Tags

, , , , , , , , , , , , , , ,

 

De geslachten Hope en Van Merlen+ geschiedenis van Bosbeek en Welgelegen in de Haarlemmerhout

Het toegangshek van Bosbeek, voorheen Rustmeer geheten. Van 1784 tot 1873 het domein van de Hope-familie, vervolgens tot 1913 van het adellijk geslacht Van Merlen. Sinds 1951 rustoord en verpleeghuis der Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid.

Met de volgende zestien bijlagen: 1. het heraldisch wapen Van Merlen, 2. Tuin van Bosbeek, 2a (Her)opvoedingshuis 1945-1948, 3. Zusters- en priesterkerkhof Bosbeek, 4. Fotoserie interieur van Kennemerland, 5. De naam Van Merlen in Zuid-Kennemerland, 6. Kaart van Bosbeek-Groenendaal uit 1913, 7. Haarlemse Schiet-vereniging ‘Generaal van Merlen’; 8. Het voormalige verenigingsgebouw van de schietvereniging aan de Schouwtjeslaan, 9. Opgave van publicaties van jonkheer Bernard van Merlen; generaal-majoor der cavalerie. 10. Familiefoto’s Van Merlen. 11. J.W.Niemeijer over de Hope’s en hun kunstbezittingen en buitenplaatsen in Kennemerland; 12. De huizen Herengracht 509-511 in Amsterdam en Bosbeek-Groenendaal ten tijde van Hope. 13. Objecten van Bosbeek op de Rijksmonumentenlijst; 14. Huidige bestemming: rust- en verpleeghuis; 15. Presentatie boek over  Bosbeek en adellijk geslacht Van Merlen; 16. Summary: Meer dan Welgelegen: Abraham van der Hart en de familie Hope; door Jacqueline Heijenbrock en Guido Steenmeijer; 17. Verval; bloei van WELGELEGEN; door Bert Sliggers; 18. Over de kunstverzameling Hope, in: Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst, sedert de XVIII eeuw, door Roeland van Eijnden en Adriaan van der Willigen. Der deel, Haarlem, Loosjes, 1820; 19. Uit: M.Schreuder: de kunstverzameling van Henry Hope, in: Paviljoen Welgelegen 1789-1989. Haarlem, Schuyt & Co, 1989; 20. Catalogue A: The Henry Hope collection of pictures from John Hope (many paintings bought in 1777 from the Jan Bisschop collection); 21. tuin en beelden Paviljoen Welgelegen; 22. Paviljoen Welgelegen als museum; 23. Koning Lodewijk Napoleon en Welgelegen; door Hein Klemann;  24. Bezoek van Probus Kennemerland aan Paviljoen Kennemerland.

Gedecoreerde tuintrap op Bosbeek (foto G.J.Dukker, 1970)

Gedecoreerde tuintrap op Bosbeek (foto G.J.Dukker, 1970)

De hofstede Bosbeek vanaf de achterzijde , 1839, – met twee onbekende bouwsels naast get grote huis,  door Gerrit Jan Schouten (1815-1878) (Mellon Art Collection, Yale University, New Haven, USA)

BOSBEEK: BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN EEN BUITENPLAATS IN HEEMSTEDE

Bosbeek aan de achterzijde (Glipper Dreef)

situering van Groenendaal, Bosbeek en omgeving (J.W.Groesbeek)

Bosbeek

Plattegrond van Bosbeek  (W.J.Berghuis, 1963)

 

Bosbeek; getekend door Chris Schut 1990

Bosbeek; getekend door Chris Schut 1990

De tuin van Bosbeek

De tuin van Bosbeek

De bewonersgeschiedenis van de buitenplaats Bosbeek hangt nauw samen met de vroegere hofsteden “Meervliet” en “Overthoorn” (ook een boerderij). Van 1784 tot 1913 zijn bovendien Groenendaal en Bosbeek verenigd geweest. Groenendaal was wat oppervlak betreft vanouds het omvangrijkst, en strekte zich uit van het gedeelte aan de Heerenweg dat de “wildernisse” heette tot het tegenwoordige restaurant en de voormalige koepel waar in de 18e eeuw het herenhuis stond en heeft zich verder met boomgaard en moestuinen naar het noorden en oosten om het kleinere, maar kostbaardere huis Bosbeek heengebogen. De historie van Bosbeek vangt aan omstreeks 1630. Sedertdien is deze hofstede – aan het eind van de 17e eeuw Rustmeer geheten – ruim 25 maal van eigenaar veranderd. Omstreeks 1700 is het nog bestaande herenhuis gebouwd op last van de Amsterdamse magistraat, tevens een gerenommeerd vetmeester van runderen, mr. Cornelis Bors van Waveren.

Portret van Gerard Arnout Hasselaer, gravure door Jan Wandelaar

In 1751 liet burgemeester mr. Gerard Aarnout Hasselaer van Amsterdam het interieur verfraaien door kunstschilder Jacob de Wit. O.a. met een schildering van Bacchus en Ceres op de wolken.

Plafondschildering van Jacob de Wit in Bosbeek

Grisaille ‘de Herfst’ door Jacob de Wit. Bosbeek, 1751

Gelegenheidsglas met radgravure van Bosbeek: “’t Groei en bloei van Boschbeek’ met afbeelding ook van eigenaar (sinds 1736) Amsterdams burgemeester G.A. Hasselaer [foto: Frides Laméris]

Geeraard Aarnout Hasselaer leefde van 1698 tot 1766. Jacob Bicker Raye (1732-1772) schreef over hem in zijn dagboek in 1766: ‘Burgemeester mr. Gerard Aarnout Hsselaeer, die na de gebeurtenissen van 1748 burgemeester was geworden en nog herhaalde malen die waardigheid hd bekleed, was op 12 juli op zijn hofstede Bosbeek, onder Heemstede, op 68-jarigen leeftijd overleden”Sijn EDl.Groot Achtb. was een zeer resoluut, genereus, nobel en weldadig Heer, deed veel goeds aan veel mensen en mildadig omtrent den armen, sal dit bij  velen betreurt worden. Was ook een groot voorstander van kunsten en wetenschappen, waarvan hij goede kennis had, alsmede een zeer groot liefhebber van zeylen, dat hij mede wel verstat.’ 

Tussen 1777 en zijn vroegtijdige dood op nauwelijks 25-jarige leeftijd in 1783 was Lieve Geelvinck, dankzij een erfenis van zijn schoonmoeder, bezitter van Bosbeek. Met zijn onbezonnen gedrag bracht hij zijn in Amsterdam roemvolle geslacht in grote verlegenheid door met een paar vrienden, zogeheten ‘losbollen’ op zijn zeiljacht ‘de Geelvinck’ op het Haarlemmermeer een Friese turftjalk aan te vallen en de varensgezellen te overmeesteren. Deze daad baarde groot opzien in Amsterdam en gaf aanleiding tot en aantal vinnige pamfletten (Knuttel nrs. 20320-20325, 20611, 20626, 20627). Mr. Lieve Geelvinck stierf al in 1783 kinderloos en liet een vermogen na van ƒ 650.000,- . Zijn weduwe Anna Maria van de Poll verkocht Bosbeek een jaar later met alle landerijen (houtgewassen, tuinen en bossen daarbij behorende) en opstallen, zoals herenhuis, stallen, oranjerie, koepel en tuinmanswoning, alsmede de boerenwoning aan de overzijde (Overthoorn) voor 60.000 gulden. In dat kapitale bedrag ook de blinde luiken, zonneschermen, beelden, tuinornamenten en pedestallen maar exclusief enige meubels, vaartuigen, rijtuigen, bloemen die in de potten dus niet in vaste grond staan en ook de tuinman gaat niet mee over naar de nieuwe eigenaar. 23 februari is de eerste akte opgesteld in overleg met John Hope en 12 juni vond de officiële overdracht plaats aan de erven van John Hope (intussen onverwacht overleden), ondertekend door schout en secretaris Willem Dolleman en twee schepenen en met het ambachtszegel van Heemstede bevestigd.

Kapitein Lieve Geelvinck (op middelste boot met Engelse vlag) en rechts daarvan het zeiljacht van Jan Petersen, die een turftjalk overvallen.  Onderschrift gravure: “Bloedig gevegt tussche twee Amsterdamsche kapers en een Vriesche Turfschuyt op de Haarlemmer Meer. October 1782”

De ijskelder van Bosbeek (ter hoogte van het Grotstuk) op een aquarel van Jurriaan Andriessen, circa 1800-1805 (NHA)

Zanderij op Bosbeek-Groenendaal; krijttekening door Pieter Barbiers III (1771-1837) ten tijde van de Hope’s. (NHA) Een beknopte biografie over deze telg uit een geslacht van kunstenaars is beschreven door tijdgenoot Adriaan van der Willigen en opgenomen in: Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst, sedert de helft der XVIII eeuw; door Roeland van Eijnden en Adriaan van der Willigen. Derde deel Haarlem, de wed.A.Loosjes Oz., 1820.

Uit: De literator B.M.Goens en zijn kring: studies over de achttiende eeuw, 1e deel, 1937

het beeld van Venus (Afrodite) met Cupido (Eros) stond vroeger op Bosbeek. Toen de eerwaarde zusters het huis betrokken werd het door de rector te wuft gevonden en verguisde het naar de tuin van het raadhuis in Heemstede

Aankoop van Groenendaal en Bosbeek door John Hope (1767 / 1784, blijvend in eigendom van de erven Hope  tot 1873

Tekening uit 1839 van Bosbeek door Gerrit Jan Schouten (1815-1878) (Mellon Art Collection, Yale University, New Haven USA) Vergelijkbaar met vrijwel gelijktijdig vervaardigde steendruk van P.J.Lutgers, waarbij de 2 wandelaars links en het huis exact overeenkomen en rechts enige wijzigingen zijn aangebracht.

Op 15 juli 1767 transporteerde David van Lennep, sinds 1752 eigenaar,  de hofstede Groenendaal voor 34.297 gulden en 10 cent aan John (Jan) Hope uit Amsterdam. Bestaande uit een ‘heerehuizing met deszelfs behangen kamers etc. Verder een tuinmanswoning, stallingen, koets-  en wagenhuizen, het kand daarnaast, broeikassen, ananas- en andere broeikassen met de glasen en andere ramen; en het beeld en pedestal aan het einde van de Oranjelaan’.  In 1784 volgde aan aankoop van het nabijgelegen buiten  Bosbeek van de erven Geelvinck  voor ƒ 60.000,-. Na zijn overlijden (20 april 1784) is Groenendaal in 1787 afgebroken op de koepel na (als tuinhuisje in gebruik genomen) en verbleef de weduwe Phillipina Barbara Hope-van der Hoeven tijdens de zomermaanden op Bosbeek. Na haar overlijden in 1789 is Bosbeek, intussen geïntegreerd met Groenendaal, overgegaan naar hun drie zonen: 1) Thomas Hope, 2) Adrian Elias Hope en 3) Henry Philip Hope .Op 28 juni 1802 transporteerde Henry Philip Hope (neef van John Hope en testamenteur-executeur, wonende te Londen) aan de midddelste zoon Adrian Elias Hope: de helft van Groenendaal, Bosbeek en Overthoorn (intussen een boerderij) voor ƒ 42.500,-. Na terugkeer uit Engeland waarheen hij met de famieleden Hope met het oog op een Franse inval was uitgeweken, naar Nederland teruggekeerd naar zijn  huis aan de Herengracht in Amsterdam en gebruikte hij het hoofdhuis van Bosbeek als zijn zomerverblijf. Aldaar is hij in 1834,  na in krankzinnige toestand te zijn opgesloten, dood aangetroffen.

