Over Zwanendrift, eendenkooi Bennebroek en Pluimgraven in Heemstede plus een geschil met Haarlem

“Een schoone zwaanendrift heft haren hals om hoog

En zwemt door ’t stroomend nat met neergeslagen wieken,

Zo wit als wintersneeuw, terwyl het muisvaal kieken

Zich agter haar verschuilt. O wit-gepluimt geslacht!

Van Ouds als Ridderlyk en Adelyk geacht.

Voelde elk, die met den naam van Adelyk mag pronken,

Zich door uw zuivre kleur tot reine deugd ontvonken.

Uw schoonheid ziet zich zelf door de overheid bewaakt,

Terwyl ge in deezen stroom en u en ons vermaakt” (Adriaan Loosjes, Het Spaaren, 1783)

Zwanen in hun element

Zwanen in hun element

Tot de voorrechten van zowel de Heerlijkheid Heemstede als het in 1466 afgescheiden Berkenrode behoorde het recht van zwanendrift. De zwaan- of zwanendrift (zwaanderij) was in vroeger eeuwen het privilege van sommige steden en ambachtsheren om tamme zwanen te houden. Officieel in de Franse Tijd (1798) afgeschaft, bleef tot in het midden van de 19e eeuw het ‘Register der Zwanen-driften en Jagten’ gehandhaafd. Van alle zwemvogels zijn de zwanen het grootst. Van de zeven soorten zijn er vijf wit. Vooral de knobbelzwaan heeft reeds lang burgerrechten in ons land. Bij afgravingen van terpen in Groningen en Friesland zijn fluiten gevonden, vervaardigd uit beenderen van de knobbelzwaan, de bekende ‘parkzwaan’, met oranjerode snavel en zwarte knobbel. Het woord ‘zwaan’ komt incidenteel voor in plaatsnamen (vgl. Zwaanshoek), evenals op wapens van families en gemeenten, zoals in Heemstede de heraldische merletten, die veel gelijkenis met eenden vertonen. In de middeleeuwen is de knobbelzwaan gedomesticeerd, ook al neemt deze bij gevaar snel een agressieve houding aan. Het houden van zwanen was een statussymbool, aanvankelijk voorbehouden aan vorsten. Het recht is in Vlaanderen en Holland als een grafelijk privilege enkel aan belangrijke steden en landsadel toegestaan, waartoe het adellijk geslacht Van Heemstede gerekend kon worden. Ooievaars, duiven en zwanen golden in de middeleeuwen als beschermde vogels en op het zonder consent doden hiervan stond veelal een zware boete. Op 11 februari 1401 verleende hertog Aelbrecht aan Jan van Heemstede als dank voor bewezen diensten de rechten om konijnen te vangen binnen het ambacht en de visserij in het Spaarne nabij het Huis te Heemstede. Aangenomen wordt dat al zijn vader Gerrit van Heemstede, die als zegelaar deel uitmaakte van de Grafelijke Raad, reeds het voorrecht van de zwanendrift ontvangen heeft. De oudste overgeleverde acte, waarin expliciet sprake is van het recht om zwanen te houden, dateert van 15 februari 1450. De toenmalige ridder Jan, heer van Heemstede, tevens van Benthuizen (nabij Hazerswoude), beleende Willem Gerritszoon van Schoten met de poel met aangewassen en zwaandrift tussen de vrijheid van Haarlem en het Spaarnewouderveer. Omdat heer Jan zelf geen zegel bezat, zegelde zijn neef Lodewijk van Montfoort, heer van Hazerswoude. Financieel in de problemen gekomen is een deel van Heemstede, Berkenrode genaamd, door Jan van Heemstede in 1466 beleend aan Gerrit van Berckenrode, burgemeester van Haarlem (en het zou tot 13 juni 1857 duren totdat de gemeenten Heemstede en Berkenrode wederom zijn verenigd onder de naam Heemstede). In de overdrachtsacte van 18 augustus 1466 wordt omstandig gesproken over de drift van twee paar oude zwanen, welk voorrecht de nieuwe ambachtsheer verkreeg. Ik citeer: “(…)die hij voir hem ende zynen erven aldaer sal mogen houden in derselver bepaling boven verclaert. Ende van welken zwaendrifte ie den voirnoemde Geryt (=vader van Jan van Heemstede. H.K.) tanderen tijden consent gedaen ende mijn brieven gegeven hebbe, welke ambachtheerlicheyt thienden ende zwaendrift die selve Geryt hebbe, behouden, gebruycken en de besitten sat tot alsulken rechte ende lene als ie die van mijnen voirs. Genadigen Heere te lene houden hebbe“(1).

