Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Onderzoeksrapport Het Verraad van Anne Frank nader onderzocht met als mijn conclusie: het is niet aannemelijk dat notaris Arnold van den Berg de verrader is geweest. – 22 maart Joodse notaris Arnold van den Bergh gerehabiliteerd in rapport van 6 historici, vooral dankzij dagboekvondst door Aaldrik Hermans

Ter informatie: The Betrayal of Anne Frank Refutation, 22 maart 2022 in Aula Universiteit Amsterdam 20.00 uur met medewerking van Bart Willet, Petra van den Boomgaard, Raymond Schütz, Laurien Vastenhout, Aaldrik Hermans, Bart van den Boom, Hanko Jürgens (moderator)

Voor Goudstikker-onderzoek door Cees van Hoore zie: bijlage2. Verder een reactie van kleindochter Mirjam de Gorter in dagblad Trouw van 19 maart 2022. Aan het slot: het rapport van 6 historici “De Joodse notaris en de beschuldiging van verraad’ met nieuwe gegevens.

BREAKING NEWS: boek Anne Frank wordt door uitgever Ambo Anthos uit de handel genomen

(Haarlems Dagblad, 23maart 2022)

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2022/03/22/verraad-anne-frank/?deliveryName=DM200467

(Afkortingen: VdB = Arnold van den Bergh; LO = Landelijke Organisatie voor de hulp aan onderduikers); CCT = Coldcaseteam)

17 januari 2022 verscheen, publicitair groots aangepakt,een boek met de titel: Het verdrag van Anne Frank; het baanbrekende onderzoek van een internationaal coldcaseteam in Nederland’. Onder de naam van de Canadese schrijfster Rosemary Sullivan (1), in  Nederlandse vertaling uitgegeven bij Ambo/Anthos. De internationale publicatie verscheen tegelijk in 23 landen, de wereldrechten van de uitgave bezit HarperCollins in USA /UK de op één na grootste uitgever van consumentenboeken in de wereld met vestigingen in 17 landen.  Aan het boek is meer dan 5 jaar gewerkt door een internationaal interdisciplinair team onder leiding van mediaproducent Pieter van Twisk. Het idee voor een nieuw onderzoek ging uit van de Nederlandse filmmaker Thijs Bayens, wiens familie in de Tweede Wereldoorlog Joodse onderduikers had opgevangen. Als forensisch medewerker trad Vince Pankoke op, zoon van een oorlogsveteraan. Een intussen gepensioneerd FBI-rechercheur uit de Amerikaanse staat Wisconsin, die als teamleider fungeerde  van voornamelijk Nederlandse experts en vrijwilligers, met voornoemde drie personen als centrale figuren.  Het boek bevat 42 hoofdstukken en telt in totaal 380 bladzijden, exclusief 8 fotopagina’s in het midden,  inclusief aan het slot 1) een nawoord van de lead case agent Pankoke (2 pagina’s) , 2) lijst coldcaseteam en externe deskundigen (3p.), 3)dankwoord van de projectdirectie (6p.), 4) dankwoord van de auteur (2p.), 5) Archieven en instellingen (2p.), 6) Verklarende woordenlijst (11p.), 7) Noten (23 p.), 7) Bibliografie (6p.), 8) Register (11p). Het CCT beroept zich er op te hebben gewerkt met big data, artificial intelligence – waarbij overigens opgemerkt dient te worden dat 80 tot 90 procent van de Duitse archieven vóór de bevrijding is vernietigd – en algoritmes.

Rosemary Sullivan als auteur op vooromslag van boek in drie talen. De Duitse uitgave is nog niet verschenen en zal vrij zeker niet meer uitkomen na eerdere substantiële kritiek in onder meer Der Spiegel en Die Welt . Februari 2022 verscheen het boek in 8 vertalingen, februari in 2 en in maart 3 (Portugees, Pools en Deens).
Aandacht voor het coldcaseteam in het NOS journaal van 17 januari 2022
En wereldwijde attentie tot in China en Japan

In de aankondiging wereldwijd is op basis van een statistisch onderzoek een percentage van 85 tot 87% van aannemelijkheid genoemd dat de Joodse notaris als vermoedelijke verrader kan worden aangemerkt. In het boek word ik als historicus verbonden aan het Noord-Hollands Archief bedankt op pagina 337. Persoonlijk kwam ik na lezing van de publicatie van kaft tot kaft tot een Pascaliaans  pari argument van 50%. Na verder onderzoek ook door anderen, en een analyse kom ik uiteindelijk uit op een kansberekening van minder dan 10 procent. Dat is gebaseerd op twee weken van intensief onderzoek, bestaande uit het lezen van 15 boeken, 80 tijdschrift- en krantenartikelen en na meer dan 100 websites te hebben nageplozen, van delpher tot wikipedia e.v.a. Dit percentage is veel te laag om wijlen notaris Arnold van den Bergh als nieuwe hoofdverdachte te kunnen aanmerken. Heden nog aangevuld met gegevens uit het rapport De Joodse notaris en de beschuldiging van verraad (Amsterdam, 22 maart 2022) . Het echtpaar Van den Bergh zat na een tip van Jaap van Proosdij in het Gooi (Laren) ondergedoken, terwijl het CCT vergeefse naspeuringen deed naar een door Miedl ‘bezet’ huis van Goudstikker in Ouderkerk aan de Amstel dat aan Goudstikker toebehoorde.

Na een inleiding over reeds verricht onderzoek in het verleden, gevolgd door een aantal aannames en interpretaties van het coldcaseteam (CCT), volgt informatie over de inval in het Achterhuis, en over Arnold van den Bergh als notaris. Ook aan Alois Miedl wordt in verband met de Goudstikker-affaire aandacht besteed. Ten slotte volgen mijn voorlopige conclusies.

Opgemerkt kan worden dat in het verleden twee rechercheonderzoeken in Amsterdam hebben plaatsgevonden naar de mogelijke verrader van de familie Frank, te weten in 1947/1948 en nogmaals in 1963/1964. Met talrijke verdachten. In totaal zo’n 28 tot meer 40 personen, voornamelijk NSB’rs, collaborateurs, werknemers van Otto Frank en buurtgenoten van het Achterhuis kwamen min of meer in aanmerking en zijn onderzocht, van wie de belangrijkste verdachten waren Willem van Maaren (1895-1971), Lena Hartog-van Bladeren (1897-1963), Tonny Ahlers (917-2000), Nelly Voskuijl (1923-2001),  Hendrik van Hoeve (1901-1977) en Ans van Dijk (1905-1948), Niemand kon als de uiteindelijk feitelijke verrader worden aangewezen. Sommigen meenden dat zonder een specifieke verrader de inval op 4 augustus 1944 plaatshad en het aantreffen van 8 onderduikers een toevalstreffer is geweest. Dat men dus voor iets anders kwam en bij toeval de onderduikers aantrof. In het verleden zijn verscheidene publicaties omtrent het verraad verschenen. Daarvan vermeld ik enkel de belangrijkste, zoals van David Barnouw en Gerrold van der Stroom Wie verraadde Anne Frank (Amsterdam, 2003), iets uitgebreid in het Duits Wer verriet Anne Frank?, waarin ook Arnold van den Bergh als mogelijke verdachte is beschreven. Barnouw onderschreef de mening van  rechercheur Van Helden die na zijn onderzoek in 1964 tot de conclusie was gekomen dat aan diens integriteit niet getwijfeld hoefde te worden. In 1998 kwam een boek uit van  Melissa Müller: Das Mädchen Anne Frank’ Anne Frank, de biografie. Amsterdam, Bert Bakker). De Oostenrijkse auteur vermoedde dat Lena Hartog-van Bladeren, als werkster werkzaam in het pand, de onderduikers had verraden. Zij had bij de politie leugenachtige verklaringen afgelegd en waarheden verdoezeld door niet te vermelden dat zij in het pand Prinsengracht 263 had gewerkt. In 1998 maakte Cor Suijk (1924-2004) wereldkundig dat hij over vijf ontbrekende pagina’s van het dagboek van Anne Frank beschikte, die hij als vriend van Otto Frank had ontvangen. De vader van Anne had deze hem gegeven vanwege de pijnlijke inhoud die Frank niet gepubliceerd wilde hebben zoals al te persoonlijke opmerkingen over het huwelijk. Het Anne Frank Fonds meende als rechthebbende te moeten opeisen. Uiteindelijk is na lange onderhandelingen aan Suijk door de Nederlandse Staat  in 2001 een bedrag betaald van zeven ton, welke bedrag hij zou besteden aan educatieve projecten in de Verenigde Staten over de jodenvervolging. Voorts publiceerde Carrol Ann Lee, na eerder in 1998 Anne Frank 1929-1945, in 2002 Het verborgen leven van Otto Frank (Amsterdam, Balans). [Oorspronkelijke titel: The hidden life of Otto Frank], die Tonny Ahlers als dader aanwees  [Discovery Channel gaf hiervan een dvd uit  met foto’s en filmbeelden]. Sytze van der Zee publiceerde : Vogelvrij. De jacht op de Joodse onderduiker (Amsterdam, 2010), en wees jodenverraadster Ans van Dijk als mogelijke dader aan. December 2016 publiceerde dr. Gertjan Broek van de Anne Frank Stichting een Onderzoeksverslag inzake verraad en arrestatie van onderduikers in Het Achterhuis. Het bevat 37 bladzijden en gaat in op alle bekende gegevens van Otto Frank, de arrestanten en mogelijke verdachten. Arnold van den Bergh blijft daarin onvermeld. Bij de geraadpleegde archieven komt het Anne Frank Fonds in Bazel, dat over het persoonlijk archief van Otto Frank beschikt, niet voor. 

 

Nog in maart 2020 verscheen bovenstaand boek van Gerard Kremer: Anne Frank betrayed; the mystery unravelled after 75 years waarin jodenjaagster Ans van Dijk als enige verdachte omstandig is beschreven.

In dit verband is ook van belang dat Ernst Schnabel in 1958 een boek publiceerde Anne Frank. Spur eines Kindes,  waarin hij de getuigenissen beschrijft van 42 mensen die op enigerlei wijze in verband waren te brengen met Anne Frank. In origineel bewaard in het Deutsche Literaturarchiv in Marburg  Volgens Victor Kugler  (1900-1981), een helper van de familie Frank die tijdens de inval in het huis aanwezig was had Silberbauer geroepen Wo sind die Juden? Wat er onmiskenbaar op duidt dat hij van tevoren was getipt en de veronderstelling uitsluit dat men bij toeval het pand binnentrad en op de onderduikers was gestuit.  Verder vond het CCT een aantekening in relatie tot Miep (Gies): ‘En ze kent de verrader’.  Verder niets. Schnabel overleed in 1986. Mocht hij de naam van de verrader in vertrouwen hebben vernomen heeft hij die nooit openbaar gemaakt.

De inval in het Achterhuis

Achterzijde van het Achterhuis

Wat we met zekerheid weten is dat de Duitse SS’r en SD-chef Julius Dettmann  (1894-1945), die telefonisch was ingelicht (door wie zullen we nooit weten!) , aan de geüniformeerde Oostenrijker Karl Josef Silberbauer 4 augustus 1944 opdracht gaf zich naar het pand Prinsengracht 263 te begeven alwaar zich Joodse onderduikers zouden bevinden. Hij deed dat met zoals de gewoonte in die periode 5 of 6 Nederlandse SD’rs  – bij de Sicherheitsdienst gedetacheerde ‘foute’ politiemannen, gespecialiseerd in het opsporen van Joden en verzetsmensen. Onder hen bevonden zich de beruchte politieagent en collaborateur Abraham Kaper, alsmede Gezinus Gringhuis en Willem Grootenhuis. Mogelijk ook de in 1949 ter dood veroordeelde jodenjager Pieter Schaap.  Achter de ordnerkast op de bovenverdieping (het Achterhuis) zijn 8 personen aangetroffen, die zich daar vanaf juli 1942 verborgen hielden, te weten Otto Frank, zijn vrouw Edith Frank-Holländer, hun dochters Margot en Anne. Verder het gezin Van Pels (in het boek Van Daan genoemd): vader Hermann, echtgenote Auguste en hun zoon Peter, ten slotte sinds november 1942 opgenomen nog een goede kennis van Otto Frank:  Frits Pfeffer

De kast die toegang gaf naar de schuilplaats in het Achterhuis Prinsengracht 263 (Maria Austria)

Na hun geld en sieraden te hebben afgestaan kreeg men de gelegenheid kleding en toiletgerei mee te nemen. In een grote opgeroepen vrachtwagen zijn ze overgebracht naar een bijgebouw aan de Euterpestraat waar het hoofdkwartier van de SD was gevestigd. Via doorgangskamp Westerbork zijn allen naar concentratiekampen in Auschwitz of Bergen-Belsen vervoerd en vermoord dan wel zoals Anne aan vlektyfus overleden. Enkel Otto Frank overleefde het vernietigingskamp en de oorlog.

Het nieuwe onderzoek

Intussen is het meer dan 75 jaar geleden dat arrestatie etc. plaatshad. Men kon er van uitgaan dat niemand uit de bezettingsjaren nog in leven was. Dat bleek het geval op één uitzondering na. Men spoorde een 102 jarige [intussen 105 jaar oud] voormalige secretaresse Mirjam Bolle-Levie van de Joodse Raad op, die Bergen-Belsen overleefde en naar Palestina emigreerde. Zij publiceerde een boek met de titel Ik zal je beschrijven hoe een dag er hier uitziet. Dagboekbrieven uit Amsterdam, Westerbork en Bergen-Belsen (Amsterdam, 2003). Woonachtig in Israël, kon zij echter weinig meer vertellen dan had zij geen kennis had van lijsten van Joodse onderduikers. Nog wist zij te vertellen dat  lid Arnold van den Bergh een vrij stille man was, gereserveerd en bescheiden.

