Tags

, , , , , , , , , ,

TWEE HOFDICHTEN OP DE HOFSTEDE WESTERMEER
In 1980 bestudeerde C.G.M (Kees) Smit de dichters Willem van der Hoeven en Frans Ryk en in het jaar 2000 is hij in Nijmegen gepromoveerd op een dissertatie gewijd aan de Haarlemse dichter, comedieschrijver en geschiedschrijver Pieter Langendijk.

Zicht op Westermeer door Hendrik de Leth. De toegangspoort met links het herenhuis achter het gebladerte en rechts de koepel ofwel Speelhuys genoemd (NHA)

In 1721 werd de Heemsteedse buitenplaats Westermeer, in de nabijheid van Groenendaal gelegen, – ter hoogte van de tegenwoordige begraafplaats – met een uitzicht op het Haarlemmermeer, door twee Amsterdamse poëten bezongen. Het uitvoerigst door de oude toneeldichter en -speler Willem van der Hoeven (1653-1727), wat beknopter door zijn leeftijdgenoot Frans Ryk (1656-1738), die vooral als vertaler van Franse toneelstukken te boek staat. Ze waren allebei bevriend met de eigenaar van Westermeer, Jacob Fruyt, zo’n echte 18de eeuwse mecenas die graag dichters om zich heen had. Behalve Ryk en van der Hoeven kwamen ook Pieter Langendijk en Abraham Bogaert graag op Westermeer, waar de wijn altijd klaar stond. Bogaert besteedt in zijn hofdicht Geuzeveldt (ook 1721) vier regels aan Westermeer “met zijne wandeldreven”, dat Fruyt een “schoonder glans en luister heeft gegeven”.
Willem van der Hoeven had al eerder een hofdicht geschreven: “Het lusthof Rynneveen”, op het Osdorper buitenhuis van die andere mecenas, de Amsterdamse juwelier Benedictus van Rijneveld (1673-1728), die zelf ook wel gelegenheidsgedichten schreef. Hij was met de Haarlemse Joanna Veen getrouwd en Van der Hoeven had hun namen verenigd in Rynneveen. Toen hij het gedicht schreef, telde hij “Zes kruyssen en een half, dus 65 jaar, waarmee dit hofdicht gedateerd kan worden op 1718. Tot nu toe hield men het op circa 1715. Dr.P.A.F.Veen, die in 1960 een proefschrift over de hofdichten schreef, heeft zich over de datering ervan niet zo druk gemaakt, en daardoor nogal wat bokken geschoten. Een ervan is, dat hij Westermeer dateert op circa 1700, dus nog vòòr Endenhout (1700 van J.B.Wellekens en vóór Rynneveen, die allebei in Westermeer genoemd worden. Een serieuze poging om Westermeer te dateren, is ondernomen door dr. Margaretha Cox-Andrau in haar dissertatie uit 1976 over de dichter Pieter Vlaming. Haar eerste stelling luidt: “Westermeer van Willem van der Hoeven is niet ca.1700 gedicht, zoals Dr.P.A.F.van Veen uit de catalogus van de K.B. overneemt, maar circa 1725, wat inhoudt, dat het één van de laatste gedichten van E.v.d.Hoeven is”. Op bladzijde 65 wijst ze erop dat Nicolaas van Duyst, aan wie Westermeer is opgedragen, en die omstreeks 1705 geboren moet zijn – hij werd om precies te zijn op 8 april 1705 gedoopt – ten tijde van het gedicht niet jonger geweest zal zijn dan 20 jaar. Dat klinkt inderdaad aannemelijk, maar jammer genoeg heeft dr.Cox over het hoofd gezien, dat er vóór Westermeer een lofdicht opgenomen is van Pieter Langendijk, dat ook in diens Gedichten deel 1 op blz. 416 te vinden is. Dit deel 1 is van 1721, geen jaar later, en dus moet ook Westermeer van 1721 zijn. Ook Guda Ratelband, zat er met circa 1710 een eind naast. Alleen J.W.Groesbeek gaf in zijn boek Heemstede in de historie (1972) het jaartal ca. 1721 aan (blz.136).
De hofstede Westermeer werd in 1711 voor maar ƒ 4.200,- gekocht door Daniel Fruyt (circa 1645-1717). Als ik Van der Hoeven goed begrijp, is het schip dat op een tekening van H.de Leth te zien is in de grote vijver van Westermeer, een model van het schip waarmee Fruyt zeventig maal de oceaan is overgestoken naar West-Indië. Op Westermeer dacht hij rust te vinden, maar hij stierf voor het voltooid was en het buiten met huis en park is onder zijn zoon voortgezet door Simon Schynvoet.

Gegraveerd portret door Pieter Schenck van Simon Schynvoet, architect van het nieuwe Westermeer

Jacob Fruyt (circa 1675-1751), koopman te Amsterdam, bleef ongehuwd, maar zijn zuster Constantia of gewoon Tanneke genoemd, trouwde in 1703 met de makelaar Gommarus van Duyst (1677-1741), bewoner van de hofstede Post-rust aan de Haarlemmerweg nabij Halfweg. Deze was evenals zijn vader Nicolaas postmeester van de Haagse postwagen en eigenaar van de Heemsteedse wisselplaats, het Posthuys. Leonardus Schenk schreef in 1728 in een boek ‘Hollands Tempe’ waarin gravures zijn opgenomen van Abraham Rademaker: ‘…): ‘Zo dra Postlust komt aan het gezigt ontdekken – ’t Geen heer van Duyst tot lust en blydschap op kan wekken – Wanneer hij is vermoeid door ’t zorgen voor den Post – En buiten Postrust vind, terwijl de Ruiter rost – En rend om op zyn tyd de brieven af te geven – Dat schijnt Bellerophon in ’t postpaard te herleven (…)’. De zoon Nicolaas, die in 1721 16 jaar was, maar al op zijn kleppertje van Heemstede naar Amsterdam reed, hield van poëzie en was al op een “koopkantoor” in de leer.

Een kijkje in de tuin van Westermeer omgeven door berceaux en bomen. Daarachter weilanden en in de verste schepen op het Haarlemmermeer. De berceau (wandelgang onder hagen) was bedoeld om schaduw te verschaffen tijdens de wandeling

Van der Hoeven hoopte zijn huwelijk nog te mogen meemaken, maar Nicolaas stierf ongehuwd in hetzelfde jaar als de dichter. Evenals het hofdicht Rynneveen is Westermeer geschreven in lange versregels, alexandrijnen, en telt 84 bladzijden, tweemaal zoveel als Rynneveen. dat er ook al mocht wezen. Opvallend is het gekruist rijm, want gepaard rijm was in zo’n geval meer usance. Van der Hoeven was al eens als rijmelaar gehekeld door S.Feitama, en ook in Westermeer keuvelt en rijmt de oude bard de ene regel na de andere. Herhaaldelijk laat hij dan ook weten, dat hij zich van kritiek niets aantrekt. Als Fruyt het maar mooi vindt. Westermeer is ingedeeld in vier “boeken”, en bij zo’n arcadisch onderwerp is men geneigd aan de vier jaargetijden te denken. Is Vivaldi’s meesterwerk niet in dezelfde tijd (uitg. Amsterdam, 1725) gecomponeerd? En beschrijft Van der Hoeven niet twee kunstwerken die op de seizoenen zijn gebaseerd, het plafond van het Speelhuys en een beeld van Heerstal? Met een beetje goede wil herkent men in I de lente aan de bloeiende vruchtbomen, de zomer aan het eind van II aan het rijpe fruit, heel vaag de herfst in III, en ten slotte in IV de winter aan de oranjerie waar alles ook ’s winters groen blijft en aan het toedekken van de beelden tegen vorstschade. Duidelijker is, dat het gedicht zich afspeelt in drie dagen. Het begint ’s morgens met een wandeling naar Westermeer, tot in de laatste regel; van I “de groote kaars gaat uyt”. Boek II loopt van de ochtend tot het middageten en III verder tot de avond, terwijl IV ’s morgens begint en eindigt met het vertrek per rijtuig, in het gezelschap van Fruyt. En elke dag beschrijft hij iets van de omgeving en iets van de buitenplaats zelf.

In boek I zien we het Spaarne, de Haarlemmerhout en de landhuizen langs de weg naar Westermeer, en in II en III, de tweede dag dus, de wijde omgeving. Eerst bekijkt hij vanuit het speelhuys de dorpen aan de overzijde van het Meer. In Osdorp wonen zijn vrienden Van Ryneveld en Wessel van Neerkassel de zeeheld, die allebei ook in Geuzeveld van A.Bogaert vermeld worden en met wie ook Langendijk bevriend was. Van der Hoeven vertelt er in deze passage niet bij, dat hijzelf ook in Osdorp woonde en op de hofstede Thalia (Hollands Tempe, 1728).Hij ging dus op voet van gelijkheid met deze mensen om. Van Veen’s bewering dat er in het lofdicht op Westermeer “een duidelijke bedelarij om geld niet ontbreekt”, is dan ook uit de lucht gegrepen. Ver in het zuiden ziet hij de stad Leiden. Van Veen vergist zich al weer, als hij zegt dat de waterweg naar Leiden hem aan burgemeester Van der Werff doet denken, hij ziet de stad zelf. ’s Middags ziet hij vanaf een duintop de stad Haarlem en de dorpen in de omtrek, van Hillegom tot Beverwijk toe. Vooral de beschrijving van het vissersdorp Zandvoort is aardig. In IV is er nog een klein uitstapje naar de herberg de Geleerde Man voorbij de Glip in Bennebroek. Van Westermeer zien we de eerste dag niet veel, maar de volgende ochtend des te meer. De beelden van Neptunus en Mercurius verleiden de dichter tot luchtige mythologische verhalen. Bij een fontein staat een vergulde Triton die water spuit, en er is een schelpengrot die Van der Hoeven zelf heeft aangelegd, dus ‘’ ’t zou niet passen dat ik het prees’. Er is een laan van bijna 200 meter lang, die bij het huis een echo geeft. ’s Middags beschrijft hij het speelhuisplafond van Van Logteren (1685-1732) en voltooid door Husly. De derde dag zien we de houten schildwacht met zijn twee kanonnen en de beelden van de Haarlemse beeldhouwer Gerrit van Heerstal (circa 1685-1746), zeegoden en vier jaargetijden, vier kindertjes uit één stuk steen gehouwen.

Tekening van de tuin van Westermeer met in het midden een beeld op een sokkel, mogelijk de tuingod Faunus (Hendrik de Leth)

Gravure van de tuin van ’t Loo in Apeldoorn door Jan van Call met een beeld van de Romeinse god Faunus

We zien een fontein die de visserij uitbeeldt, een vissersjongen met een bootshaak waaruit water spuit. Midden tussen de bomen staat Vesta, en in het huis een schoorsteenstuk van een Smith. Er is een oranjerie, een vogelvijver en een volière en ten slotte een stal. Het personeel en de honden Tolletje en Fidelletje worden niet vergeten. Van der Hoeven, die behalve dichter en toneelspeler ook een volleerd beeldhouwer was (zie S.C.A.Dudok van Heel, lit.opgave) had omstreeks 1721 in Amsterdam een koffiehuis waar veel kunstenaars en dichters bijeenkwamen. In 1724 schilderde de nog onbekende Cornelis Troost zijn portret dat hem, toen dat in het koffiehuis aan de Kalverstraat hing, bekendheid en zijn eerste opdracht bezorgde. Het is dan ook niet te verwonderen, dat er in het gedicht Westermeer veel aandacht geschonken wordt aan de kunst. Zo herinnert het gezicht op Haarlem hem aan zijn oude kunstbroeders, van wie de meesten al gestorven zijn: C.Dusart (1660-1704), D.Maas (1659-1717), R.Brakenburg (1650-1702) en Vermeer, dat wil eggen Jan van der Meer (1656-1705), Voor een kunsthistoricus is er nog wel het een en ander aan dit gedicht te ontlenen.

Titelblad van het gedicht Westermeer door Frans Ryk (Stadsbibliotheek Haarlem)

Van het gedicht van Frans Ryk over Westermeer bestaan twee uitgaven, wat niet door P.A.F.van Veen is opgemerkt. De een is uitgegeven te Amsterdam, bij Willem Barentse, over de Nieuwe-straat (1721). Deze druk bevindt zich in de Stadsbibliotheek te Haarlem (maar wordt niet genoemd in de bibliografie van Ratelband) en telt 16 bladzijden. De andere in de Universiteitsbibliotheek Utrecht, telt 12 bladzijden maar mist een titelpagina. Deze zou dus voor 1721 gedrukt kunnen zijn, doch er is in de tekst niet dat daarop wijt. Het gedicht van Ryk is niet alleen veel korter dan dat van Van der Hoeven, het is ook in kortere versregels geschreven, ze tellen vier jamben. Ook het tijdsbestek is veel beknopter. ’s Morgens vroeg wordt de dichter wakker in een lusthof waar hij de beelden van Neptunus en Hermes ziet, zodat hij zich herinnert, dat hij in de tuin van zijn vriend Fruyt in slaap gevallen was.

