Tags

, , ,

Herdenking van de Slag bij het Manpad in 1573 en in het bijzonder Gaspard van der Noot als eerste gesneuvelde ritmeester der cavalerie

Precies 444 jaar nadat de zogeheten Slag bij het Manpad plaatshad, heeft op 10 juli voor de eerste keer een bescheiden herdenking plaatsgehad met het leggen van een bloemstuk bij de gedenknaald aan de Herenweg, hoek Manpadslaan in Heemstede. Dat gebeurde door de kolonel der cavalerie J.H. van Dalen, sinds 2015 commandant van het Joint ISTAR Commando en het Regiment Huzaren van Boreel. Initiatiefnemer is de heer W.L. Plink, luitenant-kolonel tirulair der cavalerie titulair.

Plink1.JPG

Regimentscommandant Hans van Dalen legt een bloemstuk neer aan de voet van het Manpad-monument in Heemstede

Op verzoek van Prins Willem van Oranje-Nassau is op 22 mei 1573 een vaan (= compagnie) ruiters in het leven geroepen door Gaspard van der Noot, heer van Carloo, nabij Brussel. Als ritmeester vocht Van der Noot in de Haarlemmerhout mee met circa 200 ruiters onder algehele leiding van baron Bronckhorst van Batenburg. Vanaf 8 juli Opgetrokken met ruim 4000 man is het leger van de Prins, die overigens zelf niet aanwezig was, via Noordwijkerhout en Sassenheim richting Haarlem getrokken. De Spaanse troepen lagen in de Haarlemmerhout, nabij het huidige Eindenhout [de voormalige herberg het Drockemanshuisje – vóór het gevecht een voor de Spaanse soldaten een verboden etablissement – en Uittenbos (1). Het Hollandse leger bestond voor een groot deel uit burgervrijwilligers uit Zuid-Hollandse steden, variërend van chirurgijns tot bakkers. Zij waren weliswaar gemotiveerd voor de strijd maar feitelijk geen partij voor de getrainde en gedisciplineerde Spaanse legermacht. In totaal sneuvelden minstens 700 man, inclusief Batenburg en Van der Noot als bevelhebber van de ruiterij.

(1) O.a. mr.Willem Janszoon Verwer, schepen in de plaatselijke vroedschap van Haarlem, heeft een gagboek bijgehouden van het Beleg van Haarlem vanaf maart 1572, in 1973 uitgegeven in opdracht van de Vereniging Haerlem. Over 9 en 10 juli 1573 noteerde hij onder meer: ‘Op desselfden nachts van 9 Juli was den Prinsen regiment onder opperste Veldtheer Batenburg al heel dicht bij de stadt, ja enijghe waren al in den Houdt of bosch, daer den graef van Eversteijn regiment lach. Maer overmits, dat die Spaensche ruijters bij herberg het Droncken huijsjen al gereedt stonden, zo en hebben des Prinsen volck haer teijcken, zoe zij de stadt gescreven hadden, niet mogen volbrengen. Want het was geseijt, dat zij het Droncken huijsgen voors. aen brandt gesteecken souden hebben, waerop die van der stadt letten ende passen souden, omme dan uijt te vallen, twelck niet gedaen en is. Waerdoer des Prinsen volck den nederlaech gecregen ende haer meeste volck verlooren hebben, soodat die heer van Batenburch [ende van Carloo] daarmede ghesleten ende doot gebleven is met veel meer andere burgers van Haerlem als Dirrick Themesen van die 7 capiteijnen van der stadt, Nicolaes Borritsz. Adriaen Gerritsz.Janeeffsz, lutenant, Willem Aeriaensz. moutmaker, Gerrit Verlaen, Claes Verlaenenzoon, die secretarius vander stadt  etc.(…)’.  

P1000998

Uitleg over de aanleiding van de herdenking

beleg4wapengaspard.png

Wapenschild van Gaspard van der Noot, Heer van Carloo: in goud vijf kruislings geplaatste schelpen van zwart. Wapenvoerder Jasper of Caspar / Gaspard van der Noot, hopman van de prins van Oranje.

De slag aan het Manpad, bedoeld als ontzet van de stad,  vond plaats op Heemsteeds grondgebied en was beslissend. De Spaanse veldmaarschalk met Julian Romero zo’n 4.000 soldaten was te sterk voor de Hollanders. Weliswaar verloor Romero bij een cavaleriebestorming een oog.