Wat het coldcaseteam heeft gedaan is alle verdachten uit het verleden nogmaals aan een archivalisch onderzoek te onderwerpen, wat overigens  eerder ook al o.a. Gertjan Broek en David Barnouw hadden gedaan. Laatstgenoemde bericht in hoofdstuk 7 (Kommen andere Personen als Verräter in Frage?)  van Wer verriet Anne Frank (Münster, 2005) over notaris Arnold van den Bergh, die de oorlog overleefde en zich vervolgens verdienstelijk maakte voor de Joodse gemeenschap en bij Van Helden als verrader was afgevallen. Citaat: (…) Der im vorigen Kapitel bereits mehrfach erwähnte Ermittlungsbeambte van Helden ging 1964 auch den Hinweis auf den anonymen Brief nach. Dabei stellte sich heraus, dass Otto Frank das Schriftstück einem Vorstandsmitglied der Anne Frank Stiftung gegeben hatte; es gelang van Helden nicht, es in die Hände zu bekommen. Sein Inhalt liess sich jedoch rekonstruieren: “Ihr [d.h. Franks] Aufenthalt würde der jüdischen Auswanderung [der Zentralstelle] in Amsterdam, Euterpestraat, damals durch A.van den Bergh mitgeteilt […]”. Weitere Untersuchungen ergaben, dass sich diese Äusserung auf den inzwischen verstorbenen Notar van den Bergh bezog, der tatsächlich Mitglied des Judenrates gewesen war. Obwohl van Helden dies “nicht durch Beweise zu erhärten vermochte”, musste man “allerdings annehmen”, dass der Notar nie Namen an die Zentralstelle weitergegeben hatte. Van Helden wurde noch deutlicher:”Die erhaltenen Informationen” hatten den Ermittler “zu der Auffassung gelangen lassen, dass es keine Veranlassung gab, an der Integrität dieses Mannes [des Notars] zu zweifeln”. Die Geschehnisse an den anonymen Brief, der Frank erhalten hatte, waren also Gegenstand einer gründlichten Untersuchung. Dabei stiess man auf den Namen eines Notars, nicht auf den von Ahlers’ (…) [pagina 81].

Vooromslag van boek Wer verriet Anne Frank? door David Barnouw en Gerrold van der Stroom.. Münster, Agenda Verlag, 2005.

Het CCT ging op zoek naar familie van Arend Jacobus van Helden die in  1963-1964 als politieman betrokken was bij het toenmalig rechercheonderzoek naar de verrader van de onderduikers op het adres Prinsengracht 263. Men vond diens zoon Maarten. Van Helden. Deze bleek nog van zijn overleden vader kopieën van praktisch alle bladzijden van het onderzoek te bezitten, met inbegrip van de oorspronkelijke ordner van de Rijksrecherche. Daartussen ontdekte Pankoke in 2019  een licht vergeeld blocnootblaadje  met een getypte boodschap en daaronder enkele door de vader geschreven zinnen in inkt, dat Van Helden jr. al die jaren tussen alle paperassen had bewaard.  Boven het getypte briefje stond Abschrift. Het anonieme briefje, dat Frank pas bij het tweede onderzoek in 1964 doorspeelde, bevat de volgende tekst: Uw schuilplaats te Amsterdam werd indertijd medegedeeld aan de Jüdische Auswanderung te Amsterdam, Euterpestraat, door A.van den Bergh, destijds woonachtig nabij het Vondelpark, O.Nassaulaan. Bij de J.A. lag een hele lijst door hem doorgegeven adressen’. (2). Uit forensisch onderzoek bleek dat het anonieme briefje na de Bevrijding in de brievenbus bij Otto Frank gestopte briefje is overgetypt op de schrijfmachine van Otto Frank.

Het anonieme briefje ‘Abschrift’ door Otto Frank als kopie getypt met aantekeningen van rechercheur A.J.van Helden uit 1964 waarin staat vermeld dat hij het op 16 december 1963 ontving en het origineel zich bevindt bij notaris Van Hasselt, Keizersgracht 702.

Dit ene briefje is, nadat eerdere verdachten na onderzoek waren afgevallen, voor het onderzoeksteam reden geweest verder onderzoek te verrichten naar de persoon Arnold van den Bergh (VdB). Destijds was Van den Bergh reeds als verdachte aangemerkt, doch als potentiële verdachte afgevallen. Het coldcaseteam is verder gegaan met onderzoek naar de achtergronden rond Van den Bergh. Bij het onderzoek in 1964 was gebleken dat Van den Bergh zich in de naoorlogse periode tot zijn overlijden in 1960 op bestuurlijk gebied zeer verdienstelijk had gemaakt in joodse kringen.

Nadrukkelijk merk ik op dat men het originele briefje in de geraadpleegde archieven niet heeft aangetroffen, noch bij de Anne Frank Stichting, noch in Het Amsterdams Stadsarchief noch bij het NIOD of elders. Indien al ergens bewaard kan dat uitsluitend zijn bij het Anne Frank Fonds te  Bazel. Het staat vast dat Otto Frank het authentieke briefje destijds in Amsterdam bij zijn notaris Van Hasselt in bewaring had gegeven voordat hij met zijn persoonlijk archief blijvend naar Zwitserland verhuisde.

Intermezzo: Otto Frank en zijn gezin, de Anne Frank Stichting en het  Anne Frank Fonds

Otto Frank is 12 mei 1889 te Frankfurt geboren en 19 augustus 1980 in Bazel, waar hij sinds 1953 woonde, overleden. Hij was een Duitse zakenman die in juli 1933 vanwege het toenemend antisemitisme met zijn gezin, echtgenote Edith Frank-Holländer en 2 dochters Margot en Anne, via Aken naar Nederland verhuisde. Met behulp van zijn zwager Erich Elias richtte hij de N.V. Nederlandse Opekta Mij op, een bedrijf dat pectine verkocht waarmee huisvrouwen thuis jam konden maken. Een klein team van medewerkers met na verhuizing van Singel naar Prinsengracht 263, waar  op het kantoor ook Johannes Kleiman, Victor Kugler, Miep Gies en Bep Voskuijl werkten. In 1942 richtte hij in het achterhuis van zijn bedrijfspand een schuilplaats in. Op 6 juli van dat jaar vertrokken de Franks van het Merwedeplein 37-11 naar dit schuiladres. Later voegden de families Van Pels en Frits Pfeffer, ook Duitse Joden die hun land waren ontvlucht, zich bij hen aan. Na arrestatie en deportatie stierf Edith Frank in Auschwitz op 6 januari 1945, de beide dochters in februari 1945 aan de gevolgen van vlektyfus  februari 1945 in Bergen-Belsen. Zelf is Otto Frank volledig verzwakt in de ziekenbarak van Auschwitz op 27 januari 1945 bevrijd door de Russen. In juni 1945 keerde hij terug naar Amsterdam, als enige overlevende van 8 onderduikers in het Achterhuis. Uit handen van Miep Gies ontving hij het achtergebleven dagboek van dochter Anne. Met uitsluiting van enige passages waarin Anne negatief over haar moeder schreef en het onderwerp seksualiteit aanroerde is het boek voor het eerst in 1947 uitgegeven. Het boek verscheen wereldwijd in meer dan 70 talen  met in totaal 30 tot 35 miljoen exemplaren. In 1952 hertrouwde Otto Frank met de weduwe Elfriede Geiringer (1905-1998). Zijn meest naaste medewerkster Miep Gies gaf in 1987 een boek uit Herinneringen aan Anne Frank. Eerder is met medewerking van Otto Frank in 1957 de Anne Frank Stichting opgericht, om te voorkomen dat het huis aan de Prinsengracht zou worden gesloopt. Het pand  is sinds 1960 een museum en tegenwoordig een van de druk bezochte openbare instellingen van Amsterdam. In januari 1993 richtte Otto Frank het Anne Frank Fonds op in Bazel. Deze stichting vertegenwoordigt de familie Frank en beheert de auteursrechten van de geschriften van Anne Frank.

Het gezin Frank aan het Van Merwedeplein met v.l.n.r. dochter Margot, vader Oyyo Frank, dochter Anne en moeder Edith Frank-Holländer

Het Fonds wilde niet dat het coldcaseteam een boek zou publiceren met daarin Anne Frank in de titel en weigerde medewerking om het persoonlijk archief van Otto Frank te doorzoeken.

Foto van kinderen die in de zomer van 1938 verbleven in het ‘Kinderhuisje’, een soort pension, Drift 29 (later 27) in Laren, het Gooi. Hierop zien we Anne Frank als tweede van links (bron: Historische Kring Laren, artikel: ‘Een badkuip aan de Drift’ door Steven Weinberg, Aaldrik Hermans en Michiel van Driel. Kwartaalnummer 157, 2021-3.

Arnold van den Bergh, kleinzoon van Daniel van den Bergh  (1794-1866) en zoon van Simon van den Bergh (*1847) en Esther van den Bergh-Monnickendam(1846-1930) is 20 januari 1886 geboren te Oss en behoorde tot de Bergoss-tak van de (Joodse) ondernemersfamilie met destijds een grote tapijtfabriek welke in de jaren 80 van de vorige eeuw ten onder ging. In 1908 werd hij kandidaat-notaris (Het Vaderland, 31-10-1908) V.d.Bergh trouwde te Enschedé op 8 juni 1920 met de Joodse vrouw Auguste Kan (1899-1968). Uit dit huwelijk zijn 3 dochters geboren: Emmy, Esther (Hetty) en Anne-Marie, alledrie intussen overleden. Met één van de  kinderen van laatstgenoemde heeft het CCT uitvoerig gesproken.

Portret van notaris Arnold van den Bergh, 1947

In 1923 is Van den Bergh  benoemd tot notaris in Amsterdam en in 1938 is zijn kantoor gefuseerd met dat van notaris Eduard Spier (1902-1980), die in kamp Westerbork terecht kwam en de oorlog overleefde. In de meidagen van 1940 heeft hij vergeefs geprobeerd naar Engeland te vluchten Op 21 februari 1941 is Van den Bergh door de toen Duitse autoriteiten uit het ambt van notaris gezet, doch pas per 31 augustus 1943 is kandidaat-notaris J.W.A.Schepers aangewezen als waarnemer van het kantoor van Van den Bergh, die zich erover beklaagde dat akten ontbraken die  VdB achterhield, en nog altijd in het chique huis Oranje  Nassaulaan 60 parterre woonde en bovendien geen ster droeg. Vanaf oktober 1943 heeft het echtpaar vrijwel zeker in Laren een schuilplaats gehad tot de Bevrijding, terwijl de oudste twee dochters Emma en Esther (Hetty), een tweeling, aanvankelijk – in Broek op Langendijk- vervolgens bij een familie De Bruin in Scharwoude, ten slotte in Laren zaten ondergedoken, vanaf 1944 dankzij verzetsman Schlösser in Laren, hem bekend via het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis, war, waar de tweeling-dochters in 1942 almede een nicht Hester van den Bergh als leerling-verpleegsters werkten. De jongste dochter Anne-Marie bij de familie Bastiaensen in Sprundel en korte tijd bij de familie Sadée in Breda. Allen overleefden de oorlogsperiode.

Oranje Nassaulaan 58-62 in Amsterdam, op nummer 60 – enkel parterre- woonde het gezin van A. van den Bergh (foto Stadsarchief Amsterdam) Na de Bevrijding woonde de familie op het adres Minervalaan 72-III hoog
In 1942 was mr.C.E.Massee benoemd als waarnemer van de Joodse notaris Arnold van den Bergh (Algemeen Handelsblad, 8 mei 1942)

De Courant Het Nieuws van den Dag, 8-3-1944

Per 1-2-1944 is J.D.Overberg als notaris als waarnemer van notaris A.van den Bergh benoemd, tevens voor de Joodse notaris E.Spier.

(Algemeen Handelsblad, 3 februari 1944)

(De Nieuwe Dag, 6 juni 1945)
Het voormalig notariskantoor van A.van den Bergh, Keizersgracht 634. Verhuisd in 1949 met E.Spier en C.E.Massee naar Westeinde 24. Op laatstgenoemd adres bestaat nog altijd het notariskantoor Spier en Hazenberg
(De Volkskrant, 24-11-1949)

In 1941 is VdB benoemd als lid van de door de Duitse bezetters aangestelde Joodse Raad, met tot 1943 kantoor gevestigd aan de Nieuwe Keizersgracht 58. Als zodanig beschikte hij over een Sperre ofwel vrijstelling van deportatie, zodat zijn gezin niet op transport werd gesteld.

De Joodse Raad bijeen, november of december 1942. V.l.n.r. zittend Abraham Asscher (1880-1950) (voorzitter), professor dr.David Cohen (1882-1967) (mede-voorzitter), onbekend, onbekend, A.VAN DEN BERGH, opperrabbijn Philip Frank (woonde in Haarlem en is op 2 februari 1943 als represaille in de duinen bij Bloemendaal gefusilleerd), dr.D.M.Sluys, mr.S.J.van Lier, mr. Albert B.Gomperts, W.A.Mendes da Costa. Staand vlnr: Meijer de Vries, dr.A.v.d.Laan, J.Brandon, onbekend, onbekend, A.Soep Bzn., onbekend, prof.dr.J.Brahn (de enige Duitse Jood in de Raad) , A.Kouwer, onbekend, prof. dr.J.L.Palache (NIOD, foto in o.a. het boek Ondergang)

In het standaardwerk van dr.J.Presser Ondergang, de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 (2 delen, 1965) wordt Arnold van den Bergh 3 keer genoemd; 1) pagina 82: De ledenlijst van de Joodse Raad zoals die aan Böhmcker met een enkele latere aanvulling is opgegeven, behalve de namen van de beide voorzitters [A. Asscher en D. Cohen], die van de navolgende personen: dr.J. Arons – mr.N.de Beneditty – A.van den Bergh – mr.A.B.Gomperts – I.de Haan – A. de Hoop – mr.M.L.Kan – mr.I.Kisch – A. Kouwer – mr.S.J.van Lier – A.J. Mendes da Costa – prof.dr.J.L.Palache – mr.dr.M.I.Prins – opperrabbijn L.H.Sarlouis – dr. D.M.Sluys – A.Soep Bzzn – I. Voet – dr.I.H.J.Vos; pagina 103: Blijkens een stuk van 25 mei kwam een subcommissie uit de Joodse Raad (de heren A. van den Bergh, Kouwer en van Lier) tot stand welke een lijst opstelde van verenigingen (25 mei 1941) drie dagen later, op 28 mei zond de Joodse Raad, op grondslag van een door deze subcommissie opgesteld concept een uitvoerig stuk aan de : “Generalkommissar zur besonderen Verwendung, Abteilung Vereinswesen”in Den Haag; pagina 487: Hoe is het tot de oprichting van de J.V.-4 [= Joodse Vereniging voor Verpleging en Verzorging] gekomen? Berkley zegt, dat de Duitsers zulk een chaos in het Joodse verenigingswezen hadden teweeggebracht, dat zij aan de Joodse Raad een herordening opdroegen, waarvan deze “J.V.-4” een uitvloeisel was; bij Herzberg ontbreekt die Duitse opdracht; notaris A.van den Bergh, nauw bij alles betrokken als lid van het Nederlands-Israëlitisch Armbestuur, spreekt van een “bevel” van de Duitsers; elders is weer sprake van een Duitse opdracht aan A.Asscher. Gelukkig is een afschrift van de oprichtingsacte in twee talen, gedateerd 4 november 1942 bewaard gebleven. Daarin staat de opdracht van de “Beauftragte des Reichskommissars für die Stadt Amsterdam”.