 

Westermeerbeeldneptunusbeetserzwaag

Beeld van de god Mercurius door Jan van Logteren, tegenwoordig te vinden op Lyndenstein  in Beetsterzwaag Op Westermeer stond een vergelijkbaar beeld van Van Logteren ten tijde van Jacob Fruyt.

 

 

Westermeer20fruyt

Slot van het hofdicht door Frans Ryk

 

Hij ziet ook het kunstwerk dat Van der Hoeven vervaardigd heeft, de grot met dolfijn, draak en Triton. Hij maakt een wandelingetje door het gras, waar een zingend meisje de koeien melkt, naar ’t Huys te Heemstede, langs de blekerijen en korenvelden. Vanaf de hoogte ziet hij “Lis, Sassem, Noordwyk, Hillegom”. (hier hebt u een viervoetige jambe), verder Rynlands Hoofdstad (Leiden) en Haarlem. Dat brengt hem tot een sterotype opmerking dat het leven op het land rustiger is dan in de woekerende steden. Hij krijgt honger, de koffie en het ontbijt staan wellicht al klaar, en de eerste teug zal zijn “dat Westermeer mag groeijen en bloeijen”.

Uitsnede uit de kaart van J.Engelman uit 1794 met omcirkeld, nummer 14, de buitenplaats Westermeer

Het heeft niet mogen baten, deze toast met koffie. In 1828 is Westermeer geveild en ten dele aangekocht door de gemeente Heemstede en verder door de eigenaren van Bosbeek en Meer en Berg Het herenhuis, ‘Chinese tent’ e.d zijn vervolgens in 1829 gesloopt. In opdracht van de gemeente en is hier door tuinarchitect J.D.Zocher Jr.(1791-1870) de algemene begraafplaats Groenendaal aangelegd met vijvers en gebogen lanen. Het terrein aan de overkant van de weg is ingericht tot wei- en hooiland, de tuinmanswoning verbouwd tot werkmanswoningen.

De ligging van Westermeer en omliggende wegen en buitenplaatsen (J.W.Groesbeek)

 

Westermeer19

Begin van een lofdicht op de lustplaats van den Heere Jacob Fruyt ‘in dichtmaat opgezongen door den Heere Willem van der Hoeven’ door Jacob Langendijk. Dichtwerken, deel 2.

 

JAN WANDELAAR ALS TEKENAAR VAN TITELPRENT WESTERMEER; door Kees Smit

 

Westermeertitelprent

Verklaaring van de titelprent door Willem van der Hoeven.

Ee artikel is geïllustreerd met enkele tekeningen van Hendrik de Leth uit het Noord-Hollands Archief. Daarentegen was de titelgravure die vooral in het hofdicht Westermeer van Van der Hoeven stond, niet ter sprake gekomen. Zowel deze prent als de verklaring waren anoniem en niet veel meer dan typische achttiende eeuwse allegorieën. Onlangs heb ik echter min of meer bij toeval ontdekt van wie de prent en de berijmde verklaring zijn. Ik bladerde op het Rijksprentenkabinet in de map tekeningen van Jan Wandelaar, een van de bekwaamste illustratoren uit de eerste helft van de 18de eeuw. Er zat een tekening tussen die me vaag bekend voorkwam. Ik maakte er een schetsje van en vergeleek het thuis met de fotokopie die ik van de titelprent van Westermeer had. Het bleek een spiegelbeeldige tekening van die prent te zijn. Hoewel de tekening niet gesigneerd is, wordt ze door het Rijksprentenkabinet – naar ik aanneem op goede gronden – aan Jan Wandelaar toegeschreven. Daardoor kunnen we ook de prent, die dezelfde afmetingen heeft als de tekening (200 x 155 mm), aan Wandelaar toeschrijven. Het is evenwel mogelijk dat een ander de gravure in koper heeft gestoken.

‘Jacob Fruyt, koopman, eigenaar van een huis in Amsterdam en 1 buitenplaats, 1 koets, 4 paarden en 4 dienstboden, had een inkomen van 20.000 gulden. Hij overleed op 20 oktober 1751. In de boedelbeschrijving komt zijn woonhuis op het Singel te Amsterdam, tussen Gasthuismolensteeg en Warmoesgracht (w-z) voor en de buitenplaats ‘Westermeer’. Hij was de zoon van Daniël Fruyt, gehuwd met Marritje Jaspers (1670), uit welk huwelijk behalve Jacob een dochter Constantia werd geboren; zij huwde 13 januari 1703 met Gommarus Duyst. Een zoon uit dit huwelijk was Nicholaas, het lievelingsneefje van de ongehuwde Jacob Fruyt. Ten behoeve van hem sluit zijn vader Gommarus met Jacob Fruyt een acte van negotie voor drie jaren, gedagtekend oktober 1725. Nicholaas is dan “omtrent 20 jaren’ . Op deze speciale verhouding moet Willem van der Hoeven gezinspeeld hebben in “Westermeer”. Jonger dan twintig jaar kan Nicholaas van Diuyst bij Van der Hoeven’s bezoek dan ook niet geweest zijn, ook niet gezien de toespeling op een aanstaand huwelijk. De dood van de dichter in 1727 in aanmerking nemend moeten we “Westermeer'”op 1723/1726 dateren, hetgeen verbetering met een kwarteeuw betekent van Van Veen’s datering, welke hij van de K.B. zegt overgenomen te hebben.’ 

 

De tekening die Jan Wandelaar maakte als ontwerp voor de gravure van Westermeer (Rijksmuseum)

Jan Wandelaar (1690-1759) was een leerling van G.de Lairesse en werkte in diens academische stijl voort. Hij was ook een vriend van Pieter Langendijk en tekende omstreeks 1714 een huwelijksgedicht toen in Amsterdam trouwde met Elisabeth Smit. Daarnaast prees hij het werk van zijn vriend ook in een gedicht “Op de konstige tekening in het Stamboek van Juffrouwe Johanna Koerten Blok” .Behalve kunstenaar was Jan Wandelaar ook dichter. In 1721 schreef hij en verklaring bij de titelprent voor Langendijk’s Gedichten. Twee jaar later debuteerde hij met het blijspel “De gewaande bloedverwantschap’. Dit maakt het waarschijnlijk, dat hij ook de ‘Verklaaring van de titelprent’ van Westermeer (die gevolgd wordt door een lofdicht van Pieter Langendijk) gedicht heeft. Uit deze uitleg komen we niet veel meer te weten, dan dat de twee watergoden in de benedenhoek de Rijn en de Noordzee voorstellen, en dat de centrale halffiguur de tuingod Faunus is, die met bloemen gekroond wordt. De westenwind “blaast regenplassen”, de Dichtkunst “maalt” de roem van Westermeer die door de Faam rondgebazuind wordt’.

De gravure van ‘Westermeer’ die als frontispice in het hofdicht Westermeer van Willem van der Hoeven is afgedrukt (1721). Omdat de graveur de tekening met zijn burijn in een koperen plaat natekende [met een aantal verschillen] die die plaat een spiegelbeeldige afdruk gaf, moest de tekenaar daar bij voorbaat rekening mee houden. Vandaar dat de muze van de Dichtkunst op de tekening linkshandig is (Koninklijke Bibliotheek ‘s-Gravenhage)

Uniek in Europa: een zilversmelterij op een buitenplaats
GESCHIEDENIS VAN DE HOFSTEDE WESTERMEER (1643-1829)
Op 25 augustus 1643 kocht Clara Hortensius een ‘schoone plaijsante hofstede, welk versien van veelderhande weldragende boomen, rontsomme met een schoone mantelinge van abelen, olmen en andere boomen. Met een welbetimmert huys en boerewoning, mitsgders een groote stolp, dorsvloer en stalling, met 663 roeden land’ voor ƒ 6.900,- van Pieter Bon, brouwer in ’t Brantijser te Haarlem. Zij hertrouwde met Fije Tjarcx Heydema, burgemeester van Leeuwarden, vervolgens lid van het college der Admiraliteit te Amsterdam. Op 10 juni 1650 verkocht zij Westermeer aan Gerrit IJsbrantsz., koopman te Amsterdam.

Uitsnede uit de grote kaart van de heerlijkheid Heemstede door Balthaar Floriszoon Berckenrode uit 1643 met linksonder de boerenhofstede Westermeer (NHA)

Blijkbaar ging de koop niet door, want toen Clara Hortensius overleed behoorde Westermeer nog tot haar nalatenschap. Haar erfgenamen verkochten in 1671 de hofstede voor ƒ 3.670,-. aan Isaack Delmonte (alias Delsotto), koopman te Amsterdam (1). Nog geen zeven jaar na de aankoop werd het door de curator voor ƒ 4.730,- getransporteerd aan Burchart van Alwede te Amsterdam (15 oktober 1678). De erfgenamen van Hendrickje Costerus, weduwe van Burchart van Aswede verkochten de hofstede op 3 februari 1684 aan Jan Nuijts voor ƒ 4.700,-. In 1673 liet het echtpaar Nuijts-de Marez zich bij hun huwelijk portretteren door Nicolaas Maas (1632-1693)

Plattegrond van Westermeer uit circa 1732 met links het oude deel en rechts de vernieuwing naar wordt aangenomen voorbereid door Simon Schynvoet (NHA). De meeste lanen en paden in de formele ofwel geometrische tuinaanleg zijn omzoomd door boomsingels, bestemd voor het verschaffen van schaduw en luwte. Tegelijkertijd gaf het een een monumentaal accent aan de aanleg. Als bomen werden voornamelijk linden, beuken en eiken aangewend.

Na het overlijden van Nuijts de Oude verkopen zijn weduwe (Clara van Marez) en kinderen Westermeer op 19 april 1711 voor ƒ 4.200,- aan Daniël Fruyt uit Amsterdam die vanaf 1684 tot 1717 met een eigen schip, een driemaster, voer naar Spanje (vooral Cadiz) en West-Indië. Voorts een handelshuis in Amsterdam stichtte dat met winsten investeerde in Suriname. In ieder geval voldoende om zich een buitenplaats te kunnen permitteren en voor het ontwerp van een totaal vernieuwd aanzien in formele ofwel geometrische stijl daarvoor opdracht gaf aan de in zijn tijd gevierde architect Simon Schijnvoet (1652-1727). Voorbereid door Daniël Fruyt (1645-1717), maar vanwege diens overlijden in vanaf 1717 voortgezet door diens zoon Jacob Fruyt, is de bouw en aanleg van Simon Schijnvoet te danken geweest van het herenhuis en tevens de ‘stallingen, koetshuis, thuijnmanswoning, speelhuis, voliere, hoender- en duivenhokken, vinkenhuysen, schuyttenhuys’.

De grote vijver van Westermeer met als tuinsieraad in het water een model van het schip van Daniel Fruyt. Doorkijkje door de lange laan met de geschoren “glinten”.De schulpvijver is een karakteristiek barok-element (naar tekening van Hendrik de Leth in het NHA)

Bovendien kocht deze beschermheer van enkele dichters van de erfgenamen van de Haarlemse advocaat Adriaan van Rijn een boerderijtje dat ten oosten van de Berchlaan lag. In het hofdicht van Willem van der Hoeven wordt Simon Schijnvoet enige malen genoemd. Gelukkig zijn enkele reproducties van tekeningen van de hofstede, vervaardigd door Hendrik de Leth omstreeks 1750, bewaard gebleven. Op pagina 38 wordt vol lof verhaald over de fontein die is aangebracht omdat het duin zelf water weigerde aan het park van de hofstede. Daniël Fruyt is ongetrouwd gebleven. Zijn zuster Constantia huwde in 1703 met de makelaar Gommarus van Duyst (1677-1741).

