POSTHUIS: wisselplaats in Heemstede voor paarden tussen Den Haag en Amsterdam vice versa

De naam Kennemerduin komen we pas na 1900 tegen toen burgemeester D.E.van Lennep op dit terrein een villa liet bouwen. De voorgeschiedenis van deze “hoeck uytte wildernis” aan de Herenweg tussen herberg ‘De Dorstige Kuil’ (Kennemeroord) en het duin waar later de R.K.Bavo-Kerk  is gebouwd gaat terug op een Posthuis, een wisselplaats voor paarden. Sinds het midden van de 18e eeuw tevens met een functie als tapperij. Om de postpaarden te voeren lagen tussen de Herenweg en Leidsevaart wei- en hooilanden.

Vanaf de late middeleeuwen heeft het Duitse adellijke geslacht Thurn und Taxis een prominente rol voor het internationale postverkeer van de Habsburgse landen. In Nederland waren de posterijen vooral een aangelegenheid van de steden. Als initiatiefnemer van reguliere postritten wordt Hendrick Jacobsz. van der Heyden, postmeester te Zevenbergen, beschouwd, die in 1649 octrooi verkreeg voor het vervoer van Zuidhollandse brieven van Rotterdam naar Antwerpen.

Gevelsteen van 'De Haagsche Postwagen' in het voormalige Amsterdamse postkantoorpand, Singel 74

Gevelsteen van ‘De Haagsche Postwagen’ in het voormalige Amsterdamse postkantoorpand, Singel 74

Op initiatief van enkele Haagse magistraten is omstreeks 1662 een officiële postdienst tussen Den Haag en Amsterdam gerealiseerd met kantoren in beide plaatsen en daartussen enkele “relaijsplaatsen voor de Haagsche postwagen”, o.a. in Lisse en Heemstede. Een blijvende herinnering is de gevelsteen voor een huis – het vroegere postcomptoir – op het Singel nummer 74 nabij de Korsjespoortsteeg waar het kantoor in de Amstelstad was gevestigd. Daarop is een postwagen afgebeeld getrokken door drie paarden. Vermoedelijk enkele jaren voordien gebouwd voor naar schatting ƒ 13.000,- met een inleg van 12 aandeelhouders dateert de oudste akte waarin sprake is van een posthuis uit 1672. Op 3 juni van dat jaar is door ambachtsheer Gerard Pauw, tevens eerste raad en rekenmeester van de Hollandse domeinen, het stuk grond van 40 roeden waarop het Posthuis stond in erfpacht gegeven aan Frans Bisdommer en zijn compagnons “berijders en participanten van de postwagens rijdende van den Hage op Amsterdam”. De erfpachtcanon bedroeg 6 gulden per jaar. Gedurende de 17e eeuw waren het vooral Haagse aandeelhouders die het particuliere postbedrijf financieel in stand hielden, onder meer Hugo du Bois, mr.Jacob van der Hoeve, Jacob van der Stael en Cornelis Pieterszoon van Binckerhout (Quant genoemd). In het bijzonder Franco of Frans Bisdommer, “commissaris van de uytheemse brieven” en een vertrouwensman van raadpensionaris Johan de Witt tot diens wrede dood nam een centrale plaats in.

'Aan het Posthuis onder Berkenrode' Anonieme 18e eeuwse tekening (Noord-Hollands Archief)

‘Aan het Posthuis onder Berkenrode’ Anonieme 18e eeuwse tekening (Noord-Hollands Archief)

In 1682 nam de Amsterdamse makelaar/koopman Nicolaas van Duyst een deel van de aandelen over. Dertien jaar later nam deze ook het deel over van Jacob de Grijp en sindsdien heeft zijn familie tot 1777 een centrale rol gespeeld in het postverkeer tussen beide plaatsen. Zoon Gommarus van Duyst (1677-1741)  verkreeg het consent van postmeester en werd eigenaar van de Heemsteedse wisselplaats. In 1703 huwde hij met een zuster van Jacob Fruyt, eigenaar van de hofstede ‘Westermeer’.  De dichter/toneelschrijver  Willem van der Hoeven wijdde het hofdicht ‘Westermeer’ aan deze “liefhebber der Nederduytsche Dichtkonst”.

