangs toe overhalen om de uitvoering van de “Walküre” in Amsterdam bij te wonen. Toen ik opmerkte dat dit in verband met de aanwezigheid van publiek onmogelijk was, wilde Panni meteen regelen dat ik de generale repetitie bij zou kunnen wonen, want daar is immers helemaal geen publiek bij. Toen ik erop wees dat de mensen mij dan weliswaar niet in de schouwburg, maar misschien wel op de reis daarnaartoe zouden zien, gaven zij het nog steeds niet op. Toen werd deze vrouwenpraat mij te gek. Ik sloeg met de vuist op tafel en zei: “Stelt u zich eens voor wat men thuis zou zeggen als men hoorde dat de keizer naar een Nederlandse schouwburg gaat! “Nee, zolang het Duitse volk zich niet van de schande ontdoet om haar eigen keizer als laatste krijgsgevangene in ballingschap te laten, zolang ga ik geen schouwburg binnen.’  

Op 27 september 1938 schreef von Ilsemann: Omdat de majesteiten gisteren bij mevrouw von Pannwitz waren, zag ik de keizer tweeëneenhalve dag niet. Wat hebben zich in deze dagen toch belangrijke politieke zaken afgespeeld! De rede van de Führer van gisteren vormde het hoogtepunt van de crisis tot nu toe. Al dagenlang praat men over niets anders dan of er oorlog komt of dat de beker nog één keer aan Europa voorbijgaat. En de keizer?  De hele ochtend was ik bij hem en hij sprak over het weer, over China en Spanje, over zijn bezoek van gisteren aan een Amsterdams museum, maar geen woord over de Europese situatie. Toen ik deze zaken tijdens het voorlezen uit de kranten ter sprake bracht, vermeed hij  het onderwerp wederom.’  Ten slotte 12 mei 1940 (Eerste Pinksterdag): ‘Z.M. houdt de gebruikelijke morgenwijding. Tegen vier uur ’s middags deelt de keizer aan graaf Moltke en mij in de torenkamer mee, dat de burgemeester van Doorn hem een half uur geleden een aanbod van de Engelse regeting gezonden had, om de majesteiten met inachtneming van de verschuldigde eerbied voor de duur van de oorlog, naar Engeland over te brengen, omdat Doorn spoedig bij de gevechtshandelingen betrokken zou worden. Baron van Nagell [de Doornse burgemeester]  was hierover telefonisch dor lady Chichester (geb. von Pannwitz), wier man van het Engelse gezantschap in Den Haag, is verwittigd, met het verzoek dit aan de keizer door te geven. Na telefonische ruggespraak constateerde de burgemeester, dat noch het ministerie van buitenlandse zaken noch de Nederlandse regering van dit Engelse aanbod op de hoogte waren. Nadat de regering zich echter van de juistheid van dit aanbod overtuigd had, liet zij Z.M. via baron van Nagell weten, dat zij tegen aanneming van dit aanbod door de majesteiten geen bezwaar had. Z.M. verklaarde er niet aan te denken die Engelse uitnodiging te aanvaarden, ik verlaat Huis Doorn niet!’

12 augustus 1932 noteerde Von Ilsemann in zijn dagboek: ‘Gisteren maakte ik met Z.M.  weer een tochtje naar mevrouw von Pannwitz. De keizer heeft er deze keer met Niemann over gehad  dat hij de opstelling van het nieuwe leger, na zijn terugkeer, de infanterie nog meer machinegeweren moest krijgen dat hij aanvankelijk met Gabriel had besproken (…)’  

Wilhelm 11 was antisemitisch en gaf de schuld van de financiële crisis in Duitsland aan Joodse bankiers, maar maakte in gesprekken met de joodse bankier Fritz Gutmann van Bosbeek, die regelmatig op de Hartekamp kwam voor hem een uitzondering… In 1936 luchtte de ex-keizer in een brief aan Catalina zijn hart ‘over de schadelijke invloed van de joden die zich niet laten assimileren’ en aan gravin von der Goltz in Arnhem schreef hij: ‘Mijn lieve gravin, dat de joden in neutraal Nederland altijd goed Oranisch (Oranje-gezind) waren, had een reden: in dit neutrale land konden zij hun geld veilig opstapelen en de macht in handen krijgen. Wat deze joden in Nederland aan schandelijkheden tegen Mijn volk en vaderland en tegen mij persoonlijk hebben gepresteerd, kon ik tijdens twintig jaar van mijn verblijf in Nederland zelf met verontwaardiging vaststellen.’

Het 100ste bezoek van de ex-keizer Wilhelm II aan de Hartekamp (IJmuider Courant, 8-6-1939) April 1940 had het 103de tevens laatste bezoek plaats.

Scan1481

Aankomst van de Mercedes op de Hartekamp. De chauffeur laat ex-keizer Wilhelm uitstappen, Ursula vooraan en daarachter Catalina von Pannwitz staan klaar om Wilhelm 11 te begroeten, terwijl bedienden in livrei klaar staan om koffers in ontvangst te nemen.

Scan1474

Moeder en dochter von Pannwitz begroeten ex-keizer Wilhelm 11 bij een van zijn bezoeken aan de Hartekamp. 

Har16

Een galadiner op de Hartekamp ter ere van de ex-keizer. en zijn familie. 1 = Hermine van Pruisen (tweede echtgenote van de keizer), 2 = Freiherr Alexander von Semarclens Grancy, kapitein-vleugeladjudant, 3 = Hermine Caroline (1910-1992), 4 = Ferdinand (1913-1973), 5 = Henriëtte (1918-1979), was gehuwd met een kleinzoon van Wilhelm. Daarnaast Catalina von Pannwitz, 6 = Marius van Houten, majoor marechaussee (1879-1953).  De kamenierster met witte schort heettte Elisa Grieschat en was afkomstig uit Polen. Naast haar rechts in livrei een Nederlandse butler Bram de Wit en vervolgens de Duitser Büter. 3, 4 en 5 zijn drie van de vijf kinderen van Hermine uit haar eerste huwelijk. 

Bij de verschijning van het boek over de historie van de Hartekamp in 1982 benadrukte Ursula Chicester de eenvoudige levensstijl van de keizer. Wat echter het voormalig personeel het meest is bijgebleven is bijvoorbeeld het feit dat hij zijn handen niet met kraanwater maar met eau-de-cologne waste…en dat enkel de badkamer van de keizer over gouden kranen beschikte.

Mevrouw Catalina von Pannwitz neemt op het bordes afscheid van Wilhelm 11 na een bezoek aan de Hartekamp, circa 1939 (coll. Pierre Bussen)

Bussen2

Catalina von Pannwitz doet Wilhelm 11 uitgeleide op het bordes van de Hartekamp (fotocollectie Pierre Bussen)

florakeizer

Bezoek van de ex-keizer aan de internationale  Flora-bloemententoonstelling in Groenendaal, Heemstede. Links de Hillegomse kweker A.C.van der Schoot en achter hem en Wilhelm 11 mw. Catalina von Pannwitz-Roth  (Katholieke Illustratie, 1935)

 

har15

Theevisite op de Hartekamp. V.l.n.r. Catalina von Pannwitz, ex-keizer Wilhelm 11, de in Amsterdam gevestigde  bankier Eduard von der Heydt (1882-1964) die enige tijd  in Zandvoort woonde (en zich bij de NSDAP aansloot) en prinses Hermine van Pruisen, echtgenote van de keizer. Eduard Freiherr von der Heydt (1882-1964) was een Duits-Zwitserse bankier; tevens kunstverzamelaar, wiens collectie de basis heeft gevormd van Museum Rietberg in Zürich, Zwitserland

442c8aa5-478e-205e-92d8-2f4ee80af0da

Ook de ex-kroonprins Friedrich Wilhelm en prins Heinrich, broer van ex-keizer Wilhelm 11, zijn regelmatige bezoekers geweest van de Hartekamp (Nieuwe Leidsche Courant, 4 februari 1927)

Via de ex-keizer uit het geslacht der Hohenzollern zijn de kontakten tot stand gekomen met de prinselijke familie Von Lippe Biesterfeld, zoals prinses Armgard en haar zonen de prinsen Aschwin en Bernhard, evenals met prinses Juliana die allen in de jaren tussen 1933 en 1939 op de Hartekamp herhaaldelijk vertoefden. Na de oorlog heeft mevrouw Von Pannwitz de prins geïntroduceerd bij Argentijnse zakenlieden en naar wordt aangenomen voor hem bedoeld via Juliana ook geld uit haar Argentijnse vermogen verstrekt.

Groen3

Keizer Wilhelm 11 met in zijn gevolg Catalina von Pannwitz in wandelbos Groenendaal, 1935 (collectie huis Doorn)

Prins Bernhard als bezoeker in de jaren 1930-1939

pannwitz

Bericht n.a.v. aangekondigde verloving van prinses Juliana met prins Bernhard. Uit de Arnhemche Courant van 9 september 1936

Reckenwalde

Familiereünie op Reckenwalde met v.l.n.r.: prins Ashwin in uniform, prinses Armgard, prinses Juliana en prins Bernhard (Vrij Nederland, 16 oktober 1976)

Juliana

                Prinses Juliana en prins Bernhard na een bezoek aan de Hartekamp in 1936

 

a4ce6b32-5b1c-500b-4702-dd0742b70ffb

Slechts bij hoge uitzondering kwam een bezoek van prinses Juliana en prins Bernhard aan de Hartekamp in het nieuws. (Haarlem’s Dagblad, 29-10-1936). Ook de Telegraaf maakte melding van het bezoek. Prins Bernhard kwam overigens meestal alleen en voor 1936 incidenteel met zijn moeder prinses Armgard en broer prins Aschwin.

horst

5 januari 1937 werd twee dagen voor het huwelijk een galaconcert aan het prinselijk paar en de familie aangeboden. in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te ‘s-Gravenhage. Naast klassieke muziek werden het Wilhelmus en Deutschlandlied gespeeld en op speciaal verzoek van naar gezegd Duitse diplomaten ook het nationaalsocialistische Horst Wessellied. vernoemd naar de maker Horst Wessel.De Duitse genodigden brachten bij die gelegenheid de Hitlergroet.Prins Bernard (intussen Nederlander) hield de arm omlaag. Dirigent dr.Peter van Anrooy weigerde bij het lied te dirigeren en met hem deden dat ongeveer 25 musici. De dirigent verklaarde, dat hij “zeker geen bezwaar zou hebben een lied van het Duitse volk te dirigeren, echter wel een lied te spelen, dat niet aan het volk behoort, maar maan een partij, die onder de tonen van dat lied andersdenkenden en Joden vervolgt en mishandelt en de vrijheid van het Nederlandse volk bedreigt”.  

horst2

Dirigent Peter van Anrooy had geen bezwaar tegen het spelen van de beide volksliederen, maar weigerde principieel met nog circa 25 orkestleden het nazistische Horst Wessellied uit te voeren, reden waarom hij was vervangen door kapitein Walther Boer, dirigent van de Koninklijke Militaire Kapel, aldus een op 6/7 januari 1937 gepubliceerde verklaring (collectie Gerard de Boer).  Op last van koningin Wilhelmina werd Peter van Anrooy op staande voet ontslagen.

 

In een gepubliceerde rede ‘Het prinselijk paar gehuldigd’, uitgesproken aan de Keizer Karel Universiteit te Nijmegen op 28 juni 1937 en gepubliceerd in 1937 ter gelegenheid van het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard schrijft professor dr. Jac. van Ginniken S.J. over de periode dat Bernhard stage liep bij de Nederlandse Handelmaatschappij : ‘Hij reed toen met zijn eigen auto en zelf aan het stuur, elken dag op en neer van Heemstede naar Nederlands hoofdstad, en meestal zat ’s avonds Juliaantje op hem te wachten. Was het dan zoo onvergeeflijk, dat hij er graag gauw was, en zoo hard reed, dat een politieagent zoowaar de grijze auto aanhield en met strenge blik een proces-verbaal wilde opmaken? Bernhard nam de heele zaak leuk op, maar wachtte zich toch wel voor een tweede keer.’ (Onze Tuin, 1937).

 

 

ddd_010002802_mpeg21_p006_image

In 1929 werd in de binnen- en buitenlandse pers naar aanleiding van een bericht in de Telegraaf het huwelijk aangekondigd van Ursula von Pannwitz met (kroon)prins Wilhelm, oudste zoon van de ex-kroonprins en kleinzoon van ex-keizer Wilhelm 11, maar de jongedame, die ook al de prinsen Louis Ferdinand en Bernhard afwees, zag uiteindelijk van een verloving af en werd verliefd op een Engelse graaf en niet op een Duitse prins. (Het Centrum, 11-3-1929)  

‘De zoon van den ex-kroonprins verloofd’ (Schager Courant 12-3-1929)

ddd_010212423_mpeg21_p002_image

Al spoedig werden de geruchten tegengesproken als zou Wilhelm, kroonprins van Pruisen/Hohenzollern met Ursula von Pannwitz trouwen.

Wilhelm

De zes zonen van Keizer Wilhelm II die allen meermaals de Hartekamp hebben bezocht (uit: Alles over Royals, artikel ‘Keizer zonder rijk’, p.50)

Kaiser Wilhelm II. mit Sohn und Enkel

Rechts: kroonprins Wilhelm 111 (1906-1940), helemaal links zijn vader prins Wilhelm en tussen beiden grootvader, de ex-keizer Wilhelm 11, Prins Wilhelm 111 trouwde in 1933 met Dororthea Salviati. In 1940 nam hij als Duits luitenant deel aan de invasie van Frankrijk, raakte daarbij gewond en is ten slotte in een veldhospitaal in het Belgische Nijvel gestorven.

A.A.Tadema: keizer Wilhelm II als balling op kasteel Amerongen, in 1918 (Atlas, Noord-Hollands Archief)

Al voor de verloving in 1936 kwam prins Bernhard met zijn broer Aschwin verscheidene keren  op de Hartekamp.

Leopold

Op 30 mei 1931 vierde vader Leopold zijn zestigste verjaardag. De meeste naaste familieleden waren daarbij aanwezig, maar niet zoon Bernhard.  Op bovenstaande foto staand van links naar rechts: Lilli, Ada, Lori, Sieglinde, Aschwin Leopold Bernhard (Lo), Chlodwig en Ernst. Zittend: Carola, Marie, Anna met Leopolds jongste zoon Armin, Leopold, Julius en Berni. Annejet van der Zijl schrijft in haar biografie over Bernhard (pagina 191): ‘Bernhard en Armgard [von Cramm  1883-1971, later gravin von, respectievelijk prinses zur Lippe-Biesterfeld, moeder van Bernhard – de vader van Bernhard was ‘Berni’ prins zur Lippe 1872-1934] ontbraken op het verjaardagsfeest – zij laafden zich deze pinkstervakantie weer aan het luxeleven op de Hartekamp en de tochtjes met Catalina’s jacht Olympia. Eind juli keerde Bernhard zoals gewoonlijk weer terug naar Woynowo om daar de zomer door te brengen (…)’

MMKB08_000109891_mpeg21_p001_image

Prinses Armgard, moeder van prins Bernhard in een artikel over de verloving van haar zoon met prinses Juliana (Arnhemsche Courant, 9 september 1936)

nsdap

Inschrijvingskaart van Prins Bernhard zur Lippe als lid van de NSDP, door Gerard Aalders aangetroffen in het Nationaal Archief van de USA in Washington. De prins heeft als reactie op de vondst beweerd dat iemand  anders hem moet hebben laten inschrijven (mogelijk zijn broer?) (NIOD)

De familie van Bernhard was (aanvankelijk) goed bevriend met de schatrijke Herbert Gutmann, zoon en mededirecteur van de (Joodse) oprichter van de Dresdner Bank. Daar leerde hij Catalina von Pannwitz en haar dochter Ursula kennen die ook tot de vriendenkring  en regelmatige bezoeksters van ‘Herbertshof’ behoorden.  Op uitnodiging van Catalina speelde Bernhard in de zomermaanden tennis op de privébaan van het landgoed van de Hartekamp, maakte hij tochtjes op de boot ‘Olympia’ en sjanste met dochter Ursula, die echter niet openstond voor zijn avances. Volgens Lili Collas Gutmann ‘was Bernhard verliefd op Ursula. ‘Hij had graag met haar willen trouwen. Maar zij zag niets in de armlastige prins. Ursula was een zeer knap meisje, maar had een moeilijk karakter. Enige dochter, een beetje verwend’, vertelde zij tijdens een van haar bezoeken aan Heemstede. Begin 1936 wees Ursula een huwelijksaanzoek van de prins af en enkele maanden later, 8 september 1936, nadat ook prinses Marie-Louise Reuss Bernhard had afgewezen, heeft hij zich tot veler verrassing met prinses Juliana verloofd. De toen 17-jarige  Lili Vera Gutmann, woonachtig op het nabijgelegen Bosbeek, was de beste vriendin van de twee jaar oudere Ursula en hoorde van het huwelijksaanzoek van haar moeder die dat weer vernomen had van de masseuse die ook ‘tante Käthe’ [zo genoemd door zowel Lili Gutmann als prins Bernhard] van  mw. Von Pannwitz had gehoord. Ondanks de eerdere teleurstelling bleef Bernhard een vaste gast op de Hartekamp. Hij logeerde menigmaal in het huis toen de prins in 1937 praktijkervaring opdeed bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Sommigen hebben deze kontakten met lede ogen aangezien. In zijn dagboekherinneringen noteerde de Amsterdamse bankier en zakenman  Ernst Heldring [zie literatuur opgave] 10 november 1936 o.a. dat hij [= Bernhard] ‘moet echter zijn omgang goed kiezen, vooral omdat de Prinses hoegenaamd geen standsverschil aanvoelt. Daar ik het minder gelukkig vond, dat hij onlangs een bezoek bij mevrouw  von Pannwitz, wier huis een milieu van Duitse snobs is, aflegde, heb ik daarop de aandacht van Beelaerts [= jhr.mr.Frans Beelaerts van Blokland. H.K.], die zijn mentor in dergelijke aangelegenheden is, gevestigd. Deze was het met mij eens, maar gelooft niet dat dit een geregelde relatie wordt, al heeft hij in Duitsland kennissen die een brug met mevrouw von Pannwitz vormen. Dat Duitse schijnt nogal “fast” te zijn, veel echtscheidingen en mesalliances. Het is te hopen dat hij niet besmet is.’

 

Bezoek van prins en prinses aan mw.von Pannwitz (De Telegraaf, 28-10-1936)

Vakantie aan de Azurenkust (De Telegraaf 4-4-1937)

Bij het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard op 7 januari 1937 was mevrouw von Pannwitz een van de eregasten en gaf zij fraai zilverwerk als geschenk, dat vervolgens is tentoongesteld in het paleis aan de Kneuterdijk. Begin april 1937 maakte het prinselijk paar een reis naar de Rivièra en was Catalina von Pannwitz als gast aanwezig in Monaco.

pan

Tijdens de huwelijkreis naar Zuid-Frankrijk sloot ook freule von Pannwitz zich met andere vrienden van het prinselijk paar aan het bezoek aan een ballet in Monaco. (de Telegraaf, 4 april  1937)

 

Zowel bij de huwelijken van de nazaten van ex-keizer Wilhelm 11 in Doorn als tussen Dorothea Anna Pauw van Wieldrecht en burggraaf  Zu Dohna in het Duitse Buckow waren prins Bernhard en Catalina von Pannwitz met haar dochter Ursula aanwezig.

ee789f17-bc8f-6012-955c-96cc4ab17563

In 1938 trad prins Louis Ferdinand von Hohenzollern in Doorn in het huwelijk. Eerder had Ursula von Pannwitz hem, zoals ook zijn oudere broer,  als huwelijkskandidaat afgewezen. (Leidsche Courant, 4 mei 1938)

 

huwelijk

Huwelijk Fabian zu Dohna met Dorothea Pauw van Wieldrecht (Algemeen handelsblad, 29-6-1939)

 

relatie

Huwelijk van prins Louis Ferdinand van Pruisen met groothertogin Kyra uit Rusland, in aanwezigheid van o.a. prinses Juliana (zittend op de grond als bruidsmeisje, prins Bernhard (in uniform), Catalina von Pannwitz en haar dochter Ursula

 

har19

Ursula von Pannwitz met Duitse herder bij een prieeltje op de Hartekamp

In de officiële geautoriseerde biografieën gewijd aan het leven van prins Bernhard zoals van Alden Hatch zal men tevergeefs zoeken naar de betekenis der kontakten met mevrouw von Pannwitz. Enkel zijn broer prins Aschwin heeft zich ooit laten ontvallen dat beide broers en hun moeder prinses Armgard tussen juni 1934 en voorjaar 1936 de ex-keiser Wilhelm in Doorn bezochten en vele malen logeerden  ‘in de omgeving van Haarlem’. Pas aan het eind van zijn leven heeft prins Bernhard in een monoloog aan twee journalisten van De Volkskrant, Jan Tromp en Pieter Broertjes,  een tipje van de sluier van zijn turbulente liefdesleven opgelicht, dat officieel tot 2  buitenechtelijke kinderen heeft geleid (Alicia de Bielefeld en Alexia Grinda), mogelijk nog 2 (geadopteerde) dochters (Jane Eales en Mildred Zijlstra). Meer informatie  over zijn zakelijke en particuliere activiteiten vindt men wèl in de politieke biografie van Wim Klinkenberg (3e verbeterde druk 1986) en in ‘Bernhard, een verborgen geschiedenis’ van Annejet van der Zijl (2010), evenals in twee artikelen van Vrij Nederland-journalist Igor Cornelissen van 9 en 16 oktober 1976,  gebaseerd op aangetroffen documenten in het Nationaal Archief van de Verenigde Staten te Washington.

vliegbrevet

Nadat prins Bernhard – hier in een hurricane – in 1941 in Engeland zijn vliegbrevet behaalde heeft hij meer dan een halve eeuw gevlogen.

Volgens de destijds in Argentinië  wonende Dietmar von Pannwitz, een petekind van Catalina – later geëmigreerd naar Canada – is prins Bernhard 28 februari in 1943 naar Argentinië gevlogen, wat de prins zelf heeft ontkend. Hij zou in het noorden het landgoed van Amadeo Zorreguieta hebben bezocht en verder gesproken hebben met Eva Maria Duarte, een bekende hoorspelactrice, die later als echtgenote van Juan Perón onder de naam Evita in haar land tot grote hoogten zou stijgen. Mevrouw von Pannwitz  introduceerde Bernhard na de oorlog  bij Argentijnse zakenmensen, waaronder de familie Zorreguieta. Verder is bekend geworden dat de Duitse Argentijn Alfredo Hirsch, een goede bekende van de prins, in een brief uit 1949,  aanwezig in de ‘National Archives’ te Washington, bericht dat hij gelden heeft overgemaakt naar de privérekening van prinses Juliana, volgens de dienst mogelijk ‘fondsen voor Nederlandse hulp’.

Bernhard

 

Prins Bernhard haalt zijn dochters Irene en Beatrix op na de jeugdruiterdag van 1949 in Groenendaal

peronPrins Bernhard hangt in 1951 bij Evita Perón de versierselen om die behoren bij het Grootkruis van Oranje Nassau,  haar toegekend nadat Argentinië via zijn bemiddeling een order had geplaatst voor 553 treintoestellen bij Werkspoor. Voorts zijn via zijn bemiddeling geweren e.d. aan Argentinië geleverd.

Prins Bernhard bezocht enkele malen Argentinië. Op bovenstaande foto uit 1951 werd hem een lunch aangeboden door de minister van oorlog, bij welke gelegenheid president Peron en zijn echtgenote aanzaten. Het zilveren stel op de tafel, waarin de nationale drank, de “mate’, wordt bereid, kreeg de Prins ten geschenke (Katholieke Illustratie,1951).

De kunstschatten van Bosbeek en de Hartekamp

Naast de collectie oude kunst van F.B.E.Gutmann op landgoed ‘Bosbeek’ bevond zich in Heemstede tijdens het Interbellum nog een particuliere verzameling topwerken die haar weerga niet kende in Nederland. Deze bevond zich in alle benedenzalen van de Hartekamp. Alleen al in de afgelopen paar jaar zijn via Sotheby’s 57 lots geveild van kunstwerken die op de Hartekamp aanwezig waren. Werk uit het voormalig bezit  Gutmann op Bosbeek is in 2002 en 2003 voornamelijk bij Christie’s geveild.

Scan1469

De Gouden Zaal (ofwel Rococozaal) op de Hartekamp.  De zogeheten Renaissancezaal (1932)

Hartekampfakeboekenkast

Pseudo-boekenkast tussen Bibliotheek/Renaissancezaal en Balzaal gesitueerd waarachter zich de grote brandvrije kluis van mevrouw von Pannwitz op de Hartekamp bevond en waar zij o.a. haar sieraden en waardepapieren opborg.  (foto Bob van der Lans)

De Hartekamp van 1901 tot 1921

Na het overlijden van baron Barthold van Verschuer en zijn echtgenote Anna Maria Brants, beiden in 1901 gestorven, vond op de Hartekamp ‘boelhuis’ plaats. Het bekende schilderij van een jonge Linnaeus in Laplands kostuum is toen gekocht door ornitholoog Ernst Blaauw voor zijn landgoed ‘Gooilust’ en bevindt zich tegenwoordig in de Artis-bibliotheek. O.a. een marmeren beeld, voorstellende David die zich opmaakt Goliath te doden is aan de Nederlandse Staat gelegateerd met nog enkele beelden die een plaats kregen in het Parlementsgebouw. Lange tijd een lege plaats achterland in de nissen van de vestibule, intussen opgevuld met enkele moderne sculpturen met een verwijzing naar de rijke historie dankzij Linnaeus.

David

Beeld van David dat in de 19e eeuw in de  hal van de Hartekamp stond en door baron Barthold van Verschuer is gelegateerd aan de Nederlandse regering; tegenwoordig opgenomen in collectie van het Rijksmuseum Amsterdam

Het uitgebreide complex aan beide zijden van de Hartekamp, van de Leidsevaart in het westen tot de Binnenweg in het oosten is in handen gekomen van een exploitatiemaatschappij voor onroerende goederen en vervolgens is de overplaats verkaveld (Eikenrode, Hertenduin, Linnaeushof).De buitenplaats en het daaromheen liggende park, gereduceerd van de Leidsevaart tot de Herenweg, is van 1904 tot 1921 in bezit geweest van de familie Smidt van Gelder, directeur van Van Gelder Papierfabrieken in Velsen. Een fraai schilderij met daarop afgebeeld de godin Flora en twee geleerden die het boek ‘Hortus Cliffortianus’ bewonderen, is door Pieter Smidt van Gelder geschonken aan de Linnaeus-Sociëteit in het Zweedse Uppsala.