De buitenplaats van Gomarus Duyst ‘Postrust’ aan de Haarlemmerweg bij Halfweg. Uit Hollands Tempe, 1728 gegraveerd door Abraham Rademaker

Deze was evenals zijn vader Nicolaas postmeester van de Haagse postwagen en eigenaar van de wisselplaats voor paarden, het Posthuis, aan de Herenweg in Heemstede. De zoon van Constatia en Gommarus, Nicolaas Gommarus, werd op 8 april 1705 gedoopt. Hij was in 1721 dus zestien jaar oud. Van der Hoeven heeft zijn dichtwerk aan hen ‘als liefhebber der Nederduytsche Dichtkonst’ opgedragen. De erfgenamen Fruyt verkochten Westermeer in op 12 mei 1752 voor ƒ 9.200,- aan Dirk Daam (Daem) te Amsterdam. Bij de koop was inbegrepen het moesland met een huis en schuur genaamd het Ruijpenest (‘Rijpenest’), waar onder L.P.de Neufville een zilversmelterij zou worden gevestigd, gelegen aan de overzijde (westzijde) van de weg. Chr. Bertram (zie lit.opgave) schrijft ‘Op de kaart van 1643 is Westermeer als boerderij te zien met bijgebouwen en hooiberg direct aan de [toenmalige] weg. Achter het huis bevond zich een langwerpige boomgaard. Ook uit beschrijvingen van Westermeer bij eigendomsoverdrachten later in de 17de eeuw blijkt dat de hofstede nog een decennia een boerenhofstede bleef. Pas in de 18de eeuw zou Westermeer een buitenplaats worden met een statige siertuin.’

 

westermeer

Advertentie uit de Amsterdamse Courant van 26-6-1759 waarin de erven van Dirk Daam Westtermeer aanbieden

De erfgenamen van de weduwe van Dirk Daam verkochten op 12 oktober 1759 voor ƒ 10.525,- aan Robbert Makreel. In een afzonderlijke advertentie in de Amsterdamsche Courant van 26 juni 1759 wordt tevens aangeboden ‘een capitale party ornamenten, beelden, tuin-cieraden, broeibakken, lessenaars, ramen en tuin-gereedschappen etc.

 

 

westermeer1

Advertentie uit de Amsterdamse Courant van 27-3-1762 waarin Westermeer inclusief ’t Ruypenest wordt aangeboden.

Portret van zoon Jan Simon Fruyt (1778-1832)

In 1762 wordt  de hofstede in hetzelfde jaar voor minder geld, namelijk ƒ 8.200 transporteerde aan vermogende Amsterdamse koopman Leendert Pieter de Neufville (2)
Wat men niet zou verwachten maar hij vestigde daar in een schuur genaamd ’t Ruypenest (Rijpenest) een zilverraffinaderij Het omgesmolten zilver, te gebruiken als grondstof voor muntgeld werd oorspronkelijk vanuit Portugal ingevoerd dan wel verkregen via het kapen van Spaanse schepen met zilver uit Amerika. Dat liep overigens allebei af en tijdens de Zevenjarige Oorlog werd men om die reden afhankelijk van krijgsbuit waarbij uit oude munten via een ingewikkeld chemisch procedé werden geraffineerd. Dankzij de krediethandel via wisselbanken is De Neufville tijdens de Zevenjarige Oorlog, die van 1756 tot 1763 duurde, althans op papier schatrijk geworden. In die periode viel koning Frederik II  Oostenrijk aan, maar ook Frankrijk en Rusland en bezette de Pruisische vorst het keurvorstendom Saksen.

 

wapensteen

Wapensteen De Neufville afkomstig van Sparenhout, omstreeks 1770 bewoond door Jacob de Neufville,

 

De Neufville, oorspronkelijk afkomstig uit Artois,  stamde uit een Haarlemse koopmansfamilie, die zich vooral bezighield met de fabricage en handel van zijde. In 1756 trouwde hij met de eveneens 18-jarige Margaretha Smid (1737-1774). Na het overlijden van zijn vader Pieter Leendert in 1759 is de firma voortgezet door vier zonen: Pieter, David, Balthasar en de meeste ondernemende en energieke van het stel, de 21-jarige Leendert Pieter , die steeds op de voorgrond treedt met onder meer een rederij bestaande uit vijf schepen en verder handel in granen, wijn en specerijen, ook handel in slaven voor West-Indië. Naast een katoendrukkerij in Amsterdam stichtte hij 1763 nog een glasblazerij in een gebouw te Haarlem Ten slotte werd Pieter Leendert actief op de beurs met wisselbrieven en kredieten. In de eerste helft van 1762 bedroeg het aantal transacties van De Neufville op de Amsterdamse Wisselbank het recordaantal van meer dan 1400, groter dan een grote bak als Hope dat over veel meer kapitaal beschikte.

De Amsterdamse Wisselbank, in 1609 opgericht door het Amsterdamse stadsbestuur, was sinds 1655 gevestigd in het nieuwe Stadhuis en bleef daar tot de opheffing in 1820.

 

Mercurius

Beeld van Mercurius, Romeinse god van de handel in het stadhuis annex wisselbank van Amsterdam. Vervaardigd door de beeldhouwer Artus Quellinus.

Dankzij zijn kontakten met Pruisen begon hij een eigen zilversmelterij, waarbij hij zilver met koper liet vermengen, zodat aan de vraag van koning Frederik de Tweede van Pruisen kon worden voldoen naar ontwaarde munten. Tevens liet hij buitgemaakt  ‘Kriegsgeld’ importeren en liet het zilver smelten teneinde die om te zetten in baren zilver.

In de zomer van 1761 wist De Neufville via de handelaar Schimmelman uit Demmig minderwaardige Thaler (‘Kriegsgeld’) te verwerven teneinde om te smelten. (Stadsarchief Amsterdam). In november 1761 werd het inferieure geld in Pruisen verboden evenals de uitvoer van zilver.

In de ovens werden edelen en onedele metalen van elkaar gescheiden met behulp van lood; om de testen en de slak te zuiveren en het elders verkregen zilver te essayeren (Zappey, p.200). Metallurg J.H.Müntz die aan de basis stond van de zilversmelterij in Weesp, vervolgens in Muiden en zich in 1763 kritisch uitliet over de ovens van de Gebroeders de Neufville nabij Haarlem schreef o.a. ‘(…) wo ueber die allerbesten Operationen so unglücklich abliefen, dass sie durch den Bruch verschiedener Schmelztiegel schon in grossem Verlust gesetzet wurden mittlerweile gingen die Ueberschickungen aus Deutschland weder fort; denn gegen Ende der vorigen Januar hatten sie bereits über 300 Karren empfangen, deren jeder über 200 Thaler zur Kosten verursachet (…)’.   

Voorbeelden van munten (Gute Groschen) uit de periode van de ‘Siebenjährige Krieg’ met een geringe zilverwaarde, waarbij lood en koper werden toegevoegd. Begin jaren 60 van de 18de eeuw werd bijna dagelijks zilver en goed geld met een hoog zilverpercentage naar Hamburg getransporteerd, omgezet in ‘Kriegsgeld’ en van daaruit verspreid. De Neufville stuurde zilver naar Altona, toenmaals een Deense voorstad van Hamburg. Frederik dwong concurrerende munthuizen hun deuren te sluiten. Hij stelde een verbod in op de zilverhandel waardoor de prijs van zilver steeg. Steeds meer inferieure munten kwamen in omloop waarvan vooral De Neufville en zijn Berlijnse ‘compagnon’ Gotzkowsky aanvankelijk financieel van konden  profiteren. (Taco Tichelaar)

Voorbeeld van een oude zilver-smeltoven in Kongsberg, waarbij steenkool als brandstof werd gebruikt. De zilvermijnen in die Noorse stad zijn in werking geweest van 1623 tot 1957.

April 1763 is Leendert Pieter naar Berlijn gegaan met een voorstel aan koning Frederik II om een miljoen gulden te investeren in de Koninklijke Pruisische Aziatische Compagnie te Emden.

Portret van Frederik de Grote (1712-1786), bijgenaamd “der alte Fritz” op 68-jarige leeftijd geschilderd door Anton Graff

Met het sluiten van de Vrede op slot Hubertusburg op 15 februari 1763 kwam een einde aan de zogeheten Zevenjarige oorlog tussen Saksen (Augustus III), Oostenrijk (keizerin Maria Theresia) en Pruisen (Frederik de Grote). Korte tijd later kwam L.P.de Neufville in financiële problemen omdat hij via wisselbieven geleend geld niet meer aan zijn verplichtingen kon voldoen in Holland en Duitsland. Daarmee kwamen ook andere banken in de problemen en ontstond in 1763 een internationale bankencrisis.

Drie maanden later kon De Neufville zijn leningen als gevolg van ongedekte wisselbrieven en een  gebrek aan baren zilver niet terugbetalen aan de crediteuren en ging hij failliet en met hem talrijke andere firma’s in Amsterdam, Hamburg en elders waarbij miljoenen verloren gingen. Feitelijk was L.P.de Neufville de oorzaak van een internationale beurskrach ofwel beurscrash.  Men noemde hem een ‘onscrupuleuze parvenue’. De Neufville  liet 360 crediteuren achter, vooral in Amsterdam en Hamburg, met een vordering van in totaal bijna 10 miljoen gulden.
De Neufville’s bezittingen zijn, inclusief Westermeer, door de curatoren van de Desolate Boedelkamer in Amsterdam in beslag genomen en voor zover mogelijk – met verlies -verkocht.

 

paleis

De vroegere entree naar de Desolate Boedelkamer in het huidige Paleis op de Dam waar door commissionairs faillissementen werden uitgesproken. In het bovendeurstuk een afbeelding van Icaris die met zijn vleugels te dicht langs de zon vliegt. Aan de onderzijde een lege schatkunst waarin ratten tevergeefs naar voedsel zoeken

na zijn faillissement liet Leendert Pieter de Neufville op 24 augustus de inhoud van zijn stal uit de Lindestraat veilen, een wagenpark en paarden veilen, bestaande uit 2 zwarte merrie-koetspaarden, 4 harddravers, een fraaie koets-coupé, een ‘zwemmer’koets, een postkoets, een fargon-rijtuig, een open chais, prikslee etc.  (Amsterdamse Courant, 23 augustus 1760)

Op 21 augustus 1763 heeft koning Frederik van Pruisen, veldheer, filosoof, bevorderaar van kunsten wetenschappen maar ook bekend geworden als valsemunter, een brief gezonden aan de Staten-Generaal en het stadsbestuur van Amsterdam met het verzoek om de zilversmelterij van de firma De Neufville overeind te houden. Zeker is dat mede als gevolg hiervan en het insturen van onjuiste financiële gegevens Leendert Pieter de Neufville in1764 werd gerehabiliteerd.

Heraldisch wapen van familie De Neufville

De Neufville kocht uit de failliete boedel Westermeer en het Ruijpenest terug voor ƒ7.450,-. trok zich zogenaamd uit zaken maar bleef naar wordt aangenomen op heimelijke wijze zaken doen in Duitsland.
Op 30 augustus 1775 is Westermeer voor ongeveer het dubbele bedrag door Leendert Pieter de Neufville ad ƒ 15.475,- verkocht aan Regina Martens, weduwe van Jan Elias Buys, schepen van Amsterdam en dochter van de vermogende koopman Peter Martens en Margaretha van Ockhuysen. Toen zij het jaar daarop kwam te overlijden liet ze een bedrag na van ƒ 508.785,-.
Door de erfgenamen is het buiten op 4 november 1786 verkocht voor 17.025 carolus gulden aan de Amsterdamse koopman Frederik Lodewijk Braunsberg, waar nog 2.500 gulden bijkwam voor losse goederen, zoals tuinbeelden. Vrijwel hetzelfde bedrag betaalde Jan Jacob (de) Faesch aan Braunsberg in 1798. Tezelfder tijd kocht laatstgenoemde de grotere hofstede Bronstee voor ƒ 56.000,-. Faesch met Zwitserse wortels was partner in een koopmanshuis met de oorspronkelijk uit Duitsland afkomstige Friedrich (Frederik) Lodewijk Braunsberg
J.J.de Faesch heeft zich op Westermeer intensief beziggehouden met het kweken van bloemen o.a. tulpen en hyacinthen, mede vanuit een speculatief oogpunt. Hij zond regelmatig door hem gekweekte bloemen in bij tentoonstellingen en behaalde daarmee diverse prijzen, voornamelijk te danken aan zijn hovenier Jacob Rijfkogel (3). De Leeuwarder Courant van 27 september 1825 berichtte: ‘Op de hofstede Westermeer,te Heemstede, bloeit thans een buitengewoon groote Aloë. Dezelver heeft eenen omtrek van 60 voeten. De streng is van 25 tot 30 voeten en heeft 40 armen met eene ontelbare menigte bloemen. Degenen, welke dezelve verlangen te bezigtigen, kunnen zich bij den tuinbaas op gezegde hofstede aanmelden.’ Adriaan Loosjes noemt in zijn boeken ‘Hollands Arkadia’ in de tweede wandeling op pagina 184 enkel het ‘fraaiie Westermeer’ met als eigenaar: Jean Jacob de Faesch, maar gaat vervolgens in op de vuurmachine van Bosbeek en Groenendaal.