“…Maar nu verder voort gekeeken,

Hier doet zig ’t Posthuys op, daar Heer van Duyst ’t gespan

Van zyne paerden, die vermeyt zyn, om doet steeken,

Om op bestemde tyd, at altoos weezen kan,

In ’s Gravenhaag te zyn,…”

Verderop wordt het landschap op de grens van Bennebroek en Heemstede getypeerd als duinen, bomen en velden:

“…Waar dat gy wenden zult of keeren,

Is duyn, ’t geboomt, en veld,…

 …Hier rold tweemaal des daags de waagen

Voorby, van Heer van Duyst,…”

In 1727 had een grondruiling plaats met de eigenaar van het aan de overzijde van de Herenweg gelegen Ipenrode (Koekoek). Het postmeesterschap, toegekend door de stedelijke magistratuur, moet een lucratieve baan geweest zijn. Voor magistraten was het vaak een erebaantje dat geld opleverde en waarbij men het feitelijke werk aan anderen overliet. Jan Corver Trip was bijvoorbeeld reeds op zijn vijfde postmeester op Rotterdam, Delft en Den Haag. Toen hij acht was, maakte men hem  ook nog postmeester van het Hamburgse Postcomptoir in Amsterdam. Johan Hinlopen, postmeester van het Antwerps postcomptoir in Amsterdam kon zich permitteren de Hartekamp als buitenplaats te bouwen. Al genoemde Gommarus van Duyst beschikte over de hofstede ‘Postrust” op de weg van Haarlem naar Amsterdam (Halfweg). In het plaatwerk ‘Hollands Tempe’ (1728) met een poëtische beschrijving van Gysbert Tijsens  zijn behalve een gravure van ‘Postrust’ 15 dichtregels aan het buiten en zijn bezitter gewijd:

“(…) Zo dra zig Postrust komt aan het gezigt ontdekken

’t Geen van Duynst tot lust en blydschap op kan wekken,

Wanner hy is vermoeid door ’t zorgen voor den Post.

En buiten Postrust vind, terwyl de Ruiter rost

En rend om zyn tyd de brieven af te geven.

Dan schynt Bellerophon in ’t postpaard te herleven (…)”

Gezicht bij het Posthuis aan de Herenweg. Gravure door Hendrik Spilman, circa 1761

'Gezigt op de Heerenweg na 't Posthuis te zien' ; kopergravure door Hendrik Spilman, 1762

‘Gezigt op de Heerenweg na ’t Posthuis te zien’ ; kopergravure door Hendrik Spilman, 1762

Het Posthuis in Heemstede nabij Berkenrode was een van de vele wisselplaatsen voor paarden, tevens wachtlokalen voor passagiers, in Holland. De meest centrale plaats nam het Alphense posthuis bij Oudshoorn in, waar postrijders uit Amsterdam, Dordrecht, Rotterdam, Den Haag en Utrecht aankwamen en na verwisseling van paarden en post weer vertrokken. Ook trekschuiten hadden hier hun ligplaats. Vanuit Alphen waren er twee hoofdverbindingswegen richting Amsterdam 1) Leiden, Lisse, Hillegom, Bennebroek, Heemstede, Haarlem, Amsterdam en 2) via Leimuiden naar Amsterdam.

De postkoets uit Den haag rijdt in Haarlem de poort binnen van het Heerenlogement in de Grote Houtstraat. Tekening naar een gravure uit 1688. (N.H.A.).

De postkoets uit Den haag rijdt in Haarlem de poort binnen van het Heerenlogement in de Grote Houtstraat. Tekening naar een gravure uit 1688. (N.H.A.).

Een nieuw Posthuis in 1743

Na zijn overlijden in 1741 is het octrooi in handen gekomen van een familielid Daniel Parmentier. Is het ten dele van hout opgetrokken gebouw omstreeks deze tijd door brand verwoest? Vaststaat dat de Heer van Heemstede op 15 mei 1743 aan Parmentier toestond een nieuw Posthuis te bouwen op de de plaats van de oude fundamenten. Een kaart van het gebouw met stalling, paardenwed (een met water gevulde diepte waarin de postpaarden na gedane arbeid gebaad werden) en tuin is vervaardigd door landmeter Dirk Klinkenberg. In 1750 is nogmaals een plattegrond getekend met medewerking van Hendrik Temminck (beide aanwezig in het gemeentearchief Heemstede, Inventaris Van Doorninck nrs. 208 en 209). Een wed was trouwens geen overdadige luxe, want de paarden moesten hard werken. Dat komt nog tot uitdrukking in thans verouderde zegswijzen als “hij loopt als een postpaard”, “zweten als een postpaard” en “hijgen als een postpaard”. In 1744 zijn met toestemming van de ambachtheer een aantal bomen langs de Herenweg, vanaf de Herenlaan (=Kerklaan) tot voorbij het Posthuis gerooid en van nieuwe aanplant voorzien. Omstreeks 1755 is vanuit Den Haag een “Ordre op het rijden der Post-wagens” naar Amsterdam en terug opgesteld. Artikel 7 van deze verordening bepaalde dat onderweg geen pakken mochten worden meegenomen dan te Halfweg, Haarlem (op één plaats), aan het posthuis (bij) de Dorstige Kuil, de Geleerde Man te Hillegom (moet zijn: Bennebroek), Lisse en nog 5 plaatsen tot het kantoor in ’s-Gravenhage. Naast poststukken, zijn ook passagiers in de postkoetsen vervoerd. De postwagens moesten ook rijden als er maar één passagier was. In een wagen met zijglazen bedroeg de prijs vier gulden en vijf stuivers. De totale reistijd bedroeg zes tot zeven uur. De postmeesters – voor het eerst directeuren genoemd – moest een of meer chaisen houden om een of twee reizigers speciaal te kunnen vervoeren. Omdat hier kennelijk voor de passagiers behoefte aan bestond is bij het Posthuis een tapperij geopend. Vanaf 1759 zijn de namen der herbergiers bekend, omdat zij voor het schenken van “wijn, bier en gedistilleerde wateren” toestemming moesten vragen bij schout en schepenen. Dat waren achtereenvolgens Jan G.Flink (1759-1760), Lodewijk van Villen (1764), Cornelis van Mourik (1768), Willem van Mourik  (1774), Antony Nyvelt (1778), Jan van Lit (1779) etc.