Romero

De Spaanse legerleider Julian Romero (1518-1577) met zijn patroonheilige geschilderd door E.Greco. In 1572 was Romero betrokken bij het Bloedbad van Naarden, in 1573 bij het Beleg van Haarlem, in 1574 werd hij aangevallen door Zeeuwse watergeuzen in de Slag bij Reimerswaal en in 1576 was Romero aanwezig bij de Furie van Antwerpen. Door Filips II teruggetrokken uit de Nederlanden in 1577 is hij in Cremona op 59-jarige leeftijd omgebracht.

 

In de volgende dagen moest Haarlem het beleg dat al op 3 december 1572 was begonnen , opgeven. De Spaanse troepen onder leiding van Don Frederik (zoon van de gevreesde landvoogd Alva) trokken vanuit Huis te Kleef de stadswallen binnen en zij executeerden de verdedigers, waaronder Ripperda, en burgemeesters van Haarlem. Door zwaard, kogels, galgetouw en verdrinking stierven tussen de 2.000 en 2.500 mensen. Een deel van de Spaanse troepen werd naar Alkmaar gedirigeerd, maar op 8 oktober 1573 vertrokken zij plotseling, mede omdat men eerder bij Haarlem al veel verliezen had geleden. Vandaar de uitdrukking ‘Van Alkmaar de Victorie’. Het ontzet van Leiden zou nog tot 3 oktober 1574 duren, welke historische gebeurtenis nog jaarlijks in oktober met haring en wittebrood wordt herdacht. 15 december verliet de Spaanse generaal en gouverneur Alva de Nederlanden na een mislukte campagne die aan meer dan 15.000 Nederlanders het leven heeft gekost. Haarlem is pas op 8 oktober 1675 van de Spaanse onderdrukkers bevrijd.  Zoals bekend is de definitieve vrede met aartsvijand Spanje pas in 1648 te Munster getekend, waarbij de toenmalige Heer van Heemstede Adriaan Pauw een essentiële rol heeft gespeeld.

P1000995

Aanwezigen bij de eerste herdenking 10 juli 2017. Van links naar rechts: W.L.Plink, verder namens de Historische Vereniging Heemstede Bennebroek: Daan Kerkvliet, mw.Ellen Kerkvliet-van Holk en Hans Krol. Voorts kolonel Hans van Daalen en drs. A.Rosendahl Huber (oud Ritmeester der Huzaren)

In Haarlem herinnert de Spanjaardslaan, oorspronkelijk Lindenlaan genoemd, aan de Spaanse belegering, waarbij gesneuvelde soldaten zijn begraven op het vroegere ‘Spanjaardsveld’. Het lis de intentie dat een herdenking bij de gedenknaald In Heemstede jaarlijks op 10 juli wordt herhaald.

plink9

De heer Willem Plink uit Apeldoorn als initiatiefnemer om wijlen ritmeester Gaspard van der Noot te gedenken

 

Niet slechts om de eerste gesneuvelde ritmeester en zijn ruiters maar tevens alle omgekomen mannen te gedenken. Verder wordt door de heren Plink en Rosendahl Huber verzamelde documentatie omgewerkt naar een boekuitgave.

plink10.JPG

De heer Axel Rosendahl Huber geeft uitleg aan een toevallige passante

 

 

zegel

Zegel van ritmeester Gaspard van der Noot

 

 

 

P1000996

Inscriptie op de door dichter-classicus professor David Jacob van Lennep in 1817 opgerichte gedenknaald, vervaardigd door de Haarlemse steenhouwer Dirk Doeglas,  ter herinnering aan 2 veldslagen, in 1304 en 1573. De eerste slag, in laatmiddeleeuwse geschriften met Manpad geassocieerd, waarbij Witte van Haemstede, (bastaardzoon  van graaf Floris de Vijfde), komende vanuit Zeeland en met manschappen geland in Zandvoort, heeft feitelijk meer zuidelijk plaatsgevonden, ter hoogte van Hillegom-Lisse. De Vlamingen zijn teruggedreven, maar enkele tientallen Kennemers, waaronder 21 uit Haarlem en 44 mannen uit omliggende ambachten zijn daarbij gedood.  Dirk Doeglas vervaardigde in 1823 naar een ontwerp van J.D.Zocher het monument in Bentheimer zandsteen ter ere van Lourens Janszoon Coster in de Haarlemmerhout. Ook zijn gelijknamige zoon Dirk Doeglas (1831-1883) was steenhouwer in Haarlem 

De tekst luidt: ‘Ter eere van Witte van Haemstede, grave Floriszoon van Holland, en van de brave burgers van Haarlem, die met hem de vreemde mannen langs dit pas verdreven door XXIV April MCCC!!!!; ten ter eere van hen, die tot ontzet van Haarlem bij dit Mannepad hun leven waagden, den VVV Julij MBLXXIII’