J.J.de Faesch beheerde vanuit Amsterdam in Suriname enkele plantages waar Afrikaanse slaven werkzaam waren. Men exporteerde daarheen allerlei Europesche producten en importeerde voornamelijk suiker en koffie.  In de Franse Tijd (1808) staat Jan Jacob de Faesch als wethouder van Amsterdam, departement Amstelland genoteerd. In 1827 is het handelshuis van Faesch & Cie. geliquideerd en uit allerlei advertenties in kranten blijkt dat dat behalve planten ook kassen en broeibakken geveild werden. Het jaar daarop stond Westermeer te koop, omschreven als een ‘kapitale, zeer geëxtendeerde en alleraangenaamst gelegen hofstede, met deszelfs welingerigte hechte en sterke heeren-huijzige, cum annexis, mitsgaders de daarbij en nevens gelegen overheerlijke Engelsche plantsoenen, slingerbeek, goudvischkom, hoog opgaand geboomte, alsmede de zowel zijwaarts als gedeeltelijk achter deze hofstede gelegen extra weltoegemaakte wei- en hooilanden, alles staande en gelegen in het aangenaamst gedeelte van het oord Heemstede, en wel onderderzelver gemeente, aan den publieken weg groot met de landerijen 15 bunders 24 roeden 90 ellen (…),. Afzonderlijk is de overplaats in de Oprechte Haarlemsche Courant te koop aangeboden ’met de daarop bevindende koetshuis, paardenstallinge, tuinmans- en pluimgraafs-woninge, groot en modern gebouwd oranjehuis…etc.’, alles staande en gelegen voor de hofstede, no.1, groot met elkanderen 4 bunders 44 roeden 15 ellen.’

Aankondiging veiling van Westermeer (Opr. Haarlemsche Courant, 15-51828)

Bij raadsbesluit van 10 juni 1828 is van de eigenaar van Westermeer voor ƒ 1600,- ruim een bunder land aangekocht, op een terrein aangeduid met ‘menagerie’ ten behoeve van de aanleg van een begraafplaats. Dit perceel lag ten noorden van de Berchlaan, toen al – toen het kerkhof nog niet bestond – in de volksmond ook wel Doodweg genoemd.
Het jaar daarop is een groot deel van de terreinen omgevormd tot algemene begraafplaats naar een ontwerp van J.D.Zocher Junior.\ (1791-1870 – doe ook de Haarlemse begraafplaats aan de Kleverlaan en Soestbergen in Utrecht heeft ontworpen – en uitgevoerd door Jan Daniëls; de stenen bouwsels door de aannemers Willem van Toorn en Maarten Vester.  De resterende gronden van het vroegere Westermeer zijn voornamelijk aangekocht door de eigenaren van de nabijgelegen buitens zoals Bosbeek en Meer en Bosch.

Tekening van de nieuwe begraafplaats door landmeter Hendrik van Zutphen. op de plaats van ‘menagerie’ met gebouw etc. van Westermeer, 16 mei 1828 (NHA). Op 19 mei 1828 is op een publieke veiling met notaris Gerlings als notaris (die tevens burgemeester was) de eerste grondaankoop gedaan voor het stichten van een algemene begraafplaats, en wel van de heer Jan Jacob de Faesch, eigenaar van de hofstede Westermeer, gelegen tussen de Doodweg en de (toenmalige) weg tussen Heemstede en de Glip, nabij de Driesprong, groot 1 hectare 83 are en 44 centiare, voor de somma van ƒ 1.600,-.  Aanleiding voor het gemeentebestuur onder burgemeesterschap van de heer W.H. Gerlings, tot het maken van een begraafplaats was, dat Koning Willem I bij Koninklijk Besluit van 22 augustus 1827 verbood, ingaande op 1 januari 1829, nog langer in de kerken te begraven en hiervoor een plaats buiten de bebouwde kom te kiezen. Dit was een hele inbreuk op de bestaande traditie, daar men gewend was in en om de kerk te begraven, vandaar het woord kerkhof, wat in Heemstede plaats vond in en om de Oude Kerk aan het Wilhelminaplein en de oude kerk Berkenrode, die gestaan heeft aan de Herenweg, waar later het Broederhuis is gebouwd. Tevens is in dit besluit vermeld dat zij die nog recht hebben op graven in de kerk schadeloos gesteld moeten worden door toewijzing van een graf op de begraafplaats. Dat er snel gewerkt moest worden, blijkt wel uit de correspondentie die toen gevoerd is want er resteerde slechts 7,5 maand om het terrein voor begraven geschikt te maken. Op 6 juni van dat jaar bericht de aangezochte tuinarchitect J.D.Zocher aan het gemeentebestuur dat er geen kaart (tekening) van het terrein is, maar hij hoopt zo spoedig mogelijk een tekening en opgave van kosten te kunnen aanbieden. Al op 14 juni is er een ontwerp gereed en het aantal graven waarvan de maten in ellen zijn weergegeven.

 

 

Berekening van architect J.D.Zocher

Op 26 juli schrijft de tuinarchitect het volgende aan het gemeentebestuur; ‘Uit Ed. geëerde letteren van gister was het mij aangenaam te vernemen, de Heren tot het maken maken van het kerkhof, volgens het door mij opgegeven plan geresolveerd zijn, daar het nu nogal een bevallige partij kan worden.’ De kosten voor het maken van tekening en ontwerp waren ƒ 380,-, wat het gemeentebestuur vrij hoog vond, maar uiteindelijk ging men accoord.  Op 22 augustus van dat jaar zijn bestek en voorwaarden vastgesteld, volgens welke het Gemeentebestuur van Heemstede voornemens is onder directie van architect J.D.Zocher aan te besteden en uit te voeren door Jan Daniels. Dit bestel vermeldt het graven van watergangen om de begraafplaatsen van elkaar te scheiden en tevens tot afsluiting van beide kerkhoven te komen. Hieruit blijkt dat van begin af duidelijk gesproken is van een protestantse en een rooms-katholieke afdeling. Pastoor Tielen van de H.Bavo (Berkenrode) had vooraf aparte ingangen bedongen.  in een schrijven van 18 oktober aan de provinciale staten vraagt de gemeente goedkeuring voor de uitvoering van de aanleg en toestemming om de architect de kosten groot 9 380,- en het loon van de meesterknecht ƒ 110,- te mogen uit betalen. op 4 juli 1829 heeft de aanbesteding plaats voor de bouw van een doodgraverswoning en bijbehorende gebouwen zoals kapen en barenhuis. Uit artikel 1 blijkt dat voor de bouw van genoemde gebouwen zijn uitgevoerd door de plaatselijke aannemers-metselaars Maarten Vester en Willem van Toorn voor de somma van ƒ 2.300,- Deze gebouwtjes hebben gestaan op de r.k.afdeling bij de ingang tegenover de Sportparklaan. De woning van de doodgraver was tegen de kapel aangebouwd.  In augustus 1829 is er om de kosten van de begraafplaats enigszins te drukken een tarief ingevoerd voor het begraven en onderhoud van graven. Uit deze verordening blijkt dat beide afdelingen verdeeld waren in 3 klassen. De prijzen waren inclusief het gebruik van het dood- of baarkleed van de gemeente. Bij vriezend weer (als de volksschuit niet meer kon varen, dit houdt verband met de dikte van de grond) werden de kosten van begraven verhoofd voor 12 jaar en ouder met ƒ 1,-, van 6-12 jaar ƒ 0,50 en onder de 6 jaar met ƒ 0,30. op 1 oktober 1829 heeft de plechtige inwijding van de r.k.afdeling door deken A.Thomas in het bijzijn van 19 priesters, de heer van Berkenrode, Burgemeester en raadsleden van Heemstede en de voornaamste protestantse ingezetenen.  [In 1926 zijn de huidige gebouwen: aula, woonhuiswoonhuis en stallingsruimte gebouwd voor de somma van ƒ 45.789,-].

=====

faesch

Ook J.J.de Faesch heeft zich beziggehouden met het verzamelen van kunst, vooral schilderijen van Hollandse meesters. In 1833 kocht hij voor 3.500 gulden + 7,5% veilingkosten bovenstaand werk:  ‘De plicht van een moeder’ , vervaardigd door Pieter de Hooch. In 1838 heeft hij zijn collectie geveild, waarvan een catalogus verscheen. Het doek van De Hooch is toen aangekocht voor de Van der Hoop collectie. Tegenwoordig is het eigendom van het Rijksmuseum Amsterdam en in bruikleen gegeven aan het Amsterdam Museum.

 

NOTEN
(1)In de transportakte van 26 april 1671 voor schout en schepenen te Heemstede wordt de volgende omschrijving van de buitenplaats gegeven ‘Een hoffstede genaemt “Westermeer” gelegen binnen deze heerlijckheijt in de Heemstederhout en dat met sijne huijsinge, boerenwoninge, heijninge, bepotinge en beplantinge daerop staende, en noch het teelllant daarbij behorende, groot mette selve hoffstede samen ses hondert drie en sestich roeden, met alle tgunt soort en nagelvast is, belent ten oosten ende ten westen de Heemstederwech, sijnde vrij en onbelast goet sonder eijts daerop staende, behoudens den heer sijn recht en voorts met sodanice dijck, dam, wech en wateribge, als buijren en lendens kennen (…)’.

(2) Heinrich von der Hude beschrijft in zijn ‘Reise durch Holland’, 1753 een bezoek aan de firma ‘Gebroeders de Neufville waarvoor hij een aanbevelingsbrief had. J.N.Jacobsen Jensen noteert in een toelichting (Reizigers te Amsterdam’, 1919): ‘De firma Gebroeders de Neufvile was een sedert bijna twee eeuwen gevestigd handelshuis, dat in de achttiende eeuw niet alleen als een der eerste van Amsterdam, maar van geheel Europa gold. In 1763 moest het zijn betalingen staken ten gevolge van faillissementen van andere huizen alhier en in Hamburg. Zie A.C.de Neufville ‘Histoire généalogique de la maison de Neufville, blz. 199 en 200 en over het faillissement, dat een heele crisis hier aan de beurs veroorzaakte, W.M. Sautijn Kluit, De Amsterdamse beurs in 1763 en 1773.’

In verband met Leendert Pieter de Neufville (1729-1811) schrijft L.van Nierop (zie lit.opgave) na dat de gebroeders De Neufville met hun bedrijf tijdens de Zevenjarige oorlog (1756-1763) in financiële problemen zijn geraakt. Leendert Pieter en zijn broers hadden van hun vader Pieter Leendert de Neufville het handels- en bankiersbedrijf onder de naam Gebroeders de Neufville voortgezet. Naast geld- en goederenhandel exploiteerde de firma die in feite dreef op Leendert Pieter die vanaf 1762 ook een glasblazerij (in Haarlem), een katoendrukkerij en op zijn buiten Westermeer een zilversmelterij beheerde, en als gevolg van speculaties met accept- of wisselkrediet schatrijk geworden. Dat gold evenzeer voor zijn Duitse collega-handelaar en vriend Johann Ernst Gotzkowsky (1710-1775) die werd beschermd door de Pruisische koning Frederik de Tweede, bijgenaamd de Grote.
In 1756 is Leendert Pieter de Neufville, lid van de Gereformeerde Kerk, gehuwd met de Lutherse Margaretha Smid. De opkomst der familie heeft de vader Pieter Leendert de Neufville, die in 1759 overleden is, nog juist meegemaakt (*). De slimme Leendert Pieter komt hierna naar boven. Hij woont op de Heerengracht bij de Heerenstraat en zomers op zijn buitenplaats Westermeer onder Heemstede, die hij op 19 mei 1762 voor ƒ 8.200,- heeft gekocht. Aldaar sticht hij een zilversmelterij in het pand genaamd Rijpenest ofwel Rujpenest. Consul Astier bericht dat ijverige ondernemende mensen als De Neufville, dikwijls op minder scrupuleuze wijze, dankzij de oorlog sinds 1756 winsten hebben gemaakt bij leveranties en de verschaffing van muntmateriaal. Als gevolg van de oorlog heerste er grote schaarste aan muntgeld in verscheidene Europese landen. Daar kwam nog bij dat de gebroeders De Neufville omaan geld te komen wissel na wissel bleven uitschrijven. Daarnaast konden zij op grote schaal frauderen in het wisselproces, waardoor er veel valse wissels op de markt kwamen. Toen de vrede werd getekend kon De Neufville de uitbetaling niet langer garanderen. Dat leidde tot de grote bankencrisis/beurscrash in Amsterdam van 1763 [die gevolgen had in Hamburg, Berlijn en Emden en zelfs de banken in Londen, Kopenhagen en Stockholm ondervonden de nadelen van deze financiële crisis]. In Amsterdam leidden de verliezen tot wisselprotesten bij notaris Cornelis van Homrigh.

