IN MEMORIAM SAKE HELDER (1925-1983)

S. Helder, uit: NBD 20 jaar, 1990

Op 2 oktober 1983 overleed na al enige tijd ziek te zijn geweest Sake Helder, directeur van de openbare bibliotheek Haarlemmermeer. De begrafenis vond in familiekring plaats in het Overijsselse Blokzijl. “Zijn persoon en de toewijding waarmee de heer Helder zich niet alleen voor de Bibliotheek, maar ook voor het sociaal-cultureel werk in onze gemeente heeft ingezet, zullen wij met groot respect blijven gedenken.”, aldus o.a. het College van Burgemeester en Wethouders van Haarlemmermeer in een rouwbericht. Het personeel voegde daaraan toe: “Gedurende een periode van meer dan 23 jaar heeft hij zich volledig ingezet voor het bibliotheekwerk in de Haarlemmermeer. Wij zullen zijn persoonlijkheid en eigen inbreng erg missen.” Hij was er altijd zo intens met zijn dynamische persoonlijkheid, spits, geestig en gevat, cynisch soms ook.

Sake Helder

Sake Helder

Met persoonlijke inzet en groot enthousiasme heeft hij gedurende bijna een kwarteeuw de ontwikkelingen van de openbare bibliotheek in ons land mede gestimuleerd en daaraan vooral in de Haarlemmermeer praktisch vorm gegeven. Met zijn heengaan verliest de openbare bibliotheekwereld een geziene en karakteristieke persoon die – zoals uit de volgende beknopte biografische schets zal blijven – zijn sporen ruimschoots heeft verdiend èn nagelaten. Sake Helder was Groningen van geboorte, die zijn opleiding genoot aan de openbare leeszaal en bibliotheek in de stad Groningen, in de tijd van directeur-letterkundige Joseph Cohen. Na het behalen van het c.v.-directeursdiploma in 1949 werkte hij achtereenvolgens bij de Stichting Bouwcentrum te Rotterdam en vanaf 1952 als bibliothecaris van de Stichting Bouwcentrum te Rotterdam en vanaf 1952 als bibliothecaris van de afdeling Mijnbouwkunde der Technische Hogeschool Delft. Het is in zijn Delftse tijd dat zijn talent als dichter tot uitdrukking brengt; een te weinig bekend facet van Helder’s leven. Indien men zijn dichtkunst in een stroming wil onderbrengen kan men deze het beste rekenen tot de postexperimentele poëzie. Met andere jongeren werd hij medewerker van het tijdschrift ‘Debuutvrij’, een oudere tegenhanger van ‘Kentering’ door o.a. Berend Wineke en Wim Hazeu opgericht. Helder publiceerde gedichten in ‘Ontmoeting’, ‘de Nieuwe Stem’, en ‘Podium’, terwijl ook in bloemlezingen als ‘Dichters Omnibus’ verzen van zijn hand zijn opgenomen. In 1955 verscheen bij A.A.M.Stols de bundel ‘Praten onder rembours’. Het zijn van liefde, teleurstelling en verlangen getuigende verzen in een associatieve praattoon. De recensies varieerden destijds van “zijn beeldvondsten getuigen van virtuositeit” en “een naam waard om te onthouden” tot een vernietigende kritiek door Michel van der Plas in ‘Elsevier’. Zijn meermaals aangekondigde bundel ‘Op zichzelf genomen’ is niet uitgekomen. In 1956 trad Helder als 1e hoofdassistent in dienst van de Provinciale Plattelandsbibliotheek van Drenthe, in welk jaar een eerste catalogus in boekvorm van het gehele bezit uitkwam. Binnen een jaar volgde zijn benoeming tot directeur van de Christelijke openbare leeszaal en bibliotheek te Hoogeveen. Op 1 juli 1960 is hij in de gemeente Haarlemmermeer benoemd. Deze bibliotheek maakte onder zijn leiding in ruim twee decennia een groei door van enkele duizenden uitleningen tot 1,1 miljoen per jaar in 1983 met ongeveer 25.000 ingeschreven leden, dat is bijna 30 procent van de plaatselijke bevolking.