De volgende eigenaren waren via vererving: van 1834-1839 Henry Philip Hope (=derde zoon van John Hope) (1); 1840-1850 nazaten van Thomas Hope [= oudste zoon van John Hope], te weten: Henry Thomas Hope (1807-1862), Adrian John Hope en Alexander James Beresforth Hope (1820-1887); 1850-1863 Adrian John Hope (geboren in 1811 en overleden 18-12-1863); 1864-1873 (zoon) Adrian Elias Hope (1845-1919), die het landgoed Bosbeek-Groenendaal verkocht aan jonkheer Jean-Baptiste van Merlen (overleden in 1913) en echtgenote Clasina Aleida Visser; in 1913 aangekocht door de gemeente Heemstede. Vervolgens is Bosbeek in 1915 weer gesplitst en particulier bewoond. Na W.O.II in gebruik als instelling, sinds 1950 in eigendom van de Sint Hiëronymus Aemilianusstichting.  

(1) Na het kinderloos overlijden van Henry Philip Hope eind 1839 is door de drie neven jarenlang via allerlei rechtszaken om de enorme erfenis van hun oom gestreden, met inbegrip van de befaamde Hope diamant, die Henry Philip in 1824 had verworven en tegenwoordig bij Smithsonian in Washington, D.C. is tentoongesteld. 

kaart door J.P.van Varel in 1767 in opdracht van John Hope vervaardigd voor het duingebied ten noorden van de hofstede Groenendaal (NHA)

Ingekleurde kaart van landmeter Jan Pieterszoon Varel uit 1772 van twee stukken naast elkaar gelegen duingrond door ambachtsheer Jan Diederik Pauw geboren Hoeufft in eeuwige erfpacht uitgegeven aan mr. John Hope, groot 20 morgen, 455 roeden, en 30 morgen + 579 roeden, op 10 september 1772 en bekrachtigd 4 december 1774. Het noorden rechtsboven; met schaalstok van 40 Rijnlandse roeden; met verbaal in rococo cartouche; met doorsneden van de buggen in de Heer laan over de Zantvaart en de Binnenweg over de Zantvaart; met opgave van de waterstanden onder de bruggen.  (NHA-Haarlem, inventaris van Doorninck nummer 212)

kaart van Groenendaal op een 18e eeuwse kaart, gekopieerd door tuinenhistoricus en -architect Leonard Springer en waarvan het origineel verloren ging.

Dezelfde kaart met uitleg door Christian Bertram, opgenomen in: ‘Groenendaal van buitenplaats tot wandelbos'(HVHB, 2013, p.105)

DE FAMILIE HOPE EN BOSBEEK (1784-1873)

‘At Spes Non Fracta’ was het motto van de familie Hope. Betekend: nog is de hoop (Hope) niet verloren.

Portret van John Hope (1739-1785) door sir Joshua Reyniolds, gedateerd 1769 (Scottish National Gallery of Modern Art; schilderij nagelaten door John Cook in 2002, foto Antonia Reeve)

Hope1.jpg

Genealogie Hope. Uit: J.W.Niemeijer. Verzamelen in Nederland. 1982 (de kunstverzameling van John Hope) Ter aanvulling: de eerste Hope die zich vanuit Engeland in Holland (Rotterdam) vestigde en met handelctiviteiten begon was Archibald Hope (1664-1743). Zijn twee zonen: Archibald Hope (jr.) en broer Thomas Hope (1704-1779) dreven handel met vooral Engeland en Amerika en startten in 1726 het internationale bankbedrijf vanuit Amsterdam. John Hope kreeg 3 zonen (Thomas geboren in 1769), Adrian Elias (geboren in 1772) en Henry Philip (geboren in 1774), de eerste en laatstgenoemde hebben het bankbedrijf als aandeelhouder voortgezet. De rijke erfenis (o.a. ook Groenendaal/Bosbeek) kwam na het overlijden van Thomas (1830) Adrian Elias (in 1834) en Henry Philip (in 1839) in bezit van Henry Thomas Hope (1802-1862), zoon Thomas Hope en kleinzoon van John Hope. Bosbeek-Groenendaal tevens in bezit van Adrian John Hope en Alexander James Hope. Van 1850 tot zijn overlijden op 18-12-1863 was Adrian John Hope formeel eigenaar , gevolgd door dien zoon Adrian Hope (1845-1919, die in 1873 het landgoed verkocht aan het echtpaar jonkheer J.B. van Merlen-Clazine Alieida Visser van Hazerswoude, waarmee een einde kwam aan de Hope dynastie.

Telgen uit het van oorsprong Schotse geslacht Hope die zich in Holland bezig hielden met koopmans- en bankiersactiviteiten:  Archibald Hope (1664-1743) oprichter van de Hopes in Rotterdam;  Archibald Hope II (1698-1734), Henry I Hope (1699-1737), Isaac Hope (1702-1767), Thomas Hope (1704-1779), Zacharias Hope (1717-1770;  Oprichters van Hopes Amsterdam: Olivier Hope (1731-na 1767), John ofwel Jan Hope (1737-1784), Henry II Hope (1735-1811); werkzaam in Amsterdam: Archibald III Hope (1747-1821). Ten slotte Thomas Hope (1769-1831) en adoptiefzoon van Henry  II: John Williams, zich later noemende Hope.

Portret van Archibald Hope (1664-1723), grondlegger van het Hope koopmanshuis. Zijn zonen Thomas Hope (1704-1779) en Adrian Hope (1709-1781) richtten het bankiershuis op in  1726. In 1727 huwde Thomas Hope  met Margaretha Marcelis, uit een ander bekend koopmansgeslacht. John Hope (1737-1784)  was hun zoon. [Op de brief staat de naam Archibald Hope, Rotterdam]

Een neef van John en Henry Hope: Archibald Hope (1747-1821) verwierf in 1781 de statige hofstede Waterland in Velsen-Zuid. (litho Lutgers)

Thomas Hope, de vader van John Hope, is 31 december 1779 begraven in de Westerkerk te Amsterdam, grafnummer 234M. Ook zijn echtgenote Margaretha Marcelis is daar begraven.

Van Thomas Hope (vader van John Hope) is geen portret bekend. Hij is in 1704 te Rotterdam geboren en stierf 26 december 1779 in Amsterdam, waar hij in oktober 1726 met zijn broer Archibald Hope een handelshuis op Engeland, Amerika en West-Indië stichtte. Na de dood van Archibald in 1734 associeerde hij zich met zijn jongere broer Adrian Hope, met wie hij een handels- en bankierzaak opzette, onder de firma Thomas & Adriaan Hope, waarvan de naam na het optreden als mede-firmanten van hun neef en van Thomas’ zoon John op 1 januari 1762 wijzigde in Hope & Co., welke zaak zich uitbreidde tot een belangrijke positie op de wereldmarkt met leningen aan zowel Rusland als Amerika. In 1758 had Thomas Hope het grote dubbelpand Keizersgracht 444-446 voor ƒ 83.000,- gekocht van Mattheus Lestevenon van Berkenrode, die op dat moment namens de Republiek gezant was in Frankrijk. Aan de achterzijde, de Prinsenlaan, zijn huizen aangekocht en gesloopt, om te vervangen als pakhuizen, want behalve bank was nog sprake van een handelsbedrijf. Thomas bracht een aanzienlijk vermogen bijeen. Hij woonde, samen met zijn broer Adrian, eerst een huis op de Herengracht, waar zij in 1742 4 dienstboden en chais en 2 paarden hielden en geschat werd op een inkomen van ƒ 12.000 tot ƒ14.000 per jaar. In 1758 kocht hij voor ƒ 83.000,- van de Ambassadeur Mattheus Lestevenon van Berkenrode diens huis op de Keizersgracht, bij het Molenpad met stal en koetshuis. Door aankoop  12 augustus 1748 is Thomas Hope voor ƒ 11.600,- eigenaar geworden van de hofstede Vreugdenhoff (voorheen: Dubbelloon), aan de Amstel onder Nieuwer-Amstel. Hij was representant van de prins erfstadhouder Willem IV als opperbewindhebber en gouverneur-generaal der Nederlandse West-Indische Compagnie 1750-1751. Voorts bewindhebber van de Oost-Indische Compagnie 1756. Op 31 december 1727 is hij gehuwd met Margaretha Marcelis (1705-1758), dochter van koopman en zeepzieder Jan Marcelis.

Uit dit huwelijk is 1 zoon geboren: John Hope, zich ook noemende Jan Hope. Die kocht in 1782 aan de Herengracht een huis voor ƒ 160.000,- van Nicolaas Geelvinck. Bovendien bezat hij een woonhuis in Den Haag aan ;t Nieuwe (Korte) Voorhout “vanouds genaamd het Tapijthuis” met een stalling en koetshuis. Sinds 21 mei 1767 was hij voor ƒ 27.000,- eigenaar van de hofstede Groenendaal door aankoop van David van Lennep die naar het nabijgelegen Huis te Manpad verhuisde. In zijn voornemen (daarna door zijn weduwe in 1787 ten uitvoer gebracht) om dit buiten te slopen en met het daarbij behorende terrein zijn nieuwe hofstede Bosbeek, die hij op 23 februari 1784 voor ƒ 60.000,- van de weduwe mr.Lieve Geelvinck, geboren van de Poll, uit tee breiden, werd hij in april door de dood verijdeld. Zijn plannen op de plaats van Groenendaal een nieuwe hofstede, te laten bouwen, ontworpen door architect Abraham van der Hart, om zijn enorme schilderijencollecte in onder te brengen, zijn voortgezet door zijn neef Henry Hope, die tussen 1785 en 1789 Welgelegen (het huidige Provinciehuis) in de Haarlemmerhout liet bouwen. John Hope, die eerder de erfenissen had ontvangen van zijn vader Thomas Hope  (1779) en van kunstverzamelaar en (kinderloze) oom Adrian Hope (1781),  liet een reusachtig vermogen na en een uitgezocht kabinet schilderijen en kunstvoorwerpen, een uitgebreide bibliotheek benevens een grote veerzameling prenten en tekeningen (o.a. uit de collecties Bisschop en Braamcamp).

