Tags

, , , ,

HEEMSTEEDS INTERMEZZO – optredens van ambulante tonelisten uit Den Haag en Amsterdam in de Haarlemmerhout, (Westerhout), 1655-1660.

Inventarisnummer 144 (Van Doorninck, archief Heerlijkheid Heemstede) handelt over verklaringen van de baljuw van Kennemerland dat het afdrukken van biljetten der comedianten van voorstellingen in de Haarlemmerhout niet zal prejudicieren op de rechten van de ambachtsheer van Heemstede. Bedoeld archiefje bevat een bundel documenten, waaronder ook enige aanplakbiljetten van toneelvoorstellingen door reizende toneelgezelschappen uit Den Haag en Amsterdam  in de Hout tussen 1656 en 1661 met blij- en treurspelen alsmede kluchten van o.a. G.A.Bredero, P.C.Hooft, G.Brandt, J.B.van Fornenbergh, Jillis Noozeman, Jan Vos, Jan Six, Schouwenberh, J.J.Schipper, Th. Roodenburg, Catharina Questiers, Jan Six, Reinier de Bondt, Sjoerd Sytzes, A.B.de Leeuw   e.a., vaak ook bewerkingen van Spaanse toneelwerken van onder meer Lope de Vega en Calderon

Vooromslag van ‘Van schavot tot schouwburg’ door Simon Koster

Journalist en toneelhistoricus Simon Koster maakte hiervan een studie, evenals van het begeleidend manuscript van gemeentesecretaris-archivaris Willem Dólleman die hij publiceerde in het boek ‘Van schavot tot schouwburg, vijfhonderd jaar toneel in Haarlem (Haarlem, de erven F.Bohn, 1970). Het hoofdstuk ‘Heemsteeds intermezzo, p.99-107, wordt daarvan onderstaand overgenomen:

Ingekleurde kopergravures van Hendrik Spilman.In de omgeving van Uyt ten Bosch, het Dronckenhuisje  en Westerhout stond omstreeks 1655-1660 het tijdelijke'” theatrum” van de Nederduytsche Komedianten

‘In het begin van de zeventiende eeuw stond in Haarlem het rederijkerstoneel nog in volle bloei, maar in enkele andere Hollandse steden was de overgang naar het beroepstoneel zich al aan het voltrekken. De stoot daartoe was gegeven door Engelse beroepsspelers, die in de laatste decennia van de zestiende eeuw het Europese vasteland waren begonnen te bereizen. Vooral de aanwezigheid van Leicester en diens Engelse tropen zal hen in de jaren tachtig wel hebben aangelokt om in de zeven provinciën op te treden, maar ook daarna bleven ze komen, want meer en meer Hollanders van enige ontwikkeling zagen al gauw in dat er bij het optreden van de beroepsspelers, die ‘haer consten om gelt thoonden’ , meer te genieten viel dan bij het amateurwerk van de brave trederijkers. Tot ver in de zeventiende eeuw speelden zij met grote frequentie in de Hollandse steden en dat heeft ertoe geleid dat ook Hollanders, die in de rederijkerskamers liefde voor de dramatische kunst hadden opgevat, hun talent voortaan in dienst van het beroepstoneel gingen stellen. De eerste van die Nederlandse beroeps-acteurs, die in de annalen van Haarlem met name wordt genoemd, is een zekere Van Boekhoven uit Den haag (zijn naam is in het Memoriael van Burgemeesteren verhaspeld tot ‘Boeckenoogen’). Isaak van Boekhoven had al in 1618 een beroepsgezelschap – wellicht het eerste in Holland – opgericht onder de naam “Bataviersche Komedianten”; later deelde hij de leiding daarvan met (zijn broer of zoon?) Philips Albertus van Boekhoven. Over dat gezelschap was tot dusver vrijwel niets anders bekend dan dat Jan Baptist van Fornenbergh, wiens roem als acteur en toneelleider rond 1600 zo groot was dat hij met zijn eigen troep in Zweden, Estland en Letland kon optreden, er op 1 april 1638 als minderjarige volontair is begonnen tegen verzorging “van eten, drincken, cleden ende reden, alsmede van linden (d.i.linten), cousen ende schoenen naer behooren ende slaepplaetse (1). Maar misschien heeft deze Isaac van Boekhoven wel een tijdlang tot de Haarlemse rederijkers behoord, want in 1624 was iemand van dezelfde naam lid van Kamer “Liefd boven al”(2).In elk geval vroeg en kreeg Van Boekhoven in juni 1639 vergunning om tijdens de kermis in Haarlem voorstellingen te geven en ontstonden er moeilijkheden toen de “Mr. Commediant”, zoals hij in het Memoriael wordt genoemd, slechts een-kwart van de recettes bij wijze van vermakelijkheidsbelasting aan de armen wilde afdragen. De “regenten van den gemenen armen deser stadt” waren met dat percentage niet tevreden en wendden zich om steun tot Burgemeesteren, die aan hun speelvergunning nu de voorwaarde verbonden dat Van Boekhoven “een derde part ende niet minder sal moeten geven”. Dankzij dit gevalletje van loven en bieden ween wij nu tenminste dat deze pionier van het Nederlandse beroepstoneel in Haarlem is opgetreden (3). En we mogen aannemen dat Jan Baptist, die in 1640 naar Amsterdam verhuisde en dat er in dat jaar Joab speelde in Vondels’ “Gebroeders”, daarbij nog als volontair heeft gewerkt. Aan het einde van datzelfde seizoen schijnt Van Boekhoven zich, na 21 jaar, als toneelleider te hebben teruggetrokken (later opende hij, weer samen met Philips Albertus, een schermschool in Den Haag), want in oktober 1639 verhuurde hij zijn toneelkostuums aan een ander gezelschap, geleid door Adriaen van den Bergh, Pauwels Pierson en de Engelsman John Butler. Het zal wel namens dit gezelschap zijn geweest, dat John Butler (de Haarlemse gemeentesecretaris vertaalde de naam als “Jan Botteler”) in maart 1640 toestemming vroeg om te Haarlem in de Weeskerk toneelvoorstellingen te mogen geven. Op 16 maart wezen Burgemeesteren dat verzoek af, maar zij lieten Butler weten dat zijn gezelschap wel zou mogen optreden “in de Piquets sal buijten de groote houtpoort” , een ruime houten schuur die daarna jarenlang geregeld onderdak geeft geboden aan de reizende toneelgezelschappen die Haarlem kwamen bezoeken (4). Butler en zijn mensen zijn in de pikeursstal (later Stads-stallinge geheten) verscheidene weken blijven spelen, getuige het protest dat de Haarlemse kerkeraad op 27 april liet horen tegen de “ongerijmde manieren van speelen bij de Commedianenten gespeelt tot ontstichtinge der Jeugd als andersints”. Dat protest had onmiddellijk effect, want nog dezelfde dag stuurden de Burgemeesteren een bode naar de pikeursstal met de boodschap dat er vanaf de volgende dag niet meer mocht worden gespeeld (5). De kerkeraad had daarmee een succes geboekt dat nog lang bleef nawerken. Toen een Frans gezelschap, zich noemende “la troupe du Prince d’Orange”, in juni 1640 verzocht, tijdens de St. Janskermis in Haarlem te mogen optreden, werd dat verzoek afgewezen. De komedianten wendden zich toen tot het armbestuur (“de regenten vande schale”), wijzend op het geldelijke voordeel dat de armen van hun optreden zouden trekken, maar zelfs de bemiddeling van de regenten was vruchteloos; op 3 juni kregen ook zij nul op het rekest (6). De volgende vijf jaar ging het zo door; alle verzoeken om speelvergunning werden door Burgemeesteren “omme redenen”(die niet nader werden omschreven) “afgeslagen ende geëexcuseert”. Toen sommige gezelschappen daarop gingen reageren met het geven van voorstellingen in de onmiddellijke omgeving van de stad, maar buiten de jurisdictie, en zij de Haarlemse toneelliefhebbers daarheen lokten door in de stad biljetten te laten aanplakken, ging de overheid nog een stapje verder: op 19 juni 1645 verbood zij niet alleen het optreden van de ‘Comedianten, soo van de Engelse als Nederduitse”, maar bovendien verordende zij “dat deselve geene biljetten binnen deser Stadt, nogh de vrijheijt vandien ” sullen mogen aanplacken” en gelastte zij de burgers “dat sij weeren aenplacken van de billietten der Commedianten”(7). Eén van de slimmerikken die een jaar tevoren het Haarlemse speelverbod had weten te omzeilen, was de eerder-genoemde mede-directeur John Butler. Adriaen van den Bergh, een bekend acteur en treurspelschrijver, die oorspronkelijk rederijker was geweest. Als “meester der Nederduitse Commedianten ofte Nederlantse Bataviers” had hij in 1644 de stedelijke overheid getergd door, na in Haarlem te zijn geweigerd, zijn toneeltent op te slaan in de jurisdictie van Brederode. In zijn troep speelde toen naar alle waarschijnlijkheid ook zijn dochter Adriana, die nog wel heel jong was maar zich in 1645 al een reputatie in toneelkringen had verworven als “het dochtertje dat non pareilje ageert”(dus: dat weergaloos toneelspeelt) en die na het debuut in de Amsterdamse schouwburg in 1655, waar tot die tijd alle vrouwenrokken nog door mannen waren gespeeld, de historie inging als de eerste Nederlandse beroepsactrice. Dat optreden van Van den Berghs gezelschap heeft overigens nog een gerechtelijke nasleep gehad, want twee jaar later had hij de dertig gulden, die bij de baljuw van Brederode moest betalen “voor de vrijheijt van ’t speelen”.

