Tags

BUTLER MALOMSOKY: ‘IN DIENST VAN MENEER’

Het kwam in het verleden vrijwel niet voor dat een butler uit de school klapte. De Hongaar Istvan Malomsoky (toen 50) was enkele jaren daarvoor butler op een buitenplaats in Heemstede waaraan hij enkel slechte herinneringen bewaarde en in tegenstelling tot wat van butlers wordt verwacht helemaal los ging toen hij door journalist Ed Blaauw werd geïnterviewd. Onderstaand een verslag uit het Noord-Hollands Dagblad van 5 januari 1991.

“Meneers wil was wet. Hij eiste dat zijn butler Istvan Malomsoky altijd hagelwitte handschoenen droeg. Zelfs achter het stuur van de twintig jaar oude Simca die van ellende uit elkaar viel. En Istvan gehoorzaamde, hij sprak de ‘gierige rijkaard’ nooit tegen. Dag-in-dag-uit boog de bediende als een knipmes voor zijn broodheer. Zes jaar lang diende de butler bij een gepensioneerde ambassadeur, in de naargeestige villa Huize het Manpad. De eerste twee maanden ’s avonds, in de dienstwoning vlak bij de villa, als het witte gesteven butlerjasje aan de kapstok hing, lieten hij en zijn vrouw, dienstbode en kokkin, bij meneer, hun tranen vaak de vrije loop. Ze waren in 1978 Hongarije ontvlucht, in de hoop in Nederland een menswaardig bestaan op te bouwen. Maar ze voelden zich bij die deftige meneer derderangs burgers. ‘We zijn uitgebuit. We werden behandeld als minderwaardige mensen. Mijn vrouw en ik verdienden samen duizend gulden netto in de maand. We werkten zeven dagen in de week. Toen mijn vrouw ziek werd, bleek dat meneer geen cent premie had betaald voor onze ziektekosten te hebben betaald.’ Istvan, nu vrachtwagenchauffeur op Schiphol, wordt zeer boos als hij aan die zwarte bladzij in zijn leven wordt herinnerd. Butler, hij vond het een onaangenaam vak, vooral omdat hij een onaangenaam mens diende.

 

Istvan Malomsoky: "We zijn uitgebuit. We werden behandeld als minderwaardige mebnsen."

Istvan Malomsoky: “We zijn uitgebuit. We werden behandeld als minderwaardige mensen.”

Vruchteloos

Tientallen telefoontjes met adellijke families, grote industriëlen, bekende zakenmensen en andere rijkaards, in de hoop op een actieve butler aan de lijn te krijgen, lopen op niets uit. Steeds dezelfde antwoorden, ‘Vroeger ja, toen hadden we een butler, maar die tijd is voorbij.’ En: ‘Of we wel of geen butler hebben is uw zaak niet.’  Sommige families willen niet weten dat ze een huisknecht hebben, Butlers aan de telefoon proberen te krijgen blijkt onbegonnen werk. Dan maar op goed geluk naar de landhuizen op stand. Een voorname villa in een lommerrijke omgeving. Een bordje ‘Verboden Toegang’ prijkt aan het begin van de brede oprijlaan. Knisperend grind onder de schoenen verstoort de rust van het buitenleven. Achter een van de ramen wordt een gordijn een stukje weggeschoven. Een spiedende vrouw. Bellen aan de voordeur. Wachten. Lang wachten. Dan gaat de deur op een kier. Een jonge vrouw. Ze lijkt in haar wiek geschoten als haar het doel van het onverwachte bezoek wordt verteld. ‘Dat zullen mijn ouders niet leuk vinden. Dart willen ze niet. Wilt u misschien nu weer vertrekken? ’Een kapitale bungalow, compleet met zwembad en tennisbaan, drie lanen verder. Er woont een butler verzekeren de plaatselijke kruidenier en de slager mij. Een oudere heer hoort het verzoek zwijgend aan. Hij schraapt zijn keel en zegt geaffecteerd: ‘U moet de privacy van mensen respecteren. Tot ziens.’ De deur valt met een klap in het slot. De speurtocht wordt na nog twee vruchteloze pogingen gestaakt.

Gierig

Istvan Malomsoky begrijpt het wel. Ook hij werd door zijn baas afgeschermd. Praten met mensen van de krant, hij zou er nooit toestemming voor hebben gekregen. Nu was zijn relatie met meneer ook niet om over naar huis te schrijven. ‘Meneer was heel rijk, maar zo gierig.’ Als ik boodschappen deed moest ik alles tot op de cent afrekenen. Op een keer, het zal in 1980 zijn geweest, had ik een cent, ja één cent tekort. Meneer stuurde me weer terug, terwijl er toen al geen centen meer waren. Hij was zo gierig dat hij me er op uit stuurde voor een halve kroket.’ Ooit ging zijn meneer met de trein naar Den Haag. Hij had een retourtje gekocht. Maar Istvan haalde hem met de auto in Den Haag op. ‘Op de terugweg moest ik op het station in Heemstede vragen of ik de helft van het geld terug kon krijgen, want hij was toch alleen maar héén naar Den Haag met de trein geweest? Ik schaamde me dood.’ De welgestelde ex-ambassadeur zat op zijn centen. Hij spaarde het eten uit zijn mond. ‘Hij at haast niks. Hij was zo’n 1 met 85 lang, maar hij woog net 60 kilo. Het was vel over been. Dan bestelde ik een half onsje rookvlees bij de slager. Meer bestellen vond hij zonde van het geld. En als het maar even kon at hij fruit uit zijn tuin. Dat scheelde weer.’ Meneer at wel altijd wel precies op tijd. Klokslag tien uur ’s morgens zette hij zich aan het ontbijt, om precies één uur ’s middags begon hij aan de lunch, en om exact zeven uur ’s avonds schoof hij aan voor het diner. ‘Zijn maaltijden duurden tot op de seconde nauwkeurig één uur. Daarna trok hij zich weer terug, meestal in zijn herenkamer. Hij woonde alleen in het grote huis. Een villa met vijf slaapkamers, drie badkamers, een uitgelezen wijnkelder, een jachtkamer, een zitkamer, een bloemenkamer, een herenkamer, een keuken, een bijkeuken plus ’n enorme bibliotheek. Meneer was gepensioneerd en had niet veel om handen. Hij zat vaak in de herenkamer brieven te schrijven.’ Om de haverklap galmde de schelle bel door de villa. Waarna Istvan z’n jasje recht trok en zich naar meneer spoedde. ‘Denk niet dat ik zo die deur van zijn kamer kon opdoen. Ik moest eerst beleefd kloppen.’

