Tags

van de Oer-AanslagHet trekken van mijn familie van land tot land, van kontinent tot kontinent, is in mij abrupt tot stilstand gekomen. Weliswaar ben ik verder weg geweest dan ooit één van hen, tot in Japan, maar de enige werkelijke beweging die ik heb gemaakt, was die van Haarlem naar Amsterdam’. (Harry Mulisch, in ‘Mijn getijdenboek’, Landshoff, 1975)

HERINNERINGEN VAN EN AAN HARRY MULISCH IN HAARLEM EN HEEMSTEDE (1927-1958)

beeld

Vooromslag van ‘Het beeld en de klok’ door Harry Mulisch, een uitgave van de Bezige Bij, 1989

 

De Landzichtlaan en Spaarnzichtlaan, aangelegd in 1920, danken hun naam aan het buitentje ‘Land en Spaarnzicht’ dat pas na de Tweede Wereldoorlog moest wijken om plaats te maken voor het in 1964 onder architectuur van Dick Greiner gebouwde postkantoor aan de Binnenweg. Vanaf mei 1939 woonde de jonge Harry Mulisch op het adres Spaarnzichtlaan 23 totdat vader en zoon met de Pools-Duitse huishoudster Frieda Falk op 6 oktober 1941 naar een wat groter huis aan de Anna van Burenlaan in Haarlem-Zuid verhuisden. In verscheidene boeken, zoals ‘Archibald Strohalm’(1952), ‘Voer voor psychologen’(1961) en ‘de Aanslag’(1982) zijn jeugdherinneringen aan Haarlem en Heemstede verwerkt. Zuiver autobiografisch is diens ‘Mijn Getijdenboek’ uit 1975 waarin zijn leven tot de verhuizing in 1958 van Haarlem naar Amsterdam aan de hand van foto’s en documenten staat beschreven. Mulisch’ vader is geboren in Tsjechoslowakije. Hij diende als beroepsofficier in het Oostenrijkse leger en vestigde zich na de Eerste Wereldoorlog in Amsterdam. In 1926, in het jaar dat hij trouwde met Alice Schwarz, vestigde het echtpaar zich in een groot Jugendstil-pand uit 1906 , Westerhoutpark 16, toen nog in Heemstede maar 3 maanden later bij Haarlem geannexeerd.

 

Geboortehuis Mulisch, Westerhoutpark Haarlem, toen vader Mulisch nog directeur was van de Wolbank

Anna2

Harry Mulisch op latere leeftijd terug in het grote geboortehuis (NTR)

anna4.png

Harry Mulisch terig in de woonkamer van zijn vroege jeugd (NTR)

mulischhuwelijk.jpg

Huwelijksfoto van Kurt Victor Karl Mulisch en Alice Schwarz uit 1926, uit welk huwelijk een kind, Harry Mulisch in 1927 is geboren. Het huwelijk is in 1936 ontbonden.  Alice Schwarz was een mondaine en bijzonder knappe vrouw, zoals ook blijkt uit de door Jacob Merkelbach gemaakt. Ze maakte zich op met lippenstift en maquillage en volgens Harry riepen schooljongens haar na met ‘Lippenstift”! [De moeders van de schreeuwers waren groezelige dikke wijven’ aldus de zoon in ‘Mijn Getijdenboek]. Ook vader Mulisch mocht er zijn. De zoon beschrijft dat vader mr.J.B. Bomans en vader K.V.K. Mulisch bij wijze van spreken streden om de eer van ‘knapste man van Haarlem’.

 Oorlogstijd

Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest vader Mulisch melden eerst in Amsterdam, vervolgens in Heemstede en daarna in Haarlem te hebben gewoond. Maar zoals zoon Harry schreef: ‘Een verhuizing van Heemstede naar Haarlem heeft nooit plaatsgehad: Heemstede verhuisde naar Haarlem. Op een dag werd het Heemsteedse Westerhoutkwartier door Haarlem geannexeerd. Zo laat de politiek hele steden verhuizen en rekent het de mens aan en niet alleen steden: hele landen’.

Geboortebericht Harry Mulisch. Uit: Algemeen Handelsblad, 29 juli 1927

Mulischnaturalisatie

Op 2  oktober 1928 vroeg vader K.V.K.Mulisch, geboren in Tsjechoslowakije, de Nederlandse nationaliteit aan. Verleend op 20 maart 1929 blijkens een bericht in het Staatsblad van der Koninkrijk der Nederlanden.

 

In het huis aan het Westerhoutpark is bijna 3 maanden na de annexatie Harry Kurt Victor Mulisch geboren. Zijn moeder heette Alice Schwarz, van Joodse afkomst, in Antwerpen geboren als dochter van een bankier uit Frankfurt-am-Main.

Harry Mulisch en zijn moeder

Vader Kurt Mulisch in de tuin gezeten

Met het huis werd van de vorige eigenaar, chemicus, leraar en globetrotter Wicher Gosen van der Sleen, de Pools-Duitse huishoudster “bijgeleverd” die tot haar overlijden in 1956 de familie Mulisch trouw bleef en na de echtscheiding van zijn ouders in 1936 de opvoeding van de jonge Harry mede op zich nam. Toen zij 15 jaar in dienst was ontving zij van vader en zoon een oorkonde met o.a. de volgende tekst: ‘Frieda Falk, geboren in het vierde regeringsjaar van keizer Wilhelm II, op 10 mei 1881 te Posen Duitschland, herdenkt het feit dat zij gedurende vijftien jaren – drie lustrums- 473.385.600 seconden onafgebroken heeft voorgestaan van K.V.K.Mulisch, thans wonende te Heemstede, Spaarnzichtlaan 23 (…) Afgegeven te Heemstede op 1 februari 1941 door K.V.K.Mulisch en diens enigsten zoon Harry Mulisch, geb. 29 juli 1927’.

Een jonge Harry Mulisch in het labyrint van de ‘Tiergarten’ in Berlijn waar hij in het najaar van 1939 met zijn vader  logeerde bij een broer van Frieda Falk.

 

Verhuizingen in 1933 en 1938

MMKB08_000182411_mpeg21_p004_image

Vonnis echtscheiding ontbonden, uit de Nederlandsche Staatscourant van 23 oktober 1937

Voorhoutstraat.jpg

Het huis in de Voorhoutstraat  12 te Haarlem waar de familie Mulisch woonde van 1933 tot 1938 (foto J.P.Teengs)

Mulisch1voor.jpg

De Voorhoutstraat in Haarlem (foto J.P.Teengs)

In 1933 verhuisde men naar een kleiner huis, Voorhoutstraat 12 in Haarlem, nadat de Wolbank van welke vader Mulisch directeur was ten gevolge van de economische malaise failleerde. Toen vijf jaar later het inkomen nog verder was gedaald diende in 1938 wederom verhuisd te worden naar een goedkoper huis: Spaarnzichtlaan 23 in Heemstede.

vestiging

Vestiging van K.V.K.Mulisch op het adres Spaarnzichtlaan 23 Heemstede (Eerste Heemsteedsche Courant van 12 mei 1938)

 

Woonhuis Mulisch, 1939-1941, in de Spaarnzichtlaan Heemstede

Vader en zoon Mulisch in de tuin van hun huis aan de Spaarnzichtlaan, gefotografeerd door Frieda Falk

Op een foto die door Frieda in de tuin werd genomen blijkt overigens dat tijdens het diner nog een kristallen karaf met wijn op de tafel stond. Harry Mulisch schrijft: ‘Een verhaal als “De sprong der paarden en de zoete zeeis aan dit huis gebonden. Ik denk er met groter genoegen aan terug dan aan het vorige. De buurt was leuker en ik beleefde er mijn tweede verliefdheid op Hannie, die ik ook nog niet durfde aan te raken maar wie ik al durfde te spreken. Dat was een grote vooruitgang. Ook hadden wij plotseling weer een auto, een Plymouth twoseater, waarmee wij op zondag tochtjes maakten. Blijkens een verlanglijst uit 1938 speelde ik nog met de elektrische trein, maar ik wilde al vliegenier worden. Over het vliegtuig, dat ik zelf op zolder bouwde, heb ik bericht in ‘Zelfportret met een tulband’. Het is niet gekomen tot een carrière bij de KLM, al bestaat er een foto die daarop lijkt te wijzen. Het enige brevet dat ik ooit heb gehaald, ja het enige examen dat ik in mijn leven heb afgelegd, was dat van de Vereniging voor Veilig Verkeer en Omstreken. Toen ik dat verkeersexamen aflegde, hadden de Duitsers inmiddels niet alleen de Nederlandse verkeersregels overtreden. Het verhaal van ‘Harry en het woord’ speelt in deze dagen. Al terwijl de Duitsers binnentrokken, met de helmen van gesneuvelde Engelsen op de koplampen van hun auto’s, begon de burgerij in de Spaarnzichtlaan met scheermesjes de stroken papier van de ruiten te krabben. Die waren er opgeplakt omdat de ‘Luchtbescherming’ de mensen had wijsgemaakt, dat bij een bombardement het glas zou blijven hangen, ofschoon het bombardement van Warschau toen al achter de rug was. Nu dacht men, dat de oorlog was afgelopen. Toen mijn vader tegen de buren zei, dat hij nog niet eens was begonnen, keken zij hem aan zoals men een kind aankijkt dat ook eens wat wil beweren. Ik haalde mijn fiets uit het schuurtje en fietste naar Leiden om naar de kapotte vliegtuigen te kijken, die in de weilanden lagen. Overal in de sloten dreven ook doormidden gebroken geweren; langs de weg stonden dozijnen uitgebrande legerauto’s. De volgende dag stuurde mijn vader mij naar de Jacobaschool, waar Duitse troepen gelegerd waren. Ik moest het ruilen voor een “Kommisbrot”. Dat was een soldatenkuch, waar hij sinds 1918 nar had verlangd. Het was niet erg juist om zoiets op te dragen, en ik bang om het te doen. Eer een Duitse houwdegen mij aan het hek zijn zwarte, steenharde homp gaf, brak hij mijn keurige Hollandse casinobrood in vier stukken om te zien of er geen tijdbom in zat. Op de terugweg zag ik een groep mensen rond een Duitse legerauto staan. Minachtend keken zij naar de militair, die achter het stuur aardbeienjam zat te eten, met een soeplepel uit een jampot. Plotseling begon het hem de keel uit te hangen, hij zette de pot tussen zijn benen en scheurde weg, de bocht om, waarbij het portier openvloog en een platte kist de straat op keilde. Hij stopte niet, en na enkele ogenblikken begaf iedereen zich naar de kist. Die bleek vol granaten te zitten. “Aha!” zei een meneer. Hij tilde de kist op, droeg haar naar de wallekant en liet haar met een plons in de Wagnerkade verdwijnen. Waarop hij zich naar ons omdraaide, zijn handen afsloeg en zei: “Ziezo. Dat scheelt weer”. Het verzet was begonnen. Alleen ik, met mijn nazikuch, had er geen deel aan.’

 

Soldaten bij de Jacobaschool waar 230 soldaten konden worden ondergebracht

In zijn Heemsteedse tijd bracht zijn moeder iedere woensdagmiddag een bezoek aan de Spaarnzichtlaan en nam dan voor haar zoon een bibliotheekboek mee dat de tegen de avond uitgelezen mee terug ging. In 1939 las Harry van Leonard Roggeveen ‘De avonturen van Bram Zonderling’, welk boek naar zijn zeggen grote betekenis voor hem zou hebben (1).

blok.png

Blokbrandweer nummer 9 Heemstede (Binnenweg, Landzichtlaan, Spaarnzichtlaan) in 1940 poserend voor Land- en Spaarnzicht. Vooraan gehurkt met helm: C.van Looy (links) en F.Lohman (rechts). Verder v.l.n.r.: Albert van Zijl, Age van Leunen, de heer van Zijl (vader van Albert), Wim Smit, FRITS LUDWIG, Jan Bosman,  politieinspecteur A.Berentsen – met pet, brandmeester J.Verzijlbergen, Ton Bosman, een onbekende, de heer Smorenburg, H.Grimmon, J.J.van Leunen (vader van Age), een onbekende, voorzitter van blok 9  J.H.J. STOMMEL (Spaarnzichtlaan 25)  en helemaal rechts penningmeester E.Koiter.

 

Halfjood

Bewijs van aanmelding Harry Kurt Victor Mulisch, gemeente Heemstede 27 maart 1941

Ondertekend door de burgemeester van Heemstede ontving de toen 13-jarige Harry Mulisch 27 maart 1941 een ‘bewijs van aanmelding’(nr.209) met de aantekening van twee Joodse grootouders in de zin van artikel 2 der Verordening. Zijn vader had intussen als directeur personeelszaken carrière gemaakt bij het bankiershuis Lippmann-Rosental & Co. (Liro) waar Joden al hun geld, effecten en tegoeden moesten storten alvorens op transport te worden gesteld en om die reden ook bekend als “Duitse roofbank”, met een filiaal in Westerbork.

Gebouw van de LIRO-bank aan de Sarphatistraat (oorspronkelijk gevestigd aan de Nieuwe Spiegelstraat) in Amsterdam op een foto uit 1944. Omdat Sarphati een joodse naam was doopten de nazi’s de straat om in Muiderschans. Van oorsprong zoals de namen  Lipmann en Rosenthal al aangeven was het een Joodse bank, die door bezetters werd omgevormd tot een nazi-bank, feitelijk een roofinstituut dat voor de buitenwereld als een normale bank moest fungeren. Bedacht door rijkscommissaris voor financiën en economie dr.H. Fishböck en uitgevoerd eerst onder leiding van Alfred Flesche, maar in de praktijk door dr.Walter von Karger, opgevolgd door O.Witscher (1) en met K.V.K.Mulisch als afdelingsdirecteur voor personeelszaken

ABN.JPG

Vandaag de dag is de ABN-AMRO in het bankgebouw aan de Sarphatistraat gevestigd.

 

(1) Otto Witscher maakte Von Karger zwart bij zijn superieuren, het ‘Generalkommissariat für Finanz und Wirtschaft in Den Haag, waarna laatstgenoemde ontslag nam en is opgevolgd door Witscher. Terug in Berlijn zou Von Karger door de SD zijn  gearresteerd op verdenking van medeplichtigheid aan diefstaf, samen ‘Kunstberater’ Baron von Stechow. Onder Witscher werd per eind december 1942 Mulisch verantwoordelijk voor de derde afdeling [de eerste was: bankafdeling, de tweede: inspectie], met onderafdelingen als ‘Emigratie’, ‘Vorderingen en polissen’, ‘Waren’en ‘Dochterondernemingen’. Tevens inhoudende dat hij hoofd was van de Algemene afdeling, waaronder de afdeling personeel en de interne dienst ressorteerden. In oktober 1943 had wederom een reorganisatie plaats, nu met 7 afdelingen, waarbij Mulisch verantwoording kreeg voor ‘Abteilung II’, zich richtende op effectenzaken en verder vielen hieronder Personeelszaken, de Interne Dienst en ‘Algemene Zaken, waarmee hij reeds ervaring had. Gerard Aalders meldt in zijn boek ‘Roof’ ((1999) , dat directeur Mulisch de contacten onderhield met Mak van Waay , waar Liro ingebrachte joodse goederen liet veilen ‘Tussen 14 april 1942 en juli 1944 waren twaalf veilingen gehouden van door Liro ingebrachte goederen. In totaal brachten die veilingen 460.931 gulden op. Het veilinghuis incasseerde aan provisie 55.552,52 gulden.’ (…) Uit het verkoopboek van de veiling van 14 april 1942 blijkt thans dat toen vooral zeventiende-eeuwse meesters aan de man werden gebracht.’  (*). Door Presser is geschat dat het  joodse geconfisceerde vermogen  door Liro een totale waarde van tussen de 300 en 400 miljoen gulden moet hebben gelegen. G.Aalders bericht dat in 1942 toen men op topcapaciteit werkte voor 1.053.187,44 gulden aan lonen is uitbetaald (**) aan het personeel en dat de afdracht aan Winterhulp  ƒ 4479,94 bedroeg. Voor bouw en exploitatie van concentratiekamp Vught is 26 miljoen gulden ter beschikking gesteld. In 1941 ontving Seyss-Inquart in zeven weken  van 11 augustus tot 30 september 1941 de beschikking over ruim vijftien miljoen gulden uit joodse particuliere vermogens, effecten en obligaties niet meegerekend. Het aantal gedwongen rekeningen bij Liro beliep per 30 september 1941  3963 stuks.