Flora

Schilderij van Jacob de Wit, voorstellende de godin Flora en twee geleerden die het boek ‘Hortus Cliffotianus’  betreffende de tuin van de Hartekamp van Linnaeus bewonderen. Door Pieter Smidt van Gelder (1878-1956) als toenmalig bewoner van de Hartekamp geschonken aan de Linnaeus Sociëteit in Uppsala, Zweden

Wegens verhuizing, eerst naar Genève, daarna naar Antwerpen, is de Hartekamp in het Ververschingshuis van Groenendaal geveild. Bedoeling was het landgoed van ruim 27 hectare in 14 percelen te verdelen. Doch uiteindelijk bleef het gelukkig voor versnippering gespaard, want het geheel werd voor een bedrag van ƒ 421.858,-  aan een toen nog onbekende bieder gemijnd op naam van de Amsterdamse antiquair Staal. Het Haarlems Dagblad schreef: ‘De heer Staal was nog niet bereid de naam van zijn principaal te vernoemen. Wij vernamen bij geruchte dat koopster zou zijn een Duitse dame, weduwe van een Argentijnse kapitalist, die het voornemen zou hebben zich op de Hartekamp te komen vestigen.

Aankoop van de Hartekamp in 1921

Die dame was Catalina F(riedericke) G(eorgina) von Pannwitz-Roth. Haar vader Friedrich Roth naar Argentinië verhuisd waar met andere familieleden een in- en exportbedrijf is gesticht in San Nicolas y Peregrino. Het moet hen zeer voor de wind zijn gegaan, want omstreeks 1900 bezaten de Roths liefst 100.000 hectare land, verpacht aan boeren die runderen fokten.  Na het overlijden van haar vader heeft zij een kapitale  erfenis ontvangen. Tevens heeft zij van haar vader het zakeninstinct geërfd, dat haar bij onderhandelingen over aankopen van kunst, o.a. met rijksmaarschalk Hermann Goering goed van pas kwam. Zij trouwde met de ook al via een erfenis rijk geworden dr. Walter Sigismund Emil Adolf von Pannwitz. Een gewaardeerd rechtskundige in München later in Pruisen, o.a. juridisch adviseur van het vroegere Saksische koningshuis en van keizer Wilhelm 11. Tevens was hij, zoals dat al evenzeer zou gaan gelden voor Catalina, een verzamelaar van oude kunst en antiek, schilderijen naast gobelins en voorwerpen van toegepaste kunst, zoals Meissen-porselein, glaswerk, beelden, miniaturen e.d.  Onder architectuur van de architect German Bestelmeyer liet het miljonairsechtpaar in 1912 een grote villa bouwen in de dure wijk Grunewald aan de bosrijke rand van Berlijn,  met ‘Pannwitz Palast’ aangeduid, tegenwoordig vestiging van het zogeheten Schlosshotel Grunewald. Na het overlijden van haar man in 1920 in Buenos Aires is de weduwe een nieuwe huisvesting gaan zoeken, zowel in Duitsland maar vooral in ons land, waarbij haar oog viel op het  op dat moment te koop staande landgoed de Hartekamp. Zij was na een bezichtiging zo gecharmeerd van de villa dat zij een bekende antiquair-makelaar opdracht gaf een bod te doen op het landgoed. In een stoet van verhuiswagens liet zij alle kunstschatten vanuit Berlijn overbrengen. Verder nam ze het initiatief tot uitbreiding van het hoofdgebouw met twee naar voren springende zijvleugels. Het huis telde vervolgens 8 grote en 11 kleinere kamers en bijvoorbeeld op de bovenverdieping niet minder dan 5 volledig ingerichte logeerkamers en  badkamers met speciaal sanitair voor haar speciale vriend, de ex-keizer.

Catalogi van Max Friedländer en Otto von Falke

Het was haar echtgenote geweest die al in de beginjaren van de vorige eeuw met het vormen van de kunstverzameling was begonnen. Ook Catalina was van jongs af een groot liefhebster van oude kunst uit de Middeleeuwen, Renaissance en Barok. Zij had al kunstvoorwerpen aangekocht, welke beide collecties na hun huwelijk in 1908 zijn samengevoegd. De traditie van het verzamelen werd na het overlijden van haar echtgenoot voortgezet en verder uitgebreid met nieuwe objecten: schilderijen, tapisserieën, beeldhouwwerk en een verzameling van antiek porselein. De befaamde kunstkenner Max J.Friedländer kreeg opdracht een in groot formaat en gebonden een catalogus van schilderijen te vervaardigen en kunsthistoricus Otto von Falke de overige kunstvoorwerpen te inventariseren De catalogusboeken waren mede bedoeld als een postuum eerbetoon aan haar in 1920 op 64-jarige leeftijd in Buenos Aires overleden echtgenoot.  De 2 delen verschenen, rijk geïllustreerd, in kloeke banden in 1925 en 1926. Tegelijkertijd kwam een mapje met 25 prentbriefkaarten uit met afbeeldingen van verschillende afbeeldingen van schilderijen e.d. In het deel van Friedländer zijn 69 schilderijen beschreven alsmede vier Franse miniatuurboeken uit omstreeks 1500.  In het andere deel zijn 463 voorwerpen van kunstnijverheid beschreven: wandtapijten, meubels, porselein, Venetiaans glas etc.  Verlucht met 74 platen die 432 voorwerpen voorstellen  De verzameling Von Pannwitz was een typisch ensemble van internationaal karakter, dat door drie hoofdgroepen bepaald werd:  1) Zuidnederlandse primitieven, 2) kunstvoorwerpen  en schilderijen der Hollandse School uit de 17e eeuw en 3) Italiaanse meesters uit de 15e en 16e eeuw.  Bij deze kernen sloten zich dan aan:  Italiaanse miniaturen op perkament uit de late middeleeuwen, gobelins, een rijke collectie Duits verguld zilverwerk en houten en bronzen, beeldhouwwerken.  Veel kostbaar porselein  uit Meissen, Frankenthaler, Fürstenberg, Rosental en Sèvres. De Gouden Eeuw was vertegenwoordigd met werken van de meeste der grote Hollandse meesters, zoals Rembrandt, Job Berckheyde, d’Hondekoeter, Jan van der Heyden, Jan Corneliszoon Verspronck, Frans Hals, Jacob van Ruisdael, Johannes Vermeer, Gerard Terborgh, Albert Cuyp, Adriaen Brouwer, Aert van der Neer, Jan van Scorel, Pieter de Hoogh, Jan Steen, Gerard Dou, Gabriël Metsu, Philips Wouwerman, Lucas van Leyden en Meindert Hobbema.

Naast aankopen in haar ‘Hartekamp-periode’ verkocht mw. C.von Pannwitz incidenteel ook enkele werken, zoals bovenstaand interieur van een boerenherberg door de Haarlemse genreschilder Adriaen van Ostade

Uit bericht in De Telegraaf van 31-12-1931

Steen1

Mevrouw von Pannwitz beschikte op de Hartekamp over twee doeken van Jan Steen. Bovenstaand schilderij van een dokersbezoek, door Friedländer gecatalogiseerd als ‘Die Liebeskranke’  ,werd onlangs bij Sotheby’s  geveild voor bijna 1,1 miljoen dollar.

Aan Rembrandt werden de volgende drie schilderijen toegekend: 1) oudere man met baard in oriëntaalse kleding en tulband, thans eigendom van de Rijksdienst voor Beeldende Kunst [meer recent toegeschreven aan een leerling van Rembrandt; dit werk is tentoongesteld  geweest in Japan in najaar 1994 en vervolgens in de Kunsthal te Rotterdam] , 2) Abraham en drie engelen [tegenwoordig in het Metropolitan Museum of Art] en 3) borstbeeld van een knaap [Titus?]

Nog in 1939 is het paneel van Rembrandt: bezoek van de engelen aan Abraham tentoongesteld geweest in het Rijksmuseum te Amsterdam (Algemeen Handelsblad, 8 juli 1939).

Rembrandt1

Rembrandt: Abraham ontvangt de engelen. Het schilderij was in bezit van Catalina von Pannwitz op de Hartekamp en is door haar erfnamen via de New Yorkse kunsthandelaar Otto Naumann voor bijna 20 miljoen dollar verkocht aan een anonieme kunstverzamelaar in New Jersey die het werk in 2005 bruikleen heeft gegeven aan het Metropolitan Museum of Art’s in New York.

 

Van Frans Hals bezat zij het paneel van een zittende vrouw vermoedelijk Maria Vernatti. Het doek verhuisde met dochter Ursula naar haar woonhuis in Salesbury, nadat zij 26 maart 1940 met John Pelham,  een Engelse graaf van Chichester was getrouwd. Mevrouw Von Pannwitz heeft destijds de wanden van de zalen in de Hartekamp opnieuw gedecoreerd. In de aanbouw, met ‘balzaal’ aangeduid, is het cassettenplafond aangebracht, dat eerder uit een Florentijns paleis afkomstig was en via het huis in Berlijn naar Heemstede is overgebracht.  Boven de deuren in de voorsalon, ook aangeduid met ‘Gouden Zaal’ of Rococozaal zijn grisailles (‘witjes’) aangebracht van de 17e eeuwse kunstschilder Jacob de Wit en oorspronkelijk afkomstig uit een Amsterdams grachtenpand, zoals dat ook geldt voor een prieel dat eens in de achtertuin van een pand aan de Keizersgracht prijkte. In 1926 heeft het Frans Hals Museum een tentoonstelling georganiseerd met oude kunst in particulier bezit, waarbij zowel schilderijen van Gutmann uit Bosbeek als van mw.von Pannwitz uit de Hartekamp voor het publiek te zien waren.

Stilte1

Schilderij uit 1640 van de Haarlemmer J.C.Verspronck, leerling van Frans Hals. Voorstellende de schutter van de Kloveiersdoelen Andries Stilte als vaandeldrager. Hij was bierbrouwer en eigenaar van de buitenplaats ‘Duin en Vaart’ in Heemstede. Aangekocht in 1917 van kunsthandel Goudstikker door Walter von Pannwitz. Catalina von Pannwitz leende het schilderij uit aan het Maurits Museum Den Haag van 1917 tot 1923. Tegenwoordig aanwezig in de National Gallery of Art te Washington, D.C. 

Een belangrijke aanwinst in haar Heemsteedse tijd was het doek ‘De stam van Jesse’ van Jan Mostaert, ooit bezit van de Russische graaf Stroganoff en tegenwoordig eigendom van het Rijksmuseum. Menigmaal gaf zij schilderijen in bruikleen voor overzichtstentoonstellingen in musea als het Rijksmuseum (1932), het Zoölogisch Museum in Artis (Linnaeus-gravures) Frans Hals Museum (‘Kind En Kunst’, waarbij zij deel uitmaakte van het erecomité),  Boymans in Rotterdam, o.a Vermeer, 1935 en 1938  en het Mauritshuis, museum De Lakenhal in Leiden (Jan Steen, 1928), het schilderstuk ‘De stam van Jesse’ toegeschreven aan Jan Mostaert  aan het Aartsbisschoppelijk museum te Utrecht (1928).   Incidenteel verkocht zij ook schilderijen o.a. aan de kunsthandels J.Goudstikker en Helmuth Lütjens in Amsterdam.

Har12

Schilderij van ‘de  stam van Jesse’ , uit omgeving van Geertgen tot Sint Jans, vroeger toegeschreven aan Jan Mostaert (tegenwoordig in het Frans Hals Museum)

Meermaals gaf mw. Von Pannwitz kunstschatten uit haar collectie in bruikleen aan musea (De Eembode, 17-1-1928)

Dame met een weegschaal. Door Thomas de Keyser, 1625-1626. In 1926 aangekocht door Catalina von Pannwitz. Via o.a. Aurora Trust en veiling bij kunsthandel Rosenberg in New York is het schilderij sinds 2005 eigendom van het Metropolitan Museum in New York. (catalogus  Friedländer nummer 50, door Walter von Pannwitz aangekocht bij een kunsthandel in München)

Gabriël Metsu: Jonge vrouw maakt toilet in aanwezigheid van een page. (catalogus Friedländer, nummer 61)

Pieter de Hoogh. Jonge vrouw doe een brief leest. In bezit Catalina von Pannwitz (niet in catalogus Friedländer in tegenstelling tot 2 andere schilderijen van De Hoogh: 1) gezelschap in een stal en 2) Moeder met twee kinderen)

 

Portretschilderij van de bankier, koopman en humanist Pompejus Occo (1483-1557) door Dirck Jacobsz. Was sinds 1917 in bezit van Walter von Pannwitz en vanuit Berlijn meeverhuisd naar de Hartekamp. (catalogus Friedländer, nummer 30, in 1917aangekocht op veiling Kaufmann in Berlijn). In 1956 uit de collectie Catalina von Pannwitz via kunsthandel S.Rosenberg in New York aangekocht door het Rijkmuseum Amsterdam.

Uit: F.J.Dubiez. Op de grens van humanisme en hervorming. Nieuwkoop De Graaf, 1962. Hoofdstuk IV De bankier, humanist en boekenverzamelaar Pompejus Occo en zijn kring. 1480/5-1537 (p. 77-98). pagina 79.

gecamoufleerde schuilkelder in de duinen tussen Zandvoort en Castricum waar kunstschatten uit het Rijksmuseum, maar ook van mw.Von Pannwitz uit de Hartekamp tijdens WO II waren opgeslagen. Zie: H.P.Baard. Kunst in de schuilkelders, 1946.

Intermezzo: een societyhuwelijk in Heemstede en Bennebroek met een Engelse graaf

har20

Ursula von Pannwitz peddelend in een bootje in de (zwanen)vijver van de Hartekamp

Scan1667.jpg

Ursula von Pannwitz bij de zwanenvijver op de Hartekamp

John Pelham, graaf van Chichester, in 1933 gefotografeerd door Los Angeles Bureau bij zijn bezoek aan Californië (eBay)

Achterzijde omslag foto John Pelham in Californië, 1933 (eBay)

Op 18 maart 1940 had de ondertrouw plaats van de graaf van Chichester met Ursula von Pannwitz in het raadhuis van Heemstede (Haarlem’s Dagblad van 20 maart 1940)

1d01cc53-fbd4-760e-9f80-94f7cd2e9d3d

                                       (Uit: Woerdensch Weekblad30 maart 1941)                    

Hieronder: huwelijk in raadhuis en ontvangst op de Hartekamp (uit “Nieuwe Tilburgsche Courant, 27-3-1940)

ddd_010250159_mpeg21_p007_image

har21

Het echtpaar John Buxton Pelham en Ursula von Pannwitz komende uit de Hervormde Kerk van Bennebroek na de kerkelijke inzegening van het huwelijk, 27 maart 1940

Dankzij de door haar moeder georganiseerde diplomaten-diners op de Hartekamp kreeg dochter Ursula von Pannwitz alle gelegenheid een toekomstige levenspartner te vinden. Na het afwijzen van prins Bernhard en twee kleinzonen van de ex-keizer is zij kort voor het uitbreken van de oorlog in Nederland in het huwelijk getreden met John Buxton  Pelham, de achtste graaf van Chichester, in dat jaar persattaché en derde secretaris van de Britse delegatie in Den Haag. John Pelham, ook aangeduid als John Chichester, stamde uit een adellijk geslacht. De voorgeschiedenis van de graven van van Chichester gaat terug tot Francis Leigh in 1644, overleden in 1653. De eerste graaf uit het geslacht Pelham of Stanmer was Thomas Pelham (1728-1805) van 1801 tot 1805. Vooral de tweede graaf Thomas Pelham (1756-1826) heeft als Engelse staatsman bekendheid gekregen. Chichester is de hoofdstad van het graafschap West Sussex in het zuiden van Groot-Brittannië.  John Buxton Pelham (1912-1944)  genoot zijn opleiding in Eton en vervolgens aan het Trinity College te Oxford. In 1931 is hij benoemd tot attaché in Warschau, in 1933 in Washington. Daarna was hij tussen 1933 en 1934 privésecretaris van de Hoge Commissaris in Canada en in 1939 was hij persattaché van Groot-Brittannië in Den Haag.

Scan1494

   Catalina von Pannwitz (rechts) met het bruidspaar in de voorsalon op de Hartekamp

Het huwelijk werd op dinsdag 26 maart 1940 in de Engelse taal door burgemeester jonkheer van Doorn in het Raadhuis van Heemstede gesloten. De eigenlijke plechtigheid vond twee dagen later plaats in de Hervormde Kerk van Bennebroek gevolgd door een receptie op het landgoed de Hartekamp. Een lange rij limousines verzamelde zich ’s morgens op de oprijlaan van de Hartekamp, waar de gasten waaronder veel diplomaten uit Den Haag, zoals de Britse gezant sir Neville Bland en de Argentijnse ambassadeur Carlos Brebbia veelal voorzien van grote bloemstukken, door lakeien werden ontvangen. Omstreeks 11 uur begaf de bruidegom zich naar het altaar van de kerk waar bij met zijn bruidsjonker mr. Ellicott plaatsnam in afwachting van de bruid. De kleine kerk was geheel gevuld met genodigden: het voltallig personeel van de Hartekamp, de burgemeester, commissaris van de koningin mr.dr. A.Baron Röell, gezanten van Argentinië, Zwitserland, Frankrijk en Engeland, maar ook bijvoorbeeld de twee postbodes van Bennebroek. Als bruidsmeisjes fungeerden Nancy Parish en freule H.Gevers uit Noordwijk, dochter van baron Gevers, oud-attaché van het Nederlands gezantschap te Warschau.

Het kerkgebouw was getooid in een bloemenzee van witte hortensia’s, witte azalea’s, witte fresia’s en witte anjers. Om half twaalf schreed de bruid binnen aan de zijde van de Argentijnse gezant Carlos Brebbia, sinds jaren huisvriend van de familie von Pannwitz. De dienst werd geleid door dominee H.M.Williams, Engels predikant in Den Haag die het huwelijk voltrok in de Protestants-Anglicaanse ritus. Tijdens de dienst deed zich een klein incident voor. Geheel tegen het protocol had zich een fotograaf in rokkostuum met hoge hoed onder de genodigden begeven. Op het moment dat de inzegening plaatsvond haalde hij zijn verborgen camera te voorschijn en maakte tot ontsteltenis van de familie een foto. Hem werd te verstaan gegeven het godshuis onmiddellijk te verlaten waaraan hij voldeed. De volgende dag prijkte de foto in de Oprechte Haarlemsche Courant, gevolgd door  andere bladen in de regio.  De korte plechtigheid duurde  tot 12.15 uur. Terwijl het bruidspaar de kerk verliet klonk het bruidskoor uit Lohengrin, uitgevoerd door het dameskoor uit Aerdenhout onder leiding van Felix de Nobel.

Scan1467

Links het jonge echtpaar Chichester-von Pannwitz op het bordes van de Hartekamp en rechts de gewraakte foto genomen tijdens de inzegening van het huwelijk door Rev. H.M.Williams, geplaatst in o.a. de Heemsteedsche Courant en de Hillegomsche Courant van 30 maart 1940

De genodigden begaven zich naar de Hartekamp waar het huwelijk op luisterrijke wijze is gevierd en zich onder de gasten H.K.H. prinses Juliana en Z.K.H. prins Bernhard bevonden. Van de huwelijksplechtigheid bestaan enkele Polygoon filmbeelden die via de site van ‘Beeld en Geluid’ openbaar zijn. De huwelijksreis leidde naar historische grond, het landgoed van de familie der bruidegom in Chichester, een stadje in het zuiden van Engeland, hoofdstad van  het graafschap West-Sussex. Vanwege haar huwelijk kreeg Ursula de titel van ‘Gravin van Chichester’. De echtgenoot verloor bij en tragisch Zij nam de naam van haar man aan, en in 1957 van haar nieuwe echtgenot Henderson, maar na de scheiding werd het weer Ursula Chichester.

Het jonge paar heeft in 1940 aanvankelijk een villa in Wassenaar betrokken en men is vanwege het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog naar Engeland verhuisd. In 1942 is uit de echtverbintenis een dochter Gina (Georgina) geboren. Gravin Ursula was in haar zevende maand van een tweede kind toen haar man op tragische wijze bij een verkeersongeval om het leven kwam. Dat ongeluk had plaats op 21 februari 1944 op een moment dat de graaf in militaire dienst was als kapitein bij de ‘Scottish Guards’.Op 14 april 1944 is de zoon John Nicholas Pelham geboren, de huidige negende graaf van Chichester, die trouwde met de in 1944 geboren June Marijke Hall. Uit dat huwelijk is de enige dochter  Eliza Catherine Pelham in 1983 geboren.  Woonachtig op Little Durnford Manor nabij Salesbury, Wiltshire [Zij trouwde eerst met dr.Douglas de Jager in 2011 en na een scheiding in 2014, voor de tweede maal in 2015 met Edmund Conway].

Bericht van het huwelijk van Ursula en John Pelham in de Telegraaf van 27 maart 1940

Anglicaanse ceremonie te Bennebroek (Sumata Post, 9 april 1940):

 

Sumatra Post, 9-4-1940

vervolg artikel over kerkelijk huwelijk

Slot van artikel over huwelijk in Bennebroek (Sumatra Post 9 april 1940)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Stanmer Churchyard waar John Buxton Pelhem (1912-1944) ligt begraven

Har23

Graf van John Buxton Pelham (1912-1944), achtste graaf van Chichester

Deze enige zoon John, de negende graaf van Chichester, is op 14 april 1944 geboren. Zoals bekend is de Hartekamp in 1952 verkocht en vanwege zijn jonge leeftijd heeft de sinds 1966 in ‘Little Durnford Manor’  in Salisbury woonachtige graaf slechts vage herinneringen aan het Nederlandse landgoed van zijn grootmoeder, voor hem zoals hij mij schreef meer bekend uit de verhalen van zijn moeder. Na het tragisch verlies van haar man heeft Ursula zich toegelegd op de opvoeding van haar twee kinderen. Pas in 1957 is zij opnieuw in het huwelijk getreden, toen met Ralph Gunning Henderson en heeft het paar zich wisselend in Engeland en Argentinië gevestigd. Die echtverbintenis heeft 14 jaar geduurd.  In 1971 is de echtscheiding uitgesproken en keerde Ursula terug naar ‘Reddish House’ in Salisbury, Wiltshire, tot 1987 toen zij naar Bishopstone verhuisde. Zij is  op 31 augustus 1989, dertig jaar na haar moeder, tijdens een bezoek aan Zürich als gevolg van een hartinfarct overleden en is op Little Durnford Manor begraven.

Reddish House in Broad Chalk, Wiltshire. ‘In 1980 Ursula Henderson bought the house from the estate of Cecil Beaton and lived there until 1987 when she moved to the neighbouring village of Bishopstone before her death in 1989. She was born Ursula von Pannwitz and was once styled Countess of Chichester from her first marriage to John Pelham, 8th Earl of Chichester who died in active service in 1944′ (Wikipedia)

Stanmore House was lange tijd stamhuis van de Pelhams, graven van Chichester. Het landhuis is in 1722 gebouwd door de Franse architect Nicholas Dubois in de stijl van de Italiaanse bouwmeester Palladio. In 1766 is het door de trustees verkocht toen de huidige graaf 3 jaar was. De nieuwe zetel van de Pelhams werd toen Little Durnford, Manor.

Afbeelding van ‘Little Durnford Manor’, sinds 1966 behuizing van de negende graaf van Chichester, John Nicholas Pelham. Gelegen in Durnford, Wilthire, op nog geen 5 kilometer noordoostelijk van de stad Salisbury.  Het huis is in het laatste kwart van de 17de eeuw gebouwd en gerenoveerd door Edward Younge, een vriend van Lord Pembroke, tussen 1720 en 1740. De graaf zelf trouwde in 1975 met June Marijke Wells uit welke verbintenis in 1983 een dochter is geboren, namelijk Eliza Catherine Pelham in 1983  Zij trouwde mer dr.Douglas de Jager in 2014 en na een echtscheiding in 2015 opnieuw in de Drieëenheid kapel van de kathedraal van Salisbury met Edmund Convey. (Wikipedia).

Schrijven van de graaf van Chichester, gedateerd 29 september 1994.

John Nicholas Pelham, graaf van Chichester met zijn echtgenote en dochter in het park van Little Durnford Manor (uit boek van Sieghard von Pannwitz, Zwischen Rembrandt und Kaiser Wilhelm, 2019, pagina 81)

Meertje en een van de kunstwerken achter Little Durnford Manor

Het park van Little Durnford Manor is ten dele particulier en ten dele openbaar toegankelijk

Vooromslag van Country Life, April 28, 1966

Schets van het park Little Durnford Manor

Na de bevrijding in 1945 kwam haar moeder Catalina von Pannwitz nog slechts incidenteel naar de Hartekamp, voornamelijk om zakelijke redenen zoals de bestemming van haar gigantisch kunstbezit. Zij woonde wisselend in Argentinië, Zwitserland en bij haar dochter in Engeland. Het was met name in Zürich waar de kleinkinderen uit Engeland graag verbleven. Dit blijkt onder meer uit een Duitstalig krantenartikel uit 1947 met foto van de twee kinderen en hun ‘vaderlijke vriend’, de in zijn tijd bekende Britse bestsellerauteur Robert Smythe Hichens (1864-1950) die de laatste jaren van zijn leven in Zwitserland woonde.

Scan1423

De Britse auteur Robert Smythe Hichens met Gina en John Pelham, dochter en zoon van Ursula Chichester-von Pannwitz (Schweizer Tageszeitung, 1947)

Schweizer

(Schweizer Tageszeiting, 1947)

De Britse journalist en schrijver Robert Smyth Hichens overleed 20 juli 1950 in het Zwitserse Zürich

In 1982 liet gravin Ursula Chichester bij de presentatie van een boek over de Hartekamp weten dat zij in Heemstede de gelukkigste jaren van haar leven had doorgebracht. Na 1952 heeft naar moeder voor zover bekend de Hartekamp niet meer bezocht, dit in tegenstelling tot dochter Ursula (met haar in 1944 geboren zoon). Broeder Edmundus Gijsbers, die in 1964 na Broeder Raymundus zijn werkzaamheden in de Hartekamp, intussen een instelling voor verstandelijk gehandicapten, was aangevangen,  herinnert zich dat Ursula in 1965 en 1967 met haar zoon tijdens een zomervakantie in Noordwijk de Hartekamp bezocht. Zij wilde de pas gereed gekomen eerste paviljoens op het terrein liever niet zien, maar was in zoverre voldaan dat het landgoed de nieuwe bestemming als zwakzinnigeninstituut had gekregen mèt behoud van het monumentale hoofdgebouw. In 1982 zou de Ursula Chichester voor de laatste maal de Hartekamp bezoeken. Op 30 augustus 1989 overleed zij plotseling aan een hartinfarct on Zürich en is haar as begraven op ‘Little Durnford Manor’.

har22

Ursula Chichester-von Pannwitz was in 1982 voor de laatste keer op de Hartekamp bij de presentatie van een boek over de historie van de buitenplaats. Op deze foto met links burgemeester Van den Bosch (Heemstede) en burgemeester De Wit (Bennebroek), in welke plaatsen het landgoed is gelegen.