In 1472 is het ambacht Heemstede beleend aan de vermogende Lodewijk van Gruuthuize uit Brugge, graaf van Winchester, toenmalig stadhouder van Holland, Zeeland en Friesland. Op 3 juli 1473 kocht Lodewijk van Willem van Schoten de zwanendrift terug, dat een onversterfelijk was van de hofstede van Heemstede, waar tegenover stond een rode (=jonge) sperwer-te gebruiken ten behoeve van de valkenjacht- of een stoop wijn. Op 13 april 1559 is een plakkaat (wet of verordening) uitgegeven tegen het schieten van duiven en zwanen, van welke een handgeschreven afschrift zich bevindt in het Heemsteedse gemeentearchief [Noord-Hollands Archief].

Adriaan Pauw benoemt pluimgraaf

Naast het houden van zwanen en duiven behoorde de visserij in hetSpaarne achter het Huis te Heemstede toe aan de ambachtsheren, welk laatste privilege regelmatig tot conflicten leidde met de vroedschap Haarlem, die pas op 17 october 1476 het recht der Heren van Heemstede officieel erkende. Op 2 november 1622 verhuurde de nieuwe Heer ridder Adriaan Pauw de visserijen en vogelarijen voor vijfentwintig gulden per jaar. Om het vangen van vogels tegen te gaan gold een ordonnantie en de huurder mocht bekeuren en een boete innen, indien de geldende regels ter bescherming van vogels werden overtreden. In die periode bleken de zwanen behorende tot het Huis van Heemstede ten dele gestorven, ten dele verdreven en weggeraakt. Omdat de resterende knobbelzwanen ongepaard waren, schonken de Burgemeesters en Regeerders van Amsterdam als een huldebetoon aan pensionaris Adriaan Pauw ‘een paer schone zwanen’; het mannetje omtrent 7 jaar en de vrouwelijke zwemvogel ongeveer 5 jaar oud. De dienaar van de pluimgraaf kerfde op de snavel een kruis en óók de poten zijn gekenmerkt. Teneinde de zwanendrift in Heemstede te kunnen voortzetten en verbeteren is het paar op 3 april 1625 naar Heemstede vervoerd. Helaas kon het wijfje in de nieuwe omgeving niet wennen en is a! begin juni van dat jaar gestorven, doch reeds op 13 juni vervangen door ‘een ander schoon wijfken’, dat ook al korte tijd later overleed. De “zwaanderij” kwam onder druk te staan, maar Adriaan Pauw wist zoals in de politiek niet van wijken en hij gaf schout Johan van As (intussen benoemd tot pluimgraaf) opdracht een nieuw koppel naar de slotgracht over te brengen, wat op 16 october geschiedde. De zwaan van het mannelijk geslacht was tussen de 5 en 6 jaar en het vrouwtje omstreeks 4 jaar oud. Om