Schilderij door Pieter Wouwerman (1640-1681) van Sint Janskermis in de Haarlemmerhout (Frans Hals Museum Haarlem)

Nog altijd niet voldaan en diende de baljuw van Brederode een aanklacht tegen hem in (8). ‘Haarlemse overheid in 1646 eindelijk weer wat vriendelijker gestemd werd tegenover het toneel, stelde wel buitengewoon harde eisen. De comedianten, die in dat jaar veertien dagen lang, voor, tijdens en na de St. Janskermis mochten spelen, moesten niet langer een kwart of een derde, maar de helft van de recettes aan het armbestuur uitkeren en bovendien moesten “alle de Heeren”, met hun gezinnen vrije toegang krijgen! De tien jaar van 1647 tot 1657 hebben vermoedelijk een periode gevormd van touwtrekken achter de schermen tussen vrienden en vijanden van het toneel; waarbij de vijanden het in de meeste gevallen wonen. Slechts in twee van die tien jaar mocht de St. Janskerk worden opgeluisterd met toneelvoorstellingen; en in 1656 werd, behalve aan comedianten, ook aan koorddansers, rijfelaars, dobbelaars en goochelaars het optreden op de kermis door het stadsbestuur zelfs verboden nog vóór de eerwaarde kerkeraad had verzocht (zoals Burgemeesteren in het Memoriael trots lieten optekenen). De reactie van de toneelspelers op de herhaalde afwijzingen van hun verzoeken om speelvergunning liet lang op zich wachten; maar ze kwam toch: in 1655 slaagden enige comedianten er in, vergunning van de schout van Heemstede te krijgen om in de Haarlemmer Hout, dus vlak bij de stad maar nog juist op Heemsteeds gebied en daardoor buiten bereik van de stedelijke overheid, tijdens de St. Janskermis van dat jaar een toneeltent op te slaan. De spelers maakten met aanplakbiljetten van een heel bescheiden formaat bekend dat “de openingh van haer theatrum” op maandag 28 juni zou plaatshebben met “het wijd-beroemde Konincklijcke Treurspel van de Krooningh van Darius, met eenige heerlicke Vertooningen; en naer hetselfe de vermaerde Klucht van Lichte Klaer”. (Het treurspel was ongetwijfeld Boisroberts “Couronnement de Darie”, waarvan P.Dubbels een Nederlandse bewerking had gemaakt; de klucht was een destijds populair werkje van de acteur-auteur Jillis Noozeman). De biljetten vermeldden ook waar het “Theatrum” te vinden was: “De Vertoon-plaets is buyten de Groote Houtpoort, even voorbij de Blauewe Steen, achter de Linde-boom, tot de Weduwe van den Ouden Houtvester”. De leden van het gezelschap hadden er waarschijnlijk geen flauw vermoeden van, dat er aan die vergunning van de schout van Heemstede een politieke kant zat waarvan zij veel narigheid zouden ondervinden. Er was namelijk al in 1642 een conflict ontstaan tussen de baljuw van Kennemerland en de Heer van Heemstede over het recht tot het geven van “consenten” aan comedianten, herbergiers en anderen, een recht dat zij ieder voor zich opeisten. Dat conflict werd op lager niveau aangewakkerd door de “stedehouder” (d.w.z. de adjunct) en de dienaars van de baljuw enerzijds en de schout van Heemstede anderzijds, want in hun zakken kwam het geld terecht dat zij de tonelisten voor die vergunningen lieten betalen. De bom barstte op 28 juni 1655, midden in de feestelijke openingsvoorstelling van het “Theatrum” achter de lindeboom.

Darius

Aanplakbiljet voor de voorstelling van ‘Krooningh van Darius’en klucht ‘Lichte Klaer’door de Nederduytsche Comedianten in de Hout op Heemsteeds grondgebied