Gravin Ursula van Chichester, geboren Von Pannwitz, ontvangt het eerste exemplaar van ‘Het landgoed de Hartekamp te Heemstede’ uit handen van voorzitter drs.G.Schuitemaker van de Vereniging Oud Heemstede-Bennebroek (de Koerier, 2 december 1982)

eerste exemplaar voor Ursula van Chicjester (de Koerier, 2 december 1982)

Zeven jaar eerder had zij in een brief vanuit het kasteel ‘Redddish House’in Salisbury geschreven: ‘De gelukkigste jaren van mijn leven (1922-1939) zijn doorgebracht op dat prachtige landgoed, zo vol traditie en historie – ik heb nog het boek Hortus Cliffortianus dat Linnaeus aldaar heeft geschreven – waar interessante en historische personen kwamen, zoals prinses Juliana, prins Hendrik en vele anderen.’

De kunstverzameling in oorlogstijd

Eén van de grootste kunstverzamelaars uit de vorige eeuw – anderen spreken liever van kunstrover – was de Duitse nazi-bons Rijksmaarschalk Hermann Goering. Vol gestouwd in de ruimten en kamers van Carin Hall en verder in de kastelen Veldenstein en Mauterndorf evenals in zijn paleis aan de Leipzigerplatz  pochte hij in 1944 bezitter te zijn van de waardevolste kunstcollectie ter wereld.  Hij beschikte over een aantal kunstambtenaren, die  antieke schilderijen en andere kunstvoorwerpen voor hem moesten verwerven, soms in concurrentie met personen die voor het in Linz te vestigen kunstmuseum gewijd aan Hitler ‘verzamelden’. Wegens het voor nazi-Duitsland dramatisch verlopen oorlogsgeweld is zijn idee voor een groots Goering museum, niet tot uitvoering gekomen. Kenners hebben na de oorlog vastgesteld dat qua hoeveelheid de roofcollectie van Hitler groter was, maar Goering  veelal over kwalitatief betere werken beschikte. Behalve uit Duitsland haalde Goering zijn kunstwerken uit o.a. Nederland, Frankrijk [opgeslagen in het Musée Jeu de Paume] , Italië en Polen. Eenmaal zijn 26 wagons met kostbare schatten bij hem afgeleverd. Voor liefst 1,6 miljoen gulden kocht hij een zogenaamd meesterwerk van Johannes Vermeer, voorstellende Christus en de overspelige vrouw, dat pas na de bevrijding een vervalsing bleek van Han van Meegeren.

ddd_010643163_mpeg21_p013_image

De nazi-agent Alois Miedl kocht in 1942 in opdracht van Hermann Göring het schilderij ‘Christus en de overspelige vrouw’ van Johannes Vermeer voor een recordbedrag van ƒ 1.650.000,-. Na de oorlog bleek dit doek te zijn vervaardigd door meestervervalser Han van Meegeren (Uit: Amigoe, 9-8-1985).

Pannwitz

Over meestervervalser Han van Meegeren. Uit: De Volkskrant van 13 mei 2017

 

Alois Miedl en vooral Andreas Hofer, feitelijk beheerder van Goerings rijke privémuseum, bezochten Bosbeek en de Hartekamp en kochten voor de rijksmaarschalk in, die buiten zijn politieke beslommeringen veelvuldig op speurtocht was en soms zelf  de onderhandelingen leidde.

 

Miedl

De nazi-bankier en kunsthandelaat Alois Miedl (1903-1990) kwam zowel op de Hartekamp als Bosbeek en werkte zowel voor Goering als Hitler.

Boven het baldakijn van zijn bed hing een naakt van Lucas Cranach en Goering moet zich als een feodaal heerser uit de Renaissance gevoeld hebben. Hij was zo gehecht aan alle kunstschatten dat, zoals de historicus dr.J.Presser heeft opgemerkt, hij in de laatste fase van de oorlog meer belang stelde in de redding van zijn kunstbezit dan in de redding van het Derde Rijk. Tijdens het proces van Neurenberg werd hij eenmaal echt boos toen de aanklager hem verweet als kunstrover te werk was gegaan. Goering verdedigde zich door de rechters er op te wijzen dat voor elk kunstvoorwerk dat hij had bemachtigd was betaald of dat het was geruild met een ander doek of meerdere schilderijen van gelijke waarde.

Goering2

In één van de bunkers van Goering nabij Carinhall volgestouwd met kunstschatten worden in 1945 schilderijen en beelden naar buiten gebracht door Amerikaanse soldaten van de 101st. Airborne Division. Behalve in Carinhall en Veldenstein beschikte Goering nog min of meer over filialen met geroofde kunst in Parijs (Jeu de Paume) en Rome.

Twee bezoeken van Hermann Goering aan de Hartekamp

Goering5

Foto rechtsboven (eigenlijk afbeelding van een filmpje) waarbij Hermann Goering in 1931 huize Doorn verlaat na ex-keizer Wilhelm 11 te hebben bezocht, waarbij ook Catalina von Pannwitz aanwezig was. Afbeelding is opgenomen in enkele biografieën van de keizer, o.a. bij John Röhl, Kaiser Wilhelm 11. [met dank aan Pierre Bussen].

Het is niet verwonderlijk dat ook de Von Pannwitz-verzameling die hem onder andere uit de catalogi van Friedländer en Von Falke uit 1925/1926  bekend was zijn aandacht had. Al vóór het uitbreken van de oorlog in Nederland had Goering belangstelling getoond voor sommige werken uit de Hartekamp-collectie, maar mevrouw von Pannwitz zou hem hebben gezegd niet van zins te zijn kunstbezittingen te verkopen. Met zekerheid 2 maal en mogelijk 3 keer heeft Goering  de Hartekamp bezocht in 1939 en 1940. Walter Andreas Hofer heeft via Frits Gutmann een tip gekregen dat von Pannwitz hem wilde ontmoeten, omdat ze naar Zwitserland wilde verhuizen, en van Hofer wilde weten hoe ze dat het beste kon aanpakken. Hofer suggereerde toen een aantal kunstwerken aan Goering te verkopen.

Hofer

Hermann Goering met rechts Walter Andreas Hofer (1893-1971), die enige malen in Heemstede was in verband mer de collecties van Von Pannwitz  en Gutmann (Bosbeek)

Portret van Walter Andreas Hofer (1893-1971), nazi, en de belangrijkste kunstagent die vanaf 1937 voor Göring werkte

Behalve geld zou ze dan een visum moeten bedingen om naar het neutrale Zwitserland te vertrekken.  In de zomer en het najaar van 1940 was de rijksmaarschalk in Nederland, altijd uitgedost in zijn mooiste witte uniform – door de Amsterdammers die hem zagen spottend ‘Sneeuwwitje’ genoemd.

Fokker1

Hermann Goering (in het midden) op bezoek bij de Fokkerfabrieken in juni 1940

ddd_010439597_mpeg21_p002_image

Over de bezoeken van Goering aan de Hartekamp geen woord in  de ‘gelegaliseerde’ pers, enkel een verwijzing in ‘illegale’  kranten, zoals de Vonk van 15-2-1041

In 1940-941 had mevrouw von Pannwitz een arbeidsvergunning voor de volgende buitenlanders met Duitse nationaliteit die als personeel op de Hartekamp werkzaam waren: Otto Bode (geb. 25-7-1892), chauffeur; Annie Müller (geb.8-5-1893), kamenier; Elise Grieschat (geb.15-2-1896), linnenmeisje; Spphia Markgraf (geb.11-0-1895), keukenmeisje: Margarete Brüggemann (geb.10-3-1901), werkmeisje; Veronika Schenk-Laskowski (geb.29-5-1887), kokin; Ludwig Priebe (gen.17-11-1886), huismeester. Laartstgenoemde was lid van de NSDAP en onderhield de contacten met de plaatselijke autoriteiten. Zijn naam komt veelvuldig voor bij overleg met de politie.

Toen de anti-Joodse werden uitgevaardigd zorgde hij er voor  ‘oude meesters’ te bemachtigen van joodse kunsthandelaren zoals Katz en Goudstikker.  Mw. Ursula Chichester-von Pannwitz schreef me dat het initiatief om kunstvoorwerpen uit de Hartekamp aan te kopen uitging van Goering. Uit andere bronnen blijkt echter dat het initiatief eerder van mw. Von Pannwitz  uitging, zij het met een speciale reden, en Goering al voor de oorlog in diens residentie in Carinhall heeft bezocht.  Ruth en Max Seydewitz schrijven in hun boek ‘Das Mädschen mit der Perle’ (Berlijn-DDR, 1972), dat de invitatie van de rijke weduwe de rijksmaarschalk heeft geïmponeerd. In zijn Mercedes omringd door adjudanten en lijfwachten, begaf Goering zich naar de Hartekamp. Tot zijn verbazing kreeg hij een aantal schilderijen in tegenstelling tot een eerder bezoek thans niet te zien, omdat deze voor alle zekerheid uit een oogpunt van veiligheid waren ingepakt. Enkele werken waarvoor hij eerder interesse had getoond bood zij hem aan, namelijk ‘Portret van een oude man met baard en tulband’  toegeschreven aan Rembrandt en gewaardeerd op  110.000 gulden. Verder een ‘Madonna met kind’ van Lucas Cranach [gewaardeerd voor ƒ 50.000], evenals twee altaarvleugels uit de Duitse School, waaraan een waarde van ƒ 80.000,- is toegekend]. Goering was een scherp onderhandelaar, maar ook mw. Von Pannwitz bleek een gewiekste zakenvrouw. Men kwam tot overeenstemming op een totaal bedrag van ƒ 280.000,- . Goering liet zijn vleugeladjudant een koffer openen met gloednieuwe biljetten van 1000 gulden, doch mevrouw von Pannwitz die onmiddellijk begreep dat dit waardeloze geld in een nazi-drukkerij was vervaardigd, bedankte beleefd en deelde de rijksmaarschalk mede dat zij het geld graag op haar bankrekening in Argentinië overgemaakt zag.

Goering1

Sneeuwpop ‘Göring’ in wandelbos Groenendaal, foto uit 1941

In de Duitse archieven ontdekte schrijver-onderzoeker Adriaan Venema brieven de dato 17 oktober 1940 van Hofer aan Goering en van 18 oktober door de administrateur van Von Pannwitz, de heer W.Hartsuyker aan Andreas Hofer waaruit blijkt dat een bedrag van ƒ 390.000,- alsnog  op 18 oktober contant is uitbetaald in het Amsterdamse Amstelhotel nadat het was gestort op de bank van Handel-Maatschappij H.Albert de Bary & Co in Amsterdam. Hieruit kan worden geconcludeerd dat onderhands nog 1 of meer kunstvoorwerpen ter waarde van ƒ 110.0000,- zijn verkocht. (1).

Scan1475

Rechts op deze foto, gemaakt bij een bezoek van de Wilhelm 11 aan Catalina von Pannwitz zien we haar secretaris-administrateur Hartsuyker, die later in 1940 het geld afkomstig van Göring voor een aantal gekochte kunstwerken bancair in ontvangst nam.

Behalve de bancaire betaling verkreeg mevrouw von Pannwitz een uitreisvisum naar Zwitserland (waar zij in een hotel in Zürich een appartement huurde), benzine voor haar auto en ook mocht zij een bedrag van 15.000 Zwitserse franken naar haar verblijf bij Zürich meenemen.  Tevens wist zij via Goering de garantie te verkrijgen dat de Hartekamp nimmer door Duitse soldaten mocht worden gevorderd. Hieraan hebben de bezetters zich strikt gehouden. In 1941 waren nog 7 Duitsers en enkele Nederlanders onder wie Maarten Planting in dienst van de Hartekamp.

goud

Hermann Goering verlaat met Alois Miedl in 1939 de kunsthandel van Goudstikker, Herengracht 458, zich begevend naar de Hartekamp. Behalve Miedl waren na de bezetting nazi-kunstrovers bij uitstek Walter Andreas Hofer en de Oostenrijkse kunsthistoricus dr.Kajetan Mühlmann die in het gevolg van Seyss-Inquart in Den Haag de Dienststelle Mühlmann opzette, zich bezighoudend met het (particulier) kunstbezit in Nederland en België.

Carinhall1

Carinhall was de residentie van Hermann Goering. In 1945 stond de villa evenals kasteel Veldenstein vol met zijn ‘geroofde’ kunstschatten

carinhall

De bibliotheek van Carinhall bevatte begin jaren 40 van de vorige eeuw circa 20.000 boeken over kunst naast enige duizenden (veiling)catalogi. Het was een ‘Fundgrube’ voor Goering en zijn ambtenaren, inclusief Alfred Rosenberg (leider van een naar hem genoemde ‘Einsatzstab”) belast met het verzamelen van kunst en boeken, bij voorkeur van Joodse eigenaren, na de bevrijding aangeduid met roofkunst. Musea bleven buiten schot van de rijksmaarschalk. Met Rosenberg, belast men de roof van bibliotheken en archieven, kwam het vanwege onderlinge rivaliteit tot een botsing zoals ook met andere kopstukken uit het naziregime zoals Bormann, Hess en Himmler.

goering3

Hermann Goering in het uniform van de ‘Luftwaffe’  in zijn werkkamer aantekeningen makend in een kunstboek

De burcht Veldenstein waar duizenden kunstvoorwerpen in opdracht van megaverzamelaar Göring waren opgeslagen. Zowel Hitler als Göring hadden ieder kunstambtenaren in dienst die ieder voor hun baas kunstvoorwerpen bijeenbrachten. Hitler voor zijn nooit gebouwde museum in Linz, het bleef daar bij depotomslag.

Amerikaanse soldaten keken hun ogen uit aan wat ze aan antiek en kunst aantroffen in het kasteel Veldenstein. Op de foto bekijken ze de platen in een antieke foliant. Kort voor de bevrijding zijn vermoedelijk nog 1 of meer kostbaarheden door Duitsers meegenomen en elders ondergebracht. Een biograaf vermeldde dat Göring op het laatst van de oorlog het moeilijker had met het komende verlies van ‘zijn’ kunstcollectie dan het einde van het ‘duizendjarig rijk’. Göring verklaarde tijdens  de ondervragingen in Neurenberg dat hij alle kunst keurig had betaald. (Dat gold overigens slechts voor enkele gevallen, zoals de 8 antiquiteiten afkomstig van de Hartekamp).

In 1944 heeft een andere nazi-bons Heinrich Himmler opdracht gegeven aan Kajetan Mühlmann opdracht gegeven het schilderij van Frans Hals uit de Hartekamp-collectie voor hem te verwerven. Daartoe is Mühlmann naar Zürich gereisd maar de onderhandelingen liepen op niets uit, omdat mw. Von Pannwitz teveel aan het schilderij gehecht was om het te verkopen. Het gaat hierbij om het paneel ‘Portret van een zittende vrouw’, volgens  Friedländer vermoedelijk Maria Vernatti, ongesigneerd en ongedateerd uit omstreeks 1645 of iets later. Maria Vernatti werd geboren uit een Hollandse patricische familie in Delft, die zich in Engeland vestigde. Haar vader sir Philbert Vernatti introduceerde de Nederlandse methode van drooglegging en landherwinning in Lincolnshire. Het doek was lange tijd in bezit van de graaf van Gainsborough en zou zich tegenwoordig in familiebezit Chichester bevinden. Seymour Slive oordeelt dit schilderij  nog als authentiek van de Haarlemse meester, doch ondanks de hoge kwaliteit is het door andere experts als Montagni en Grimm mogelijk toegekend aan een meester uit de directe omgeving van Frans Hals. In ‘Meesters der schilderkunst, vertaling van ‘Claccici dell’Arte’; Frans Hals, 1974.  als catalogusnummer 261 als volgt omschreven: ‘Zittende vrouw met de handen over elkaar, naar links kijkend  (Maria Vernatti?).  Olie op paneel, 29x35cm. Ongesigneerd en ongedateerd. Integraal en voltiid. Op onbekende plaats [particulier bezit Engeland]. Het schilderij is in de door Bode-Friedländer  samengestelde katalogus (Hollitscher, Berlijn, 1912) beschreven als een mogelijk portret van Maria Vernatti, die afkomstig was uit een Hollandse familie die naar Engeland verhuisde, in het bezit gekomen van de graven van Gainsborough voorfdat het in de verzameling van Hollitscher te Berlijn terechtkwam. Vervolgens was het eigendom van Von Pannwitz [in Berlijn, vervolgens] te Heemstede. Door verscheidene critici opgenomen (Bode-Binder, Valentiner 1921, 1923, Trivas, Seymour Slive, 1974) met dateringen tussen 1644 en 1660. Grimm denkt aan Frans Hals II.’

Afbeelding in ‘Die Kunstsammlung Von Pannwitz. Band 1 Gemälde. Herausgegeben von Max J.Friedländer. München, Verlag F.Bruckmann A.G., 1926.

Beschrijving in catalogus Friedländer

(Frans Hals tentoonstelling. Haarlem, 1937, p. 48. afbeelding 88). Nadien is het nogmaals tentoongesteld geweest in Rotterdam, museum Boymans rond de jaarwisseling 1939-1940 bij een kerstexpositie.Na de Bevrijding in 1945 is het schilderij meeverhuisd naar de dochter van mw. Von Pannwitz in Engeland. Tegenwoordig in bezit van haar zoon, John Nicholas Pelham, de negende graaf van Chichester.

(foto Frans Hals Museum Haarlem Reproduction; vermoedelijke datering 1648-1650)

Zittende vrouw, vermoedelijk Maria Vernatti, toegeschreven aan Frans Hals, welk werk in bezit was van mevrouw von Pannwitz (foto: russianpaintings.net)Vernatti

In de in 1946 uitgeven publicatie ‘Kunst in de schuilkelders; de Odyssee der nationale kunstschatten gedurende de oorlogsjaren 1939-1945 schrijft H.P.Baard (toenmalig directeur van het Frans Halsmuseum te Haarlem onder meer: ‘(…) In april 1940 was de Castricumse kluis gereed en werden genoemde schilderijen via Beverwijk daarheen vervoerd. Bovendien werden hierin nog ondergebracht schilderijen uit gemeentelijk bezit (Amsterdam), een deel van de collectie van mevrouw Von Pannwitz…(pagina 22) en verder op pagina 33: ‘Behalve enig particulier eigendom, waaronder een deel van de omvangrijke collectie van mevrouw Von Pannwitz, herbergden de Zandvoortse kluizen nog bezittingen van H.M.de Koningin, de serie wandschilderingen van de Oranjezaal uit het Huis ten Bosch…’

Toegeschreven aan Rembrandt: portret van een kind. Mogelijk de zoon van Rembrandt en Saskia van Uylenburg, die leefde van 1646 tot 1668 en veelvuldig als model stond voor schilderijen en studies van de kunstschilder (Max Friedländer: Die Kunstsammlung von Pannwitz. 1926)

In de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw verschenen herhaalde malen berichten dat de privécollectie voor geïnteresseerden op bepaalde tijden was opengesteld

Mevrouw von Pannwitz bezat 3 aan Rembrandt toegeschreven schilderijen. Het meest bekend is het doek van de profeet Abraham die de engelen gastvrijheid verleend (catalogus Die Sammlung von Pannwitz. ; door Max J.Friedländer. Band 1 Gem”lde., 1926, pagina 8)

Het schilderij van een geknielde Abraham en de engelen van Rembrandt met rechts in de deuropening Sara. Het is gemaakt in 1646, gebaseerd op een Bijbeltekst uit Genesis 18:8, en bevond zich in de verzameling van Jan Six (1702) en is na diverse malen van eigenaar te zijn gewisseld via de collectie Von Frey in Berlijn  bij Von Pannwitz terecht gekomen.  Na de Tweede Wereldoorlog in opdracht van mw. Von Pannwitz  geveild in New York en door een particulier uit New Jersey aangekocht. Sinds 2005 in bruikleen gegeven aan het Metropolitan Museum of Art in New York

Collectie  van dr.Otto Lanz

Vriendschapsbanden tussen zowel mw. Von Pannwitz als Frits Gutmann waren er met de in Nederland wonende Zwitser dr. Otto Lanz, een vermogend chirurg die hoofdzakelijk Italiaanse schilderijen, beeldhouwwerken en renaissancemeubelen verzamelde. Kunstwerken uit Lanz’ bezit hadden ook de aandacht van Goering, maar die  kreeg de gelden voor aankoop – 2 miljoen Zwitserse franken –  niet rond, in tegenstelling tot Hans Posse die voor het Hitler-museum in Linz werkte, waarbij Bormann bemiddelde.  Tevens moest een een visum voor Zwitserland worden verstrekt aan Nathan Katz (van joodse origine) van de firma D.Katz uit Dieren, destijds een van de belangrijkste kunsthandels van Nederland, waarvoor ook Bormann zorgde die hierover contact opnamen met Heydrich. [Volgens Aalders heeft Nathan Katz hieraan waarschijnlijk re danken, want  hij bleef na vertrek, eind 1941, voor de rest van de oorlog in Zwitserland en daarmee buiten bereik van de nazi’s.

Lanz

Dr.Otto Lanz en echtgenote. Uit: De Prins, 22-10-1927 (Geheugen van Nederland)

(1)  In eerste instantie zijn de volgende 7 kunstwerken aangekocht: 1) Rembrandt/atelier: Man met baard en tulband, 2) Lucas Cranach: Madonna met kind en St.Johannes, 3) Meester van Messkirch: St. Wernherus, 4) Stoel in Gotische stijl, 5) Meester van Frankfurt: St. Catharina – altaarvleugel, 6) Meester van Frankfurt: St, Barbara – altaarvleugel 7) Klumbach: de geboorte van Maria. Daar is later onderhands bijgekomen een portret van Titus. Ruth en Max Seydewitz schreven nog naar aanleiding van het in Berlijn gedrukte ‘waardeloze geld’ waarmee Göring vaak trachtte te betalen: ‘Noch viele andere Kunstwerke kaufte Göring mit dem wertlozen Papiergeld, das einer seiner Adjudanten stets in Koffern sich herumtragen musste. Zwei Millionen, 10 Millionen, 100 Millionen – das spielte alles keine Rolle, Papier war geduldig, und die Nazidruckereien drucken in jeder Währung grosszüging und unerschöpflich wertloses Papiergeld.’ (pagina 171).

Scan1414

Man met baard, in oriëntaalse kledij en tulband, in de tijd van mw.von Pannwitz  toegeschreven aan Rembrandt van Rijn, tegenwoordig Nederlands cultuurbezit

==============================================

Gerard Aalders (zie literatuuropgave) schreef: ‘Göring werd na de oorlog over de von Pannwitz-transactie ondervraagd. Had hij geen misbruik gemaakt van zijn positie want tenslotte kon alleen hij, en niemand anders, haar een uitreisvisum bezorgen. Catalina von Pannwitz verkeerde volgens de toehoorder in een evidente dwangpositie: zonder verkoop geen visum. Maar Göring vond dat er van misbruik geen sprake was geweest en dat hij Von Pannwitz juist had geholpen. Want behalve een visum, zou ze ook geen geld hebben gehad om te vertrekken, omdat het tijdens de oorlog  onmogelijk was geld van haar Argentijnse bank op te nemen. Op de vraag of hij de schilderijen zou hebben geconfisqueerd indien Argentinië in oorlog met Duitsland was geweest, hield hij zich wijselijk op de vlakte door te zeggen dat die vraag speculatief was’ [NA, RG 260. Records of the United States Occupation Headquarters WW11, Ardela Hall Colleccion, Box 450, Rosenberg, ‘Consolidated Interrogation Report’, No. 2,15 september 1945, ‘The Goering Colleccion’; idem Box 180, Folder ‘Interrogation of War Criminals’. Interrogation of Hermann Goering, 30 augustus 1946 en NA, RG 331, Allied Operation and Occupation Headquarters, World War 11, Box 328, 290/7/27/6 ‘Removal of Works of Art from the Netherlands during the German Occupation’].

Hitler

Hitler schenkt Goering voor zijn verjaardag het schilderij ‘de valkenier’  van de Oostenrijkse schilder Hans Makart uit 1880.

verhoor

Verhoor van Göring voor het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg. Hij behield zijn arrogante houding en achtte zich onschuldig. De laatste woorden In zijn slotpleidooi waren: “Het enige motief dat mijn doel was betrof mijn innige liefde voor mijn volk, haar geluk, haar vrijheid en haar voortbestaan. Hiervoor roep ik de Almachtige en mijn Duitse volk tot getuige”. Göring werd veroordeeld tot dood door de strop. Eén dat voor de executie, gepland op 16 oktober 1946, nam hij 15 oktober ’s avonds een gifcapsule met cyaankali in, die hij volgens een schriftelijke verklaring van hemzelf al die tijd bij zich had gehouden.

Topstukken naar bunkers in de duinen

Nadat in april 1940 de Castricumse kluis, een betonkelder in de duinen van 212 kubieke mater, gereed was is hiernaar een deel van de collectie Von Pannwitz overgebracht. Andere kunstvoorwerpen zijn een jaar later in de Zandvoortse bunkers ondergebracht, naast topstukken uit de grote musea in het Westen van ons land, bezittingen van H.M.koningin Wilhelmina etc. In een bewaard gebleven schrijven van kunst-administrateur Andreas Hofer aan Goering staat te lezen dat de verzameling von Pannwitz stond opgeslagen in ondergrondse opbergplaatsen, samen met o.a. de schilderijen uit het Rijksmuseum. Venema vermeldt verder: ‘Maar, was de stelling van Hofer. Mocht Argentinië ooit in oorlog met Duitsland komen, dan was het gemakkelijk om bezit te nemen van de collectie.’ Tijdens de bezettingstijd hing op de Hartekamp de Argentijnse vlag om nog eens te benadrukken dat inkwartiering van de Duitse bezetters ongewenst was.

 Recuperatie na 1945

Na de bevrijding zijn alle werken afkomstig uit de Hartekamp teruggekomen. Het aan Goering verkochte doek van een man in oosterse dracht dat aan Rembrandt was toegeschreven, wordt tegenwoordig aan een leerling van de meester toegekend. In 1949 is dit schilderij tentoongesteld in Japan bij de expositie ‘Gezichten in de Gouden Eeuw; 17e eeuwse Nederlandse portretten’ en van 12 november 1994 tot 22 januari 1995 was het te zien in de Kunsthal te Rotterdam.  Een ander door Gerson aan Rembrandt toegeschreven schilderij heet ‘Abraham bedient de drie engelen’, is gesigneerd en gedateerd 1646. Het derde en tot op heden laatste deel van het Corpus van het Rembrandt Research Project loopt tot en met 1642. Bedoeld doek dat tot in 1702 aan Jan Six toebehoorde, is door Walther von Pannwitz gekocht uit de verzameling van A.Janssen en bevindt zich voor zover bekend bij kleinzoon John Chichester in Engeland. Gravin Ursula Chichester heeft in brieven laten weten dat haar moeder die voor de werken was betaald, aan jonkheer Röell van het Rijksmuseum heeft laten weten dat de door Goering gekochte schilderijen nu Nederlands bezit waren geworden. In 1947 is een deel van de Von Pannwitz-verzameling tentoongesteld geweest in het Rijksmuseum. Aan deze expositie zijn diverse artikelen in kranten en tijdschriften gewijd, maar een catalogus is niet in druk verschenen (1) Door het museum zijn later drie topwerken die in de Hartekamp hingen aangekocht, in 1957, 1962 en 1967 van de kunstschilders Jan Mostaert, Dirck Jacobszoon en Jan Cornelis Vermeyen, o.a. via de antiquairs Rosenberg en Stiebel in New York, bij welke firma mw. Von Pannwitz een aanzienlijk deel van haar bezit heeft laten veilen.