Van den Bergh slaagde er in 1943 in zich via Hans Georg Calmeyer (3) te laten ariseren, en is de J uit zijn identiteitsbewijs  geschrapt. De status van voljoods werd gewijzigd in kwartjoods. Hiertegen protesteerde de pro-Duitse notaris Schepers die een klacht indiende en als gevolg hiervan verloor Van den Bergh deze beschermende Calmeyer-status.  In september 1943 is de Joodse Raad opgeheven. Verscheidene van de leden zijn vervolgens naar Westerbork afgevoerd.

Jaap (Jacob) van Proosdij (1921-2011) was advocaat en heeft veel bijgedragen om Joden te behoeden voor deportatie tijdens de nazi-bezettingstijd. Vanaf 1943 werkte hij als hoofd van het bureau Innere Verwaltung’ nauw samen met Hans Calmeyer van het bureau Entscheidungsstelle op het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Gewaarschuwd door Jodenhelper Jaap van Proosdij van het bureau Innere Verwaltung heeft Van den Bergh kunnen regelen dat zijn dochters via illegaliteit (LO) onderduikplekken in Noord-Scharwoude en Sprundel verkregen, mogelijk via de Larense verzetsman Albert Schlösser, die zelf in dat jaar op een opsporingslijst kwam te staan en moest onderduiken. Het was namelijk Jaap van Proosdij die op het kantoor van de afdeling Entscheidungsstelle Calmeyer met Aus der Fünten had horen spreken over de ophanden zijnde arrestatie van de familie Van den Bergh. [Zie ook: C.P.van den Boomgaard. Voor de nazi’s geen Jood. Hoe ruim 2500 Joden door onderduiking van rassenvoorschriften aan de deportaties zijn ontkomen].

Het drukken van de illegale krant Trouw Links Albert Schlösser, rechts Toontje Riebel, op de achtergrond Henk Veldhuis (bron: Archief Wortel) Behalve voor Trouw werkte Schlösser voor de verzetskrant ONS VADERLAND: het blad van en voor vrije Nederlanders, dat in Laren-Blaricum van midden juni 1941 tot juli 1942 gestencild verscheen in een oplage van 500 tot 2000 exemplaren (nummer 579 in De ondergrondse pers 1940-1945, pagina 181). Na juli 1942 zette Schlösser zijn activiteiten voort in samenwerking met de Trouw-groep door de leiding op zich te nemen van een ondergrondse drukkerij van de KP-groep ‘HANS'(nrs. 26 en 857; met H.Veldhuis regelde Schlösser dat voor Trouw een zes ton zware drukpers uit Hilversum en een kleine zetterij uit Andijk werden ondergebracht in het hondenpension van mej.E.Plate te Blaricum (later in de kwekerij van de gebroeders Koppel).

Verwezen wordt naar een artikel van de Historische Kring Laren Kwartaalbericht 107/2009-1, over Onderduikers in 9% van Larense huizen. Citaat: Er is in Laren, Blaricum en Eemnes tijdens de bezetting meer ondergronds werk verzet geweest dan menigeen nu nog zal weten. Dat blijkt heel duidelijk uit een nog niet eerder gepubliceerd, in oktober 1945 door C.de Graaff voltooid rapport. Architect De Graaff was een van de leiders van het plaatselijk verzet en na de bevrijding voorzitter van de Bond van Oude Illegale Werkers in Laren. Juist nu de vierde mei weer nadert, is het goed te beseffen wat en wie wij herdenken. Zeker voor wie de bezetting niet meemaakten, zal het een verrassing zijn dat heel belangrijk in het Larense verzet een…Rijksduister was. Albert Schlösser, een moedig man, die al illegale ervaring opdeed in de strijd tegen het opkomende nationaal-socialisme in Duitsland. Hij was leider van de KP (knokploeg) in Laren, die in het laatste oorlogsjaar zeer actief was (…) Er waren ook andere activiteiten die werden georganiseerd voor hulp aan de joden, vervolgden voor de arbeidsinzet en politieke onderduikers. Een groep tot steunverlening aan deze lieden en het bezorgen van onderduikadressen, stond in hoofdzaak onder leiding van de heren H.Troeder, J. van Heyningen, J.Landren, P. van de Water en mevrouw E.Elbrink.

Ten aanzien van A.van den Bergh was tot voor kort geen exacte schuilplaats bekend, slechts dat het echtpaar in Laren een onderduikadres had verkregen. Intussen blijkt het onderduikadres via pensionhoudster Jetske Hoeksema Leemkuil 11, Laren, te zijn geweest in Het gezin Van den Bergh overleefde de oorlog. In juli 1941 is hij door de bezettingsmacht van zijn functie ontheven, najaar 1943, 1944 tot de bevrijding ondergedoken geweest en op 23 mei 1945 in zijn ambt als notaris hersteld, in 1949 verenigd met het kantoor van notaris E.Spier en mr.C.E.Massee.

Ontslag van 9 notarissen, van wie 6 in Amsterdam, op grond van joodschen bloede. J.van Hasselt zou na de Bevrijding fungeren als notaris van Otto Frank.(Ned. Staatscourant, juli 1941)

In 1948 adviseerde de Joodse Ereraad dat VdB vanwege zijn  lidmaatschap tussen 1941-1943 van de Joodse Raad gedurende 5 jaar geen functies dan wel  ereambten mocht vervullen. Hij weigerde zich hierbij neer te leggen, omdat de Ereraad die bevoegdheid volgens hem zou ontberen. VdB werd voorzitter van de Joodse Invalide en verkreeg ook andere functies in Joodse kring. In 1950 overleed hij aan keelkanker in Engeland waar hij vergeefs voor de ziekte is behandeld. Van den Bergh is begraven op de Joodse begraafplaats te Muiderberg op 1 november 1950 en werd aldaar door aanwezige Joodse autoriteiten alom geprezen.

Ov.bericht van de familie intussen woonachtig Minervalaan 72a, in N.I.W. van 3-11-1950
N.I.W., 3-11-1950, in welk blad nog enige advertenties van familieleden en Joodse organisaties zijn opgenomen.
N.I.W. 3-11-1950. Na de Bevrijding is het kantoor van de oorspronkelijk Joodse notarissen Van den Bergh en Spier voortgezet en gefuseerd en heeft zich mede aangesloten mr.C.E.Massee, die tijdens de bezettingsperiode Arnold van den Bergh als waarnemer had vervangen
(Het Parool, 31-10-1950)
(N.I.W., 3 november 1950)
Notaris A.van en Bergh overleden (N.I.W., 3 november 1950)

De weduwe Auguste van den Bergh-Kan is in 1968 overleden.

Overlijdensbericht Auguste van den Bergh-Kan (Algemeen Handelsblad, 17-10-1968)
(Nieuw Israëlitisch Weekblad, 3 november 1968)

De drie dochters waren: Emmy (Emma) (1921-1999), tweelingzus Esther (Hetty) (1921-2011) en Anne Marie (de Gorter-)van den Bergh (1929-1983).

Aloïs Miedl (4), de affaire-Goudstikker en notaris A.van den Bergh

Aloys Miedl *circa 1940

Aloïs Miedl, op 3 maart 1903 geboren te München, staat te boek als één van de grootste kunstrovers in ons land  tijdens de Tweede Wereldoorlog. Al vroeg in de jaren dertig is hij in Nederland komen wonen nadat hij problemen had gekregen met de Duitse fiscus. Hij begon een handelsbankje in Amsterdam en in de loop der jaren allerlei onderneminkjes wereldwijd. Hij wist met zijn flair en charme een grote kring van relaties op te bouwen. Weliswaar getrouwd met een Joodse vrouw, Dora Fleischer (in 1967 overleden), lukte het hem als kunstverzamelaar een band op te bouwen met rijksmaarschalk Hermann Göring, vroegere schoolvriend van Miedl in München, en ontwikkelde zich naast Hofer tot de belangrijkste kunstbemiddelaar voor de nazi-rijksmaarschalk, van wie ooit is gezegd dat het verlies van zijn kunstcollectie hem meer aan het hart ging dan het einde van het Derde Rijk.

Hermann Göring verlaat in 1940 het kantoor Goudstikker. Achter hem in de deuropening Alois Miedl
Het voormalig pand van kunsthandel Goudstikker, Herengracht 458 in Amsterdam

Jacques Goudstikker was in de periode van het Interbellum één van de voornaamste en rijkste kunsthandelaren in Europa, gespecialiseerd in 17de en 18de eeuwse kunstwerken. Als Jood werd hij in de zomer van 1940 gedwongen zich zijn vermaarde collectie van meer dan 1.100 schilderijen te ontdoen voor lage prijzen. Evenals van het vastgoed. Bestaande uit Kasteel Nyenrode bij Breukelen, buitenplaats Oostermeer in Ouderkerk aan de Amstel en het kantoor Herengracht 458 door deze ver onder de  waarde van toen te verkopen aan Aloïs Miedl, een tot Nederlander genaturaliseerde Duitser die werkte als  bankier, speculant en kunstverzamelaar. Hij werkte voor de Abwehr, de militaire inlichtingendienst, en  onderhield goede relaties met o.a. bankier Otto Rebholz, handelsvriend en kunstverzamelaar Hans Christian Wilhelm Tietje, galeriehouder (en Jood) Paul Rosenberg en SS’rs als  Arthur Seyss-Inquart, Aus der Fünten, Hanns Rauter, Willy Lages en last not least rijksmaarschalk Hermann Goering. Hij had ook persoonlijk contact met Hitler via bezoeken aan de Berghof in Berchteschaden. Arnold van den Bergh fungeerde als notaris bij de transacties van J.Goudstikker (die 15 mei 1940 vluchtte en als gevolg van een val op de boot Engeland niet levend bereikte). Pieter den Hollander bericht dat ook notaris Arnold van den Bergh heef geprobeerd naar Engeland te vluchten, zij het tevergeefs. Al in 1937 en 1939 regelde Van den Bergh de testamenten van Goudstikker, waarin Dési (echtgenote) en na haar Edo (stiefzoon) als rechtsopvolgers waren geregistreerd. In naam werd Miedl eigenaar, maar de meeste kostbare schilderijen, o.a. een Rembrandt een Frans Hals en een Ruysdael zijn door Göring geclaimd. De betaling van 2 miljoen gulden, waar nog  bijna 300.000 gulden bijkwam voor de onroerende goederen [Huize Oostermeer 51.750 gulden, kantoorpand Herengracht 170.000 gulden en Nyenrode 127.000 gulden] benevens de bibliotheek en het recht op de firmanaam Goudstikker. Volgens Kajetan Mühlmann (1898-1958) regelde SS’r Erich Gritzbach, de  meest naaste medewerker van de rijksmaarschalk dat  Göring via Friedrich Christiansen, Werhrmachtsbefehlhaber in den Niederlanden  het geld aan Miedl  uitbetaalde De intentie van Walter Andreas Hofer, van 1939 tot 1944 directeur van de Goering kunstcollectie, was dat de rijksmaarschalk een eerste keuze zou doen en andere Goudstikker-schilderijen via veilingen geld moesten opbrengen. Zo zijn veel schilderijen door Miedl verkocht aan zijn vriend en verzamelaar Tietje. [In november 1940 11 doeken voor 182.000 gulden, 1 juli 1941 1 werk toegeschreven aan  Rembrandt Jonge man met zwaard  etc. en als roofkunst afkomstig van mw. Hartogs-Hyman voor 150.000 gulden enz.]. De personeelsleden van Goudstikker: zoals restaurateur Jan Dik sr. en procuratiehouder A.A.ten Broek, op 3 juni 1940 benoemd tot directeur – wat vanaf  13 juli eigenlijk Göring was met Miedl als zetbaas – ontvingen een rijkelijke bonus, naar de waarde van nu en miljoenenbedrag. Van den Bergh als notaris zou 10% ofwel 200.000 gulden hebben ontvangen. [zie bijlage 2]. In totaal ging het om bijna 8 ton [Ten Broek en Dik sr. elk 180.000 gulden, Jan Dik junior 125.000 gulden het verdere personeel van Goudstikker 40.000 gulden, de notaris Walter Andreas Hofer, als gevolmachtigde 50.000 rijksmark].In de overeenkomst van Miedl/Ten Broek,  is in overleg met notaris Van den Bergh en accountant Polak als voorwaarde overeengekomen dat de gelden afkomstig uit de nv Goudstikker niet voor inbeslagname in aanmerking mochten komen, waar deze gelden zich ook bevonden, dat mw. Dési Goudstikker in het buitenland over het geld zou kunnen beschikken, benevens bescherming voor mevrouw Emilie Eugénie (Emmy) Goudstikker (Sellisberger) (1869-1954), moeder van Jacques Goudstikker [die inderdaad mede dankzij Miedl de oorlog overleefde in het pand van Van den Bergh in de Oranje Nassaulaan].  A.A. ten Broek tekende namens Goudstikker en Walter Andreas Hofer namens Göring. Niettemin vorenstaande is achteraf vastgesteld dat het totale bedrag aan premies uit gelden van Goudstikker is betaald. ‘Een sigaar uit eigen doos die het personeel maar al te graag accepteerde’, aldus schrijver van het boek De zaak Goudstikker:  Pieter den Hollander. Intern sprak men van een gouden regen, aldus voornoemdeschrijver in zijn boek De zaak Goudstikker (Meulenhoff, 1998, 255p.).