(*) ‘Een relatief klein deel van de Liro-buit zou worden geveild via de firma Mak van Waay in Amsterdam: een ander deel door de firma Math.Lempertz te Keulen, die toch al enorm van de opbloei van de Nederlandse kunstmarkt had geprofiteerd, en via Curt Reinheldt in Berlijn De beide Duitse bedrijven kochten behalve tapijten en schilderijen ook andere kunstvoorwerpen op. Klant was ook de Galerie für alte Kunst uit München, die in december 1942 een rekening betaalde van 289,80 gulden. Daarvan was 193,25 gulden voor schilderijen, de rest voor meubels en bronzen voorwerpen. Er zijn naar schatting tussen de 3500 en 3600 schilderstukken bij Liro ingeleverd. De verkoopprijzen varieerden van 25 cent tot vele duizenden guldens (…) Volgens een brief van Witscher aan Flesche, 17 juli 1943, lagen er omstreeks dat tijdstip nog 2359 schilderijen in de magazijnen van Liro; NIOD, Archief Flesche, doos 1 B4′ (G.Aalders. Roof, 1999, pagina’s  212 en 290).’

(**) De hoofdirecteur zou meer dan 100.000 gulden hebben ontvangen. Harry Mulisch meldt in ‘Mijn Getijdenboek’ dat het vastgesteld zuiver inkomen van zijn vader over 1942 ƒ  15.300 bedroeg. Verder bericht hij slechts tweemaal  in het ‘rovershol’ (de Lirobank) te zijn geweest. ‘De eerste keer onder kantoortijd, ik weet niet meer in welk jaar: overal liep onguur volk met NSB-speldjes; dat is eigenlijk het enige, dat ik mij ervan herinner. De tweede keer was op een avond in de hongerwinter, februari 1945. Er was nauwelijks te eten, ook bij ons niet, er was geen gas, geen licht en het was bitter koud (…) Wij gingen kolen stelen bij Lippman-Rosenthal. Voor vervoer werd gezorgd door een Duitse ingenieur, die verloofd was met een Duits meisje dat met haar moeder bij ons in de Anna van Burenlaan woonde. Hij maakte deel uit van de équipe van Wernher von Braun en was betrokken bij de aanmaak van V-1 raketten in Warmond. (Jaren later sprak ik hem nog eens: hij was inmiddels Amerikaan geworden en werkzaam bij de Apollo-projekten.’)  

Haagen

Schilderij van Joris van der Haagen (circa 1615-1669) met een voorstelling van het Haagse Bos en op de achtergrond paleis Noordeinde. Het werd tijdens de oorlog door Mak van Waay geveild en kwam later via aankoop te goeder trouw bij een kunsthandelaar in  bezit van koningin Juliana. In 2015 is het doek teruggegeven aan de erfgenamen van de omgebrachte joodse eigenaar.

 

Westerbork

In Westerbork beschikte Lipmann & Rosenthal over een filiaal onder leiding van bankier Scheltnes. Op bovenstaande foto legt het personeel in hun barak een kaartje na hun roofwerkzaamheden. Harry Mulisch schrijft in ‘Mijn Getijdenboek’ dat baron Von Stechow over de sieraden ging, die van de joden zelfs nog in het doorgangskamp Westerbork werden afgepakt als zij op het punt stonden in de beestenwagens naar de Duitse vernietigingskampen in Polen te stappen. (foto NIOD).

De LIRO-bank telde in 1941 268 personeelsleden, in 1942 verdubbelde dat aantal tot 510 en in 1943 teruggebracht naar 299.

Karger

Algemeen Handelsblad, 8 december 1941. Over J.P.Chr.Rosier bericht G.Aalders in het boek ‘Roof'(1999) op pagina 163: ‘Hij was chef van de goederenafdeling, werd wegens diefstal gearresteerd en opgesloten in het concentratiekamp Amersfoort. Hij overleefde zijn gevangenschap niet. Rosier viel door de mand omdat hij in 1941  vrijwel berooid bij Liro werd aangesteld, maar zich een jaar later kon verheugen in het bezit van drie jachten en een eigen huis, welke verduisteringen gepleegd werden in nauwe samenwerking met Thilo Carl Baron von Stechow-Kotzen.’ 

 

Buurman in Heemstede was J.H.J.Stommel, – in 1968 te Haarlem overleden, welke achternaam in een ander verband voorkomt in Mulisch’ roman ‘De Aanslag” (1), Vader Mulisch was idolaat van dochter Cis Stommel, in 1920 te Bloemendaal geboren, die op het adres Spaarnzichtlaan 25 woonde (en in 1950 eerst naar Amsterdam verhuisde en vervolgens emigreerde naar Zuid-Afrika) .Haar ouders waren allesbehalve gelukkig met de verhouding van hun dochter met een gescheiden man.

(1) Als hoofdpersonage Anton Steenwijk in ‘De Aanslag’ met zijn dochter Sandra Haarlem bezoekt, ontmoet hij de bewoners van het huis dat staat op de plek van zijn ouderlijk huis: het echtpaar Stommel.

De heer J.Bosman die destijds in de nabijgelegen Landzichtlaan woonde herinnert zich Harry Mulisch als een afstandelijke jongen, wat verlegen, die bij het voetballen stond toe te kijken en met wie men niet snel contact kreeg. Hij liep meestal in de buurt met zijn hond Schloempie, een teckel. Literatuurcriticus Nol Gregoor heeft ooit de veronderstelling geuit dat op grond van jeugdervaringen Mulisch een angst voor het leven kreeg en ter compensatie in de literatuur vluchtte. Hij veronderstelde dat Harry niet gewaardeerd zou zijn bij zijn leeftijdsgenoten, waaruit Gregoor de literaire neigingen vervolgens als vrucht van een neurotisch complex trachtte te verklaren. Mulisch zelf wees deze suggestie af, omdat hij naar eigen zeggen zich bij zijn vrienden nooit uitgestoten had gevoeld. Zijn beste vriend in Heemstede werd Frans Ludwig uit de Spaarnzichtlaan die zich daadwerkelijk bij het verzet aansloot en op 9 november 1944 op de Waalsdorpervlakte door de nazibezetters standrechtelijk is gefusilleerd.

Harry Mulisch met Schloempie en een buurmeisje ook met een hond in de Spaarnzichtlaan (met dank aan Paul Gellings)

Frans Ludwig

Tegenover Mulisch op nummer 16 van de Spaarnzichtlaan woonde een rijke uit Ned.Oost-Indië teruggekeerde planter F.H.J.Ludwig, die op latere leeftijd is getrouwd met zijn huishoudster, Ellen Dankelman. De twee kinderen Frans en Frits waren vergelijkbaar met Harry Mulisch enigszins ontheemde jongens. De wat oudere Frans was de beste kameraad van de jonge Harry.

Harry Mulisch met links vriendinnetje Emy en rechts Frans Ludwig. Over Emy schreef Mulisch: ‘Zij was mijn derde liefde. Behalve dat ik met haar durfde praten, heb ik haar ook aangeraakt, ja, gekust. Zij is het eerste meisje dat ik heb gekust. Geheel in het teken des tijds gebeurde dat in een kleine privé-schuilkelder, die buren achter in hun tuin hadden aangelegd’.

De schrijver heeft hem later uitgebeeld in ‘Harry met het woord’ onder de naam Koos Bakker. (‘Zijn vader, een kreupele koloniaal van al zeventig jaar was volgens Koos Bakker eens door een buffel op de horens genomen’, aldus beschreven in ‘Voer voor psychologen’, blz. 56). Zoals vader Mulisch – opvallend met paard en sjees – eenmaal verhuisd naar de Anna van Burenlaan mej. Stommel bleef bezoeken , zo bleef ook zoon Harry contact houden met Frans Ludwig. Omdat er enkele bommen waren gevallen in Haarlem bracht vader Mulisch Harry onder in een familiepension in het Limburgse Schin op Geul, samen met Frans Ludwig. In een brief naar huis meldde Harry op 4augustus 1942 dat hij al circa 100 fossielen had verzameld en voorts ‘Weet je dat je hier in de cafés nog echte thee en echte fosco kan krijgen? Dat is iets voor Frieda en alles kost vijftien cent. Frans drinkt maar bier, eergisteren had hij 22 glazen op, hij was een klein beetje dronken.’ Ter begeleiding noteerde Mulisch in ‘Mijn Getijdenboek’ dat hij met het indrukwekkende getal van 22 glazen bewondering voor zijn vriend wilde uitdrukken, dat hij überhaupt bier dronk, omdat Harry het zelf hield op ‘een echte fosco’. In genoemd boek is op bladzijde 72 een foto opgenomen van Harry Mulisch, Frans Ludwig en vriendinnetje Emy, op wie eerstgenoemde tot over zijn oren verliefd was. De versie over het verdere verloop van Frans Ludwig stookt niet helemaal met de officiële lezing. Mulisch schrijft letterlijk: ‘Om zijn huiselijke omstandigheden te ontvluchten, meldde hij zich kort daarop vrijwillig bij de “Arbeidsdienst”. Kennelijk was hij niet zo goed op de hoogte. Ik ontving hem toen niet meer, en gedurende een paar maanden liep hij rond in dat belachelijke donkergroene uniform; maar toen er sprake van was, dat hij achter het Oostfront ingezet zou worden, droste hij en ging hij in de illegaliteit. Eind 1944 deed hij koeriersdiensten waarbij hij, stevig kereltje dat hij was, regelmatig de Rijn moest overzwemmen naar de geallieerden op de andere oever. Daarbij werd hij op een nacht zo doodgeschoten als mijn Schloempie ‘[= Mulisch’ hond door een Duitse soldaat in de Haarlemmerhout gedood]. Frans Ludwig is inderdaad doodgeschoten, echter onder andere omstandigheden. Vast staat dat hij zich heeft aangesloten als lid van de Landelijke Knokploegen (LKP) onder schuilnaam Frank van Duyn bij de afdeling Rotterdam-Zuid, die o.a. betrokken was bij het kraken van distributiekantoren. De leider van deze gewapende verzetsgroep heette in de ondergrondse Keesje ofwel Keesje-Zuid, die in verband met zijn K.P.werk ook in Badhoevedorp is geweest. Omdat in laatstgenoemde plaats vier knokploegen werden gearresteerd, ontstond verdenking tegen Keesje. Deze is daarop door zijn eigen vrienden aangehouden en aan een verhoor onderworpen. Keesje-Zuid viel door de mand en verklaarden na zijn eerdere aanhouding door de SD zwaar mishandeld te zijn, waarop hij voor de Sicherheitsdienst is gaan werken. Het verzet besloot hem te liquideren, wat een zware en harde taak was voor mannen die zo lang in goed vertrouwen hadden samengewerkt. Verschillende personen uit de groep KP-Rotterdam zijn door de Duitsers op aanwijzing van Keesje-Zuid gepakt, onder wie Jacob A.Verolme en Frans Ludwig, die op 8 november 1944 zijn meegenomen en overgebracht naar de strafgevangenis te Scheveningen. Omdat aanvankelijk ieder spoor ontbrak is door zijn vader in Heemstede op ruime schaal een opsporingsbericht met foto verspreid en plaatste hij oproepen in enkele kranten.

Oproep vader Ludwig, na de bevrijding gepubliceerd in diverse kranten

Uit onderzoek na de bevrijding is gebleken dat de 18-jarige Frans Ludwig reeds één dag na zijn arrestatie op de Waalsdorpervlakte standrechtelijk is gefusilleerd. Zijn naam leeft voort op het herdenkingsmonument in Heemstede en een portretfoto is opgenomen in het officiële gedenkboek van de Landelijke Knokploegen ‘Het Grote Gebod’ uit 1951.

Portret van de gefusilleerde Frans Ludwig

Schooltijd

Terug naar Harry Mulisch. Die keek in de oorlogsjaren, zoals hijzelf achteraf vaststelde, inactief toe. ‘Natuurlijk was ik fel antinazi en ik hield een systematisch ingedeeld plakboek bij van Duitse tegenslagen, maar intussen profiteerde ik van mijn vaders positie die niet alleen een zekere welstand betekende maar vooral ook veiligheid.’ In 1933 ging de toen 6-jarige Harry Mulisch naar een school van de ‘Haarlemsche Schoolvereniging’ in het Florapark. Dat was feitelijk een particulier instituut met kleine klassen en kinderen van de plaatselijke bourgeoisie.

Harry Mulisch in 1933 op de particuliere school met juffrouw Van der Oort in het Florapark. Rechts van hem met struk in het haar staat Elsje Droste, dochter van directeur Droste chocoladefabriek

Na opheffing ging Harry over naar School 17 in de Wilhelminastraat ‘die overigens, nadat de school van meneer Meijer aan het Florapark was afgebroken, op die plaats een nieuw gebouw betrok, waar ik ten slotte de zesde klas nog sleet.’ Vervolgens ging hij in 1940 naar de Bronstee-ulo in Heemstede, waarover Mulisch later zelf nooit heeft gesproken, in tegenstelling tot leerlingen die bij hem in de eerste of tweede klas zaten (2). De Bronsteeschool werd gevorderd door de Duitse Weermacht en na 2 jaar is Mulisch in 1942 geswitcht naar de tweede klas van het Christelijk Lyceum , waar hij tot 1944 bleef. Tot een afronding van de HBS met een diploma is het niet gekomen. Door de Duitsers uit het monumentale gebouw aan de Emmakade verdreven was het (Eerste) Christelijk Lyceum na 1 september 1942 gevestigd in het voormalige buitenhuis ‘Oosterhout’. Voor zover al bezocht moet Harry als leerling een echte klier zijn geweest. Omdat herhaalde waarschuwingen niet hielpen vatte rector dr.J.van der Elst de klachten van de leraren als volgt samen in een brief aan vader Mulisch, gedateerd 9 maart 1944: ‘geen goede invloed; te fluwelig; enigszins onbetrouwbaar; druk; onderaards kletser; lawaaierig; luidruchtig en ruw; praatjesmaker (met te veel geld?); bankenvernieler’. In datzelfde jaar waren de rector en ds. G.A.Barger als voorzitter van de Protestantse Scholen te Heemstede, gearresteerd nadat zij aan NSB-burgemeester Van Riesen uit Heemstede principieel hadden geweigerd de namen en adressen van Heemsteedse jongens van 17 jaar en ouder door te geven. Ze zijn beiden naar kamp Amersfoort op transport gesteld en na enige tijd vrijgelaten. Toen de populaire dr. Van der Elst ten gevolge van een tragisch verkeersongeval eind 1948 om het leven kwam heerste grote verslagenheid in talrijke gezinnen in Haarlem en Heemstede. Niet echter bij Harry Mulisch zoals blijkt uit de kwalijke uitspraak, zoals weergegeven in ‘Mijn Getijdenboek, p.84’ Na een kater vanwege viering van Dolle Dinsdag 5 september 1944 had Harry Mulisch zich de volgende dag afgemeld voor het herexamen. ‘Gezakt, Mulisch’ had rector van der Elst gezegd. ‘Maar toen hijzelf later met zijn herenfiets op een kruispunt door een autobus werd verpletterd, dacht ik: “Gezakt, Van der Elst”.’