Het toneel dat zich daarbij heeft afgespeeld, heeft ongetwijfeld meer opzien gebaard en meer gespreksstof geleverd dan de “heerlijcke vertooningen” die het publiek die middag verwacht had te zullen zien. De gebeurtenis is in 1771 te boek gesteld door de toenmalige gemeente-secretaris Dólleman van Heemstede in een handschrift dat gelukkig met een aantal van de bewuste aanplakbiljetjes, in het Heemsteedse gemeentearchief bewaard is gebleven (9). De spelers waren tot ongeveer halverwege de voorstelling gekomen – zo vertelt hij – toen deze werd onderbroken door de stedehouder van de baljuw, die hun verbood, verder te spelen. Maar ook de schout van Heemstee, die wellicht in de verwachting dat er zoiets zou gebeuren, had gezorgd aanwezig te zijn en hij gelastte de acteurs, ondanks het verbod van de stedehouder de voorstelling voort te zetten. De stedehouder liet onmiddellijk zijn superieur, de baljuw, waarschuwen en ging intussen zelf versterkingen halen. Even later kwam hij, geassisteerd door vier manschappen van de baljuw en twee of drie van de schout van Haarlem (die in deze kwestie natuurlijk op de hand van de baljuw was) “met seer groot geweld en furie” de schouwburgtent inlopen tot op het toneel. Hij gaf bevel tot arrestatie van alle spelers en inbeslagneming van al kun goederen, wilde de tent onmiddellijk laten afbreken en riep de toeschouwers luidkeels toe dat er geen komedie meer zou worden gespeeld en dat zij dus op staande voet moesten vertrekken of anders door zijn mannen geweld zouden worden verwijderd. De acteurs werden tenslotte zo in ’t nauw gedreven dat enige van hen, toen de baljuw in eigen persoon was gearriveerd, een voetbal voor hem deden “alsof sy lyf, lid of hooft verbeurt hadden”. Gelukkig kwam toen de schout van Heemstede tussenbeide; hij bood aan, borg te staan voor de gearresteerden, en beloofde hun dat zij de volgende dag met zijn steun verder zouden kunnen spelen. En met diplomatieke handigheid kwam hij de baljuw halverwege tegemoet door van de spelers te verlangen dat zij in ’t vervolg aan de vermelding van de “vertoon-plaets” op hun biljetten zouden toevoegen: “In de jurisdictie van Kennemerland in den banne van Heemstede”. Daarmee ging iedereen accoord en zo kon de troep dus nog enige dagen ongestoord in de Hot voorstellingen te geven. Daarvan zijn nog twee aanplakbiljetjes bewaard gebleven. Op vrijdag 2 juli speelde men “het weergaloze stuk, of de getrouwe liefde van Celio en Prospero, waarmee de beroemde Toneel-speelders van Amsterdam de Liefhebbers van Haarlem zodanigen Kontentement verzekeren, dat diergelijk nooit genoten is” en als nastukje “de vermaarde klucht van Oene, of de vertelling van de Spaansche Dromen” (het laatste was een in die tijd en nog lang daarna veelgespeelde klucht van Jan Vos “Celia en Prospero” was een bewerking van Lope de Vega’s “El Molino” door Theodoor Rodenburg. Op dinsdag 6 juli werd vermoedelijk als laatste voorstelling “de Wijt-vermaerden en nooit zat-geziene Tragaedie van Aran en Titus of Wraak en Weer-Wraak “(het bloederige melodrama van Jan Vos vertoond.

Gravure van de tragedie van ‘Aran en Titus’ door toneelschrijver Jan Vos van de Amsterdamse schouwburg

De Heer van Heemstede had de zaak intussen aanhangig gemaakt bij het Hof van Holland en dit stelde hem in het gelijk. Hij gaf in het volgende jaar, 1656, danook opnieuw vergunning – ditmaal aan het gezelschap van de Amsterdamse schouwburg – voor toneelvoorstellingen op Heemsteeds gebied. Trots op zijn gerechtelijke overwinning deed hij dat zelfs “onder deese expresse conditie” dat de toneelspelers géén vergunning aan de baljuw van Kennemerland hadden gevraagd en plechtig moesten beloven die dan ook niet te zullen vragen. Toen ze dat hadden beloofd, kon een aankondiging in Haarlem en omgeving worden aangeplakt:

toneel

Aankondiging dat de Toneelspelers van de Amsterdamse schouwburg met vergunning van de schout van Heemstede tijdens de kermis in de Hout hun treur- en blijpelen + kluchten zullen opvoeren

Deze keer werd echter niet in een tent tussen de bomen van de Hout gespeeld, maar binnen vier stevige muren en nog wel “in ’t huis van den Hout-vester” (waarmee de schuur en niet het woonhuis van de houtvester was bedoeld). De ligging werd, vooral ten behoeve van niet-Haarlemmers, op de biljetten nauwkeurig beschreven, in enkele woorden proza en een veertigh regels rijmelarij. Deze wegwijzer-op-rijm was stellig niet alleen duidelijk maar ook verlokkend voor hen die op zo’n kermisdag het bezoek aan een toneelvoorstelling graag combineerden met een vrijage en, op de heen- en terugweg, een hartige dronk; want “De Druif”, “Het Dronken Huisje”(dat ongeveer op de plaats stond waar later de villa Eindenhout, “het huis met de beelden”, werd gebouwd) en wellicht ook Meynsjes Paters waren herbergen. Voor de reizende tonelisten zal de aanwezigheid van deze en nog verscheidene andere herbergen trouwens wel een reden zijn geweest om de buurt te beschouwen als een aantrekkelijk “amusementscentrum”, waar zij op flinke toeloop konden rekenen, De Amsterdammers oprenden het kermisseizoen 1656 op woensdag 28 juni met “De gedwongen vriendt”, een treurspel van Izaac Vos, dat evenals “Celia en Prospero” en zoveel andere Nederlandse toneelstukken in die tijd, was ontleend aan een drama van Lope de Vega (in dit geval “El amigo por fuerza”). De volgende dag speelden zij, zoals het op het aanplakbiljet heette, “de belacchelyke grootsheydt van Hopman Roemer, welke ons zoo levendig vertoont wordt in Breroos Moortje”.

Aanplakbiljet van aanlondiging van het toneelstuk ‘Moortje’van G.A.Bredero, door de toneelspelers van de Amsterdamse schouwburg op Heemsteeds grondgebied , 29 juni 156

Ter aanbeveling werd daar nog aan toegevoegd: “De toestel van Kleederen, Tooneelen, en ’t uitvoeren van speelen, laten wij aan ’t oordeel van de Liefhebbers, welke wij ook verzeekeren willen dat de stukken, die wij vertoonen zullen, in ’t geheel, en met haar volle leden zullen verschijnen, gelijk ze van den Poët of Maaker geschikt en gestelt zijn; en niet geradbraakt, of verminkt, gelijk ze van andre voor dezen, ja somtijds maar half, vertoont zijn. Voorts beloven wij de Liefhebbers achter yder spel een raare en belacchelijke Klucht, met een ongemeen Ballet”. De biljetten vertellen ons niets over de samenstelling van het gezelschap tijdens deze “gastvoorstellingen” in Heemstede, en ook niets over de rolverdelingen. Maar uit de omvang van de troep mag men wel afleiden dat de voornaamste spelers van de Amsterdamse schouwburg er bij zijn geweest, hetgeen dan ook zou inhouden dat de in het hele land vermaarde Jan Pietersz Meerhuyzen, bijgenaamd Jan Tamboer, in “Moortje” zijn glansrol van Hopman Roemer zal hebben gespeeld. En Moy Ael zal dan wel gespeeld zijn door de eerder genoemde Adriana van den Bergh, die toen sedert een jaar als “ eerste actrice”(in de dubbele betekenis van het woord) aan de Amsterdamse schouwburg verbonden was en die rol daar ook heeft vertolkt. Op vrijdag 30 juni gaf het gezelschap “Keijser Otto ofte Den geheymen Minnaar, een treurspel dat Catharina Questiers had ontleend aan Lope de Vega’s “Si no vieran los mujeres”.