het toezicht te houden over de watervogels, inzonderheid de zwanen, zijn al in de middeleeuwen zo geheten pluimgraven aangesteld, in de zin van ambtenaren of hofdienaren belast met toezicht op de pluimdieren; vergelijk ‘dijkgraaf. Amsterdam, Leiden en Haarlem (2) kenden het ambt van pluimgraaf, vaak lid van het plaatselijk bestuur, in de 17e eeuw waren de burggraven van Leiden en later de heren van Wassenaar pluimgraven van Rijnland. De historicus Wagenaar bericht dat het pluimgraafschap ofwel oppertoezicht over de stadszwanen in Amsterdam gemeenlijk door een burgemeester werd waargenomen, hetgeen ook in Heemstede het geval is geweest Adriaan Pauw die als weinig andere bestuurders uit Heemstede in het verleden in veel opzichten zijn tijd ver vooruit was, benoemde schout Johan van Asch op 10 juli 1625 tot stadhouder der lenen, houtvester particulier over de duinen en wildernissen, alsmede tot pluimgraaf van zijn zwanen en zwaandriften in het Spaarne en de Meer. De eerste pluimgraaf legde de eed af en behalve de charter met ondertekening en opgedrukt zegel is ook het persoonlijk door Pauw geschreven concept bewaard gebleven in het Heerlijkheidsarchief. Op dezelfde dag is Jacob Pieterszoon, woonachtig aan de Molenwerf, gecommitteerd door de Heer van Heemstede tot dienaar van de pluimgraaf. In dezelfde maand gaf de stad Haarlem een keur uit aangaande de Swaanderij en Vogelarije (opnieuw verschenen in 1627). De pluimgraaf van Haarlem verzocht op grond hiervan aan zijn Heemsteedse kollega of die mede wilde letten en toezicht houden op de Haarlemse zwanen, omdat zoals spoedig zou blijken de zwanen gemeentegrenzen overschreden en in elkaars water terecht kwamen. De Haarlemse keur liet toe dat Jacob Pieterszoon een provisie ontving. De dienaar van de Heemsteedse pluimgraaf leren we in de Heemsteedse archieven verder nog op een andere wijze kennen. Van de ambachtsheer kreeg Jacob Pieterszoon toestemming nabij zijn huis tijdens het jaarfeest een stang met papegaaien te plaatsen die door liefhebbers tegen betaling afgeschoten mochten worden. De voorwaarden, prijzen e.d. dienden vooraf aan de schout te worden gemeld en uiteraard ontving de Heerlijkheid (lees Adriaan Pauw) voor deze vergunning een deel van de opbrengst. Na eerdere plakkaten uit o.a. 1559 en 1595 bleek het in 1637 noodzakelijk dat de baljuw van Rijnland een nieuwe verordening uitbracht ter bescherming van vogels, met name duiven en zwanen.