Schrijven van rector dr.J.van der Elst van het Christelijk Lyceum aan vader J.V.K.Mulisch

Mulisch2.jpg

Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Eerste Christelijk Lyceum (ECL) was Harry Mulisch eregast. Naast de toenmalige rector Huneman poseerde hij demonstratie onder het portret van dr. Van der Elst

 

 Chemische Jongensclub

In de zomer van 1941 heeft Harry Mulisch tijdens zijn Heemsteedse periode de Chemische Jongensclub (C.J.C.) opgericht met zichzelf als voorzitter, Bert Vellekoop als secretaris en Teun Nijenhuis als penningmeester. In het verslag van de eerste vergadering wordt tevens lid Lohman genoemd, de latere huisarts in Monnikendam, zoon van Th. Lohman uit de Spaarnzichtlaan 4a. Zijn opgevatte liefde voor het meisje Emy zou het spoedige einde van de Chemische Jongensclub tot gevolg hebben gehad.

 

“professor doctor ingenieur H.K. Mulisch’ gaf hij aan op een bordje van zijn kamer. Op bovenstaande foto zien we Harry  aan het experimenteren in zijn chemisch laboratorium op zolder

Geen jeugdboek heeft zoveel indruk op de jonge Harry Mulisch gemaakt als ‘de ongelofelijke avonturen van Bram Vingerling’ door Leonard Roggeveen [zie ook bijlage 7]

Intermezzo: herinneringen van een vroeger buurmeisje

in 2012 vertelde mw. Lyda Krijgsman-Woelders, die sinds 1922 in de Landzichtlaan woonde haar herinneringen aan de familie Mulisch: ‘’Nadat Steenhuis verhuisd was, kwam eerst nog een ander gezin in het huis aan de Spaarnzichtlaan 23 wonen, maar in 1938 woonde er ineens een opvallend stel. Een vader met het figuur van een filmster met een tenger, bleek zoontje, waar we nooit mee speelden. Wat we allemaal nog weten is het “zonnebad” van pa. Als wij ’s zondags en bloc naar de kerk liepen lag daar al in zwembroek de “oude heer: in een ligstoel in de voortuin (die was op het zuiden) en misschien lag het zoontje er soms ook bij. Prompt kreeg pa de bijnaam “de filmster” . Hij was kennelijk een alleenstaande man want op een gegeven moment begon hij te scharrelen met zijn streng roomse buurmeisje Cis Stommel. Pa en zoon waren voor ons “een gek stel mensen’, waar je doodnieuwsgierig naar keek, maar niet mee communiceerde. We merkten niet eens dat ze er op een gegeven moment niet meer woonden. Toe ik na de oorlog een foto in de krant zag van iemand die de Reina Prinsen Geerligsprijs gewonnen had, was dat een openbaring. Laat dat nou het joch van die filmster zijn! Toen ik jaren later toevallig “Voer voor psychologen” las was ik helemaal wèg van het hoofdstuk “Het woord”, waar Harry zijn Spaarnzichtlaan-tijd beschrijft, met de jongens Ludwig aan de overkant, met Keessie Verzijlbergen, de vriendin van zijn vader, de Binnenweg, de Zandvaartkade. Wat vond ik dat enig zoals hij alles beschreef. Ik zag het helemaal weer zo duidelijk voor me en ik voelde de sfeer weer.

 

Oude ansichtkaart van Spaarnzichtlaan Heemstede

Verhuizing naar Haarlem-Zuid

Begin oktober 1941, toen het vader Mulisch vanwege een promotie weer duidelijk beter ging, omdat hij hoofd personeelszaken was geworden van het beruchte bankiershuis Lippmann-Rosenthal & Co., werd verhuisd naar het vierde en laatste huis in Zuid-Kennemerland: Anna van Burenlaan 47, waar Harry tot 4 november 1955 zou blijven wonen. ‘In dat huis is het allemaal gebeurd. Daar beleefde ik de oorlog. Daar schreef ik mijn eerste verhalen en romans. Daar ging ik voor het eerst met een meisje naar bed.’

 

Vader Mulisch, Frieda Falk en Harry voor het huis aan de Anna van Burenlaan in Haarlem-Zuid

Broodbakker en journalist Jan van Dam

Als schrijver debuteerde Harry Mulisch naast een verhaal in ‘Elseviers Weekblad’ van 8 februari 1947 met het verhaal ‘De kamer’, in het ‘Nieuws- en advertentieblad voor Heemstede en omstreken “Heemsteeds Leven; een uitgave van de destijds in Heemstede gevestigde Stichting Herstellings- en Verplegingsoord “Unicum”. Redacteur was Jan van Dam, in de oorlogstijd nog bakkersknecht en na de bevrijding o.a. bezorger van het Haarlems Dagblad, auteur van toneelstukken èn journalist-redacteur. In deze periode haalde Jan van Dam als schrijver Harry Mulisch bij het weekblad binnen. Van Dam: ‘Ik onderkende toen al zijn talent en Harry was dolblij een knaak voor een stukkie te krijgen. Nu blijkt, dat ik toen in de roos had geschoten, zei een trotse Van Dam in 1976 tijdens een afscheidsinterview met Adri Wetselaar van de krant (Haarlems Dagblad, 25-8-1988). Jan van Dam is in 1988 overleden. Zelf memoreerde Mulisch in ‘Mijn Getijdenboek’: ‘Zoals al vermeld in ‘Anekdoten rondom de dood’ was onze broodbezorger geruime tijd de enige die iets in mijn schrijverij zag. Jan van Dam heette hij en dat is hopelijk nog steeds zo. Ook redigeerde hij het advertentieblad Heemsteeds Leven, waarin ik een paar korte verhalen publiceerde; verder schreef hij stukken voor het amateurtoneel en was voorzitter van de Haarlemse Toneelvereniging “Door Inspanning Uitspanning”. Zo kwam ook ik, om hem een plezier te doen, een par keer op de planken van de schouwburg terecht, waar ik toch een paar belangrijke dingen heb geleerd, dat wil zeggen ervaren, wat van pas kwam toen ik later voor het toneel schreef.’ Mulisch publiceerde verhalen onder eigen naam of met de letter M. en een feuilleton ‘Achter wallen en poorten’ onder de naam Harry K.Victor (naar het gelijknamige toneelstuk van Jan van Dam) en in het Haarlems Dagblad onder schuilnaam A.Zwart.

Zwart.jpg

Voorbeeld (de helft van nummer 30) van een door Harry Mulisch onder schuilnaam A.Zwart bewerkt historisch verhaal ‘Achter Wallen en Poorten’, gepubliceerd in het Haarlems Dagblad  naar het gelijknamig toneelspel van Jan van Dam uit 1947

Eenmaal landelijk bekend is in 1961 door een uitgever tevergeefs getracht dit feuilleton te herdrukken in een boekuitgave, maar Mulisch stond afwijzend en liet weten: ‘In tegenstelling tot uw vleiende overtuiging ben ik van mening, dat de betreffende tekst nergens naar lijkt. Ik schreef haar toen ik een jaar of negentien was, uit radeloosheid en geldgebrek. Zelfs wanneer het verhaal tien keer beter was dan het is, zou ik het nog niet onder mijn eigen naam laten verschijnen. Het verhaal heeft zijn dient gedaan, het moet voorgoed vergeten blijven.’ De toneelloopbaan van Mulisch omvat enkele jaren eind jaren veertig, begin jaren 50. Als lid van de Haarlemse Toneelvereniging kreeg hij diverse rollen, o.a. in het stuk ‘Adel in livrei’, een stuk in 3 bedrijven van H.Bakker dat in 1947 is opgevoerd en waarin Harry werd geprezen in een recensie van het Haarlem’s Dagblad. In 1952 is Mulisch zelf aan het schrijven van een toneelstuk begonnen, maar heeft dat niet voltooid. Het werd na zijn overlijden in zijn literaire nalatenschap door zijn dochter teruggevonden .In zijn Haarlemse tijd werd Mulisch bevriend met o.a. Godfried Bomans, Ton Heyboer, Kees Verwey en Mari Andriessen en was hij vanaf 1951 lid van de sociëteit Teisterbant, maar werd na enkele jaren overleed vanwege zijn negatieve uitlatingen in 1960 over Haarlem voor de Wereldomroep (3).

 

Bericht van overlijden Jan van Dam uit het Haarlems Dagblad van 25 augustus 1988

‘Misschien ben ik altijd wel rechts geweest, hoor. Links verdroeg nooit grappen. Had ik een sportwagen en mooie kleding aan; mocht nier. Altijd het vingertje’. (Harry Mulisch, in HP/De Tijd, 27 juli 2007).

Als beroemd schrijver in Nederland overleden zonder Nobelprijs voor literatuur

De autobiografisch schrijvende Mulisch heeft sinds de uitgave van ‘Archibald Strohalm’ waarvoor hij in 1951 j de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving ter aanmoediging van zijn schrijvers beneden de leeftijd van 25 jaar, is het eigenlijk alleen maar crescendo gegaan. Hij heeft zonder meer een indrukwekkend oeuvre nagelaten. Een internationaal succes werd zijn boek ‘De Aanslag’ (1982), verfilmd en in vele landen vertaald. Een Haarlems drama, ten dele zich afspelend in Amsterdam, waarin Heemstede een keer of zeven wordt genoemd. Met name als woonplaats van Fake Ploeg “hoofdinspecteur van politie, de grootste moordenaar en verrader van Haarlem en omstreken” [een verwijzing naar Fake Krist] en voorts de cel in het politiebureau, waarin de hoofdfiguur vertoefde met twee mensen die de aanslag gepleegd hebben, van welke romanfiguur doet deken aan Hannie Schaft en Truus Menger, doch van essentieel is die parallel niet. ‘Van wezenlijker belang is het gegeven of belangrijke gebeurtenissen in het verleden ooit echt verwerkt kunnen worden en de ethische vraag of moord op een verrader geoorloofd is als je weet dat de moffen represailles zullen nemen waarmee onschuldigen het slachtoffer worden?’

De laatste tien van zijn leven moest Mulisch bij de bekendmaking van de Nobelprijs voor literatuur in Oslo aan journalisten steeds weer toegeven dat de prijs hem wederom niet was toegekend. Zelf zei hij daarover in 2009 toen hij wederom niet was bekroond: ‘Wat vast staat is dat ik die prijs een keer ontvang. Wanneer precies, dat weet ik niet. Het zijn kosmische wetten die dat bepalen.’ Eén van de gevleugelde uitspraken van Mulisch was dat nog maar eens bewezen moest worden dat hij niet onsterfelijk was. De onvermijdelijke dood had nochtans plaats op 30 oktober 2010 toen hij op 83jarige leeftijd, omringd door zijn familie in het huis aan de Leidsekade, is overleden aan de gevolgen van kanker. Mulisch heeft zijn leven niettemin geleid alsof hij onsterfelijk was. Daarom gedroeg hij zich, zoals meermaals door hem beklemtoond, naar zijn ‘absolute leeftijd: zeventien’.

Epiloog

Harry Mulisch heb ik persoonlijk een keer of 5/6 ontmoet en gesproken, o.a. tijdens een presentatie bij boekhandel De Vries in Haarlem met mevrouw Rita de Lint; in 1996 in Teylers toen de eerste exemplaren van de Werken van Godfried Bomans door Mulisch zijn overhandigd aan de weduwe mw. Pietsie Bomans-Verscheure. Eenmaal ook sprak ik hem bij zijn vaste boekhandel Scheltema in Amsterdam en verder in 1996 bij de viering van het 400-jarig bestaan van de stadsbibliotheek Haarlem. Ik was voor de schouwburg in een geanimeerd gesprek gewikkeld met hem, dat pardoes werd afgebroken omdat Mulisch een bekende van hem zag waar hij naar toe liep. Ik kreeg de indruk dat hij liever niet sprak over zijn ‘ Heemsteedse tijd’. Meer dan eens vernam ik van oude bekenden van hem uit zijn jeugd die hem later bij een of andere gelegenheid ontmoetten hij geen behoefte had aan contact met hen. Het voelde voor hen aan of hij zich nu tegoed vond voor de leeftijdgenoten uit zijn jeugd. Toen de Heemsteedse bibliotheek in 1986 verhuisde naar het Dreefgebouw wilden we Harry Mulisch uitnodigen om bij de opening aanwezig te zijn. Literair criticus Herman Hofhuizen, een vaste bezoeker van de bieb, zou hem hiervoor vragen. Mulisch liet weten dat hij al voor zoveel evenementen gevraagd werd maar als een vriendendienst Hofhuizen terwille wilde zijn en dat voor een vriendenprijs van 5000 gulden. De toenmalige burgemeester van de gemeentelijke openbare bibliotheek vond dat wel wat prijzig en vroeg of ik een andere suggestie had. Dat werd toen de boekhistoricus professor professor Herman de la Fontaine Verwey die een korte lezing hield over de Bibliotheca Heemstediana van Adriaan Pauw en op een vraag wat zijn honorarium was wilde hij daar niets van weten.

 Vurig aanhanger van de Cubaanse revolutie en van Fidel Castro

Harry Mulisch bezocht Cuba in 1967 en 1968 en bewonderde de ‘authentieke revolutie’ die daar toen plaatsvond, wat leidde tot zijn publicatie: ‘Het woord bij de daad’(1968). Mulisch meende – althans in 1968 – dat Cuba democratischer was dan Nederland. De schrijver had vrienden [bij Teisterbant en van de Kring in Amsterdam, door hem aangeduid als ‘mijn soort mensen’], maar creëerde evenzeer een aantal ‘vijanden’. Niet in de laatste plaats vanwege de wijze waarop hij president Fidel Castro met zijn nieuwe Cuba bewonderde en minder oog had voor gevangengenomen schrijvers die kritiek hadden op het dictatoriale regime van ‘El commandante’ ofwel ‘El lider máximo’. Voor Hebert Padilla leidde dat, toen hij eenmaal na een gevangenisstraf wegens zijn kritische houding ten opzichte van het nieuwe bewind en in 1981 eregast was bij Poetry International’ te Rotterdam, tot de uitspraak: ‘’Zo’n Mulisch is natuurlijk een oneindig naïeve man’. Aan het slot van een 250 pagina’s tellend boek over de Cubaanse revolutie schrijft Mulisch: ‘Wanneer het door de druk van buitenaf inwendig mis mocht gaan en de samenleving zou veranderen in een politiestaat, dan zal het onze schuld zijn, zoals het onze schuld was dat de russische revolutie stalinistisch mis ging. Ofschoon er goddank geen tekenen zijn die op zoiets wijzen – het proces Escalante wijst op het tegendeel – zou ik voor mij zelfs dan solidair zijn. De verwording van ons eigen systeem, de permanente kontra- revolutie, die sinds jaar en dag op volkerenmoord berust, zal Cuba in geen eeuwigheid kunnen bereiken.’(…)’.  Het is in de ‘Cuba-periode’ meermaals voorgekomen dat een ruit van zijn  huis aan de Leidsekade is ingegooid en de politie om die reden Mulisch aanraadde zijn naamplaatje van de deur te halen.