Het Posthuis in Heemstede door Hendrik Spilman (1721-1784) (Teylers Museum)

Tekening van het Posthuis in Heemstede door Hendrik Spilman (1721-1784) (Teylers Museum)

In het jaar 1760 had de Heer van Heemstede een grote hoek duin afgezand achter het Posthuis (ter hoogte van Oude Posthuisstraat en Kennemerduin) en is dit terrein vervolgens beplant. Na het overlijden van D.Parmentier is het ‘Haagsche Posthuis’ in 1752 overgegaan aan de Amsterdamse koopman Jacob Fraser, echtgenote van Maria Magdalena Parmentier. In 1777 is de wisselplaats  door de erven Van Duyst doorverkocht aan Johannes Sebastian van Naamen, die hiervoor via een hypotheek een bedrag van ƒ 10.050,- betaalde. Daarbij kwamen nog 5 wei-en hooilanden aan de overzijde van de Herenweg tot de Leidse Trekvaart. Overgenomen werden 40 postpaarden, 7 postwagens en 4 chaisen (half open vierwielige voertuigen) die tot de posterij behoorden.  Op 2 mei 1781 gaf de Heer van Heemstede een deel van de wildernisse naast de tuin van het Posthuis voor veertien gulden per jaar in erfpacht aan Van Naamen. Hij woonde in Amsterdam, maar moest na zijn benoeming tot muntmeester in Utrecht naar die stad verhuizen, zodat geen tijd overbleef voor de postdienst.

Familiewapen Van Naamen van Scherpenzeel. In blauw twee schuingekruiste gouden pijlen, vergezeld van drie lelies, één boven, en aan weerszijden. (Centraal Bureau voor Genealogie)

Familiewapen Van Naamen van Scherpen- zeel. In blauw twee schuingekruiste gouden pijlen, vergezeld van drie lelies, één boven, en aan weerszijden. (Centraal Bureau voor Genealogie)

Het graf van Johannes Sebastiaan van Naamen (1731-1812), heer van Scherpenzeel en ambachtsheer van 'beide Eemnessen'in de Nicolaaskerk van Eemnes-Buiten (foto Frits Kraaijenhagen)

Het graf van Johannes Sebastiaan van Naamen (1731-1812), heer van Scherpenzeel en ambachtsheer van ‘beide Eemnessen’ in de Nicolaaskerk van Eemnes-Buiten (foto Frits Kraaijenhagen)

In 2013 verscheen de publicatie ‘Verhalen van Scherpenzeel; een bloemlezing uit de geschiedenis. Dr. Ruud Paesie wijdde daarin een hoofdstuk aan Johannes Sebastiaan van Naamen onder de titel ‘Een nouveau riche in het Ancien Régine’.  Geboren in een eenvoudig gezin beklom deze Van Naamen de maatschappelijke ladder en vergaarde daarbij een behoorlijk kapitaal. Begonnen als krankbezoeker in Nederlands Oost-Indië is hij per 1 juli 1782a ls muntmeester van Utrecht beëdigd. [Van genoemd boek ontving ik een exemplaar van mevrouw J.A.Patijn-de Vroe uit Bloemendaal, die deel uitmaakt van de Redactiecommissie Stichting Landgoed Schepenzeel]

Als koper van het octrooi en toebehoren diende zich Theodorus Jan Baptist de Surmont de Bas aan; op dat moment woonachtig in Bodegraven; een man met een veelbewogen leven. Deze betaalde het aanzienlijke bedrag van ƒ 26.000,- Als beheerder van de tapnering  trad vanaf eind 1782 enige tijd Cornelis Brouwer op. De Surmont de Bas verhuisde naar de heerlijkheid Heemstede en kreeg op zijn verzoek toestemming een verbouwing te verrichten alsmede een schutting te plaatsten tussen zijn huis en de tuin. Hij verkreeg in 1784 goedkeuring om als bijverdienste rijtuigen met trekpaarden te verhuren en trad tevens als kastelein op. Ook aan de eigenaar van herberg ‘Het Bonte Paard’ aan de andere zijde voorbij de Kerklaan is hiervoor admissie verleend. Tussen 1784 en 1791 zijn in Heemstede 4 kinderen uit zijn huwelijk geboren en gedoopt  in de Gereformeerde (Hervormde) Kerk.