Twee witte zwanen in slotgracht van Huis te Heemstede door Berckheyde, 1667.

Twee witte zwanen in slotgracht van Huis te Heemstede door Berckheyde, 1667.

Zwanen in de slotgracht van het Huis te Heemstede. Schilderij van Jan Janson, 1766 (Rijksmuseum)

Zwanen in de slotgracht van het Huis te Heemstede. Schilderij van Jan Janson, 1766 (Rijksmuseum)

Conflict met Haarlem

Verdrag tussen Haarlem en Heemstede uit 1655 over de zwanendrift

Op 7 december 1642 heeft omtrent het middaguur de pluimgraaf van Haarlem een jonge zwaan die toebehoorde aan het Huis te Heemstede in het Spaarne doodgeschoten. Het gerucht verspreidde zich als een lopend vuur door Heemstede en Adriaan Pauw moet in woede ontstoken zijn toen hij van de misdaad kennis nam. Voornamelijk om genoegdoening van de stad Haarlem te eisen liet de ambachtsheer verklaringen afleggen die het voorgevallene moesten bevestigen. Hiertoe werden ingeschakeld schout/pluimgraaf Johan van Asch, de schepenen, voorts Hendrik de Goyer, rentmeester van het Huis, alsmede schout en schepenen van Nieuwerkerk (een Heerlijkheid in bezit van Pauw), welke laatsten op 21 december een uitgebreide verklaring opstelden door twee oog- en oorgetuigen afgelegd. Claes Cornelisse en zijn maar die analfabeet was en daarom met een groot kruis signeerde, hadden op 7 december via ’t Spaarne op weg naar huis drie schoten gehoord. Deze waren volgens hen afkomstig uit geweer van Dirk Janszoon, herbergier in Haarlem en pluimgraaf van de stad. Tussen 8 en31 december zijn nog vier belastende verklaringen jegens de Haarlemse pluimgraaf op schrift gesteld, o.a. door vader en zoon Willem en Jan Janssen, respectievelijk circa 50 en circa 30 jaar oud. Dirk Janssen zou met een roer in de hand en in aanwezigheid van een hond op èèn van de drie jonge zwanen “die nog niet geheel wit was” geschoten hebben. De stervende zwaan viel dood op ’t ijs, wat plaatsvond aan de westzijde van ’t Spaarne ter hoogte van de Duivenpoort bij het kasteel. Bovendien werd verklaard dat hij de zwaan op zijn schouders nam en in de Spaarnestad voor negen stuivers had verkocht. Pluimgraaf Dirk verdedigde zich door te zeggen dat het zwaantje in Haarlem was uitgebroed. Uit de Heemsteedse archieven kan niet worden opgemaakt welk gevolg deze zaak voor hem heeft gehad. Het liefst zal Adriaan de Haarlemse pluimgraaf op de schandpaal ofwel Kaeck tegenover het Schoutenhuis (het latere ‘Wapen van Heemstede’) voor het publiek te kijk hebben gesteld, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat het zover is gekomen. De staatsman-ambachtsheer heeft talrijke malen geschillen gehad met de Haarlemse magistratuur (evenals met de baljuw van Kennemerland), maar ging uit een oogpunt van “suyvere naerbuijrschap” en als excellent diplomaat nimmer zover de zaak op de spits te drijven. In 1651 is Adriaan Pauw voor de tweede maal tot Raadpensionaris van Holland benoemd en bleef weinig tijd over om zich persoonlijk met Heemsteedse aangelegenheden te bemoeien en op 21 februari 1653 is hij na een korte ziekte in Den Haag overleden. Eerst zijn zoon en opvolger als ambachtsheer van Heemstede ridder Gerard Pauw sloot op l april 1655 een overeenkomst met de burgemeesters van Haarlem, waarin is geregeld dat zwanen uit Haarlem en Heemstede onbelemmerd in elkaars wateren mochten vertoeven. In Heemstede is het ambt van pluimgraaf sedert 1625 steeds verbonden geweest met de functie van schout/burgemeester, die aldus ook belast was met het toezicht op de lokale zwanendrift en vogelarije in het algemeen. De laatste pluimgraaf als zodanig benoemd in het Ancien Régime was Jan Dollernan in 1793 (overleden in 1810). Toen in 1793 de ambachtsheerlijkheid (inclusief het Slot) door Leonardus Pauw geboren Hoeufft voor ƒ 125.000,- is verkocht waren tevens “de zwaanendrift en visscherij in het Spaarne” als privileges in de verkoopvoorwaarden opgenomen, van welke de revenuen overigens gering waren. In 1798 breidde Vrouwe J.M. Dutry haar bezit uit met een stuk land tussen de Gasthuislaan en Jan Lottenlaan “met de drift van 2 paar oude zwanen, leenroerig aan den leenhove van  Holland”. Na Jan Dolleman is geen nieuwe pluimgraaf aangesteld, doch het recht van zwanendrift bleef nog wel gecontinueerd en is bijvoorbeeld op 2 augustus 1807 door de kapitein-generaal der Jacht in Den Haag verleend aan ambachtsvrouw J.M. Dutry en voor de laatste maal l juli 1849 voor vijf jaar aan de heer M.A. Beels.

Zwanen in het Heemsteeds Kanaal met de koepel van Hageveld op de achtergrond, 1985

Zwanen in het Heemsteeds Kanaal met de koepel van Hageveld op de achtergrond, 1985