Vooromslag van Mulisch’ Cubaboek: ‘Het woord bij de daad; getuigenis van de revolutie op Cuba’.

In 2008 kocht een Nederlandse toerist in een boekwinkel in Havana een exemplaar van ‘Het woord bij de daad’ met een opdracht van de auteur in de Spaanse taal aan Castro, die zijn Cubaanse volk een sprong voorwaarts heeft gemaakt, niet van honderd maar van duizend jaar! [een typisch Mulischiaanse overdrijving!]. Aangekocht voor een luttele drie peso belandde het boek bij antiquaar Fokas Holthuis, die het taxeerde op een waarde van zeker 2.500 euro. Of dit boek ooit daadwerkelijk Castro heeft bereikt is onopgehelderd gebleven. Vrijwel zeker kwam het boek niet door de censuur van Castro’s lijfwachten. In een aparte ruimte van de enorme Biblioteca Nacional in Havana staan de boeken over Castro, Che Guevara en de Cubaanse revolutie, maar volgens de catalogus ontbreekt daar ‘Het woord van de daad’.

 

Persoonlijke opdracht van Mulisch voor exemplaar aan Fidel Castro

Mulischfidelcastro

Achterzijde van het boek ‘Het woord bij de daad’ , Harry Milsch op de foto met zijn idool Fidel Castro (foto Ed van der Elsken)

 

Mulischche

Mulisch verdiept in eden boek van Che Guevara

 

Che.jpg

Affiche uit 1967 naar aanleiding van overlijden vrijheidsstrijder Che Guevara met als sprekers dr.A.L.Constandse, Th.Stibbe, Harry Mulisch en Ton Regtien  (IISG)

 

‘Ik bèn de Tweede Wereldoorlog’

Alom bekend zijn de gevleugelde woorden van Harry Mulisch: ‘Ik bèn de Tweede Wereldoorlog’, met een Joodse moeder (die door toedoen van haar ex-man deportatie kon voorkomen en in 1951naar de Verenigde Staten emigreerde, waar zij in 1996 te San Francisco is overleden) en een foute vader (die na de oorlog is geïnterneerd, nog geen 3 jaar in voorarrest zat en vervolgens vanwege permanente suikerziekte door de Bijzondere rechtspleging in 1948 buiten vervolging werd gesteld ). Een echte vijand werd journalist Dick Verkijk – die overigens in 2004 een voortreffelijk boek had gepubliceerd over ‘De Sinterklaasrazzia van 1944’ – na publicatie in 2006 van diens boekje: ‘ Harry Mulisch fel anti-nazi maar sinds wanneer?’

Vooromslag van ‘Harry Mulisch fel Anti-Nazi, vanaf wanneer? door Dick Verkijk

Op basis van twee getuigen, mevrouw Anneke Peperkamp-Smit uit Heemstede (Spaarnzichtlaan 2) en 1 anoniem (Anton S. uit Haarlem (destijds buurman in de Anna van Burenlaan) – welswaar bekend maar niet met naam openbaar gemaakt – wordt door die vroegere buurtgenoten van Mulisch gesuggereerd dat ze hem omstreeks 1944 in het blauwe uniformpje van de Nationale Jeugdstorm, de jongerenbeweging van de NSB hebben zien lopen. Mulisch deed de zaak af met ‘totale quatsch’ en voegde daar later aan toe dat als dat zo geweest zou zijn hij er een mooie roman over zou hebben geschreven. Mulisch nam niet de moeite een proces wegens smaad aan te spannen, ofschoon daar eerder mee was gedreigd door uitgever Ammerlaan.  Dat was weer koren was op de molen van Verkijk, want zoals het gezegde luidt ‘waar rook is, is vuur’.  Mogelijk heeft men de jonge Mulisch gezien in zijn uniformpje van de welpen meende Mulisch zelf, ofschoon hij toen jonger was. Hoe dit ook zij, uit onderzoek dat ik deed naar de lijsten van geregistreerde NSB’ers en op basis van persoonlijke herinneringen van zes mensen die destijds in/nabij de Spaarnzichtlaan of Anna van Burenlaan woonden en/of bekend waren met de NSB-honken aan het Raadhuisplein of het pand Spaarne 96. Die zeiden dat wanneer Harry in kledij van de Jeugdstorm had gelopen, dat beslist zou zijn opgevallen. Mevrouw A.von Glahn-IJzer die bij Mulisch op school zat weet dat de scholier Mulisch niet pro-Duits was, mede gelet ook op zijn vriendenkring. Ook het juridisch dossier van vader Mulisch in het Nationaal Archief pleit de zoon vrij. Aldus heb ik, evenals het Historisch Nieuwsblad, geen flinter van bewijs kunnen vinden dat Mulisch ooit lid was een collaborerende organisatie. In een schrijven aan de reclasseringsambtenaar schreef rector Van der Elst– bepaald geen vriend van de leerling Harry – 4 juni 1946: ‘hij gaf geen reden tot politieke klachten in de bezettingstijd’. Na verschijning van het boekje en een reactie mijnerzijds in Vrij Nederland en het Historisch Nieuwsblad stuurde Dick Verkijk mij op 6 april en 22 april 2006 nog twee uitvoerige brieven met aanvullende informatie, maar ook die hebben mij niet kunnen overtuigen van zijn gelijk. Ook een zuster van mevrouw Smit is van mening dat sprake is van een vergissing en weet zich te herinneren dat destijds thuis hierover nooit met een woord is gerept.

In 1990 nam Mulisch deel aan het programma Klasgenoten van Koos Postema met de klas van het Christelijk Lyceum uit 1943. Toen kwam ter sprake dat op 5 januari 1946 een ontplofte voor het Christelijk Lyceum. De dader(s) kon de politie niet achterhalen. Het gerucht ging dat Mulisch met zijn chemische interesse hiervoor verantwoordelijk was. Kort na de uitzending werd het mysterie opgelost en – intussen voor vervolging verjaard – gaf de toen jarige 81-jarige Haarlemmer vanwege het feit dat Jan Overzet toe dat hij de dader was geweest van de aanslag, boos op het bestuur van de school. Van der Elst was na de bevrijding als rector opgestapt, terwijl op zijn gedrag tijdens W.O.II niets was aan te merken, terwijl het “foute” schoolbestuur grotendeels was blijven zitten. Voordat de bomaanslag plaatsvond was al op de schoolmuren gekalkt: ‘Dr.van der Elst moet terug’.

Mulisch met klas ECL uit 1943 (Haarlems Dagblad, 16 oktober 1990)

Op 17 maart 1995 ontving Mulisch in het stadhuis uit handen van burgemeester mr. Jaap Pop het ereburgerschap van Haarlem bij gelegenheid van het 750 jarig bestaan van de stad. Nota bene als eerste in de geschiedenis en bepaald niet door iedereen even gewaardeerd – gemeentearchivaris Temminck was daar bijvoorbeeld allesbehalve gelukkig mee – want Mulisch had zich in 1960 laatdunkend – zelf zou hij zeggen ironisch; zijn woorden waren grappig bedoeld maar werden serieus opgevat – uitgelaten over de Spaarnestad, zoals ‘Haarlem is de negerwijk van Amsterdam. Iedereen kijkt er zwart. Men woont niet in Haarlem, men lijdt er aan’. Later is dat beeld van de Spaarnestad wel weer ten positieve bijgesteld met een uitgave als ‘Het beeld en de klok’ uit 1989.

De aanvankelijke intentie was dat Mulisch de titel ‘ere-poorter van Haarlem’ zou krijgen, maar Mulisch vond dat ‘kinderachtig, provinciaal en Bomansachtig, beetje Sinterklaas’ en ging enkel akkoord met het ereburgerschap en dat werd het dan ook. Anno 2017 is hij nog altijd de eerste en enige persoon met deze eretitel in de geschiedenis van Haarlem, terwijl Haarlemmers als Pim Mulier ofwel Godfried Bomans die eer toch meer verdiend zouden hebben . In zijn dankwoord zei Mulisch onder meer: ‘Als ik niet zo verstandig was geweest om Haarlem op mijn dertigste verlaten, dan was dit ereburgerschap mijn neus voorbijgegaan.’

Mulischereburgerschap

Harry Mulisch na zijn benoeming 17 maart 1995  tot ereburger van Haarlem, links burgemeester mr.Jaap Pop

Op 27 oktober 2007 daalde Mulisch op uitnodiging van boekhandelaar Arno Koek nog eenmaal naar ‘zijn’ Heemstede af om geïnterviewd door de Leidse Mulisch-kenner Onno Blom te spreken voor de leerlingen van College Hageveld.

In Haarlem-Noord is een straat vernoemd naar Harry Mulisch.

In 2013 is mede dankzij voornoemde ex-burgemeester op de Grote Markt een borstbeeld van Mulisch geplaatst, vervaardigd door Jikke van Loon (4). Begin 2007 werd door de Universiteit van Amsterdam aan Mulisch, die qua opleiding niet verder was gekomen dan de vierde klas HBS, een eredoctoraat uitgereikt en postuum is een planetoïde naar hem vernoemd, niet in de laatste plaats vanwege het boek ‘De ontdekking van de hemel’, algemeen beschouwd als zijn magnum opus (5).

Ten slotte: er is een stichting in het leven geroepen ‘Vrienden van het Harry Mulisch Huis’ die ernaar streeft de oorspronkelijke werkkamer van de schrijver te behouden en toegankelijk te maken voor het publiek.

Oproep: ‘Wordt Vriend van het Mulischhuis’

 ‘De culturele revolutie [van Mao] is de meest fantastische gebeurtenis uit de wereldgeschiedenis’ (Harry Mulisch)

Noten

(1)In “Voer voor psychologen”(1961) schreef Mulisch: ‘Voor de honderdste keer ga ik de eerste hoofdstukken van “De wonderlijke verdwijning van Bram Vingerling” lezen. Vorige week heb ik het boek gekregen (van Alice, die mij iedere woensdagmiddag uit Amsterdam komt opzoeken, als K.V.K, er niet is), nooit lees ik het ergens anders dan hier’. Zijn (tijdelijke) interesse in de alchemie was te danken aan de hoofdpersoon van zijn favoriete jongensboek. In “Voer voor psychologen” bevat voorts een hoofdstuk: ‘Schets ener inleiding tot de grondlegging van een onderzoek naar de hermetische oorsprongen van Bram Vingerling’.

(2) Jaap Wesseling, die in de Oude Posthuisstraat woont bezocht ook de Bronstee-ulo. Jaap zat in 1940 in klas 1C en Harry Mulisch in 1B. Wesseling merkt in zijn levensoverzicht op: ‘Opmerkelijk is dat er in de biografische werken, noch in een in diverse boeken gepubliceerde ‘Tijdtafel’  over Mulisch nooit wordt gesproken over dat jaar.’

(3)Pas op 16 september 1964 werd Mulisch door een Teisterbant-rechtbank gedaagd, wegens smaad Haarlem aangedaan in zijn radiovoordracht. Mulisch werd verdedigd door de jonge mr.Peter Lohr, later directeur van Stadsschouwburg en Concertgebouw van Haarlem. Mulisch had als getuigen á décharge uit Amsterdam (waar hij sinds 1958 woonde) meegenomen: Cees Nooteboom, Ed Hoornik, Mies Bouhuys, Boebie Brugsma, Han Lammers, Peter Schat, J.Bernlef en Tabe Bas. De rechtszaak die geestig een spel had moeten zijn, werd te ernstig waarop Mulisch besloot nooit meer een voet in Haarlem te zetten, ‘tenzij op doorreis’ (De keldergang der heren; geschiedenis van de Haarlemse sociëteit Teisterbant’ van Louis Ferron, 1981).

========Harry Mulisch als bezoeker van de Stadsbibliotheek Haarlem========

mul

Uit: dr.Paul Schneiders. Lezen voor iedereen, NBLC,  1990, pagina 213

 

Vordering tot Gerechtelijk Vooronderzoek Harry Kurt Victor Mulisch

(4) Van Mulisch karakteristieke hoofd zijn intussen 5 verschillende bronzen bustes vervaardigd o.a. door Ellen Wolff uit Heemstede en Menno Veenendaal uit Haarlem. Ook in de Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA) staat zijn borstbeeld in een naar hem vernoemde Mulischzaal. Van de buste door Lancelot Samson bestaan enkele afgietsels, o.a. 1 in het Letterkundig Museum. Uiteraard behoorde de schrijver bij de genodigden voor de officiële opening ’s morgens 7 juli 2007 van de nieuwe centrale OBA. Het toegestroomde publiek achter dranghekken mocht pas begin van de middag het gebouw betreden. Ik herinner me levendig hoe Harry Mulisch na afloop van het officiële deel als een prins uit het gebouw van de trappen schreed. Het wachtende Amsterdamse volk morde, althans sommigen, met opmerkingen als: wat is hij arrogant, hautain, een ijdeltuit  e.d maar tegelijkertijd klonk een hartelijk applaus op.

Borstbeeld uit 1992 van Harry Mulisch van door Lancelot Samson in het Letterkundig Museum Den Haag. Van het beeld bestaan 9 afgietsels, enkel het exemplaar in het Letterkundig museum bevat een lauwerkrans

(5) Bronnen en literatuur: Heemstede-collectie in het Noord-Hollands Archief Haarlem, locatie Kleine Houtweg. Gebruik is ook gemaakt van diverse boeken van Mulisch, zoals ‘Voer voor psychologen’ en vooral ‘Mijn Getijdenboek’

voer

Vooromslag van ‘Voer voor psychologen’. De Bezige Bij, 1961

Nota Bene: november 2016 verscheen van de hand van uitgever en beoogd biograaf Robbert Ammerlaan, voorafgaande aan een grote biografie, het boek ‘Zijn eigen land; een reis door de werkkamer van Harry Mulisch’. Aan de hand van alle aanwezige dagboeken, correspondentie, documenten en dergelijke reconstrueert Ammerlaan de belangrijkste gebeurtenissen en ontwikkelingen in leven en werk van Harry Mulisch.

 ‘Toeval bestaat niet’ (veelvuldig door Harry Mulisch gedane uitspraak in allerlei varianten)

Bijlage 1: huizen waar Harry Mulisch heeft gewoond

-Westerhoutpark 16 Haarlem (1927-1933);

Harry Mulisch met links dochter Frieda en rechts partner Kitty Saal voor het geboortehuis in Haarlem.  N.B. Mulisch is in 1971 getrouwd met Sjoerdje Woudenberg. Uit dit huwelijk is dochter Anna in 1971 en dochter Frieda in 1974 geboren. Sinds 1989 verhouding met Kitty Saal, uit welke verbintenis in 1992 zoon Menzo is geboren.