 

Keun

het huis van Thomas Hope, waar zoon John Hope opgroeide, gelegen aan de Keizersgracht tussen het Molenpad en de Runstraat (schilderij van Hendrik Keun, circa 1785 in Historisch Museum Amsterdam)

 

Vooromslag van boek (dissertatie) van dr. Marten G.Buist (de latere hoogleraar geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen): ‘At Spes Non Fracta [= nog is de hoop niet verloren]; Hope & Co 1770-1815’, in 1974 uitgegeven door Bank Mees & Hope.

Het wapen Hope. In blauw een gouden keper vergezeld van drie gouden penningen. Wapenspreuk: 'At spes nof fracta' (nog is de hoop niet verloren), destijds o.a. aangebracht op de Belvédère

Het wapen van Hope. In blauw een gouden keper vergezeld van drie gouden penningen. Wapenspreuk: ‘At spes non fracta’ (nog is de hoop niet verloren), destijds o.a. aangebracht op de Belvédère

In 1767 kocht John Hope de hofstede Groenendaal, januari 1784 het nabijgelegen Bosbeek. Hij overleed al op 47-jarige leeftijd 1784. Zijn echtgenote als erfgename bleef in de zomermaanden Bosbeek bewonen. In 1787 is Goenendaal afgebroken met uitzondering van een deel, dat nog lange tijd is gebruikt als theekoepel.

Bericht over sloop van Groenendaal uit de Amsterdamsche Courant van 19-12-1786, nogmaals opgenomen in de krant van 30 december

Portret van Henry Hope, (1735-1811)met zijn neef John Hope eigenaren van het bankiershuis Hope & Co. De Amsterdamse bouwmeester Abraham van der Hart (1747-1820) ontwierp een groot buitenhuis dat in de plaats zou komen van Groenendaal. In 1784 overleed John Hope, pas eigenaar geworden van Bosbeek, en is het uiteindelijke buitenhuis annex museum ‘Welgelegen’ door Johns ‘neef Henry Hope gerealiseerd in de Haarlemmerhout tussen 1785 en 1789, sinds 1930 in gebruik als Provinciehuis. Vier jaar later vluchtte hij met het oog op en te verwachten Franse inval naar Engeland met medeneming van zijn kunstcollectie, de bibliotheek en het archief.

De grote econoom Adam Smith werd geboren in Kirkcaldy, Fife, Schotland. Zijn werk ‘An inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations’ (1776)( legde de basis voor het moderne kapitalisme. De vierde druk uit 1786 droeg hij op aan bankier Henry Hope. In de opdracht staat vermeld: ‘In this fourth Edition I have made no alterations of any kind. I now, however, find myselfat liberty to acknowledge my very great obligations to Mr. HENRY HOPE of Amsterdam. To that Gentleman I owe the most distinct, as well as liberal information, concerning a very interesting and important subject, the Bank of Amsterdam; of which no printed account had ever appeared to me satisfactory, or even intelligible. The name of that Gentleman is so well known in Europe, the information which comes from him must do so much honour tho whoever has been favoured with it, and my vanity is so much interested in making this acknowlegdgement, that I can no longer refuse myself the pleasure of prefixing this Advertisement to this new Edition of my Book.’

ets voorstellende een groep van kariatiden door Giovanni Batista Piranesi, opgedragen aan ‘Signor Henry Hope’, circa 1780 (Universiteitsbibliotheek Gent)

Request van Henry Hope, gedateerd 19 oktober 1785, gericht aan Burgemeesteren en Regeerders der stad Haarlem als eigenaar van de hofstede Welgelegen (NHA)

bouwtekening van voorgevel van Welgelegen gevoegd bij de vergunningsaanvraag van Henry Hope, 19 oktober 1785 (NHA)

circulaire die de indiensttreding aankondigt van John en Henry Hope, evenals de nieuwe naam van de bank: Hope & Co., 1 januari 1762

 

oudwelgelegen

de hofstede (Oud) Welgelegen, op bovenstaande prent uit 1776 van J.Zeuner, werd in 1769 aangekocht door Henry Hope, twee jaar nadat zijn neef John Hope Groenendaal onder Heemstede had aangekocht. In 1695 waren de gronden aangekocht door Adriaen de Quenoy, die daar de huizen ‘Welgelegen’ en ‘Ongelegen’ liet bouwen. Op de plaats van het oude  Welgelegen is in 1785 het huidige Welgelegen (Provinciehuis) gebouwd in opdracht van Henry Hope. (MHA). Blijkens prenten kwam het bouwwerk in 1789 gereed, maar in 1790-1791 is nog aan het interieur gewerkt. De meest recente restauraties hebben plaatsgehad in 1965-1965 en van 2007 tot 2009.

Welgelegen van de heer Henri Hope in de Haarlemmerhout. Gravure door Jan Lucas van der Beek naar Daniël Kerkhoff, 1789

 

 

Prent van het buitenhuis van Hope, later bekend als Paviljoen Welgelegen [zo genoemd na aankoop door koning Lodewijk Napoleon] te Haarlem vanuit het zuidwesten op een ingekleurde ets van H.P.Schouten (1747-1822) uit 1792: ; Vue perspective de la Maison de Campagne nommé  Welgelegen au Bois de Harlem’. Appartenante a Mr.Henry Hope’. Henry Hope had zijn kunstcollectie aanvankelijk opgesteld in zijn huis naast de Bank, Keizersgracht 448. In 1785 besloot hij na het overlijden van zijn neef John Hope een buitenhuis in de Haarlemmerhout te bouwen op de plaats van de vroegere hofstede Welgelegen. Hijzelf  verbleef hier alleen met zijn personeel, trouwde nooit, maar onderhield goede relaties met zijn nicht Ann Goddard  (dochter van zijn zuster) , die hij had gekoppeld aan zijn protegé John Williams (1757-1813), zich later John Williams Hope noemende.  Met het oprukken van de Franse legers vluchtte hij uit Nederland om naar het land van zijn voorvaderen terug te keren en in Londen zette hij zijn bankierswerk voort. Hij nam zijn honderden schilderijen, kunstwerken (op enkele beelden na), bibliotheek en archief mee. De hofstede Welgelegen en toebehorende percelen zijn in 1807 voor een zeer schappelijk bedrag voor ƒ 69.650 verkocht aan John Williams (die vervolgens in dat jaar de nabijgelegen hofstede Zorgvliet kocht voor ƒ 12.500,-). In februari 1808 toonde koning Lodewijk Napoleon interesse voor Welgelegen. De vraagprijs bedroeg ƒ 500.000,- maar na enige onderhandelingen bedroeg de verkoopprijs ƒ 300.000,-. Daarbij kwam nog ƒ 30.000,- voor aanwezige meubelen, benevens standbeelden, plantgewas en inhoud van de Oranjerie.  Henry Hope overleed in  1811 op 76-jarige leeftijd. De bank in Amsterdam Hope & Co. is door zijn erfgenamen en die van John Hope voortgezet en verkocht aan Baring. Na een fusie met de Rotterdamse bank Mees, uiteindelijk onderdeel geworden van de ABN AMRO. De kunstwerken zijn in 1811 in opdracht van Henry Hope en verder voornamelijk door nazaten in verscheidene aucties geveild.

Welgelegen in een fantasierijke omgeving verbeeld; schilderij door de Vlaamse kunstschilder Hendrik de Cort (1742-1810), die in 1789 naar Engeland verhuisde en bovenstaand doek vermoedelijk vervaardigde in opdracht van Henry Hope

Gravure van Welgelegen uit 1789, het jaar dat de bouw gereed kwam (uitgave B.van Mourik, gepubliceerd in ‘Mercurius’van mei 1789). De opbouw aan beide zijden van het middenfront, zogenaamde daklantaarns,  in 1929 ‘geamoveerd’ en vooral dankzij de bemoeienissen van conservator Gerrit Bosch bij de laatste grote restauratie weer aangebracht.

Vooromslag met afbeelding van een vergelijkbare zuilenportiek als bij Welgelegen, in het boek met 18e eeuwse gebouwen; Vitruvius Soctius: Plan, Elevations and Selections of Public Buildings, Noblemen’s and Gentleman’s Houses in Scotland (Dover Architecture), by William Adam, 2011.

foto van Paviljoen Welgelegen nadat de beide bouwsels naast de bovenmiddengevel in de vorige eeuw waren afgebroken

recente foto van de voorgevel nadat beide bouwsels op de zijzalen tijdens een grootscheepse renovatie zijn hersteld. Eerder is in 1950 het vroegere koetshuis gesloopt ten daarvoor in de plaats kwam een bakstenen vleugel ten behoeve van de provinciale bestuurders en ambtenaren.

gezicht

ingekleurde gravure: Gezicht uit den Hout, op het huis van den heer Hope, door Leendert Overbeek, 1793 (NHA)

 

gezicht2

gravure van de Baan in de Haarlemmerhout tussen de Kleine Houtweg (links) en de Dreef (rechts). Een terrein door Lodewijk napoleon van de stad aangekocht om hier achter Paviljoen Welgelegen een botanische tuin aan te leggen. Tekening van Johannes Pieter Visser Bender (1785-1813). De grondwerkzaamheden zijn uitgebeeld, maar uitvoering van het project moest worden gestopt toen de koning van Holland min of meer gedwongen aftrad en naar Frankrijk terugkeerde.

aquatint van Welgelegen uitgegeven door Arpels en Gabriels & Co, Wijsman, 1825/1827: ‘Gezicht op het paviljoen Welgelegen van Z.M. den Koning der Nederlanden bij Haarlem’.