Har11

In 1947 is in enkele zalen van het Rijksmuseum de Hartekamp-collectie voor het laatst bijeen voor het publiek tentoongesteld

Zaal met antieke gobelins en kasten uit de collectie Von Pannwitz in 1947 tentoongesteld in het Rijksmuseum

Schilderijen, kasten en stoelen etc. uit de Hartekamp in het Rijksmuseum voor de laatste keer enkele maanden geëxposeerd in 1947

Bericht van hoofdconservator, kunsthistoricus en hoogleraar  Th.H.Lunsingh Scheurleer over verzameling von Pannwitz in het Rijksmuseum.

(1) O.a. A.C.Willink: Verzameling von Pannwitz in het Rijksmuseum. Het Vrije Volk, 1-2-1947; – M.Flothuis: Tentoonstelling van Oude Kunst. De Vrije Katheder, 8-2-1947; – K.G.Boon: De verzameling von Pannwitz in het Rijksmuseum, Maandblad voor Beeldende Kunsten, 1947.

=========================

Wapenschild van de graven van Chichester. * Thomas Pelham (1728-1805), first earl of Chichester, 2nd. Baron Pelham of Stammer, great-grandson of Sir Joh Pelham, 3rd. Baronet, * Thomas Pelham (1756-1826) second earl of Chichester, * Henry Thomas Pelham (1804-1886) third earl of Chichester, * Walter John Pelham (1838-1902) fourth earl of Chichester), * Francis Godolphin Pelham (1844-1905), fifth earl of Chichester), * Jocelyn Brudenell Pelham (1871-19326) sixth earl of Chichester, * Francis Godolphin Henry Pelham, (1905-1926), seventh earl of Chichester), * John Buxton Pelham (1912-1944), 8th earl of Chichester, in 1939 married with Ursula von Pannwitz, *John Nicholas Pelham (born in 1944), ninth earl of Chichester, married 1974 with June Marijke Wells. They have one daughter born in 1983 * Lady Eliza Catherine Pelham.

Pelham1

Portret van John Nicholas Pelham, geboren op 14 april 1944 als zoon van Ursula von Pannwitz, negende graaf van Chichester (the Peerage)

Een ander deel is vererfd aan Ursula in het graafschap Wiltshire, en bevindt zich ten dele nog in het begin 18e eeuwse buitenhuis ‘Little Durnford Manor’, in Salisbury (Wiltshire)   van de zoon John Pelham, de negende graaf van Chichester (1). Catalina Carolina Friedericke Georgina von Pannwitz-Roth (geboren in 1876) is op 20 mei 1959 op 82-jarige leeftijd overleden  in de villa ‘Long Crumples’, in  Swaines Hill, Hampshire, Engeland , zo staat het tenminste vermeld inenkele genealogieën, doch John Chichester berichtte me in een schrijven van 29 september 1994 dat zij in het Zwitserse Zürich is gestorven:

Scan1485

Zij werd begraven bij haar echtgenoot Walther von Pannwitz op het ‘Stahnsdorfer Friedhof’ in Berlijn met een monumentaal gedenkteken  in Jugendstil-stijl. Dochter Ursula heeft in 1980 toen zij nog was getrouw met Henderson het 18e eeuwse buitenhuis Manor ‘Reddish House’ in het dorp Broad Chalke (graafschap Wiltshire)  gekocht waar zij bleef wonen totdat zij in 1987 verhuisde naar een woning in het naburige dorp Bishopstone, waar zij twee jaar later is gestorven.

Har8

Grafmonument echtpaar Von Pannwitz-Roth op het Stahndorfer Friedhof in Berlijn

Naast het graf voor het echtpaar Von Pannwitz-Roth is een monument voor in 1947 voor de in 1947 in Moskou omgebrachte generaal Helmuth von Pannwitz (1898-1947) opgericht

(1)  In juni 2002 is in ‘Little Durnford Manor’ ingebroken waarbij erfstukken van de graven Pelham voor meer dan 1 miljoen pound zijn gestolen, o.a. antieke klokken, vazen, Meissen porselein etcetera. Bij de Londense antiekhandelaar Lawrence Perovitz  is een deel van de antieke kunstvoorwerpen door de politie aangetroffen, waarvoor hij wegens heling door de rechtbank voor 2 jaar gevangenis werd veroordeeld plus een geldboete, die uiteindelijk tot ergernis van de graaf niet betaald is omdat de antiquair aangaf door de gebeurtenissen geruïneerd te zijn en al zijn geld opging aan de  kankerbehandeling van zijn vrouw in de Verenigde Staten. Een aanzienlijk deel van de gestolen goederen is niet teruggevonden omdat de mededaders van de roof niet konden worden aangehouden.

(2)  Korte in memoriams in de kunstliteratuur verschenen bij mijn weten slechts in: Weltkunst, 1929, 1959, pagina 4,  zowel van Rudolf M.Heilbrunn, Im Andenken an Frau Catalina von Pannwitz als van Max Pannwitz,  Zum Tod von Frau Catalina von Pannwitz.

altaarstuk

Altaarstuk van de Meester van Aken, tot 1996 in bezit van mw.Von Pannwitz Aangekocht door Klaus Edel

———————————

Vergeefse claim door erfgenamen von Pannwitz

In 2007 is een poging ondernomen door een kleindochter van mevrouw von Pannwitz, woonachtig in Argentinië en zich daar onder meer bezighoudend met het fokken en verhandelen van paarden en met haar echtgenoot het beheer van een landgoed  met lodges  (1), tot teruggave van een zestal in 1940 aan Hermann Goering verkochte  kunstwerken, die na de bevrijding in het Rijksmuseum zijn teruggekeerd en thans als nationaal bezit zijn gewaarmerkt. Als reden voor de claim is door advocaat Fremy in Berlijn aangegeven, dat de schilderijen e.d. onder dwang van de oorlogsomstandigheden zijn vervreemd en op basis van het Nederlandse oorlogsrecht verkopen aan de Duitse bezetters nietig waren. Meegespeeld heeft ook dat de erven Goudstikker het bedrag dat  voor de collectie was betaald bij verkoop aan de Duitsers niet aan de Nederlandse Staat hoefde te worden terugbetaald, omdat Nederland ongeveer 70 jaar de vruchten had geplukt van het feit dat de schilderijen in Nederlandse musea voor het publiek waren tentoongesteld.  Het ging bij de erven von Pannwitz om 1) ‘Man met baard en tulband’, leerling Rembrandt, zich momenteel bevindend in depot van Instituut Collectie Nederland te Rijswijk; 2) St.Werner, door de Meester van Messkirch, 3) Madonna met Christuskind en Johannes de Doper door Lucas Cranach, in het Bonnefantenmuseum te Maastricht, en 4)De heilige Barbara, 5) de heilige Catharina van Alexandrië,  beide door de Meester van Frankfurt en 6) Geboorte van Maria, door Hans von Kulmbach, drie werken in het Mauritshuis te Den Haag. [Het lot van de Gotische stoel, in 1940 ook door Goering aangekocht is onbekend]. De minister van O.C. en W. heeft de Restitutiecommissie onder voorzitterschap van professor W.J.M.Davids gevraagd om advies uit te brengen. Deze commissie heeft het verzoek van de erven na archiefonderzoek in haar vergadering van 6 april 2009 unaniem afgewezen om de volgende redenen. Mevrouw von Pannwitz ontving in oktober 1940 een totaalbedrag van ƒ 390.000,- wat voor die tijd als hoog mag worden beschouwd. Bij een nieuwe taxatie op 19 november 1949 zijn de schilderijen getaxeerd op 130.000 gulden.  12 september 1945 gag mw. von Pannwitz via haar secretaris aangifte bij de Stichting Nederlands Kunstbezit  (SNK) van de verkoop van zes schilderijen aan Goering. Zij tekende op het aangifteformulier aan dat sprake was geweest van een gedwongen verkoop. Citaat: ‘Hierdoor deel ik u mede dat in October 1940 de navolgende schilderijen uit mijne verzameling, op aanvrage en door bemiddeling van den Heer Walter Andreas Hofer, aan Rijksmaarschalk Hermann Goering werden verkocht en naar Duitsland uitgevoerd’.  Na een opsomming van de kunstwerken bericht zij vijf van de zes werken tijdens de oorlog, in strijd met het verbod op transacties met de vijand waren verkocht.  Echter, op basis van het Besluit Herstel Rechtsverkeer E100 van 212 september 1944 geldig tot begin jaren vijftig heeft mw. Von Pannwitz geen aanspraak gemaakt op teruggave

Belangrijker in dit verband is een door mevrouw von Pannwitz op 27 april 1950 ondertekende schriftelijke verklaring aan de Stichting Nationaal Kunstbezit, waarin zij teruggave van de zes uit Duitsland teruggevoerde kunstwerken bevestigt, maar hiervoor persoonlijk geen prijs stelt ‘zoodat Uwe Stichting daarover vrijelijk kan beschikken.’ Hierop is zij nadien niet teruggekomen.

(1) Omstreeks 1900 had Friedrich Roth al ongeveer 100.000 hectare in Argentinië verworven.  In Argentinië bestaat vandaag de dag nog een klein deel van de voorvaderlijke nalatenschap, de  ‘Estancia la Catalina’ in (vroeger Orellanos, daarna Colonia San Ricardo geheten) Diego de Alvear y Ponce de Léon nabij Iriarte in het district Buenos Aires op de grens van Santa Fé.  De exploitatie van dat landgoed is al in 1898 begonnen, sinds 1942 is sprake van een toeristisch centrum. Het is vandaag de dag nog in eigendom van de dochter van Ursula Chichester-von Pannwitz:  Georgina Jocelyn (Gina) Pelham , die naar Argentinië verhuisde. Zij is in 1942 geboren in Engeland en is in 1974 gehuwd met Helios Alberto Caranci die de naar Catalina von Pannwitz vernoemde estancia nog altijd beheren en drie kinderen hebben: Cecilia Catalina (*1976), Ursula Claudia (*1978) en Helios Nicolas (*1983).

lodge

Lodge op de estancia (haciënda) La Catalina in Argentinië, die geleid wordt door  kleindochter Georgina (Gina) van mevrouw Catalina von Pannwitz.

Lady Goeogina (Gina) Pelham op haar estancia Haras La Catalina in Argentinië

LaCatalina

Situering van estancia La Catalina in Patagonië ten noordwesten van Buenos Aires nabij Santa Fé

Pelham2

Lady Georgina Jocelyn Pelham, in 1942 geboren  dochter van Ursula von Pannwitz, die met haar man het landgoed El Catalina, vernoemd naar haar grootmoeder tegenwoordig beheert. Zij is een liefhebster van Arabische paarden en op ‘La Catalina’ worden er gemiddeld 250 van deze paarden gehouden. Zij is een van de oprichters van de World Arabian Horse Organization. 

Zoals hierboven  beschreven  verzocht Lady Gina Pelham als kleindochter van Catalina von Pannwitz, vertegenwoordigd door de Berlijnse advocaat L.Fremy  om teruggave uit de Nederlandse Kunstbezitcollectie (NK) in familiebezit van de volgende 6 schilderijen die in 1940 zijn gekocht door rijksmaarschalk Hermann Goering, te weten:

  1. Man met baard en tulband, voorheen toegeschreven aan Rembrandt, tegenwoordig aan een navolger NK1602;

navolger van Rembrandt, man met baard en tulband, thans in depot van het Instituut Collectie Nederland te Rijkswijk (RKD, iconografisch bureau)

2. St.Werner, door Meester van Messkirch (NK1633), tegenwoordig in het Bonnefantenmuseum Maastricht;

De heilige Werner. Een schilderstuk van de ‘Meister von Messkirch (1500-1543). Nummer 12 in de schilderijencatalogus van Friedländer. In 1917 door Von Pannwitz aangelocht.

3. en 4. De heilige Barbara (NK2554) en heilige Catharina van Alexandrië (NK2555), Meester van Frankfurt;

Dubbelpaneel van Barbara en Catharina van Alexandrië, anoniem, door de ‘Meester van Frankfurt’ (geboren in 1460  en tot 1520 werkzaam in Antwerpen, tegenwoordig in het Mauritshuis Den Haag. Nummer 21/22 in de catalogus Friedländer. Door Von Pannwitz aangekocht uit de verzameling van sir George Donaldson, Londen.

5. Lucas Cranach. Madonna met Christuskind en Johannes de Doper (NK1883), tegenwoordig in Bonnefantenmuseum Maastricht;

Lucas Cranach de Oudere (1473-1553): Madonna met kind en Johannes de Doper, uit circa 1516. In 1932 gekocht door mevrouw Catalina von Pannwitz. Tegenwoordig in het Bonnefantenmuseum Maastricht.

6. Hans von Kulmbach (1485-1523) . Geboorte van Maria (NK 2559), thans in het Maurithuis Den Haag.  Catalogus Friedländer nummer 10. In 1912 door Von Pannwitz aangekocht uit de veiling Fr.Lippmann, Berlijn.

H.S.von Kulmbach: geboorte van Maria

De zes kunstwerken  zijn na bemiddeling van Walter Andreas Hofer door Goering, die in mei van dat jaar de schilderijen had uitgezocht voor 390.000 gulden aangekocht. Uit de archieven blijkt dat het geld is gestort bij de Handelmaatschappij H.Albert de Barry. Weliswaar was sprake van een gedwongen verkoop, mw.von Pannwitz bedong bij Goering dat de Duitsers de Hartekamp ongemoeid zouden laten en dat zij circa 15.000 Zwitserse franks naar Zwitserland mocht uitvoeren. Na de bevrijding kwamen alle 6 werken terug in ons land en zijn deze (voorlopig) opgeslagen in het Rijksmuseum. Mevrouw von Pannwitz gaf schriftelijk aan dat het bedrag dat zij in 1940 had ontvangen voor die tijd dermate hoog was dat zij verder afzag van de doeken en die nu als Nederlands bezit konden worden beschouwd. Reden voor de Restitutiecommissie de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) te adviseren om de aanvraag van de erfgename af te wijzen.


Catalina von Pannwitz bezat op de Hartekamp schilderijen van Italiaanse, Duitse en Zuid-Nederlandse meesters (o.a. Jan Mostaert, Gerard David (2 ex.), Adriaen Isenbrant (4 stuks), Jan Gossaert, Bernaert van Orley, David Teniers de J. (2x) e.a.  Verder schilderijen van de volgende schilders uit de Hollandsche School met vermelding van inventarisnummer uit de schilderijencatalogus van Max Friedländer, gepubliceerd in 1926, aangeduid met F en het nummer: Lucas van Leyden (F28), Jan van Scorel (F29), Dirk Jacobsz. (F30), Frans Hals (F31), Adriaen Brouwer (F32), Thomas de Keyser (F35), Rembrandt Harmensz van Rijn (F36, 37, 38), Gerard Dou (F39, 40), Aart van der Neer (F41), Jan van Goyen (F42), 43, 44), Simon de  Vlieger (F45), Jacob van Ruisdael (F46), Aelbert Cuyp (F47), Adriaen van Ostade (F48,49), Isack van Ostade (F50), Hendrik Gerritsz.Pot (F51), Pieter de Hooch (F52), 53), Jan Cornelisz. Verspronck (F54)Jan van de Capelle (FF55), Jan Steen (F56 en F57), Quiringh Gerritsz. Brekelenkamp (F58), Paulus Potter (F59), Job Berckheyde (F60), Gabriel Metsu (F61), Meindert Hobbema (F62, 63), Philips Wouwerman (F64), Melchior d’Hondecoeter  (F65), anoniem Hollandse Meester, circa 1700 (F66) Jan van der Heyden (F66).Na haar verhuizing naar de Hartekamp in Heemstede zijn nog zeker 10 werken van Hollandse meesters aangekocht. [De nummers 70 tot en met 73 in de Friedlánder catalogus bevatten middeleeuwse boeken met miniaturen , Nederland (ca. 1490), Frans (circa 1500), en twee handgeschreven boeken uit Italië afkomstig.

HET DEFINITIEF EINDE VAN EEN GLORIEUS TIJDPERK

In het najaar van 1940 is mevrouw von Pannwitz, die volgens jeugdvriendin  Lili Gutmann niets van de nazi’s moest hebben, naar Zürich verhuisd en tot 1942 dankzij verkregen in- en uitreisvisa nog enkele malen teruggeweest. Op de Hartekamp, waar de Argentijnse vlag uithing, bleven zeven of acht Duitse naast enkele Nederlandse personeelsleden achter. De Duitser Ludwig  Priebe, lid van de NSDAP die in uniform liep, was gewapend en als een spion van de Duitsers werd beschouwd, was door mw. Von Pannwitz als huismeester aangesteld.  [De pro-nazi L.M.Priebe kreeg in juni 1941 ruzie met de Heemsteedse politieagent Kieft en laatstgenoemde heeft de Duitser toen bespuugd. Die ging hierover zijn beklag doen waarna Kieft een reprimande kreeg van de hoofdinspecteur van politie].  In 1944 is Priebe als huisbewaarder  opgevolgd door Maarten Planting.  Na de bevrijding kwam mevrouw von Pannwitz nog een aantal malen terug, maar verbleef zij verder wisselend in Argentinië, Zürich en incidenteel bij haar dochter in Engeland. De unieke particuliere kunstverzameling werd in 1947 nog eenmaal voor het publiek tentoongesteld en wel in het Rijksmuseum. Deze is vervolgens overgebracht naar haar huizen in genoemde landen en verder is een groot deel in New York geveild bij Rosenberg en Stiebel.  Wilde verhalen deden in die tijd de ronde. Zo meldde een dagblad in 1952: ‘Wat ze hebben wilde, wat ze de moeite waard vond om aan die kunstverzameling toe te voegen, kon ze kopen. Zo moeten er ook prachtige middeleeuwse fresco’s met haar naar Zuid-Amerika zijn verdwenen. Die fresco’s  vond ze op een reis in Italië.  Ze zaten tegen het plafond van een kasteel. Mevrouw von Pannwitz kocht toen even het kasteel, liet het plafond er voorzichtig uitnemen en vertrok er mee zonder zich verder om het kasteel te bekommeren…’  De realiteit ligt iets anders. Voor het aan de Brahmsstrasse in Grunewald, Berlijn, gebouwde pand kocht Walther von Pannwitz voor de hal een Renaissance cassettenplafond in een stadspaleis te Florence. Het werd herplaatst en na vertrek uit Grunewald naar een bijgebouwde ruimte in de Hartekamp opnieuw aangebracht, waar het zich tegenwoordig nog bevindt.

achter1

Achtersalon de Hartekamp, 1932

Har9

Achtersalon van de Hartekamp, ook aangeduid met balzaal, met het Italiaans cassettenplafond, 1932.

Berlijn

In Berlijn-Grunewald bleef een deel van het Italiaanse kassettenplafond achter.

Een door Karl Lagerfeld ingericht kamer in Schlosshotel Grunewald Berlijn met de portretten van keizer Wilhelm II en zijn vrouw keizerin Hermine

Omstreeks 1948 is de villa enige tijd bewoond door Engelse kennissen van de familie. Nadien bleven de vele luiken van het oude landhuis gesloten. Waar in de jaren dertig vorsten en diplomaten hadden vertoefd, kondigden begin 1952 een paar nuchtere borden aan de Herenweg aan ‘Deze buitenplaats wordt in februari 1952 publiek verkocht. Inmiddels uit de hand te koop’ .Met de namen van de makelaars en notarissen.

VERKOOP VAN DE HARTEKAMP IN 1952 AAN DE BROEDERS PENITENTEN UIT BOEKEL VOOR DE STICHTING VAN EEN ZWAKZINNIGENINSITUUT

De Hartekamp wordt verkocht (Algemeen Handelsblad 19-2-1952)

In een prospectus werd medegedeeld dat mevrouw von Pannwitz meer dan één miljoen gulden aan het landgoed had besteed (aankoop plus restauratie, uitbreiding en verfraaiing zoals de aanleg van een bijzondere rotstuin etc.). De tijd was na de oorlog voorbij dat men privé een dergelijk landgoed kon bewonen. De vraagprijs bedroeg 500.000 gulden. De gemeente Heemstede die met subsidie van het rijk en provincie in 1948 voor ƒ 525.000,-  had besteed aan de aankoop van een deel van Meer en Berg kon zich nogmaals een degelijke uitgave niet permitteren. De Hartekamp werd voorts geschikt geacht als conferentieoord, terwijl ook gedacht is aan de vestiging van een hotel-restaurant, maar het bleef bij enkele kijkers, die echter geen serieus bod uitbrachten.

har13

Buitenplaats de Hartekamp stond in 1952 te koop

Toen Jaap Strijbis na 40 jaar makelaardij in Zuid-Kennemerland vertelde hij aan journalist Jan Peter Versteege, dat verkoop van de Hartekamp in 1952 zijn meest succesvolle en memorabele transactie was (Haarlems Dagblad, 27 mei 1986)

Bod van drie ton voor de Hartekamp (Het Parool, 11-3-1952)

De afslag ging niet door. Voor het bod van 305.000 gulden is de Hartekamp uiteindelijk verkocht aan de Broeders Penitenten (Het Parool, 24 maart 1952)

Aankoop van de Hartekamp door Broeders Penitenten uit Boekel (De Volkskrant, 25-3-1952)

De veiling had plaats in verkooplokaal Frascati te Amsterdam door de makelaars J.van Campen en H.N.A.M.Verbeek ten overstaan van de notarissen W.H.Lubbers en J.Dragt.  Bij opbod (10 maart) bedroeg het hoogste bod op 10 maart ƒ 305.000,-. Twee weken later, 24 maart, zou de afslag  volgen die vanwege een onderhandse verkoop niet doorging. Voor 330.000,-  inclusief kosten werd de Congregatie der Broeders Penitenten van de Heilige Franciscus uit het Noord-Brabantse Boekel eigenaar van het landgoed. Daarmee sinds Adriaan van Berckenrode omstreeks 1600 – het hoofdhuis zelf dateert van omstreeks 1700 –  de 26ste eigenaar en voor het eerst geen particulier, maar een religieuze orde, die zich ten dienst stelde van de zwakzinnigenzorg. (1). Met aanvankelijk 8 Broeders vestigde men zich met ongeveer zestig zwakzinnige jongens in het hoofdgebouw en zijn vanwege afwijzingen steeds nieuwe  plannen gemaakt voor de bouw van woonpaviljoens.

Op 26 april 1952 tekende overste Broeder Mattheus van Iersel uit namens de Congregatie der Broeders Penitenten uit Boekel de koopakte van de Hartekamp. Voor iets meer dan drie ton kopen de broeders de buitenplaats van de laaste particuliere eigenares mevrouw Catalina von Pannwitz.

Van Boekel naar Bennebroek [eigenlijk Heemstede] met Gods zegen. Uit: De Hartekamp Groep 1953-2000

Wat mevrouw von Pannwitz niet de moeite waard vond om mee te nemen naar het buitenland werd in enkele dagen tegelijk met andere 4 boedels verkocht bij veilinghuis ‘De Zon’ aan het Singel in Amsterdam. Een paar grote spiegelkasten, een klein nuffig toilettafeltje, armstoelen waar gemakkelijk twee personen in kunnen en 40 stoeltjes op Queen Anne-pootjes, de kaarsrechte ruggetjes boven een zitting van verkleurd brokaat – door een antiquair gekocht en naar Engeland geëxporteerd. Zes fragiele gouden zeteltjes gingen naar een chique modezaak. Waar de enorme antieke arrenslee met een gouden leeuw naar toe ging heb ik tot op heden niet kunnen achterhalen. In één koop zijn de dertig zwarte livreien geveild, gedragen door de bedienden van mevrouw von Pannwitz. Deze zagen er deftig maar somber uit. In de gouden biezen op de kraag en op de nikkelen knopen herhaalde zich tienvoudig het familiewapen.  Op sommige foto’s van officiële banketten bij het bezoek van de Duitse keizer zijn de livreien nog zichtbaar.

Besluit tot aanwijzing van Huize de Hartekamp te Heemstede als een inrichting (Staasblad 1952, nummer 555)

Vervolg besluit uit Staatsblad, 1952, nummer 555

In 1988 verscheen het boek ‘Geschiedenis van de Daniël de Brouwerstichting; opbouw en ontvlechting van een koepel [der Broeders Penitenten]’door drs.I.Merks-van Bunschot. Best, Zuidgroep, 1988. Over de Hartekap o.a. p. 207-212. Bovenstaand een overzicht van hoogtepunten van 1956 tot 1971.

rai3

Een nieuw begin op de Hartekamp met Broeder Raymundus (midden vooraan) en 7 andere medebroeders der Penitenten uit Boekel, waaronder Broeder Bartholomeus (Leyten) en Broeder Wiro (J.Kuyten uit Deurne)  Rechts de eerste pupillen in zondagse kledij

Rai2

Voorzijde van bidprentje Broeder Raymundus, algemeen overste en overste van de Hartekamp,overleden op 10 februari 1955.

rai1

Ommezijde bidprentje Broeder Raymundus, 1955

Overlijdensadvertentie Broeder Raymundus (Franciscus van Berlo), De Tijd, 8 februari 1955. Als overste van de Hartekamp werd hij opgevolgd door Broeder Emanuel.

Bericht over verscheiden Broeder Raymundus uit de Volkskrant van 15 februari 1955Hij werd opgevolgd door Broeder Emanuël.

rai5.jpg

Na 13 jaren van strijd met diverse overheden, vooral met  de ministeries van Volkshuisvesting en OKW, mocht de Hartekamp bouwen op het terrein. Met als resultaat dat Broeder Mattheus van Iersel, overste van de Broeders Penitenten, -van 1961 tot 1964 overste op de Hartekamp, in 1965 het startsein voor de eerste bouwfase van patiëntenpaviljoens kon geven.

portret van B.J.J.M.Stevens, de architect die veel paviljoens van de Hartekamp ontwierp, evenals  vele panden in Haarlem en Heemstede (de Glip) Geboren in 1897 te Helmond is hij in 1971 overleden in Haarlem (NHA)

De paviljoens waren eind jaren ’50 al ontworpen. Vanwege de nodige planologische weerstand, met dreiging dat de broeders zouden verdwijnen als de plannen niet zouden worden goedgekeurd, werd in 1965 met de bouw begonnen. De paviljoens met slaapzalen waren in de jaren tachtig al verouderd als concept. Aangezien het allemaal jongens en mannen waren die er verbleven, met soms weinig remmingen, ontstonden onfrisse toestanden. Toen zijn voor enige tientallen miljoenen alle paviljoens verbouwd, is ook het dagactiviteitencentrum opgezet en zijn grote woningen buiten het terrein gekocht om de populatie te verdunnen. In Heemskerk is begin jaren negentig de Harteheem opgezet Eind 1999 is een complete herstructurering van de huisvesting aangevangen. Die procedure heeft vooral ook als gevolg van de economische crisis lang geduurd en een paar jaar gelegen was het zo ver dat alle paviljoens zijn afgebroken en een compleet nieuwe voor de bewoners moderne huisvesting kon worden gerealiseerd. In 2017 is dit geopend. Overigens werd voor circa 280 bewoners herbouwd terwijl er oorspronkelijk ongeveer 420 op het terrein verbleven. Velen wonen nu in Haarlem, IJmuiden Nieuw Vennep etcetera. De Hartekamp bevindt zich anno 2018 op circa 50 locaties in de regio van Alkmaar tot Lisse/Nieuw Vennep. Directie en administratie zijn vanuit het monumentale hoofdgebouw – dat bij een renovatie aan de gevels de oorspronkelijke gele kleur terugkreeg – verhuisd naar een kantoorpand in Haarlem.