 Toon Jansen: Geen kwaad woord over de familie Smidt van Gelder van Belvédère

Toon Jansen: 'Ik was verknocht aan die particuliere diners. De etiquettes, het protocol, de kostuums en gewaden, de eetzalen, de flair van die mensen.  Ik heb genoten van mijn werk. Maar een vetpot is het nooit geweest.'

Toon Jansen: ‘Ik was verknocht aan die particuliere diners. De etiquettes, het protocol, de kostuums en gewaden, de eetzalen, de flair van die mensen. Ik heb genoten van mijn werk. Maar een vetpot is het nooit geweest.’

Belvedère te Overveen, in 1928 gebouwd onder architectuur van architect A.A.de Maaker

Belvedère te Overveen, in 1928 gebouwd onder architectuur van architect A.A.de Maaker (Wim Post) Nadat mevrouw Bijleveld in 1926 was overleden en als eigenares het huis van mw. Van der Vliet-Borski in 1912 had overgenomen, is Hendrik Smidt van Gelder nieuwe eigenaar geworden. Die liet het oude huis afbreken en gaf opdracht aan Andries de Maaker de villa Belvedère te ontwerpen.

Soms gaf meneer een jachtpartij of een groot diner. Dan tastte hij wel in de buidel. Als er meer dan zes gasten kwamen, huurde hij regelmatig privé-kok Toon Jansen van Huyze Belvédère in Overveen in. Jansen kookte zo’n dertig jaar lang voor de welgestelde familie Smidt van Gelder. De Kookkunst van Jansen was befaamd tot aan het hof toe. Hij was de kok voor de adel (…)’ .Istvan: ‘De gasten waren altijd aardig, alleen meneer niet. Butler, voor mij was dat eens maar nooit meer.’” In het verdere gesprek blijkt dat ook Toon Jansen het zeker niet altijd gemakkelijk had, maar hij was en bleef beleefd, plichtsgetrouw en nauwgezet. Er kwam geen kwaad woord over zijn lippen als de familie ter sprake kwam. Ook hinderde het hem niet dat hij iedere dag voor dag en dauw opstond en tot z’n 55ste nauwelijks vrije dagen kende. Dat relativerend met de woorden “als ik op de boerderij van mijn ouders was blijven wonen had ik ook zondags moeten werken.” Omdat het loon schamel was werkte hij in de vakanties als kok in het Amstel Hotel of bij andere families thuis. “Ik deed het voor de centen, maar ook omdat ik aan mijn vak was verslingerd. Koken is altijd mijn hobby geweest. Als mevrouw en meneer met hun kinderen op vakantie gingen, paste Jansen op de villa. Overnachten op Belvédère was slapen in weelde. Dat de familie de sleutel van het huis aan hem toevertrouwde ervoer Jansen als een enorm blijk van waardering. ‘Rijke mensen kunnen als voorbeeld dienen voor de werkman. Als ik naar meneer Schmidt van Helder keek, die man was altijd en eeuwig aan het werk.” Na nog een jaar bij de zoon van Smidt van Gelder te hebben gewerkt ging hij in oktober 1978 met pensioen maar heeft hij op verzoek nog enkele jaren veelvuldig bij welgestelde families als kok gewerkt.

Glasraam met heraldisch wapen en naam Smidt van Gelder

Glasraam met heraldisch wapen en naam Smidt van Gelder

Foto van mr.Jan Visser, in vol ornaat als ambassadeur

Foto van mr.Jan Visser, in vol ornaat als ambassadeur

 Bijlage

Toen de vorige tuinbaas van Huis te Manpad definitief met pensioen ging gaf hij bovenstaand interview, gepubliceerd in het Haarlems Dagblad van 27 mei 1987. Een gesprek in een totaal andere sfeer als van de butler,

Toen de vorige tuinbaas van Huis te Manpad definitief met pensioen ging gaf hij bovenstaand interview, gepubliceerd in het Haarlems Dagblad van 27 mei 1987. Een gesprek in een totaal andere sfeer als van de butler.

De butler [in Madame Tussaud's Warwick-kasteelbibliotheek]

De butler [in Madame Tussaud’s Warwick-kasteelbibliotheek]