Schilderij van Adriaen van Ostade (rechts op het doek) met schout Hendrik de Goyer, diens echtgenote en schoonzuster Catharina Questiers met een papier in de hand, in het schoutenhuis (Nederhuys) van het Oude Slot in Heemstede (Museum Bredius Den haag) )

Zaterdag werd “Aran en Titus” weer eens gespeeld. Zondag moest het theater gesloten blijven, maar die maandag (misschien ook toen al een moeilijke dag om mensen naar de schouwburg te krijgen) werd een dubbel programma gegeven: twee stukken, volgens de snorkende tekst van de reclamebiljetten “yder in ’t particulier dubbelt geldt waerdigh, doch om de Liefhebbers te locken met een treffelijcke Compagnie: zou het gezelschap “haer met enckelt geldt, na de oude constumen, laten vernoegen.” Dat programma bestond uit de “zoetvloeijende veersen van den E. Heer Johan Sicx, in ’t uytbeelden van zijn vermaeckelijcke Comedie genaemt De Onschult” een blijspelletje dat Six, de vriend en beschermer van Vondel en Rembrandt, ook weer aan het Spaans had ontleed), gevolgd door | de onvolprijselijcke Boertigheeden, die ons den geleerden Plautus heeft naegelaten, in zijn Latijnse Poësie, ende verduytst door twee van de gheleertste die in ouden tijdt hebben geleeft, ende ghenaemt Ware Nar met zijn Pot”. Met die niet bij name genoemde geleerden waren P.C.Hooft en Samuel Coster bedoeld, want deze twee werden er toen vrij algemeen voor aangezien, het stuk samen te hebben geschreven; pas in 1667, een halve eeuw na de eerste druk, werd de anonimiteit opgeheven en Hooft openlijk als (enig auteur van de “Ware-nar” genoemd. Donderdag 6 juli werd het populaire gruweldrama van Geeraardt Brandt, “De veynzende Torquatus” opgevoerd, gevolgd door “een cierlijck Balet” en als nastuk een kluchtje, getiteld “De varcken-slagher” of “de getemde Snorker”. Deze klucht, oorspronkelijk “Romboud of de Getemde Snorker: geheten, was ook weer een werkje van Jillis Noozeman, die er zelf wel een hoofdrol in zal hebben gespeeld, want als auteur behoorde hij – evenals Adriana van den Bergh, met wie hij getrouwd was – tot de voornaamste krachten van het gezelschap. Ze hadden dan ook, voor die tijd flinke salarissen: Jillis verdiende drie gulden per voorstelling (slechts een kwartje minder dan Jan Meerhuyzen) en Adriana zelfs vier en een halve gulden (maar daarvoor moest zijn dan wel zelf voor haar kostuum zorgen). Nadat de volgende dag “de peirel aller Comedien”, was gespeeld, namelijk Calderons “La vida es sueno”, in de bewerking van Schouwenbergh getiteld “Sigismundus, prince van Poolen, of het leven is maer droom” (met het “heerlijcke Balet van Paris Oordeel: als toegift), kwam er die zaterdag een onverwachte verandering in het repertoire. Hoewel de omroeper – men vertrouwde namelijk niet op de aanplakbiljetjes alléén – in de stad al een opvoering van Hoofts “Granida” had aangekondigd, welke op verzoek van “veel voorname Lief-hebbers van Haarlem” in plaats daarvan een opvoering gegeven van “een d’aldernatuyrlijckste Treurspeelen van dezen tijdt, betreffende de liefde en Jalouzye. En is ghenaemt: Stirus en Arianne”. Vermoedelijk werd daarmee het stuk van Jan Jacobsz. Schipper, “De Onvergetelijke Ariane in Thessalien” bedoeld, waarin Adriana van den Bergh het jaar tevoren haar Amsterdams debuut had gemaakt en dat gebaseerd was op episodes uit de enorme, tien-delige roman “Ariane” van Jean Demarets de Saint-Sorlin. Het na-stukje, “De Klucht van de Drockemans Hel”, oorspronkelijk “De bedrooge Dronkkaart” geheten, was ook weer een schepping van Jillis Noozeman. Na , met dit grotendeels exotische repertoire de Haarlemse kermis te hebben opgeluisterd, vonden de tonelisten het blijkbaar wel gewenst om afscheid te nemen met een stuk, waarvan de handeling zich dichter bij huis afspeelde. “’t is heden zo geleghen”, vertelden zij in de aankondiging, “dat wij alle andere oude geschiedenissen aen een zij stellen, terwijl wij tog ghenoegh vinden om de kurieuse liefhebbers van Haerlem te kontenteren met de Inlandse geschiedenisse. Hebben haer tot den eynde bereyd, de vermaerste en gedenckwaerdigste Historye die in Menschen geheugen kan zijn, ende door den Phenix der Poëten is naghelaten ende genaemt het eerste en tweede deel van “Heer Gerard van Velsen, Ende Floris de Vijfde, Grave van Hollandt”,

Aanplakbiljet voor een opvoering van P.C.Hoofts’ Gerard van Velsen, op 10 juli 1656 in de schuur van Willem Claes Freeken in de Haarlemmerhout