Broeder Bonaventura die buiten de Hartekamp gedurende meer dan en kwarteeuw in Bennebroek actief was voor de jeugdbeweging Jong Nederland

Haarlems Dagblad, 4 februari 1991

vervolg Broeder Bonaventura (haarlems Dagblad 4-2-1991) Een andere broeder met kloosternaam Savio, maar op 15 mei 1940 geboren in Cuijk als Chris Ebben werkte vanaf 1976 bij de Hartekamp en is er gebleven tot zijn pensionering mei 2005. Met een onderbreking van zes jaar toen hij algemeen overste van zijn congregatie was. Een interview met hem verscheen in het Haarlems Dagblad van 14 juni 2005.

Broeder Bonaventura was ook creatief. Van 8 tot en met 21 maart 1991 had een tentoonstelling van zijn schilderijen plaats in het gemeentehuis van Bennebroek, tegelijk met foto’s van J.M.Smorenburg

Na Broeder Raymundus is Broeder Emanuël benoemd tot overste van de Hartekamp, vervolgens door Broeder Mattheus van Iersel en van 1964 tot 1968 Broeder Edmundus (Sjef Gijsbers). Geboren in  het Brabantse Lithoyen, vierde Edmundus Gijsbers in 1964 ook zijn zestigjarig kloosterjubileum (waarvan 50 jaar aangesloten bij de Broeders Penitenten, waarbij hij eerder afdelingshoofd was in huize Padua te Boekel. Tot zijn ‘pensionering’ is hij in 1983 pastoor geworden van de parochie H.Antonius van Padua in Haarlem.  In die periode heb ik hem nog opgezocht in zijn Haarlems bovenkamer.

Broeder Edmund Gijsbers in een brochure van de Groenmarktkerk

Overlijdensbericht Broeder Edmundus (Haarlems Dagblad 8 juni 2019)

Edmund Gijsbers: Een broeder, tot elk goed werk bereid (Haarlems Dagblad, 25 juni 2019)

(1) Aan de luister van de Hartekamp, waaraan de laatste particuliere bewoonster niet het minst heeft bijgedragen, kwam in 1952 voorgoed een einde, maar de spiegelzaal, de elegante decoratie van het ‘uitstek’ en de fraaie plafonds kan men nog steeds bewonderen. Met aanvankelijk 8 Broeders onder leiding van Broeder Raymundus vestigde men zich in het hoofdgebouw. De Broeders troffen in het gebouw nog heel veel aan, wat hen herinnerde aan de vorige bewoonster. Zoals een grote maar lege geldkluis achter een schetsboekenkast, zeven logeer- en badkamers, dozijnen spiegels, waarvan er één vierdelige was van de grond tot aan het plafond, (de vroegere spiegelzaal die als eetkamer diende). Verder zeldzaam fraaie lambriseringen in de salons en bibliotheek, schitterend vergulde en gebeeldhouwde plafonds, grisailles en in totaal 113 kasten. De verdwenen kunstschatten hadden lege plekken achtergelaten. Begonnen is met ongeveer 60  zwakzinnige jongens uit de provincies Noord- en Zuid-Holland.  13 jaren van strijd met de rijksoverheid hadden tot resultaat dat in 1963 Broeder Mattheus van Iersel, ondertussen Overste van de Hartekamp geworden na het overlijden van Broeder Raymundus begin februari 1955, het startsein voor de eerste grote bouwfase kon geven. Naar ontwerpen van het architectenbureau van B.J.M.Stevens [die later met Daalder veel in Heemstede heeft gebouwd in de Glip en Mariënheuvel] zijn woonpaviljoens op het terrein verrezen. In 1965 kwamen ‘Plataan’ en ‘Ceder’ gereed’, gevolgd in 1969-1970 door de paviljoenen  de ‘Wilg’,  de ‘Vlier’ en de ‘Iep’, waarna de capaciteit tot 353 plaatsen was gegroeid. Er kwam een modern medisch centrum, een noodgebouw voor de arbeidstherapie, een bassin ten behoeve van de hydrotherapie, een ontspanningszaal [ in de Oranjerie], een sportzaal, en andere voorzieningen. In de voormalige balzaal met een Italiaans plafond en de wanden met rode zijde bekleed kwam de kapel, compleet met altaar en bidstoelen. Na de totstandkoming van al die uitbreidingen en vernieuwingen had op 12 september 1971 de officiële opening plaats door H.K.H. prinses Margriet.

 

 

paviljoens Plataan en de Ceder (1965)

laagbouw voor paviljoens de Wilg, de Vlier en de Iep (1969-1970)

De huisvesting voor verpleegsters in de Ulmus

1956 goedkeuring voor uitbreiding van de inrichting met de bouw van paviljoens. Tot de realisering in 1964/begin 1965 bewoonden de Broeders en pupillen het hoofdgebouw en Oranjerie.

1963 Broeder Mattheus van Iersel geeft het startsein voor de eerste fase (zie foto). Architect B.J.J.M.Stevens, die veel in Heemstede en Haarlem heeft gebouwd was architect, waaraan meer dan tien jaar strijd met de overheid aan voorafging.

1964 (oktober) vanaf deze datum tot januari 1965 komen de eerste uitbreidingen van de bouw gereed; de paviljoens de Plataan en de Ceder. Later verrijzen de Wilg, Vlier, Iep, Ulmus en het tafcentrum. Van de openbare weg mocht niets van de gebouwen worden gezien – met uitzondering later van zwembad en keuken op de plaats van Jagershorst (Bennebroek); de daken zijn plat en met grind bestrooid.

1965 de Hartekamp krijgt een eigen opleiding

1968 opening van de Meidoorn als fasehuis

1970 opening van huis de Esdoorn als sociowoning. (in 1988 beschikte de Hartekamp al over acht buitenhuizen)

1971 de eerste full-time arts dokter A.A.de Zeeuw wordt algemeen directeur [in de geintijd was J.van Baar als part-time arts aan de inrichting verbonden]

1971 ter belichming vaan het geformaliseerd overleg ontstaat de Ondernemingsraad (O.R) in oprichting  en de leerlingenraad

1971 Prinses Margriet opent het venieuwde de Hartekamp op 2 september

Prinses Margriet in 1971 bij de opening van de vernieuwde Hartekamp

Margriet

Prinses Margriet opent het vernieuwde de Hartekamp als een instelling voor verstandelijk gehandicapten op 2 september 1971 door een wandkleed te onthullen  (foto Nationaal Archief)

Vooromslag van catalogus ‘Kindertijd’ n.a.v. een tentoonstelling van oude kinderprenten en -boeken uit de collectie van J.de Koning te Leiden van 3 september tot en met 3 oktober 1971 in de Hartekamp te Heemstede, met een woord vooraf van psycholoog dr.N.A.J.van Oudenhoven, verbonden aan de instelling (aanwezig in Heemstede-collectie van het Noord-Hollands Archief, nummer 1660)

Bezetting van de Hartekamp in 1974 wat leidde tot een ontruiming door de politie en ontslagaanvraag van de geneesheer-directeur (Trouw, 25-5-1974)

1988 (voorbereid in 1987) vindt een ontvlechting plaats van de Daniël de Brouwerstichting (D.B.S.) van de Broeders Penitenten met hoofdklooster in Boekel. Zeven instituten voor psychiatrische en zwakzinnigenzorg die zij jarenlang hebben gerund krijgen juridische zelfstandigheid, te weten; 1) Huize Padua in Boekel (opgericht in 1832), 2) psychiatrisch centrum de Wellen in Apeldoorn voorheen Sint Joseph Stichting (1927) [tegenwoordig instelling Spatie], 3) Huize Assisië in Biezenmortel-Udenhout (1964) [tegenwoordig Stichting Prisma], 4) Huize Piusoord in Tilburg (1954) [tegenwoordig Amarant], 5) Voorzieningen voor Geestelijk Gehandicapten De Lathmer in Wilp (Gelderland (1950) [tegenwoordig ZoZijn], 6) De Hartekamp in Heemstede (1952), 7) Opvoedingsgemeenschap ’t Hooghout in Udenhout (1961).

Overzicht de Hartekamp. Uit boek: Geschiedenis van de Daniël de Brouwerstichting (1988)

vervolg situatie 1988 (uit bijlage in  boek van  I.Merks-van Brunschot)

afscheid van drs.A.T.J.Krol als directeur van de Hartekamp (de Hartekamp journaal, 17e jaargang, nummer 3, juni 1995

Voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Hartekamp en oud-directeur drs.Ton Krol van de Hartekamp (midden) begroet Prinses Juliana bij een symposium in de Philharmonie Haarlem , april 1998, georganiseerd bij gelegenheid van het 35-jarig bestaan van instituut de Hartekamp. Links van Prinses Juliana professor dr. G.M.van Veldhoven, voorzitter van de Nationale Ziekenhuisraad

Landelijk congres over zwakzinnigenzorg in Concertgebouw (Haarlems Dagblad, 7 maart 1988)

drs.A.T.J.Krol als voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Hartekamp Groep in 2003.

Jubileumjaar De Hartekamp op feestelijk wijze geopend; integratie en actueel thema (de Heemsteder, 29-1-2003)

Verhuizing van bestuur en administratie van de Hartekamp Groep naar Haarlem (Haarlems Dagblad 7 maart 2008)

flyer van tentoonstelling ‘Verbinding Verbeeld; 60 jaar gehandicaptenzorg door de Hartekamp groep, in de Janskerk van het Noord-Hollands Archief (2010)

Hartekamp kollektief: schilderkunst door gehandicapten van de Hartekamp

schilderij op een kaart, vervaardigd door een lid van het Hartekamp-kollektief

vervolg flyer kollektief schilderen door bewoners van de Hartekamp

sloop oudbouw op Hartekamp (Heemsteeds Weekblad, 5 februari 2014)

Officiële start van nieuwbouw Hartekampterrein Heemstede. Op de foto rechts Jan Bauer, voorzitter van de Raad van Bestuur van de Hartekamp Groep (Haarlems Dagblad, 6 februari 2014)

Receptie, keuken en daarachter zwembad van de Hartekamp links van de ingang naar het hoofdgebouw(NHA, 1998)

Pentekening van Piet Wiegman (1930-2005) met een vooraanzicht van de Hartekamp.

Albumplaatje met afbeelding van de Hartekamp uit Honig’s Maizena-album, nummer 3.

—————————–

De Hartekamp is verscheidene malen als decor gebruikt in (reclame)films en foto’s van tijdschriften. O.a. als fictief hotel ‘De Rozenboom’ in soapserie ‘Goede Tijden Slechte Tijden’. Voorts toepasselijk in ‘Bernard, schavuit van Oranje’(4delige VPRO-serie in 2010 uitgezonden), Daarin is de achterkant van de Hartekamp voorgesteld als achterzijde van paleis Soesdijk (waar niet gefilmd kon worden) en ook een aangepast interieur komt in deze filmopnamen voor.

Vooromslag van op 23 mei 2007 bij het 300ste geboortejaar van Linnaeus verschenen boekje: ‘Linnaeus in de tuin van Clifford. Een landschapshistorische wandeling over de Hartekamp en de Overplaats in Heemstede’ door Joop Mourik en Anneke Koper.

*************************************************************

Zonnewijzer op buitenplaats de Hartekamp in Heemstede

Herinneringen aan leven en werken op de Hartekamp

MAARTEN PLANTING

Wijlen de heer Maarten Planting heeft zich bij mijn weten twee keer in kranten interviews uitgelaten over mevrouw von Pannwitz en leven en werken op de Hartekamp. In 1962 toen hij veertig jaar in dienst was van het landgoed en in 1983 op 90-jarige leeftijd bij gelegenheid van zijn diamanten huwelijksfeest. In tegenstelling tot een voormalige butler van Huis te Manpad die met zijn publieke uitspraken over zijn vroegere broodheer enige opzien baarde, was de heer Planting ook zonder ooit een eed te hebben afgelegd zich bewust van de ongeschreven wet van ‘horen, zien en zwijgen’.

Scan1436

Maarten Planting in een groentenkas van de Hartekamp (Haarlems Dagblad)

Hartekampbrand

Volgens familieoverlevering was Maarten Planting als chauffeur niet zo’n succes, want hij reed zo langzaam en voorzichtig dat hij uiteindelijk alleen de koffers van mevrouw naar het station mocht brengen. Hij woonde in een oud pandje links naast de ingang van de Hartekamp, dat in 1968 is afgebrand en is toen verhuisd naar een bejaardenwoning in de Schoollaan te Bennebroek. Op bovenstaande foto van 1 september 1968 is men aan het nablussen van het afgebrande voormalige  koetshuis van de Hartekamp.

Van 1922 tot 1952 was hij in dienst van mevrouw von Pannwitz, wisselend als tuinman, stoker en chauffeur. Ten slotte als opvolger van de ‘foute’ Ludwig Priebe  als huismeester.   Tuinbaas was de heer J.W.Schoneveld. Van herkomst hovenier leerde Planting al snel de ketel van de centrale verwarming te stoken, die veel later na de aanleg van een centrale oliestookverwarming ten behoeve van de kassen in de tuin is benut. ‘De elegante dame’ had haar Mercedes uit Berlijn meegenomen en een bestuurder nodig. Planting moest naar Kimman in Haarlem en na slechts enkele ritten kon hij zijn rijbewijs gaan halen. ‘De chauffeur zat op een dakje van zeildoek en op een voorruit na helemaal onbeschermd. Portieren zaten er niet aan. Als de regen of sneeuw van opzij kwam, werd je drijfnat.’ Met de auto moest hij gasten op het station in Haarlem ophalen of hij reed ze naar de Ringvaart in Heemstede wanneer mevrouw von Pannwitz met haar gasten ging spelevaren naar de Kaag op haar eigen jacht ‘Olympia’.  ‘Als ze op reis ging moest ik de koffers naar Amsterdam brengen, niet naar Haarlem, dat was te dichtbij en om overstappen te voorkomen. Talloze malen heb ik haar dochter Ursula naar Doorn mogen rijden waar de ex-keizer woonde. Op de Hartekamp was het vaak een “drukke bedoening’. Mevrouw von Pannwitz ontving zomers talloze gasten. Dan waren er grote diners. Als ze geen gasten had, dan leefde ze niet. De eerste jaren woonde ze ’s winters ook hier, later om de winter, ze ging dikwijls op reis, vaak naar Zwitserland en Argentinië. Van 1942 tot na de Bevrijding heb ik haar helemaal niet gezien. Daarna kwam ze nog een paar keer terug. Van 1944 tot 1948 ben ik huismeester geweest, toen woonde ik in de villa. In 1948 kwamen Engelse vrienden op de Hartekamp wonen, maar niet voor lang. Toen werd het landgoed te koop gezet en in 1952 namen de Broeders van Boekel er hun intrek. Je werkte van ’s morgens zeven uur en dikwijls was je pas om 9 uur ’s avonds klaar met je werk. Maar dat was allemaal heel gewoon. Mevrouw von Pannwitz was een goede vrouw die met het personeel uitstekend kon opschieten. Ondanks de pracht en praal op de Hartekamp is zij altijd een vrouw van eenvoud gebleven.’

Scan1626

 

Boven: gezelschap bij de theekoepel van de Hartekamp op de overplaats, achter Hagenduin, afkomstig van mw. Vahl-Lekkerkerker uit 1923 of 1924. Achteraan staat Maarten Planting, zoon van de toenmalige tuinman van mw. von Pannwitz, daarnaast Adrianus Lekkerkerker, daaronder zijn broer Dik. Van links naar rechts zittend: grootmoeder Stijntje Lekkerkerker-Schenkeveld, haar zuster Aartje Dekker-Schenkeveld, de vrouw van de fotograaf Jan Dekker (architect Zoetermeer, Hazerswoude), daarnaast Jacob Lekkerkerker, pas begonnen als N.H.predikant in Bennebroek, met voor hem zijn jongste zoon Kees Lekkerkerker, zijn dochter Liesbeth Lekkerkerker en dan Willem Dekker (getrouwd met Aartje Schenkeveld).

60 jarig huwelijksjubileum van Maarten Planting en Grietje Stroosma in Bennebroek (Heemsteedse Koerier, 4 mei 1983):

planting

 

har18

De chef-kok van de Hartekamp was geen Duitser, zoals soms werd verondersteld, maar een Nederlander die aan de Prinsenlaan woonde.

Mevrouw J.C.M.de Graaff-Savenije

Scan1472

Portret van Käthe von Pannwitz (Dora Heinze)

Naar aanleiding van de publicatie van een boek over de geschiedenis van de Hartekamp kwam ik in 1983 in contact met mevrouw J.C.M.de Graaff, toen woonachtig in Alkmaar. Zij werkte op de Hartekamp van 1940 tot haar huwelijk op 13 mei 1942. Mevrouw de Graaff heeft de trouwerij op 28 maart 1940 van Ursula met de graaf van Chichester nog meegemaakt en was aangewezen als haar kamenierster. In Groningen verdiende ze oorspronkelijk 15 gulden per maand, bij mevrouw von Pannwitz was dat ƒ 40,-  inclusief kost en inwoning, wat een grote verbetering inhield. Secretaris-administrateur Hartsuyker uit Heemstede beheerde de financiën en hield kantoor in huis. Eén dag per week was het personeel vrij. In het huis met alle kunstschatten was heel wat schoon te houden. Het huispersoneel was merendeels uit Duitsland afkomstig in tegenstelling tot de tuinlieden. Huismeester-butler Priebe was tamelijk fanatiek en een aanhanger van Hitler. Ze herinnert zich dat toen Seyss Inquart en Mussert in het Olympisch Stadion in Amsterdam spraken, het Duitse personeel hier naar toe wilde, maar dat zij daar geen behoefte aan had en dat ook duidelijk liet merken. Keizer Wilhelm heeft ze zelf niet meer meegemaakt. Wel weet ze dat personeelsleden uit Doorn soms meereisden, welke dan met het Hartekamp-personeel extra goed eten van de dikke kok kregen voorgeschoteld. Een kamenierster van de familie Gutmann op ‘Bosbeek’ kwam regelmatig mee. Gutmann en mevrouw von Pannwitz waren ook als verzamelaars van oude kunst en antiek goed bevriend met elkaar.

Vanaf de bovenverdieping heeft ze tweemaal rijksmaarschalk Goering zien aankomen. In een limousine met officieren en een volgauto met lijfwachten. Op de Hartekamp hing tijdens de oorlog de Argentijnse vlag, bedoeld als bescherming tegen de Duitse bezetters. Naar aanleiding van het in 1982 verschenen Hartekamp-boek schreef ze: ‘Ik heb met plezier daar gewerkt en het heeft mijn leven beïnvloed en verrijkt, om oog te hebben voor mooie dingen die de geschiedenis heeft voortgebracht.’ Evenals andere personeelsleden roemt zij de goede kontakten met mevrouw Catalina von Pannwitz en haar dochter Ursula. ‘ Over de bezoeken van de ex-keizer schreef Ursula Chichester eerder op 16 augustus 1982 met de mededeling dat het Nederlands haar lievelingstaal was, ofschoon na 40 jaar veel vergeten, ‘These were always very simple and ‘gezellige’ events. On leaving Doorn the Kaiser’s  secretary telephoned the Hartekamp at what time the Kaiser could be expected at the Hartekamp. This was done so that my mother and I could be ready to receive the Kaiser at the front door rather than being in the garden. At no time there was an ‚erewacht‘  van tuinlieden. Neither was there ever a great banquet but always a 3 course lunch. The Kaiser was a simple man in his habits and dinner or lunch parties at Doorn were always simple. Incidentally the Kaier came for more than one hundred visits. My mother enjoyed giving dinner parties mainly for diplomats and het Dutch friends. She also had houseparties during the summer consisting of ‘”gezellige vrienden” of her age group als well as mine. At no time could she not live without guests. What she liked best was to receive international  curators  and directors of art galleries who were taken by her and by me to all the Dutch museum.

Herinneringen aan de kunstcollectie van de Hartekamp van een kunsthistorica

In de Heemsteedse Courant van 27 september 1973 publiceerde een kunsthistorica onder de initialen H.H. een artikel over haar herinneringen aan de kunstverzameling van een bezoek omstreeks 1928. ‘Ik was destijds studente in de kunstgeschiedenis en ons kleine groepje bezocht onder leiding van de betrokken hoogleraar de beroemde kunstverzameling van de Hartekamp, daarom had hij gemakkelijk toegang; in andere gevallen was een schriftelijke verklaring van de direktie van het Rijksmuseum nodig om de kollektie te bezichtigen. Onze professor was van het joviale soort – een uitzondering in die dagen – en in de trein erheen zei hij: “’t Is een mooi wijf, maar ze is op retour.” en dat haar fabelachtig fortuin iets te maken had met de enorme bezittingen in Argentinië, o.a. vleesfabrieken en de handel in Argentijns bevroren rundvlees. Mevrouw von Pannwitz wachtte ons op, begroette de hoogleraar als een oude bekende, en daarna ons. Ze sprak Duits, deze Argentijnse. Ik zie haar voor me als een slanke dame in een simpele dure japon van geel frotté, en ze leek me een jaar of vijftig. Na de ceremonie van de voorstelling was er nog een kort gesprek en toen verontschuldigde zij zich, zij moest zich weer bij haar logés voegen. Daarna hebben wij haar niet meer gezien. Toen begonnen we te drentelen van de ene zaal in de andere, van de ene gang of kamer in de andere, met stomheid geslagen door de ontzaglijke omvang van de kollektie niet alleen,  maar ook door de exquise kwaliteit en de zeldzaamheid van de afzonderlijke stukken. Eigenlijk kon men niet spreken van een verzameling in de gewone zin beperkt tot één kunstsoort, bijv. sculptuur, of schilderijen, of porselein, maar hier was alles kunst: gobelins, tapijten, meubels, schilderijen, beeldhouwwerken, porselein, kristal, smeedwerk aan hekken en ramen, betimmeringen, lichtkronen. We maakten wel meer kunstexcursies in die tijd, maar nooit heb ik meegemaakt, dat iemand werkelijk tussen zijn kunst leefde. En het grootste wonder was misschien wel, dat heel het huis een intieme gezelligheid uitstraalde. Nog lange tijd daarna ben ik diep onder de indruk gebleven en kon ik eigenlijk nooit de Hartekamp geheel vergeten. Daar droeg ook wel een beetje toe bij, dat ons thee met cake werd geserveerd door twee huisknechts in livrei, met kuitbroek en al, terwijl we gezeten waren  in hoge, eeuwenoude stoelen en boven ons hoofd een blauw-en-gouden kassettenplafond straalde, zó overgebracht uit een Florentijns paleis. In een lager gedeelte van het huis bevond zich het eigenlijk museum: veel schilderijen, o.a. Vlaamse en Hollandse primitieven, Rembrandts en andere 17e eeuwers, veel beelden, waarbij ik meen houten beelden van Riemenschneider  gezien te hebben. Eén van de mooiste herinneringen bewaar ik aan het porseleinkabinet, een onmiddellijk achter de hal; gelegen zeshoekig vertrek, de wanden één spiegeling van glas, waarachter het zeldzaamste porselein was bijeengezet. Vanuit dit fonkelende hart van het huis keek je de uitgestrekte tuin in, waar we een aantal mensen zagen wandelen, de logés kennelijk. In één van de salons stond op een lage tafel een gesigneerd portret van de laatste Duitse keizer, een vriend van het huis. Hij had er met zijn Hermine zelfs vaste logeerkamers, en ook onze prins prins Hendrik kwam er. De groten der aarde waren menigmaal de gasten van mevrouw von Pannwitz. Hieruit blijkt, dat deze Duits-Argentijnse schoonheid behalve onwaarschijnlijk rijk, ook een vrouw van grote allure geweest moet zijn (…)’

 Piet van der Linden

In 2004 heeft Veronica Handgraaf verschillende personen geïnterviewd en hun herinneringen verwerkt in een serie ‘Hillegommers vertellen’. Onder hen Piet van der Linden van het gelijknamig transportbedrijf waarbij ook enkele malen de Hartekamp en mevrouw von Pannwitz ter sprake komen: Citaten: ‘Op het Vogelenzangse station stopten in die vooroorlogse jaren 36 treinen per dag. Er werd dan expresgoed en snelgoederen aangeleverd en Van der Linden moest zorgen voor de bezorging. Het is in deze tijd nauwelijks meer te geloven, maar het kwam voor dat heen en weer gereden moest worden naar mevrouw von Pannwitz op de Hartekamp met twee dozen aardbeien of kersen!  Dat was snelgoed en dat mocht niet blijven staan. Ze had ook iedere veertien dagen een bestelling met nieuwe schoenen. En iedere maand kisten met Franse wijn, die in totaal 850 kilo wogen!  Piet moest die in zijn eentje allemaal naar de wijnkelder sjouwen, die onder het hele huis doorliep. Wijnrekken tot het plafond, hij ziet het nog voor zich. Hij zat soms drie of viermaal op één dag op de Hartekamp, want als er geen fruit was, dan waren er wel bloemen te brengen. De kleinere bestellingen konden per fiets worden geleverd. Het was overigens geen wonder, dat de bewoonster grote bestellingen plaatste, want aan tafel zaten voortdurend hoge gasten. De Duitse keizer kwam graag bij mevrouw von Pannwitz en Prinses Juliana en haar verloofde waren er eveneens regelmatig op bezoek. “Er werd veel getennist en omdat ze ons kenden werd ons gevraagd, of mijn broer en ik op zaterdag en zondag ‘ballenjongens’ wilden zijn. Wij rolden de ballen naar degene, die opsloeg. Het was leuk om te doen”. Van der Linden kent overigens een detail, dat tekenend was voor de opvattingen in die tijd. Een verloofd paar mocht nooit onder één dak slapen. Dat gold ook voor Juliana en Bernhard. De prinses sliep dus in het grote huis, maar haar verloofde moest zich dan tevreden stellen met een kamertje boven de stallen.’ (…) Op de Hartekamp stond een schitterend en kostbaar Saksisch servies in de vestibule. Toen er oorlog dreigde moest dat servies in handkoffers vervoerd worden naar een kluis in Amsterdam. “Een koffer per keer!” lacht Piet. Het kostte dus heel wat tijd voor alle onderdelen in veiligheid waren’. (…)

Mevrouw H.M. Mooijman-Packhäuser

Tijdens de presentatie van het Hartekamp-boek in 1982 was Ursula von Pannwitz, gravin van Chichester, de eregast. Ik vertelde haar een brief te hebben ontvangen met het bericht van prins Bernhard dat hij verhinderd was aanwezig te zijn, waarop zij veelzeggend antwoordde: ‘typisch Bernhard’.