Over de oudste prenten van het Paviljoen, verschenen tussen 1789 en 1792, schrijft A.G.van der Steur in zijn ‘Haarlemia Illustrata'(1993) het volgende: ‘Grote belangstelling van reizigers, architectuurkenners en tekenaars kreeg het tussen 1785 en 1789 gebouwde grote huis van Henry Hope in de Hout: het Paviljoen Welgelegen. Eén van de eerste afbeeldingen is de anonieme, bij B.Mourik uitgegeven, gravure (18x14cm.) “Afbeelding van het trotsch gebouw van den weledele Heere Henry Hope in de Haarlemmerhout 1789”. Volgens de gedrukte tekst rechts ven de prent opgenomen “In de Mercurius May 2de stuk 1789, pag.188. Uit hetzelfde jaar 1789 dateert de “Afbeelding van het prachtig gebouw door den heere Henri Hope in den Haarlemmerhout gestigt” door J.L.van Beek naar D.Kerkhoff, uitgave van D.M.Langeveld en volgens de gedrukte tekst links boven verschenen “In de jonge reiziger 1e deel II stuk blz.154″(een boek in 3 delen, ieder deel in 3 stukken, door Jan A.Backer, verschenen 1789-1791). De maker was de Amsterdamse etser en graveur Jan Lucas van der Beek (2753-181).  In 1792 verschenen de twee fraaiste prenten die er van het Paviljoen bestaan. Twee grote (48x63cm) gravures naar tekeningen van Hermanus Petrus Schouten (1747-1822), een neefje van Hermanus Schouten: “Vue de la Façade de la maison de Campagne nommé Welgelegen au bois de Harlem, appartenante a Mr.Henry Hope d’Amsterdam” en “Vue perspective de la maison…etc. “beide prenten tonen middenonder het wapen van Hope. De eerste prent laat het huis recht van voren zien, de tweede iets schuin van voren vanuit het zuidwesten. Beide prenten zijn gesigneerd “H.P.Schouten ad Nat.delineavit 1791”. De eerste is gegraveerd in 1792 door Chr.Haldenwang te Basel, de tweede door Benjamin Comté en Chr. Mechel te Basel 1792. Voorts verscheen in 1790 het boek “Picturesque tour through Holland, Brabant and part of France made in the autumn of 1789” door Samuel Ireland. Het boek bevat vier bruin getinte platen, waaronder: “Mr. Hopes villa near Haarlem”.  Verder verscheen een prent van kunstschilder Leendert Overbeek (1752-1815) die tot ongeveer 1806 in Haarlem werkzaam was: “Gezicht uit den Hout op het huis van den heer Hope, 1793 (op de voorgrond o.a. een jongetje dat met hoed speelt). In 1793 verschenen ook anonieme prenten van Welgelegen en de Hout in ‘Het Hout of Boschgedachten in zes bespiegelingen’ van Adriaan Loosjes.’ Nadien zijn nog talrijke tekeningen en prenten van Paviljoen Welgelegen vervaardigd. 

Uniek sierbord met een afbeelding van Paviljoen Welgelegen uit 1825. Destijds vervaardigd als een geschenk van Louise van Pruisen en Prins Frederik van Oranje. In 2014 aangekocht door de Provincie Noord-Holland.

Het Paviljoen Welgelegen wordt o.a. genoemd in de ‘Camera Obscura’ van Hildebrand (Nicolaas Beets), waarvan de eerste druk in 1839 is verschenen, en wel in het verhaal van de familie Stastok met als titel: ‘Een onaangenaam mens in den Haarlemmerhout’. Citaat: ‘(…) Wandelt de ntuurbezoeker voort, dan ziet hij in ’t voorbijgaan eerst nog een dergelijke troep, die zich in de aanblik van het Paviljoen verlustigt, en waarvan al de individu’s, om zich te overtuigen dat hetgeen droom is, zich met beide handen aan de spijlen van het hek vastklampen, zich bij geen mogelijkheid kunnende verklaren wat voor aardigheid of vrolijkheid er wezen mag in de groep van Laokoön, maar op dit punt overeenkomende, dat de W in het frontispice “Wullum” beduidt.’ In zijn boek ‘Na vijftig jaar; noodige en overbodige opheldering van de Camera Obscura door Hildebrand (Haarlem, 1887) schrijft de geboren Haarlemmer Nicolaas Beets het volgende: ‘Het PAVILJOEN voert, reeds sedert een twintigtal jaren, niet langer de W in de frontispice, die voor vijftig jaar, naar de eenparige overtuiging der matineuze wandelaars uit Amsterdam, welke destijds ook die van Hilde was, Wullum beduidde: wat zij niet beduidde, evenmin als Welgelegen, ’t geen in zijn schooltijd sommige betweters onder zijne makkers meenden te mogen volhouden, en metterdaad de oorspronkelijke naam van dit lusthuis was. Maar de oude Haarlemmers van die dagen bleven het gaan het HUIS VAN HOPE noemen, naar den bankier Henry Hope, voor wiens rekening het (nu bijna een eeuw geleden, 1788) in italiaanschen stijl gebouwd was, en wien koning Lodewijk het in 1808, voor drie ton uit de handen had gebroken; edoch voor lands geld, op grond waarvan hij ook het later daarover door hem gevoerde rechtsgeding verliezen moest, al had dan ook zijn keizerlijken broeder het ten jare 1811 verklaard tot de domeinen te behooren van de fransche kroon.’ 

Met ‘Wullum’ bedoelde Beets uiteraard koning Willem I die hooguit enkele keren op het Paviljoen verbleef. In 1825 is in de Spaarnestad een Nijverheidstentooinstelling gehouden, waarbij in het Paviljoen schilder- en beeldhouwwerken zijn getoond. Om deze expositie op te luisteren zong het wezenkoor van het Haarlemse Burrerweeshuis onder meer de volgende twee coupletten: ‘’t Huis Welgelegen in Den Hout / Of ’s Konings Paviljoen / Hoe vaak verwonderend aanschouwd , / Uit Lent- en Zomergroen : / Nog nimmer is dit trots gevaart / Door zoveel ogen aangestaard! / Als nu! Als nu! Als nu!  ==  Maar staart nu het gebouw niet aan / Treedt in deez’ ruime zaal! / Gij zult verrukt, verwonderd staan! / Bij kunst en pracht en praal: / En Theems en Tiber, Seine en Rijn / Noemt Neerlands kunst niet langer klein! ‘Maar groot! Maar groot! maar groot!’ 

Te beginnen 10 augustus 1838 met de officiële opening van het ‘Museum van Levende Nederlandse Meesters’ (tot 1885)  zijn nog de volgende 4 musea in Paviljoen Welgelegen gehuisvest geweest: Geologisch Museum, Koloniaal Museum, Kunstnijverheidsmuseum em het Museum van Natuurlijke Historie.

 

begane grond

plattegrond van begane grond van Paviljoen Welgelegen ten tijde van Hope en van Lodewijk Napoleon, samengesteld aan de hand van gegevens van mw. drs.M.H.E.Zoetmulder

grondplan van de tweede verdieping Paviljoen Welgelegen

Henry Hope nam in 1794 archief en bibliotheek van Welgelegen integraal mee naar Londen. Helaas gingen de bouwtekeningen en andere archiefbescheiden, evenals de maquette, verloren. Noch voorkomende in veilingcatalogi, en voor zover bekend ook niet aanwezig in Hopetoun, Londen,Deepdene, Newcastle of elders. Gelukkig vond conservator Bosch nog bovenstaande tekening uit 1813 met de opbouw in het Nationaal Archief te Den Haag

plattegrond van deel Haarlemmerhout met paviljoen Welgelegen en omgeving (met rechtsonder het Spaarne) omstreeks 1815 ten tijde van ‘Welgelegen’ als zomerverblijf van prinses Frederika Sophia Wilhelmina van Pruisen, echtgenoye van stadhouder prins Willen V en moeder van koning Willem I.

 

Labouchere

Pierre César Labouchère (1772-1839), die in 1790 bij Hope in dienst kwam en het vertrek van de Hopes in 1794 met de dagelijkse leiding van de firma werd belast. In 1802 is hij in de firma opgenomen. Portret door P.A.de Labouchère

Hope, Baring en Labouchere

In 1770 (1726) is de firma Hope opgericht; eerder in 1720 in Rotterdam de handelsfirma Mees gesticht. In 1962 fuseerden de firma’s Mees & Zonen en Hope & co. tot de bank Mees en Hope, in 1975 onderdeel geworden van de Algemene Bank Nederland, tegenwoordig ABN/AMRO Op bovenstaande foto uit januari 1966 zien we het inmetselen van de naam Mees & Hope aan de gevel van het hoofdkantoor in Rotterdam. In Haarlem was een bankfiliaal gevestigd aan het Houtplein. [Na 1815 zijn firmanten van de bank Hope & Co geweest; Alexander Baring (1774-1848), P.C.Labouchere (1772-1839), Adriaan van der Hoop (1778-1854), Hiëronymus Sillem (1768-1833), J.B.Stoop (1781-1856), en telgen uit de geslachten Van Loon, Ter Meulen en Borski].

John ofwel Jan Hope was de enige zoon van Thomas Hope. Hij werd geboren in 1737 en trouwde in 1763 met de Rotterdamse burgemeestersdochter Philippina Barbara van der Hoeven. In het jaar daarvoor was hij in de firma Hope & Co opgenomen. In 1765 werd hij bovendien benoemd als schepen van Amsterdam. Tevens was hij bewindhebber van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (1768). De omzet van het bankbedrijf bedroeg in 1769 liefst 65 miljoen gulden. In 1767 kocht hij de hofstede Groenendaal van David van Lennep.Na aankoop in 1774  van een kasteel aan de Vecht in Nederhorst mocht hij zich heer van Nederhorst den Berg en ‘s-Gravenambacht noemen. Hij erfde behalve van zijn vader Thomas in 1781 ook van zijn oom Adrian die kinderloos overleed. John Hope participeerde toen voor 49/96 in  de firma. Hij kreeg drie kinderen die ook verzamelaars van kunst werden, maar nauwelijks geïnteresseerd waren in het bedrijf van hun vader. Adrian Elias, die volstrekt ongeschikt was, werd via een erfenis uitgekocht. John Hope kocht in 1768 Groenendaal, in  1782 het pand Herengracht 509-511 en in 1784 Bosbeek. Hij reisde veel en overleed 20 april 1784 te ‘s-Gravenhage en liet een vermogen na van een half miljoen gulden, een uitgezocht kabinet schilderijen, benevens een uitgebreide bibliotheek (door de jonge antiquaar Frederik Muller in de koepel van Groenendaal voor de veiling gecatalogiseerd). landgoederen en een grote collectie tekeningen en prenten.

Benoeming van John Hope als schepen van Amsterdam (uit: Leydse Courant van 4 februari 1765)

De eerste benoeming van Jan Hope in een openbare functie (Amsterdamse Courant, 5-2-1765)

In 1766 is John Hope benoemd als een van de directeuren der Hollandse Maatschappij van Wetenschappen in Haarlem (Leeuwarder Courant, 12-2-1766). In November schonk Hope ‘een uytmuntende party van schulpen’ en ‘een zeer grooten hoorn van een eenhoorn’ aan het kabinet van Naturaliën met Nicolaus Lindner als toenmalig custos (inf. gedenkboek 1952)

(Benoeming schepenen Amsterdam, uit: Middelburgsche Courtant, 7-2-1769)

benoeming Hope in als bewindvoerder VOC-bestuur (Middelburgsche Courant, 13-11-1770)

uittreding van Jan Hope uit stadsbestuur als schepen (Amsterdamse Courant,8-2-1777)

Benoeming van Jan Hope als lid van de Staten-Generaal (Amsterdamse Courant, 4-5-1780)

(‘s-Hertogenbossche Courant, 9-5-1780) Eerder was hij als gecommitteerde benoemd in 1774, 1175 rn 1776.