(*) De vader Pieter Leendert de Neufville (1707-1759) was behalve koopman, een verzamelaar van schilderijen en de kunstzinnige broer van Christina Leonora (1713-1781), een ongehuwde dichteres, bevriend met Betje Wolff. In 1728 trouwde hij in Amsterdam met Catharina de Wolff. Bij die gelegenheid verscheen een bundel ‘Huwelykszangen’ – aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek – met poëzie van Pieter Langendijk, Claas Bruin, G.Tijsens, Philip Zweerts, Jacobus van der Strengh en ene J.v.K. waarin o.a. ook het familiebuiten Meer en Berg ter sprake komt.

Uitsnede gravure met protesterende cediteuren die vanwege ongedekte wisselbrieven hun geld kwijt zijn

De Europese bankencrisis van 1763 begonnen met het bankroet van Leendert Pieter de Neufville in Amsterdam als waarschuwing, zoals  vermeld op een Chinese website

 

bankencrisis

overzicht van de bankencrisissen in de 18de eeuw

 

Tevergeefs heeft Frederik de Grote van Pruisen bij de overheden in Den Haag en Amsterdam getracht het faillissement van De Neufville, dat voor hem ook nadelig was, af te wenden.

 

Westermeerkantoorwoningneufvilleherengracht7072

Woning en kantoor van Leendert Pieter de Neufville (firmanaam Gebrs. De Neufville) aan de Herengracht 70-72 in Amsterdam. Van de persoon zelf is geen afbeelding bekend.Taco Tichelaar bericht: ‘Het kantoor op Herengracht 72 bij de Herengracht, dat drie kamers van het woonhuis vulde waarschijnlijk uit 23 personen d.w.z. er stonden drie lessenaars opgesteld. De luxe in het huis dat hij huurde van de echtgenote van raadpensionaris Pieter Steyn, voorheen de weduwe van de bankier Daniel Deutz de jonge, was tekenend. Het was ingericht met acht notenhouten kabinetten en commodes, een geelzijden salon, spiegels, schilderijen, linnengoed, Saksisch porselein, en vergulde speeltafeltjes tot in zijn slaapkamer. Meestal wordt ook vermeld dat in het hele huis geen boek was te vinden, maar de filosofisch ingestelde dichteres Christina Leonora de Neufville was een zuis van zijn vader. Hij had de meubels, juwelen en boeken, afkomstig van zijn moeder in juli 1760 laten veilen.’ 

Na de vrede van 15 februari 1763 wordt aan de opbouw na de verwoesting en vernietiging van productiemiddelen nog niet gedacht. De Duitse koning Frederik II wilde de oude muntregeling herstellen, maar er ontstaat een schaarste aan ruilmiddelen. Frederik de Grote had baat bij zilvermunten en verplichtte het gebruik van nieuwe munten. Op 7 oktober 1763 kwam De Neufville onder curatele te staan van de Desolate Boedelkamer die de beschikking kreeg over zijn bezittingen. waaronder Westermeer. Zijn stal met tien fraaie paarden en zeven rijtuigen heeft de afgunst van zijn tijdgenoten en verbazing van zijn nazaten opgewekt (aldus W.J.J.C.Bijleveld, in 1769). Zelf verkocht hij zijn koetsen en bewoog hij zich tot vermaak van anderen te voet.  Eind 1763 was de ergste crisis alweer voorbij. De handelsfirma de Neufville heeft bij de opname van ruim 3 ton in totaal meer dan 538 baren zilver als onderpand gegeven aan 27 geldschieters. Op 14 juli 1764 kreeg De Neufville rehabilitatie na overlegging van een ongelooflijk slordige en onvolledige balans. De commissarissen van de Desolate Boedelkamer hebben op 3 juli 1765 aan Leendert Pieter de buitenplaats Westermeer met zilversmelterij Ruijpenest en de landerijen en opstallen voor de taxatieprijs van ƒ 7.450,- overgegeven, onder voorwaarde ‘dat door hem ten behoeve van de crediteuren zou worden uitgewerkt de testen of kretzen, in de smelterij aldaar leggende en tot deszelfs boedel behoorende’. De curatoren die de zilverraffinaderij tot 27 juli 1764 op Westermeer hadden voortgezet hebben kennelijk meer vertrouwen in de kennis van Leendert Pieter de Neufville gehad dan in hun eigen kundigheid. De crediteuren ontvingen na twee jaar zo’n 10% van hun claims. De finale afwikkeling volgde pas veel later. Naar buiten toe deed De Neufville het voorkomen dat hij zich vanaf zich vanaf 1764 nauwelijks meer om de firma bekommerde en als een vroege ‘pensionado ‘op zijn buiten leefde. Achteraf blijkt dat hij nog een aantal jaren zijn handelsactiviteiten in Duitsland heeft voortgezet. en in de laatste jaren van zijn leven vanuit Rotterdam actief was met o.a. een zeepziederij in Delft.

Schilderijenverzameling

(Amsterdamse Courant, 1-7-1760). Bij het overlijden van Pieter Leendert de Neufville is door de zonen als erfgenamen de inboedel van de overledene geveild, evenals de boekencollectie, echter (nog) niet de kostbare schilderijenverzameling

‘In augustus 1757 kocht Leendert Pieter de Neufville zijn eerste schilderijen. Tot 1763 was hij op 17 veilingen aanwezig. Op 18 mei 1763 kocht hij een aantal werken afkomstig uit de collectie van kardinaal Silvio Valenti Gonzaga. Op 4 juli 1763 kocht hij 15 schilderijen in Den Haag, o.a. van Gerard Dou, Frans Hals, Paulus Potter (‘Orpheus en de dieren’), Philips Wouwerman en Jan van Huysem, afkomstig uit de collectie van Willem Lornier, voor de prijs van 9.115 carolus gulden.  Die aankoop is nooit betaald [aldus De Jong-Keesing, pagina 94]. In juni 1763 bezochten de markgraaf en gravin van Baden met hun gevolg het schilderijenkabinet van L.P.de Neufville (Leeuwarder Courant van 27 juni 1763).

Op 29 oktober 1763 maakten de commissarissen van de Boedelkamer bekend de schilderijencollectie van De Neufville te willen veilen op 14 december van dat jaar. Die veiling heeft echter niet plaatsgevonden omdat De Neufville opnieuw toestemming verkreeg zijn zaken op orde te brengen. Zijn Duitse compagnon in zaken en kunstagent  Gotzkowsky zegde op 10 december 1763 toe 317 schilderijen met een waarde van 316.650 gulden te leveren aan de Russische kroon. Verscheidene doeken had hij gekocht van De Neufville, o.a. werk van Rembrandt (‘Christus toont zijn wonden aan de ongelovige Thomas’; tegenwoordig in het Pushkin Museum te Moskou) en Govert Flinck. 30 januari 1764 ging ook Gotzkowsky failliet. De schilderijen voor tsarina Catharina zijn in de zomer van dat jaar in Sint Petersburg gearriveerd

Eerste pagina van catalogus schilderijenverkoop De Neufville van 19 juni 1765

In ons land is op 19 juni 1765 een deel van zijn kostbare schilderijencollectie publiek verkocht, opgezet door zijn vader, met o.a. werk van Rubens, Rembrandt, Berchem, Ter Borch, Paulus  Potter, Wouwerman, Frans Mieris (Allegorie van de schilderkunst, tegenwoordig in Paul Getty Museum nabij Los Angeles)), Gabriel Metsu (Haringverkoopster en oude vrouw; nu in Rijksmuseum Amsterdam)  e.a. Geveild In het Oude Zijds Heerenlogement door J.M.Cok. Titel van de catalogus: Zeer rijk magnifiek cabinet schilderijen van de beroemdste Italiaansche en Nederlandsche meesters met zeer veel moeite en kosten verzameld door de Heer Pieter Leendert de Neufville [bedoeld is de vader]. De opbrengst zou 43.200 gulden hebben bedragen.

Het beroemde schilderij van het melkmeisje van Johannes Vermeer was tot 1765 in eigendom van Leendert Pieter de Neufville

Tevens zijn werken onderhands verkocht aan zijn Duitse collega-handelaar in zijde, zilver, porselein etc., speculant, en kunstagent Gotzkowsky, vermoedelijk ook aan verzamelaars als Gerrit Braamkamp en Jan Gildemeester. In 1769 heeft een vervolgveiling plaatsgehad, ten slotte nog een verkoping op 25 juli 1804: 96 schilderijen met (lage) opbrengst van 8.500 gulden.

 

Gotzkowsky

Portretgravure  van Johann Ernst Gotzkowsky (1711-1775), de Duitse handels- en bankierscollega van L.P.de Neufville, ook rijk geworden als gevolg van  speculatie maar in 1764 bankroet gegaan, waarna hij een groot deel van zijn kostbare kunstcollectie, waaronder werken van Rembrandt, Rubens en Rafael,  te gelde moest maken.

In 1775 verkocht hij Westermeer. 28 augustus 1777 moest hij bij de Desolate Boedelkamer in Amsterdam verschijnen, maar kwam De Neufville niet opdragen en bevond hij zich mogelijk in het buitenland.   Vaststaat dat hij in 1778 verhuisde naar Rotterdam plaats. In 1804 heeft nogmaals een veiling van schilderijen uit zijn bezit plaatsgehad. In 1809 is de intussen bejaarde Leendert Pieter  (75 jaar) hertrouwd met de 38-jarige Cornelia van Merckesteyn uit Dordrecht. Hij is op 30 juli 1811 begraven. De crediteuren van 1863 kregen in februari 1811, dus voor zijn overlijden in dat jaar nog een schamele 1% uitgekeerd. Hij liet 3 kinderen na die voor de Rotterdamse rechtbank verklaarden de nalatenschap te accepteren op voorwaarde van inventarisatie.

 

 

Overlijdenbericht van Leendert Peter de Neufville,28 juli 1811 (Rotterdamsche Courant)

Een waarschuwing uit 1761 (Amsterdamse Courant, 14-7-1761)

N.B. Opmerkelijk is dat Bicker Raye in zijn dagboek aan het faillissement de Neufville dat in 1763 zoveel opschudding in Amsterdam veroorzaakte maar een enkele regel wijdt. Op 3 augustus 1763 schrijft hij: ‘sijn de heeren gebrs. De Neuville, die zeer konsiderable kooplieden waaren, gefaljeerd’ en op 7 october was de boedel van de heeren gebroeders de Neufville nadat zij verscheidene mandementen tot uitstel uit Den Haag hadden weten te verkrijgen, aan de Desolate Boedelkamer gekomen. ‘Door ’t faillissement van desen boedel sijn wel vijf en twintig braave kooplieden gefaljeert en honderden menschen zo niet gerenuweert, ten minste in seer groote schaaden gevallen.’

Na rehabilitatie is de aflossing van wisselbrieven nog jaren doorgegaan (bericht uit de Amsterdamse Courant van 21-9-1773)

Sportprent op de bankencrisis de Beurs in Amsterdam van 1763 door Jan Caspar Philips naar Gerard van Nijmegen. En hy wyst met hand voor uyt ‘Hoe men het best volgt met den buyt ‘Die zij door de Wissels ligten’. Op de voorgrond een lege schatkist omgeven door ratten.   (Rijksmuseum)

Uitsnede van de spotprent op de bankencrisis van 1763 (Rijksmuseum)

 

allegorie

Gravure met en allegorie op de bankroeten in Amsterdam als gevolg van de wissel-windhandel van L.P.de Neufville in 1763 De koophandel (Mercurius) wordt verdreven door hoogmoed en weelde. Een schrijver wisselbrieven als aap afgebeeld, op de achtergrond zien we de Amsterdamse beurs en vooraan rechts de onbetaalde rekeningen  (Stadsarchief Amsterdam)

Alllegorie op de verdrijving door de Amsterdamse stedenmaagd van de wissel-windhandelaren in de Amsterdamse beurs, 1763 (anonieme tekening in het Rijksmuseum)

(3) Omstreeks deze tijd behoorde bij de hofstede Westermeer behalve een herenhuis, theekoepel en een terrein tot aan de Haarlemmermeer ten zuiden van de Glipperdreef, op de overplaats. ook nog een terrein aan de overkant van de Heemstederwech (Glipperdreef), waarop een menagerie met een ‘Chinese tent” alsmede een tuinmanswoning annex koetshuis stonden. De tuinmanswoning werd bewoond door tuinbaas Lodewijk Rijfkogel (overleden in 1825). Drs.J.W.G.van Doorn (zie lit.opgave) schrijft dat de grond die vanouds het Ruijpenest werd genoemd bij Westermeer behoorde en Leendert Pieter de Neufville exploiteerde van 1762 tot 1764 van wat men niet bij een hofstede zou verwachten een zilversmelterij op zijn landgoed Westermeer. Over de latere eigenaar Jacob de Faesch bericht Van Doorn: ‘’Sinds 1798 was de Amsterdamse koopman Jacob de Faesch de eigenaar van Westermeer. De familie Faesch was afkomstig uit Basel in Zwitserland en woonde op de Keizersgracht te Amsterdam waar Jan Jacob de Faesch in 1765 werd geboren. Hij trouwde in 1787 met Maria Cuny, die van Maagdenburg afkomstig was; de kinderen werden gedoopt in de Waalse Kerk.