In 1851 is de gedenknaald bezocht door Prins Alexander (zoon van Koning Willem III). In zijn biografie: ‘Het leven van mr.Jacob van Lennep’ schrijft jhr.dr.M.F.van Lennep daarover: ‘ (…) De 11de November 1851, de dag voor den aanvang der werkzaamheden in het duin bestemd, brak aan. Jacob van Lennep had tot den Koning de bede gericht, dat de elfjarige Prins van Oranje, die destijds met zijn Gouverneur, den heer De Casembrood, zich op school te Noorthey bevond, de eerste spade in den grond zou steken en de Koning had die beide welwillend toegestaan. Op dien dag dan werd de Prins, vergezeld door genoemden Goeverneur, door Jacob van Lennep van het station Vogelenzang afgehaald, eerst naar ’t Manpad gebrcht, waar hem de vrouw des huizes en hare dochters opwachtten, en vervolgens naar het gedenckteekn op den hoek der Manpadslaan bezichtigd te hebben, naar (…) Mariënduin ging’. (1).

(1) Amsterdam, P.N.van Kampen & Zoon, 1909, deel II, pagina 48.

P1000997

Op de rechterzijde van het monument zien we de inscriptie van een zwaard met vijf sterren, heraldisch wapen van de stad Haarlem. Op de andere dwarszijde van de gedenknaald het wapen van een Leeuw met een rad op de borst (van de Witte Van Haemstede), zijnde het Hollandse wapen, gealtereerd met het hoogadellijk wapen van Heusden of van der Sluis. Het vierde vak is opengelaten.

Leeuw

De Leeuw op de andere zijde van het basement der gedenknaald

In zijn dichtwerk Rusticatio Manpadica’  (1796) heeft David Jacob van Lennep de Hollandse troepen bezongen die helaas door de vijand, de Spaanse belegeraars van Haarlem, helaas zijn verslagen. Hij beschreef dot relaas van de slachting als volgt [in een vertaling van letterkundige Adriaan Loosjes}:

Nu egter ligt uw heir om HAARLEM geslagen,

Doch Neêrland schiet te hulp aan d’ingesloten vest.

’s Lands jeugd, wier hal geen juk eens dwinglands kan verdragen,

Schoolt zaam uit stad van ’t half verheerd gewest.

Gij hadt o BARNEVELD! ook Wapens aangetoogen (1)

Met roem vergrootte gij dien uitgelezen stoet,

Fier breekt men ’t leger op, met HAARLEM lot brwogen,

Wiens schreijend beeld het hart in ’t krijgsvuur blaken doet.

Reeds rukt de bende voort na heuvelachtige oorden,

waar zich de krijgskunst ligt met hinderlagen dekt,

Sie waren ’t , die ook ’t hart van HOLLANDS jeugd bekoorden,

Beef, Spanjaard! – maar helaas! de list is uitgelekt.

De list is uitgelekt. Terug, terug getreden,

ô Eedlen! of gij snelt den dood in d’open mond,

Wijkt, of de weg ter vlucht is allen afgesneden,

Reeds om uw handvol slaat een heirmagt in ’t rond.

Het paardevolk rukt aan (2) – de dood waart in deez’ streeken,

Maar SPANJE ziet, hoe hier ’t getal geen schrik veerspreidt,

;t Ziet wel het goed geluk, geen moed deez’ bende ontbreken.

Getuig weêr, MANNEPAD! der Vaadren dapperheid.’ (3)

(1) Johan van Oldenbarneld behoorde bij de Hollandse troepen en wist  zich tijdig in veiligheid te brengen.

(2) De cvalerie stond onder leiding van ritmeester Caspar van der Noot

(3) Uit: Adriaan loosjes, Hollands Arcadia, 8-4, pagina 276.

=============================================================

 

slag.JPG

Gravure voorstellende de slag op het Haarlemmermeer tussen de watergeuzen onder leiding van Bronckhorst van Batenburg, 26 mei 173 verslagen door een  Spaanse  oorlogsvloot van 63  schepen. Naar een schilderij van H.C.Vroom en een tekening van J.G.Waldorp

ruitergevecht

Gravure van een ruitergevecht door Jacob de Gheyn. In de veldslag van 1573 waren de Spaanse legereenheden superieur aan het bijeengeraapte Hollandse leger van de Prins.