…van de Heer Huydecoper van Maarseveen, wiens tijd aldaar staat te expireeren’. John Hope opnieuw benoemd als schepen binnen de vroedschap van Amsterdam (Oprechte Haerlemsche Courant, 12-2-1780)

De huizen van John Hope in Den Haag, het bankgebouw in Amsterdam, kasteel Nederhorst en Bosbeek in Heemstede [van Groenendaal bestaat geen afbeelding].

Toen John Hope in 1767 eigenaar was geworden van het landgoed Groenendaal heeft hij in de volgende jaren zijn bezit nog uitgebreid. Groenendaal kocht hij voor 27.000 gulden  van David van Lennep – die zelf verhuisde naar Huis te Manpad – en bij de koop waren inbegrepen een tuinmanswoning, stallingen, koets- en wagenhuizen, broeikassen etc. Verder gaf de ambachtsheer van Heemstede stukken duingrond aan hem in erfpacht. In 1768 ontving hij voor een jaarlijkse recognitie van acht gulden toestemming om vanuit Groenendaal een uitrit te maken naar de Herenweg, waarvoor bomen moesten worden gerooid. Deze bestaat nog en op het Groenendaal-terrein vlak voor de Herenweg is voor dienstpersoneel een tuinmanswoning gebouwd.  In januari 1784 is een voorlopig contract getekend voor de aankoop van Bosbeek voor ƒ 60.000,- van Anna Maria van de Poll, de weduwe van mr. Lieve Geelvinck. Nog voor de overdrachtseffectuering is John Hope plotseling op slechts 47-jarige leeftijd overleden, waarna via de weduwe de overdracht alsnog is geregeld. John Hope moet grootse plannen met zijn nieuw verworven bezit hebben gehad, die feitelijk door zijn neef Henry Hope in de Haarlemmerhout met de bouw van Welgelegen zijn gerealiseerd. Op Groemendaal stonden de kisten met kunstvoorwerpen en oudheden klaar om naar Bosbeek overgebracht te worden. Naast schilderijen, beeldhouwwerken (replica’s van antieke sculpturen door hem uit Italië meegebracht) en veel kleinplastiek zoals cameeën. Vermoedelijk zou hij ook een beeldengalerij hebben ingericht, zoals Gerard van Papenbroek dat bij zijn buitenplaats in Santpoort had gedaan, naar eigen zeggen naar het voorbeeld van Adriaan Pauw bij het Oude Slot in Heemstede.

Het karakteristieke (wind)molentje van Groenendaal, een achtkante stellingmolen, is gebouwd tussen 1767 en 1780 onder John Hope bedoeld als inmaler van water uit het Haarlemmermeer voor het park. Sinds de 19ede eeuw een folly en intussen verscheidene malen gerestaureerd.

gravure van het pompgebouwtje met de vuur- ofwel stoommachine naast het nog bestaande molentje van Groenendaal

Hope was in de jaren 70 en begin 80 van de 18e eeuw bezig het park van Groenendaal te verfraaien en de aanleg uit te  breiden. In de jaren 70 van de 18e eeuw was John Hope, met belangstelling voor techniek, lid-consultant van Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke wijsbegeerte te Rotterdam. De andere leden waren A.Perrenot en de professoren David de Gorter en Andreas Bonn. In 1779 bezocht Matthew Boulton, zakenpartner van (uitvinder )Watt, Holland en bezocht hij John Hope om over de stoommachine te spreken. Hierna correspondeerde Hope augustus 1779 met James Watt die hem aanraadde: ”a 15 inch diamemteer by feet stroke engine with a 31 inch pump’. In 1781 is op Hope’ initiatief de tweede stoommachine van ons land, tevens de eerste in Nederland vervaardigd, op Groenendaal geïnstalleerd bij het historische molentje. Deze diende om het water op te pompen en het hogere deel van het landgoed te bevloeien ter vervanging van de vijzel-windmolen die bij windstilte te weinig water opvoerde voor de vijvers, sloten en fonteinen van Groenendaal. Onder invloed van het Engelse begrip ‘fire engine’ sprak men toenmaals van vuurmachine. De stoommachine, geconstrueerd door de in Amsterdam wonende Fries Rijnse Lieve Brouwer – geheel uit Nederlandse onderdelen samengesteld – is één van de uitzonderlijke voorbeelden geweest van technische innovatie op buitenplaatsen (1). Rond 1840 is de machine gedemonteerd en als schroot aan een Haarlemse sloper verkocht.

Uit een artikel in het Algemeen Handelsblad van 15 september 1834 waarin de journalist voorspelt dat de kritiek op de spoorweg in de toekomst zal verstommen, zoals dat ooit gold voor een innovatie als de stoommachine, waarbij hij die van John Hope op Groenendaal als voorbeeld stelt.

(1) J.Z.Kannegieter. Een stoomwerktuig op de buitenplaats van een Amsterdamse regent in het jaar 1781. In: Amstelodamum, LXVI (1973), p.27-29. Eigentijdse berichten over dit kleine wereldwonder, o.a.: ‘den Hollandschen weeklijkschen nieuws-verrtelder (1781), Nina d’Aubigny (1790), L.van Ollefen (1796) en Adriaan Loosjes Pzn. (1804).

Bericht uit de Opregte Haarlemsche Courant van 6 augustus 1836. De ‘vuurmachine’ is omstreeks 1840 gesloopt, evenals het stalgebouw op  Nieuw Westermeer maar de koepel van Groenendaal bleef (nog) staan.

 

museum1

In 2008 wijdde Teylers Museum in Haarlem in samenwerking met het Rijksmuseum, een tentoonstelling aan de Italiaanse duivelkunstenaar Giovanni Battista Piranesi (1720-1788), waarbij ook werk is getoond van Thomas Hope, de kunstzinnige zoon van John Hope. Op bovenstaande foto uit het Haarlems Dagblad zien we de samenstellers Frank van der Velden (van Teylers Museum) en Kris Schiermeier (van het Rijksmuseum) voor een verguld houten wandtafel, die Piranesi ontwierp. Citaat uit een begeleidend artikel: ‘Piranesi had in Rome gewoon een winkel, waar vooral mensen kwamen die aan een Grand Tour bezig waren. Als herinnering aan die reis kochten ze bij hem zijn gravures of tekeningen. Hij voorzag zo niet alleen in zijn levensonderhoud maar had ook de mogelijkheid om zijn ideeën breed binnen Europa te verspreiden. We hebben hier van hem een prachtig bewerkte tafel die tot de vaste collectie van het  Rijksmuseum behoort. Een topstuk. Hij komt uit de nalatenschap van John Hope die de Heemsteedse buitenplaats Groenendaal bezat. In die tafel zie je ook weer hoe Piranesi het strenge neoclassicisme vermengt met elementen uit de rococo en de barok.’

Van 1784 tot 1873 waren Bosbeek en Groenendaal exclusief bezit van de erven van de puissant rijke bankier John Hope en diens echtgenote Philippina Barbara Hope-van der Hoeven, in 1789 overleden.

John Hope (1737-1784),op 26-karige leeftijd   geportretteerd door de Schotse kunstenaar Cosmo Alexander (1724-1772). National Gallery of Scotland, Edinburgh

John Hope, 1784, kort voor zijn overlijden geschilderd door de Zwitserse kunstenaar Benjamin Samuel Bolomey (1738-1790) (RKD-iconografisch bureau)

Philippine Barbara van der Hoeven, echtgenote van John Hope, in 1784 geportretteerd door Bolomey (onbekend waar aanwezig) (RKD-iconografisch bureau)

Dr.J.W.Niemeijer schrijft in zijn publicatie ‘Kunstverzameling van John Hope’: ‘(…) Nog in hetzelfde van de aankoop van Bosbeek stierf Hope op 20 april in Den Haag. Dat is zeker onverwacht geweest. Hij was nog maar 47 jaar oud, had net twee huizen gekocht, en zich door Bolomey laten portretteren, tezamen met zijn vrouw. Misschien waren deze schilderijen op het ogenblik van zijn overlijden nog niet eens helemaal klaar; mogelijk ook was John al te ziek om ze in zijn inventaris in te schrijven. Dat is pas later door een ander gebeurd. De keuze voor de schilder is indicatief voor de sterke gerichtheid op Den Haag èn voor het sociale milieu waarin Hope zich bewoog. Benjamin Bolomey had zich onder de protectie der Oranje’s een internationaal-aristocratische clientèle kunnen opbouwen’.  

Uit een vastgelegde nalatenschap van John Hope – 20 april 1784 in zijn woonhuis in  Den Haag overleden – aanwezig in het Stadsarchief Amsterdam – testament vastgelegd bij notaris Cornelis van Homrigh (1744-1802), blijkt dat deze bestond uit: -het kabinet van schilderijen (gewaardeerd op 135.000 gulden); – de bibliotheek, prenten en tekeningen (ter waarde van 10.000 gulden; – de Heerlijkheid ’s Graven Ambacht (22.558 gulden); – de effecten met een waarde van 571.100 gulden; – juwelen parels (geraamd op 19.906 gulden); – een huis en erve Herengracht met stal en koetshuis  509-511 (waarde ƒ 132.000,-); – een stalmeesters stal en koetshuis + erven in de Reguliersdwarsstraat (ƒ 16.000,-); – (deelwaarde huis en erve op de Keizersgracht (vierde huis benoorden het Molenpad) met achterliggend gebouw, koetshuis, pakhuis en erven plus een Engelse stal en erve in de Calvaarsgang [liep van de tuin Keizersgracht 444-446 naar de Priinsengracht]: ƒ 155.000,-; – een aantal huizen in Amsterdam en Den Haag (hoofdhuis in de Korte Voorhout);

Het Hopehuis in Den Haag waar John Hope 20 april 1784 is overleden. Van 1821 tot 1845 bewoond door baron Verstolk van Soelen en van 1845 tot 1848 door prins  Hendrik ‘de Zeevaarder’.

– kavels en gronden in de (Kennemer) duinen; – de hofstede Groenendaal met vuurmachine, koepel en land in Heemstede; – de hofstede Bosbeek met herenhuis, stalling, oranjerie, tuinmanswoning en koepel, vanouds genoemd Overthoorn in Heemstede; huis en ridderhofstad Nederhorst met voorburg, bouwhuis, schuur, singels, hof, bos, boomgaarden, dijken enz.; – een hoeve met huizing, erf en betimmering + land, plus nog meer percelen met huizen en erven in Nederhorst (den Berg); – een huizinge genaamd Welgelegen bij Ankeveen; een garste molen.