Jan Jacob Faesch (1765-1809) was een telg, oorspronkelijk afkomstig uit Basel, die fortuin maakte in Suriname. Hij was een zoon van Johan Jacob Faesch (1732-1796) met suiker- en koffieplantages in Suriname, zoals Hooyland, Leyerdorf, Voorburg, Weltevreden en verder enige tijd ‘Mon Tresor’. Alleen al op laatstgenoemde plantage werkten tussen de 225 en 250 slaven. Een oom Isaac Faesch was directeur van de West-Indische Compagnie en als zodanig gouverneur van de Nederlandse Antillen, tussen 1740 en 1758.

Jan Jacob de Faesch was deelgenoot in het handelshuis Braunsberg te Amsterdam, op 4 september 1798 nam hij van zijn compagnon de hofstede Westermeer over. Op dezelfde dag dat ten overstaan van schout en schepenen van Heemstede toen de officiële overdracht plaats vond, werd Lodelijk Braunsberg eigenaar van de hofstede Bronstee met zijn twee pachtboerderijen.

De grote hofstede Bronstee, eigendom van Braunsberg van 1798 tot zijn overlijden en vervolgens door de weduwe Wijnanda Cornelia Braunsberg-Kluppel van 1812-1814 waarna het buiten naar de kinderen en een stiefdochter overging. In 1853 is het herenhuis gesloopt.

Fredrik Lodewijk Braunsberg was katholiek en is in Berlijn geboren. Hij verhuisde op jonge leeftijd naar Amsterdam en begon als jongste bediende bij Vernède & Cazenove. Als slim beurshandelaar wist hij zich een fortuin te verwerven en startte vervolgens een succesvol handels- en bankiershuis.

Boven de stal van Keizergracht 495 was het kantoor van het bankiers- en handelshuis Braunsberg c.s. gevestigd.

In 1796 kocht Braunsberg (1745-1812) uit de nalatenschap van Aernoud David van Lennep voor ƒ 77.000 het woonhuis Herenweg 448. Na zijn overlijden ging het grachtenpand over naar zijn zwager en compagnon Johannes Kluppel

In 1785 fuseerde hij met Johan Kluppel en in 1788 trad J.J.Faesch toe, sindsdien genoemd Braunsberg, Kluppel, Faesch en Comp. Eind 19e eeuw maakte men fortuin met de verscheping van granen vanuit het Oostzeegebied en Amsterdam naar het Pruisische leger. Voorts dreef men handel met China en in 1792 zijn de Franse legers van wapens voorzien.

Op 1 januari 1799 trad Jan Jacob de Faesch uit de maatschap en stichtte hij zijn eigen handelsfirma Faesch en Cie., waarvan hij de enige vennoot was. In 1808 kocht hij een “dubbel huis met hardstenen gevel” aan de Binnen Amstel tussen de Keizers- en Herengracht, de tuin liep achter de tuinen van de huizen aan de Binnen-Amstel tot aan de stal met het koetshuis op de Keizersgracht. Het herenhuis op Westermeer bevond zich aan de zuidzijde van de tegenwoordige Glipperdreef, met weiland vóór, naast en achter het huis strekkend tot aan het Haarlemmermeer. Aan de weg stond een “tuinhuis” of theekoepel, en aan de overkant van de weg bevonden zich de oranjerie en een hertenkamp. Bij de “menagerie ”met diverse soorten pluimvee behoorde een “chinese tent” (waarschijnlijk een imitatie-pagode), een brug en een ijskelder. De pluimgraafswoning stond aan de Doodweg bij de Driesprong naast de boerderij van Meer en Bosch. Op de overplaats stond ook de tuinmanswoning annex koetshuis en stal, een hooiberg en de broeikassen. De hovenier of tuinbaas had min of meer de dagelijkse leiding op de buitenplaats. Dat was vaak een vertrouwensfiguur, die ook namens zijn patroon belast werd met zakelijke transacties. Vergelijkbaar met Godschalk van Amstel, de stamvader van de Heemsteedse van Amstels, die rond 1845 als tuinman in dienst was bij de graaf van Westerholt op diens zomerverblijf ’t Clooster, en met de diverse generaties de Wilde, die elkaar hebben opgevolgd op Bosbeek/Groenendaal en Huis te Manpad. Tuinman op Westermeer was Lodewijk Rijfkogel, Hij was getrouwd met Cornelia Jonker, zijn oudste kinderen werden geboren in Maarssen. In 1791werkte hij op Bronstee, waar op 22 oktober 1798 zijn jongste zoon Jacob Benjamin ter wereld kwam, die op 4 november d.a.v. twee dagen na het overlijden van zijn moeder, in de Oude Kerk te Heemstede werd gedoopt. Lodewijk Rijfkogel is tien maanden later hertrouwd met Geertje Saaltink, die de zorg over de zeven allen nog minderjarige kinderen, de oudste 15 jaar, de jongste nog geen jaar oud, op zich nam. In de vroege morgenuren van 12 oktober 1825 is Lodewijk Rijfkogel op Westermeer overleden. Hij is 67 jaar oud geworden. De aangifte voor de Burgerlijke stand is verzorgd door zijn oudste en jongste zoon, respectievelijk Lodewijk Rijfkogel, zadelmaker-kamerbehanger aan de Binnenweg te Bennebroek en aldaar eerste assessor (wethouder) in het gemeentebestuur, en Jacob Benjamin, die bloemenkweker van beroep was. Tot de nalatenschap behoorden naast huisraad en meubilair, waardepapier en contanten, een “vette koe” en twee melkkoeien, een kalf en vette en andere varkens. De weduwe werd door de heer de Faesch een jaarlijkse lijfrente van 208 gulden toegekend.

 

Westermeer10

Een enorme aloë gekweekt op Westermeer. Uit: de Groninger Courant van 27-9-1825

Uit Opr. Haerlemsche Courant van 10-4-1828. Tussen 1827 en 1836 hadden dergelijke openbare verkopingen van bloemen plaats op (Nieuw)Westermeer.

Westermeer11

Uit de Opregte Haerlemsche Courant van 12 april 1828

 

Westermeer12

Advertentie met bericht van verkoop allerlei materialen tot en met de sloop van een fraai ijzeren oprijhek na sde loop van Westermeer.

Rijfkogel, Tulpenburg en Nieuw-Westermeer

Tekening van Driesprong en omgeving (Westermeer en Nieuw Westermeer); door J.W.G.van Doorn, in blad Oud Heemstede Bennebroek, 88, mei 1996

Jacob Benjamin Rijfkogel was in 1824, het jaar voor het overlijden van zijn vader, getrouwd met Jacoba Hoybrink. Het jonge paar woonde aanvankelijk op de Glip, waarschijnlijk op Tulpenburg, de vroegere herberg de Paauw, die eigendom was van Jan Jacob de Faesch en in 1824 geheel was verbouwd. In hetzelfde jaar verkochten de heren Gerrit Munck jr. en W.A.Dólleman twee stukken grond aan de Voorweg, die ze een paar jaar tevoren hadden overgenomen van de landbouwer Pieter van Keulen, aan Jan Jacob de Faesch, die hier “Nieuw Westermeer” stichtte, met een woonhuis, een bloembollenschuur, een stal voor koeien en paarden, moes- en tuingronden en een boomgaard. Tulpenburg werd in 1827 weer verkocht aan de timmerman Jan van Lith te Bennebroek, en Jacob Benjamin Rijfkogel verhuisde met zijn gezin naar Nieuw Westermeer. Uit de rubriek familieberichten in de Opregte Haarlemsche Courant vernemen wij dat “Den 29 april 1829 te Amsterdam is overleden, in den ouderdom van zes en vijftig jaren, Vrouwe Maria Cuny, Echtgenote van de Wel Eddele Achtbare Heer J.J.de Faesch”. Erfgenamen waren volgens testament haar vier kinderen, de twee dochters Emilie Marie Marquerite en Jeanne Marie (gehuwd met baron Willem Mollerus, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister van Z.M. de Koning der Nederlanden aan het hof van Beieren!) en twee zonen, Jean Jacob David en zijn jongere broer Frederik Emmanuel, die in 1822 wegens krankzinnigheid onder curatele moest worden gesteld.

Einde van Westermeer – de nieuwe algemene begraafplaats

 

Bericht uit de Opregte Haerlemsche Courant over bloemenkweker J.J.de Faesch  van 19 juni 1827

 

Jan Jacob de Faesch bracht zijn handelshuis eind 1827 in liquidatie. Mei 1828 kwam de hofstede Westermeer in de veiling. Enkele weilanden bij het herenhuis kwamen in handen van de heer A.E.Hope, eigenaar van Bosbeek/Groenendaal. De gewezen menagerie werd gekocht door heren Evert Paradijs en Izaak Moerbeek, assessoren van het gemeentebestuur. Als notaris trad burgemeester Gerlings op, een dubbelfunctie toen nog was toegestaan. De grond was bestemd voor de aanleg van de nieuwe algemene begraafplaats, In juli werden de hokken voor pluimgedierte, de chinese tent, een brug, rasterwerk, de ijskelder en vruchtbomen op het terrein publiek verkocht, enkele maanden later vond nog een verkoping plaats van bomen en hakhout, beide keren op last van Gerrit Munk jr., als lid van de commissie tot inrichting van de begraafplaats, die werd aangelegd naar een ontwerp van J.D.Zocher.

 

De nu nog bestaande waterpartij vormde de afscheiding naar de boerderij van Meer en Bosch en de overige gronden van de buitenplaats. Het oude herenhuis van Westermeer werd gesloopt, evenals de er tegenover gelegen oranjerie en de hertenbaan, de gronden werden ingericht als wei- en hooiland. Uiteindelijk kwamen alle gronden, inclusief de overgebleven weilanden achter het voormalige herenhuis op naam van Jacob Benjamin Rijfkogel, die ook eigenaar werd van de voormalige pluimgraafswoning aan de Berchlaan ofwel Doodweg, naast de boerderij van Meer en Bosch. De vroegere tuinmanwoning met koetshuis en stal is verbouwd tot meerdere “werkmanswoningen” onder één dak. Op het oude Westermeer werden aardappelen, kool, haver en gerst verbouwd, en uiteraard bloembollen gekweekt.

 

zocher

Geschilderd miniatuurportret van Jan David Zocher (1791-1870) door Wouter Mol uit omstreeks 1830

 

Westermeer13

Advertentie betreffende Nieuw Westermeer, uit de Opr, Haerlemsche Courant van 20-2-1836

 

Westermeer14

vervolg van advertentie, 20-2-1836

De dood van de Faesch en verdere ontwikkelingen
Jan Jacob de Faesch is op 13 april 1831 overleden te Parijs, waar zijn jongste zoon in een “etablissement voor onzinnige personen werd verpleegd”. Een jaar tevoren, in 1830, had hij ook Nieuw Westermeer aan Jacob Benjamin Rijfkogel overgedragen. Geertje Saaltink, de weduwe van Lodewijk Rijfkogel, is op 19 maart 1836 gestorven, zij is 78 jaar geworden. Kort daarvoor, op 6 februari 1836 had Rijfkogel Nieuw Westermeer en alle gronden van het oude Westermeer verkocht aan Henry Philip Hope, de toenmalige eigenaar van Bosbeek en Groenendaal. Met uitzondering van de gewezen pluimgraafswoning, die in eigendom kwam van jonkheer Everard van Weede, eigenaar van de hofstede Meer en Bosch. Nadat hij zijn koeien, paard en rijtuigje, de bloembollen en tenslotte ook de meubelen en het huisraad had verkocht, is Rijfkogel met zijn gezin van vijf kinderen, waarvan de oudste acht jaar, en de jongste pas enkele weken oud, naar Parijs vertrokken. Op 10 mei 1835 werd te Parijs het huwelijk voltrokken van zijn in 1834 op Nieuw Westermeer geboren dochter Cornelia Catharina, met IJsbrand Soll van Koppen (van Postlust in Heemstede). Op 17 maart 1856 is zij te Parijs, zoals de aankondiging in de O.H.C. vermeldde, “na een gelukkige echtvereeniging van slechts tien maanden, aan de gevolgen van een ontijdige verlossing van een welgeschapen zoon” overleden.
De namen Westermeer en Nieuw Westermeer zijn verdwenen. De algemene begraafplaats heeft zich later op de vroegere gronden van Westermeer nog uitgebreid met het z.g. Rooms-Katholieke gedeelte’.