ritmeester

Oude allegorische prent met een voorstelling van de Prins van Oranje die geld ontvangt van de Nederlandse Leeuw. Rechts  ritmeester (Van der Noot?).  Verder trompetters en trommelslagers te voet en te paard. Op de achtergrond wordt een oorlogsschip voor de strijd tegen de Spanjaarden gebouwd.

gravure.jpg

Gravure van een ritmeester door Cornelis Claeszoon Visscher. De dichter Jan van der Noot, bloedverwant van Caspet van der Noot, wijdde een loflied aan zijn neef: ‘Ode aan den Heere Caper van der Noot, Heer van Carloo’.

uitsnede

Uitsnede kaart van G.Braun uit 1572. De mond van het Spaarne vanuit het Haarlemmermeer. Linksboven het Huys te Heemstede, daaronder het Bernardietenklooster. Middenrechts boven de plattegrond van Haarlem het Haarlemmerhout (tot 1 mei 1927 grotendeels ressorterend onder de jurisdictie van het ambacht Heemstede).

Manpad5.jpg

De slag aan het Manpad heeft zich grotendeels afgespeeld in de Haarlemmerhout waar in het zuiden daarvan de Spanjaarden waren gelegerd. Plattegrond door Piters Coenraads uit 1573, aanwezig in het Nationaal Archief Den Haag. Opgemerkt wordt dat enkele opgegraven wapens werden bewaard in de Geweerzaal van het Oude Slot te Heemstede, in 1810 verkocht, mogelijk ten dele dankzij verzamelaar  en tekenaar Hekking Willem Hekking jr. via o.a. het Oude Doolhof terecht gekomen in het Historisch Museum Haarlem. O.a. Adriaan Loosjes meldt in zijn ‘Hollands Arcadia’ (1804) van een geweer ‘dat op de zijde van den schoorsteen hangt’ [in de wapenzaal van het Oude Slot. dat bij de Mannepadslaan werd gevonden en van de Spaanse tijden zou zijn. Hij dichtte: ‘In dat zoo adellijk gesticht, vertoont de Wapenzaal, Bij harnas, vuurroer, speer en schild, De aloude Ridderpraal’. H.Potter publiceerde in 1809 zijn reizen door Zuid-Holland in  1807 en 1808 en schrijft van een soort van sabel gevonden bij de Mannepadslaan , naar werd aangenomen als overblijfsel van de zware slag die daar heeft plaatsgevonden  tussen de Spanjaarden en een leger onder de dappere Batenburg

Hekking

Illustratie uit: ‘David en Goliath met zijn schilddrager; een beeldengroep uit het Oude Doolhof; door Marianne Eisma. 1996, pagina 36.

aviso4

Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619), advocaat en raadpensionaris van Holland en West-Friesland had op 26 jarige leeftijd meegevochten bij de slag aan het Manpad, raakte gewond maar overleefde het gevecht. Als tegenstander van Prins Maurits is hij in 1619 door een speciale rechtbank, met Reinier Pauw als 1 van de rechters ter dood veroordeeld en vervolgens op het Binnenhof onthoofd. Zijn laatste woorden aan de beul waren: ‘Maak het kort’. De Oprechte Haerlemsche Courant maakte melding van het gebeuren, evenals het eerste nummer’ van de in Antwerpen door Abraham Verhaegen uitgegeven courant: ‘Nieuwe Tijdinghen’, zelfs met een houtsnede op de voorpagina.

In zijn ‘Rusticatio Manpadica’ heeft D.J.van Lennep ook Johan van Oldenbarnevelt bezongen – in vertaling aldus:

‘Ja Mannepad  verheft uw kruin, trots ’s Gravenhaghe.

Het bloed van Barneveld heeft eens uw erf besproeid.

Dat wij Castilie, rijk in goud, zijn krijgsmagt wage,

Terwijl het ketens smeedt, in Nederland verfoeid:

Ja Philips, dat stad bij stad voor uwe wreedheid buige,

Zet vrij uw eigen volk het slagtmes op den strot.

Vergeefs woedt uwe drift: dat blijder dag getuige

Van vrijheids zegepraal. Wat streedt gij tegen God?

Nu echter ligt uw heir om Haarlems wal  geslagen,

Doch Neêrland schiet te hulp aan d’Ingesloten  vest.

s Lands jeugd, wier hals geen juk eens dwinglands kan verdragen,

Schoolt zaam uit stad bij stad van ’t half verheerd gewest,

Gij hat, o Barneveld! ook wapens aangetogen

Met roem vergrootte gij dien uitgelezen stoet.