Bericht van ‘zeer subiet’ overlijden van Jan Hope (Amsterdamse Courant, 24-4-1784)

bericht van o.a. publicatie treurdicht op Jan Hope (Oprechte Haerlemsche Courant van 4-5-1784)

In het testament van John Hope (notaris C.van den Hombergh) wordt verwezen naar de volgende drie catalogi: 1) catalogus van het Cabinet Schilderijen; vervaardigd door Rijstenburg; 2) catalogus van prenten, vervaardigd door Van Bemmel; 3) Catalogus Bibliotheca; samengesteld door Lange. Een en ander is tot 1789 bijgehouden door de weduwe Philippina Barbera van der Hoeven. De juwelen zijn in de akte afzonderlijk beschreven.

beschrijving van colliers met o.a. briljanten in notariaatsakte C.van Homrigh NOTA02094000248 (Stadsarchief Amsterdam)

omschrijving van een schilderij met portret van John Hope, waarbij het opmerkelijk is dat haren van zijn drie zonen ‘samengeknoopt met een lintje van brilanten’ aan de achterzijde van het doek zijn aangebracht

Pendantportretten van John Hope en echtgenote Philippina Barbara van der Hoeven, in 1784

Ingekleurde ets van de gelijknamige neef John Hope (1725-1786), een in Schotland gewaardeerd medicus en botanist, navolger van de classificatie van Linnaeus. Afgebeeld met een tuinman door de befaamde Schotse karikatuurtekenaar John Kay (1742-1826), gedateerd 1786 (Wellcome Library London)

Philippina Barbara van der Hoeven (1738-1790), in 1763 getrouwd met John Hope, verloor haar man in 1784. Dat zij een vurig Orangiste was blijkt uit een bericht in de Oprechte Nederlandsche Courant van 21-6-1787, waaruit blijkt dat zij een request opstelde ten gunste van prins Willem de Vijfde.

Hoeven1

Phlippine Barbara Hope-van der Hoeven met boek. Barbara van der Hoeven was dochter van een Rotterdamse burgemeester. Philippine Barbara was geparenteerd aan de classicus professor Jacob Philippe d’Orville, tot 1751 eigenaar van de hofstede Groenendaal waar zij soms in de zomermaanden logeerde. Via d’Orville leerde ze haar toekomstige man John Hope kennen en is in 1763 met hem getrouwd. Om voornoemde reden is het niet verwonderlijk dat toen Groenendaal door David van Lennep te koop werd aangeboden Hope deze buitenplaats aankocht. Haar interesse ging uit naar porselein. Toen de porseleinmanufactuur van Johannes de Mol in 1782 failleerde werd John Hope voor een-vierde eigenaar van de herstart van de fabriek, verplaatst naar Amsterdam. Na het oberlijden van haar man liet de weduwe op 22-25 juni 1785 vanuit Bosbeek-Groenendaal een grote partij serviesgoed veilen in het Oudezijds Heerenlogement

Siervaas met deksel uit de porseleinfabriek van Joannes de Mol in Loosdrecht, tegenwoordig in kasteel-museum Sypesteyn. In 1759 startte de Manufactuur Oud Loosdrecht [M.O.L.], opgericht door dominee Joannes de Mol. in 1770 ging de porseleinfabriek failliet, waarna een doorstart volgde. In 1781 was De Mol genoodzaakt een lening van 12.000 gulden aan te gaan bij bankier en kunstverzamelaar John Hope. Diens echtgenote Barbara van der Hoeven, met interesse voor porselein, werd voor 25% eigenaresse van de Manufactuur Oud Loosdrecht. In 1782 ging vanwege financiële problemen de fabriek over aan de Amsterdamse magistraten Jacobus Rendorp, John Hope en Abraham Dedel die als nieuwe manager aanstelde Frederik Daeuber. In 1784 verhuisde het bedrijf naar Amsterdam en in 1820 kwam een definitief einde aan de productie.

In 1796, toen de echtgenote van John Hope was overleden had een kleine verkoping plaats van overbodig geworden goederen (Amsterdamche Courant, 23-1-1796)

Na het overlijden van de weduwe van John Hope zijn in 1794 boedelbeschrijvingen gemaakt van zowel het bezit in Den Haag, Amsterdam en Heemstede. Het meubilair op Bosbeek kwam toe aan Henry Philip, terwijl Adrian Elias onder meer het 240-delige Saksische servies, al het overige porselein en het meubilair in het Amsterdamse huis kreeg. In datzelfde jaar weken de driezonen van wijlen John Hope uit naar Engeland, de twee jongste broers na een kort verblijf in Duitsland, beducht als zij waren voor de vijandelijke invasie der Fransen. 17 oktober scheepte hun oom Henry Hope zichzelf te Hellevoetsluis richting Londen met medeneming van diens kunstbezit en schilderijen van Henry’s neef John.

Voorhout

Woonhuis van John Hope in Den Haag

In Het Haagse woonhuis, Korte Voorhout 8 is John Hope op 47-jarige leeftijd overleden. Het neoclassicistische pand is later vestiging geworden van het Franse gezantschap. Zie foto met vlag. In 1944 is het huis als gevolg van een bombardement verwoest. 

Indien John Hope enkele jaren ouder was geworden – hij overleed al op 47-jarige leeftijd onverwacht in 1784 – zou de hofstede ‘Welgelegen’ zijn gebouwd op de plaats van de buitenplaats Groenendaal in Heemstede. Die hofstede kocht hij in 1767 en voorts in januari 1784 in het jaar van zijn overlijden (20 april in Den Haag) het nabijgelegen Bosbeek. Aan bouwmeester Abraham van der Hart (1747-1820), die ook de ontwerpen vervaardigde van o.a. Huis Hodshon, de theekoepel van Bellevue (1801) (1794-1795) en Huis Barnaart (1803-1808), alle gelegen in Haarlem, heeft John Hope opdracht gegeven voor een nieuw bouwwerk in klassieke stijl, bedoeld om zijn rijke kunstcollectie in onder te brengen en werd ‘Groenendaal’ – met uitzondering van een ruimte met grisailles, die de functie van theekoepel kreeg- gesloopt. (1). Een groot deel van de kunstwerken gingen na 1784 [1794] naar zijn neef Henry Hope. Bosbeek bleef in handen van John’s echtgenote  en na haar door dood in 1789 naar de kinderen, van wie Adrian Elias uiteindelijk het huis ging bewonen.

(1) In zijn boek ‘At spes non fracta’ bericht Marten G.Buist enkel: ‘ (…) Plans to erect new buidings on the land [bedoeld zijn Groenendaal en Bosbeek] were thwarted by his death in the same year [=1784], but these were subsequently implemented by his widow’  In een noot wordt geen toelichting gegeven, in dit verband uitsluitend de al in 1781 bij het molentje van Groenendaal geplaatste stoommachine vermeld.

4 mei 1784 overleed John Hope. De erfenis ging in zijn geheel naar zijn echtgenote. Pas na haar overlijden kwamen de drie kinderen. De oudste zoon Thomas (geboren in 1769 aldus slechts 15 jaar) regelde via een beheerder/notaris in een akte de voogdij van de zonen van John Hope (naast Thomas, Adrian Elias en Henry Philippe) die wordt overgedragen aan zijn moeder Philippina Barbara van der Hoeven, en na diens overlijden de oom Henry Hope (en bij diens dood overgedragen aan diens aangenomen adoptiefzoon John Williams Hope) (Stadsarchief Amsterdam).

Jarenlang is op basis van één onjuiste bron van de Gentse bouwmeester Pierre Jacques Goetghebuer ten onrechte aangenomen dat de Italiaan Michel (de) Triquetti (1748-1821), consul van Sardinië, de architect was van het in neoclassicistische stijl Italiaans aandoende gebouw ‘Welgelegen’ en aannemer J.B.Dubois uit Dendermonde als aannemer. (1). Het archief van de bouw en een maquette, op een schilderij van Benjamin West afgebeeld, had Henry Hope naar Engeland meeverhuisd en is vrij zeker verloren gegaan. Pas in 2007 werd in het Hope-archief (Stadsarchief Amsterdam) ontdekt  dat stadsbouwmeester Abraham van der Hart (1747-1820) in  februari 1785 [= begin van de bouw van Welgelegen] een betaling ontving van Henry Hope van 3.600 gulden. Er volgden nog 4  betalingen, de laatste in oktober 1790. In de periode van de bouw zijn geen andere projecten van Van der Hart bekend.

(1) In het standaardwerk ‘Paviljoen Welgelegen’ uit 1989 is een apart hoofdstuk gewijd aan Triquetti, alias Michel baron de Triquetti, welke informatie sinds bekend is geworden dat Abraham van der Hart de bouwmeester was, voor zover Paviljoen Welgelegen betreft, als volstrekt onjuist moet worden beschouwd.

Prent (ets en aquatint) van Paviljoen Welgelegen uit de collectie van P.J.Goetghebuer, Gent, 1825 (NHA).

In 1825 verscheen in Gent het plaatwerk ‘Verzameling der merkwaardigste gebouwen in het Koninkrijk der Nederlanden’ door de architect J.Goetghebuer. Uit de regio Haarlem bevat het twee aquatinten van 1) ‘Pavillon de Haarlem’ met op een tweede blad een plattegrond, 20 Maison de Campagne prède Haarlem = de in 1793/94 onder Heemstede gebouwde villa Eindenhout, op hetzelfde blad is een plattegrond afgebeeld. A.G.van der Steur voegt hieraan in zijn ‘Harlemiana Illustrata’ aan toe: ‘Uit de catalogus van de Nijverheidstentoonstelling die in 1825 in Haarlem werd gehouden blijkt dat het boek sedert 1820 in afleveringen verscheen en dat het uit het Frans werd vertaald. De originele Franse editie verscheen, met een titelpagina waarop het jaartal 1827, als: “Choix des monuments, édifices et maisons les plus remarquables du Royaume des Pays Pas”. Beide werken komen zowel voor met ongekleurde en met handgekleurde platen’.  Aan Goetghebuer is het te wijten dat jarenlang ten onrechte is gepubliceerd dat de Triquetti als architect en Dumont (als aannemer) ‘Welgelegen’ hebben gebouwd.

de aquatint van Goertghebuer in voornoemd boek

idem de plattegrond door Goetghebuer  van Welgelegen: ‘Plan du Pavillon d’Haarlem’

In het witgepleisterd pand, Keizersgracht 444-446, bevond zich het bankiers- en handelshuis Hope & Co. Aan de bovengevel, het wapen van de Hope’s. In de 20ste eeuw was hier vanaf 1919 tot 2007 de centrale van de openbare bibliotheek gevestigd. In het bruine huis links daarvan, nummer 448, resideerde vrijgezel Henry Hope.