Volières, vinkenbanen en eendenkooien

Niet zozeer voor commerciële doeleinden, maar ten genoege van de eigenaren zijn zwanen, evenals hoenders, eenden, ganzen en kalkoenen óók gehouden op een aantal buitenplaatsen. Menagerieën of volières (veelal bestaande uit hoender- en duivenhokken) zijn o.a. te vinden geweest op de volgende hofstedes: de Hartekamp, Huize te Manpad, Valkenburg, Sparenhout, Kennemeroord en Meer en Bosch. Linnaeus schreef in de opdracht van zijn boek “Hortus Cliffortianus” naar aanleiding van zijn eerste bezoek op 13 augustus 1735 aan de Hartekamp over “(…) Amerikaanse valken, verschillende soorten van papegaaien, fazanten, pauwen, parelhoenders, Amerikaanse korhoenders, Indische hoenders, zwanen, snippen, Amerikaanse kruisbekken, mussen in verschillende soorten, tortelduiven en andere duiven, benevens vele andere vogelsoorten, van wier kreten de tuin weergalmde”.

Het holvormig gebouwde menageriehuis van Cornelis van Lennep, gelegen aan de zijde van de Manpadslaan, bevatte een rijke verzameling van fraaie en zeldzame vogels, tot wier verzorging pluimgraaf Koert was belast die het huis ‘De Kapel’ nabij de Manpadsbrug bewoonde. In één jaar bedroeg het vogelzaad zelfs ƒ 1.200,-en omdat de tijdsomstandigheden ongunstig werden, besloot men zich te beperken tot duiven, eenden en kippen. Voorts was er een vinkenbaan (gelegen op Leiduin), zoals in Heemstede ook op Dennenheuvel en nabij Boekenrode. De oppasser van het gevogelte op een buitengoed was bij verkorting soms ook ‘pluim’ geheten. Bennebroek, tengevolge van familieomstandigheden in 1653 van Heemstede afgescheiden, heeft nimmer het recht van zwanendrift ontvangen. De gemeente heeft wél een vergunning tot het hebben van een vogelkooi in 1676 verkregen van de Rekenkamer der Domeinen van de Staten van Holland en West-Friesland. Deze is aangelegd op een stuk grond ter grootte van circa 3,5 hectare aan de zijde van het Haarlemmermeer, genaamd het Rottegat, en is met onderbrekingen tot het begin van de 19e eeuw in gebruik geweest om in het wild levende eendachtigen voor consumptiedoeleinden te vangen. Ook aan de oostoever aan het Spaarne nabij Vijfhuizen lag een vogelkooi die eigendom was van Adriaan Pauw.

Een vroeger beheerder van de kinderboerderij in het wandelbos Groenendaal, die men met evenveel recht met pluimgraaf zou kunnen aanduiden, deelde mij in 1990 mede dat toen verscheidene koppels zwanen in Heemstede verkeerden in het Spaarne en nabij Hageveld, de Groenendaalkade en omgevende vaarten en in de Leidsevaart In tegenstelling tot wat in de 19e eeuw gebruikelijk was, ontbreekt tegenwoordig een exacte telling van deze sierlijke en betekenisvolle watervogels in de gemeentelijke statistieken.

Geschil over vogelkooi in Bennebroek

Tussen 1764 en 1766 heeft zich een conflict voorgedaan tussen Jan Diderik Pauw, geboren Hoeufft, ambachtsheer van Heemstede, enige notabele ingezetenen van Heemstede en Jan Six van Hillegom aan de ene zijde contra Johannes Nutges, heer van Bennebroek, betreffende een eendenkooi te Bennebroek. De vergunning tot het hebben van deze vogelkooi was op 7 december 1676 door Adriaan Pauw, heer van Bennebroek, van de kamer van rekening verkregen, doch in de latere jaren waren deze niet meer gebruikt. Toen de heerlijkheid Bennebroek in 1761 door Johannes Nutges gekocht was wilde deze de kooi weer in gebruik nemen en verzocht hij vergunning om de verloren geraakte limietpalen, op een afstand van 500 roeden rondom de kooi, te doen herplaatsen. Daar sommige van deze grenspalen in Heemstede en Hillegom kwamen te staan ontstond het bovenvermelde geschil (3).

Tot besluit: als bijlage 1 is een lijst van de Heemsteedse pluimgraven opgenomen, zoals overgeleverd dankzij kronikeur Willem Dolleman (Van Doorninck nr. 469) (4). Zie ook bijlage 2.