Met de dood van Velsen nooyt voor desen zoo vertoont”. Hoewel ook hierbij de naam Hooft weer niet weerd genoemd, was dit toch stellig wel zijn treurspel, althans voor zo ver er sprake is van het “eerste deel”. Het “tweede deel”, met de dood van Velsen, kan niets anders zijn geweest dan “Geeraert van Velsen lyende”, het treurspel-met-komische-intermezzi van Suffridus Sixtinus (de schrijversnaam van Sjoerd Sytzes) dat als “vervolg” op het werk van Hooft moest dienen. Als deze beide stukken in hun geheel zijn gespeeld, moet het een lange middag zijn geweest (de voorstellingen begonnen altijd omstreeks drie of vier uur, voor het geval dat “ eenige Lief-hebbers noch savonts t’Amsterdam wilden wezen”), maar bleef er ook bij dit programma nog tijd over voor een – niet met name genoemde – “vermaeckelijcke klucht”. Na deze afscheidsvoorstelling vertrokken de tonelisten uit Heemstede, wellicht om ergens anders een kermis op te luisteren. De baljuw van Kennemerland had hun optredens deze keer niets in de weg gelegd; maar dat betekende niet, dat hij zijn nederlaag stilzwijgend aanvaardde. Hij diende nu namelijk op zijn beurt een klacht in bij het Hof van Holland en er volgde een ingewikkeld proces. Maar toen het Hof op 12 oktober 1656 uitspraak deed, trok de baljuw opnieuw aan het kortste eind. Want het Hof verbood hem nadrukkelijk, “den schout van Heemstede in ’t geeven van consenten aen enige comedianten, kamerspeelders, Rhetorijkers of andere persoonen om binnen den vors. Ambagte comediaen ofte andere speelen te vertoonen eenigsints directelyk of indirectelyk hnderlyk te wesen.’ Daar kon de baljuw het voorlopig mee doen. Men kan danook aannemen dat er in de volgende jaren tijdens de Haarlemse kermis ook weer toneelvoorstellingen op Heemsteeds gebied zijn gegeven. Daarvan is echter slechts één aanplakbiljetje bewaard gebleven: het kondigt een voorstelling aan die op 1 juli (vermoedelijk in 1859), evenals vroeger in het huis van Willem Klaassen Freeken, werd gegeven ‘het heerlijcke en hoogdravende Parsiaansche Koninklijk Treurspel van den Vader-moordenaar Kosroés’, een bewerking van Rotrou’s ‘Cosroès, roi des Perses’ door de kluchtschrijver, vertaler en toneelspeler Adriaan Bastiaansz. De Leeuw, die dat jaar aan de Amsterdamse schouwburg verbonden was. Het was ook het Amsterdamse gezelschap dat het stuk speelde. Een half jaar later, toen de baljuw van Kennemerland overleden was, probeerde diens opvolger de zaak opnieuw op de spits te drijven. Hij kreeg daartoe al een kans in januari 1660, want in de wintermaand, ver buiten het gebruikelijke seizoen, meldde zich een beroepsgezelschap dat in een geïmproviseerde toneelzaal op Heemsteeds terrein voorstellingen wilde geven. De tonelisten, die zich ‘De Nederduytsche Commedianten’ noemden (het waren deze keer dus niet de artiesten van de Amsterdamse schouwburg), hadden voor dat doel “een seer bequaeme ende warme Schuur’ gehuurd in het Huys “ghenaemt de Doorne-boom, aen ofte op de Heerewegh, over den Hout, buyten de de Groote Hout-poort’. Het was wel een bewijs van moed en zelfvertrouwen, de Haarlemse toneelliefhebbers in het hartje van de winter naar het Heemstede te willen lokken. De schout gaf zijn toestemming en dus lieten de “komedianten” in en om Haarlem biljetten aanplakken met de aankondiging dat zij “op Mandag den 19. Januarij 1660, en enighe navolgende dagen haer Gordijnen (zouden) openen met de gedenckwaerdige en waerachtige geschiedenisse van de “Belegheringhe ende het ontset der Stadt Leyden, Treur bly-einde Spel” . Ter aanbeveling werd daar bijgevoegd: “het selvighe sal noch heerlijcker ofte niet meer ende raerder Verthooningen uytgebeelt werden alsser tot Valckenburgh. Weesip, ofte oyt voor desen vertoont sijn geweest. Ende naer het selve sal onsen wit-bemeelden Pekelharing, tot dubbelt vernoegen onse Toesienders, alle dagen zijn uytterste vlijt aanwendden, om haer met volkomen vreucht en vrolijckhyt te laten vertrecken.” Het aangekondigde stuk was inderdaad wel een geschikte trekpleister om de stedelingen te doen besluiten tot een wandeling of een rit over besneeuwde of beijzelde buitenwegen. Het was geschreven door de Leidse hoogleraar Reinier de Bondt, lijfarts van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik, die met dit drama (het enige van zijn hand) een ongehoord succes behaalde: het werd ontelbare malen in boekvorm uitgegeven en heeft meer dan honderd jaar deel uitgemaakt van het Nederlandse toneelrepertoire.

Hals

Peekelharing was in de 17de eeuw een populaire clowneske figuur, o.a. door Frans Hals (1628/30) geschilderd (in dit geval een lid van de Haarlemse rederijkerskamer de Wijngaardranken

pekel

Boerenkermis in een dorp met op het ambulant  toneel een kwakzalver en een Pekelharing. Circa 1750. Ets naar een ontwerp van Nicolaas Aartman

Het werd in 1660 al vijftien jaar of langer gespeeld. Dat de aanbeveling speciaal melding maakt van voorstellingen in Valkenburg en Weesp zou er op kunnen wijzen dat de “vertooningen” (tableaux vivants) die Jan Vos later voor het stuk heeft bedacht en waarvan de beschrijving in 1660 is gepubliceerd, door de reizende troep voor het eerst in die plaatsen aan de opvoering zijn toegevoegd. De ‘bemeelde Pekelharing’ was de wit-geschminkte clownsfiguur die in de 17de eeuw een hoofdattractie van het kluchttoneel vormde; hij was hierheen gekomen vanuit Duitsland, waar hij bij “Pekelherring” heette en waar hij vermoedelijk was ontstaan in navolging van Italiaanse commedia-dell’’ arte-figuren. De actie van de nieuwe baljuw van Kennemerland tegen de “Nederduytsche Commedianten” begon al, voordat deze hun Gordijnen voor de eerste keer hadden geopend: hij liet de aangeplakte biljetten namelijk door zijn mannen van de muren aftrekken. En toen de voorstellingen niettemin doorgingen, liet hij, zoals ook zijn voorganger het één keer had gedaan, “dezelver Comoedianten in hunne te doene exercitiën en vertooningen stooren”. De Heer van Heemstede zag zich daardoor genoodzaakt, opnieuw een beroep te doen op het Hof van Holland, dat hem voor de derde keer in ’t gelijk telde. Op 27 januari verleende het Hof hem voor de tijd van veertien dagen “mandament van interdictie penaal”, hetgeen daar op neer kwam dat de baljuw in die periode niets tegen de tonelisten mocht ondernemen en deze op de bescherming van Heemstede konden rekenen. Maar de baljuw had intussen een oud bondgenootschap weten te vernieuwen: de burgemeesteren van Haarlem kozen, evenals in 1655, zijn partij en drongen er bij de schout van Heemstede met klem op aan, het optreden der toneelspelers te verbieden. De schout week voor die aandrang, nadat hij ter wille van de gedupeerde acteurs toch nog een vriendelijk gebaar had gemaakt door hun toe te staan, op 28 januari een laatste voorstelling te geven. Op 2 februari hadden zij de “warme Schuur’ ontruimd en verlieten zij Heemstede. Het gemeentearchief bezit nog altijd een “declaratie van de comoedianten dat zij met consent van de Heer van Heemstede in de Heerlijkheid van Heemstede hebben gespeeld en sijn ordre weder sijn vertrokken.” De verklaring is ondertekend door Johan Backer (een acteur, die kort daarna, op 1 maart 1660 toetrad tot het gezelschap van Jan Baptist van Fornenbergh (10) en Jan van der Neer.