Vooromslag van De zaak Goudstikker door Pieter den Hollander. Amsterdam, Meulenhoff, 1988

Opmerkelijk is dat Van den Bergh na de oorlog verklaarde dat de overdracht niet onder dwang had plaatsgevonden (5). Aan Desi Goudstikker-von Halban had hij al laten weten dat de transactie had plaatsgehad teneinde grotere problemen te voorkomen. Ook de dubbelrol van de na de Bevrijding benoemde bewindvoerder over kunsthandel J.Goudstikker nv: mr. E.J.Korthals Altes  [tevens bewindvoerder van de naar Spanje gevluchte Miedl!] was dubieus. Hij kende Miedl vanuit de oorlog  en was van mening dat de transactie uit 1940 te prefereren was boven een anders onvermijdelijke inbeslagname door Adolf Hitler. Hij liet daarom de deal intact, in plaats van de onwettige constructie alsnog nietig te verklaren. Wettelijke erfgenamen van Goudstikker zouden nog tientallen jaren moeten procederen om een deel van de collectie terug te krijgen. Citaat uit het boek van het CCT: Van den Bergh bleek zelf ook een fervente kunstverzamelaar te zijn en verkocht rechtstreeks kunstwerken aan de rijkskanselarij in Berlijn – een van die werken belandde in Hitlers persoonlijke verzameling. [Bron blijft onvermeld Bij nader onderzoek blijkt dat de kleindochter ten onrechte is geciteerd. In het rapport van 6 historici, gepubliceerd op 22 maart staat enkel: Bureau Herkomst Gezocht telt alleen vast dat kunst- werken uit het bezit van Van den Bergh zijn terechtgekomen bij de Duitse bezetter {Brief d.d. 18 juni 2007 van Bureau Herkomst Gezocht aan een familielid van Van den Bergh}. De bewerking van het Cold Case Team dat Van den Bergh zelf in kunst handelde met de nazi’s, wordt in deze als bron opgevoerde correspondentie dus niet bevestigd]. De notaris werd hiervoor royaal betaald, maar belangrijker nog dan het geld was het feit dat zijn rol bij Goudstikker NV en ‘zijn werkrelatie met Miedl hem veel contacten binnen de SS en bezettingsautoriteiten opleverden die konden instaan voor zijn veiligheid. (pagina 293). [Het zal blijken dat deze ‘relatie’ het coldcaseteam op het verkeerde been heeft gezet. H.K.]

In 1944 zag Miedl aankomen dat het slecht ging aflopen met de Duitse oorlogsvoering en de invloed van Goering tanende was. Volgens Koen Greven zou de Heerlense nazi-spion Frits Knipa onder de naam Askenius Frederik van Leienhorst ter Apel Miedl behulpzaam zijn geweest  bij diens vlucht naar Spanje, omdat men daar onder het bewind van Franco de fascisten gunstig was gezind. Miedl nam in zijn bagage behalve o.a. juwelen en effecten mee. Per boot zijn 22 kostbare schilderijen naar Bilbao verzonden, waaronder een Frans Hals, een Jan van Goyen en 1 Jan Steen. Op 8 april 1944 ontving Miedl een inreisvisum voor Spanje en op 28 juni vertrok hij per auto uit Amsterdam om op 5 juli in Spanje aan te komen. In augustus kwam hij nog even terug om meer kunstwerken mee te nemen uit de oude handelsvoorraad van Goudstikker, Op 21 augustus is hij korte tijd in Hendaye nabij de Frans-Spaanse grens in hechtenis genomen, maar kwam vermoedelijk dankzij bemiddeling van de Spaanse kolonel Ortega. Omdat de invloed van Miedl was afgenomen meent het team dat Van den Bergh kwetsbaar was geworden om alsnog door de bezetters te worden gearresteerd.

Periode 1944 -mei 1945

Onbekend is het lot van het echtpaar Van den Bergh in de periode oktober 1943 tot de bevrijding in mei 1945. In het boek is vermeld dat het coldcaseteam een brief ontdekte van 4 januari 1944 aan Van den Bergh waarin twee advocaten van het bureau Calmeyer hem waarschuwde dat hij riskeerde gearresteerd te worden. [pagina 264]. Men is gevlucht en Van den Bergh liet zich inschrijven op het adres Nieuwendammerweg 61, dat als dekmantel zou dienen.  Op 22 januari 1944 viel het besluit dat Van den Bergh een vals bewijs had aangeleverd aan Calmeyer en dienden zijn bankrekeningen geblokkeerd te worden.  Via de illegaliteit, de L.O, had Van den Bergh al geregeld dat de tweeling kon onderduiken in Scharwoude bij een familie De Bruin, later in Laren. De jongste dochter, de toen 14 jarige  Anne-Marie in Sprundel bij het schoolhoofd van de Sint Jansschool Leo Bastiaensen (van wie twee zonen tot priester werden opgeleid). Zij werd  opgehaald door de priester professor H. Ruijgers van seminarie Bovendonk te Hoeven. Later enige tijd in Ginneken (6) en pas na de Bevrijding van Noord-Nederland is zij naar de familie in Amsterdam teruggekeerd. Men heeft achteraf verondersteld dat het echtpaar Van den Bergh in Laren in een huis aldaar een schuilplaats vond dankzij de Duitse Joodse verzetsman Albert Schlösser (7). Laatstgenoemde kwam echter op een opsporingslijst en moest al vanaf 1943 zelf onderduiken omdat hij zowel door de SD als de Hilversumse politie werd gezocht.

Het huis aan de Paviljoensweg 6 in Laren waar de Duitse verzetsman Albert Schlösser woonde. Hij overleed plotseling 14 december 1964 en is 18 december gecremeerd op Westerveld in Driehuis.
(Advertentie in het Algemeen Handelsblad van 14 juni 1938)

Pensionhoudster (onderhuurster) Ietske Hoeksema is 23 februari 1894 geboren in Groningen. Van beroep verpleegster, o.a. in Amsterdam en Blaricum. Zij woonde met echtgenoot en kinderen in de jaren 30 wisselend in Blaricum, Laren (Ericaweg 9) en Amsterdam Na de echtscheiding betrok zij december 1939 het het huis Leemkuil 11 in Laren, dat als pension is aangewend. Mw. Hoeksema is gehuwd geweest met Hermanus Jan Schuurman (* Haarlem 1897, ov. Oosterbeek 1991) uit welk huwelijk een zoon Thijl Schuurman (1928-1999) en een dochter Vera Schuurman (1926-1978) is geboren De echtgenoot is na een scheiding in 1940 hertrouwd met Elly Alicia (Emmy) van Bilderbeek. Ietske Hoeksema is 31 juli 1964 op 70- jarige leeftijd overleden in Blaricum (inf. Geneanet).

Het huis Leemkuil 11 in Laren waar het echtpaar Van den Bergh en de twee oudste dochters, een tweeling, met valse persoonsbewijzen zaten ondergedoken. De tweeling liet in 1978 weten dat zij met hun ouders waren ondergedoken in het pension van Ietske Hoeksema. Een nicht Hester van den Bergh een nicht van Van den Bergh had een relatie met de in Laren woonachtige verzetsman Albert Schlösser

Historicus Aaldrik Hermans,die onderzoek doet naar onderduikers in het Gooi, ontdekte een dagboekfragment van kunstschilder Gerard Huijsser, buurman van Ietske Hoeksema. Die schreef op 11 maart 1945 over een bezoek aan “de familie Van den Berg” in het pension. “Zij bestaat uit een echtpaar met twee dochters, een jonger dochtertje zit nog in Brabant in het nu bevrijde gebied. Het zijn zeer vriendelijke en beschaafde menschen”. (rapport De Joodse notaris en de beschuldiging van verraad, 2022, pagina 53)

Portret van de kunstschilder Gerardus H.J.A.Huijsser (1893-1970), die in het huis met atelier Leemkuil 9 te Laren woonde
Leemkuil 9 Laren

Op basis van een politierapport, 13-8-1943 [door Aaldrik (Hermans) 2001 openbaar gemaakt] kan overigens nog het volgende worden opgemerkt: Nachtrapport van 13/14 juli 1943: “Bij het controleren der cellen deze ledig bevonden. In genoemden nacht is een razzia gehouden door de Sicherheitspolizei uit Amsterdam met assistentie van Nijland en Rienks. In de woning van mevrouw Hoeksema aan den Leemkuil 11 zijn twee joden gevonden en een jodin gearresteerd. In het witte huis is een jodin gearresteerd. De namen zijn: 1. Jantje Geertruida Wolf, geboren Leviet, 2. Emiel Wolf, 3. Sara Leviet Borgeboer, 4. Bernard Rozenbaum, 5. Jetske Hoeksema, verhuurster. Alle personen zijn overgebracht naarAmsterdam door Hordijk en Geurts. Verder geen bezonders. Getekend: Hordijk”.

Overigens wordt nog opgemerkt dat Aaldrik Hermans op 4 oktober 2020 op basis van een politie-nachtrapport van 13 juli 1943 het volgende openbaar heeft gemaakt.



Pagina 53 uit rapport De Joodse notaris en de beschuldiging van verraad. door drs. Aaldrik Hermans. Waar de familie voordien ondergedoken is geweest is nog onbekend. Adriaan Venema schreef in zijn boek Kunsthandel in Nederland 1940-1945 op p.138-139 het volgende Onmiddellijk na de overname van de firma Goudstikker door Miedl; trad ook Henk Dik, zoon van Jan Dik, in dienst van de nieuwe baas voor 39,17 gulden per week. Hij had echter tijd genoeg om samen met zijn zwager Pieter de Dood zo’n honderd gulden per week bij te verdienen. Van Henk Dik [in 1979 overleden] moet echter ook gezegd worden dat de joodse notaris Van den Bergh in 1943 toen deze arrestatie vreesde, bij hem voor een tijdje kon onderduiken.
Vervolg bijdrage Aaldrik Hermans. pagina 54
Voornoemde Jantje Geertruida Wolf-Levit, geboren 23 april 1916 in Amsterdam, is 23 juli 1943 in Sobibor vermoord. De verhuurster is vrijgelaten. Van Emile Wolf, geboren op 5 juli 1916 in Amsterdam, in 1940 te Zandvoort getrouwd met Jenny Levit [= Jantje Geertruida Wolf-Levit] en ook op 23 juli in Sobibor vermoord is via Joods Monument bekend: Het gezin zat van juni 1942 tot juli 1943 in Laren ondergedoken samen met Sara Leviet-Bargeboer, de moeder van Jantje Geertruida Levit. Vanwege verraad zijn ze door Nederlandse politieagenten opgepakt en gedeporteerd. Sara Levit-Bargemoer (schoon-)moeder van voornoemd echtpaar is 24 september 1943 in Auschwitz omgebracht. Ook de vierde arrestant overleefde de oorlog niet – in tegentelling tot dien zoon Paul – vermoord in Sobibor ook op 23 juli 1943.
Kopie van origineel nachtrapport (Joods Monument)
Bij de arrestaties waren ‘foute’ agenten (W.A.’rs) betrokken. Tegen Rienks is in 1948 12 jaar geëist en werd veroordeeld tot 8 jaar en tegen Nijland is zelfs levenslang geëist, maar veroordeeld tot 23 jaar. (Gooi- en Eemlander,17-1-1949) D.Hordijk promoveerde tot adjudant en ging in 1963 na 35 jaar met pensioen.


In het kwartaalbericht nummer 156 van de Historische Kring Laren, zomer 2021 publiceerde Ron van den Berg uit Monnickendam een artikel; DE LEENKUIL 11 LAREN: een razzia. Aan het eind van dit blogbericht als bijlage toegevoegd.
Tegen politieman Rienks werd 12 jaar gevangenisstraf geëist (Nieuwe Haarlemsche Courant, 28-9-1948)
Vervolg van bijdrage Aaldrik Hermans MA over de onderduik van Van den Bergh en zijn vrouw, pagina 54. NIZ -was Nederlands- Israëlitisch Ziekenhuis in Amsterdam.

Schlösser overleefde de oorlog en bij zijn overlijden op 14 december 1964 plaatsten de weduwe en kinderen Van Arnold van den Bergh een rouwadvertentie in Het Parool van 17-12-1964  in herinnering aan hun goede vriend Albert Schlösser.

De advertentie geplaatst in Het Parool van de familie V.d.Bergh-Kan

Aannames welke in het boek van het CCT voorkomen en doen verdenken dat Arnold van den Bergh de verrader is

-(…)Het was rond die tijd dat Otto Frank tegen journalist Friso Endt bij Het Parool zei “We werden verlinkt door Joden”. Hij gebruikte het meervoud, vermoedelijk verwijzend naar de Joodse Raad.

Na haar voordracht in 1994 op de University of Michigan praatte Miep Gies haar mond voorbij toen ze tegen de vragenstelster zei dat de verrader voor 1960 was overleden.

– Later vertelde hij [= Otto Frank] zijn neef Buddy Elias dat hij de schuldige niet wilde laten vervolgen omdat hij de familie , de kinderen van de man die hen had verraden, niet wilde straffen.

-Via het arrestatieproject waarin de arrestatie van alle Joden in Nederland tussen 1943 en 1944 waren geanalyseerd, had het CCT ontdekt dat de inval in het achterhuis enigszins verschilde van andere arrestaties, aangezien een Duitse onderofficier die inval had geleid. Dat was heel gebruikelijk en doet vermoeden dat het niet brigadier Abraham Kaper van Joodse Zaken was die naar de Zentralstelle belde en Karl Jozef Silberbauer de opdracht gaf. Kaper zou nooit een Duitse SD-man bellen om Nederlandse politiemannen te vergezellen. Dat telefoontje moet van een hooggeplaatste functionaris zijn gekomen, iets wat Silberbauer trouwens ook altijd had volgehouden met zijn verklaring dat ss-luitenant Julius Dettmann in de Euterpestraat het telefoontje zelf afhandelde en hem vervolgens had bevolen de inval op te zetten. Daar komt bij dat een gewone Nederlandse burger die eropuit was Joden aan te brengen naar de Jüdische Auswanderung zou hebben gebeld; Kapers nummer stond in het interne telefoonboek. Dettmann was echter te hoog in rang om zomaar te bellen. Zijn nummer stond niet in het register, hij stuurde geen v-personen en sprak geen Nederlands (…) Van alle verdachten die het coldcaseteam onderzocht had alleen Van den Bergh connecties met hoge Duitse functionarissen. Hij onderhield contact met belangrijke figuren als Tietje en zal bekend geweest zijn bij de Duitse inlichtingendienst’.