Na afloop schreef zij de volgende dag  op zondag 28 november vanuit het Amstel-hotel in Amsterdam: ‘Het is mij een behoefte u vóór mijn vertrek naar Engeland te zeggen hoe oneindig dankbaar ik ben voor de fantastische ontvangst en alles wat er mee te doen had gisteren. Ik was niet alleeen verrast maar ook ontroerd over de moeite die u en uw collega’s bij dit feest zich getroost hebben. Nooit had ik zulk een hartelijke ontvangst verwacht. Het ontroerendste moment was toen een ex-kamermeid mij omhelsde. Helaas weet ik haar naam niet meer. Zij zeide: “Ik ben Hedwig, getrouwd met een Nederlander. Ik zou het erg op prijs stellen mocht u mij de naam van dit echtpaar laten weten.’  

Bedoelde vrouw was in betrof mevrouw H.Mooijman-Packhäuser, woonachtig in Hillegom, die van oktober 1929 tot 1937 als kamermeisje op de Hartekamp werkte.  Ik sprak haar in 1994 toen zij 85 jaar was. Zij was geboren in Duitsland en is na de lagere school begonnen als dienstmeisje van gravin Von Kalmein in Kiljis nabij Koningsbergen in Oost-Pruisen. Mevrouw von Pannwitz die bezittingen had in Berlijn heeft haar tijdens een diner in Grunewald’ ontmoet en later naar Nederland gehaald. Tot 1936 verbleef zij intern op de Hartekamp en ontving ƒ 35,- per maand inclusief kost, werkkleding en inwoning. In dat jaar is zij gehuwd en heeft daarna nog enige tijd op part-time basis gewerkt. Ze bewaarde goede herinneringen aan de Hartekamp-periode. Men moest weliswaar hard werken, maar er was ook tussen het personeel onderling een goede band. Ook al was het personeel vanzelfsprekend niet van alles op de hoogte, ze bestreed de veronderstelling van sommige onwetende buitenstaanders als zouden binnen de muren van de Hartekamp onder de Haagse en Duitse hogere kringen orgieën hebben plaatsgevonden. Mevrouw von Pannwitz was volgens haar een hoogstaande vrouw, de beslist geen opspraak wenste en het is wel voorgekomen dat iemand die zich niet aan de regels van fatsoen hield werd ontslagen. Eenmaal per jaar met Kerstmis dineerde het personeel gezamenlijk met de eigenares en dochter en werden geschenken uitgedeeld. Mevrouw von Pannwitz wilde overigens onder geen beding haar verjaardag vieren en men mocht haar zelfs niet feliciteren. In de nissen van de vestibule stonden altijd verse bloemen, ’s winters uit de kassen. In de hal was ook een grote antieke Franse slee opgesteld. Bij hoog bezoek werd politie-escorte ingeschakeld en patrouilleerde een nachtwacht rond het gebouw. De voertaal op de Hartekamp was Duits, maar mevrouw von Pannwitz en Ursula spraken ook Spaans, Frans, Engels en Nederlands.

Mooijman

 

Dankprentje mw. Hedwig Margarethe Mooijman-Packhäuser, april 1996 in Hillegom overleden.

Na de diners met gasten, veel diplomaten en personen uit de kunstwereld, ontving het personeel de volgende dag de resten: reerug, kreeft, mosselen, oesters etc. De middenstanders in Bennebroek, evenals onder meer bakker Eicholtz te Haarlem, verdienden goed aan de Hartekamp. Uit Berlijn kwam vaak mevrouw Von Schwabach uit een bankiersfamilie over, die getrouwd met een Joodse man. Mevrouw Mooijman herinnerde zich dat prins Hendrik – nooit vergezeld door koningin Wilhelmina – altijd goed geluimd was en bovendien zeer royaal. Hij had soms de gewoonte de kameniersters een welwillend kneepje in de billen te geven. Hij kon zeer grappig zijn. Zo onthulde hij eens dat ‘Juliana niet van mai is’. Als je dan verrast vroeg: ‘van wie dan wel?’ zei hij ‘maar van april’, waarna een bulderende lacht van de prins volgde. Eens was hij al vertrokken, liet hij zijn chauffeur omkeren, toeterde en gaf het personeel alsnog een goede fooi. Prins Bernhard speelde graag tennis op de baan van het landgoed en overnachtte in één van de gasten-logeerkamers. Prinses Juliana sloot zich soms ’s avonds aan voor het diner. Mevrouw Mooij mocht dan haar mantel aannemen in de hal. Mevrouw Catalina von Pannwitz, soms gravin of baronesse genoemd, reisde veel en was regelmatig enige maanden in Argentinië, waar zij door de plaatselijke bevolking als een ‘vorstin’ werd behandeld. Ze verbleef ook regelmatig in Berlijn, Zürich en Beiroet, in welke laatste stad ze ooit is overvallen, zoals dat ook is gebeurd in 1935 tijdens een kuurbezoek aan Karlsbad (Karlovy Vary) in Tsjechië.

ddd_011184506_mpeg21_p005_image

(Bericht over overval op mw. von Pannwitz in Karlsbad, uit Nieuwe Tilburgsche Courant, 10-8-1935)

In de Hartekamp is in haar tijd nooit ingebroken. Mw. von Pannwitz had een nachtveiligheidsbeambte in dienst die van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens zes uur de ronde deed.  De rijke weduwe is afgezien van twee overvallen in Libanon en Tsjechië, nimmer iets ergs overkomen, afgezien ook van een ongeluk met de Olympia op de Kaag in 1930 waarbij ook keizer Wilhelm was betrokken en gravin Lehndorff uit Prein en graaf Hermann Dondorf uit Friedenstein ernstig gewond raakten. De inval van de nazi’s betekende voor haar feitelijk het einde van haar geliefde Hartekamp en dito kunstcollectie.

ddd_010661393_mpeg21_p002_image

(Uit:  Algemeen Handelsblad, 19-6-1930)

Over het ongeluk op de Kaag is gepubliceerd in diverse Nederlandse kranten, zoals het Amersfoortsch Dagblad / De Eemlander van 21 juni 1930 met het volgende bericht, waarin overigens voornamelijk bijzonderheden over de gastvrouw voorkomen: ‘Vanzelfsprekend vormt het motorongeluk op de Kagerplassen, waarbij ook de ex-keizer van Duitsland tegenwoordig was, een onderwerp van bespreking in het merendeel der Duitse bladen. Wij lezen daarin o.m. nog de volgende bijzonderheden over de gastvrouw die het uitstapje arrangeerde. Mevrouw von Pannwitz is de tweede vrouw van de overleden advocaat dr. Walther von Pannwitz, die in zijn eerste huwelijk getrouwd was met de dochter van de uitgever van de Maagdenburger Courant, Hedwig Faber.  Mevrouw von Pannwitz, die in Rostock (Duitsland) geboren is, ging in haar prille jeugd met haar ouders naar Argentinië, waar de familie in de staat Buenos Aires een der grootste farms bezit. Zij heeft voorts een fraaie villa in het Grunewald bij Berlijn, die ingericht is als een museum. Vooral haar verzameling oud-porselein vertegenwoordigt een grote waarde.  In de zomer houdt mevrouw von Pannwitz zich meestal op in de omgeving van Haarlem op haar bezitting de Hartekamp. Zij verkeert veel in vroegere Duitse hofkingen. Haar 19 jarige dochter Ursula werd al diverse malen beschouwd als de toekomstige verloofde van een van de zoon van de ex-kroonprins. Zowel prins Wilhelm als prins Louis Ferdinand worden genoemd als mededingers naar de hand van de schatrijke Duits-Argentijnse. De feestelijkheden die mevrouw von Pannwitz in haar villa in Grunewald pleegde te geven behoren tot de glanspunten van het Berlijnse winterseizoen’.

Eenmaal werd door personeelsleden die te diep in het glaasje hadden gekeken, mogelijk uit opkomende afgunst, het plan beraamd haar iets aan te doen. Doch een nuchtere aanwezige wist het idee als snel in de kiem te smoren. Na het vertrek heeft mevrouw Mooijman nog eenmaal een kerstpakket ontvangen. Zoals gezegd heeft zij de toen 71-jarige Ursula na 45 jaar voor het laatst gezien tijdens de memorabele presentatie van een boek over de Hartekamp op 27 november 1982. Zij is in 1996 op 86-jarige leeftijd  overleden.

Scan1466

Berichtgeving  van huwelijk Ursula von Pannwuitz met John Pelham, graaf van Chichester, in tijdschrift  ‘Stad Amsterdsam’, 1940, nr.15.

Het bruidspaar Pelham-von Pannwitz na de huwelijksvoltrekking in de kerk van Bennebroek

Scan1471

Uit tijdschrift Stad Amsterdam, 4-4-1940

Ten slotte: omdat de enige zoon van Ursula, de in 1944 geboren John Nicholas Pelham, 9e graaf van Chichester, geen zonen heeft, zal deze na zijn overlijden vermoedelijk worden opgevolgd door Richard Anthony Henry Pelham, een achterkleinkind van de vijfde graaf van Chichester en achter-achterneef van de huidige graaf. De enige dochter van John Nicholas Pelham is lady Eliza Pelham, geboren in 1983. Zij is op 25 juni 2011 getrouwd met doctor Douglas de Jager, -die zijn vanuit haar studietijd in Oxford kende – in de kathedraal van Salisbury, een huwelijk dat in de Britse boulevardpers opzien baarde vanwege haar sexy trouwjurk.

Pannwitz

Gegevens over huwelijkfilnpje Ursula von Pannwitz met John Pelham, graaf van Chichester. (Beeld en Geluid Hilversum)

Huwelijksfoto van John Buxtom Pelham, achtste graaf van Chichester en Ursula von Pannwitz, genomen op de Hartekamp (Sieghard von Pannwitz)

Foto van Ursula Pelham-von Pannwitz omgeven door bloemen na de huwelijksplechtigheid op de Hartekamp (Sieghard von Pannwitz)

(Uit: Trouw, 19-8-1952)

Selectie van voornaamste geraadpleegde bronnen en literatuur:

-Heemstede-collectie: Hartekmap/Von Pannwitz (Noord-Hollands Archief, locatie Kleine Houtweg)

-site Delpher (Koninklijke Bibliotheek)

-site krantenviewer van het Noord-Hollands Archief

-Restitutiecommissie kunst Tweede Wereldoorlog. Advies inzake Von Pannwitz, 6 april 2009.

– Hartekamp/Von Pannwitz in ‘Heemstede-collectie, Noord-Hollands Archief Haarlem.

– Correspondentie en mondelinge informatie van mw. Ursula Chichester-von Pannwitz en mw. Lili Vera Collas-Gutmann;

– Gesprekken met o.a. mevrouw J.C.M.de Graaff-Savenije (1983) en mevrouw H.Mooijman-Packhause (1994);

– Delpher [= krantenbanksite van de Koninklijke Bibliotheek];

– Internet, o.a. Worldcat; ‘Advies inzake von Pannwitz. Restitutiecommissie’, dossier 1.80 (6 april 2009); Geheugen van Nederland; Europeana; krantenbank Noord-Hollands Archief; Hillegommers vertellen  [ook in boekvorm verschenen];  the peerage, a genealogical survey of the peerage of Britain (…); Rijksmuseum  Amsterdam

-E.Heldring. ‘”herinneringen, dagboek van Ernst Heldring 1871-1954.Groningen, 1970, p.1205-1206.

– Uittreksels uit politiearchief gemeente Heemstede;

– H.P.Baard. Kunst in schuilkelders. Den Haag, 1946;

– Zes artikelen over de Hartekamp, mevrouw Catalina von Pannwitz en dochter Ursula, in de Heemsteder van 12 oktober tot en met 30 november 1996;

– Die Sammlung von Pannwitz. München, Kunst- und Kunstgewerbe des XV – XV111. Jahrhunderts. [Walter von Pannwitz; Ernst von Bassermann].München, Helbing, 1905.

-Sieghard von Pannwitz. Zwischen Rembrandt und Kaiser Wilhelm. Das Glamourröse Leben der Catalina von Pannwitz (1876-1959). Osnabrück, Eigenverlag, 2019.

-Rudolf M.Heilbrunn. ‘Im Andenken an Frau Von Pannwitz’In Weltkunst, 29, 1949, 16, S.14 [ook p.4].

Pann1

Een van de foto’s uit veilingcatalogus von Pannwitz, 1905 (Deutsche Digitale Bibliothek)

– Max J.Friedländer (herausgegeben), Die Kunstsammlung von Pannwitz. Band 1 Gemälde. München, Verlag F.Bruckmann, 1926.

Kunstsammlung

De twee kloeke boekbanden betreffende de Hartekamp-collectie, samengesteld door de eminente kunsthistorici Max Friedländer en Otto von Falke

– Otto von Falke (herausgegeben), Die Kunstsammlung von Pannwitz. Band 11 Skulpturen und Kunstgewerbe. München, Verlag F.Bruckmann, 1925.

– Ruth en Max Seydewitz, Das Mädchen mit der Perle. Berlin, 1972;

– Het landgoed de Hartekamp in Heemstede; door Lucia Albers, A.J.Kramer, J.L.P.M.Krol en I.van Thiel-Stroman. Heemstede, Vereniging Oud  Heemstede-Bennebroek, 1982;

Scan1476

Vooromslag vanhet boek door Dora Heinze over de geschiedenis van het Slothotel [Palast Pannwitz] in Grunewald, Berlijn.

Scan1427

Mw. Ursula Chichester-von Pannwitz na de presentatie van het Hartekamp-boek in 1982 met de vier auteurs (Heemsteedse Koerier)

de Hartekamp; instituut voor geestelijk gehandicaptenHeemstede, 1971.

– Veronica Handgraaf, Hillegommers vertellen. 1984.

– Wim Klinkenberg, Prins Bernhard: een politieke biografie. 1986. 3e druk ;

Vooromslag van boek; Prins Bernhard; een politieke biografie, waarin verscheidene gegevens in relatie tot mw. Von Pannwitz uit de Amerikaanse archieven zijn opgedoken (1)

(1) Zo ontdekte hij in de National Archives te Washington dat een oorlogsvriend van Prins Aschwin, de Duits-Argentijnse industrieel en  grootgrondebezitter Alfredo Hirsch (in 1956 overleden als president van de wereldwijde firma Bunge y Born Ltda)  nog in 1949 geld overmaakte aan koningin Juliana afkomstig van de Argentijnse  bankrekening van Catalina von Pannwitz (pagina 460),

– Adriaan Venema, Kunsthandel in Nederland 1940-1945. 1986;

-JA.de Jonge. Wilhelm 11 Keizer van Duitsland. Amsterdam, 1966;

-P.J.Bussen, De laatste Duitse keizer woonde in Nederland; hoe een Duitse dynastie zijn einde vond in ons land. Schoorl, Pirola, 2013.

– Dora Heinze, Das Schlosshotel im Grunewald; Geschichte eines Adelspalais. Berlin, 1997;

– Annejet van der Zijl, Bernhard een verborgen geschiedenis. Querido, 2010;

– Sigurd von Ilsemann, Wilhelm 11 in Nederland. Dagboekaantekeningen bezorgd door Jacco Pekelder en Wendy Landevé. Aspekt. 2015;

– Bert Wagendorp, De Argentinië-connectie, De Volkskrant, 19-12001;

– Igor Cornelissen, Vrij Nederland 9-10-1976 en 16-10-1976: over de merkwaardige relatie van prins Bernhard en kunsthandelaar Alois Miedl;

– Gerard Aalders, Roof; de ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Den Haag, SDU, 1999.

– Simon Goodman, De wolven namen alles mee; op zoek naar de door de nazi’s geroofde kunstverzameling van mijn familie. Amsterdam, Neulenhoff, 2015 [oorspronkelijke titel: The Orpheus Clock. Scribner, 2015].

-Annejet van der Zijl. Bernhard; een verborgen geschiedenis. Amsterdam-Antwerpen, Querido, 2010.

-Hartekampnummer. Nieuwsbrief VOHB, nummer 34, november 1982.

-De Verpleeginrichting “De Hartekamp’; door C.Bregman, in: ‘Houdt U ook zo van Bennebroek?’ Bennebroek, 1972.

Veelzijdig in zorg Stichting de Hartekamp, circa 2000

-Sieghard von Pannwitz. Zwischen Rembrandt und Kaiser Wilhelm; das glamouröse Leben der Catalina von Pannwitz (1876-1959). Eigenverlag, 2019.

N.B.Vanwege een aantal onzekerheden is geen gebruik gemaakt van een biografie over prins Bernhard door de historicus  Kikkert, die op basis van informatie van een geheim agent publiceerde dat prins Bernhard 28 februari 1943 met anderen vanuit Canada naar Ascunsion in Paraguay vloog en 1 maart zelf naar het vliegveld Mariano Moreno in Argentinië, hetgeen overigens overeenkomt met de vermelde herinneringen van Dietmar von Pannwitz . Drs. C.J. (Kees) van der Sluijs deed onderzoek naar de Nederlandse ballingschap (12.11.1918  rot 10-11-1923) van Wilhelm, laatste kroonprins van het Duitse Rijk en van Pruisen en oudste zoon van ex-keizer Wilhelm 11.Op basis van zijn research komt hij tot de veronderstelling dat niet de voormalig adjudant van de ex-keizer, C.L.E.graaf von der Goltz, maar Catalina von Pannwitz, de weg naar prinses Juliana heeft bereid en hem in dat geval moet hebben doorgespeeld naar Von der Goltz, die ze immers kende uit de directe omgeving van Wilhelm 11 en die – daar ging het juist om – tevens banden met het Nederlandse hof had [met uitzondering overigens van koningin Wilhelmina die zich terughoudend opstelde tegenover Doorn en in tegenstelling tot prins Hendrik ook niet mw.von Pannwitz op de Hartekamp bezocht]]. Daarnaast was de Hartekamp sowieso al jarenlang een plaats voor samenkomst van Duitse aristocraten en diplomaten. Een en ander zou terug te voeren zijn  op berichten als zou Bernhard Catalina al hebben gekend uit zijn jeugd. Als jonge jongen zou hij met zijn moeder en broer Aschwin regelmatig op de Hartekamp hebben gelogeerd, meestal nadat zij een bezoek hadden gebracht aan de voormalige Duitse keizer in diens huis te Doorn. Adelheid, prinses van Saksen-Meiningen, een schoondochter van de keizer, was een volle nicht van prins Bernhard. Aldus Kees van der Sluijs, in een schrijven van 27 juni 2007.

In het Noord-Hollands Archief zijn aanwezig onder Landgoed de Hartekamp Heemstede, inventaris 3861, o.a. de akten, nummer 187= afgegeven door de notaris mr.C.J.Boerlage, inzake veiling en toewijzing van de Hartekamp, 14 juli 1921; 188= akte verkoop grond door mw.von Pannwitz-Roth in verband met verbreding Herenweg, idem 189= akte verkoop grond voor verbreding weg aan het rijk, 10 juli 1928; akte 190= kopie verkoopakte door notaris W.H.Lubbers van de Hartekamp aan de Vereniging der Broeders Penitenten door mw. Von Pannwitz-Roth, 20 april 1952.

In het Nationaal Archief Den Haag is aanwezig onder nummer 2.14.73: inventaris OCW/Oudheidkunde en Natuurbescherming; particuliere verzamelingen, nummer 898: collectie mevrouw C.von Pannwitz Heemstede 1923-1951.

Vooromslag van boek door Simon Goodman ‘De wolven namen alles mee’ (Amsterdam, Meulenhoff, 2015). Op p.85-86 schrijft de auteur, kleinzoon van de tijdens WO II vermoorde bankier en kunstverzamelaar ‘Fritz Gutmann en diens echtgenote: ‘(…) Fritz en Louise hadden ook nauwe omgang met hun buurvrouw Catalina von Pnnwitz. De jonge Bernard en Lili kenden haar als tante Käthe. Catalina was een opvallende schoonheid, de in Duitslnd geboren dochter van een teenrijke Duits-Argentijnse veebaron. Haar veel oudere echtgenoot, Walther von Pannwitz, een vooraanstaande en even rijke Berlijnse advocaat, was rechtskundig adviseur en vertrouweling geweest van de Duitse keizer. Toen Wilhelm II gedwongen in ballingschap ging, volgden de von Pannwitzen [d.w.z. de weduwe en dochter] hem plichtgetrouw. De Kaiser, die bijna uit Holland was uitgewezen [blijkens recent archiefonderzoek was koningin Wilhelmina betrokken bij zijn komst naar Nederland] en als oorlogsmisdadiger voor een geallieerd oorlogstribunaal had moeten verschijnen, ging vaak vanuit zijn  kasteel in Doorn, op bezoek bij de Von Pannwitzen op hun landgoed de Hartekamp. Nadat Walther in 1920, werden  de bezoekjes van de Kaiser aan de nog altijd mooie weduwe Catalina nog frequenter. Talloos waren de roddels over een verboden affaire tussen de Kaiser en de erfgename (…) Op pagina 119 schrijft Goodman: ‘Fritz was zich zeer bewust van de lange arm van de Gestapo en de Duitse inlichtingendiensten, tot zelfs in Nederland. Tante Lili  herinnert zich dat hij haar waarschuwde niet over politiek te praten als ze bij tante Käthe op de Hartekamp op bezoek ging. Hoewel nog maar een tiener,was ze vurig antinazi. Fritz vermoedde, volkomen terecht, dat Catalina von Pannwitz’ butler een nazispion was (…)’. [uit Heemsteedse politierapporten is bekend dat de Duitse huismeester van de Hartekamp Ludwig M.Priebe (geb.17-11-1886] een aanhanger van de  nazi’s was].

..Juliana en werd hij Prins der Nederlanden, een connectie die tijdens de Tweede Wereldoorlog impact op mijn vader heeft gehad (…)’ Uit: Simon Goodman, De wolven namens alles mee. Amsterdam, Meulenhoff, p.96-97.

Selectie van tijdschriftartikelen betreffende werken uit de Hartekamp-kunstcollectie van Catalina von Pannwitz in de Hartekamp

-H.U.Beck. Jan van Goyens Handzeichungen als Vorzeichungen. In: Oud Holland, 1957, p.24 + 250

-K.G.Boon. Geertgen tot Sint Jans of Mostaert. In: Oud Holland, vol.81, 1966, nr.2, p.61-72.

-R.Langton Douglas. La Vierge à la Soupe au Lait by Gerard David. In: The Burlington Magazin for Connoisseurs,ol.88,dec.1996, p.288-293.

-Ralph Edwards. English miniatures at the Louvre. In: The Burlington Magazine for Connoisseurs, vol. 72, May 1938

-Paul L.Grigaut. Rococo. In: Bulletin of the Detroit Institute of Arts, vol.40, 1961-1962, p.59-62.

Marck

Jan Corneliszoon Vermeyen: Erard de la Marck, circa 1528-1530.

-B.Haak. Het portret van Erard de la Marck door Jan Cornelisz. Vermeyen. In: Bulletin van het Rijksmuseum, 1963, nr.1, p.11-19.

-B.Haak. Het portret van Pompejus Occo door Dirck Jacobsz. In: Bulletin van het Rijksmuseum, 1958, nr.2, p.27-37.

Jacobszoon

Dirck Jacobszoon (1483-1537): bankier Pompeius Occo uit Augsburg.  Door mw. von Pannwitz verkocht aan kunsthandel/veilinghuis Rosenberg & Stiebel in New York , die het doek verkocht aan het Rijksmuseum Amsterdam
-Th.H.Lunsingh Scheurleer. French Eigteenth-Century Furniture. in: Holland. In: Burlington Magazine for Connoisseurs, vol.76, Jan.1940, nr.42.
-P.Otten. Twee Oosterse tapijten in het Rijksmuseum. In: Bulletin van het Rijksmuseum, 1954, 2, p.29-34.
-A.van Schendel. De boom van Jesse en het probleem van Geertgen tot Sint Jans. In: Bulletin van het Rijksmuseum, 1957, nr.3, p.75-83.
A.Staring. Vraagstukken der Oranje-Iconographie 11. Rondom twee portretten door Jan Gossaert van Mabuse. In: Oud Holland, 1952, nr.3, p.144-156.
-J.FM.Sterck en D.Wouterszoon. Aanteekeningen over 16de eeuwsche Amsterdamsche portretten. In: Oud Holland, vol.43, 1926, p.249-266.
-Marcus Whiffens. A note on Thomas White of Worchester. In: The Burlington Magazine for Connoisseurs, vol.84, May 1944.
Hans Krol

 

Zeldzaam Meissen-porselein uit circa 1735-1740, collectie C. von Pannwitz, in 2012 geveild bij Sotheby’s.Meissen1

boekband

Boekband ‘The Crucifiction, Frans (Limoges) uit omstreeks 1200. Beschildering koper op hout. Door mw. von Pannwitz geveild bij Rosenberg & Stiebel, New York.