Aan het eind van de Republiek liepen met het oog op de komende politieke en administratieve veranderingen de zaken steeds slechter. Op leeftijd gekomen was de Surmont de Bas genoodzaakt  het Posthuis aan een een derde over te doen. Het Posthuis omvatte een huis, dubbele paardenstalling, koetshuis, hooibergen, koestal, wagenhuis, tuinen, lanen enz., groot bijna 405 roeden, gebruikt als relaisplaats van de postwagens en buitenverblijf alsmede een “klein huisje op denzefden grond staande, waarin thans de tapneering aan de passagiers met de postwagens wordt geëxerceerd”. Koper was op 13 juni 1795 Jan Ledeboer, die slechts ƒ 4.000,- betaalde exclusief het octrooi van de posterij waarvoor hem de pecunia ontbraken. Het geld was hem voorgeschoten door zijn schoonmoeder Gezina van Egmond. Daarbij kwam nog een boerenwoning en landerijen gelegen in het ‘Rottegat’ onder Hillegom (feitelijk Bennebroek). Ook Ledeboer kon het niet bolwerken en hij overleed enkele maanden later “in criminele detentie binnen de Stad Haarlem”. De beheerders van de boedel verkochten tijdens een publieke verkoping op 24 oktober 1795 in logement ‘de oude Gouden Leeuw’ in de Spaarnestad  het Posthuis aan de vermogende Amsterdammer David Cornelis van Lennep. In die acte stond het Posthuis omschreven als een huis en erf of buitenverblijf zijnde wisselplaats van de Haagse en Amsterdamse postwagens, drie stallingen (met plaats voor 60 paarden), een schuur gebruikt als koestal, een koetsenhuis, een hooiberg en nog een woonhuis waarin een tapnering was gevestigd. Voorts de paarden, wagens, chaisen, tuigen en stalgereedschappen. Een en ander is  formeel in een transportakte bevestigd op 13 januari 1796.

David Cornelis van Lennep

Mr.David Cornelis van Lennep (1766-1838)  was o.a. commissaris van de Wisselbank en vervulde diverse politieke functies zowel in de landelijke politiek als in zijn geboortestad Amsterdam.  Hij betaalde voor het Posthuis, met inbegrip van het octrooi, ƒ 22.385,- en heeft vergeefse pogingen ondernomen het post- en passagiersvervoer nieuw leven in te blazen. Daarnaast zou de wisselplaats met tapnering tevens  een nieuwe functie als buitenplaats krijgen. Al in oktober 1795 had D.C.van Lennep de concessie van de toenmalige Amsterdamse houder Bresler gekocht van het Haagse octrooi, inclusief postwagens enz. Hij probeerde de zieltogende onderneming wederom tot bloei te kunnen brengen. De Bataafse Republiek en vervolgens de Franse Tijd legden de nieuwe eigenaar veel beperkingen op. Op 26 augustus 1799 werd burger Van Lennep gearresteerd omdat hij niet snel genoeg geweest bij de gevorderde levering van paarden en wagens. Dat bleek echter ten onrechte en nog dezelfde dag moesten de nerveuze Heemsteedse bestuurders hun ongelijk bekennen en verkreeg de postmeester zijn vrijheid. Om kosten te besparen beperkte hij het verkeer van Den Haag naar Amsterdam tot drie wagens per week in beide richtingen. Ofschoon de overheid, die wist dat het Van Lennep niet voor de wind ging, passage-gelden kwijt schold, moest hij, om niet op een faillissement af te stevenen, in 1801 de dienst opheffen. Een nieuwe onderneming herrees met koninklijke goedkeuring in 1815 met overname van paarden en postwagens. Deze kwam onder directie van Van Koppen te Amsterdam, Veldhorst te Den Haag en Van Leeuwen in Heemstede. Laatstgenoemde, eigenlijk herbergier, was geboren in 1769 en in een annonce van 1811 lezen we:

“VERLOOTING ONDER HEEMSTEDE

ten huijze van Hendrik van Leeuwen,

kastelijn van het Oude Posthuis, van

EEN EXTRA VETTE KOE

Wegende circa 800 Pond en

EEN EXTRA VET VARKEN

Wegende ruym 400 Pond

Op Zondag den 1 December 1811 des avonds ten Zes Uuren…”