-Klaarblijkelijk op Miedls verzoek nam Van den Bergh in september 1943 de moeder van de kunsthandelaar Emilie Goudstikker-Sellisberger in huis op de Oranje Nassaulaan, waar zij tot het einde van de oorlog  verbleef .Bestudering van haar systeemkaart bij de Joodse Raad leerde dat Miedl er in was geslaagd haar kaart  ”geschoond” te krijgen – geen identiteitsnummer, geen Sperre-nummer en geen verplichte J. [pagina 293].

-Tussen 1945 en 1949 won Otto inlichtingen in over Van den Bergh. Hij zal hebben geweten dat de Joodse Ereraad in die periode de notaris in het vizier had vanwege diens rol als bestuurslid van de Joodse Raad. Dat doet de vraag rijzen waarom Otto het briefje niet heeft gedeeld met de Ereraad. Daar beoordeelden Joden immers het optreden van andere Joden? (…) Na de uitspraak van de Joodse Ereraad, die Van den Bergh een eerder milde straf oplegde, zal Otto opnieuw hebben overwogen wat er zou kunnen gebeuren als hij het bestaan van het briefje onthulde. En als hij had vernomen dat Van den Bergh kanker had en spoedig Amsterdam zou verlaten om zich in Londen te laten behandelen, zou hij dan doorgaan met deze zaak?

-Pas toen de Rijksrecherche eind 1963 het onderzoek naar de inval in het achterhuis begon, besloot Otto rechercheur Van Helden op de hoogte te stellen van het anonieme briefje en gaf hij de politieman het afschrift dat hij ervan had gemaakt. Van Helden verhoorde Otto begin december 1964  twee dagen lang, maar verrassend genoeg maakt het proces-verbaal van het verhoor geen gewag van het briefje. Het  slotrapport van veertig bladzijden dat Van Helden opstelde na afloop van het onderzoek in de herfst van 1964 bevat echter een aantal alinea’s waarin hij beschrijft dat Otto hem op de hoogte had gebracht van het anonieme briefje. Aan de hand van de handgeschreven notities van Van Helden op het afschrift weten we dat hij het op 16 december 1963 ontving, ongeveer twee weken na zijn onderhoud met Otto. Kennelijk was Van Helden overtuigd van Otto’s bewering dat hij Van den Bergh niet kende, want hij liet die kwestie varen en nam het afschrift van het briefje dat Otto hem had gegeven niet op in het officiële onderzoeksdossier’.

-In tegenstelling tot was hij rechercheur Van Helden vertelde had Otto wèl wat onderzoek gedaan naar Van den Bergh. Toen hij politieman Gezinus Gringhuis op 6 december 1945 in de gevangenis bezocht, vroeg hij hem specifiek naar Van den Bergh en het anonieme briefje (…).

–  Als verklaring van een kleindochter: ‘(…) Op het laatst noemde Anne-Marie de naam Alois Miedl aan haar ondervrager, de naam die ze van haar vader moest gebruiken al ze ooit in moeilijkheden zou kon. Miedl was een Duitse zakenpartner van Van den Bergh, iemand die vooral betrokken was bij de aankoop van antieke schilderijen. Na twee weken was Anne-Marie nog de enige in de cel. Alle anderen waren gedeporteerd’. [pagina 287].

Voor Vince Pankoke voldeed het Van den Bergh-scenario, in tegenstelling tot de andere verdachten, aan alle drie critera van het klassieke axioma bij strafrechtelijk onderzoek: Kennis – Motief – Gelegenheid (8).

Discutabel is de berekening van een statisticus dat het voor 85 tot 87%. Teveel is uitgegaan van  aangenomen veronderstellingen. Van Twisk en Vince Pankoke geven overigens toe dat ingeval van een berechting met wat aan ‘circumstantial evidence’ is aangevoerd dat onvoldoende zou zijn om hem schuldig te verklaren.

Alom scepticisme en kritiek

Bij de verschijning van het boek op 17 januari 2022 wereldwijd waarbij werd uitgepakt met van een uitgekiend marketingconcept, inclusief een reportage op 16 januari in het in de Verenigde Staten  veelbekeken televisieprogramma CBS 60 minutes, barstte de kritiek los, vooral in Nederland, gevolgd in Duitsland (later in de Verenigde Staten) vooral uit  Joodse hoek zoals van Esther Voet, Frits Barend [men neme kennis van zijn lezenswaardige opinie: Met een vrachtwagen over de notaris op de internetversie van het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 11 februari 2022], Hans Knoop (auteur van het boek De Joodsche Raad, 1983), Ronit Palache, Jessica Durlacher [Boek over Anne Frank is thriller vol vermoedens, maar zonder hard bewijs], Jonit (Ruben Vis) etc. Leon de Winter schreef in de Telegraaf van 19-01-2022, vermoedelijk nog zonder het boek gelezen te hebben:  Het boek Het Verraad van Anne Frank legt de schuld van de dood van Anne Frank en haar familie bij een onschuldige Joodse man. Dit boek is een misdaad op zich. De Jodenhaters lachen in hun vuistje’. Cineast Hans Fels publiceerde een opinie in de Volkskrant van 19 januari onder de veelzeggende titel Naam van Joodse verrader van Anne Frank maakte van cold case per definitie een kassucces.

Wilma de Rek vraagt zich in De Volkskrant van 22 januari af wie er allemaal geld gaan verdienen aan het verraad van Anne Frank. Het boek is onderdeel van een mediageniek project dat is bedacht door filmmaker Thijs Bayens en filosoof Pieter van Twisk die de bv “Proditione Media” oprichtten. “Proditio” betekent verraad of bedrog. Het Nieuw Israëlitisch Weekblad sprak van een flinterdunne beschuldiging.  

Natasha Gerson schrijft in De Groene Amsterdammer van 15 februari 2022: Er is geen enkel bewijs dat notaris Arnold van den Bergh aan de arrestatie van de familie Frank verbindt, zoals het recent verschenen boek “Het verraad van Anne Frank” van Rosemary Sullivan beweert op basis van het coldcase onderzoek. Geen máger bewijs, maar géén. Er is wel ernstige bronvervuiling te constateren, waarmee de hele theorie waarop de conclusie is gebaseerd een luchtbel blijkt’.  

UU-historica en jurist dr. Petra van den Boomgaard promoveerde op de Calmeyer registraties Voor de nazi’s geen Jood (2019) schrijft: Anne Frank-onderzoek is nauwelijks serieus te nemen’.

Journalist Peter Schat publiceerde een  bijdrage in de Volkskrant van 17 januari, een recensie  met als kop Historie met science-tint, “maar het zegt geen klap”.

Ook historici van het NIOD uitten zich kritisch. Erik Somers [De onderzoekers werken op basis van een zeer dunne bewijslast – het briefje dat Otto Frank over heeft getikt – naar een conclusie op basis van aannames en interpretaties’] ; David Barnouw : Van het gebruik van big data bij wetenschappelijk onderzoek ben ik in het algemeen niet zo onder de indruk: het levert alleen wat op als alle relevante informatie gedigitaliseerd is. De onderzoekers omkleden hun bevindingen terecht met allerlei voorbehouden. Ze zijn echter heel stellig in hun schuldverklaring van die arme notaris. Terwijl ik mij afvraag of hij heeft kunnen beschikken over een lijst met joodse onderduikadressen. De Joodse Raad was veel te gezagsgetrouw om zo’n lijst aan te leggen, zou ik menen’ .(De Volkskrant van 17-1-2022). Tegen de NRC zei hij te vermoeden dat het verraad van iemand uit de buurt kwamen Ik acht de kans klein dat het definitieve antwoord ooit wordt gevonden.

Professor Bart van der Boom, Universiteit Leiden,  noemt de beschuldiging  lasterlijke onzin. Hij noemt het “onbegrijpelijk” en “schandalig” dat de onderzoekers hun beschuldiging baseren op en verhaal dat “volkomen onzin” is. “Wat ze aanvoeren aan bronnen voor het bestaan van die lijsten is echt flinterdun, en veel te weinig om iemand wereldwijd te brandmerken als de verrader van Anne Frank“. Half april verschijnt zijn boek De politiek van het kleinste kwaad: Een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam.

Vooromslag van binnenkort te verschijnen boek door Bart van der Boom: De politiek van het kleinste kwaad; een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam 1941-1943

Hoogleraar Bart Wallet: Duidelijk is wel dat als dit anonieme briefje het enige “bewijs” is om Van den Bergh aan te wijzen, deze reconstructie zo gammel is als een kaartenhuis. Wallet schetste in dagblad Trouw van 29 januari een ander beeld van Arnold van den Bergh: Joodse notaris was bewogener dan wordt geschetst.

Bas Kromhout in Historisch Nieuwblad: Onderzoeker Joodse Raad: Verraad theorie Anne Frank is “lasterlijke onzin”. [Onderzoeker betreft historicus Bart van der Boom].

Johannes Houwink ten Cate: In vijfendertig haar onderzoek ben ik daar nog nóóit een lijst met onderduikadressen van Joden tegen gekomen’.

Directeur Ronald Leopold van de Anne Frank Stichting noemde de conclusie van het team, goed en zorgvuldig,  “een nieuw perspectief”, waar nog enkele belangrijke puzzelstukken ontbreken en vindt nader onderzoek nodig.

Zoals kon worden verwacht was de reactie van directeur John D.Goldsmith van het Anne Frank Fonds in Bazel buitengewoon negatief. Volgen hem is er geen wetenschappelijk bewijs geleverd in het commerciële onderzoek. “Jood verraadt Jood” zou grenzen aan een complottheorie. Hij ging zelfs zover te beweren dat op bijna elke pagina feitelijke onjuistheden staan’. Zoals bekend: van  het Fonds in Bazel had het boek met Anne Frank in de titel sowieso niet mogen verschijnen en weigert de instelling haar archief open te stellen. Yves Kugelmann, bestuurder van het Anne Frank Fonds reageerde genuanceerder: We weten wel dat Otto Frank niet wilde speculeren. Misschien had hij wel een vermoeden, maar dat uitte hij niet publiekelijk. Otto Frank probeerde zoveel mogelijk vooruit te kijken (Online Joodse Magazine, 26 februari 2022).

In de rubriek Opinie & Debat van De Volkskrant van 19 januari schrijft Hans Fels: Naam van Joodse verrader van Anne Frank maakte van cold case per definitie een kassucces Het coldcaseproject over Anne Frank haalde pontificaal de voorpagina van De Volkskrant en trok wereldwijde aandacht. Juist omdat al lange tijd bekend was welke uitkomst zou volgen, groeide het uit tot een gigantische geldmachine.

De Canard van Het verraad van Anne Frank De Tweede Wereldoorlog als industrie(3) Door Bart F.M.Droog,7-2-2022, op Reportersonline.

Op Reportersonlinen.nl. wordt gesproken over het doel van het CCT: maximale winst. Onderzoeksjournalisten Rosanne Kropman en Henk Willems Smits van “Follow the Money”, die het financiële verhaal achter “The Betrayal of Anne Frank” onderzochten, vatten het helder samen: “”The Betrayal of Anne Frank” was een hype nog voordat er een letter op papier stond. Het plan; met een onderzoeksteam onder leiding van een oud-FBI’er zoeken naar de verrader van de bewoners van het Achterhuis. “Proditione Media bv”, de productiemaatschappij achter het idee, haalde met luchtfietserij tonnen binnen aan voorschotten Volgens welingelichte bronnen 150.000 euro van Ambo Anthos en 400.000 van HarperCollins. Daarnaast verleende de gemeente Amsterdam een subsidie van 100.000 euro. De boekproductie werd verder medegefinancierd door het Nederlands Letterenfonds

Na Nederland kwam ook kritiek los in Engeland (Daily Mail, MailOnline), de Verenigde Staten (New York Times), Australia News, Matt Lebovic in The Times of Israel, 20-1-2022: Historians bash “rubbish” findings of investigations into Anne Frank betrayal. Meer uitgebreid en onderbouwd in het Duitse blad Der Spiegel. Op 22 februari schrijft redacteur Christoph Gunkel: Berater von “Der Verrat an Anne Frank” zieht sich zurück. Die Deutsche Fassung des Buchs über den Verrat an Anne Frank soll korrigiert werden. Historiker Dieter Pohl begutachtete die erste Version. Nun sagt er dem Spiegel; eine neue wird er nicht prüfen. Ist das Buch zu retten? Zeer kritisch uitte zich ook de Duitse krant ‘Die Welt’ in een artikel van Felix Kellersdorff. Volgens dr. Gerhard Hirschfeld bevat het boek talrijke onjuistheden

Gelet op alle reacties berichtte Ambo Anthos, uitgever van het boek in Nederland op 1 februari 2022 dat een tweede druk van het boek voorlopig is uitgesteld in afwachting van de beantwoording van gerezen vragen aan het onderzoeksteam. Verontschuldigingen zijn gericht aan eenieder die zich door het boek gegriefd acht.

In De Volkskrant van 5 februari 2022 reconstrueerde ombudsman Jeroen Trommelen bijna een hele pagina om aan te geven hoe het artikel 17 januari in de krant tot stand kwam onder de titel: Moet de krant excuses maken voor de Anne Frank publicatie?

Cartoon door Bas van der Schot in De Volkskrant van 2 februari 2022

Weerwoord van Pancoke, Bayens en Van Twisk

Schrijfster Rosemary Sullivan om commentaar gevraagd heeft zij zich systematisch hiervan onthouden.

Auteur Rosemary Sullivan, gelauwerd om haar boeken Villa Bel Air: World War II Escape and a House in Marseille en haar voorlaatste boek: Stalin’s Daughter: The Extraordinary and Tumultuous Life of Svetlana Alliluyeva, maar bekritiseerd om haar nieuwe boek. Verzoeken van diverse journalisten en wetenschappers in Noord-Amerika zijn niet gehonoreerd. Al voor de verschijning vertelde ze aan The Globe and Mail: “I’m nervous, I didn’t do the reserarch, I trust the research. If it had been a private book, would I have said I’am not going to say it was Van den Bergh? I don’t know. But I’m anxious”.