Bijlage 1: overzicht van de eigenaren/bewoners van de hofstede Westermeer in Heemstede
-1643 Pieter Bon
-1643-Clara Hortensius, weduwe van Claas Adriaansz. Roos en hertrouwd met Fije Tjarcx Heydema
-erfgenamen Clara Hortensius
– 1671 Isaac Delmonte
– 1678-1684 Burchart van Aswede
-1684- Jan Nuijts
-1711- 1717Daniel Fruyt
– 1717-1751 Jacob Fruyt
– 1752-1759 Dirk Daam
-1759-1762 Robert Makkreel
-1762-1775 Leendert Pieter de Neufville
-1775-1786 Regina Martens, weduwe van Jan Elias Buys
-1786-1798 Frederik Lodewijk Braunsberg
-1798-1829 Jean Jacob de Faesch.

Nota Bene: de naam WESTERMEER komt voor het eerst voor in 1671 en duidt op ‘ten westen van het Haarlemmermeer’. Rond het nog niet ingepolderde meer hebben diverse hofsteden namen gedragen zoals: Meer en Bosch. Meermin, Overmeer, Meervliet, Meer en Berg, Meerzicht

Meerzicht aan de Glipper Dreef met naamsteen

De benaming RUIJPENEST of RIJPENEST is afgeleid van rups, zoals ook in koolrijp en ringrijp. Dit begrip kwam vooral in Holland voor, o.a. ook in Leiden en de Zaanstreek. Uitdrukking: ‘de boomen zitten vol rijpenesten’. In Gedichten, deel 1 van Pieter Langendijk, vinden we op pagina 338: ‘Trap niet op de rijp’. De schrijver G.A.Bredero gebruikte het woord ‘rijpenest’ in zijn klucht van Symen. De geleerde Antonie van Leeuwenhoek bericht in een van zijn brieven uit 1867: ‘(…) tot vliegende Schepsels quamen te werden en Eijeren leijden, soo soude het geen gevolg wesen, dat in de toekomende jaar Rupsen daar van souden moeten voortkomen; om redenen, dat wij in de na soomer warmte hadden, de wormen in hun Eijeren in korten tijt koomen groot of volmaakt werden, en daar uijtkomendem alle door regen en koude souden meten vergaan, en voornamellijk als de EIjeren, in soo een swaar omspinsel of Rijpenest, soo digt niet besloten leggen.’ 

Akte van 8 mei 1732 van een hofje in de stad Leiden… ‘Vijff huijsen ende erven staende ende gelegen binnen deser stede in seker eigge gange van outs genaemt het Ruijpenest met een bleijkveld voor de voors. huysen…’ Na het overlijden van Diederik baron van Leyden (1695-1764) is de benaming Ruijpenest’ [rupsennest] gewijzigd in ‘Mierennesthofje’ en als zodanig staat het nu nog bekend. (Archief Leiden)

voorbeeld van een rupsennest

Bijlage 2 Over Jacob Fruyt, mecenas van de dichter-toneelschrijver Willem van der Hoeven, schrijft mw.M.S.J.Cox-Andrau (zie literatuuropgave): ‘Jacob Fruyt overleed op 20 oktober 1751. In de boedelbeschrijving komt zijn woonhuis op het Singel te Amsterdam, tussen Gasthuismolensteeg en Warmoesgracht voor en de buitenplaats “Westermeer”. Hij was de zoon van Daniel Fruyt gehuwd met Marritje Jaspers (1670), uit welk huwelijk behalve Jacob een dochter Constantia werd geboren; zij huwde 13 januari 1703 met Gommarus Duyst. Een zoon uit dit huwelijk was Nicholaas, het lievelingsneefje van de ongehuwde Jacob Fruyt. En behoeve van hem sluit zijn vader Gommarus met Jacob Fruyt een actie van negotie voor drie jaren, gedagtekend october 1725. Nicholaas is dan “omtrent 20 jaren”. Op deze speciale verhouding moet Willem van der Hoeven gezinspeeld hebben in “Westermeer”. Jonger dan twintig jaar kan Nicholaas van Duyst bij Van der Hoeven’s bezoek dan ook niet geweest zijn, ook niet gezien de toespeling op een aanstaand huwelijk. De dood van de dichter in 1727 moeten we “Westermeer” op 1725/1726 dateren, hetgeen een verbetering met een kwarteeuw betekent van Van Veen’s datering, welke hij van de K,B. zegt overgenomen te hebben.’ Ten slotte kan worden opgemerkt dat in juli 1833 een collectie van 140 schilderijen, 30 beelden en verder vazen, tekeningen, prenten e.d. is geveild op het huis van de Faesch aan de Binnen-Amstel bij de Herengracht in Amsterdam uit zijn nalatenschap.

Bijlage 3: Leendert Pieter de Neufville ook als eigenaar van huize Overlaan van 1765 tot 1777
De belangrijkste eigenaren van Westermeer zijn geweest; 1) Daniël Fruyt en diens zoon Jacob (van 1711 tot 1751), 2) Jean Jacob de Faesch (van 1798 tot 1829) en tijd gerekend daartussen de Amsterdamse koopman 3) Leendert Pieter de Neufville (van 1762 tot 1775). Drs. Jan van Doorn ontdekte dat laatstgenoemde ook enige tijd eigenaar is geweest van huize Overlaan, destijds aan de Camplaan gelegen. Hij schrijft: ‘(…) In 1765 had Gerrit Munk, toenmalig schepen, in opdracht van beide eigenaars (mr.David van Lennep en Hester Barnaart) het huis met tuin en erf aan de Camplaan officieel overgedragen aan de Amsterdamse koopman Leendert Pieter de Neufville, die van 1762 tot 1775 eigenaar was van de hofstede Westermeer en bekend door de zilverraffinaderij die hij vestigde op het tegenover Westermeer gelegen “Ruijpenest”. Bij de 100 roeden erfpachtgrond, waarop het huis stond, kocht hij er in 1765 nog een strook erfpachtgrond van 80 roeden aan de Camplaan vóór het huis gelegen bij. Leendert Pieter de Neufville heeft zijn bezit aan de Camplaan op 23 januari 1777 in het “Wapen van Heemstede” publiek verkocht aan Johannes der Kinderen, schoolmeester, koster en voorzanger in de Heerlijkheid. Het huis werd toen “in zes partijen”, dus door zes gezinnen bewoond, mogelijk betrof het zes woningen onder één dak, zoals we in de eerste helft van de vorige eeuw op diverse plaatsen in de gemeente, bijvoorbeeld op de Molenwerfslaan, nog konden aantreffen. Al of niet met gemeenschappelijke pomp en secreet!’

 

Westermeerglas

Wijnglas op: ” ’t groeyen en bloeyen van Westermeer’ uit de tijd van Nicolaas Fruyt met aan de voorzijde een anonieme gravure van ’t Speelhuys, de koepel.(Rijksmuseum)

 

Westermeer21

Regels uit het hofdicht van Willem van der Hoeven, waarin hij  beschrijft van Westermeer via de Glip te lopen naar etablissement De Geleerde Man in Bennebroek.

 

Bijlage 4 Archivalia en literatuur:
-Noord-Hollands Archief Haarlem: Eigenaren van buitenplaatsen te Heemstede. Band 50.3,nr.1-322; transport- en hypotheekacten; klapper notarieel Heemstede (Suerink); beeldbank; collectie Heemstede in bibliotheek, locatie Kleine Houtweg, map in archiefdoos nummer 101.
-Jacqueline van Beek. Westermeer; de realiteit van één buiten en twee hofdichten. Doctoraalscriptie Utrecht, 1993.

-Jacob Bicker Raye. Dagboek Jacob Bicker Raye 1732-177. Amsterdam, 1935, eds. F.Beijerinck en M.G.de Boer.

-Jonathan Bikker. The hidden collection of the spectucalarly bankrupt banker Leonard Pieter de Heufville. 2012.

-Abraham Bogaert. De gedichten van.. Amsterdam, Willem Barents, 1721, pagina 21 bevat in vers ‘Geuzevelt’ een lofdicht op Westermeer van de heer Fruyt.

-Pit Dehnig. Geld in Amsterdam; wisselbank en wisselkoersen 1650-1725. Hilversum, Verloren, 2012.
-DBNL: Digitale bibliografie van de Nederlandse Taal- en Letterkunde.
-Chr. Bertram, zie: Groenendaal.
-Abraham Bogaert. Geuzeveldt. 1721.
-Delpher (Koninklijke Bibliotheek) , o.a. Rijfkogel.
-Christian Bertram. Noord-Hollands Arcadia.2005. Westermeer, pagina’s 377-378.
-M.S.J.Cox-Andrau. De dichter Pieter Vlaming (1686-1734). Bussum,Van Holkema en Warendorf, 1976.
-A.van Damme. De buitenplaatsen te Heemstede, Berkenrode en Bennebroek 1628-1811. Haarlem,Gebr. Van Brederode, 1903.
-J.W.G.van Doorn. Heemstede in de 19e eeuw. De Driesprong en Westermeer. Oud-Heemstede-Bennebroek,nummer 88,mei 1996, p.83-91.
-J.W.G.van Doorn. Overlaan. In: Oud-Heemstede-Bennebroek, 24e jaargang, nummer 93, augustus 1997, p. 136-145.
-S.C.A.Dudok van Heel. Willem van der Hoeven. In: Jaarboek Amstelodamum, 65, p.101vv.
-Groenendaal; van buitenplaats tot wandelbos. Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek, 2013. Westermeer op p.75-76, 86-89,102-103, 123 door Christian Bertram.
-J.W.Groesbeek. Geschiedenis van Groenendaal (e.o.). In: Groenendaal, 1978, pagina 40.
-J.W.Groesbeek. Heemstede in de historie. Heemstede, 1972. Westermeer, p.65-66.-Hoeven, W.van der. Westermeer, lusthof van den heere Jacob Fruyt, by Heemsteê buyten Haarlem. Circa 1721.
– Willem van der Hoeven. Huwelijkszang van den Heere Jan van Groeningen en jongvrouwe Maria van Boorn. Klinkdicht. 28 juni 1722. Ondertekend: Gedicht op Westermeer buiten Haarlem.
-Willem van der Hoeven. Westermeer.Lusthof van Jacob Fruyt bij Heemsteê buyten Haarlem in vaerzen beschreeven. Amsterdam, z.j. [1721].

-Roel Janssen. Grof geld; financiële schandalen en speculatie in Nederland. Amsterdam, 2011.

-E.E.de Jong-Keesing. De economische crisis van 1763 te Amsterdam. 1939.
-Pieter Langendijk. Op Westermeer. De lustplaats van den Heere Jacob Fruit, in Dichtmaat opgezongen door den Heere Willem van der Hoeven. Dichtkundige werken, deel 1. Haarlem, J.Bosch, 1760.
-Leonie van Nierop. Het dagboek van Jacob Bicker Raye. In Jaarboek Amelodamum 1935. Amsterdam, 1936, o.a. p.223-224 en pagina 232.
-C.S.Oldenburger-Ebbers (e.a.) Gids Ned. Tuin- en landschapsarchitectuur. 1998, p.190-191.

-C.van Roon. 155 jaar Algemene Begraafplaats Heemstede. mei 1828 – mei 1983. Informail, informatieblad van het gemeentelijk technisch bedrijf Heemstede, nummer 53.
-Frans Ryk. Westermeer. Lusthof van den Heere Jacob Fruyt, by Heemsteê buyten Haarlem. Amsterdam, Willem Barendse, 1721.
C.G.N.Smit. De twee hofdichten op Westermeer. Nieuwsbrief VOHB, 26, december 1980,p.8-12.

-Isabel Schnabel and Hyon Song Shin. Lessons from the Seven Years War [about a Banking collapse in Amsterdam whch rocked European financial markets in 1763. 2003 (internet).

-C.G.N.Smit. Jan Wandelaar. In: Nieuwsbrief VOHB, september 1981, p. 2-5.
-C.G.M. Smit. Pieter Langendijk. Hilversum, Verloren 2000.