Mr.David Cornelis van Lennep bleef zijn bezittingen in Heemstede behouden en breidde deze nog uit. Uit een transportakte van 22 november 1800 verkocht J.P.van Wickevoort Crommelin van de hofstede Berkenrode aan voornoemde persoon, “woonende in het Posthuis” een gedeelte van Jan Lottenlaan (gelegen op de grens met de hofstede ‘Duin en Vaart’) met zijn koepel en verdere opstallen. Uit omstreeks 1800 dateert een schilderij toegeschreven aan F.T.Renard. Daarop staat een afbeelding van herberg “Het Bonte Paard” aan de Herenweg met in de verte Het Posthuis. In 1807 behoorde Van Lennep, die in 1822 in de adelstand is verheven, met 18 morgen en 482 roeden tot de 27 plaatselijke “grootgrondbezitters” met meer dan 10 morgen. Jan van de Poll (Ipenrode) stond boven aan de lijst met 86 morgen, gevolgd door de eigenaar van hofstede ‘’t Klooster’.

In 1804 had Adriaan Loosjes in de derde wandeling van zijn “Hollands Arkadia” geschreven:  “Langs dezen Weg  (=Herenweg) ontmoet men ook nog een Roomsche Kerk aan St.Bavo toegewijd, en eindelijk het Posthuis, waar voorheen de Haagsche Postwagen een wisselplaats had, waarbij men de laan inslaat, die langs de kant van de Heerenzandvaart de wandelaar op den binnenweg na Heemstede leidt”.

Toen keizer Napoleon op 24 oktober 1811 komende van het Paviljoen in Haarlem de Herenweg passeerde was een van de twee Heemsteedse erebogen voor het Posthuis opgesteld. De letterkundige P.H.van Moerkerken heeft dit tafereel verwerkt in zijn boek ‘De Bevrijders’ uit 1915, een ironische roman die zich afspeelt in de nadagen van de Franse tijd in ons land.

In 1976 schreef wijlen Fer van Buuren in een artikeltje over de historie van ‘’t Oude Posthuis’: “Een duidelijk bewijs vonden we in de zomer van 1968, toen een aantal jongens van het Ogenblik een diepe sleuf aan het graven waren waarin de waterleiding nar de doka gelegd zou worden. Naast een grote hoeveelheid keien en resten van oude funderingen vonden we toen op ongeveer één meter diep een totaal verroest hoefijzer. Ongetwijfeld ligt er onder de tegels van de peuterspeelzaal nog meer bewijsmateriaal. Zo zijn er in november 1972, toen de rioleringsbuizen die van de hobbyruimte naar de Herenweg gelegd werden, een aantal fraaie plavuizen tevoorschijn gekomen. Ook die lagen op een diepte van één meter, vlakbij het toegangshek. En  slechts enkele weken geleden kwamen we, bij het “in cultuur brengen” van het achter de Oude Posthuisstraat 6 gelegen stuk grond, een dikke oude balk tegen, mogelijk een restant van een schuur of een stal, die daar gestaan moet hebben. Het is dus al met al wel een historisch plekje grond waarop wij staan! Laten we er zuinig op zijn”.

Versiering van het Oude Posthuis aan de Herenweg eind augustus 1938 ter gelegenheid van het 40-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina

Versiering van het Oude Posthuis aan de Herenweg eind augustus 1938 ter gelegenheid van het 40-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina

Het Oude Posthuis als woonhuis vóór de brand in 1958

Het Oude Posthuis als woonhuis vóór de brand in 1958

Een tweede Poshuis: Postlust

Vooraan rechts van de Herenweg 'Poslust' en daarnaast het 'Posthuis' op een foto uit omstreeks 189.

Vooraan rechts van de Herenweg ‘Postlust’ en daarnaast het ‘Posthuis’ op een foto uit omstreeks 1890.

Postlust, Herenweg 92 Heemstede, tegenwoordig provinciaal monument

Zoals gezien heeft tengevolge van de omstandigheden D.C.van Lennep heeft geen geluk gehad met zijn postwagendienst tussen Amsterdam en Den Haag. Ook een nieuwe dienst had geen succes. In 1815 startten de Amsterdamse stalhouder L.van Koppen en de Haagse postmeester D.W.Veldhorst met Hendrik van Leeuwen, herbergier van het Posthuis in Heemstede een nieuwe postwagen-onderneming. In het jaar 1827 komen we zoon W.H.van Koppen tegen als aannemer van de postrit van Amsterdam naar Dordrecht via Haarlem, Leiden en Den Haag. Een andere zoon stalhouder IJsbrand Soll van Koppen, die sinds 1830 voor zeshonderd gulden per jaar weilanden in de Veenpolder en gronden tegenover het Posthuis huurde van jonkheer David Cornelis van Lennep, trachtte enkele jaren later een afzonderlijke diligencedienst Heemstede – Amsterdam in het leven te roepen. Daarvoor liet hij op zijn kosten stalhouderij/ logement ‘Postlust’ bouwen ten zuiden van het Posthuis. Deze dienst leidde evenzeer een kwijnend bestaan en is in het najaar van 1842 opgeheven. Tegelijkertijd met het begin van de spoorlijn Haarlem – Leiden vice versa. Tegenwoordig is hier na eerder o.a. een accountantskantoor (1986) en een computerfirma (Apricot), afscheidshuis Brokking en Bokslag gevestigd, en is het bouwwerk in classisistische stijl op de Provinciale Monumentenlijst geplaatst. Vergrotingen en/of verbouwingen hebben plaatsgehad in 1888, 1914, 1931 en 1965.