Op 2 februari 2022 kwam de leiding van het onderzoekteam (ondertekend door Peter van Twisk en Vince Pankoke) met een uitvoerige verklaring en verdediging in het Nederlands en het Engels die op het internet is te vinden is op de website coldcasediary.com  Geschrokken van alle commotie menen de teamleiders dat de critici geen argumenten hebben aangedragen. Van den Bergh is in het onderzoek niet aangewezen als dader, maar wel als  hoofdverdachte in het meest waarschijnlijke scenario.  Een belangrijk verweer is dat de werkwijze  van het CCT in eerste instantie niet historisch-wetenschappelijk maar forensisch was en verder blijft men volledig achter de inhoud staan, met Van den Bergh als belangrijkste verdachte. De onderzoekers blijven ook van mening dat onderduiklijsten hebben bestaan (9). Wèl acht men het achteraf onverstandig op basis van onderzoek door een statisticus een waarschijnlijkheidspercentage van ruim 85% in de media te noemen. Een voormalig rechter publiceerde een ingezonden brief in De Volkskrant met de vaststelling 85 procent schuldig bestaat niet, het is 100% of niet schuldig.

(Ingezonden brief door een voormalig rechter gepubliceerd in De Volkskrant, 29-1-2022)

  

Het Centraal Joods Overleg heeft er in een brief bij HarperCollins die de wereldwijde publicatierechten bezit op aangedrongen het boek in andere landen niet langer uit te brengen, of in elk geval te stoppen met drukken totdat de claims in het boek zijn hardgemaakt.

MIJN VOORLOPIGE CONCLUSIES

Nog in De Volkskrant van 11 februari 2022 schrijft Sander van Walsum in een uitvoerig artikel over het verraad van Ane Frank: ‘(…) Dat de bewoners van het achterhuis bij toeval werden ontdekt, zoals Barnouw nog altijd meent, is kennelijk maar moeilijk te aanvaarden, getuige de inspanningen die het coldcaseteam zich heeft getroost om het vraagstuk bij een oplossing te brengen. “Mensen houden niet van toeval”, zei Barnouw eerder: Om daaraan toe te voegen dat met betrekking tot Anne Frank toch heus meer prangende vragen zijn te bedenken. Hoe dit ook zij, op basis van getuigenissen van personen die bij de inval aanwezig waren staat wel vast dat de Oostenrijkse politiefunctionaris en SS’r Karl Jozef Silberbauer (1911-1972), die de inval aan de Prinsengracht leidde, bij binnenkomst uitriep ‘Wo sind die Juden’.

Karl Silberbauer onder wiens leiding de arrestatie in het Achterhuis op 4 augustus 1944 plaatsvond (Anne Frank Stichting)

Bij zijn ondervragingen heeft hij niet genoemd wie de verrader was,  indien al bij hem bekend, nadat hij opdracht had gekregen van de hogergeplaatste officier Obersturmführer, Julius Dettmann, die 25 juli 1945 zelfmoord pleegde. Silberbauer sprak in 1963 enkel van ‘een betrouwbare bron’. Het coldcaseteam is op  basis van het onderzoek van mening dat Otto Frank de familie en de kinderen van de in 1950 overleden Van den Bergh niet wilde straffen. In 2018 had Goldsmith, voorzitter van het Anne Frank Fonds tegen Pankoke gezegd: U weet ook dat Otto tegen Wiesenthal loog over het feit dat hij de identiteit van  Silberbauer kende. Waarom denkt u dat hij dat deed? (waaruit de Amerikaanse rechercheur meent te kunnen vaststellen dat Frank de medeplichtigheid van Van den Bergh niet wilde onthullen. Sterker nog, hij stelde alles in het werk om die medeplichtigheid te verbergen’. Reden om niet tot openbaarmaking over te gaan zou verder zijn dat na de Bevrijding het antisemitisme weer opgeld deed en met geheimhouding zou worden voorkomen dat men kon zeggen: ‘Kijk, de joden hebben het allemaal zelf gedaan’.

Wat de verrader betreft wijzen enkel opgediepte gegevens van het CCT in de richting van Van den Bergh als hoofdverdachte, maar is het aantal aannames en interpretaties te groot en zijn ontlastende – gegevens – bewust? – buiten beschouwing gebleven. Onvermeld blijft dat toen Van den Bergh zijn functie niet meer als notaris mocht uitvoeren, hij nauw betrokken bleef bij het kantoor om Joden te helpen aan valse notariële akten.

Blijven, zoals ook door het CCT toegegeven, enkele puzzelstukken open:

1)  Dat een lijst van Joodse onderduikers zou hebben bestaan wordt tot nu toe door alle historische wetenschappers niet geloofwaardig geacht (9). Het is bovendien ongeloofwaardig dat Van den Bergh buiten het adres van de Prinsengracht een lijst van Joodse onderduikers aan de Jüdische Auswanderung zou hebben doorgespeeld.

2)  Van het anonieme briefje dat Otto Frank in 1945 in zijn brievenbus vond ontbreekt het origineel. Rechercheur Van Helden noteerde dat toen Frank hem het Abschrift op 18 december 1963 gaf het origineel in het bezit was van ene notaris v.d. Hasselt, Keizersgracht 702 (+ 2 telefoonnummers). [Dat moet zijn Jacob V. van Hasselt, die in 1956 de oprichtingsakte van de Anne Frank Stichting opstelde] We weten zelfs niet of het originele briefje is geschreven dan wel getypt. Zolang het Anne Frank Fonds in Bazel het privéarchief van Otto Frank voor onderzoek niet vrijgeeft blijft volstrekte zekerheid ten aanzien van schuld dan wel onschuld onmogelijk. Van den Bergh heeft de nodige vijanden en tegenstanders gehad, vooral vanwege zijn lidmaatschap van de Joodse Raad (1941-1943). Mogelijk heeft jaloezie als gevolg zijn relatieve rijkdom qua huis en inrichting op de Oranje Nassaulaan 60 een rol gespeeld. Bovendien: verlinking, vaak onterecht, kwam na de bevrijding veelvuldig voor. In notariële kring moet de ‘foute’ NSB’r (kandidaat-)notaris J.W.A.Schepers een bloedhekel aan hem hebben gehad, zoals duidelijk blijkt uit hoofdstuk 36. Na de Bevrijding zat deze echter in de gevangenis en had toen enkel een briefje met het briefhoofd van de gevangenis hebben kunnen schrijven, zodat hij bij het CCT afviel, wat ook geldt ten aanzien van typiste Thea Hoogensteijn leidde bij het CCT niet tot aanwijzing van de anonieme bron, p.280-284. Andere mogelijke ‘vijanden’ die Arnold van den Bergh, zoals ook de andere leden voor zover overleefd hebben meegemaakt, zijn niet aan een onderzoek onderworpen.

3) Een witte vlek blijft het lot van het ouderpaar gedurende de periode oktober 1943 tot de Bevrijding. Het CCT onderzocht of een spoor leidde naar 1 van de huizen in bezit van Miedl: Oostermeer in Ouderkerk aan de Amstel of Nijenrode in Breukelen, echter zonder enig resultaat. Sowieso is onaannemelijk dat een Joods echtpaar naast nazi’s aldaar zou kunnen verblijven. Wèl bekend is dat voor de drie dochters met behulp van de illegaliteit tijdig een schuilplaats werd gevonden. Iemand die vanuit de Landelijke organisatie voor hulp aan Onderduikers (LO) het meest in aanmerking komt als helper in nood is Albert Schlösser uit Laren, wiens naam overigens in het boek ontbreekt. Ten tijde van de arrestatie van de familie Frank in 1944 moet het echtpaar Van den Bergh zich in een schuilplaats hebben bevonden, maar waar en bij wie? Bij Schlösser, die onder schuilnaam Albert Meister werkte, in diens huis aan de Paviljoensweg is overigens uit te sluiten, aangezien hij als verdachte verzetsman toen zelf zat ondergedoken. Zoals bekend overleefde hij de oorlog.

Ere wie ere toekomt: Aaldrik Hermans ontdekte dat het onderduikadres Leemkuil 11 in Laren moet zijn geweest.

Naoorlogs portret van verzetsman en vriend van de familie Van den Bergh Albert Schlösser (foto van familie Luiting)

4) In het boek zijn ontlastende aannames ten gunste van notaris Van den Bergh weggelaten, zoals: al in september 1943 is de Joodse Raad opgeheven, terwijl de inval in het Achterhuis 4 november 1944 plaatshad. Petra van den Boogaard schrijft in haar dissertatie terecht dat Van den Bergh toen reeds lang zat ondergedoken. Voorts wordt in het anonieme briefje gesproken van een lijst. Op en rond voornoemde inval heeft echter slechts 1 inval naar Joodse onderduikers plaatsgehad. De door Paul Theelen verzamelde informatie in zijn naspeuringen is goeddeels achterweg gebleven en de advertentie in Het Parool geplaatst door de familie Van den Bergh bij het overlijden van Albert Schlösser in 1964 is kennelijk over het hoofd gezien dan wel bewust onvermeld gelaten, omdat deze niet paste in de uitkomst? Zijn naam ontbreekt in het boek. Terzijde geldt dat trouwens ook voor een oudere broer Zadok van den Bergh, geboren in 1883, en schoonzus Betje van den Bergh-Brandon, die beiden op 1 juli 1944 in Auschwitz zijn vermoord. Als lid van de Joodse Raad heeft de notaris voor een werkpas en Sperre van zijn Groningse nichtje Cornelia gezorgd, die uiteindelijk na een ontsnapping uit Apeldoorn en een onderduikperiode de oorlog overleefde. (Elise Tak, in dagblad Trouw van 29 januari 2022: Mijn moeder werd juist gered door de Joodse notaris’.

5) De informatie van Jaap van Proosdij, hoofd van het bureau Innere Verwaltung, die op het kantoor Entscheidungsstelle van Hans Calmeyer had vernomen in een gesprek met met Ferdinand Aus der Fünten dat een arrestatie van de familie Van den Bergh ophanden was, waarna augustus/september 1943 de notaris voor zichzelf en zijn gezinsleden onderduikadressen regelde ontbreekt in het boek van het CCT.

Haarlems Dagblad, 1 februari 2022)

Mr.Peter Plasman vindt dat men bij de zware verdenking van een misdrijf door wijlen Arnold van den Bergh men niet kan volstaan met excuses en werpt zich in de Telegraaf van 2 februari 202 als pleitbezorger te fungeren wanneer de nabestaanden dat wensen bij een rechtszaak inzake smaad en laster als misdrijf  teneinde de naam van de notaris te zuiveren. (De Telegraaf, 2 februari 2022).

Mr.Peter Plasman: Excuses volstaan niet bij deze postume executie

In het Advocatenblad van 10 februari 2022 publiceerde mr. Herman Loonstein, advocaat te Amsterdam, een bijdrage naar aanleiding van de coldcaseteam-affaire, getiteld: Maak aangifte van smaad tegen overledene mogelijk voor familie WOII slachtoffers.

De gemeente Amsterdam gaat onderzoeken of de subsidie van 100.000 euro voor het omstreden onderzoekproject van het coldcaseteam kan worden teruggevorderd. Dat schrijft kunstwethouder Touria Meliani aan de gemeenteraad. De aanvraag uit 2018 is ondertekend door een aantal deskundigen, die hiervan niet de hoogte bleken. Door die namen te gebruiken leek het alsof zij het project onderschreven. (Persbericht 2 februari 2022).

Groepsfoto tgv hun 25-jarig lidmaatschap van het Nederlandsch-Tsraëlitisch Armbestuur. Staande links notaris Arnold van den Bergh (NIW, 12 mei 1930)
Arnold van den Berg was voor de oorlog voorzitter van het Comité voor jeugdige Joodse werklozen (Centraal blad voor Israëlieten, 4 maart 1937) Voorts bestuurslid van de Maatschappij tot Nut der Israëlieten in Nederland en na de oorlog voorzitter van de N.I.I.S.A. [= Nederlands Israëlitisch Instelling voor Sociale Arbeid)
Raymond Schütz, historicus bij het Nederlands Rode Kruis en promovendus aan de Vrije Universiteit, verrichtte onderzoek naar Arnold van den Bergh als notaris en prijst diens integriteit. Na de oorlog werkte hij samen met collega-notaris Eduard Spier aan het rechtsherstel van de overlevende Joden en was hij voorzitter van De Joodse Invalide, een Nederlandse instelling voor verpleging van Joodse bejaarden en gehandicapten in Amsterdam. In 1947 werd de instelling overgedragen aan de stad Amsterdam. Bovenstaande foto is gemaakt tijdens de overdracht. Links burgemeester Arnold J. d’Ailly en als derde van links Arnold van den Bergh.

In mijn proefschrift over het notariaat tijdens de bezetting beschrijf ik hem als een integer bestuurder die ook toen wees op de noodzaak van zuivere financiële verantwoording en zich inzette voor de verschoppelingen onder de verschoppelingen: de zieken. Op zijn “oude” notariskantoor werden, nadat de bezetter hem zijn ambt had ontnomen, tientallen valse verklaringen opgesteld over de “arische” afkomst van Joden. Ook zelf had hij de bezetter een verzoek om arisering ingediend, wat leidde tot een vrijstelling van deportatie. Nadat dit verzoek was toegewezen diende zijn NSB-opvolger een klacht in bij de bezetter en werd dit besluit teruggedraaid. Notaris Arnold van den Bergh was na de oorlog voorzitter van “De Joodse Invalide”, een Nederlandse instelling voor verpleging van Joodse bejaarden en gehandicapten in Amsterdam. In 1947 werd de instelling overgedragen aan de gemeente Amsterdam (dr. Raymond Schütz)

In een artikel De opstelling van Nederlandse juristen en ambtenaren tijdens en na de bezetting, in: Rechtsgeleerd Magazijn THEMIS 2017-2 schrijft prof.mr.C.J.H.Janssen: (…) De balans na de bevrijding was dat veel Joodse notarissen, advocaten en rechters niet teugkeerden op hun post. Zij bleken het leven te hebben gelaten in een van de vele Duitse concentratiekampen, met name in Auschwitz, Sobibor en Bergen-Belsen. Volgens Schütz wist slechts een enkeling van de weggevoerde notarissen de kampen te overleven. Hij noemt de Rotterdamse notaris S.S.Wijsenbeek (1879-1968) en zijn vrouw. Enkele anderen overleefden via de onderduik, zoals de Amsterdamse notaris Arnold van den Bergh (1886-1950) met zijn gezin en A. Roos (1872-1948). Er waren zestien Joodse kandidaat-notarissen gedeporteerd. Van hen keerden er negen terug naar Nederland (…) [Van de Amsterdamse notarissen die WO II overleefden kunnen nog worden genoemd: Eduard Spier (1902-1980, die tot 1971 als notaris werkzaam was, en Jakob (Jaap) van Hasselt (1903-1997).