Voor meer foto’s betreffende Hartekamp, Catalina von Pannwitz, keizer Wilhelm 11 e.d. zie:  ilibrariana.wordpress.com/2013/06/19/nieuw-boek-over-keizer-wilhelm-11

Linneausbeeld

Bronzen Linnaeusbeeld van W.M.Retra, op 23 mei 1907 geplaatst in de voortuin van de Hartekamp ter gelegenheid van de tweehonderdste geboortedag van Carolus Linnaeus (Linné) die hier werkzaam was als prefect van de tuinen en natuurhistorische verzamelingen, tevens als lijfarts van eigenaar George Clifford tussen 1735 en 1737

poort3

Vroegere toegangspoort naar de Hartekamp

 

zonnewijzer

Zonnewijzer op terrein van de Hartekamp (Floor Keijzer, 2013)

 

hert

Sculptuur van een hert op het landgoed de Hartekamp

klok

Bovengevel met klok en een hert als windvaan, de Hartekamp Heemstede

 

prieel

Prieel op de Hartekamp, afkomstig uit de achtertuin van een Amsterdams grachtenhuis

pergola

Pergola in tuin van de Hartekamp (in 1909 ontwotpen door tuinarchitect H.A.C.Poortman) met zonnewijzer (foto rijksmonumenten)

oranjerie

Door J.D.Zocher sr. gebouwde oranjerie op landgoed de Hartekamp (foto rijksmonumenten)

interieurInterieurfoto Gouden zaal de Hartekamp (1960) 

Hartekamp

De Hartekamp, circa 1970

achterzijde1

Achterzijde van hoofdgebouw de Hartekamp (architectenbureau De Vries)

Hart15

De voorgeschiedenis van de Hartekamp begint omstreeks 1650 met een bescheiden (boeren-)hofstede genaamd Thorenvliet. In 1693 is postmeester Johan Hinloopen uit Amsterdam bouwmeester van het herenhuis. Bovenstaande plattegrondtekening is in 1708 vervaardigd door landmeter Maurits Walraven. Linksonder een tekening van achterzijde ‘Gezight van de Lijdse trek-vaart; rechtsonder voorzijde met ”t Gezight vande Heere-wegh’  (Noord-Hollands Archief)

hart13

In het kader van de achterstandsregeling is in 2008 een Cascorestauratieplan vervaardigd door bouwburo Vitruvius bv in Asperen. Dat betrof het herstel van het monumentale gevelstucwerk, vervanging van het grootste gedeelte van de lood- en zinkwerken. Tevens zijn alle vensters gerestaureerd en geschilderd en zijn de natuurstenen trappartijen in  die fase meegenomen. De uitvoering vond voornamelijk plaats door aannemersmaatschappij Scheurer in Amsterdam.

hartekamp2

Vooraanzicht van hoofdgebouw de Hartekamp, tegenwoordig in  okergele kleur zoals ook in de 19e eeuw het geval was. Het middendeel is in 1693 gebouwd in opdracht van toenmalig eigenaar Johan Hinloopen, postmeester van het Antwerps Postcomptoir.

Hart11Beeld van Flora, godin van de andbouw en bloemen (foto René en Pieter van der Krogt)

 Hart10

Stenen beeld van Diana, godin van de jacht met een hert  (foto René en Pieter van der Krogt)

BIJLAGE 1: BEKNOPTE BIOGRAFIE WALTER VON PANNWITZ

 

Pannwitz1

Portret Walter von Pannwitz (Dora Heinze)

Walter Sigismund Emil Adolf von Pannwitz is 4 mei 1856 in Mehlsack, Oostpruisen) geboren en op 8 november 1920 in Buenos Aires, Argentinië, overleden. Hij was een Duitse advocaat, burgemeester, kunstverzamelaar en mecenas. Ereridder van de Johanniterorde,

Pannwitz stamde uit een Oberlausitz-Schlesisch adellijk geslacht, dat in 1276 voor het eerst wordt genoemd. Hij trouwde op 6 januari 1893 in Marburg aan de Lahn met Hedwig Faber (1867 geboren in Magdeburg). Dit huwelijk eindige in een scheiding op 20 december 1907 in München. Hij hertrouwde  26 mei 1908 in Dresden met Catalina Roth (* 3 september 1876 in Rostock, overleden 20 mei 1959 in Long Crumples, Engeland, maar volgens haar zoon in Zürich).

Walter von Pannwitz maakte in München naam als scherpzinnig advocaat in strafprocessen. Artistiek was hij zeer begaafd, schreef toneelstukken en was bevriend met de acteur Ludwig Thoma (1867-1921). In deze periode is hij benoemd tot burgemeester van Kulmbach, waar hij vanaf 1888 met succes een ingrijpende bestuurswijziging doorvoerde.

Al in zijn jonge jaren begon von Pannwitz kunstwerken te verzamelen In 1905 liet hij in München bij een veilinghuis zijn porseleincollectie veilen, die belangstelling trok uit alle delen van Europa en zelfs de Verenigde Staten.

Uitstalling van veiling antiek- en kunstvoorwerpen bij veilinghuis Helbing in München, 1905:

Pannwitz10

sammlung

Veilingcatalogus Kunst- ind Kunstgewerbe des XV-XVIII. Jahrhunderts. München, Helbing, 24-25 Oktober 1905

In 1908 trouwde hij voor de tweede maal, nu met Catalina Roth, wier vader Friedrich Roth (in 1906 overleden) en oom Carlos Roth omvangrijke landerijen in Argentinië in bezit hadden (1). De liefde voor de kunst verbond hen, al voor haar huwelijk had zijn echtgenote een belangrijke schilderijenverzameling bijeengebracht. Na hun huwelijk zijn beide collecties samengevoegd en hebben zij deze in de volgende jaren verder uitgebreid. In 1910 is het echtpaar naar Berlijn verhuisd en gaven zij de Münchense bouwmeester German Bestelmeyer (1874-1942) opdracht  om in overeenstemming met hun wensen een groot huis te bouwen op een terrein in de wijk Grunewald van 2,2 hectare. In 1912-1913 kwam een woonhuis annex museum gereed in de stijl van het neoclassicisme. In 1914 bezocht keizer Wilhelm 11 voor de eerste keer het Palais Pannwitz en ontstond een hechte vriendschap. Toen Wilhelm 11 in 1918 exil vond in Nederland volgde Catalina von Pannwitz hem  in 1921 na het overlijden van haar echtgenoot. Zij verhuisde  met dochter Ursula en de kunstcollectie naar een buitenplaats tussen Heemstede en Bennebroek. De Hartekamp werd met haar komst een maatschappelijk centrum van de Europese aristocratie. Een bijzondere vriend van het huis werd de Duitse keizer die sprak over ‘meine Freundin Panni’ en de Hartekamp tot 1939 in totaal 103 maal bezocht.

Bussen

De ex-keizer op theevisite bij mevrouw Catalina von Pannwitz en dochter Ursula op de Hartekamp in Heemstede (fotocollectie Pierre Bussen)

Het stoffelijk overschot van Walter von Pannwitz is bijgezet op het kerkhof Stahnsdorf bij Berlijn, waar zijn representatief graf vandaag de dag nog bestaat en in 1959 tevens zijn echtgenote is begraven.

 

 

 

 

graf3

 

Ruhestaette der Familie Von Pannwitz op Südwestkirchhof Berlijn

Palais Pannwitz in Berlijn-Grunewald is tijdens WO 11 aan het Duitse Rijk verkocht. Het behoorde tot een van de weinige huizen in Berlijn en omgeving die onbeschadigd uit de oorlog kwamen. Lange tijd heeft het leeg gestaan, maar tussen 1941 en 1945 was de Kroatische ambassade in het pand gevestigd. Na 1951 kreeg het een nieuwe bestemming als ‘Schlosshotel Gerhus’. Na de vereniging van Oost- en West Duitsland  hebben Poolse restaurateurs het grote huis omgebouwd tot een modern luxe hotel Grunewald met 43 kamers, waarbij Karl Lagerfeld het interieur onder handen nam. Talrijke ptominenten uit politiek en cultuur hebben hier intussen gelogeerd, o.a. Richard Chamberlain, George Bush, Willy Brandt,Sara Fergusson, Rita Hayworth, Gina Lollobrigida, Hildegard Knef, Romy Schneider, Demi Moore, Janet Jackson,  Joe Cocker, Elton John, Jose Carreras, sir Peter Ustinov, prins Nawaf Ben Abdul Asis, het nationale voetbalelftal van Duitsland tijdens de wereldkampioenschappen van 2006  etc.

 

Scan1479

Deze twee stenen putti, die de lente en herfst verbeelden zijn geplaatst in de periode van Walter en Catalina von Pannwitz in het Grunewald-pand en hebben de tijd overleefd (Dora Heinze)

In 1925-1926 verschenen in twee grootformaat-banden in opdracht van Catalina von Pannwitz de catalogi ‘Die Kunstsammlung von Pannwitz’, samengesteld door de eminente kunsthistorici Max J.Friedländer en Otto von Falke.  Aan Palais Pannwitz en het Slothotel Grunewald wijdde Dora Heinze in 1997 een boekuitgave.  (WIKIPEDIA)

(1) In de periode 1907-1909 verbleven Walter von Pannwitz en Catalina gedurende twee perioden in het (schoon)ouderlijk huis of in een hotel te Buenos Aires, wat o.a. te maken had met de verdediging van jurist Erik Pringsheim (1879-1909, in Argentinië overleden) en de verkoop van geërfde landerijen die Catalina bij het overlijden van haar vader had gekregen.

Erik Pringsheim te paard. Hij was een zwager van Thomas Mann, in 1909 is hij in Argentinië op mysterieuze wijze overleden.

Pringsheim was een bekende Duitse familie van joodse afstamming uit Silezië. Alfred Pringsheim gold als zeer vermogend en bouwde omstreeks 1890 een prachtige villa in neo-Renaissance stijl in München, wat een trefpunt werd van letterkundigen, musici en kunstschilders. De jongste dochter Katharina ‘Katia” Pringsheim (1883-1980) was getrouwd met de schrijver en nobelprijswinnaar Thomas Mann, die de familieverhoudingen in romans heeft verwerkt. Erik Pringsheim, jurist van beroep, was het zwarte schaap van de familie, die schulden maakte door met ongedekte checks te betalen en is min of meer verbannen naar Argentinië, waar hij o.a. zonder over voldoende kapitaal te beschikken een estancia aankocht dankzij een lening van zijn vader. Diens vrouw Hedwig reisde naar Argentinië om meer te weten te komen over het plotse overlijden van haar zoon Erik, waarvoor zij de echtgenote Mary verantwoordelijk hield.  en schreef haar bevindingen in een dagboek.

Erik

 

Mary (Maria) en Erik Pringsheim (1879-1909) in Argentinië  (Bild aus Artikel von Julian D. Delius und Julia A.M. Delius).

estancia.jpg

Verbeelding van een estancia in Patagonië, Argentinië, omstreeks 1900. Verkoop van een stier die bij opbod wordt verkocht. Terwijl het dier in het midden van de kring der gegadigden staat roept de afslager links de geboden prijzen luid en uiteindelijk, wanneer het bod voldoende is geacht en niemand hoger biedt, wordt de koop toegeslagen.

Voor de rechtbank werd Erik door Walter von Pannwitz verdedigd. De advocaat was  in 1899  succesvol geweest met het verdedigen van de auteur Frank Wedekind (1864-1918) die wegens majesteitsschennis tot zes maanden gevangenisstraf was veroordeeld. In 1902 heeft von Pannwitz op spectaculaire wijze voor de zogenoemde ‘Bayerische Robin Hood’ Mathias Kneissl verdedigd, voor wie hij  als advocaat was opgetreden. Het echtpaar von Pannwitz-Roth verbleef van november 1907 tot februari 1908 in hotel Phoenix in de Argentijnse hoofdstad. Teruggekeerd in Duitsland is het echtpaar in oktober 1908  met de stoomboot ‘König Wilhelm 11’ wederom naar Argentinië afgereisd. Ditmaal minder succesvol bij de verdediging van Erik Pringsheim die in 1909 onder mysterieuze omstandigheden kwam te overlijden (1). In dat jaar is het hart van de erfenis van haar vader (27 juni 1907 overleden in een schip op de Atlantische Oceaan ter hoogte van Senegal, op weg van een zeereis van Montevideo naar Hamburg)  de estancia ‘San Federico’, van ongeveer 7.000 hectare in Pergamino verkocht, wat de eigenlijke aanleiding zou zijn geweest voor laatstgenoemde Argentiniëreis, waarna men is teruggekeerd naar Berlijn.

Pergamino

Ligging van Pergamino, ten noordwesten van Buenos Aires in Argentinië

(1) Over de perikelen rond Erik Pringsheim is in het Thomas Mann Jahrbuch; 25 (2012), p.297-331 een essay verschenen van hand van de literatuurhistorici Julian D.Delius en Julia A.M.Delius,  onder de titel ‘Erik Pringheims Tod in Argentinien – ein bayrisch-puntanisch-schottisches Drama’. In 2009 verscheen bovendien een boek van Inge en Walter Jens: ‘Auf der Suche nach der verlorenen Sohn. Die Südamerika Reise des Hedwig Pringheim 1907/1908’, dat feitelijk over Erik Pringsheim handelt.

Estancia Pergamino

NASA-satellietfoto van estancia San Frederico [vernoemd naar vader Frederico Roth]van Catalina von Pannwitz-Roth, met 7.000 hectare het hart van de erfenis maar in 1908 verkocht

Een toegangshek naar estancia La Catalina, 1942, een herinnering aan Catalina von Pannwitz-Roth, gelegen nabij Diego de Alvear y Ponce de Léon, in de omgeving van Iriarte in het district Buenos Aires.

Coleen Scott:Legacy of Fame and Haras La Catalina (Arabian Horse Times, October 2009)

Erkenning voor Lady Georgina (Gina) Pelham, geboren in 1942, oudere zuster van John Buxton Pelham (geboren in 1944) en Ursula von Pannwitz, woont in Argentinië  waar zij met het landgoed  de Estancia ‘La Catalina’ beheert en zich bezighoudt met het fokken van Arabische paarden. Zij is in 1974 getrouwd met Helios Alberto Caranci (intussen gescheiden) uit welke verbintenis drie kinderen zijn geboren: Cecilia Catalina, geboren in 1976, Ursula Claudia, geboren in 1978 en Helios Nicholas, geboren in 1983.

BIJLAGE 2: fragmentgenealogie ROTH is te vinden in het boek van Sieghard von Pannwitz: Zwischen Rembrandt und  Kaiser Wilhelm (Osnabrück, 2019, p. 7-13: Die Roth’s in Argentinien.

Fragmentgenealogie Roth (boek Sieghard vomn Pannwitz, pagina 125)

 

Roth2

Een bekend geworden geleerde natuurwetenschapper en paleontoloog uit het geslacht Roth was de Zwitserse Argentijn dr. Kaspar Jacob (Jakob, James) Roth – in de wetenschappelijke literatuur bekend als Santiago Roth –  zoon van Johan (Jacob) Roth en Ursula Jacob Tobler. Geboren 14 juni 1850 in Hersisau, hoofdstad van het kanton Appenzell Ausserrhoden. In 1866 emigreerde hij met zijn vrouw Elizabeth Schütz en kinderen Friedrich en Karl naar Argentinië en vestigde zich in de kolonie van Zwitsers op de oever van de rivier Parana. Daar onderzocht hij fossielen en planten en publiceerde daarover. In 1871 verhuisde hij met zijn familie naar Pergamino. In 1878 verkocht hij een collectie fossielen uit Patagonië aan de Deen dr. Laussen, tegenwoordig aanwezig in het Zoölogisch museum van de universiteit Kopenhagen. Van 1895 tot zijn overlijden in 1924 was Santiago Roth afdelingshoofd van het natuurwetenschappelijk museum der universiteit van La Plata.

Roth1 

Op 28 november 2008 is in het museum van Baradero een ‘Sala Santiago Roth’ geopend (foto Daniel Buey)

Anton FRIEDRICH [Frederico] Hermann Roth is in 1839 te Wardenburg geboren en in 1906 omgekomen in de Atlantische Oceaan. Hij was in 1873  gehuwd met Anna Carolina  Mathilde Auguste Eduarde Spangenberg (1844 (of 1842?) geboren, overleden in 1900 te Rostock. Friedrich Roth was zoon van Anton Friedrich Christian Roth (1802-1869) en Lucie Friederike Treibs. Andere zoon was CARL [Carlos] Gottlieb Wilhelm Roth (1841-1902).

Roth

Emigratiekaart van Friedrich Roth. Hij reisde op de stoomboot Cap Verde van Hamburg naar Buenos Aires

Beiden vestigden zich na 1859 in Argentinië en waren succesvol in zaken door landerijen te verwerven. Tegen 1900 bezaten ze ongeveer 100.000 hectare. Friedrich woonde op het adres Septemberplein 11 in Buenos Aires [Mulhall Handbook, 1863]. Zijn dochter Catalina Caroline Friedericke Georgina Roth is in 1876 te Rostock geboren en op 20 mei 1959 in Long Crumples, Engeland – maar volgens haar zoon in Zürich – overleden.

Long Crumples

Het huis in Long Crumples, Engeland, waar Catalina von Pannwitz op 82-jarige leeftijd volgens foutieve bronnen in 1959 zou zijn overleden, want zij blijkt op genoemde datum in Zürich te zijn gestorven. 

Zij is in 1908 getrouwd in Dresden met Walter von Pannwitz. 23 november 1911 is in Berlijn geboren: URSULA  Katharina Cornelia Elisabeth von Pannwitz, op 25/26 maart in Heemstede/Bennebroek getrouwd met John Nicholas Pelham, graaf van Chichester. Hij is 21-2-1944 overleden en zij op 30 augustus 1989, beiden in Engeland. Uit het huwelijk zijn 2 kinderen geboren: Georgina  Jocelyn [= Gina] 7-6-1942 en John Nicholas Pelham (9e graaf van Chichester) op 14 april 1944. Laatstgenoemde huwde in 1975 met June Marijke Wells, uit welke verbintenis 1 dochter is geboren: Eliza Catherine Pelham (1983).

Pelham3

De gravin van Chichester (links), June Marijke Wells, Countess of Chichester, met haar enige dochter Lady Eliza Pelham, gefotografeerd bij het bezoek aan een tentoonstelling in Londen, 3 september 1998 (Pinterest)

 

Pelham4

Een joyeuze Lady Eliza Pelham (geb. 1983) tijdens een ‘Medico Beauty Coctail Party’, 15 april 2014 in Chelsea.  Zij is een kleindochter van Ursula Chichester-von Pannwitz en aldus achterkleindochter van Catalina von Pannwitz-Roth. 

dochter

Lady Eliza Pelham, in 1983 geboren als enige kind van John Nicholas Pelham, trouwde op 25 juni 2011 in de kathedraal van Salisbury met doctor Douglas de Jager, afkomstig uit Zuid-Afrika. Met haar outfit baarde ze veel opzien in de Britse pers (foto Dominic O’Neill)

Gina Pelham vestigde zich in Argentinië, waar zij een deel van de erfenis, de estancia ‘La Catalina’,  Diego de Alvear, Santa Fe, beheert met haar man na een huwelijk in 1974: Helios Alberto Caranci. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: Cecilia Catalina (*1976), Ursula Claudia (*1978) en Helios Nicolas (*1983).

Catalina1

 

 

Cecilia Catalina, acahterachterkleindochter van Catalina von Pannwitz-Roth trouwde in 2011 in Argentinië (foto Los Tiempas)

===========================================================

Ross

Een Nederlandse roman waarin Catalina von Pannwitz en dochter Ursula met eigen naam voorkomen is de thriller van Thomas Ross: Omwille van de troon. Cargo/De Bezige Bij, 2002.

Bijlage: selectie van in 1925 uitgegeven setje van prentbriefkaarten met afbeeldingen van antiek en kunstvoorwerpen op de Hartekamp, Heemstede:

Scan1669

Kunstsammlung von Pannwitz: boven:  Jacob van Ruisdael; onder: Adriaen Brouwer

Scan1670

Kunstsammlung von Pannwitz. Boven: Wandteppich; onder: A;tarleuchter und Marienfigur (Mittelalter)

Scan1671

Kunstsammlung von Pannwitz. Links: Bernart von Orley, rechts: Wantteppich

Har1

                                                  Kunstsammlung von Pannwitz: Albert Cuyp

Scan1672

Kunstsammlung von Pannwitz. Links Gerard David, rechts: Pieter de Hooch

Har2.jpg

                                          Kunstsammlung von Pannwitz: Gerard David

Rembrandt van Rijn zugeschrieben

Jan van Scorel

Scan1673

Kunstsammlung von Pannwitz, Hartekamp Heemstede. Links: Francesco Cossa, midden: Dirk Jacobsz. rechts: Lucas van Leyden.

Har3                                                   Kunstsammlung von Pannwitz: Porzellan

Bijlage: Herinneringen aan de Hartekamp in Bennebroek; door Kees van der Linden

Hartekamp2

‘Herinneringen aan de Hartekamp in Heemstede’ door Kees van der Linden (uit: Haarlems Dagblad van 22 maart 2004)

Linden

Marc van de Linden. De vrouwen van prins Bernhard. Carrera, 2011. Over: Ursula von Pannwitz, Frances Day, Kokke Gilles, Lady Ann Orr Lewis, Penelope Atkin, Alicia Weller, Juliana, Helene Lejeune, Cecile Dreesmann, Mildres. Gesprekken met Alicia – Alexia Grinda. Aangenomen wordt dat Alicia Webber, Alexia Grinda en Mildred Zijlstra buitenechtelijke kinderen zijn van de prins, alleen van laatstgenoemde heeft hij dat nooit in het openbaar erkend.

prins

Vooromslag van ‘De prins in Londen; Bernard 1940-1945. door J.G.Kikkert. Uit. Aspekt, 2004

Hoofdstuk STROESSNER EN ZORREGUIETA:  ‘(…) In de ochtend  na de landing in Belém vertrok Bernhard geheel onverwachts na een zeer vroeg ontbijt. Op deze wijze ontglipte hij aan zijn schaduw Pieter van Houten, die ter surveillance was meegestuurd. Tot zijn ontstemming kreeg deze veiligheidsfunctionaris bij het ontbijt te horen dat de prins in alle vroegte was vertrokken “als gast van de Braziliaanse regering” (178).  Gezien de omvang van Bernhards Zuid-Amerikaanse reis moeten er uitgebreide voorbereidingen hebben plaatsgevonden. Het lijkt zelfs niet onmogelijk dat de zogenaamd urgente reparatie aan Bernhards Mitchell slechts een afleidingmaoeuvre is geweest. De prins vloog eerst naar Asunción, de hoofdstad van Paraguay, een reis van ongeveer 2700 kilometer. Op zijn komst was gerekend. Ter begroeting stond een zekere Eelco de Wit op het vliegveld gereed. Hoogstvermoedelijk was hij een Nederlander. Hij vergezelde prins Bernhard bij zijn bezoek aan generaal Alfredo Stroessner, geboren in 1913 en toch al bevelhebber van de Paraguyaanse landstrijdkrachten. Hij was de zoon van een Beierse immigrant die in dit land een bierbrouwerij was begonnen. Jaren later trof een Duitse cameraploeg tijdens een interview op het schrijfbureau van Stroessner, inmiddels president-dictator van Paraguay, een gesigneerd portret van onze prins aan. Hierop waren de woorden ‘Bernhard’, ‘Lippe’ en ‘Freundschaft’ nog niet door de tand des tijds uitgewist. Stroessner oefende in Paraguay een berucht schrikbewind uit, dat duurde van 1954 tot 1989. Vanuit Asunción vloog prins Bernhard door naar Salta en Tuchmán in het subtropische noorden van Argentinië. Daar ontmoette hij de suikerplantage van een zekere Juan Zorreguieta oude bekenden: moeder en dochter Catalina en Ursula von Pannwitz. In de jaren dertig bewoonden de zeer bemiddelde Duits-Argentijnse dames Von Pannwitz, afstammelingen van een schatrijke grootgrondbezitter en vleestycoon, het riante buitengoed De Hartekamp vlak buiten Heemstede. Daar werden ze door prins Bernhard bezocht, toen hij nog vrijgezel was. Catalina von Pannwitz-Roth – voor Bernhard tante Käthe – bezat een even uitgebreide als kostbare kunstcollectie, vooral schilderijen, maar er zijn goede redenen om aan te nemen, dat Bernhards belangstelling in de eerste plaats is uitgegaan naar Catalina’s knappe dochter Ursula. Daarbij kwam, dat Bernhard ook hier zijn legertje relaties wellicht kon uitbreiden. Mevrouw Von Pannwitz leidde een zeer opgewekt sociaal leven (179) en tot haar kennissenkring behoorden talloze vooraanstaande figuren uit die dagen, onder wie de Duitse ex-keizer Wilhelm 11, toen woonachting in Doorn, en luchtmaarschalk en kunstverzamelaar Hermann Goering. In 1941 besloten moeder en dochter Von Pannwitz het steeds gevaarlijker wordende Europa de rug toe te keren. Met toestemming van de Duitse bezettingsautoriteiten verhuizen zij van Heemstede naar Buenos Aires met medeneming van een gedeelte van hun kunstcollectie. Prins Bernhard en zijn Duits-Argentijnse vriendinnen zullen wel heel wat te bespreken hebben gehad. Ze bezaten talrijke gemeenschappelijke kennissen in Duitsland (180). Tegen deze achtergrond is het niet zo onbegrijpelijk, dat de prins eerst zijn M15-schaduw heeft afgeschud, vóórdat hij aan dit gedeelte van zijn reis begon (181). Daarbij is het natuurlijk hoogst opmerkelijk, dat hij precies wist wáár hij dit onmetelijk grote land, midden in de wereldoorlog (1943), hij de dames Von Pannwitz kon aantreffen. Tot bovengenoemde gemeenschappelijke kennissen behoorde ook de Duitse piloot en vliegtuigontwerper Kurt Tank, een specialist op het gebied van straalaandrijving in de luchtvaart en als technisch directeur verbonden aan de firma Focke Wulf in Bremen. In de ontwikkeling hiervan waren de Duitsers op dat moment verder gevorderd dan de geallieerden (182). Hoewel Hitler aanvankelijk biet veel belangstelling schijnt te hebben gehad (183). Bij het laatste grote offensief van Görings Luftwaffe op 1 januari 1945 (operatie Bodenplatte, waarbij Bernhards privé-Beechcraft verloren ging), werd door de Duitsers al gebruik gemaakt van straalvliegtuigen van het type Messerschmidt 362A. (184).Niet lang na de val van nazi-Duitsland verliet Kurt Tank zijn vaderland. Hij reisde naar Argentinië, vermoedelijk via de geheime Odessa-route  (185), die onder leiding stond van de befaamde bevrijder van Mussolini Otto Skorzeny. Veel gezochte nazi’s (bijvoorbeeld Adolf Eichmann) ontsnapten via deze route naar het Midden-Oosten en Zuid-Amerika. Toch zij er nog altijd deskundigen die deze Odessa-route beschouwen als een verzinsel van de Britse auteur Frederic Forsyth; fictie dus (186). Prins Bernhard zou hierover misschien uitsluitsel hennen kunnen geven. Er zou ook nog een andere ontsnappingsroute hebben bestaan: de Schiphol-route. En er zijn ook geruchten dat Kurt Tank in 1947 van deze route gebruik zou hebben gemaakt (187). Hij ging werken aan het eerste Argentijnse  gevechtsvliegtuig met straalaandrijving, waarvan uiteindelijk twee typen tot ontwikkeling zijn gebracht. Prins Bernhard was in 1951 bij de eerste proefvlucht in Argentinië  aanwezig. Het toestel, de ‘Pilquiz’, was de trots van president Juan Péron. Toch werd het niets in Argentinië, waar de hoge officieren zich telkens weer meester maakten van het leeuwendeel van de noodzakelijke fondsen. Kurt Tank kwam uiteindelijk met zijn vinding in India terecht. Daar konden ze zo’n relatief goedkoop toestel goed gebruiken. Van Tanks machine zijn er daar 130 gebouwd, onder de naam ‘Iskra’.  In internationale zakenkringen vigeerde het hardnekkige gerucht dat prins Bernhard bij Tanks transactie met New Delhi een bemiddelende rol heeft gespeeld. Toen hij niet zo lang daarna zakelijke connecties aanknoopte met de Pakistaanse onroerend goedmagnaat Ali Ahmed (188), werd hem dat nog voor de voeten geworpen, want de Iskra’s  zouden tegen India’s  aartsvijand Pakistan kunnen worden gebruikt.

tank

Professor Kurt Waldemar Tank, links op de foto,  (1898-1983), in de nazitijd hoofdconstructeur van de Bremer Focke-Wulf Flugzeugbau GmbH, wordt in 1947 begroet bij zijn aankomst in Argentinië

 

Catalina von Pannwitz stelde op het landgoed van de gastvrije Juan Zorreguieta prins Bernhard ook nog voor aan een andere gaste: Eva Maria Duarte, de latere mevrouw Péron, die toen net aan een carrière als hoorspelactrice was begonnen. Naar eigen zeggen (naderhand) zou prins Bernhard zeer door haar geboeid zijn geweest. Na de militaire staatsgreep in Argentinië  van 4 juni 1943 raakte Eva’s carrière in een stroomversnelling doordat zij connecties wist aan te knopen met kolonels, die het toezicht op de omroep hadden overgenomen. Ze begon nu hoofdrollen te vertolken. Zo schitterde Eva Duarte in de serie “Heldinnen van de geschiedenis” in de rol van de zestiende-eeuwse Engelse vorstin Elisabeth 1 en als tsarina Alexandra, de gemalin van de Russische tsaar Nicolaas II in de tijd van Raspoetin. Dat de prins op dit gedeelte van zijn reis een aantal voormalige landgenoten ontmoette, was op zichzelf niet zo’n wonde. De vestiging door Duitsers in deze streken was al sinds de negentiende eeuw aan de gang. Reeds in 1918 lanceerde mr.Ernst Heldring het idee (althans in zijn dagboek) om ex-keizer Wilhelm II, zojuist naar Nederland uitgeweken, naar Argentinië te laten doorreizen. Daarmee zou Nederland uit een lastige positie worden verlost, want de geallieerden eisten de uitlevering van Wilhelm (189).Zij wilden hem terecht laten staan als oorlogsmisdadiger. De keizer werd door hen beschouwd als de hoofdschuldige aan het uitbreken van de wereldoorlog in 1914. Vermoedelijk ontmoette prins Bernhard verscheidene oude (Duitse)  vrienden, die zich inmiddels in Zuid-Amerika hadden gevestigd. Over hun identiteit zweeg de prins. Wel bestaat er een vaag gerucht, dat de prins tijdens de terugreis naar Belém een tussenstop heeft gemaakt in Rio de Janeiro. Daar zou hij een uitgebreid gesprek hebben gevoerd met dr. Willibald Passarge, zijn voormalige chef in het Parijse kantoor van Berlin NW7. Passarge bezat sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog de Braziliaanse nationaliteit. (190).Korte tijd na Bernhards verblijf in Zuid-Amerika werd Passarge uitgewezen. Dat kan het gevolg zijn geweest van Amerikaanse druk op het toen nog neutrale Brazilië. Een dergelijke druk uit Washington was toen niet ongebruikelijk. Nog in de zomer van 1944 bevroren de Amerikanen de Argentijnse goudtegoeden in de Verenigde Staten wegens een pro-Duitse houding van de regering in Buenos Aires, die in 1943 na een militaire staatsgreep aan de macht was gekomen. Juan Péron, Eva’s  echtgenoot, trad hierin op als minister van Oorlog en begon zich reeds te ontwikkelen als de sterke man in de junta. De oversteek over de Atlantische Oceaan van Brazilië  naar West-Afrika geschiedde zonder ongelukken. Prins Bernhard en zijn gezelschap landden veilig in het strategisch belangrijke Dakar, de hoofdstad van de West-Afrikaanse kolonie Senegal, die al in de herfst van 1940 door Britten en vrije Fransen op Vichy-Frankrijk was veroverd. (…)’. 