Terug naar de eerste eigenaar Van Koppen: ook in zijn particuliere leven ondervond deze tegenspoed. Na eerder gehuwd te zijn geweest met Catharina Wilhelmina Immink  hertrouwde hij op 10 mei 1855 met Cornelia Catherina Rijfkogel, die op ‘Nieuw Westermeer’ was opgegroeid. Op 17 maart 1856 is zijn tweede echtgenote in Parijs overleden, blijkens een aankondiging in de O.H.C. “na een gelukkige echtvereeniging van slechts tien maanden, aan de gevolgen van een ontijdige verlossing van een welgeschapen zoon”. Met twee partners had Van Koppen nog wel enkele jaren succes in Den Haag, waar paarden die een rijtuig trokken (het zogeheten ‘asfaltspoor’) werd onderhouden op Scheveningen en Rotterdam. Ofschoon de diligences nog tot ver in de 19e eeuw zijn aangewend betekende het spoor het einde van het postvervoer over de weg en via de trekschuit op het water. In 1854 is de paardenposterij definitief opgeheven.

Advertentie uit Algemeen Handelsblad van 18 april 1862 waarin de weduwe Van Koppen huize Postlust te koop aanbiedt

Advertentie uit Algemeen Handelsblad van 18 april 1862 waarin de weduwe Van Koppen huize Postlust te huur aanbiedt

Een verkoping van Postlust qqn de Herenweg Heemstede in 1882. Advertentie uit Het Nieuws van den Dag, 18-4-1882.

Een verkoping van Postlust aan de Herenweg Heemstede in 1882. Advertentie uit Het Nieuws van den Dag, 18-4-1882. de familie Veder heeft hier een aantal jaren gewoond.

Postlust kreeg een bestemming als woning, buitenverblijf genoemd en is enkele malen van eigenaar veranderd. Na 1910 is het pand eigendom geworden van de r.k.parochie Sint Bavo en verhuurd voor ƒ 1.200,- per jaar. Na leegstand is hier in 1925 de nieuwe r.k.lagere school Sint Jozef gevestigd, toen nog met een serre aan de straatkant, tot de nieuwbouw klaar was, in 1926/1927 namen de broeders van de la Salle in ‘Postlust’ hun intrek, totdat in februari 1929 een nieuw Broederhuis aan de overkant van de Herenweg kon worden betrokken. Nadien heeft het pand verschillende bestemmingen gehad, voornamelijk als kantoorruimte.