Bijlage 1 : het mysterie van het lot van de collectie schilderijen in bezit van Arnold van den Bergh blijft vooralsnog onopgelost?

Eén van de kleinkinderen die het team sprak, overigens geboren toen haar grootvader al was overleden,  herinnerde zich van haar moeder dat Arnold  van den Bergh 17de en 18de eeuwse schilderijen verzamelde en met Miedl samen  kunstveilingen bezocht. Ze herinnerde zich ook dat Miedl degene was die kort voor of na de Duitse invasie de Goudstikker-collectie had verworven en vervolgens doorverkocht aan Goering.  Op het internet had ze ooit een foto gezien waarop Goering is te zien terwijl hij het kantoor verlaat.  Esther [niet haar echte naam]  was vaak op bezoek geweest bij haar grootmoeder en tantes. Als je haar oma’s huis binnenkwam herinnerde ze zich, was het alsof je in het Rijksmuseum was. De muren hingen vol met schilderijen van Jan Steen en tijdgenoten. Geruime tijd na het overlijden van haar grootmoeder in 1968 kreeg Esther de zaak toegewezen de inventaris van het huis in Amsterdam op te maken. Ze vond veel documenten, maar haar grootvaders verzameling kostbare schilderijen leek verdwenen (ze is er nog altijd naar op zoek). Ze vertelde Thijs [Bayens] dat er een koffer vol paperassen was die veertig jaar bij haar grootvader thuis hadden gestaan. Maar net zoals was gebeurd met het huis van Abraham Kaper waren ook hier documenten verdwenen; in dit geval werd alles verwoest bij een brand veroorzaakt door een gaslek’ (…)’ [pagina 288]. Commentaar: in bovenstaand citaat staan beweringen die niet door de kleindochter zijn gedaan, aldus mw. Mirjam de Gorter]

 Noten

(1)Rosemary Sullivan (*1947) schreef meer dan 15 boeken, onder meer Villa Air-Bel (2014) en De dochter van Stalin (2016), dat aan 17 landen werd verkocht. Zij is emeritus-hoogleraar aan de universiteit van Toronto. Voor het schrijven van dit boek verbleef zij enige maanden in Nederland..

(2)De Jüdische Auswandering, voluit Zentralstelle für Jüdische Auswanderung  – niet te verwarren met de Joodse Raad – organiseerde de deportatie van Joden uit Nederland naar de concentratiekampen. Dr. Willem Harster, Ferdinand aus der Fünten en Willy Lages waren hierbij betrokken. Het bureau was gevestigd nabij de Euterpestraat in een gebouw aan het Adama van Scheltemaplein. Volgens Aus der Fünten werkten op het bureau 8  tot 10 Duitse soldaten, 12 civiele Duitsers en wisselend 60 tot 80 Nederlanders. Julius Dettmann werkte als SS-Obersturmführer. Voor zover bekend nog niet gevraagd van wie hij een telefoontje kreeg over  onderduikers in pand Prinsengracht 263 pleegde hij op 25 juli 1945 zelfmoord.

(3) Hans Calmeyer (1903-1972) was een Duitse jurist en ambtenaar die tussen de 2500 en 3000 mensen het leven redde door bezwaarschriften goed te keuren, waarin ze aangaven geen jood te zijn

(4) In een rapport van de Restitutiecommissie lezen we: Op 14 september 1940 vindt ten overstaan van notaris A.van den Bergh te Amsterdam de oprichting plaats van Kunsthandel voorheen J.Goudstikker N.V., de onderneming waaronder Alois Miedl tijdens de oorlog kunst verhandelde Na de Bevrijding en de arrestatie van Goering vertelde Goering tijdens een verhoring dat hij bij zijn bezoek aan het kantoor van Goudstikker in Amsterdam de notaris aanwezig was, zonder diens naam te noemen.

Vooromslag boek door Nils Fiebig, gewijd aan Alois Miedl. Uitg. Königshausn & Neumann, 2020. Na 1940 komt de notaris niet meer in de biografie voor.

Alois Miedl was in Heemstede betrokken bij de kunstverzamelingen van de  Joodse personen mw. von Pannwitz-Roth (de Hartekamp) en Frits Gutmann (Bosbeek).  Zie o.a: Roof, de ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog  door Gerard Aalders (Den Haag, Sdu, 1999)  (*).

Vooromslag van het boek ROOF door Gerard Aalders. SDU, 1999

Algemeen bekend is dat Goering een groot liefhebber was van het werk van Johannes Vermeer, meer nog dan van Rembrandt van Rijn. Een huzarenstukje van Miedl was dat hij aan zijn ‘baas’ in 1942 het aan Vermeer toegeschreven doek Christus en de overspelige vrouw voor een recordbedrag van 1.650.000 gulden wist te verkopen. Na de oorlog bleek dat het een vervalsing was door Han van Meegeren. In Neurenberg  is Göring ondervraagd over zijn kunstcollectie, waarover hij zei voor alle kunst te hebben betaald, uiteraard zonder te kunnen aangeven hoe hij over de vele miljoenen rijksmark kon beschikken. Ten aanzien van 7 kunstwerken die hij in de Hartekamp bij van Catalina von Pannwitz-Roth uitkoos betaalde hij in ieder geval in 1940 een bedrag van 390.000 gulden. Dat was voor die tijd al een dermate hoog bedrag dat na recuperatie in 1946 mw. Von Pannwitz vond dat zij geen recht meer had op teruggave en schriftelijk vastlegde dat deze schilderijen en beeldhouwwerken het Rijksmuseum toebehoorden.

Februari 1944 gaf Goering Miedl toestemming om met het gezin (2 kinderen) naar Spanje te verhuizen en regelde die een speciale exit-visum voor Miedl’s Joodse echtgenote. Voor zover bekend gaf Miedl zowel in Berlijn als in Zwitserland  in kluizen schilderijen in depot.  Miedl zette in 1945 zijn duistere praktijen voort, eerst in Spanje, waar hij een bank opende om geld wit te wassen en te handelen in schilderen uit naam van hoge nazi’s.  Vervolgens nog tot ver in de jaren 60 in zijn geboortestad München. In de Beierse hoofdstad waar hij de uit ons land gevluchte Jan Dik junior ontmoette, die in 1940 al vorstelijk was beloond en als gevolg daarvan een eigen kunsthandel heeft opgezet, naar Zwitserland was uitgeweken en op latere leeftijd naar eigen zeggen na de oorlog vanuit Nederland weinig te vrezen had omdat hij tijdens de Koude Oorlog als informant voor de geheime dienst had gewerkt.

Miedl is na de Bevrijding enige keren verhoord in 1949 en 1950. Ontkomen aan strafvervolging kon de man zijn activiteiten als speculant en kunsthandelaar in München voortzetten. Na de Bevrijding heeft hij  nog volop in kunst gehandeld Nils Fiebig publiceerde een biografie Alois Miedl der Bankier und die Raubkunst; Geschäfte im Schatten der Macht (Würzburg, Königshausen & Neumann, 2020), die overigens verre van volledig is. Om in Nederland te worden verhoord over o.a. de zaak Goudstikker ontving Miedl in 1949 behalve een vrijgeleide ook een onkostenvergoeding. Interessant in voornoemde publicatie is een overzicht van 22 schilderijen die door Alois Miedl per schip in kisten naar Spanje liet vervoeren – veelal afkomstig van Goudstikker, galerie Katz uit Dieren (Rheden),  veiling Frederik Muller, collectie-Valkenburg uit Laren e.d.  Deze kunstwerken zijn dankzij bemiddeling van Th.Rousseau in de haven van Bilbao  aangekomen op 24 maart 1945. Per auto zijn nog schilderijen van Adriaen Brouwer, Jacob Jordaens en Jacob Esselens [als roofkunst in Gdánsk aangetroffen] meegenomen.  Miedl raakte in 1956 verwikkeld  in een rechtszaak met voormalig SS-inlichtingenofficier Wilhelm Hoettl (1915-1999) die hem ervan beschuldigde dat hij veel kunstaankopen financierde met in het concentratiekamp Buchenwald geproduceerd vals geld. Hij noemde Miedl in zijn  boek ‘Unternehmen Bernhard Wels ‘(Starnberg, 1955) Ariseur der Kunsthandlung Goudstikker. Miedl klaagde de auteur aan. Tijdens het proces op 7 maart  1956 gaf Höttl toe dat in zijn publicatie onwaarheden stonden. Na bemiddeling kwamen beide partijen overeen dat zij elk 10.000 Mark  aan de uitgever moesten betalen.  In 1965 is in de DDR een boek verschenen van het ‘Ostberliner Deutscher Militärverlag’ : Der Banditenschatz waarin de valsheden van Alois Miedl in Amsterdam, Madrid en München zijn beschreven. De Joodse echtgenote van Alois Miedl Dori Fleischer overleed in 1967. Voor alle duidelijkheid: uit het boek van Fiebig blijkt uit niets dat een vriendschappelijke relatie van Miedl zou hebben bestaan met Arnold van den Bergh.

Overlijdensadvertentie van Dori Miedl-Fleischer (Algemeen Handelsblad, 24 augustus 1967)

Miedl is 11 juni 1970 in München, Ottostrasse 8,  overleden en beschikte over een buitenhuis in Oberwarngau. [Op Wikipedia is de vermelding van 4 januari 1990 foutief]. Hij liet een dochter Ruth en een zoon Hans na.

Terecht merkt Fiebig op dat zich nog talrijke kunstwerken als Joodse roofkunst  bij particulieren ofwel in musea(depots) aanwezig moetenzijn. In 2013 kwam aan het licht dat door de intussen beruchte ‘verzamelaar’: Hildebrand Gurlitt 2 schilderijen werden geveild afkomstig uit het Goudstikker-Miedl Fonds december 1940. [Zie Stefan Koldehoff. Die Bilder sind unter uns. Das Geschäft mit der NS-Raubkunst und der Fall Gurlitt. Köln, 2014].  Aan het slot van zijn biografie schrijft hij Die Suche nach den Goudstikker-Bildern führte immer wieder zu neuen Resititutionen. Ein kleines Frühwerk von Vincent van Gogh, “Paysan brûlant mauvises herbes” versteigert Sotheby’s  im November 2019 in New York für 3.14 Millionen Dollar. Beim Verkauf aus der Sammlung Goudstikker im Auktionshaus Frederik Muller & Co erlösche das Bild 1940 gerade einmal 1.250 Gulden. Die Suche nach den von Miedl gehändelten Bildern ist damit aber noch lange nicht zu Ende. Viele Kunstwerke gehen bis heute als verschollen, für Proveniezforscher, Rechtsanwälte und Auktionshäueer ein lukratives Geschäft’.

Het opsporen van door Miedl tussen 1940 en 1943 verhandelde kunstwerken (in 1944 ten dele meegenomen naar Spanje), maar ook nog na 1946 in Duitsland gaat anno 2022  onverdroten door.

(*) Bronnen voor Bosbeek:  William Goodman, the Orpheus Clock. Ten aanzien van de Von Pannwitz-Roth Hartekamp-collectie: noot 95 bij hoofdstuk 2 van het boek door Gerard Aalders: Roof, pagina 271: NA, RG 260 Records of United States Occupation Headquarters WW II, Ardelia Hall Collection, Box 450, Rosenberg ‘Consolidated Interrogation Report’, No.2, 15 september 1945, ‘The Goering Collection’; idem, Box 180, Folder ‘Interrogation of War Criminals’. Interrogation of Hermann Goering, 30 augustus 1946 en NA, RG 331, Allied Operation and Occupation Headquarters , World War II, Box 328, 290/7/27/6 ‘Removal of Works of Art from the Netherlands during the German Occupation’.

(5) Memorandum Max Meyer, 3 oktober 1950, pagina 2 Gemeente Archief Amsterdam 1341, 95.

(6) Paul Theelen uit Eindhoven deed naspeuringen naar de onderduikperiode  in Noord-Brabant: Sprundel, Breda, Ginneken, gepubliceerd op het internet  via AmZDoc. Zie ook een artikel van Wim Vergouwen, in Jaarboek van de Sprundelse heemkring 1994.

Anne-Marie van den Bergh (1929-1983) kwam via de LO terecht november 1943 in het gezin van Bastiaensen in Sprundel waar zij met een korte onderbreking in Breda bij de familie Sadée ruim 1,5 jaar verbleef. Na de Bevrijding bleef zij contact onderhouden met de gastvrije Brabantse familie. Haar enige zoon wilde niets met het CCT te maken hebben en diens zuster, onder schuilnaam als bron in het boek voorkomend, bestrijdt het motief, zoals geformuleerd door Pankoke i.s.m. Bayens en Van Twisk (Paul Theelen)
Huwelijk van Riet Bastiaensen, dochter van Leo Bastiaensen uit Sprundel, met rechts Anne Marie van den Berg (Paul Theelen/9WEB)

(7) Ineke Hilhorst & Teun Koetsier. Het dorp, de oorlog, de mensen. 2020. Zie het hoofdstuk over verzetsman Albert Schlösser, verzetsman, p.127-147

Vooromslag boek Het dorp de oorlog de mensen (Laren) door Ineke Hilhorst & Teun Koetsier. 2020

(8)Voor uitleg, zie boek Het verraad van Anne Frank, pagina’s 308-309.

(9) Dat deze zouden hebben bestaan wordt door het  CCT  geduid met o.a. de volgende aanwijzingen: een verklaring van de heren Hannauer, Eckmann, Heinemann en Grünberg van de Contact Afdeling in Westerbork, eerder een vertegenwoordigend orgaan van de Joodse Raad aldaar;  twee getuigen die hebben verklaard dat deze van de Joodse Raad naar de Sicherheitsdienst gingen, onder wie de joodse V-vrouw Ans van Dijk;  Rudolf Pollak die met een kaartenbak met onderduikadressen in maart 1944 tegen de lamp liep en is gefusilleerd; verklaringen van Jodenjager Eduard Moesbergen en diens informanten, p.174vv.