 

Vooromslag van de biografie over Pieter Langendijk door Kees Smit

-Taco Tichelaar. Dolle ondernemingen, schaarste aan geld en over wisselbrieven (internet); – Frederik II van Pruisen, de filosoof en valsemunter (internet); – Frederik de Grote en de muntcrisis tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763 (internet)

 

gRonsveld

In 1762 is tevens door Bertrand Philip Sigismond Albrecht, graaf van Gronsveld (1715-1771) een particuiliere zilversmelterij in zijn porseleinfabriek te Weesp geïnstalleerd. Ook hij maakte gebruik van inferieur ‘Kriegsgeld’ uit o.a. Polen en Silezië dat in de ovens werd omgesmolten. Schilderij uit 1759 door Joseph de Spinny (c. 2008 Amstelveenweb.com).  Johan Heinrich Müntz (1727-1798), architect, graveur etc. werkte als metallurg voor twee particuliere zilversmelterijen, namelijk voor Benjamin Vertel Ephraim in Muiden en graaf van Gronsveld in Weesp. Hij beschreef in een publicatie het proces van zilversmelten: ‘Ausführliche Beschreibung von den Silber- und Kupfer Schmelz-werk von dem Ofen…zu Muiden bey Amsterdam’, 1769-1770. Daarin meldt hij dat De Neufville op Westermeer meermaals een foutief procédé toepaste.

-P.A.F.Veen. De soetichheydt des buyten-levens, vergheselschapt met de boucken. Het hofdicht als tak van de georgische literatuur. 1985.

Bandomslag van ‘De soeticheydt des buyten-levens’ door P.A.F.Veen

-J.W.Veluwenkamp. Ondernemersgedrag op de Hollandse stapelmarkt in de tijd van de Republiek. De Amsterdamse handelsfirma Jan Isaac de Neufville & Companie. 1730-1764.1981. [geslacht van zijdehandelaars; in dit boek blijft nochtans Leendert Pieter de Neufville buiten beschouwing].
-Wikipedia: Leendert Pieter de Neufvillen Johann Ernst Gotzkowsky.

-W.M.Zappey. Porselein en zilvergeld in Weesp. Dordrecht, 1982 (Hollandse Studiën 12, p.165-215.; hoofdstuk; de zilversmelterij, p.197-203)
-W.H.Zeelt. De Amsterdamsche beurs van 1763 en 1773: een bijdrage tot de geschiedenis van den handel. 1865.

BIJLAGE 1: Inleiding: De zilverssmelterij [in Weesp] door W.M.Zappey (zie lit.opgave): ‘Gronsveld en de heren Symons waren, behalve bij de Weesper porseleinfabriek, ook nog betrokken bij een eveneens te Weesp gevestigd en alleszins uitzonderlijk bedrijf, namelijk een zilvesmelterij. Deze ondernemingen, waarvan er in Holland een klein aantal hebben bestaan, waren een gevolg van de Zevenjarige oorlog (1756-763). Op het Europese vasteland vormde dit krijgsbedrijf een uiting van de Pruisische expansiepolitiek. Teneinde zijn omvangrijke legermacht snel van geld te kunnen voorzien, had Frederik de Grote na de plotselinge inval in Saksen zijn toevlucht genomen tot het oude en onverstandige middel van de muntverzwakking. De munthuizen van Dresden en Leipzig en in 1759 ook die van Brandenburg-Pruisen werden verpacht aan een tweetal aanzienlijke joodse geldhandelaren en hofbankiers, te weten Daniel Itzig (1723-1799) en Nathan Veitel Heine Ephraim (2703-1775). Itzig en Ephraim lieten erg veel slecht geld aanmaken, zilveren daalders met een groot gehalte aan koper. Beide heren hebben op omvangrijke schaal gefraudeerd. Het benodigde zilver werd vooral aangekocht in het toenmalige centrum van de handel in edele metalen, namelijk Amsterdam. De voorname handelshuizen aldaar hielden zich evenwel afzijdig van deze twijfelachtige transacties, maar zij bemiddelden wel bij het plaatsen van Pruisische oorlogsleningen. Dit werd onder meer gedaan door de deftige kooplieden-bankiers Clifford en Hope. Slechts enkele Amsterdamse handelsfirma’s verleenden hun medewerking aan de muntverslechtering door het leveren van minderwaardige, met koper vermengde zilveren baren. Een van die huizen was de firma Gebroeders de Neufville, waarvan firmant Leendert Pieter de Neufville sinds 1762 een eigen zilversmelterij exploiteerde. In de nazomer van dit jaar ging De Neufville bankroet, hetgeen aanleiding was tot de grote financiële crisis van 1763. Toen de Zevenjarige oorlog ten einde liep was in Duitsland bijzonder veel zilvergeld van laag allooi in omloop. Hiervan ging een prijsverhogende invloed uit, terwijl het ook nadelig was voor de wisselkoersen op het buitenland. Frederik de Grote besloot nu, inferieure zilveren daalders uit de circulatie te doen nemen en te laten omsmelten. Hierbij werd bepaald dat de omsmelting alsook het affineren buiten eigen landsgrenzen moet gebeuren. Dit zou technische en kostenvoordelen met zich brengen; bovendien waren de Pruisische smelterijen nog niet bedrijfsklaar. Ten gevolge hiervan ontstonden in de Republiek een aantal particuliere zilversmelterijen, onder meer te Heemstede, Muiden, Amstelveen en Weesp. Deze bedrijven waren gevestigd in de omgeving van Amsterdam, alwaar de Europese zilverhandel was geconcentreerd. Er kwamen omvangrijke zilvertransporten op gang waarbij de firma Heshuysen & Co., postmeesters te Naarden, voor wagenvervoer zorgde. Zo’n zilversmelterij was een gespecialiseerd bedrijf, waarvan het aantal arbeiders – verbouwers, stokers en gieters – tot tien of twaalf kon oplopen. Aan het hoofd diende een beëdigde affineur en essayeur te staan. Deze had tot voornaamste taak leiding te geven aan het smeltproces, het ontstane zilver te beproeven en juiste waarde ervan vast te stellen. Zuivere en onzuivere metalen dienden van elkaar te worden gescheiden, vandaar de aanduiding “scheider” en “affineur”. Het zuiveren van het sterk met koper vermengde zilvergeld gebeurde meestal door middel van verhitting met lood in een vuurvaste maar poreuze smeltkroes, test of kapel genaamd. Centrum van het bedrijf was een ijzeren oven; daarin werd weer een klein aarden oventje geplaatst, waarin zich de testen bevonden, gevuld met zilver en lood. Door de verhitting drong het lood in de poreuze test en nam de onzuiverheden uit het lood met zich mee. Bij dit procédé  ontstonden slakken waarin, behalve natuurlijk het lood en het koper, nog een zeker restant aan zilver kon zijn achtergebleven. Dit slak, door de tijdgenoten krets genaamd, werd dan opnieuw omgesmolten, hetgeen zonodig ook met de testen zelf kon gebeuren. Het hele smeltproces en vooral de ovenbouw vereiste veel technische vaardigheden. Dit onderwerp lag sterk in de belangstelling zodat van de Duitse staatshuishoudkundige en technologisch auteur Von Justi ver al kort na het einde van de Zevenjarige oorlog een boek over kon schrijven. Von Justi zelf stichtte in 1762 naar Hollands voorbeeld een smelterij in Wandbeck bij Hamburg. Van de Hollandse zilversmelterijen zijn er drie waarover iets meer te berichten valt. Een ervan behoorde aan de koopman Leendert Pieter de Neufville. In 1762 had hij het buiten “Westermeer” gekocht, dat gelegen was onder Heemstede, aan de weg naar Bennebroek. Zijn smelterij was gevestigd aan de overkant van de weg tegenover het buitengoed en wel in een huisje met schuur, vanouds genaamd het ‘Ruijpenest” of “Rijpenest”,  ter hoogte van de voormalige Berglaan. Frederik de Grote in eigen persoon vond in 1763 dat dit bedrijf buiten het faillissement van De Neufville moest blijven, dit vanwege de Pruisische belangen. Volgens Müntz (1)werden bij De Neufville’s  smelterij meermalen foutieve procédé’s toegepast en wel op instigatie van een “Hoogduitse alchimistische landloper”, die helaas niet met naam wordt genoemd (…)’.  

(1) Een belangwekkende technische bron voor het smelterijproces is een geïllustreerd manuscript van J.H. Müntz die bij de smelterijen in Weesp [tevens in de porseleinfabriek aldaar] en Muiden heeft gewerkt. Dit manuscript bevindt zich in de Baker Library (manuscript 322) van de universiteit van Harvard. Johann Heinrich Müntz, in 1727 geboren in Mühlhausen/Mulhouse in de Elsas en in 1798 overleden te Kassel, was een zeer veelzijdig man, werkzaam als portret- en landschapschilder, porseleinschilder, architectuurtekenaar, graveur, architect van gebouwen en parken, publicist en metallurg.  In Engeland heeft hij als schilder en graveur gewerkt in dienst van de literator Horace Walpole op diens neo-gotische kasteel Strawberry Hill. Na geëxposeerd te hebben in Londen in 1762 en 1763 vertrok hij naar Nederland, waar hij vertoefde in Amsterdam, Weesp en Muiden. Van 1764 tot 1785 was hij werkzaam in de porseleinfabriek van Weesp en al metallurg in de zilversmelterij tot 1771 (in eigendom van de graaf van Gronsveld) Aan de zilversmelterij  in Muiden (met de Duitser Benjamin Veitel Ephraim als eigenaar) kwam begin 1772 ook een einde nadat bij een inspectie door de rooimeesters van Muiden was vastgesteld dat de schoorsteen van de smelterij op instorten stond.

BIJLAGE 2:  WORDT DE TIJD 250 JAAR TERUGGEZET?

‘In 1763 – 250 jaar geleden – werden in Amsterdam in houten kisten massaal gouden en zilveren munten aangevoerd die toentertijd in de kelders onder het stadhuis werden opgeslagen. De bakermat van de bankrun is niet Cyprus, Griekenland of een ander Zuid-Europees land, noch een grote militaire macht als Pruisen, Rusland, Frankrijk of Groot-Brittannië. Die hadden tet toentertijd te druk met onderling oorlog voeren. De allereerste grensoverschrijdende bankrun begon waar zich de bankiershuizen bevonden die deze oorlogen financierden. Nederland was toen de offshorehaven voor de financiële sector. Bankiershuizen als Hope, Clifford, Pels en Muilman hadden samen een omvang van 1,5 miljard gulden – twee keer het bbp. In de zomer van 1763 ontstonden problemen bij het bankiershuis DE NEUFVILLE, dat op agressieve wijze schuldbekentenissen had uitgegeven (wissels had laten trekken, zoals dat toen heette) doordat een speculatieve aankoop van graan verkeerd uitviel. Eigenaren van die schuldbekentenissen wilden allemaal hun wissels omruilen in muntgeld. Op 30 juli 1773 moest De Neufville wegens gebrek aan liquiditeiten de deuren sluiten. Ook andere banken werden niet meer vertrouwd. Binnen één jaar gingen honderd banken ten onder, waaronder 40 in Amsterdam. Sinds die tijd hebben overheden talrijke maatregelen genomen om dergelijke bankruns te voorkomen. Er kwam toezicht op de banken, de kapitaaleisen weerden verscherpt en er werden garantiestelsels bedacht die spaarders moesten beschermen. Maar een bankrun is nooit uitgebannen. Banken zijn nu eenmaal per definitie insolvabel. Ze lenen geld uit voor hypotheken of bedrijfskredieten dat ze niet onmiddellijk kunnen opeisen, maar waarvoor ze geld gebruiken dat spaarders wel ieder moment kunnen terugvragen, Sinds 2007 is de bankrun zelfs aan de orde van de dag (…)  Als het vertrouwen niet wordt hersteld rest spaarders weinig anders dan het geld weer in een oude sok te stoppen en een bouvier te nemen om die te bewaken. Dan kan nergens meer – of alleen bij een woekeraar – een krediet worden gekregen voor de aankoop van een huis of een investering in een bedrijf. Alleen de aristocratische klasse die geld door vererving krijgt, kan bouwen of ondernemen. Dan is Nederland weer terug in de tijd van voor 1763′. (P.de Waart, in: De Volkskrant van  29 maart 2013) 

Bijlage 3: Een halve eeuw na het bankroet van L.P.de Neufville zijn twee nazaten uit dit geslacht vanwege financiële malversaties in Parijs in hechtenis genomen

bericht uit o.a. de Tijd van 29-5-1914)