Detail voorgevel bankiershuis Hope & Co. (Erfgoed)

Detail ramenpartij vm. bankiers- en koopmanshuis Hope & Co Keizersgracht 444 (Erfgoed)

Detail topgeven Hope & Co Amsterdam (Erfgoed), Keizersgracht 446

Na de Hope’s was in de 19e eeuw in het monumentale bouwwerk aan de Keizersgracht 444-4346 het kantoor gehuisvest van de gemeentegasfabrieken Amsterdam (tekening van P.J.Boerma uit 19109). Na een verbouwing vestigde zich hier in 1919 de openbare bibliotheek.

folder

folder van 2 tentoonstellingen (en boeken) in Teylers Museum en Frans Halsmuseum met Paviljoen Welgelegen en het neo-classicisme als onderwerp. Een bijschrift invoeren

 

museum2

in 1959 organiseerde het Rijksmuseum in Amsterdam een expositie gewijd aan Paviljoen Welgelegen: Haarlem een koninklijke residentie. In 1808 kocht Lodewijk Napoleon van John Williams Hope Welgelegen voor  300.000 gulden  en een jaar later van het Haarlemse stadsbestuur de grond achter zijn verworven ‘paleis’ tot aan de Baan (het tegenwoordige Frederikspark incluis), ooit – in 1389 – door hertog Albrecht van Beieren aan de Haarlemse jeugd gegeven al speelplaats “ten eeuwigen dage”. De koning was van plan hier een botanische tuin  te stichten, maar mede vanwege zijn vroegtijdig vertrek is dat plan niet gerealiseerd. Koning Lodewijk Napoleon tekende 1 juli 1810 in het Paviljoen zijn troonsafstand (formeel ten gunste van zijn zoon, maar in werkelijkheid werd zijn broer de keizer de baas). In het holst van de nacht verliet de geabdiceerde koning Haarlem en Holland voor goed. Hij riep nog in het gebrekkig Nederlands dat hij o.a. van Bilderdijk had geleerd:  ‘Vaar wel Olland’. Bij zijn overhaaste vertrek zou hij zijn voet hebben verstuikt over een verkeerd liggende plank. Met de inlijving van ons land is Welgelegen geconfisceerd door Napoleon Bonaparte. In 1814 is de keizer verslagen in Waterloo en verbannen naar Sint Helena. In 1815 is Welgelegen, intussen geconfisceerd Nederlands bezit, afgestaan aan prinses Wilhelmina van Pruisen, weduwe van stadhouder Willem V. Zij bleef hier tot haar overlijden in 1820 wonen.

Ingekleurde gravure van Welgelegen, buitenhuis van Henry Hope,  door de Zwitser Christian von Mechel (1737-1817) uit 1792 naareentekening van H.P.Schouten uit 1791 (Mellon Art Collection Yale University New Haven)

Gestimuleerd door zijn oom Adrian Hope (1709-1781) en neef John was Henry Hope kunst gaan verzamelen. In 1771  kochten zij gezamenlijk de collectie van de Rotterdammers Jan en Pieter Bisschop, beiden Mennoniet ofwel Doopsgezind, die na het overlijden van John Hope in 1784 bij zijn neef Henry Hope terecht kwam en in 1794 meeverhuisde naar Londen.

Tekening door Aert Schouman uit 1736 van de Doopsgezinde garenhandelaren enkunstverzamelaars Jan Bisschop en Pieter Bisschop uit Rotterdam.

Uit artikel over collectie broers Jan Bisschop (1680-1771) en Pieter Bisschop (1691-1783) en aankoop door Adriaan Hope en diens neef John Hope voor ƒ 65.000,- Hope (De Zondagsbode, Doopsgezind weekblad jrg. 1905-1906). De bij legaat in 1771 ontvangen schelpenverzameling schonk Jan Hope in 1772 aan de Maatschappij voor Wetenschappen en uiteindelijk opgenomen in Teyler’s Museum. Zie de publicatie: ‘Het verdwenen museum;Natuurhistorische verzamelingen 1750-1850’.

In ‘Geschiedenis der van Vaderlandsche schilderkunst’, deel III, 1820, schrijven Roeland van Eijnden en Adriaan van der Willigen: ‘Minder uitgebreid, maar nogtans rijk en keurig, was het beroemde Kabinet Schilderijen, Teekeningen, Prenten en Kunstwerken van de gebroeders Bisschop te Rotterdam. De Schilderijen bestonden in honderd en zeventig stukken, waaronder zich voorname Werken van de beroemdste Meesters der Hollandsche Schole bevonden, als van den ridder Van der Werf, Gerard ter Burg, Gabriël Metzu, Jan van Huisem, en anderen. Deze kostbare Verzameling is bij beschikking, van uiterste wille, na het overlijden van en langstlevenden der gebroeders, overgegaan in de bezitting van den heer Hope, wiens uitgebreide kunstverzameling daarmede aanmerkelijk verbeterd werd; terwijl de Teekeningen, Prenten en kunstwerken in het openbaar zijn verkocht te Rotterdam, in den zomer des jaars 1771, voor eene somme van veertien duizend negen en negentig guldens en zes stuivers.’  

5 en 6 juni 1771 is door Reinier Arrenberg in Rotterdam blijkens de catalogus geveild ‘Een uitmuntende verzameling van boeken en prentwerken, onder welken verscheiden kostbare en zeldzame stukken gevonden worden, nagelaten door den Heer Jan Bisschop’. De opbrengst bedroeg 10.577 gulden. Ten slotte zijn op 15 juli en volgende dagen in het huis van Bisschop op de oostzijde van de Leuvehaven door Constant & Fils: ‘Beroemde kostbaarheden nagelaten door den Heer Jan Bisschop’. 

Schouman

Schilderij van Aert Schouman, gedateerd 1753, met de gebroeders Pieter Bisschop (1690-1758) en Jan Bisschop (1680-1771), garenkopers en verzamelaars, met rechts hun vriend Olivier van Vlierden Hope (1731-1783). Het doek kwam in 1771 in bezit van John Hope en is tegenwoordig spoorloos.

N het overlijden van megaverzamelaar Jan Bisschop in 1771 te Rotterdam zijn dat jaar diverse advertenties van veilingverkopen verschenen; een selectie  [de totale opbrengst zou meer dan een half miljoen gulden hebben opgebracht]. 

portret van Jan Bisschop door Gerard Sanders, in Schielandshuis Rotterdam (RKD)

veiling collecties Bisschop (Oprechte Haerlemsche Courant, 2 mei 1771)

(Oprechte Haerlemsche Courant, 16 mei 1771)

(advertentie auctie Bisschop, uit Amsterdamse Courant, 30 mei 1771)

(adv. boeken- en prentenveiling in Oprechte Haerlemsche Courant, 1 juni 1771)

adv. veiling Bisschop, uit Leydse Courant van 12 juli 1771)

betimmering rococohuis, 1761, uit het huis van Jan en Pieter Bisschop aan de Leuvehaven, tegenwoordig in stijlkamer van Museum Boymans Rotterdam

plafondschildering met een voorstelling van Minerva en Abundentia, toegeschreven aan Dionys van Nijmegen,1761, afkomstig uit het huis van de broers Bisschop aan de Leuvehaven. Tegenwoordig aanwezig in het Schielandshuis te Rotterdam

portret van Jan Bisschop als pop, in 1955 vervaardigd voor poppenhuis Bisschop in Museum Boymans

=================

Adrian Hope (1709-1781), oom van John Hope. Beiden waren kunstverzamelaars, die samen collecties aankochten zoals die van de gebroeders Bisschop uit Rotterdam. Bovenstaand portret is In 1763 vervaardigd door Cosmo Alexander (1704-1772) en aanwezig in National Galleries Scotland te Edinburgh.

Henry Hope kocht zelf een kostbare schilderijencollectie Van markies de Voyer in Parijs met  veel Italiaanse meesters. Daarnaast beschikte hij over werken van zowel Engelse als Nederlandse oude meesters (1). In 1794 is Henry Hope, lange tijd als bankier neutraal, naar Engeland -het land van zijn voorvaderen – teruggekeerd, duidelijk kiezend voor de Orangisten – meermaals is de prins van Oranje bij hem op bezoek geweest – en om de te verwachten Franse bezetting voor te zijn. Vanuit Engeland zette hij zijn bankactiviteiten in Amsterdam en Londen voort. Met zijn vertrek nam hij ook alle roerende kunstwerken – met uitzondering van enkele schilderingen en beelden  waaronder de Laocoön (2) – evenals zijn bibliotheek en het archief mee naar Engeland. Henry Hope kocht een pand in Harley Street van zijn Schotse verwant Lord Hopetown en liet een vleugel aan dat huis bouwen voor zijn kunstcollectie. Verder kocht hij het landgoed Deepdene. Tot 1807 bleef ‘Welgelegen’, gebouwd op de plaats van een eerder door Henry Hope verworven gelijknamige hofstede, eigenaar van het buitenhuis. In 1807 verkocht hij de hofstede aan zijn adoptiefzoon John Williams Hope (1754-1813), die in 1782 was getrouwd met Ann Goddard, de oudste dochter van Henry’s zuster – onder de naam Hope opgenomen binnen de firma Hope & Co – Laatstgenoemde verkocht hofstede en toehoren een jaar later voor ƒ 330.000,- aan koning Lodewijk Napoleon, broer van de Franse Keizer die Welgelegen als paleis aanwendde, sindsdien aangeduid als Paviljoen Welgelegen.

Portret van Anne Williams Hope-Goddard (1736-1820) door Angelica Kaufmann (1741-1807). Collectie bank Mees & Hope (Stichting Onderneming & Kunst. Amsterdam, 1991), pagina 42)

Portret in aquarel van John Williams Hope, door Richard Conway, april 1910 geveild door Sotheby’s.

Portret van John Williams Hope (1737-1813) door Angelica Kaufmann (1741-1807) Collectie bank Mees & Hope (Stichting Onderneming & Kunst, 1991, pagina 43)

pendantportretten van John Williams Hope (1737-1813) en zijn echtgenote Ann Goddard (1736-1820), door Angelica Kauffmann (1741-1807). [waren aanwezig bij de bank Mees & Hope, Amsterdam].

In tegenstelling tot zijn familieleden Hope die voor de Franse bezetting naar Engeland waren gevlucht, was John Williams Hope  in Amsterdam als firmant van de bank Hope & Co achtergebleven. In  1810 keerde Lodewijk Napoleon na een conflict met zijn broer terug naar Parijs.  Na vertrek van de Franse troepen viel Wegelegen als vijandig bezit toe aan het Koninkrijk der Nederlanden. Juni 1814 is het Paviljoen tot 1820  in bruikleen overgedragen aan de moeder van koning Willem 1, prinses  Wilhelmina van Pruisen.  Henry Hope is niet getrouwd geweest en liet dan ook geen kinderen na. De kunstverzamelingen van Henry Hope zijn ten dele al voor 1811 maar vooral daarna in een aantal aucties  geveild en verder zijn de al genoemde adoptief zoon John Williams Hope en Thomas Hope, de oudste zoon van John Hope, de belangrijkste erfgename geweest. Laatstgenoemde behoorde in zijn tijd tot de meest vermogende Britten. Na de dood van John Williams Hope in 1814 verkochten de erfgenamen de Hope-bank aan Alexander Baring.