Beschrijving van het monument Postlust [uit: Provinciale Monumenten Noord-Holland, 1987]: ”Huize Postlust, voor 1840 gebouwd in classicistische bouwstijl bestaat uit verschillende achter elkaar geplaatste bouwvolumen. Het hoofdgedeelte , grenzend aan de Herenweg, is gebouwd op langgerekte, rechthoekige plattegrond en bestaat uit twee bouwlagen onder licht hellend schilddak met nok evenwijdig aan de weg en is bedekt met grijze Hollandse pannen. Midden en rechts achter dit gedeelte (oost en zuidoost) bevindt zich een bouwvolume, van twee verdiepingen onder plat dak, dat waarschijnlijk in 1851 in noordelijke richting is uitgebreid. Volgens gegevens uit het kadaster hebben in 1882 wijzigingen plaats gevonden. Achter het huis werden een moestuin en een oranjerie aangelegd (in 1986 niet meer aanwezig). Het pand zelf verkreeg waarschijnlijk in dat jaar de uitbouw rechtsachter (zuidoost) van één bouwlaag onder lessenaarsdak. ‘Huize Postlust’ is opgetrokken uit crèmekleurig gepleisterde baksteen. Bij het hoofdgedeelte is de pleistering voorzien van groeven ter imitatie van zandsteenblokken. Dit gedeelte wordt horizontaal geleed door een omlopende grijs geverfde plint, een geprofileerde wit geschilderde waterlijst tussen de twee verdiepingen en een eveneens witte kroonlijst, van beneden naar boven opgebouwd uit: fries, tandlijst en overstekende goot, gekornist boven de middelste travee van de voorgevel. De voorgevel (west) is symmetrisch ingedeeld en bestaat uit vijf traveeën, de middelste geflankeerd door pilasters, welke aan de bovenzijde door middel van consoles met de gootlijstzijn verbonden. Deze travee bevat op de begane grond in en geprofileerde omlijsting de voordeur met bovenlicht; op de verdieping openslaande deuren welke openen op een balkon met gietijzeren hek, rustend op twee rechthoekige, houten kolommen op piedestal. Boven deze middentravee bevindt zich in het voordakschild een kleine dakkapel met wangen en vierruitsraam. De vier overige traveeën bevatten elk twee zesruitsramen boven elkaar. (Oorspronkelijk bevond zich op de begane grond een dubbele deur met tweeruits bovenlicht. In 1965 zijn de deuren door schuiframen vervangen). De rechter zijgevel (zuid) heeft eveneens twee zesruitsschuiframen boven elkaar (ook hier is op de begane grond een schuifraam in de plaats gekomen van een dubbele deur). De twee aanbouwsels aan de achterzijde hebben in het rechter zijgevelvlak elk een venster van ondergeschikt belang. De linker zijgevel (noord) heeft uitsluitend in de aanbouwsels aan de achterzijde, op de verdieping vensteropeningen: een klein raam en een rozetvenster. De achtergevel (oost) bevat onder meer: op de begane grond, in de aanbouw uit 1888 een zesruitsschuifraam en een dubbele serre-deur (in 1930 geplaatst ter vervanging van twee T-ramen); op de verdieping (in het hierboven besproken bouwvolume onder plat dak) twee zesruitsschuiframen. De indeling van het interieur is tamelijk goed bewaard gebleven. Het hoofdgedeelte bevat op de begane grond twee vertrekken ter weerszijden van een gang, welke uitkomt in het tweede bouwvolume en wel in een hal met trappenhuis, dat in oorspronkelijke staat verkeert. Rechts van de hal (zuid) bevindt zich de keuken, links een berging. Achter de hal en keuken (oost) werden in 1888 een zit- en eetkamer toegevoegd, welke als kantoorruimte fungeren. REDENGEVENDE OMSCHRIJVING VAN HET MONUMENT: ‘Huize Postlust’ is van architectuurhistorische betekenis als vroeg, goed bewaard gebleven en tamelijk zeldzaam geworden voorbeeld van een klein buitenverblijf uit de eerste helft van de 19de eeuw in klassicistische bouwstijl, qua opzet verwant aan de landhuizen door J.D.Zocher in die periode gebouwd in Haarlem en omstreken. Het pand is van sociaalhistorische waarde als element uit de geschiedenis van het wonen in Noord-Holland, in het bijzonder in Zuid-Kennemerland. ‘Huize Postlust’ is een representatief voorbeeld van de bouwactiviteit in de periode tussen de aanleg van uitgestrekte buitenplaatsern in dit gebied in de 17de en 18de eeuw en de verkaveling van vele van deze buitenplaatsen tot villapark aan het eind van de 19de eeuw’.

===================

Het  Posthuis heeft nog tot begin  20e eeuw als “uitspanning” gediend. Lange tijd beheerd door Jan Koster, die een kleine speeltuin aanlegde met een Amerikaanse wip, schop en zweefstal. Hij genoot tevens faam als pikeur van harddravers, maar verhuisde in 1911 naar Denemarken.

Portret van pikeur Jan Koster die na 1911 naar Denemarken verhuisde en aldaar februari 1919 op ongeveer 80-jarige leeftijd is overleden.

Portret van pikeur Jan Koster die na 1911 naar Denemarken verhuisde en aldaar februari 1919 op ongeveer 80-jarige leeftijd is overleden.

Nicolaas Beets die weinig goede woorden overhad voor de paardenpost en postwagens in zijn tijd maakte een uitzondering voor de firma’s Van Gend en Loos, Veldhorst en Van Koppen. In zijn dagboek komt behalve ‘de Geleerde Man’ ook het Posthuis (Berkenrode) voor waar hij in 1834 lopend van Academiestad Leiden naar het ouderlijk huis in Haarlem na een rustpauze in Hillegom gaarne een half uur uur nam voor een verkwikking. Om 10 uur ’s morgens vertrokken van de stadspoort in Leiden kwam hij half vier aan voor de “ouderlijken disch”.

Illustere bezoekers van het Oude Posthuis waren de dichter Willem Bilderdijk en de gevluchte koning Gustaaf IV Adolf van Zweden. In een ‘Wegwijzer voor inwoners van Rotterdam e.o.’ bericht de samensteller dat een wandeling naar Berkenrode “schoone gezigten” oplevert en dat bij het Posthuis veel passage is. Dat wordt bevestigd door H.Gerlings in zijn boek ‘Te Haarlem vóót 50 jaren’ (1884), waarin de auteur zich herinner dat de Hillegommer kermis talrijke Haarlemmers op e been bracht: “Er waren te Hillegom en bij Jan Duin aan de “Geleerde Man” en aan het Posthuis geen stoelen genoeg; en een krukje of geïmproviseerde zitplaats meester te worden, was soms een kostbare zaak”.