Fier breekt men ’t leger op, met Haarlems lot bewogen (…)

Het paardevolk rukt aan – de dood waart in deez’ streken,

Maar Spanje ziet, hoe hier ’t getal geen schrik verspreidt,

’t Ziet wel het goed geluk, geen moed deez’ bende ontbreken.

Getuig weêr, Mannepad! der Vaadren dapperheid enz. ‘

beleg

Over het beleg van Haarlem zijn in de loop van de tijd talrijke boeken verschenen, maar heeft ook dichters, roman- en toneelschrijvers geïnspireerd. Bovenstaand het titelblad van het treurspel’De belegering van Haarlem’door Juliana Cornelia de Lannoy. Amsterdam, Izaak Duim, 1770. Med.dr.Nicolaas van Wassenaer Jzn. schreef ‘Harlemias; het beleg der stad Haarlem in een Grieksch gedicht verhaald. 1605. Opnieuw uitgegeven met toelichtingen door med.dr.G.C.van Walsem (Haarlem. Leiden, Sijthoff, 1930. G.L.van Oosten van Staveren publiceerde in 1834 een dichtbundel onder de titel ‘Het beleg van Haarlem in 1572-1573 (1)

(1) Enige publicatie over het beleg van Haarlem; -P.C.Hooft. Nederlandsche Historiën; het beleg van Haarlem. Met afzondelijke inleiding en toelichtingdoor H.Godthelp en A.J.Schneiders. Amsterdam, Meulenhoff, 1949; -J.van de Capelle. Het beleg en de verdediging van Haarlem 1572-1573. 3 delen. Schoonhoven, van Nooten, 1843, herdruk Haarlem, Nobels, 1886. [en later nogmaals herdrukt door D.Bolle in Rotterdam]; – Willem janszoon Verwer: Memoriaelbouck; dagboek van gebeurtenissen te haarlem van 1572-1581. Van aantekeningen, noten en index voorzien oor drs.J.J.Temminck. Uitgegeven voor de Vereniging ‘Haerlem’. Haarlem, Schuyt, 1973; – Fr.de Witt Huberts: Haarlem’s heldenstrijd. (met 90 afbeeldingen) Den Haag, Oceanus, 1943. (tweede druk 1944); – Men sagh Haerlem bestormen…Uitgegeven ter gelegenheid van de herdenking van het Beleg van haarlem 1573-1973 en de hieraan gewijde tentoonstelling van 19 april tot en met 17 juni 1973 in de Vleeshal, Vishal en de Hoofdwacht te Haarlem; – J,W.Wijn. Het beleg van Haarlem. ‘s-Gravenhage, 1982 (tweede druk voorzien van een voorwoord door J.J.Temminck).

titelblad

Titelblad van H.de Veer. Het Beleg van Haaarlem. Panorama Plantage Amsterdam, uitgave van Tj. van Holkema. Met uitslaande plaat door Joh. Braakensiek  van het beleg vanuit het noorden met Huis te Kleef, waar Don Frederik de Toledo met zijn staf was gelegerd.

Samenvatting periode 8 juli tot de volledige uitgave van Haarlem op 13 juli door H.A.Treu, majoor der infanterie b.d. [in: Men sagh Haarlem bestormen…’,  1973, pagina 57]: ‘Bericht: Prins van Oranje zal in nacht 8/9 juli ontzettingsleger sturen. Commandant Ripperda met grote gevechtsgroep (2000) bij de Ramen, wachtend op afgesproken vuurteken: brand in herberg Droncken Huisje. Door onderschepte duivenberichten is vijand op de hoogte gekomen van de plannen. Hij legt hinderlaag vóór het mobiele veldleger van de Prins (4000) bij Droncken Huisje is gearriveerd. Felle kortstondige aanval op het ontzettingsleger van Batenburg  Totale verwarring en vlucht, zonder dat Ripperda er iets van heeft bemerkt. 700 doden, geschut en de Leidse rolschilden met paardentractie (capaciteit 240 meter verplaatsbare borstwering) benevens de hele wagentrein in handen van de vijand. 19 vaandels verloren. 9 juli Batenburg en Carloo sneuvelen.  het plaatsen van de 19 veroverde vaandels vóór de wallen, overtuigen de belegerden van de ramp. Ieder geloof in ontzet nu de bodem ingeslagen (10 juli). Hierna heerst tot de overgave op 13 juli verwarring in de  stad. Eerste Spanjaarden in de stad, – onder strenge tucht – betrekken de wacht. Losgeld voor afkoop plundering bijna eenkwart miljoen gulden. Alle militairen van het garnizoen onder leiding van Ripperda ontwapend en in diverse kwartieren geconsigneerd. De volgende dag, 14 juli, brengt legerleider Don Frederik de stad weer onder gehoorzaamheid van de Spaanse Koning als “natuurlijke prins en soevereine Heer”. Hij doet zijn intrede om 18.00 uur maar verlaat zelf de stad weer spoedig.’