NOTEN

(1) Geciteerd uit: J. van Duinen, De geschiedenis van de heerlijkheid Berkenrode. 1957, blz.ll. Toen het slot van Berkenrode in de nacht van 4 op 5 mei 1747 uitbrandde, vervaardigde de kunstschilder J. ten Compe een schilderij van de ruïne (thans in het Rijksmuseum) met twee fiere zwanen in de slotgracht.

(2) Over de pluimgraaf in de stad Haarlem is het volgende medegedeeld in: Ach lieve tijd, deel 13, 1984, blz. 301: “Behalve de vele viswateren rond de stad verkreeg Haarlem in 1608 ook van Josina van Groeneven-van Dorp een poel in eigendom met het recht van zwanendrift. Het recht zwanen te houden waseen oud grafelijk recht dat in het verleden aan sommige steden en edelen geschonken was. In de vijftiende en zestiende eeuw bezaten de Van Berckenrode’s de zwanendrift in het Spaarne, in ‘de Poel’ en in de Liede. In 1528 vertelde Witlem Pieterszoon, een vroegere huisknecht van Gerrit van Berckenrode, dat “deselve Gerijt van Berckenrode ende zijn vader die jonge zwaen aldaer hebben doen dalen ende gegeten als hem beliefde”. Het eten van zwaan was een statussymbool. Alleen aan bevoorrechten was het toegestaanzwanen te houden en alleen zij konden dus bij bijzondere gelegenheden op een zilveren schaal een gebraden zwaan laten opdienen. Sinds 1593 had de stad Haarlem de zwanendrift in Hofambacht, Spaarnwoude, Spaarndam en Spaarneland – het land ten westen van Spaarndam – in pacht gekregen voor een periode van zes jaar tegen een bedrag van acht schellingen per jaar. De Haarlemse burgers trokken zich weinig aan van het gebod dat “niemant naar eenighe swaenen, jonghe ofte oude, goyen, slaen ofte eenigh quaedt en doet opde verbeurte van het opperste kleet ofte twintigh stuyvers in gelde”. Op het stadhuis kwamen geregeld klachten dat burgers op zondag de stadspoorten verlieten en er met een geweer over de schouder op uit trokken om zwanen te gaan schieten in de buurt van Spaarndam. Jaarlijks werd daarom de verordening die de vogels moest beschermen op de pui van het stadhuis aangeplakt. In 1625 benoemde de stad een pluimgraaf, die toezicht op de stadszwanen moest houden. Omstreeks 1850 kwam er een einde aan het recht van zwanendrift en daarmee raakte de pluimgraaf zijn baantje kwijt”.

(3) Inventaris van het Archief van de heerlijkheid Heemstede. 1911. Inventarisnummer 296. Zie ook: maarten Verkaik, ‘De tuinen en de vogelkooi’, in: Het Huis te Bennebroek en z’n bewoners. Bennebroek, 1992.

(4) Bovenstaand artikel werd in 1990 geschreven en verscheen in ‘Nieuwsbrief Oud-Heemstede-Bennebroek’, nummer 66, naar aanleiding van een vraag van mevrouw B.L. de Haze Winkelman-Hoes over de historie van pluimgraven in Heemstede. Als bronnen zijn voornamelijk archivalia uit het gemeentearchief aangewend (Inv. Van Doorninck nrs. 129, 130, 295, 297), alsmede literatuur aanwezig in de Bibliotheek, nu in Heemstede-collectie van het Noord-Hollands Archief.

Hans Krol

Historische eendenkooi in Bijfhuizen

Historische eendenkooi in Vijfhuizen

Eendenkooi Vijfhuizen van Stokman, Kromme Spieringweg (NHA)

Eendenkooi Vijfhuizen van Stokman, Kromme Spieringweg (NHA)

Eendenkooi Stokman in Vijfhuizen (NHA)

Eendenkooi Stokman in Vijfhuizen (NHA)

BIJLAGE 1: Naamen van de Pluymgraeven van de Swaenen en Swaendriften te Heemstede.