Titelprent van een toneelstuk van Jan Baptist van Fornenbergh naar Michel van Musschen: ‘De onhebbelijke liefde’, 1678

Die namen werpen weinig licht op de verdere samenstelling van de troep, evenmin als de betiteling “Nederduytsche Commedianten”, want die werd meer ter onderscheiding van de talrijke buitenlandse gezelschappen gebruikt dan als naam van één bepaalde groep spelers. We kunnen er alleen uit afleiden, dat het deze keer niet de Amsterdammers waren die in Heemstede hadden gespeeld (want op hun affiches stond altijd de Amsterdamse schouwburg vermeld); en vermoedelijk was het evenmin het Haagse gezelschap van Jan Baptist daar dat in diezelfde jaren vrij geregeld in Haarlem optrad en dus wel zal hebben gezorgd, niet in conflict met de Haarlemse overheid te raken. Men moet danook aannemen dat Backer en Van der Neer de leiders waren van een ambulante troep, waarover verder niets bekend is en die na haar verdrijving uit Heemstede wellicht uiteen is gegaan, zoals Backer toen zijn heil maar ging zoeken bij Jan Baptist. De Heer van Heemstede berustte echter nog niet in de situatie waarin het verbond tussen baljuw en stadsregering hem had gebracht. “Weederom voor onlusten bedugt”, zegt de Heemsteedse kroniek, vond hij het geraden, in september van datzelfde jaar opnieuw een request tot het Hof van Holland te richten. Maar nu waren het de rechtzinnige dominees die een spaak in ’t wiel staken. Het Hof was weliswaar eenstemmig van mening dat alleen de Heer van Heemstede het recht had, het optreden van tonelisten, rederijkers enz. in zijn Heerlijkheid te verbieden of toe te staan, maar datzelfde Hof had op aandringen van de synodes van Zuid- en Noord-Holland besloten, zulks optreden voortaan “alomme te doen beletten”. Bijgevolg schreef het Hof op 16 september aan de Heer van Heemstede, dat hij, ondanks zijn formeel recht tot het geven van toestemming “als Ambagtsheer het speelen van comoedianten of rhetorykers onder Heemstede souwde hebben te beletten en daertoe consent te weigeren”! En daarmee hadden de synodes definitief een einde gemaakt aan het Heemsteedse intermezzo’.

‘Op de aanplakbiljetten stond in 1656: “Onzen Schouburg of Speelplaat is buiten Haarlem, op de Heere- of Steene-wegh, drie-hondert treeden verbij Westerhout (de hofsteede van Mijn Heer Johan Rombouts) tegen den Hout, in ’t Huis vn den Hout-vester in de Bocht’. Ook werd vermeld dat de speelplaats een schuur was, “behoorende aan Willem Claas Freeken tegenover Grietje Paters, “In de Druyf”. Doorneboompje, het huis van de oude houtvester Freeken, met de toneelschuur die zijn weduwe in 1660 voortzette als het “Beloofde Land” werd geafficheerd, als een huis met een schuur en stalling. Bij de reconstructie van de Wagenweg in 1709, die in 1656 al een steenweg was, werd Doorneboomje afgebroken om de bocht uit de weg te kunnen halen. Op bovenstaande tekening van de Wagenweg (“Wegh naa de stadt Haerlem” uit 1707, met rechts de Pijlslaan, is de bocht bij Doorneboompje nog aanwezig’. (bron: Arne C.Jansen, Westerhout en de Wagenweg in Heemstede’

titelblad

Titelblad van ‘Aran en Titus’ door jan Vos. 1648

Vos1

Slotscène uit ‘Aran en Titus op een gravure uit  1648. Op het toneel liggen de zongenaamde doden

Prent uit Lucas Rotgans: Boerenkermis met in een opgezette tent een voorstelling van ‘Aran en Titus’ door Jan Vos

Vos

Getekend portret door Jan Lievens van de in zijn tijd populaire dichter en toneelschrijver Jan Vos (1610-1667)

Noten

(1)E.F.Kossmann, Das Niederländische Faustspiel, blz. 103 (Den Haag, 1910)(2)Lijst der Broederen, Archief van De Wyngaertrancken, dossier LL-5 (N.H.A.) (3) Memoriael van Burgemeesteren van Haarlem, 23 juni 1639, fo 30 vo (N.H.A.); (4)Idem. 16 maart 1640, fo.163 (N.H.A.); (5) Idem 27 april 1640, fo 208 en 13 juni 1640, fo.210 (N.H.A.); (6)Idem. 6 juni 1640, fo/208 en 13 juni 1640, fo.210 (N.H.A.); (7) Idem. 19 juni 1645, fo.382, vo (N.H.A.); (8) Gerechtsrollen Haarlem, 1640 (N.H.A.); (9) Kossmann (zie noot 1), blz. 109); (10) Kossmann (zie noot 1), blz.116.

Bijlage 1: de Sint Jans kermisvoorstellingen in Heemstede (Haarlemmerhout) tussen 1656 en door de Nederduytsche Commedianten uit Den Haag (NC) en de ambulante troep van de spelers der Amsterdamse Schouwburg (SAS)– 2 juli ‘Celia en Prospero, bewerking van Lope de Vega’s ‘El Molino’ door Theodoor Rodenburg (SAS)-28 juni 1656: ‘De gedwongen vriendt’’ treurspel van Izaak Vos, ontleend aan Lope de Vega’s ‘El amigo por fuerza’. -30 juni 1656: Heijser Otto oft Den geheymen Minnaar; naar Lope de Vega’s ‘Si no vieran los mujeres’, bewerkt door Catharine Questiers. -4 juli: ‚De Onschult‘; blijspel van Jan Six [was ook aan het Spaans ontleend] + Ware-Nar van P.C, Hooft.7 juli: ‘de peirel aller Comedien, eren bewerling van Calderons ‘La via es sueno’, door Schouwenbergh, getiteld: ‘Sigismundus, prince van Poolen, of het leven is maer droom’ met als toegift: het heerlijcke Balet van Paris Oordeel’. 10 juli: ‘Heer Gerard van Velsen, Ende Floris de Vijfde, Grave van Hollandt’ deel 1 door door P.C.Hooft; deel 2 van Suffridus Sixtinus [= Sjoerd Sytzes]. (SAS).19 januari en volgende dagen 1661: ‘Belegeringhe ende het Ontset der Stadt Leyden’door Reinier de Bondt + klucht ‘De bemaelde Pekelharing’   

 

‘Toneelhistoricus Ben Albach schrijft  in het standaardwerk: ‘Langs kermissen hoven’(1977) in het hoofdstuk: ‘Ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in de 17de eeuw; eerste reisperiode 1645-664: ‘Het optreden van een troep reizende komedianten ergens in een stad of dorp voltrok zich allesbehalve onopvallend. Er ging meestal heel wat gemarchandeer aan vooraf om toestemming tot optreden te verkrijgen. Voorwaarde was altijd dat een deel van de opbrengst aan de armen werd geschonken, maar de grootte van het percentage wisselde dikwijls. Een toneelleider moest de situatie goed kennen om handig te kunnen manoeuvreren: competentiekwesties over de jurisdictie, machtsverhoudingen tussen stedelijke overheden en kerkeraden, mogelijkheden om invloedrijke relaties in te schakelen. Jan Baptist van Fornenbergh zou blijken een meester te zijn in dit diplomatieke spel. –

aan

Aankondiging van optreden der Nederduytsche Comedianten aan het Hof van Zweden

BIJLAGE 2  Belangrijkste personen uit de periode van het reizend gezeldschap “De Nederduytsche Komedianten”:

JAN BAPTIST VAN FORNENBERGH (1624-1697). Geboren in Vianen, overleden in Den haag. Was acteur en schouwburgdirecteur. Gehuwd met actrice Maria Noozeman. Hij was een belangrijk toneelleider midden 17e eeuw, schrijver van de klucht ‘Duifje Snaphaan’. In 1838 sloot hij zich aan bij de ambulante ofwel reizende toneeltroep Broekhoven & Pierson, najaar 1640 verbonden aan de Amsterdamse schouwburg, tot 1645. Hierna weer bij reizende troep, waarvan hij de leider werd. Richtte in 1640 de eerste Haagsche schouwburg op achter zijn huis aan de Denneweg. Kreeg in 1679 een monopolie tot circa 1680. Werd als toneelleider rijk en speelde ook veel in het buitenland (Hamburg, Scandinavië, Parijs) en kwam in vaste dienst bij koningin Leonore te Stockholm. Hij oefende ook invloed uit op de Duitse toneelliteratuur. In 1660 publiceerde Steven Theunisz, van de Lust het stuk ‘Herstelde hongersdwangh, of Haerlems langh en strenghe belegheringe, gebaseerd op een gelijknamig werk van de Haarlemse rechtsgeleerde Govert van den Eembd uit 1619. Het spel werd niet opgevoerd door 1 van de Haarlemse rederijkskamers, maar is wel in het repertoire opgenomen van reizende beroepsgezelschap onder leiding van Jan Baptist van Fornenbergh (inf. o.a. Theaterencyclopedie) Jillis Noozeman schreef ook een aantal kluchten en wordt in zijn tijd de beste komedieschrijver genoemd. Bekend werd het stuk ‘Lichte Klaartje’ (1645), dat op de Decamerone teruggaat. De klucht is tot 1665 wel 79 keer is opgevoerd in de Amsterdamse schouwburg. Het thema is overspel door de vrouw in combinatie met domheid van de echtgenoot, waardoor hij uiteindelijk het slachtoffer wordt en niet zijn overspelige echtgenote. (Wikipedia). A(D)RIANA VAN DEN BERGH (1626/1628 – 1661) ook bekend als A(D)RIANA NOZEMAN. (NOOSEMAN).

Rembrandt

Rembrandt schilderde in 1655 bovenstaand doek nadat hij in de  Amsterdamse schouwburg Vondels ‘Joseph in Egypte’ had gezien. Voorgesteld is Potifar met zijn vrouw, welke rol werd gespeeld door Ariana Nozeman (ov. in 661).

Ze was de eerste beroepstoneelspeelster bij de Amsterdamse schouwburg. Dochter van acteur en toneeldichter Adriaan van den Bergh (circa 1595-na 1652). Arian trouwde op 25-11-1649 in Altona bij Hamburg met Gillis Nozeman. Uit dat huwelijk zijn 3 kinderen geboren. Ariana maakte deel uit van de compagnie van Jan Baptist van Fornenbergh – bestaande uit 13 personen, waaronder twee muzikanten – die tussen 1649 en 1654 door Noord-Europa reisde. Men speelde in de Nederlandse taal o.a. voor koningin Christina van Zweden. In 1655 maakte Ariana haar debuut bij de Amsterdamse schouwburg met ‘Onvergetelijke Ariana’, een treurspel van J.J.Schipper. Tot Ariana’s komst werden vrouwenrollen vrijwel uitsluitend door mannen in travestie gespeeld. Gesuggereerd is dat Ariana Nozeman is afgebeeld op Rembrandts schilderij van ‘Jozef en de vrouw van Potifar’ (Gemäldegalerie Berlijn, 1655), geïnspireerd op een voorstelling van 19 mei 1655 van Vondels ‘Jozef in Egypte’. Adriana van den Bergh speelde veel treurspelen, maar ook in enkele kluchten zoals in ‘Moortje’ van Bredero waarin zij de hoer Moy-Ael speelde. Verder in ‘Lichte Klaertje’ van Gillis Nozeman. Ze is begraven in de Oude Kerk te Amsterdam. (bron: Huygens ing).

JILLIS NOOZEMAN (1627-1682). Geboren in Amsterdam en overleden in Den Haag. Nederlands acteur en toneelschrijver. Hij stamde uit een van oorsprong Brussels geslacht. Na de val van Antwerpen in 1585 vluchtte het gezin vanwege het gereformeerde geloof naar Frankenthal in de Paltz. In 1619 verhuisde vader Matthijs Noozeman naar Amsterdam. Uit het huwelijk met Stijntje Jelis werd Gilles ofwel Jillis geboren die net als zijn broer Jan acteur en toneelspeler werd. Hij trouwde met actrice Ariana van den Bergh. Van 1640 tot 1646 en van 1654 tot 1664 was hij verbonden aan de Amsterdamse schouwburg. Omdat die tijdens de zomermaanden was gesloten trok hij met andere acteurs langs kermissen en hoven (in Brussel, Kopenhagen, Stockholm, Hamburg etc.) In 1645 behoorde Jillis tot de rondtrekkende compagnie ‘Nederduitsche Commedianten oftewel Nederlantse Bataviers’. Daartoe behoorden ook Adriaan van den Bergh en Triael Parker. Samen met Jan Baptist de Fornenbergh en Triael Parker had Jillis de leiding van de ‘Oprechte Nederduytsche Commedianten’. In de Nederlanden waaronder in de Haarlemmerhout werden optredens verzorgd in kermistenten; ’s winters in een schuur. In 1650 trouwde hij met Ariana, dochter van acteur Adriaan van den Bergh. Zij werd de eerste vrouwelijke toneelspeler in de Nederlanden. Van 1655 tot haar overlijden in 1661 speelde zij met veel succes rollen in de Amsterdamse schouwburg. Jillis hertrouwde vier jaar later met Johanna, de 14jarige dochter van Jan Baptist van Fornenbergh. Maria Noozeman, dochter uit het eerste huwelijk van Jillis Noozeman, gaf in 1682 het jawoord aan de dertig jaar oudere Jan Baptist van Fornenbergh. Als dan eindelijk de vergunning is verleend om een geschikte plaats op de kermis toegewezen, in de openlucht dan wel in een stal, manege of kaatsbaan, kan de opbouw van het toneel beginnen. Zowel buiten als in een schuur of stal is dit vooreerst nog eenvoudig; een plankier met een achtergordijn, een ladder voor balkonscènes, een troonzetel eventueel met een baldakijn in het midden. Maar na omstreeks 1650 beschikt een reizend gezelschap over een tent en of een “tiater” waarin voor – en achtertoneel van elkaar gescheiden zijn door een wand met twee deuren of een beschilderde omlijsting van een binnentoneeltje. De zijschermen zijn soms gedecoreerd met figuren of bloemen. Maar later stellen coulissen en een achtergrond samen één geheel voor, een bos, een kamer, een tuin. Niettemin speelt de actie zich steeds op het voortoneel. De troep is inmiddels het stadje binnengetrokken: een luidruchtige optocht van karren en wagens volgeladen met opzichtig geklede komedianten. Ze zijn vergezeld van vrouwen en kinderen; vooral de Pekelharingspeler trekt de aandacht. De enorme bagage van koffers, kisten, veelbelovende rekwisieten en muziekinstrumenten schommelt op de door paarden getrokken vrachtwagens. Vooraf gaat de rommelslager om met veel geraas en geroep de komende voorstellingen aan te kondigen. ’s Zomers trekken de komedianten door het land langs de kermissen in stede en dopen. (…)’. In Haarlem tijdens de Sint Janskermis in juli in de Hout nabij Westerhout.