Sinds oprichting in 1959 was de bibliotheek in Hoofddorp gevestigd in een houten noodgebouwtje in een keurig plantsoentje. Na enkele verbouwingen verhuisde men vervolgens naar een wederom houten noodgebouw, echter aanzienlijk groter en gunstiger gelegen. Totdat de royale en moderne huisvesting op het Marktplein een feit werd. Zeer veel moeite gaf Helder zich om te komen tot een federatie van drie bibliotheekinstellingen (christelijk, katholiek en algemeen): de Stichting Samenwerkende Openbare Bibliotheken in de Haarlemmermeer (1966). Sedert 1979 was de bibliotheek een gemeentelijke dienst. Volledige vestigingen verrezen in de polderdorpen Badhoevedorp, Nieuw-Vennep, Zwanenburg en Vijfhuizen. Verder een jeugdafdeling in Rijsenburg en een bibliobus ten behoeve van de kleine kernen. Ook een schoolbibliotheek- en bejaardendienst zijn onder zijn supervisie tot stand gebracht, evenals een uitgebreide diatheek, nadat een vertrekkend burgemeester het geldelijk afscheidsgeschenk van de polderbewoners aan de bibliotheek schonk. Ook op maatschappelijk terrein was Helder actief en heeft hij zich ingespannen voor de totstandkoming van het Maatschappelijk informatiecentrum en speelde hij een centrale rol bij de oprichting van een culturele raad. Regelmatig zijn interessante exposities in de bibliotheek gehaald en heeft Helder er naar gestreefd om van de openbare bibliotheek een ontmoetingscentrum te maken.

Naast zijn werkzaamheden in de Haarlemmermeer beschouwde Helder het bijna als een vanzelfsprekendheid ook op het nationale vlak de openbare lectuurvoorziening te helpen bevorderen. Landelijk commissiewerk overigens òòk als  een inspiratiebron voor zijn lokale activiteiten. Vele jaren had hij zitting in de werkgroepen public relations en bibliotheekbouw en –inrichting. Hij was bestuurslid van de Landelijke Bibliotheekcentrale en afgevaardigde van de openbare bibliotheken in de Nederlandse Bibliotheek Dienst. Helder recenseerde talrijke vooral politieke boeken voor de Lektuur Informatie Dienst, was redactielid van het vakblad ‘De Openbare Bibliotheek’ en laatstelijk van het tijdschrift ‘Open’. Hij gold algemeen als een vurig pleitbezorger van het internationaal aanvaarde principe van contributievrijdom, omdat de bibliotheek evenals het onderwijs als gemeenschapsvoorziening voor alle burgers bereikbaar moet zijn. Als bibliothecaris had hij het lef onconventioneel te zijn. Zijn speelse inzichten kwamen op velerlei manieren tot uiting: in zijn improviserende betoogtrant en de drukwerkpresentatie van zijn instelling bij de inrichting van de hoofdbibliotheek.

Persoonlijk bewaar ik vele dankbare herinneringen, eerst als stagiair der Frederik Muller Academie, na 1972 als collega van nabuurgemeente Heemstede. Wat kon hij zich opwinden over de wijze van berichtgeving van één bepaald landelijk ochtendblad. Levendig waren de discussies over collectievorming of hoe de bibliotheek voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk te maken. Wie hem enigszins heeft gekend weet dat hij altijd boordevol ideeën en plannen zat. Helder had graag een klankbord, vandaar ook zijn intensieve deelname aan landelijk commissiewerk. Rusteloos als hij van nature was, beangstigden hem de wereldproblemen van hongersnood in de derde wereld en de kernbewapening. “God vindt geen rust in mij; ik weet mij vogelvrij” luidde het adagium in één van zijn gedichten. Het deed hem goed dat het opnemen van zijn naam (twee maal zelfs) in ‘Querido’s letterkundige reisgids van Nederland’ (1982). Het uitzicht op pensionering binnen afzienbare tijd versterkte tijdens zijn ziekte de hoop op herstel. Dat heeft helaas niet zo mogen zijn. In wat de laatste ontmoeting zou worden vertelde hij hoe graag hij nog naar de oud-minister van C.R.M.,de heer Hans de Boer, in 1983 burgemeester van Haarlemmermeer, was gestapt om zich te beklagen over het zijns inziens onverantwoorde beleidsvoornemen de rijkssubsidie voor de bibliotheken nog eens met een extra hoog percentage te korten. Na het vernemen van zijn toch nog plotselinge overlijden was het medeleven onder collegae in het land en personen in de regio Haarlemmermeer die hem meegemaakt hebben erg groot. De redacteur van het ‘Hoofddorps Weekblad’ schreef: “De mooiste herinnering aan hem zal toch zijn: de mens Sake Helder. Dat we die in onze gemeenschap moeten missen, is voor velen heel erg moeilijk.” In het voetspoor van de 19e eeuwse polderkolonisten heeft hij in de Haarlemmermeer – op bibliotheekgebied – pionierswerk verricht, waarop anderen hebben kunnen voortbouwen.

Hans Krol

 

Uit: Haarlems Dagblad van 4 oktober 1983

Uit: Haarlems Dagblad van 4 oktober 1983