– Voorhoutstraat 12 Haarlem (1933-1938);

– Spaarnzichtlaan 23 Heemstede (1938-1941);

– Anna van Burenlaan 47 Haarlem (1941-1955);

– Staten Bolwerk 2 Haarlem vanaf november 1955 tot 1958;

waarna hij na eerst kort elders te hebben gewoond in een huurkamer Leidsekade 104 In Amsterdam (waar hij in 1959 de roman ‘Het Stenen Bruidsbed’ schreef); definitief is verhuisd naar een huis aan de Leidsekade 103, waar Harry Mulisch in 2010 is overleden.

mukischwelkomophetleidsepleinIISG1959

Harry Mulisch, vaste bezoeker van Américain (ook van boekhandel Scheltema), wordt via een cartoon welkom geheten op het Leidseplein

 

Mulisch’werkkamer-bibliotheek aan de Leidsekade 103 in Amsterdam

Bijlage 2: bijdragen van Harry Mulisch, gepubliceerd in ‘Heemsteeds Leven’(weekblad onder redactie van Jan van Dam), 1949, aanwezig in Noord-Hollands Archief (Heemstede-collectie)

-Feuilleton: ‘Achter wallen en poorten’; naar het gelijknamige toneelstuk van Jan van Dam door Harry K.Victor.; ook onder pseudoniem Jan Zwart. Illustraties van J.A.Ebeli: 22 september (1), 29 september (2), 6 october (3), 13 october (4), 20 october (5), 27 october (6), 4 november (7), 11 november (8), 18 november (9), 8 december (10) [Onder pseudoniem A.Zwart tevens gepubliceerd in Haarlems Dagblad in 38 afleveringen tussen 9 oktober en 22 november 1954]

-‘De laatste sigaret: (verhaal) onder naam Harry Mulisch – 6 october 1949

-toneelrecensie: Amsterdams toneelgezelschap “Een midzomernachtsdroom”, ondertekend H.K.V. 8 september 1949

-toneelrecensie: ‘Moord in de kathedraal’, ondertekend H.K.V. – 6 october 1949

-sportverslag H.P.C. (Heemsteedse Zwem- en Poloclub), ondertekend M – 6 october 1949

-sportverslag H.P.C., ondertekend M – 13 october 1949.

‘Mulisch is de Zeus van Haarlem’ (Herman Brusselmans in een in 2017 gepubliceerde column)

 

Volgens Mulisch is zijn novelle ‘de sprong der paarden en de zoete zee’ verbonden aan het huis in de Spaarnzichtlaan.

Bijlage 3: in Mulisch’ Haarlemse tijd verschenen publicaties (1)

-Archibald Strohalm, 1952 (geschreven tussen 1959 en 1951)

-Tussen hamer en aanbeeld, 1952 [al in 1947 geschreven)

-Chantage op het leven, 1953

-De diamant, 1954

-De sprong der paarden en de zoete zee, 1955 [opgenomen in De versierde mens]

-Het mirakel, 1955

Het zwarte licht, 1956

-De versierde mens, 1957

Manifesten, 1958 [aforismen; in 1961 opgenomen in Voer voor psychologen].

P.S. In 1947 schreef Mulisch ‘Ik Bubanik, welk verhaal mèt een in 1954 geschreven lezing: ‘Op weg naar de mythe’ in 1994 door ‘De Bezige Bij’ is uitgegeven onder de titel: ‘Twee opgravingen’. Ten aanzien van ‘Ik, Bubanik’ schreef Mulisch in zijn verantwoording dat hij voor de titelvorm was geïnspireerd door Robert Graves’ ‘I, Claudius’. De naam Bubanik was een variatie op die van ene Lázló Bubenik, die na WO 1 vanuit Hongarije naar Holland was gekomen en in Haarlem woonde. Een tweede doorslag had Mulisch vernietigd, nadat het origineel door 2 uitgeverijen was geweigerd. Eén doorslag kwam bij Piet Bakker, destijds letterkundig redacteur van Elseviers Weekblad (en auteur van ‘Ciske de Rat’) en 1 an Joop Veeninga, destijds perschef van de ANWB-fietsrally.

mulisch1

Mulisch graaft jeugdig werk op (Haarlems Dagblad, 22-4-1994)

 

Voorts vond dochter Frieda Mulisch in 2016 in de werkkamer een onvoltooide toneeltekst uit 1952, die in de toekomst, zo mogelijk na voltooiing door een uitgenodigde schrijver, alsnog in boekvorm wordt uitgegeven.

Vooromslag van boek Harry Mulisch: Twee opgravingen.

Mulischtekeningikbubanik

Tekening door Harry Mulisch uit circa 1948, opgenomen in het boek ‘Twee opgravingen’.

 

Ansichtkaart van ‘De Heilige Vijver’ voor Harry Mulisch: de waterdel in wandelbos Groenendaal Heemstede

Foto van het rijwielkamp der rally 1947 op het landgoed Groenendaal. Bij die gelegenheid gaf Harry Mulisch zijn jeugdnovelle ‘Ik, Bubanik’ aan Joop Veeninga, perschef van de ANWB-fietsrally

(1) De eerste losse bijdragen verschenen in 1945: H.K.M. [Reactie]. In: De Nieuwe Jeugd, 2 december 1945 en 8 februari 1946 verhaal ‘De kamer’ in Elseviers Weekblad. [volgens Mulisch zonder zijn toestemming gepubliceerd]. In 1952 verschenen de eerste twee boeken. Daarvoor had Mulisch gedurende vijf jaar tevergeefs geprobeerd bij talrijke uitgeverijen om zijn ‘Ik, Bubanik’ en ‘Archibald Strohalm’en ‘Tussen hamer en aambeeld’ uitgegeven te krijgen.

Bijlage 4: Harry Mulisch, Het zevende land (en een metafysische ervaring): de Rhododendron- ofwel Zochervijver in wandelbos Groenendaal

Heemsteder

De Zochervijver in Groenendaal, uit: de Heemsteder van van 16 augustus 2017, foto Marenka Groenhuijzen

In 1998 verscheen bij uitgeverij De Bezige Bij in Amsterdam een publicatie van Harry Mulisch. Het zevende land. Het bevat een op 23 november 1997 gehouden lezing te München over “het eigen land” . Een filosofische voordracht met als uitgangspunt de huizen waar Mulisch gewoond heeft. Daarin voert Mulisch zijn toehoorders/lezers naar de mystieke “heilige vijver:” uit zijn jeugd, gelegen in het wandelbos Groenendaal. Door de schrijver het “IETS” genoemd, dat hem paradoxaal aan geen plaats of natie gebonden maakt. Via omwegen redeneert hij dat zijn land zich bevindt in zijn eigen hoofd. Citaat: ‘Een paar kilometer zuidwaarts, bij Heemstede, ligt nog een tweede overblijfsel van het oorspronkelijke natuurbos, groter en iets ongerepter. Als kind wandelde ik daar op zondagmiddag aan de hand van mijn vader; als jongen fietste ik er vaak heen met mijn botaniseertrommel en een flora, onderzocht de bladstanden, telde meeldraden en legde de planten te slapen tussen vellen vloeipapier. Het was, geloof ik, niet eenvoudig de liefde voor de natuur die mij daarheen trok, eerder liefde voor de natuurwetenschap. Maar er was één plek, waar alles anders was, de Heilige Vijver. Hij was moeilijk te vinden, ik kan mij niet herinneren daar ooit iemand te hebben gezien. Om hem te bereiken moest ik mij door een dichte haag manshoge rododendrons worstelen, die hem volledig omgaven. Hij was vijftien of twintig meter lang en ongeveer vijf meter breed. Op warme zomerdagen was het er op een tropische manier vochtig en windstil. Alles was roerloos, behalve bomen, op en in het heeldere water. Vogels en insecten vlogen er overheen, schaatsenrijders en waterlopers, liepen wonderbaarlijk over het oppervlak en in diepte krioelde het leven van vissen, watervlooien, salamanders, kikkervisjes en ander gedierte, dat tegenwoordig allemaal vergiftigd is. Maar dat was niet wat de vijver heilig maakte voor mij. Dat was iets volstrekt onbenoembaars dat in de omsloten ruimte hing, een mysterieuze presentie alsof de vijver niet in deze maar in een andere wereld zijn tehuis had. Hierover had geen natuurwetenschap iets te melden, en ook hier was het dus eigenlijk niet de natuur “zelf” die mij fascineerde. Ik dacht dat ik de enige was met zo’, bovennatuurlijk bezit, de Heilige Vijver was mijn hoogst persoonlijk geheim, waar ik met niemand over sprak. Dat doe ik nu pas voor het eerst. Ik wist niet dat die ervaring een van de alleroudste is die de mensheid kent, – de godsdienstfenomenologen die over zulke numineuze plekken geschreven hebben, zoals Rudolf Otto, Ernst Cassirer en Mircea Eliade, kende ik toen natuurlijk nog niet. (…).

Mulisch7

Uit: Hans van der Prijt, ‘Er was een plek waar alles anders was’ Heemstede, 2009

Met de Heilige Vijver bedoelde Mulisch de waterdel. Hier zijn de rododendrons omheen geplant als bescherming voor kinderen maar – volgens de overlevering meende John Fidom – ook om boze geesten te verdrijven.

waterdel

Oude ansichtkaart van de Waterdel in Groenendaal

In de Duitse taal verscheen bovenvermelde lezing van Mulisch, voorgedragen in de reeks ‘Reden über das eigene Land’ in het blad Akzente, 2, 1998.

mulischhetzevendeland

Vooromslag van ‘Het zevende zegel’ door Harry Mulisch

Bijlage 5: DE OERTIJD, in: Licht en dwaallicht; Harry Mulisch 65: van Teisterbant tot Le Garage door Remco Meijer en Rob van Scheers.  In: Elsevier, 27-6-1992: ‘Ver, ver weg, net na de Tweede Wereldoorlog, aan de rand van Haarlem, op een steenworp afstand van Amsterdam, geschiedt een mirakel: een jong, zoekend intellectueel schrijft het korte verhaal “De kamer, een rotverhaal”, stuurt dat op naar “Elsevier’s Weekblad”, en ziet het prompt geplaatst. Hij schreef altijd al, maar niet om schrijver te worden, zegt hij daarover later, zelf schrijver geworden. “Toen ik de krant opensloeg en het zag staan, wist ik: -“dit is het”.  Het overkwam hem, Harry Kurt Victor Mulisch. Niet langer was hij de chemicus-in-spe, die op zijn zolderkamertje aan een “Moderne atoomtheorie voor iedereen” sleutelde, noch de Nederlandse pendant van Rudolph Valentino, maar: SCHRIJVER. En hij zou slagen, zoveel stond van meet af aan vast. Sinds de publicatie vertrouwt hij op een onwrikbaar geloof in eigen onfeilbaarheid, en bouwt hij systematisch aan de schepping van zijn magisch-mythische leest geschoeide Mulisch-universum. Van “Archibald Strohalm” tot “De Pupil” staat iedere gepubliceerde letter in dienst van een hoogstpersoonlijke compositie van de wereld. Een beeldhouwer in letters, wil hij zijn, met niets minder dan de kosmos als zijn materie. Een alchimist bij geboorte: “Het oeuvre van een schrijver is, of behoort te zijn, een totaliteit, één groot organisme, waarin elk onderdeel met alle andere verbonden is door ontelbare draden, zenuwen, spieren, strengen, kanalen (…) ‘”. Neem het volgende: “Omdat het heelal in ruimte en tijd een reusachtige goulash is, waarin alles met alles samenhangt, is ook het “materiaal” van ieder leven oneindig, ja, van ieder moment uit ieders leven.” Aldus de inleiding bij de autobiografie “Mijn getijdenboek” (1975) die de periode tot 1951, voorafgaand aan het schrijverschap, documenteert. Een platenatlas die op het achterplat wordt gerechtvaardigd met: “Evenals de biografie is de autobiografie een misdeeld genre in ons land. Een zekere valse bescheidenheid zal daar niet vreemd aan zijn. Wie daar in Nederland minder last van heeft, is ongetwijfeld Harry Mulisch”.  Zie hoe de schrijver Mulisch zijn geboorte beschrijft: “Op vrijdag 29 juli werd ik, negen pond zwaar, uit de Stille Oceaan opgevist”. Let wel, het betreft hier gewoon de geboorte van een Haarlemse jongen, adres: Westerhoutpark 16. “Dezelfde dag kwam de Vesuvius plotseling in verhevigde werking, maar de kranten vermeldden niet of dat kwam door mijn geboorte of door Mussolini, die ook die dag zijn verjaardag vierde.”  Het geboortekaartje is gesteld in het Duits. Vader Kurt Mulisch was van Oostenrijks-Hongaarse geboorte, officier in het leger tijdens de Eerste Wereldoorlog, in 1929 tot Nederlander genaturaliseerd door minister van justitie J.Donner, vader van Mulisch’ leeftijdgenoot en latere vriend Jan Hein Donner. De aankondiging van Kurts verloving met de joodse Alice Schwarz uit Antwerpen, zestien jaar jonger dan haar aanstaande echtgenoot, ging in het Frans. En in het ouderlijk huis wordt overwegend Duits gesproken – het geeft de jonge Harry al met al een mondaine start. Dan komt de oorlog, die (Ik bèn de Tweede Wereldoorlog) nooit meer weg zal gaan. Nooit meer weg mag gaan, zoals de schrijver op 4 mei jongstleden nog, en niet voor het eerst, benadrukte tijdens een rede in de Nieuwe Kerk. Mulisch’ vader had tijdens de oorlog een positie bij een collaborerende bank die het geld van weggevoerde joden beheerde. Tussen ’45 en ’48 zat hij gevangen. Zijn ouders scheidden, waarna zijn moeder tijdens het debuut van haar enig kind, naar San Franscisco emigeerde. Hoe bewogen ook, voor een schrijver een jeugd als een goudmijn, om het beroemde citaat van Edgar Allan Poet te parafraseren. En dat past, want de korte, fantastische vertelling “De kamer” is ontstaan na lezing van verhalen van Poe, heeft Mulisch gezegd. In 1985 neemt hij in “Hoogste tijd” enkele citaten van Poe op “als eerbetoon aan een auteur, die veertig jaar geleden mede aan de wieg stond van Harry Mulisch’ schrijverschap.’