schouwburgadriaenvandenbergh

Vooromslag van boekuitgave ‘Don Jeronimo’ uit 1638 met bij de uitvoeringen acteur Adriaan van den Bergh in de hoofdrol

Bijlage 3: reizend toneelgezelschap ‘De (Oprechte) Nederduytsche Commedianten’Bijlage 2: aankondiging in rijmvorm van voorstelling Breeros Moortje door de ‘Toneel-speelders van d’Amsterdamsche Schouburg, 29 juni 1656: ‘(…) Maar indien ér ymandt quam – Van den Haag of Amsterdam – Die ons meermaal zag voor dezen, – Wordt de weg aldus beduit: – Gaat de Groote Houtpoort uit, – En niet van ’t spoor te doolen, – Tot aan ’t Huisje voor de Moolen, – Die daar hoog verheve staat: – Volgt dan maar de Heere Straat, -Die eerst nieuw beleidt met steen is. Voor een man die wel ter been is, Kan met zijn gezonde leê, Wel in nehenhondert treên, – Recht voor Spruiten Bosch geraken :- Dan hoeft hy geen werk te maken, – In tweehondert bovendien – Om ’t beloofde Landt te zien: – Zeeker ik mag het zoo wel noemen, En de deucht met eeren roemen, – Mits het Bort u zulks beduit, – Want de Druif die hangt er uit. – Om nu van ons huis te spreecken, – ’t Heer na Willem Klaassen Freeken: – Van het Droncken Huisje stijf – Hondert treden vier of vijf: Nota. Na stad toe – Koom verzoek daar deze Praaters. – Tegenover Meynsje Paters: – Staat ons Schouwburg schoon en stout, – Over ’t hartje van den Hout. – Niemant zy hier doch verlegen, – Want daar zijn wel zeven wegen, – Waar g’ons langs genaken kunt – Met een Vrijster of een Vrunt. – Die dan noch na ’t Spel wil vryen – Mogen wij van harte lyen – Als ’t in eerbaarheit geschiet; – Want dat werk en raakt ons niet. – En wy zullen niemant raken. – Om dan eens een endt te maken – Van ons moeielijk gelel, – Kom ons by, en vaar voort wel.’ 

Bijlage 4: De tijdens de Sint Janskermis in juni/juli gehouden toneelvoorstellingen in de Haarlemmerhout, op grondgebied ressorterend onder de jurisdictie van ambachtsheerlijkheid Heemstede. NC= Nederduytsche Comedianten (Den Haag) SAS = reizende toneelspelers van de Amsterdamse schouwburg 

28 juni 1655 Treurspel van de Krooningh van Darius + klucht van Lichte Klaer van Jillis Noozeman [in Nederlandse bewerking van P.Dubbels] (NC)

2 juli Celia en Prospero; bewerking van Lope de Vega’s ‘El Molino’ door Theodoor Roodenburg (SAS)

6 juli 1655 Tragedie van Aran en Titus of Wraak en Weer-Wraak, van Jan Vos

28 juni 1656 De gedwongen vriendt; treurspel van Izaak Vos, ontleend aan Lope de Vega’s ‘El amigo por fuerza’

29 juni 1656 De belacchelijcke griootsheydt van Hopman Roemer, naar Bederoos  ‘Moortje'(SAS)

30 juni 1656 Heijer Otto oft Den geheymen Minnaar; naar Lope de vega’s ‘Si no vieran los mujeres’, bewerkt door Catherina Questiers

1 juli 1656 Aran en Titus van Jan Vos

4 juli De Onschuldt; blijstel van Jan Six [was ook aan het Spaans ontleend] + De Ware-Nar van P.C.Hooft

scene

Scène uit de Ware-nar (naar Plautus) van P.C.Hooft waarin de paranoïde en gierige Warenar een pot geld begraaft op het Ellendigenkerkhof

6 juli De veynzende Torquatus {gruweldrama] van Geraardt Brandt = Een cierlick Balet = een klucht + als nastukje de klucht ‘De varckenslagher of de ghetemde snorker  van Jillis Noozeman

7 juli De peirel aller Comedien, een bewerking van Calderons ‘La via es sueno’; door Schouwenbergh, getiteld: ‘Sigismundus, prince van Poolen of het leven is maer droom’ met als toegift: Het heerlijcke Balet van Paris Oordeel’

9 juli Stirus en Ariane van Jan Jacobsz. Schipper [voluit getiteld; ‘De onvergetelijcke Ariane in Thessalien’, gebaseerd op episodes uit de roman ‘Ariane’ van Jean Demarets de Saint-Sorlin + de klucht van de Drockemans Hel van Jillis Noozeman

10 juli Heer Gerard van Velsen, ende Floris de Vijfde, Grave van Hollandt’deel 1 door P.C.Hooft; deel 2 van Suffridus Sixtinus [= Sloerd Sytzes] (SAS)

1 juli 1659 Het heerlijcke en hoogdravende Parsiaansche Koninkrijk. Treurspel van den vader-moordenaar Kostoés, beweking van Rotrous’s ‘Cosroès, roi des Perses’door Adriaan Basiaansz. de Leeuws (SAS)

19 jauari en volgende dagen 1661 Beleringhe ende het Ontset der Stadt Leyden; door Reinier de Bondt + de klucht ‘De bemeelde Pekelharing’. 

 

  1. Vooromslag van het standaardwerk over reizende toneelgezelschappen in de 17de eeuiw van Ben Albach: ‘Langs kermissen en hoven'(Zutphen, Walburg Pers, 1977). Over de optredens in de Hout schrijft hij o.a. dat De Amsterdamse en Haagse tonelisten elkaar daar tegen kwamen, omdat “beide troepen daar geregeld optreden in de kermismaand (juni 1658, 1659, 1660): Gillis Noozeman en Adriaan van den Bergh spelen dan met hun gezelschap op Heemsteeds gebied. Van Fornenbergh in de Pikeurschuur buiten de Grote Houtpoort. Tussen de autoriteiten rijzen er voortdurend conflicten over competentiekwesties, waarvan de acteurs het slachtoffer worden.”

    toneel3

    Titelprent bij J.Serwouters, ‘Den grooten Tamerlan met de dood van Beyazit I, Turks sultan, 1661.

     

    Titelprent Bij Geerard Brandt Jr. : De veynzende Torquatus

    klucht

    Titelblad van de klucht ‘Lichte Klaertje’ door Jillis Noozeman, 1650

     

     

    Achteromslag van het boek door Ben Albach over reizende toneelgezelschappen in de periode 1638-1697

     

    toneel2

    Prent van Romeyn de Hooghe voorstellende een jaarmarkt met een toneeltent tijdens een jaarmarkt, eind 17de eeuw

    tekening

    17e eeuwse tekening van de eerste Amsterdamse schouwburg

    toneel1.jpg

    Kermis in de Haarlemmerhout met rechts toneelspelers opeen podium 

     

  2. Komende bijdragen

    De ‘Lantaarn’ ofwel vuurbaak aan de mond van het Spaarne;

    Het archief en de bibliotheek van de Stichting de Bethune bij Kortrijk;Luchtvaartpionier naar de West:

    gezagvoerder J.J.Van Balkom;

     

    Historische plaatsbeschrijvingen van Heemstede.