NOTEN:

(178) Officieel was Brazilië toen nog neutraal. Pas in 1944 koos Brazilië (onder de crypto-fascistische dictator G.D.Vargas) openlijk de zijde van de geallieerden.

(179) De Vries (1970), 1205: ‘een milieu van Duitse snobs”. Heldring schreef abusievelijk ‘Pannewitz’.

(180) Vgl. De Vries (1970), 1206

(181) Voor Pieter van Houten leidde dit tot ontslag bij M15. Zie: Kikkert (2003), 167-168.

(182) Vgl.Korthals Altes (1984/2), 305, 330-331.

(183) Pierik/Ros (2002), 16.

(184) Vgl. ook Kikkert (2003), 164.

(185) Dit ontsnappingscentrum was te vergelijken met de Kloosterroute via het Vaticaan. Het heette voluit: Organisation der ehemalige SS-Angehörige.

(186) The Odessa File (1972)

(187) Particuliere correspondentie 03-7-2003.

(188) Vgl. Kikkert (1998), 182 e.v. Zie ook: The Times 26-03-1976 n.a.v. het Lockheed-schandaal.

(189) De Vries (1970), 270, 274.

(190) Klinkenberg (1986/3), 175.

bernhard

Prins Bernhard in 1951 onderscheiden in Argentinië

keizer

Bladzijde uit: P.J.Bussen. De laatste keizer woonde in Nederland; hoe een Duitse dynastie zijn einde vond in ons land. 2013.

BIJLAGE: DE COLLECTIE-LANZ en -VON PANNWITZ. Uit: Gerard Aalders. Roof; de ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Den Haag, Sdu, 1999

Karin

Illustraties van Karinhall en Herman Goering, In: Roof; door Gerard Aalders, 1999.

 

Pan1

Uit: Lanz – Von Pannwitz. uit: G.Aalders. Roof, pagina 93

Pan2.jpg

vervolg Lanz-Von Pannwitz. uit: G.Aalders. Roof, pagina 94

Pan3

Slot Lanz – Von Pannwitz. uit: G.Aalders. Roof, pagina 95.

====================================================

ANNEX: WALTER VON PANNWITZ (aus WIKIPEDIA)

Walter Sigismund Emil Adolf von Pannwitz (*4 Mai 1856 in Lübeck, Ostpreussen; gestorben 8 November 1920 in Buenos Aires, Argentinien), war in deutscher Rechtsanwalt, Oberbügermeister, Kunstsammler und Mäzen sowie Ehereritter des Johanniterordens.

wapen.JPG

Wapen van adellijk geslacht von Pannwitz boven de ingang van ‘Mittelhof’in Allomniker (Nedersilezië).

Familie  Pannwitz erstammte demn alten oberlauisitz-schlezichen Adelgeschlecht von Pannwitz, das 1276 erstmals urkündlich erwähnt wurde. Seine Eltern waren Sigismund von Pannwitz und Emile Auguste von Pannwitz. Er heirateten erster Ehe am 6.Januar 1893 in Magdeburg an der Lahn Hedwig Faber, Tochter des Druckereibesitzsersund Herausgebers der Magdeburgischen Zeitung Robert F. und der Alice Wittaker-Knowles (*17 Juli 1877 in Magdeburg, gest. 1941 in Weimar). Die Ehe wurde am 20. Dezember 1907 in München geschieden. In zweiter Ehe heiratete Pannwitz am 26. Mai 1908 in Dresden Catalina (Käthe) Carolina Friedericke Georgine Roth (*3 September 1876 in Rostock, gest. 20 Mai 1959 in Long Crumbles, England). Gemeinsam hatte Sie die Tochter Ursula (gest.1989), die 1940 John Pelham, den achten Earl of Chichester, heiratete.

Leben Pannwitz machte sich in München besonders in grossen Strafprozessen einen Namen. Künstlerisch war er sehr begabt, schrieb Schauspiele und war mit Ludwig Thoma befreundet. In dieser Zeit fiel auch seine Berufung zum Oberrbürgermeister von Kulmbach, wo er ich am 1888 durch eine durchgreifende Verwaltungsreform Verdienste erwarb. Bereits in jungen Jahren begann Pannwitz Kunstwerke zu sammeln und liess sich dabei von den kunsthistorikern Max Friedländer und Wilhelm von Bode beraten. 1905 liess er in München auf einer Auktion seine Porzellansammlung versteigern die die Aufmerksamkeit von Kunstinteressenten aus der ganzen Welt erlangte.  Im jahre 1908 heiratete er in zweiter Ehe Catalina Roth, deren Familie umfangreiche Ländereien in Argentinien besass. Das Ehepaar verband auch die Liebe zur Kunst, hatte doch seine Ehefrau schon vor ihrer Ehe eine grosse und bedeutende Gemäldesammlung erworben. Durch die Heirat wurden beide Sammlungen zusammengeführt und in den nachfolgenden Jahren auf die spätere Bedeutung und Grössde erweitert. Als im Jahr 1910 das Ehepaar seinen Wohnsitz nach Berlin verlegen wollte, beauftragten sie de Münchener Architekten German Bestelmeyer mit dem Bau eines grossen Hauses, um ihrer Kunstsammlung einen entsprechend würdigen Rahmen zu schaffen. Auf 2,2 Hektare entstand bis 1914 ein Palais, das sich stilistisch am Klassizismus der Zeit un 1800 orientierte. 1914 besuchte Kaiser Wilhelm II erstmals das Haus. Als er 1918 ins Exil nach Holland ging, folgte ihm Pannwitz mit seiner Familie und erwarb dort das Schloss De Hartekamp in Heemstede bei Bennebroek Provinz Noord-Holland). Nach Pannwitz’ Tod machte seine Witwe Catalina in den darauf folgenden Jahrzehnten De Hartekamp zu einem gesellschaftlichen Zentrum der europäischen Aritokratie. Besonderer Freund des Hauses war jedoch der deutsche kaiser, der “seiner Freundin Panni” in Hartekamp mit seiner Begleitung mehr als hundert Besuche abgestattet hat. Walther und Catalina von Pannwitz wurden auf den Südwestkirchhof Sthanddorf beigesetzt, wo ihr repräsentatives Grabmal noch heute existiert.

Palais Pannwitz Nachdem das Palais Pannwitz in Berlin-Grünewald von der Familie während des Zweiten Weltkriegs an das Deutsch Reich verkauft worden war, gehörte es zu den weingen unzerstört gebliebenen grossen Häusern in Berlin und Umgebung. Lange Zeit stand es leer und kam erst nach Jahren als SCHLOSSHOTEL GEHRUS  wieder zu neuem Glanz. Nach der Wiedervereinigung durch polnischen Restauratoren in der modene, hochklassische Schlosshotel im Grünewald umgewändelt.

Literatur

 

  • Genealogisches Handbuch des Adels, Adliger Häuser A band XIX, Seite 425 Band 92 der Gesamtreihe C.A.Starke Verlag. Limburg (Lahn) 1987, ISSN 0435-2408.
  • Max J.Friedländer, Otto von Falke (Hgrg.): Die Kunstsammlung von Pannwitz. Verlag Bruckmann. München 1925-1926.
  • Dora Heinze. Das Schosshotel im Grunewald. Geschichte eines Adelspalais. Berlin-Brandenburg, bre-bre-Verlag, 1997.
  • Lucia Albers, A.J.Kramer, J.L.P.M.Krol, I.van Thiel-Stroman: Het Landgoed de Hartekamp in Heemstede. Heemstede, VOHB, 1982
  • Ursula

    Handtekeningen geplaatst  na de presentatie op de Hartekamp in mijn boekexemplaar van  ‘Het landgoed de Hartekamp in Heemstede’, 27-11-182 met bovenaan de signatuur van gravin Ursula van Chichester, geboren Von Pannwitz.

  • Hartekamp9

    In 1999 verscheen als jaarpremie van de historische vereniging Oud-Heemstede Bennebroek een facsimile-kaart uit 1708 met een begeleidende brochure.

  • Linnaeus

    Vooromslag van een in 2007 verschenen uitgave van de KNNV, afdeling Haarlem; door Joop Mourik en Anneke Koper.

    Hartekamp

    Postzegelserie van de Hartekamp

    P1000951.JPG

    fantasieprent van de Hartekamp Heemstede

    ========================

    Hartekamp1

    Plattegrond van het huis de Hartekamp met de aanbouwsels van 1902 en 1921: 1. Achtersalon ofwel Balzaal, 2. Renaissancezaal, 3 achtersalon ofwel Rococozaal ‘ Gouden zaal, 4. het uitstek met porseleincollectie 5 Spiegelzaal (eetzaal), 6. Oud-Hollandse kamer (rookzaal).

    Hartekamp3

    Plattegrond van het buiten de Hartekamp, 1902 door L.A.Springer, naar het origineel uit 1708 van landmeter Maurits Walraven in opdracht van Johan Hinlopen

    Hartekamp4

    De tuin van de Hartekamp ten tijde van George Clifford  en Pieter Clifford in de 18de eeuw + ets door A.van der Laan op de titelpagina van ‘Hortus Cliffortianus’ van Linnaeus, 1738

    Hartekamp5

    Overtuin van de Hartekamp + doolhof in de tuin nabij de Leidsevaart. Uit: Lucia Albers, Apollo’s lustoord. Het landgoed de Hartekamp in Heemstede, 1982, pagina 49.

    Hartekamp6

    De verzameling Von Pannwitz in de linkervleugel ofwel balzaal met Italiaans kassettenplafond en schouw. De schouw werd vervaardigd door de Haarlemse beeldhouwer Louis J.Vreugde (1868-1936).

    NHC 16-8-1952 Broeders Penitenten aan het werk in de hal van de Hartekamp na overname van het huis om hier een zwakzinnigeninrichting te beginnen, voorlopig met 6 later 12 broeders en 60 te verplegen jongens. De balzaal werd in een kapel getransformeerd. Broeder Raymundus vertelde in 1952: ‘Nadat we eerst de geestige wijze waarop een grote safe was gemaskeerd hadden bewonderd, verscholen achter een schertsboekenkast, hebben we achtereenvolgens de zalen en kamers bekeken. In totaal zijn er even badkamers in het gebouw, slechts dewelke van zeer kostbaar marmer was [bedoeld voor ex-keizer Wilhelm 11] is uitgebroken en naar Argentinië verzonden. Verder zijn er dozijnen spiegels in het boudoir van de vroegere eigenares is zelfs een vierdelige aanwezig van de grond tot het plafond waarin men zich van alle kanten kan bekijken. In een andere zaal is een spiegeldeur, die opgeborgen kan worden en alleen daaruit blijkt wel dat het een vrouw is geweest, die hier in alle opzichten de scepter heeft gezwaaid. Men kan dat ook afleiden uit het enorme aantal vaste kasten die in het huis zijn aangebracht, namelijk 113, waarbij er twee zijn, van binnen geheel met dun metaal bekleed en sterk ruikend naar kamfer, uitsluitend bestemd om de garderobe te beschermen tegen motten en ander soort ongedierte. Zo hebben we door alle zalen en kamers gedwaald, waarbij we gelegenheid hadden op te merken dat in vele kamers de deuren ontdaan zijn van de zware koperen sloten (…) Op de zolder heeft Raymundus een unieke vondst gedaan, namelijk een antieke ijzeren koffer, prachtig geconstrueerd van het allerzwaarste metaal met een sleutel die bijna een halve mensenhand beslaat. Deze koffer word geheel gerestaureerd en komt als sieraad in de prachtige hal, waar hij het zeker zal doen. Een belangrijke vondst is ook een hoeveelheid bescheiden uit vroegere eeuwen’. 

    Van balzaal naar kapel. Gelukkig bleef het cassetteplafond afkomstig uit Italië intact

    Hartekamp12

    In 1952-1953 stond het landgoed de Hartekamp te koop en is het aangekocht door de Congregatie van de Broeders Penitenten van Boekel, de zestiende verkooptransactie sinds 1662. De verkoopprijs bedroeg ruim 300.000 gulden. De in 1715 gestichte congregatie startte hier een inrichting voor zwakzinnige jongens.

    Hartekamp8

    In 1953 begon een nieuw tijdperk in de historie van het landgoed ingezet door broeder Raymundus (midden vooraan) en zijn medebroeders

    Vroeder Raymundus was van 1952 tot 1955 de eerste Overste van de Hartekamp

    de eerste pupillen in zondagse kledij op de trappen van de Hartekamp

     

    Het krankzinnigengesticht ‘Huize Padua’ te Boekel van de Broeders Penitenten, een congregatie op 7 februari 1674 gesticht door de te Meerveldhoven geboren Daniël de Brouwer. De stichter is op 25 juli 1745 gestorven. Tijdens de Franse Revolutie kwam vrijwel een einde aan de bloeiende communiteit. Dankzij bemiddeling van Arnoldus Borret, Algemeen Commissaris van het Land van Altena, is het te danken dat de broedergemeenschap niet werd opgeheven en nadien weer tot bloei kwam. Vanaf 1832 is de zorg voor de schoolgaande jeugd verlegd naar de zorg voor de geesteszieke medemens. Het arbeidsterrein van de broeders Penitenten werd groter en groter. Zo is in 1904 ‘Huize Assisië’ in Udenhout gesticht, in 1925 volgde de ‘St. Josephstichting’ in Apeldoorn en ‘Mariahof’ (het latere Piusoord) in Tilburg. Na de opening van ‘Lathmer’ in de Wilp volgde in 1952 de Hartekamp. Als Overste fungeerden achtereenvolgens: Broeder Raimundus van 17 juni 1952 tot 7 januari 1955; Broeder Emanuël van 18 februri 1955 tot 6 mei 1961; Broeder Mattheus van 6 mei 1961 tot 8 maart 1964; Broeder Edmundus van 8 mei 1964 tot 1 januari 1968. Vanaf 1 januari 1968 werd ‘de Hartekamp’ een afzonderlijke stichting met de naam ‘Daniël de Brouwer-stichting’. Het Bestuur van de stichting is toen als volgt samengesteld: geneesheer-directeur A.A.de Zeeuw, Hoofd Economische Zaken Broeder Edmundus en Hoofd Verpleegkundige Dienst Broeder Albericus. De 12 broeders-penitenten vormden een communiteit die onder leiding van Broeder Edmundus was gevestigd in een daarvoor gebouwd huis aan de Bijweglaan. In de beginperiode van 1952 tot 1968 waren de volgende artsen, meestal part-time aan de instelling verbonden: dokter Manschot, J.van Baar, Kroon, Visser, Th.de Boer en A.A.de Zeeuw die als geneesheer-directeur is aangesteld.

    De Broeder-Overste Mattheus van Iersel uit Boekel hijst de vlag bij de bouw van de paviljoens, eerst de Ceder, de Plataan, de Wilg en de Iep (die elk vier afdelingen voor groepen van 15 pupillen bevatten). Voor de huisvesting van intern wonende leerling-verpleegsters werd een verpleegstersflat, de Ulmus gebouwd, bestemd voor 40 meisjes. Omdat de Ulmus al snel te klein werd is toen in Vogelenzang het Van Ginnikenhuis gehuurd, waarin 20 leerlingen gehuisvest konden worden. Eind 1970 kwam het Stafcentrum gereed, waar alle curatieve diensten gecentraliseerd waren. Tevens konden hierin twee grote leslokalen en de hydro-therapie worden gerealiseerd.

    In 1987 was Broeder Bavo Selhorst een halve eeuw Broeder Penitent. Eerst in Tilburg en vanaf 1961 tot zijn pensionering als kok in de keuken van de Hartekamp. Óp een vier meter breed fornuis dat aanvankelijk nog met blokken hout werd gestookt, later met kolen, bereidde de broeder tot 1971 een slordige honderdduizend maaltijden. In het begin haalden de bewoners zelf hun eten, maar later is dat veranderd. Bij de bouw van een nieuwe keuken mocht hij de eerste steen leggen. Van burgemeester Van Egerschot ontving Broeder Bavo Selhorst een koninklijke onderscheiding (Heemsteedse Koerier, 9-11-1988)

    Piet Wiegman: pentekening van de Hartekamp in Heemstede

    P1000907

    Vooraanzicht de Hartekamp (2017)

    P1000939.JPG

    Tuinbeeldje in voortuin van de Hartekamp (2017)

    P1000916

    Achtergevel van de Hartekamp met uitstek in het midden (2017)

    hert

    Beeld van een het op de Hartekamp, Heemstede

    P1000913.JPG

    Oranjerie en zonnewijzer op de Hartekamp (2017)

    P1000914

    Pergola van de Hartekamp (2017)

    P1000933

    fake-boekenkast met daarachter de kluis in de Hartekamp

    P1000922

    De zware kluisdeur waar ooit miljoen veilig waren opgeborgen (2017)

    P1000947.JPG

    In de hal van de Hartekamp zien we aan het plafond een fraaie wijzerplaat

    P1000959.JPG

    Klokketoren van de Hartekamp (2017)

    P1000962

    Beeld van Diana, godin van de jacht, met hert (2017)

    P1000963.JPG

    Beeld van godin Flora in de linkervoorgevel van de Hartekamp (2017)

    P1000942.JPG

    Sieghard von Pannwitz en zijn echtgenote uit Osnabrück met rechts Hans Krol op bezoek bij de Hartekamp, 20 juni 2017

    P1000920.JPG

    Kassettenplafond in de achtersalon ofwel balzaal (2017)

     

     

     

     

    hartekamp1

    Oranjerie van de Hartekamp

    hartekamp2

    Hertenhuis op de overplaats van de Hartekamp

    hartekamp3

    De overplaats van de Hartekamp met zicht op de koepel

     

    hartekamp4

    De hertenbaan op de overplaats van de Hartekamp

    SELECTIE VAN PUBLICATOES OVER DE HARTEKAMP (vooromslagen)

    jhr.F.J.E.van Lennep. De tamme kastanje. De Hartekamp, Berkenrode, Spanderswoud. Herdrukt in 1969 door Tjeenk Willink in Haarlem. Tevens is de Hartekamp eerder als afzonderlijke uitgave verschenen.

    300 jaar de Hartekamp. Foto’s en teksten van Jan van Veen, Johan Rijnen en Jan Nelissen. Heemstede, 1971. Algemeen directeur was toen geneesheer A.A.de Zeeuw (tot 1974)

    Het landgoed de Hartekamp in Heestede; door Lucia Albers, A.J.Kramer, J.L.P.M.Krol en I.van Thiel-Stroman. Heemstede, Vereniging Oud-Heemstede-Bennebroek, 1982.

    drs.I.Merks-van Brunschot. Geschiedenis van Daniël de Brouwerstichting; opkomst en ontvlechting van een koepel. 1988. (aanwezig in Heemstede-collectie van het Noord-Hollands Archief) [In 1996 verscheen ook van dezelfde schrijfster: Broeders Penitenten – 300 jaar “Burgers in pij’].

    De Hartekamp-Groep 1953-2003; door Bob van ’t Klooster. 2003.

    Brochure : informatie over de Hartekamp; instituut voor geestelijk en meervoudig gehandicapten. Circa 1990

    plattegrond Hartekamp-terrein uit voornoemde brochure

  • vervolg plattegrond Hartekamp-terrein uit voornoemde brochure

    folder over vrijwilligerswerk op de Hartekamp.

    =============

     

     

    FOTO’s VAN DE HARTEKAMP TIJDENS OPEN MONUMENTENDAG 2017 VERVAARDIGD DOOR J.P.TEENGS

  • Vooraanzicht van buitenplaats de Hartekamp

    Beeld van Diana, godin van de jacht in portiek van de voorgevel

    De Rococozaal ofwel Gouden Zaal in de Hartekamp

    In de Gouden Zaal met grisailles, schouw en spiegel

    Grisalle in de Gouden Zaal

    Vaas in de Renaissancezaal

    De Renaissancezaal in linker aanvouwsel uit 1902

    Prent in de Oud-Hollandse Kamer (Rookkamer)

    Het Italiaans kassettenplafond in de Balzaal in het aanbouwsel naar voren uit 1921

    De schouw in de Balzaal

    Trapje van de Renaissancezaal naar de Balzaal

    De Gouden Zaal, nu in gebruik als vergaderruimte

    Grisaille ofwel ‘witje’ in de Gouden Zaal

    Afgietsel van buitenbeeld Linnaeus in de hal van de Hartekamp

    In de Spiegelzaal , vroeger gebruikt als eetkamer

    Vazen in de Oud-Hollandse kamer

    Uitzicht aan de achterzijde van de Hartekamp

    In het park van de Hartekamp

    De hal van de Hartekamp

    Kunstwerk verbeeldend de Hortus Cliffortinus in de hal

    Gezicht van de bovenetage naar de hal

    In het park van de Hartekamp

    Zcht op prieeltje van de Hartekamp

    Prieel en fonteinje in het park van de Hartekamp

    ========

  • Projecten van het Noord-Hollands Landschap, 2008

    Wilhelm imperator Rex. Column van Jaap Holwerda in De Nieuwsbode Heuvelrug van 24 augustus 2017

    Vervolg van column uit: De Nieuwsbode Heuvelrug van 24 aigustus 2017

    ANNEX: NIEUW BOEK door Sieghard von Pannwitz over CATALINA VON PANNWITZ, HAAR FAMILIE EN DE HARTEKAMP IN 2019 VERSCHENEN: Zwischen Rembrandt und Kaiser Wilhelm.

  • aanbod

    Vooromslag van het boek door Sieghard von Pannwitz

    Achteromslag van het boek dat 133 pagina’s bevat, met 111 afbeeldingen waarvan 42 in kleur.

    Persoonlijke opdracht van de samensteller Sieghard von Pannwitz

    Voorwoord van de publicatie: ‘Zwischen Rembrandt und Kaiser Wilhelm’ (2019)

    Fragmentgenaealogie Von Pannwitz (uit boek door Sieghard von Pannwitz, 2019, pagina 126)

    Portretschilderij door Von Vierek, voorstellinde Emma Spangenberg, geboren Diederichs, groormoeder van Katharina Roth van moeders zijde. (uit boek van Sieghard von Pannwitz)

    ====================

    Vijfsterren hotel Baur au Lac in Zürich, waar Catalina von Pannwitz in een gehuurde suite verbleef tijdens de Tweede Wereldoorlog, nadat zij een vrijgeleide naar Zwitserland had ontvangen. Uit brieven van Dietmar (Didi) von Pannwitz, Argentinië 1995, citeert Sieghard von Pannwitz o.a.: ‘(…) Catalina lebte nach der deutschen Besetzung von Holland, wenn sie nicht in  Hartekamp war, in Zürich, wo sie in Hotel Baur au Lac eine Suite permanent gemietet hat. Im Jahr 1949 kaufte sie sich in einem guten Vorort von Buenos Aires eines schönen Residenz, um von dort aus regelmässig ihre Estancia La Catalina zu besuchen, häufig in Begleitung ihrer Tochter Ursula. Ursula war mit dem Reeder Aristoteles Onassis befreundet und ich konnte Tante Käthe einmal auf einer Reise seiner Yacht Christina O begleiten. Es war ihr Wunsch an der Seite Ihres Mannes im damaligen Ostberlin (DDR) in aller Stille begraben zu werden.’