———————————- 

 ‘Wij spraken over vrouwen en daardoor werd Harry Mulisch meegesleept. Zijn erotomanie: hij haalt aan vrouwen in, wat hij als kind te kort is gekomen. Toch geeft de totale afwezigheid van een christelijke achtergrond mij het gevoel te praten met iemand van een andere planeet. Overigens een zeldzaam intellect’. (dagboekaantekening van Godfried Bomans, 22 maart 1957. In: De Werken, deel , pagina 740)

 Bijlage 6: opdracht in een boek door Harry Mulisch aan zijn vriend Godfried Bomans

Mulischteisterbant

“Schuttersstuk’ van enkele Teisterbantleden. V.l.n.r.: Harry Mulisch, Godfried Bomans (staande als president en oprichter), Harry Prenen, Barend Rijdes, Ton Neelissen en diens echtgenote Harriët Laurey (Frans Halsmuseum Haarlem, foto M.Svensson)

In een artikel over ‘Costeriana’ schreef Bubb Kuyper in 1992 over een door ‘Harry’ geschonken boek aan ‘Godfried’, het volgende: ‘Over het vraagstuk wie de uitvinder van de boekdrukkunst was, is heel wat afgeschreven. Met name de 19de eeuwse schrijver deden dat met het nodige chauvinisme, daarbij wat wij nu onder wetenschappelijke voorzichtigheid verstaan niet altijd in acht nemend. De protagonisten van met name Gutenberg en L.J.Coster zitten elkaar met een ware stortvloed van meestal niet al te omvangrijke studies, libellen, schotschriften flink in de haren. Een bijkomend verschijnsel van dit opgewonden nationalisme is het houden van feesten, het slaan van gedenkpenningen, het drukken van prenten e.d. Daar zijn vele merkwaardige, thans vaak koddig aandoende producten onder. Een aantal van deze Coster-curiosa, alle uit eigen verzameling, zal ik in een ten vervolge beschrijven (…) In het laatste kwart van de 18de en de eerste helft van de 19de eeuw worden er voor de jeugd uiterst brave boekjes geschreven, die het puikje der jonge natie moeten stalen in voorbeeldig gedrag en opvoeden tor zedelijk superburgers. Een daartoe veel gebruikte methode is ze de levensgeschiedenis van historisch voorbeeldige landgenoten te vertellen, veelal in een gefingeerd vraaggesprek tussen vader of moeder en één of twee kinderen. Ook al mobiliseert de moderne lezer alle welwillendheid en ‘Zeitgeist’-besef, dan nóg komt bij het lezen van dit soort boekjes onweerstaanbaar het gevoelen op, dat óók een contemporaine weldenkende vader of moeder blij moet zijn geweest dat die schijnheilige Pieter, Gerrit en Mietje niet zijn of haar kinderen waren. Toch werden deze boekjes – meestal in klein-octavo formaat – in groten getalen uitgegeven en gedrukt. Ze voorzagen kennelijk in een behoefte. Het is de tijd van de spreekwoordelijk geworden ‘brave Hendrik’, misschien wel he bekendste in dit moralistische genre, in 1810 voor het eerst door N.Anslijn Nz. Gepubliceerd en in 1877 aan zijn zestigste (!) druk toe. De auteur van het boekje waarvan de voorkant is gefacsimilleerd Jacob Hendrik van der Schaaff (1767-1852), was z’n leven lang óók een brave Hendrik. Zijn naam komt in moderne biografische woordenboeken als dat van Molhuysen/Blok niet meer voor. In Van der Aa (e.a.), Biographisch Woordenboek der Nederlanden (1852-1878) wordt echter nog veel plaats voor hem ingeruimd. Uit dit verhaal blijkt dat deze advocaat ‘buiten de nauwgezette vervulling zijner ambtsplichten’ een typische 19de eeuwse veelschrijver was op allerlei gebied, ‘En al moge het tegenwoordig geslacht over veel thans andere ideën (sic) hebben, zoo moet men bij het beoordeelen zijner geschriften billijk zijn, en er het bekende: il faut juger les écrits d’après leurs dates, op toepassen. Doch is thans veel veranderd en verouderd, bij zijne drukke ambtsbezigheden staan zijn geschriften daar als een monument van groote vlijt en werkzaamheid, welke hem tot in zijn hoogen ouderdom zijn bijgebleven.’ De treurige aanleiding tot het schrijven van dit ‘onderhoudend geschreven werkje’ (Van der Aa) wordt ons in de inleiding uit de doeken gedaan. Op een prijsvraag, uitgeschreven door het Nut, om oud-Haarlemse helden voor het jonge volkje te eren, kwam helemaal geen of geen inzending van te belonen kwaliteit (dat wordt niet duidelijk) en toen heeft van der Schaaff (lid van het Nut) zelf maar zijn ‘geringe krachten’ beproefd om de Haarlemse jeugd niet teleur te stellen. Wier Haarlems gedrag en vernuft nu wordt de kinders ter voorbeeld en ter navolging voorgehouden? Dat zijn o.a. H.Junius, P.Scriverius, A.van Ostade, F.Hals, H.Goltzius, J.van Kampen en natuurlijk ‘Laurens Koster’, ‘groot liefhebber van wandelen vooral in den Hout, die in het 131 pagina’s tellende werkje (incl. 8 pagina’s voorwoord en 18 pagina’s aantekeningen) maar liefst 13 pagina’s krijgt toebedeeld, verreweg het meeste van alle 7 hoofdstukjes.

Mulischvanderschaaff1

Levens-schetsen…….door mr. J.H.van der Schaaf, 1844 (Ekama 986)

Het verhaal dat over Coster gedaan wordt, is het bekende en behoeft hier verder geen citaat. Wel verheugde de jeugd van ruim een eeuw geleden zich tenminste nog bij het horen van het levensverhaal van deze superieure Haarlemmer: ‘Hoe blijde ben ik over dat verhaal, en nu weet ik dan ook de reden, waarom hem ter eere van dien grooten man zulk een heerlijk standbeeld op onze groote markt geplaatst heeft.’ Tot zover misschien wel een aardig, maar toch geen opzienbarend verhaal. Maar de openingszin van onze brave Pieter is het hoofdstukje volgend op over Coster lijkt geschreven te zijn voor speciaal mijn exemplaar van dit boekje: ‘Vader! De levensschets van onzen Laurens Koster is voor ons zoo belangrijk en leerzaam geweest, dat wij gaarne wenschen te weten, of onze geboortestad meer dergelijke voortreffelijke mannen heeft opgeleverd?’ Want welke tekst staat er in ballpoint geschreven aan de binnenkant van de vooromslag?

Mulischanderderchaaff2

Opdracht van Harry [Mulisch] aan Godfried [Bomans]

Het boekje kocht ik een aantal jaren geleden op een auctie van Beyers in Utrecht, waar de weduwe Bomans een flink aantal boeken van haar man zaliger ter veiling had gebracht, waarschijnlijk met de opdracht weinig ruchtbaarheid aan de Bomans-provenance te geven, want al dit soort dedicaties stonden in de veilingcatalogus niet vermeld. Wie zal nu wel die ‘ander voornaam en merkwaardig man’ zijn? Er staat waarschijnlijk Harry, al lijkt er dan één ophaaltje na de a teveel te staan. Gezien de datering, 1956, is het volop tijd van Teisterbant en dan komen twee Harry’s in aanmerking. Hedenmorgen, zaterdag 4 januari 1992, ben ik nog even bij Harry Prenen op bezoek geweest: van hem is de opdracht niet. Dan heeft het er alle schijn van, dat deze Harry Harry Mulisch is. Bomans was goed met hem bevriend, men leze er L.Ferron’s ‘De keldergang der heren’ Geschiedenis van de Haarlemse sociëteit Teiterbant , met name het achtste hoofdstuk, maar op na. Vergelijkend handschriftonderzoek maakt deze veronderstelling, hoewel niet volkomen overtuigend, nog aannemelijker. Dat de schrijver van de opdracht zichzelf ‘voornaam en merkwaardig’ noemt, past onder erkenning van de verwijzing naar de titel van het boekje, bij het beeld dat Mulisch met alle zelfspot van zichzelf bouwt in die vijftiger jaren.’

Mulischharryharryboekteisterbant

Harrry Prenen (links) nadat hij het eerste exemplaar van ‘De keldergang der heren’ door Louis Ferron in ontvangst heeft genomen van Harry Mulisch. Een bijschrift invoeren

P.S. Harry Mulisch wijdde een mooie necrologie aan zijn Teisterbant-vriend Godfried Bomans onder de titel ‘Hij minder en minder’ in ‘Herinneringen aan Godfried Bomans, 1972, p.135-149. Eerder had Mulisch in 1966 Godfried Bomans, die de anonieme schrijvers van een pamflet dat tot protest had opgeroepen scherp had veroordeeld, na de Telegraafrellen op 14 juni voor ‘verrader’ uitgemaakt. Met Bomans vormde hij een ‘Eckermann Gesellschaft’. Louis Ferron schreef daarover in zijn publicatie over Teisterbant: ‘En al was het genootschap terecht naar Eckermann genoemd, Goethiaanse status zouden beiden bereiken, zij het ieder van hen binnen zijn eigen, niet per definitie gewilde domein. Bomans groeide uit tot een televisiester tegen wil en dank, hoewel , naar men mag aannemen, er zeer van genietend. Mulisch zou de wereld vangen in een systeem waarvoor hij in zijn Teisterbant-periode al lijnen had uitgezet. Het tweetal botste, niet geheel toevallig, op een moment dat de nieuwe tijd zich heftig aandiende. Bomans dreef steeds verder af naar het verleden, groeide ten eigenlijk pas in zichzelf en had misschien een ware Goethe kunnen worden als de wanhoop hem niet in de kraag had gegrepen. Maar wanhoop is nu eenmaal het lot voor wie het verleden niet laat uitmonden in een toekomst, hoe fictief en overgeïdealiseerd die ook zijn mag.’ In de jaren vijftig en zestig kende ons land een taalkundige spelshow op de radio, van 1961-1963 ook op televisie onder de naam ‘Kopstukken’, later ‘Hou je aan je woord’. Daaraan namen in wisselende samenstelling onder voorzitterschap van de Vlaamse ketterkundige Karel Jonckheere de volgende schrijvers deel: Godfried Bomans, Hella Haasse, Albert van den Hoogte, Harry Mulisch, Ankie Pijper, Annie M.G.Schmidt, Victor van Vriesland en Aya Zikken. Mulisch stopte als deelnemer vroegtijdig omdat het naar hij zei zijn schrijverij niet ten goede kwam. Het programma had zijn succes voor het grootste deel te danken aan de humoristische bijdragen van Bomans. Zonder schroom stelde Mulisch vast: ‘Vergeleken met Godfried Bomans waren wij nergens’.

In het dagboek van 1957 door Godfried Bomans (Werken deel 1) wordt Mulisch, die toen nog in Haarlem woonde, meermaals genoemd, o.a. wegens het poseren met Ton Neelissen, diens echtgenote Harriët Laurey en Harry Prenen [Barend Rijdes blijft hier onvermeld] voor het ‘schuttersstuk’ van Lily van Cleeff; bezoeken aan café ‘Het Groene Woud’ aan de Kleine Houtweg, alwaar meermaals gebiljart werd, 2 x is sprake van een schaakpartij e.d. Woensdag 10 april noteerde Bomans: ‘Geschaakt met Harry Mulisch, die volstrekt niet over het paard getild bleek door zijn Bijenkorf-prijs van ƒ 2.000,- en de publiciteit daar omheen. Ik vermoed dat hij de boeken, die hij geschreven heeft, slechts beschouwd als de krullen van de plank die hij gaat schaven. Nous verrons. Intussen is deze gesteldheid de juiste.’ Woendag 17 april schreef hij over een mislukt openbaar debat in Teisterbant tussen Harry Mulisch en David Koning over de figuur van Bertold Brecht. Naar aanleiding van een bezoek aan hun beider vriend Anton Heyboer noteerde Godfried: ‘Dit is het verschil tussen Ton Heyboer en Harry Mulisch. Harry werkt met zijn tekorten, hij doet er iets mee, Ton wil ervan af, d.w.z. ze op een hoger plan tot verzoening brengen. Dit laatste standpunt is juist, ook als het betaald moet worden met afname van scheppingskracht.’ Op 1 juni 1957heeft Bomans eerst met Ton en Erna Heyboer gegeten op Teisterbant. Later kwam ook Mulisch daar ‘en met ons drieën gespeeld op het nieuwe biljart, die daar sinds gisteren staat. Harry een van de weinige mensen, die de indruk maakt in een toestand van geluk te leven.’ [Neerlandica Ellen Stoop wijdde in 1991 een scriptie aan ‘Mulisch vriendschap met Godfried Bomans en Anton Heyboer. Vriendschap à trois (Literatuur, jaargang 8).

Ten slotte: zowel naar Godfried Bomans als naar Harry Mulisch is een asteroïde vernoemd.

Bijlage 7:  ‘De ongelofelijke avonturen van Bram Vingerling’ door Leonard Roggeveen 

Bram2

Voorzijde van eerste druk van ‘De ongelofelijke avonturen van Bram Vingerling’ uit 1927

 

In het tijdschrift ‘De Boekenwereld’, 19e jaargang, nummer 1 [oktober 2002] publiceerde F.W.Kuyper een artikel onder de titel : ‘Bram Vingerling op boekenjacht; klein antiquarisch leed en nog veel meer in een spannend jongensboek’, p. 46-51. Ik citeer hier enkele passages die betrekking hebben op Harry Mulisch: ‘(…)  Wie op internet met de trefwoorden Bram Vingerling aan de slag gaat, scoort heel wat hits. tot aan de diverse [buitenlandse] ingenieursbureaus “Bram Vingerling” aan toe. De schrijver Marcel Möring, sprekend over zijn joodse invloeden, een vergelijking met een passage uit “Bram Vingerling”, dat in de vijfde klas van de lagere school werd voorgelezen. In oktober 1988 stond cabaretier Gerard Cox in de top 40 met het liedje “Bram Vingerling”. Maar de bekendste onder de Bram Vingerling bewonderaars is ongetwijfeld Harry Mulisch: “Voor de honderdste keer ga ik de eerste hoofdstukken van “De wonderlijke verdwijning [sic!] van Bram Vingerling” lezen. Vorige week heb ik het boek gekregen (van Alice, die mij iedere woensdagmiddag uit Amsterdam komt opzoeken, als K.V.K. er niet is), nooit lees ik het ergens anders dan hier. In de droge, uitlogende warmte, die de zon op zondag achter glas heeft, word ik opgenomen in de onvergetelijke dichte beschrijving van Vingerlings epos. Zijn avonturen, eenmaal onzichtbaar geworden, vervelen mij, – ik kan zelf beter fantaseren – maar hoe word ik aangegrepen door de beschrijving van de markt, waar hij het artistieke boekje met het recept opscharrelt, en vooral door de evokatie van het zolderkamertje, waarin hij zijn proeven neemt. En onzichtbaar wordt! Ik lees het nog eens en nog eens, ik kan er niet genoeg van krijgen.” (1). In een recent interview van Margot Dijkgraaf komt Mulisch op deze passage terug. “Ik moet “De ongelofelijke avonturen van Bram Vingerling” ongeveer in 1939 gelezen hebben”, zegt de schrijver van het nu al omstreden Boekenweekgeschenk 2000, “Ik was toen twaalf jaar. Mijn ouders waren gescheiden. Mijn moeder woonde in Amsterdam, ik in Heemstede. Iedere woensdagmiddag rond twaalf uur leende ik een boek uit de bibliotheek in Amsterdam en als ik rond vier uur, vijf uur weer wegging, had ik het uit. Maar dit was geen bibliotheekboek. Ik denk dat Alice, mijn moeder, het voor mijn verjaardag had gegeven. Het was vooral het begin dat me boeide. Die jongen, die op de markt een oud boekje vindt, met een geheim recept tot onzichtbaar worden. En die tekeningen! Op een gegeven moment maakt Bram Vingerling zichzelf onzichtbaar en beleeft hij allerlei avonturen. Die zeiden me niet zoveel. Ik denk dat de meeste jongens het boek juist daarom lazen, maar bij mij was dat niet zo. Het ging mij om dat boek dat ik aan het lezen was, het boek zelf (2). Met zichtbaar genoegen bladert Mulisch door de eerste druk, die ik enkele dagen daarvoor in een Amsterdams antiquariaat heb gevonden. “Mooi, die eerste druk. Jongens van een jaar of twaalf moeten allemaal Bram Vingerling lezen. Kijk, dat soort plaatjes”, zegt hij en wijst naar een tekening waarop Bram Vingerling over de boekenmarkt slendert. “Ik wilde ook scheikundeproeven gaan doen, maar dan moest ik eerst zo’n oud boekje met recepten hebben. Dus ging ik naar de markt om er één te zoeken. Natuurlijk vond ik niets. Ik heb ze later zelf allemaal moeten schrijven, de boekjes die ik toen zocht.”  De passage die Mulisch bedoelt en waar het in deze korte bijdrage om gaat, treffen we aan in hoofdstuk drie. Bram heeft van zijn oom Jacob voor zijn verjaardag twee rijksdaalders gekregen – voor minder deden notariszoontjes in Den Haag het in de jaren ’20 van de vorige eeuw niet – en na de ene zoals dat betaamt in zijn spaarpot te hebben gestort, gaat hij op inkoop de stad in. (3) (…)’.