===

Het Abschrift waar alles om draait bij hert CCT is voor het eerst in 1958 vermeld in een brief van Johannes Kleiman, een van mensen die onderduikers in het Achterhuis hebben geholpen, aan Otto Frank.
CBS 60 minutes (uitgezonden op 16 januari 2022) met de drie initiatiefnemers/hoofdonderzoekers Pieter van Twisk, Thijs Bayens en Vince Pankoke
Het dagboek van Anne Frank in enkele van de tientallen vertalingen
Duitse uitgever Harper Collins Deutschland laat het boek Der Verrat an Anne Frank door experts opnieuw beoordelen (Nu.nl)
Etalage van een boekhandel in Gouda
Nieuwe uitgave van Dagboekbrieven Het Achterhuis door Anne Frank
Stond Het verraad van Anne Frank in januari 2022 nog in de top10 van best verkochte boeken, in februari niet meer, maar toen op nummer 1: Het Achterhuis van Anne Frank
Wachtrij voor het Anne Frank Huis, 2008
Muurschildering door Byron Gómez Chavarria: Anne Frank met vogels, Anne Frank School Utrecht, 2020
OPHEF. Illustratie door Liliane Waanders

Bijlage 2: Verkoop Goudstikker wettelijk gemaakt door Van den Bergh; tweeënhalve ton provisie voor notaris . Ik verwijs hiervoor naar HISTORIEK, online geschiedenismagazine, naar een bijdrage van journalist-historicus Cees van Hoore, gedateerd 5 maart 2022, en beperk ik me op basis hiervan op de naoorlogse verhoren over de Goudstikker-affaire van Arnold van den Bergh door rechercheur A.M.G. Rouwhorst op 27 mei 1948 ‘(…) Miedl vroeg uitstel van betaling, waarvoor hij 30.000 gulden beloofde uit te keren aan mij [= A.van den Bergh] en aan mevrouw Goudstikker-Sellisberger, de moeder van Jacques Goudstikker. Dat heb ik niet aangenomen natuurlijk. (…) Het is mij niet bekend wie mevrouw Goudstikker-Halban die destijds in Genève verbleef, om toestemming voor de verkoop heeft gevraagd. Het is mogelijk dat ik deze toestemming heb gevraagd, doch later meende ik, onder de dwangmaatregelen van de Duitsers, niet op de toestemming te moeten wachten. Echter weet ik in het geheel niet of ik om toestemming heb gevraagd’. Ondanks een mededeling van echtgenote Dési Goudestikker dat zij toestemming weigerde ging de verkoop door. Onder het kopje Daden van Miedl sinds 1940 meldt Rouwhorst het volgende over de aankoop van de firma Goudstikker: De eigenaar van de firma Goudstikker heeft Mei 1940 gepoogd via een Hollandse haven met een boot Engeland te bereiken. Hierbij heeft hij het leven verloren. Zijn vrouw Dési heeft Amerika bereikt. Zij is de enigste die va het erfrecht aanspraken kan maken op de eigendommen van haar man in Holland. Miedl kocht de firma Goudstikker van de erven Goudstikker, vertegenwoordigd door de toenmalige beheerders, via het notariskantoor Van den Bergh voor 2,6 miljoen gulden. Aan de notaris werd een zeer groot bedrag van circa 2,5 ton uitgegeven voor zijn medewerking. De laatste zin is in het verslag van Rouwhorst met rood onderstreept. Verderop heeft rechercheur Rouwhorst nog vermeld: Daar notaris Van den Bergh niet arisch was, zijn de minuten op deze zaak betrekking hebbende in handen gekomen van de nieuw benoemde notaris Anton Schepers, Valeriusstraat, die ze waarschijnlijk aan de nieuwe herbenoemde Van den Bergh ter beschikking zal hebben gesteld’. Cees van Hoore schrijft verder in zijn Historiek artikel: Kennelijk hechtte Miedl aan de vaste notaris van de familie Goudtikker en heeft hij weten te bewerkstelligen dat Van den Bergh snel weer werd binnengehaald. In de opsomming van wie er in de firma Goudstikker allemaal ongehoord hoge provisies ontvingen, ontbreekt in het CABR-dossier van Jan Dik jr. vreemd genoeg de naam van Van den Bergh. ook ontbreekt de mededeling dat hij 50.000 gulden handgeld ontving van Miedls bank, de Buitenlandse Bank Vereeniging. Vreemd is dat hij volgens een accountantsrapport nog wel zo’n 23.000 gulden voorzijn werk heeft gedeclareerd. Bij elkaar genomen heeft hij dus meer dan drie ton ontvangen voor het opmaken van het verkoopcontract. Een aardig bedragje dus. Maar vanwege zijn joodse achtergrond kon hij niet weigeren de verkoopcontracten op te maken, te weten: een voor Miedl en een voor Göring. Dat pleit hem vrij van het opzettelijk maken van een woekerwinst, zoals door enkele notarissen in de oorlog wel gebeurd(…)’. Van den Bergh tijdens het verhoor: ‘Miedl wist het personeel van de NV Goudstikker aan zich te binden door later grote sommen uit te eren waardoor zij dan “alleen” maar in de toekomst goed zijn belang en zaken zouden moeten dienen’.

Nota Bene In het rapport De Joodse notaris en de beschuldiging van verraad wordt gesteld dat aan Van den Bergh als liquidateur in totaal 9.000 gulden is uitbetaald. [SAA 1341/79, Accountantskantoor Wolfrat, Entrop & van Namen. Rapport inzake de controle der administratie over het tijdvak 30 juni 1940 – 31 december 1945 de Kunsthandel J.Goudstikker N.V.]. Voorts is vermeld: ‘De notariële kantoorkosten die Massee als waarnemer declareerde bedroegen in totaal (tot december 1943 1540,67 bedroegen. [NA 2.09.16.05, inv. nr.81997, Accountantskantoor Wolfrat, Entrop & Van namen. Balans per31december 1943, Rapport d.d. 31 juli 1955, 6′]. Ook dat zijn normale bedragen voor de verrichte notariële werkzaamheden’.

======

Interview met Rosemary Sullivan. De canard van ‘Het verraad van Anne Frank’. De Tweede Wereldoorlog als industrie (3-III)

In dagblad Trouw van zaterdag 19 maart 2022 een interview met Mirjam de Gorter, kleindochter van Arnold van den Bergh: ‘Ik voel me echt belazerd door het coldcaseteam

Kleindochter Mirjam de Gorter uit Haarlem: Het coldcaseteam zette mij onder valse voorwendselen aan tot een gesprek (Aankondiging in Trouw 19 maart2022)
Portret van notaris Arnold van den Bergh, (broer van de op 1 juli 1944 in Auschwitz omgebrachte Zadok van den Bergh)
Kleindochter Joodse notaris Arnold van den Bergh noemt aanpak coldcaseteam “onethisch” (Trouw, 19 maart 2022)
Interview met Miriam de Gorter , in De Verdieping, dagblad Trouw, 19 maart 2022.
Vervolg van artikel door Rianne Oosterom, dagblad Trouw, 19 maart 2022.
Reactie op interview in dagblad Trouw van Rianne Oosterom met kleindochter Mirjam de Gorter (62) door voorzitter Evert van Twisk namens het coldcaseteam.

Het CCT heeft met voorschotten van de uitgever en subsidie van de gemeente Amsterdam 4 tot 5 jaar gewerkt aan een boek – de geplande documentaire kan men wel vergeten – terwijl zes historici gedurende twee maanden in hun vrije tijd hun rapport opstelden, waaruit evident blijkt dat Van den Bergh niet de verrader van Anne Frank kan zijn geweest.

Ongelooflijk is de reactie van hoofdonderzoeker Pier van Twisk: ‘Vooralsnog heb ik nog niets gelezen waarvan ik denk: nu is onze theorie weerlegd’. ‘Als er argumenten zijn die aantoonbaar onze theorie ondermijnen zullen we zonder meer onze mening bijstellen. Vooralsnog is dat niet het geval (De Volkskrant, 23 maart 2022).

Ruben Vis als spreker op 22 maart 2022 in de aula van de universiteit van Amsterdam, waar een team van historici het resultaat van een weerlegging van het CCT-boek openbaar maakte
Vooromslag van 22 maart 2022 gepubliceerd rapport als reactie op het boek Het verraad van Anne Frank, 72 pagina’s, door prof.dr.Bart Wallet, dr.Petra van den Boomgaard,dr. Bart van der Boom,dr.Raymond Schütz, dr.Laurien Vastenhout en Aaldrik Hermans MA.

Uit rapport: De Joodse notaris en de beschuldiging van verraad. 2022
Vervolg Inhoudsopgave
Tijdlijn Arnold van en Bergh 1886-1942 (pagina 65)
Tijdlijn Arnold van den Berg 1943-1944
Vervolg tijdlijn Arnold van den Bergh 1944-1950, pagina 67.
Persbericht van uitgeverij Ambo/Anthos waarin nogmaals verontschuldigingen worden aangeboden
Familie Van den Bergh is groot onrecht aangedaan (De Telegraaf, 24 maart 2022)

De wereldrechten van het boek berusten bij HarperCollins Publications UK/USA. Het boek verscheen januari 2022 in het Engels en in een Nederlandse vertaling van Marijke Gheerart. In januari tevens in het Frans, Spaans, Fins, Noors, Zweeds en Hongaars. Voorts in de maand februari in het Japans en Spaans, op 1 maart in het Portugees. Voor 31 maart staat een Deense vertaling op het programma. Andere vertalingen, zoals Duits en Chinees, zijn in voorbereiding. Onderzoeker Bart F.M.Droog bracht op zijn facebook naar buiten dat 22 maart een Poolse editie is verschenen.

De Poolse editie van HarperCollins
Vince Pankoke met links van hem Monique Koemans en rechts Brendan Rook, twee van de medewerkers van internationale coldcaseteam (foto HarperCollins)
Beschrijving CCT-lid, criminoloog en historicus Monique Koemans in boek Het Verraad...,pagina 39
Beschrijving van rechercheur en CCT-lid Brendan Rook op pagina 40 van voornoemd boek
Presentatie van de Deense uitgave is gepland op 31 maart 2022..

HarperCollins haalt Amerikaanse uitgave Betrayal Anne Frank niet terug (Haarlems Dagblad, 25 maart 2022)
Op basis van een aanvrage in 2017 ontving Proditione Media BV, bestaande uit de directeuren Thijs Bayens en Pieter van Twisk, een subsidie van de gemeente Amsterdam voor een bedrag van 100.000 euro. Onderzocht wordt of dit bedrag teruggevorderd kan worden.

BIJLAGE: DE LEEMKUIL 11 Laren: een razzia door Ron van den Berg. Uit: Kwartaalbericht 156, zomer 2021, p. 22-26

(artikel door Ron van den Berg)
Vervolg van: De Leemkuil 11 Laren: een razzia
Vervolg met informatie over Ietske Hoeksema
Vervolg van De Leemkuil 11 Laren over een razzia in juli 1943 [Correctie: Gorinchem moet zijn Blaricum].
Slot van artikel in Kwartaalbericht 156, zomer 2021 van de Historische Kring Laren.

Veel onderduikers in Laren Zie: Kwartaalbericht Historische Kring Laren, 107 (2009-1)
Over Albert Schlösser, slachtoffers Dirk Joseph Buis en Aloisius Corn. Vlasman, en namen van de groep mensen die hulp boden aan Joden, onderduikadressen e.d.: H.Troeder, J.Landren, P.van de Water en mevrouw E.Elbrink. (De Laerbode)

Klik om toegang te krijgen tot Toespraak-Mirjam-de-Gorter-Ned-22-3-2022.pdf

Vooromslag boek: De politiek van het kleinste kwaad; een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam 1941-1943. Uitg. Boom, 2022
Met de kennis van toen. De Volkskrant, 26 april 2022. Recensie Joodse Raad door Sander van Walsum
Vervolg artikel boek over de Joodse Raad door dr. Bart van der Boom (De Volkskrant,22 april 2022)

====

Op zondag 19 juni zond HUMAN op Nederland 2 TV een reportage uit gewijd aan het Verraad van Anne Frank. Begin dit jaar wees een Nederlands (internationaal) coldcaseteam in een boek de Joodse notaris Arnold van den Bergh aan al vrijwel zekere verrader van de schuilplaats van Anne Frank. Het was wereldnieuws. In Nederland is het niuws groot gebracht door de NOS en kranten als De Volkskrant, NRC etc. zonder dat de inhoud vooraf is getoetst dooronafhankelijke deskundigen. Na een storm van kritiek is enkel de Nederlandstalige uitgave uit de handel genomen. Aan de medialogica uitzending wilde initiator. filmer Thijs Bayens niet meewerken. Namens het CCT deed dat wèl hoofdonderzoeker en filosoof Pieter van Twisk, die ook nadat de de schuilplaats van de ten onrechte beschuldigde Arnold van den Bergh in Laren bekend is geworden bij de mening blijft, gebaseerd op een reeds eerder bekend anoniem briefje waarin Van den Bergh van het verraad werd beschuldigd, die als (voormalig) lid van de Joodse Raad adressen van schuilplaatsen zou hebben gekend. Ronald Leopold, directeur van de Anne Frank Stichting in Amsterdam bestrijdt dat het CCT met zijn stichting heeft samengewerkt, enkel archiefmateriaal ter beschikking heeft gesteld. Kleindochter Mw. Mirjam de Gorter komt aan het woord. Zij is boos is en zegt niet integer te zijn behandeld door Bayens. Verder enkel journalisten alsmede de historici David Barnouw en Bart Wallet, die hebben vastgesteld dat alles wat ten voordele van Van den Bergh pleit als niet-verrader door de onderzoekers is weggelaten, bovendien onjuistheden zoals over schilderijen in privé bezit van de notaris naar buiten hebben gebracht.

Argos medialogica: ‘een waangeschiedenis, een leugen’

Het boek The Betrayal of Anne Frank waarvan de uitgeefrechten wereldwijd zijn vastgelegd door Harper Collins is blijkens onderzoek door Bart F.M.Droog intussen verschenen in het Engels en Amerikaans en verder in het Nederlands (uit de handel genomen), Spaans, Frans, Italiaans, Pools, Fins, Noors, Zweeds, Hongaars, Portugees, Deens, Japans (zie vooromslag illustratie). In andere talen, zoals Duits , in voorbereiding.

Intussen gaat Harper Collins door met het boek wereldwijd in vele talen te verspreiden en schijnt enkel journalist Bart F.M.Droog zich nog druk te maken bij de gemeente Amsterdam om de verstrekte 100.000 euro subsidie van het Cold Case Team terug te vorderen.

Ansichtkaart Anne Frank (in serie Schrijvende Vrouwen, Amsterdam University Press)