herberg.jpg

Spaanse soldaten vieren de overwinning in een herberg in de Hout (gravure door David Vinckeboom)

De historicus dr. J.W.Wijn heeft in zijn boek ‘Het beleg van Haarlem; 1982) over  de periode van begin juli 1573 met de nederlaag van het leger van de Prins onder commando van de baron Bronkhorst, Heer van Batenburch en Caspar van der Noot, Heer van Carloo van de ruiters het volgende geschreven: ‘(…) De laatste poging om Haarlem te ontzetten was feitelijk neen wanhoopsdaad. De Prins beschreef de tocht in een brief aan Lodewijk van Nassau van 22 juli als “très hazardeuse et entièrement contre mon opinion”. Het zijn echter niet de zuiver militaire overwegingen welke in deze de doorslag hebben gegeven. Het was een ereschuld jegens de stad, die zeven lange maanden voor geheel Holland de spits had afgebeten, die moest worden ingelost. Aldus eiste het de volkswil, en de Prins begreep zich hiertegen niet te moeten verzetten. Erkend moet worden, dat de publieke opinie hier de juiste weg heeft gewezen. Haarlem verloren laten gaan zonder een laatste poging tot redding, zou aan de opstand een slag hebben toegebracht, ernstiger in zijn gevolgen dan thans de nederlaag. Na Haarlem zouden andere steden het Spaanse leger voor haar wallen zien; elke stad diende te weten, dat van buiten het uiterste tot haar behoud zou worden beproefd. Ondanks de ongunstige vooruitzichten kon Marnix dan ook op 2 juli aan de Graaf Jan van Nassau schrijven: “et toutefois le Prince d’Orange est délibéré de mettre le tout pour le tous, prenant Dieu por son aide”.  Een zwakke zijde van de aanslag was, dat hij moeilijk geheim kon blijven. Dat na de strijd in Amstelland nog een laatste poging zou worden gewaagd, was te voorzien: inderdaad bestaat er een spionnenbericht van 28 juni uit Leiden, waarin over de voorbereidingen verslag wordt gedaan. Erger was het nog, dat op 7 en 8 juli duiven met brieven, waarin de laatste afspraken waren vervat, door toeval in Spaanse handen vielen. Don Frederiks maatregelen werden vergemakkelijkt, dat voor het ontzet slechts één weg in aanmerking kwam, namelijk die welke langs de Westrand van het bos op de Grote Houtpoort aanloopt – de Heerenweg/Wagenweg  HK – , terwijl de taak der opstandelingen niet weinig verzwaard werd door de noodzaak, enkele honderden wagens met proviand mede te voeren, die natuurlijk aan de marsweg gebonden waren. Don Frederik’s troepen hadden reeds enige nachten in het bos in hinderlaag gelegen, toen de voorhoede van ’s Prinsen leger om twee uur in de nacht van 8 op 9 juli de Spaanse stelling naderde. Zij bestond uit een afdeling ruiters, ieder met een voetknecht achter zich van het paard. Zij werd gevolgd door de hoofdmacht, uit 23 vendels, omstreeks 4000 man, voetvolk bestaande, deels vrijwilligers uit de Zuidhollandse steden, deels Duitse,  Franse en Engelse hulptroepen, hier gebracht door de Lorges, zoon van Montgomery, een aanvoerder van de Hugenotenoorlogen. Op de hoofdmacht volgden de wagens, en op deze weer afdelingen voetvolk en ruiterij. Het geheel stond onder commando van Batenburg met Barthold Entes als zijn luitenant. Bevelhebber der ruiters was Jonkheer Jasper van der Noot, Heer van Carloo, van het voetvolk naar het schijnt Lazarus Muller. De bedoeling schijnt gewezen te zijn , zich van het bos [Haarlemmerhout]  meester te maken en zich hier te verschansen, evenals, naar bericht wordt, Lumey reeds in december van plan was geweest. Hierop wijst ook het medevoeren van tien lichte stukken geschut en van een groot aantal musketvrije rolschilden, die door paarden werden voortgetrokken en nabij de vijand met handen door middel van een disselboom moesten worden voortbewogen. Te zamen konden zij een borstwering vormen voor 350 man in front. Een sterke Spaanse macht van infanterie, o.a. de beide juist uit Italië  aangekomen regimenten St.Philippe en St.Jacques, resp. onder commando van Lopez d’Acuno en Pedro de Paz, lag terzijde van de marsweg in hinderlaag. Andere troepen stonden gereed om de verwachte uitval op te vangen. De zuidrand van het bos werd niet verdedigd, zodat de vijand hier