(1) H.Mulisch. Voer voor psychologen. Amsterdam, 1961 1ste druk, pagina 118.

(2) NRC Handelsblad, 25 februari 2000.

(3) Citaat uit de vijfde druk. ‘s-Gravenhage/Djakarta, G.B.van Goor Zonen, z.j. (1952), p.13-16.

mul1

Minstens 2 nummers van Bzzlletin zijn helemaal gewijd aan Harry Mulisch: nummer 48, september 1977, en 135. In laatstgenoemd nummer is als bijdrage opgenomen van Michel Boll: Bram Vingerling verandert niet; een interview met Harry Mulisch. p.3-10

mul2.jpg

Eén pagina uit nummer 135 van Bzzlletin: Bram Vingerling verandert niet,pagina 5.

Bram3

Voorkant van de vijfde druk van ‘De ongelofelijke avonturen van Bram Vingerling’

 

Bram1

Achteromslag van het boek ‘De ongelofelijke avonturen van Bram Vingerling’ door Leonard Roggeveen (Catawiki)

BIJLAGE 8: in Volkskrant Magazine, nummer 539, 29-01-2011 hebben José Rozenbroek en Evelien van Veen een interview gepubliceerd met dochter Frieda Mulisch (intussen zelf schrijfster geworden) en zoon Menzo Mulisch. Twee citaten:

‘Frieda: “Hij was zo kwetsbaar. Er moet zo veel achter hebben gezeten wat hij nooit zou vertellen. Ik dacht weleens: als je eenmaal aan die muur gaat morrelen, stort alles in elkaar. Dat zou niet gek zijn bij iemand die zo veel heeft meegemaakt. Ik denk dat iedereen, ook zijn vrienden, intuïtief voelden dat voorzichtigheid geboden was”. Menzo: ‘Maar sommige dingen vroeg je niet. Want je wist niet wat er dan zou komen” Naar het moment dat zijn moeder vertrok bijvoorbeeld, hebben de kinderen Mulisch niet durven vragen. Hij was 9 toen zijn ouders scheidden en zijn moeder elders ging wonen. Hij bleef achter met zijn vader en de huishoudster . (…)  Frieda: Volgens mij ging mijn vader gewoon vreemd en vond mijn moeder dat niet leuk. Maar zij ging niet weg. Ik wel, ik lijk meer op mijn vader.”(…) Op een vraag: Hebben jullie je vader wel eens kwaad gezien? antwoordde Menzo: ‘Een paar jaar geleden schreef een man dat papa bij de Jeugdstorm had gezeten. Daar werd hij niet koud of warm van. Moszkowicz heeft toen  nog aangeboden om gratis voor hem een rechtszaak te voeren. Dat wilde hij niet. Je moet zulke mensen geen aandacht geven, zei hij dan. Dan is iedereen het binnen twee maanden vergeten. Frieda: ‘Of dat absurde verhaal dat hij zichzelf zou laten omroepen in Café Américain. “Telefoon voor de heer Mulisch!” Natuurlijk deed hij dat niet. Maar als mensen dat wilden denken, deden ze dat maar. Hij kon wel fel worden. Toen het een keer over nine eleven ging en de ellende in de wereld die daarvan kwam, zei hij: “Let op, Frieda, de Joden krijgen altijd de schuld.” Dat ben ik nooit vergeten, omdat ik het idee heb dat ik toen even een kern heb gezien, maar kwaad? Nee.’ Of emotioneel? ‘De paarden van Marum die vastzaten op een eilandje en er niet af konden, dat raakte hem diep. En als er een teckel van hem dood ging’ Vertederd: “Zo zat het bij papa: eerst teckels, dan dieren, dan mensen.’  

mulischteckel.jpg

Harry Mulisch met teckel. (Judith Jockel)

BIJLAGE 9: In oer-aanslag van de Aanslag speelde Haarlem nog geen rol

Mulisch1

(Bespreking van de Oer-Aanslag door Wim Vogel in Haarlems Dagblad, 16-1-1997)

Mulisch2

Pagina uit het  oer-manuscript van de Aanslag (Haarlems Dagblad, 16-1-1997)

 

 

ILLUSTRATIES A.    HAARLEM EN HEEMSTEDE

ddd_010368443_mpeg21_p012_image

Ernstig ongeluk in Bennebroek waarbij vader Mulisch en diens schoonvader bankier Schwarz betrokken waren (De Telegraaf 1 juni 1924)

MMKB04_000195818_mpeg21_p014_image

Oprichting van de Wolbank n.v. met vader Mulisch als 1 van de twee onder-directeuren en enkele telgen Rhodius, gespecialiseerd in schapen en wol in Australië  als commissarissen (de Maasbode, 27 oktober 1924). (Weekblad De Maasbode 27-10-1924). In 1929 ging de Wolbank failliet.

Schwarz

Portret van Alice Schwarz, moeder van Harry Mulisch, door Jacob Merkelbach, 1928 (Stadsarchief Amsterdam). Zij overleefde WOII, mede dankzij de relaties van haar (gescheiden) echtgenoot. In 1951 emigreerde zij naar Berkeley in Californië en werd Amerikaans staatsburger. Overleden op 2 januari 1996 op bijna 88 jarige leeftijd. Haar joodse moeder Lucia Bella Schwarz-Netter, na een vlucht vanuit Duitsland naar Antwerpen en vandaar naar Amsterdam, kwam 2 juli 1943 om in Sobibor en haar moeder (Harry Mulisch’ overgrootmoeder) in vernietigingskamp Auschwitz.

Mulischmetmoederwesterhout.jpg

Harry Mulisch gedragen door huishoudster Frieda Falk

Mulisch3.jpg

Harry Mulisch met moeder en houshoudster Frieda Falk tijdens een dagje aan het strand in Zandvoort

 

school

1934 Tweede klas met mej. Koning. School 17 Wilhelminastraat met mej.Koning. Na opheffing ging Harry weer naar het (intussen nieuwe) schoolgebouw aan het Florapark (5e en 6e klas). Op bovenstaande foto zien we Harry op de middelste rij, helemaal rechts, zesde van links in dezelfde rij Ati IJzer uit Heemstede. Vooraan vijfde van rechts is Carel Reigersman

 

 

Mulischrapport

Ook met matige schoolcijfers kan men met talent en via zelfstudie nog veel bereiken, zoals Harry Mulisch met bovenstaand rapport van de lagere schok, cursusjaar 1936/1937, met 6 onvoldoendes, inclusief een 5 voor Nederlands, en aldus blijven zitten.

 

Mulischspaarnzichtlaan2kinderen

Twee kinderen in de Spaarnzichtlaan, het jongetje vooraan in een niet blauw pakje gefotografeerd

Spaarn.png

Oude prentbriefkaart van de Spaarnzichtlaan Heemstede

 

Mulischspaarnzichtlaan

Recente foto van het huis Spaarnzichtlaan 23 waar Harry Mulisch van 1939 tot 1941 woonde met zijn vader en huishoudster Frieda Falk (foto Isobel Buiter)

Mulischverlanglijst1939

Verlanglijstje van Harry Mulisch uit 1939, waarbij het boek ‘Bram Vingerling’

Mulischverlanglijst1941.jpg

Nog een verlanglijstje van Harry Mulisch , nu voor Kerstmis 1940

983ef5ce-5653-bb28-700d-8291d1f4db1c

Harry Mulisch als leerling van de Bronste-Ulo, overgegaan naar de tweede klas. Haarlem’s Dagblad 1941

f2c2aa02-6d2c-ec0f-f771-a8f64542935b

Harry Mulisch in 1942 bevorderd naar de derde klas van het Christelijk Lyceum (HBS), in 1943 naar de 4de, 1944 en daar bleef het bij.

MulischKarger

Foto genomen op het huidige Museumplein in Amsterdam. Rechts dr. Walter von Karger, directeur-generaal van de Duitse bank Lippmann & Rosenthal en naast hem vader Mulisch. Links met een wandelstok in de hand Thilo Carel Baron [Freiherr] von Stechow-Kotzen [vanwege zijn culinaire passie het ‘oestergraf’ bijgenaamd], die officieel als ‘Kunstberater’ ofwel verkoper-deskundige van schilderijen en kunst bij Liro was aangesteld. Volgens Aalbers [‘Roof, de ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog, 1999] had hij zijn woning in Berlijn verfraaid  met kunstvoorwerpen die hij op de Sarphatistraat had verdonkeremaand. Bij een huiszoeking zijn later  talrijke waardevolle zaken in beslag genomen. De lijst vermeldt antieke tafels, kroonluchters, klokken en stoelen, maar liefst 32 (veelal Perzische) tapijten en 36 schilderijen.

In ‘Mijn Getijdenboek’ schrijft Harry Mulisch, dat Tilo von Stechow ‘een geestige man was, altijd gekleed in lichte pakken en met de onaanleerbare voornaamheid van de hogere kringen.’  en noemt hij Walter von Karger ‘een beschaafde, zeer ontwikkelde heer, die nu en dan bij ons kwam eten.’ Vijf jaar na de oorlog schreef Von Karger over Von Stechow aan vader Mulisch: ‘Er betriebt noch immer seinr Anerkennung als Opfer des Fascismus. Nach einer dieser Tage von ihm erhaltenen Mitteilung stehen die Dinge jetzt günstig für ihn.’ Von Karger was inmiddels weer ‘Vorstandsmitglied der Landmaschinen Finanzierung’ A.G.FIGELAG”. Hij liet verder weten dat Kurt Mulisch zich niet al veel zorgen moest maken voor zoon Harry: ‘ Wie ich ihren Sohn kennengelernt, habe, habe ich doch das Zutrauen zu ihm, dass er sich eines Tages durchsetzen wird. Nur muss man Geduld haben, und Geduld zu üben ist eine der schwersten Aufgaben, die er in diesem Jammertal gibt.’

Anna

Het woonhuis Anna van Burenlaan 47 in Haarlem (foto J.P.Teengs)

Anna3.png

Harry Mulisch terug in de slaapkamer Anna van Burenlaan 47 (NTR)

3f674948-bde7-3068-75e4-f2a4eb4af816

Oproep uit 1946 in verband met vader Mulisch, intussen geïnterneerd in o.a. het Lloyd hotel in het Haarlem’s Dagblad

Mulischtoneel

Affiche toneelvoorstelling ‘Het eeuwige monster’ geschreven door Jan van Dam en met Harry Mulisch als Kees van Meerten, toneelschrijver.. Haarlem, 1947

d0101216-c351-fd03-befc-576c073b2e3f

Recensie van amateurtoneel ‘Adel in livrei’van Kees Bakker met een compliment voor Harry Mulisch. Die zou later zeggen dat zijn korte toneelcarrière gunstig voor hem is geweest als schrijver van enkele toneelstukken. (Haarlem’s Dagblad, 1947)

Mulisch10.jpg

Lang niet alle voorspellingen van Mulisch kwamen uit. In 1955 voorzag hij bij warm weer op een terrasje aan de Grote Markt een nieuw stenen tijdperk (Het Vrije Volk, 14-7-1955) Met de schrijver “als stamgast” gefotografeerd in de Haarlemmerhout.

Mulisch11

Vervolg van interview door Hans van Straten met Mulisch in het Vrije Volk van 14-7-1955

 

 

 

Mulischbavo.jpg

Harry Mulisch stak in 1956 al boven de meeste Haarlemmers uit. Hier boven de Oude Bavo gefotografeerd

Mulisch4

Mulisch bij een van de feestelijke diners in Brinkmann omstreeks 1953. De heer voor de pilaar is Jan van Borssum Buisman (kastelein/directeur van Teylers en kunstenaar), rechts van hem Sien Tersmitten

 

 

Claus

Claus en Mulisch verkleed. Foto Ed van der Elsken, in: Boekenweek Magazine 1994

 

mulischoverlijdensadv.

Overlijdensbericht K.V.K.Mulisch uit 1957. Volgens de zoon waren behalve hijzelf  4 of 5 mensen aanwezig bij de begrafenis op het Adelbrechtkerkhof in Bloemendaal, waaronder Godfried Bomans en Anton Heyboer. Inmiddels is het graf geruimd. (Haarlem’s Dagblad, 13 juli 1957) 

Mulisch3

De koffieclub bijeen in restaurant Lion d’Or te Haarlem met 2 Haarlemse prominenten met geheel verschillende smaak als proevers: Godfried Bomans en Harry Mulisch  (NHA)

Mulisch9

Godfried Bomans en Harry Mulisch op bezoek bij twee andere Teisterbant-leden in 1956, Ank en Dolf Plantheydt, die destijds in het grote huis  Eindenhout woonden.

Mulischeindenhout1947

Harry Mulisch in het betonnen koepeltje achter het huis Eindenhout aan de Wagenweg in Haarlem

 

 

Mulischeindenhout

Harry Mulisch als gearriveerd auteur nogmaals teruggekeerd op Eindenhout

Mulischtoespraak

De ‘omstreden’ toespraak [ironisch bedoeld, maar als zodanig door veel Haarlemmers, waaronder Teisterbantleden niet begrepen] van Harry Mulisch uitgesproken voor de Wereldomroep in 1960

Mulisch8

Diner in restaurant Brinkmann te Haarlem in 1983 van het Laurens Janszoon Coster Genootschap. Rechts is aangezeten Harry Mulisch tussen Anton Pieck en Harry Prenen (alledrie intussen overleden)

denkend

Voor de speciale literaire uitgave ‘Denkend aan Haarlem’, uitgegeven in 1995 bij gekegenheid van 750 jaar stadrechten Haarlem publiceerde ook Harry Mulisch een bijdrage.

 

 

 

Mulischwesterhoutparkverkoop

Advertentie van verkoop geboortehuis van ‘één onzer grootste schrijvers’ in het Haarlems Dagblad van 16 maart 2002. Mulisch vond dat hij als zodanig wel een percentage van de winst had mogen ontvangen.  