1625, 10 July Johan van Asch en tot sijn dienaer Jacob Pietersz.

1643, 30 November Hendrik de Goyer

1653, 20 November Barthelomeus van Hove by avancement van Hendrik de Goyer

1677, 20 april Johannes van Hove

1691, 4 September Johan van der Poel

1713, 1 February Tamis de Jongh

1727, 1 Mey Cornelis de Jongh – bij overlijden van Tamis de Jongh

1747, 23 December mr. Jan Reeland – bij overlijden van Cornelis de Jongh

1755, 26 December Cornelis van Mekeren – bij overlijden van mr. Jan Reeland, Willem Dolleman tot substituut

1767, 20 Juny Willem Dolleman – bij depositie van Cornelis van Mekeren

1793, 10 July Jan Dolleman – bij vrijwillige afstand van Willem Dolleman

Bijlage 2: De vogelkooi van Bennebroek; door Daphne Riupassa

De vogelkooi; door Daphne Riupassa, 1989 (1)

De vogelkooi; door Daphne Riupassa, 1989 (1)

Vervolg 'de Vogelkooi'; door Dpahne Riupassa, 1989

Vervolg ‘de Vogelkooi’; door Daphne Riupassa, 1989

Ansichtkaart eendenkooi, Groenendaal Heemstede

Ansichtkaart eendenkooi, Groenendaal Heemstede

Bericht over moderne omstreden zwanendrift uit Haarlems Dagblad, 16-7-2015.

Bericht over moderne omstreden zwanendrift uit Haarlems Dagblad, 16-7-2015.

=======================================================

ANNEX: EEN 17E EEUWSE PAARDENMARKT IN HEEMSTEDE

Uit een archiefakte van 1 september 1660 (Van Doorninck, nummer 487) blijkt dat 1 september 1660 ongeveer 70 inwoners van Heemstede aan de heer van Heemstede en schout en schepenen van Heemstede hebben gevraagd om de paardenmarkt te herstellen die voorheen jaarlijks op 25 juni in Heemstede werd gehouden.

Franse ets van een grote paardenmarkt, door Jean Mayreau (1690-1762) uit 1735 (Teylers Museum Haarlem).

Franse ets van een grote paardenmarkt, door Jean Mayreau (1690-1762) uit 1735 (Teylers Museum Haarlem).

Volgens een plakkaat van 1661 is de paardenmarkt in Heemstede door schout en schepenen hersteld: ‘Waerschouwinghe. Schout en Schepenen der Heerlijckheyt van Heemstede adverteren en waerschouwen bij dezen alle ende een yeder Ingesetenen Buurman vermidts de aenstaende vervallen en nu weder opgherechte Heemsteder Paerdenmarckt ingevolge van voorgaende resolutie dat sy luyden hare paerden geen uytgesondert die yeder soude moghen hennen op deselve marckt sullen hebben te brengen of te doen brengen op aenkomende Donderdagh en Vrijdagh synde den 8. ende 9. September 1661 op den Dorpe van Heemstede ende deselve alaer stellen aan de Balien tot dien eynde gerecht ten minste van de Klocke negen uuren voor den middagh tot twee uuren na de middagh en dat beyde daghen sonder daer aan te blijven in ghebreecken ofte anders te verbeuren voor yeder Paert dat sy soude moghen hebben achter ghehouden voor den Armen deser Heerlijckheyt een Kennemer Pondt. Segget ‘voort.

Paardenkenner Wouter Slob merkte hierbij op dat alle paardeneigenaren verplicht werden met hun paarden naar de markt te komen, iets dat hij nooit in oude stikken betreffende paardenmarkten was tegengekomen. Overigens was het wel een ‘verschijningsplicht’, maar geen verkoopplicht, enigszins vergelijkbaar met de stemplicht die we in ons land in het verleden gekend hebben. 

Ansichtkaart van een paardenmarkt begin 1900 op de Dreef in Haarlem

Ansichtkaart van een paardenmarkt begin 1900 op de Dreef in Haarlem