letterlijk in de val werd gelokt. Toen de voorste ruiters in het bos op de Spanjaarden stietten, meenden zij in het duister met belegerden te doen te hebben. De aan het hoofd rijdende trompetter wenste hen goede morgen, en moet gezegd hebben: “Got hab lob und dank, dass ihr doch einmal heraus seid”. Op het ogenblik echter dat hij de trompet wilde steken werd hij van zijn paard geschoten, en dit was tevens het sein voor de aanval. Van een gevecht was nauwelijks sprake: de ruiterij werd dadelijk overhoop geworpen en stortte zich in volle ren op het voetvolk der hoofdmacht, dat tegelijkertijd in de flank werd aangetast door de beide Spaanse regimenten en twee compagnieën bereden arkebussiers van de Kapiteins Valdez en Montero. De uitslag kon geen ogenblik twijfelachtig zijn; een algemeen “sauve qui peut” en een grote slachting het noodzakelijk gevolg. Het aantal doden, dat op zevenhonderd kan worden begroot, viel ten slotte nog mee, doordat velen, door de duisternis en het duinterrein begunstigd, wijd en zijd een goed heenkomen wisten te vinden of zich schuil hielden; niet weinigen kwamen eerst na na  dagen zwervens bij hun onderdeel terug. Tot de gesneuvelden behoorden Batenburg, die zich bij de voorhoede had bevonden. Toen hij enige dagen te voren Leiden verliet, had hij beloofd, Haarlem te zullen ontzetten of voor de stad het leven te laten. Hij heeft zijn woord gestand gedaan en een weinig gelukkige krijgmansloopbaan met een eervolle dood besloten. Ook Carloo vond de dood op het slagveld, en de heer van Cloetinge wordt eveneens als zodanig genoemd. Tseraerts, die zich ook bij de voorhoede had bevonden, en Lazarus Muller worden als gewond genoemd; ook van de Engelsen, die ten getale van zeshonderd bij de tocht waren, sneuvelden een aantal officieren. Smartelijk werd in de Hollandse steden het verlies van een groot aantal burgers gevoeld, dat op de roepstem van Oranje huis en haard had verlaten om voor de zaak der vrijheid te strijden. Delft had 76 doden te betreuren, Gouda vijftig, Den Briel veertig, Rotterdam dertig. Tot degenen, die ontkwamen, behoorden Johan van Oldenbarnevelt, toen nog jong advokaat. Ook enige uitgeweken burgers uit Haarlem waren onder de doden, o.a. de kapitein der schutterij Dirk Mattheusz. Schatter. Al het geschut, veertien vaandels en de gehele wagentrein vielen in Spaanse handen, terwijl de Spanjaarden zelf nagenoeg geen verliezen hadden geleden. Aan kritiek op de leiding ontbrak het niet. Batenburg was, zo heette het, onbesuisd en zorgeloos voortgetrokken, en het verwijt, dat hij in dronkenschap zou hebben gehandeld, bleef hem niet bespaard. Inderdaad  moet als een grote fout beschouwd worden, dat de wagens tussen de troepen marcheerden, alsof dat een gewoon konvooi gold. Wij mogen echter niet uit het oog verliezen, dat het een bijna onuitvoerbare opdracht gold, vooral sedert de vijand gewaarschuwd was. De mening van de Prins was bewaarheid, die vreesde “dattet niet gelucken en soude datmen Haerlem met sulcken dangereusen aenslach ontsetten soude, ende dattet gheen borgheren werck en was”. De Prins werd nu weer kwalijk genomen, dat hij had toegegeven aan de “quade roepers ende crijters”: het is lastig, het iedereen naar de zin te maken! Het veldleger te Sassenheim, de enige mobiele macht waarover de Prins beschikte, was teniet gegaan, en reeds daarom iedere verdere poging tot ontzet uitgesloten. De Prins gaf hiervan kennis door een duif, die dezelfde dag om zes uur de noodlottige tijding bevestigde, welke reeds gebracht was door een burger van Gouda, die met afgesneden neus en oren in de stad zou zijn gearriveerd. Het planten van de veroverde vaandels op het bolwerk,nam de laatste twijfels weg. De zwarte vlag werd weer uitgestoken. Het enige redmiddel scheen nu nog de algemene uittocht, waarvan het plan reeds eerder bestaan had. De kapiteins lieten de burgers aanzeggen, zich gereed te houden en des avonds uit te trekken naar de schepen die nog in de buurt van Heemstede bij het Haarlemmermeer lagen (…). De wanorde was onbeschrijfelijk en met grote moeite is het publiek bewogen naar huis te gaan.‘ 