Mulischcartoon

Cartoon van Freek Kroon bij een artikel: ‘Haarlem, wees trots op je grote mannen!’ (Haarlems Dagblad, 4-11-2010)

Mulisch1

Mulisch eerste ereburger van jarig Haarlem. Uit: Haarlems Dagblad, 1-3-1995

turnhout

Schrijvers en illustratoren in het stadhuis van Haarlem bijeen ter gelegenheid van de verschijning van de boekuitgave ‘Drenkend aan Haarlem’ in 1995. Vooraan zittend v.l.n.r.: Renate Dorrestein, HARRY MULISCH, Toon Kortooms en Wim Hornman. Verder aanwezig: Nelle Noordervliet, Bert Sliggers, Joost Swarte, Wim Vogel, Henk van Kerkwijk, Ted van Turnhout, L.H.Wiener, Cherry Duyns, Jan Kal, Fréderc Bastet, Gerrit van Dijk, Frank Herzen, Rita Verschuur, Harriët Laurey, Ed Leeflang, Jan Mulder, Joost Niemöller, Lennaert Nijgh, Louis Ferron, Annemarie Oster, Wim Povel, Tomas Ross, Simone Schell, Bies van Ede, George Moormann, Kester Freriks, Marie-Sophie Nathusius, Hans Keller, Geerten Meijsing, The Tjong Khing, Willem Snitker en Fiel van der Veen.

 

Mulisch3

Mulisch centraal op literaire dag. Uit: Haarlems Dagblad, 1-3-1995

Mulisch2

Mulisch ereburger in koper; gravure van Pieter Wetselaar  (Haarlems Dagblad, 17 maart 1995)

 

 

 

Mulisch

Burgemeester mr.Jaap Pop van Haarlem overhandigt Harry Mulisch het bewijs van zijn benoeming tot ereburger van Haarlem

mulisch.jpg

Mulisch benoemd tot ereburger. Uit: ‘Hoera voor Haarlem’, 1996

 

Mulisch5

Mulisch na de onthulling in 2013 van het borstbeeld door de Amsterdamse beeldhouwer Jikke van Loon met zicht op Laurens Janszoon Coster en de Bavokerk (Novum)

Menno

Bronzen borstbeeld Harry Mulisch, vervaardigd door de Haarlemse beeldhouwer Menno Veenendaal

SONY DSC

Harry Mulisch door Mirèze Mudde

 

Wolff

Harry  Mulisch in aluminiumcement gegoten, door beeldhouwster Ellen Wolff uit Heemstede

Haarlemse

Haarlemse Kopstukken, Harry Mulisch,  door de Haarlemse tekenaar Eric J.Coolen

mulisch2

Anonieme tekening van Harry Mulisch (De Volkskrant, 17-8-2001)

 

Slingerland.jpg

Harry Mulisch is een aantal keren als portret geschilderd, o.a. door Aleid Slingerland uit Aerdenhout (Letterkundig Museum)

 

ILLUSTRATIES   B  OVERIG

mijn

‘Mijn Getijdenboek’ door Harry Mulisch waarvan de eerste druk verscheen in juni 1975

 

Hazeu

Biograaf en uitgever Wim Hazeu bij een borstbeeld van Harry Mulisch door Lancelot Samson, in de Openbare Bibliotheek Amsterdam

 

 

Mulisch1.png

Lees-legpuzzel van de Bezige Bij schrijvers met Harry Mulisch. helemaal vooraan rechts. Uitsnede van een schrijversbijeenkomst in Vlaanderen met uit de Noordelijke Nederlanden links Harry Mulisch en rechts van hem Godfried Bomans gezeten

 

Mulisch2

Mies Bouwman in gesprek met de schrijvers Godfried Bomans, Harry Mulisch en Simon Carmiggelt

Mulisch3.png

Het forum ‘Hou je aan je woord’ met van links naar Rechts Godfried Bomans, Hella Haasse, voorzitter Karel Jonckheere, Victor E.van Vriesland en Harry Mulisch

 

mulischansichtkaarten

2 ansichtkaarten. Links promo voor het boek ‘Siegfried’ en rechts een foto van Philip Mechanicus uit 1981

 

Mulisch2

Forum Literatuur in de Politiek in het Tropenmuseum, 9-9-1970 met v.l.n.r. Godfried Bomans, Hella Haasse, professor Gomperts, Harry Mulisch en Willem Brandt

Mulisch6

Karikatuur door Mensje van Keulen uit Propia Cures, 26 februari 1972. Harry Mulisch in een fauteuil gezeten met daarboven portret van Godfried Bomans

 

mulischsigneersessie

Signeersessie van Harry Mulisch bij boekhandel Scheltema in Amsterdam (Catawiki)

Mulisch,Harry20080704-123

Harry Mulisch in zijn werkkamer gefotografeerd

Mulisch80jaar

Harry Mulisch  80 jaar Op verzoek van uitgeverij De Bezige Bij schreven zes Nederlandse auteurs een novelle: Abdelkader Benali, Doeschka Meijsing, Marcel Möring, Elsbeth Etty, Jessica Durlacher en A.F.Th.van der Heijden

MulischdenUyl

Premier Joop den Uyl in geanimeerd gesprek met de schrijver Harry Mulisch tijdens het Boekenbal in de Haagse Pulchri Studio (ANP – Mulder)

In Nederland is alles klein. Het dubbeltje, het bier, alles. En jij moet ook klein zijn. Misschien ligt daar wel de kern van de wrevel tegen mijn persoon. Want ik vind mezelf niet klein’ (Harry Mulisch in een interviw met Pieter Webeling, in: Tussen de rails, dec.-jan. 1997-1998(.

mulischcartoons.jpg

2 cartoontekeningen Harry Mulisch. Links van Waldemar Post, 2008 en rechts van Karel Kindermans uit 1998

harry

Vooromslag van ‘Het is pas feest als Harry is geweest; 60 jaar Boekenbal 1947-2006’, door Janneke Weijermans. Uitgegeven door  Boekmanstudies/De Buitenkant, 2007

 

mulischtrap

Harry Mulisch was een vaste gast op het jaarlijkse boekenbal in Amsterdam tijdens de boekenweek. Na zijn overlijden werd in 2011 bovenstaande afbeelding geplaatst op de trap waar hij regelmatig had gezeten, bedoeld als een postuum eerbetoon aan de schrijver (GSG Het Noordik)

mulischaforisme

Kaart met citaat van Harry Mulisch, uitgegeven door het Literatuurmuseum http://www.literatuurmuseum.nl

“Ik ben toch ook een koning” Harry Mulisch. ‘In Amerika werd hij vergeleken met Homerus en Dante. Toch is Harry Mulisch bereid van de Parnassus af te dalen om te praten over zijn opvallendste eigenschap: zijn ijdelheid’. “Als ik de schrijvers zie die de Nobelprijs hebben gekregen, dan zie ik mezelf daar best tussen staan.” [H.M.] (uit een interview met Ad Fransen, in: HP/DE Tijd, 20-12-1996).

 

citaat

Citaat van Harry Mulisch (OM Denken)

Mulisch6

Ad Fransen: ‘Herrie om Harry’1927-1961. Uit: HP/De Tijd, 27 juli 2007.

 

Mulischschwarz

Voor zover bekend was de enige bijdrage van Harry Mulisch aan het Nieuw Israëlitisch Weekblad een ingezonden stuk, geplaatst op 16-9-1983, waarin hij berichtte dat noch hij noch zijn in San Francisco levende moeder Alice Schwarz (2 januari 1996 aldaar overleden) bemoeienis hadden met een gepubliceerde nieuwjaarswens in het weekblad

 

 

 

Mulischtweevrouwen

Links boekenleggers n.a.v. verfilming van ‘Twee vrouwen’ door George Sluizer, en rechts vooromslag van boek(her)uitgave ‘Twee vrouwen’ ter gelegenheid van Nederland Leest 2008, gratis voor de leden van openbare bibliotheken in Nederland.  Bevat tevens een lofrede door Annejet van der Zijl en een bibliografie van boeken door Mulisch

Mulischwerkkameramsterdam

Achteromslag van Harry Mulisch: Twee vrouwen, roman (foto Anton Beeke).

boek

Boekenweekgeschenk 2000 van de CPNB ‘Het theater de brief en de waarheid’was geschreven door Harry Mulisch

 

mulischboekenlegger

Boekenlegger Harry Mulisch, uitgegeven door De Bezige Bij

MulischJood

Deel flyer uitgegeven bij roman ‘Het stenen bruidsbed’ van Harry Mulisch

Mulischvondel

Reclamefolder Elsevier bij ‘Winkler Prins Lexicon van de Nederlandse Letterkunde met o.a. Joost van den Vondel – met veer- , Hugo Claus – met Belgische leeuw -, Multatuli – met garuda-symbool – Jacques Firmin Vogelaar – met op voromslag van boek een vogel – en Harry Mulisch – met pijp en glas wijn.

Mulischboekenweek2000.jpg

Boekenweek 2000 met portret van Harry Mulisch en zijn literaire evenknie uit de Klassieke Oudheid Homerus  (Stichting CPNB)

Herenclub

Harry Mulisch centraal op een schilderij van de (Amsterdamse) Herenclub door Kirk Zeiler,1985.  V.l.n.r.: Wim Duisenberg, Hans van Mierlo, Peter Schat, Henk Hofland, Martin Veldman, Harry Mulisch, Han Lammers, Reinbert de Leeuw, Gerrit Komrij, Marcel van Dam, André Spoor, Hans Gruijters, Jeroen Henneman . Dit schilderij in particulier bezit maakte deel uit van de tentoonstelling over Harry Mulisch ‘De onderkant van het tapijt’ in 1993, bij welke gelegenheid bovenstaande ansichtkaart is verspreid.

Archibald.png

Archibald Strohalm was de debuutromans van Harry Mulisch waarvoor hij de Reina Prinsen Geerligsprijs 1991 kreeg toegekend

Mulisch4.jpg

Harry Mulisch krijgt Reina Prinsen Geerligsprijs. Uit: Het Parool van 24-11-1951

Mulisch5.jpg

Na de Reina Prinsen Geerligsprijs in 1957 en Bijenkorfprijs in 1957, evenals in dat jaar de Anna Frankprijs, ontving Mulisch in 1966 de Athosprijs van de Algemene Nederlandse Bond van Leesbibliotheekhouders (ANBL), omdat hij als jonge auteur populair bleek bij het lezerspubliek van de commerciële lees- ofwel winkelbibliotheken. Talrijke literaire prijzen zouden nog volgen.

Athosprijs

Uitreiking in 1966 van de Athos-prijs door voorzitter G.van den Berg, voorzitter van propagandacommissie der ANBL.

 

 

Bomans.png

Naar Godfried Bomans is dankzij de Nederlands-Amerikaanse sterrenkundige Gehrels een asteroïde ofwel planetoïde vernoemd die op een afstand van 257 tot 426 miljoen kilometer van de zon in de ruimte zweeft tussen de planeten Jupiter en Mars.  Harry Mulisch kon niet achterblijven en naar hem is de in 1971 ontdekte asteroïde , nummer 10251 vernoemd. Deze heeft een diameter van circa 5,5 kilometer en draait op een afstand van ongeveer 350 miljoen kilometer tussen Mars en Jupiter in een baan om de zon.

 

 

 

zaak

Harry Mulisch: De zaak 40/61 (over het Eichmann- proces in Jeruzalem)

 

 

aanslag

Van Mulisch’ roman ‘De Aanslag’ zijn in Nederland meer dan en half miljoen exemplaren verkocht. Het boek is vertaald in meer dan 30 talen, inclusief het Chinees (P.J.Cokema)

Mulisch1

Harry Mulisch: De cerhalen 1947-1977 en Verzamelde verhalen 1947-1977

 

ontdekking

‘ De ontdekking van de hemel’, magnum opus van Harry Mulisch

 

discovary

Harry Mulish: The discovery of heaven

 

ANP

Na het overlijden van Harry Mulisch in 2010 verspreidde het ANP bovenstaand overzicht van zijn leven

Mulisch10.jpg

‘Mulisch vertelde onzin…’ Uit: Haarlems Dagblad van 3 september 1994

telefoon

Stijn Aerden: Telefoon voor de heer Mulisch en andere anekdotes over de beroemdste schrijver van Nederland. Amsterdam, Meulenhoff, 2015.

Legendarisch is het verhaal van  Harry Mulisch als nog beginnend schrijver in de jaren vijftig van de vorige eeuw die zich regelmatig in het café Américain aan het Leidseplein liet omroepen door de kelner: ‘Telefoon voor de heer Mulisch’.  De beau monde van Amsterdam leerde hem zo kennen. Mulisch woonde aan de Leidsekade vlakbij Américain waar hij bijna dagelijks aan de klassieke leestafel zat te lezen nen schrijven en een kopje koffie dromk met uitzicht op de stadsschouwnurg.

 

Bax

Sander Bax. De Mulisch Mythe; Harry Mulisch: schrijver, intellectueel, icoon. J.M.Meulenhoff, 2015, 480p.

Ammerlaan

Vooromslag van ‘Zijn eigen land’ door Robbert Ammerlaan. De Bezige Bij, 2016. 416 p.

Naar aanleiding van de verschijning van ‘Zijn eigen land’ zegt biograaf-uitgever Ammerlaan in een artikel ‘Elternsuche’ van Arjan Peters, in:  Sir Edmund, De Volkskrant, van 22-10-2016: ‘Ik heb heel openhartige brieven aangetroffen van zijn moeder, die haar zoon naar eigen zeggen voor de tweede keer verliet, door een paar jaar na de scheiding te emigreren, maar die vanuit Californië opeens in een reeks buitengewone en ontroerende brieven tegen hem begint te praten. En in de papieren aan en van Harry trof ik diverse aanzetten aan voor een boek over zijn moeder, de enige vrouw in de wereld die niet onder de indruk was van Harry Mulisch. Harry’s latere vrouw Sjoerdje zei het zo: “eigenlijk lijken moeder en zoon op elkaar; van buiten ijdel, van binnen zichzelf genoeg’  Als zij is gestorven, noteert hij dat ze hem voor de  derde keer heeft verlaten. Hij laat een van zijn romanpersonages de huibui krijgen waartoe hij zelf niet bij machte was.’ 

Mulisch7

Interview van Jef van Gool met Harry Mulisch, in: Lezerskrant (van openbare bibliotheken), augustus 1978

Mulisch8

Interview Harry Mulisch, in Lezerskrant, augustus 1978

Mulischvervolg

Vervolg interview in Lezerskrant, augustus 1978

Mulisch9.jpg

Vervolg interview in Lezerskrant, augustus 1978

slot.jpg

Slot van interview Jef van Gool met Harry Mulisch. In: Lezerskrant, augustus 1978.

fokas1.jpg

Achteromslag catalogus 50 ‘De schoone jacht’ van antiquariaat Fokas Holthuis in Den Haag

fokas2

Mulisch.Uit catalogus 50 van Fokas Holthuis

fokas3

Vervolg uit catalogus 50 van Fokas Holthuis

 

 

selectie

Selectie boeken van Harry Mulisch (uit: Siegfried; een zwarte idylle. Amsterdam, De Bezige Bij, 2001)

 

Mulisch

Anekdote van W.L.Brugsma omtrent Mulisch, gepubliceerd in zijn herinneringen als journalist van 1946 tot 1954 bij het Haarlems Dagblad  (HP/De Tijd, 25-7-1997, p. 38-41.

 

 

graf.jpg

Het graf van Harry Mulisch (1927-2010)op de begraafplaats Zorgvliet in Amsterdam

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BIJLAGE