In 1889 plaastste de toenmalige kastelein Jan Koster de volgende advertentie in het Haarlem’s Dagblad: “Posthuis” te Heemstede. Prachtige Zit- en Wandeltuin. Vermakelijkheden: Amerikaanse Wip, Schop en Zeefstoel. Ververschingen van uitstekende kwaliteit. Melk versch van  de koe. ’s Avonds verlichting van den tuin”.  Jan Koster organiseerde in de 19e eeuw harddraverijen op de Herenweg. Na 1911 verhuisde hij naar Denemarken om zich daar op ruim 70jarige leeftijd als pikeur te vestigen. In 1915 heeft het kerkbestuur van de Heilige Bavoparochie het Posthuis aangekocht als dependance van het Verenigingsgebouw aan de overzijde van de Herenweg. Daarmee kwam een eind aan de functie van “uitspanning”. Op 30 januari 1958 brak brand uit op de bovenverdieping van het uit 1743 daterende Posthuis en moest dientengevolge het monumentale pand worden gesloopt.

Op deze plek bevindt zich tegenwoordig ‘Casca’/’de Luifel’ (voorheen ‘’t Oude  Posthuis’ genoemd), een organisatie voor welzijn, cultuur en kinderopvang met een centrum aangeduid met ‘de Luifel’.

De Oude Posthuisstraat is sinds 1922 een blijvende herinnering aan de vroegere wisselplaats van paarden.

Postlust omstreeks 1900, bewoond door J.Veder

Postlust omstreeks 1900, bewoond door J.Veder

Bronnen en literatuur

Heerlijkheidsarchief Heemstede

Gemeentelijke Openbare Bibliotheek Heemstede

Rijksarchief Noord-Holland, Haarlem.

F.van Buuren, Een duyck in de historie (3). In: De Posthoorn, mei 1976.

A.van Damme, De buitenplaatsen te Heemstede, Berkenrode en Bennebroek 1628-1811. Haarlem, 1903.

G.van Duinen, Heemstede in de Franse tijd. Heemstede, 1956.

J.W.Groesbeek, Heemstede in de historie. Heemstede, 1972.

W.Slob, Harddraverij bij het Posthuys. In: VOHB nieuwsbrief, 73, 1993, pp.76-80.

Over postbezorging en personenvervoer  in het algemeen:

W.J.Benschop, Het postwezen van ’s Gravenhage in derdehalve eeuw. ’s-Gravenhage, 1951.

E.A.B.J.ten Brink, De geschiedenis van het postvervoer. Bussum, 1969.

J.M.Fuchs, Shell Journaal van oude en nieuwe wegen. 1968.

Hans Krol

Zie ook: Zorg aan de Duinrand; de historie van Kennemeroord – Kennemerduin – Parkzicht en het terrein van het nieuwe Westerduin. Door Marcel Bulte en Hans Krol. Haarlem, De Vrieseborch, 2000.

Voor David Cornelis van Lennep (1766-1838), zie: Genealogie van de familie Van Lennep, samengesteld en geschreven door Henrick S.van Lennep, 2007.

Voor J.S.van Naamen, zie: ‘Verhalen van Scherpenzeel’ (2013), p. 16-39.

Vooromslag van het boek 'Verhalen van Scherpenzeel'

Vooromslag van het boek ‘Verhalen van Scherpenzeel’

—————————————————————————————–

Regenboog boven Postlust

Regenboog boven Postlust (foto: A.Koopman)

Postlust, Herenweg Heemstede (16-1-003)

Postlust, Herenweg Heemstede (16-1-003)

Postlust, Herenweg Heemstede (16 januari 2003)

Postlust, Herenweg Heemstede (16 januari 2003)

Postlust, Herenweg Heemstede (14 augustus 2002)

Postlust, Herenweg Heemstede (14 augustus 2002)

Postlust, Herenweg Heemstede (20 mei 2002)

Postlust, Herenweg Heemstede (20 mei 2002)

Postlust, Herenweg Heemstede (16 oktober 2002)

Postlust, Herenweg Heemstede (16 oktober 2002)

Huize Postl;ust aan de Herenweg Heemstede, waar tegenwoordig afscheidshuis Brokking en Bokslag is gevestigd.

Huize Postlust aan de Herenweg 92 Heemstede, waar tegenwoordig afscheidshuis Brokking en Bokslag is gevestigd (2015).

Open Dag' Brokking & Bokslag in Postlust (Heemsteedse Courant, 26 augustus 2015)

Open Dag’ Brokking & Bokslag in Postlust (Heemsteedse Courant, 26 augustus 2015)

Zie verder:  Zorg aan de Duinrand; de historie van Kennemeroord – Kennemerduin – Parkzicht en het terrein van het nieuwe Westerduin; door Marcel Bulte en Hans Krol. Haarlem, De Vrieseborch, 2000.