De 13de juli zou de laatste dag van het beleg zijn. De stadspoort bij de Hout werd geopend, overgenomen en bewaakt door veldheer Juliaan Romero. De Spaanse infanterie ging de stad binnen . Op 14 juli volgde Don Frederik vanuit Huis te Kleef via de Amsterdamse Poort. De grootste verschrikkingen na 7 maanden van beleg en uithongering moesten nog komen. Eerst zijn op 15 juli een paarhonderd Walen ter dood veroordeeld en onthoofd of opgehangen. De dag daarop volgden commandant Ripperda en zijn luitenant Horemaker, beiden onthoofd. Later o.a. de 18 kapiteins en vaandrigs van de Waalse vendels. Uiteindelijk zijn tussen de 1250 en 1700 mannen ter dood gebracht. De eerzame Georgius Benedictus Wertelo die getuige was van de martelingen en terechtstellingen noteerde: “‘K HEB HET SELFS GESIEN MET EYGE OOGEN, HOEDAT HET ARME VOLK GEVLEUGELD EN GEKOORD TER SLACHTBANK IS GEVOERD EN WREEDELIJK VERMOORD”.  In het leger van Don Frederik zijn volgens de betrouwbaarste doch evenzeer ruwe schatting, uiteindelijk achthonderd Spanjaarden en vierduizend hulptroepen van de andere naties door verwonding of ziekte omgekomen. Van het verlies door desertie is weinig met zekerheid te zeggen, hoewel dit vooral in de barre wintermaanden hoog moet zijn geweest. Omdat soldij voor de Spaanse soldaten uitbleef brak op 28 juli in Haarlem oproer en muiterij uit. Pas op 17 augustus werden zij na moeizame onderhandelingen dankzij gedeeltelijke betalingen tevreden gesteld. Daarna is een groot deel van het leger naar Alkmaar vertrokken. Intussen was die stad door Hollandse troepen van de Prins versterkt en kwam een (onverwacht) einde aan de overwinningen van Alva en Don Frederik. Dr. J.W.Wijn schrijft: ‘Tegenover de jubel waarmee Alkmaar – in en Leiden haar verlossing konden vieren steekt het droevig einde van het Haarlems beleg tragisch af. Toch zijn de overwinningen van de zustersteden slechts de kroon op het werk, dat de verdedigers van Haarlem hebben verricht in hun gedurende zeven maanden volgehouden, heldhaftige strijd, want voor Haarlem zijn de krachten der Spaanse monarchie weggevloeid, en is het overwicht der Spaanse wapenen in wezen geknot. De verdediging, die de bewonderende blikken van geheel Europa naar de Spaarnestad deed richten, vormt voor alle eeuwen een der roemrijkste bladzijden in de geschiedenis van ons volk.’ 

terecht

Anonieme kopergravure uit omstreeks 1573 van de terechtstellingen na afloop van het beleg op 13 juli 1573. Naast honderden doden berichtte het stadsbestuur in oktober 1576 aan de Prins van Oranje ‘dat de halve stad door brand in puin verkeerde’.  451 huizen naast enkele kerken en grote gebouwen waren verloren gegaan.

Beleg1

Gravure van Frans Hogendorp 1573-1575 de gruwelijkheden van de gehate Spanjolen verbeeldend die in Haarlem hebben plaatsgehad.

beleg

Beleg van Haarlem 1572-1573 door Coenraad Dekcker, 1730

beleg1

Sonnet van Jan Kal: ‘Het Beleg van Haarlem (11 december 1572 – 13 juli 1573). Uit: Oprechte Haarlemse sonnneten. Gerard Timmer Prods, 1992.

beleg2.jpg

Illustratie van Hans van der Horst, bij sonnet Beleg van Haarlem door Jan Kal. 1992.

Zutphen

De wreedheid waarmee de troepen van Don Frederik, zoon van Alva, in de Nederlanden te werk gingen komt tot uitdrukking op bovenstaande gravure uitbeeldende bewoners van Zutphen die op 16 november 1572 door Spaanse soldaten in het bevroren water van de IJssel werden gegooid. Gravure met onderschrift uit: De ‘Spaensche Tiranye ghesciet in Nederland’,  1620. (collectie Rijksmuseum Amsterdam)