Portret van Alexander Baring (1774-1848), zwager van Labouchère, en firmant bij Hope & Co sinds 1807. Toen Henry Hope in 1811 overleed is de naam van het Engelse bankbedrijf van Hope & Co gewijzigd in Baring Brothers & Co. Toen Baring in 1813 de bank Hope & Co overnam overleed Henry Hope in dat jaar kinderloos en ontvingen de drie zonen van de in 1784 overleden John Hope als aandeelhouders kapitale bedragen.

Pierre Cesar Labouchere werd een bekende firmant van de bank die uiteindelijk in 1962 fuseerde met de Rotterdamse bank Mees en onder de naam ‘Mees en Hope’ tot ver in de vorige eeuw nog bankfilialen had in o.a. Haarlem, totdat in 1975 het doek viel na overname door de Algemene Bank Nederland.

schilderij door Adriaan Kruseman uit circa 1850 van Adriaan van der Hoop (1778-1854), bankier,politicus en kunstverzamelaar.

Alexander Baring nam Adriaan van der Hoop in de leiding van Hope & Co en hij werd later directeur van de bank en daarmee schatrijk. Ook hij verzamelde kunstwerken, vooral schilderijen. Bij zijn overlijden liet hij 250 schilderijen na aan de stad, tot 1885 als Museum van der Hoop tentoongesteld in de ruimten van de Akademie in het Oudemannenhuis.  Daarmee is hij grondlegger geworden van de schilderijencollectie van het Rijksmuseum.  Een kleiner deel is in het Historisch Museum Amsterdam terecht gekomen. In zijn bezit waren topstukken zoals ‘Het Joodse bruidje’ van Rembrandt, ‘Brieflezende vrouw’ van Johannes Vermeer en ‘de molen bij  Wijk van Duurstede’ door Jacob van Ruisdael.

Nota Bene. Vanwege een verkeerde beschrijving – de archieftekeningen en een maquette van Welgelegen waren door Henry Hope naar Engeland meegenomen – is lange tijd ten onrechte verondersteld dat de consul van Sardinië Michel de Tiquetti (1748-1821) architect was van het in neoclassicistische bouwwerk is geweest (3). Pas in 2007 doken in het Amsterdamse Hope-archief betalingen van 1785 tot de voltooiing in 1790 op, aan bouwmeester Abraham van der Hart. Nog geen vijf  jaar heeft Henry Hope van zijn buiten in de Haarlemmerhout kunnen genieten.

(1) Van de Italiaanse meesters bezat Henry Hope werken van o.a. Anniballe Carracci, Michelangelo, Perugino en Rafaël; van De Hollandse schilders werk van Ludolf Backhuysen, Govert Flinck, Ferdinand Bol, Frans Hals en Adriaan van der Werf; van de Engelse kunstenaars schilderijen van Gavin Hamilton, Benjamin West, Guy Head en Jacob More. Voor de schilderijencollectie van Henry Hope wordt verwezen naar een bijdrage van M.Schreuder, als bijlage III, in het boek ‘Paviljoen Welgelegen 1789-1989; van buitenplaats van de bankier Hope tot zetel van de provincie Noord-Holland(Haarlem, Schuyt & Co, 1989), die ook verwijst naar een uitvoerig artikel van dr.J.W.Niemeijer: ‘De kunstverzameling van John Hope (1737-1784), in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 1981 32 (1982), p. 127-223.

(2) Gebleven zijn ook in het trappenhuis drie grote schilderingen van de met stucwerk gedecoreerde wanden. Voorstellende Guido Reni’s ‘Phaëton de zonnewagen besturend’, verder een kopie van een fresco van Annibale Carracci: ‘Het huwelijk van Bacchus en Ariadne’. Van het schilderij naast de kamer van de commissaris is de oorspronkelijk schilder, naar wie het gekopieerd is, onbekend. Het stelt één van de twaalf werken van Heracles voor: ‘Het verscheuren van de Memeïsche leeuw’. Deze allegorische ofwel symbolische schilderingen, vervaardigd door Guy Head zijn de enige werken op doek die nog resteren uit de Hope-verzameling. In de binnentuin van Welgelegen stonden nog tot november 2005 zeven loden beelden, in 1780 in opdracht van Hope vervaardigd door de Romeinse beeldhouwer en metaalgieter Francesco Righetti (1749-1819). In 2009 zijn 3 Righetti-beelden als bronzen replica’s teruggekeerd naar de tuin: Euterpe, Apollo en Amphelos. Aan de zijkant van het gebouw staan voorts twee beeldengroepen, vervaardigd in  de stijl van Lorenzo Bernini: voorstellende Apollo en Daphne, naast Prosperino en Pluto. In de tuin vinden we veder afgietsels van Eros ofwel Amor met boog en Ganymedes. Andere door Righetti geleverde afgietsels zijn in de loop van de tijd verloren gegaan,te weten van Venus, Mercurius, Antonious, de heilige Susanna, Bacchus, Bacchus en een faun, Papyrius en zijn moeder

 

replica

replica van de loden Laocoön-groep (door Righetti naar het imposante beeld in het Vaticaan  daterend uit omstreeks 160 en 130 voor Christus) voor het Provinciehuis Welgelegen in Haarlem (Replique)

achtergevel van paviljoen Welgelegen in Haarlem

De loden beelden van Righetti bij het Provinciehuis zijn intussen vervangen door kopieën, de originelen bevinden zich in het Rijksmuseum te Amsterdam

Een van de loden beelden uit de tijd van Henry Hope op Welgelegen (Replique)

het beeld van Apollo bij het Provinciehuis (Replique)

loden beeld (replica) van Euterpe bij Welgelegen (Replique)

Loden beeld door Francco Righetti: kopie naar het antieke beeld van Bacchus en Amphelos, vervaardigd in opdracht van Henry Hope

Bronzen replica van Ganymedes met adelaar’naar het loden beeld van Righetti uit 1787

Aan de bovenzijde van Welgelegen zijn enkele beeldengroepjes aangebracht. Bovenstaand de ‘architectuur’ verbeeldende. Daarnaast bestaan deze van de ‘schilderkunst’, ‘muziek’ en de ‘beeldhouwkunst’. De putti zijn vervaardigd door Godecharlie.

beeldengroep ‘Schilderkunst’ door GiIlles Lambert Godecharle (uit: De Kunstcollectie van de provincie Noord-Holland)

marmer, imitatiemarmer en houtsnijwerk in trappenhuis (uit: Paviljoen Welgelegen van Gerrit Bosch)

In 1789 liet Hope bovendien de gevel verfraaien met beelden van de Zuidnederlandse beeldhouwer Godecharles: personificaties van ‘Contemplatio'(links) en ‘Meditatio'(rechts)

Behalve beelden heeft Henry Hope gelukkig ook nog drie grote schilderijen in het trappenhuis achtergelaten, zoals een voorstelling van de bruiloft van Bacchus en Adriadne, zijnde een kopie van een plafondschildering van de Italiaanse kunstenaar Annibale Caracci (1555-1619). Niet voorkomende in een inventarislijst bleef de maker van deze kopie onbekend.

Triomftocht van Bacchus (detail), 1 van de 3 childeringen door Guy Head (1753-1800_ in 1785-1787 in opdracht van Henry Heope vervaardigd en in 1794 bij de verhuizing naar Londen achtergebleven op Welgelegen (foto uit Paviljoen Welgelegen buitenplaats, museum en provinciehuis)

Stucpanelen in de voormalihe muzieksalon vn Henry Hope, tegenwoordig vergaderzaal van het gedeputeerde staten, voorstellende ‘Zonsopgang’ en ‘De volle zon’. (uit boek Gerrit Bosch)

restauratie van een parketvloet op de bel-etage, een Escherachtig ontwerp avant la date

Venus met de schelp is een marmeren beeld van Gilles Lambert Godecharles

doorzicht bovenverdieping van  Welgelegen waar de schilderijen van Henry Hope waren tentoongersteld

stucwerkwerk met grisalle in Welgelegen (nu Provinciehuis)

Neoclassicisme en Empire in Paviljoen Welgelegen

(3) Als onjuiste bron is tot 2007 uitgegaan van de naam Triquetti, consul van Sardinië,  als vermelding van architect – en ene Vlaming Dumont als aannemer – door de Gentse architect P.J.Goetghebuer in diens ‘Choix des Monuments, Edifices et Maisons les plus remarquables du Royaume des Pays-Bas (1827). Of hij die naam fantaseerde dan wel als onjuiste bron van een onbekende ontving blijft onduidelijk.

 

loosjes1

In zijn boek ‘Hollands Arkadia” van Adriaan Loosjes Pzn. (1804) beschrijft hij ‘het huis van Hope langs de Baan met een pragtig veroon’. In de derde wandeling gaat Loosjes uitvoeriger in op het huis en Hope, zonder vermelding van wie de architect is geweest van ‘Welgelegen’.

frontispice boek Het Hout of boschgedachten; door Adriaan Loosjes, 1793, met een afbeelding van het gezicht op Welgelegen van Henry Hope vanuit de Haarlemmerhout

 

Loosjes2

vervolg van A.Loosjes uit ‘Hollands Arkadia’ uit 1804.

=======================

 

De koepel van Groenendaal in wintertooi, in 1970 wegens bouwvalligheid gesloopt. Het was een restant van het in 1740 voor J.Ph. d’Orville gebouwde herenhuis van Groenendaal, en is na aankoop in 1767 door John Hope omstreeks 1787 gesloopt nadat het nabijgelegen huis Bosbeek werd aangekocht (en John Hope overleden). Van het oorspronkelijke huis zijn geen tekeningen overgeleverd noch prenten vervaardigd.

Kasteel Nederhorst in Nederhorst den Berg, tegenwoordig gemeente Wijdemeren. John Hope is door aankoop in 1774 eigenaar en tevens ambachtsheer van Nederhorst den Berg geworden, dankzij aankoop van Heer Jan Arend Godard baron de Vos van Steenwijk. Bij zijn overlijden liet hij het kasteel na aan drie zonen, van wie Thomas als oudste de leeneed wegens het huis aflegde. Nadat de Hope’s in 1794 uitweken naar Engeland is het beheer overgelaten aan de predikant Henricus Rappardus die na aankoop in 1803 eigenaar is geworden. Zie: J.Krol, De geschiedenis van Nederhorst den Berg. Alphen aan den Rijn, Samsom,1949; heruitgegeven door Gijsbers & van Loon in Arnhem. Naast Nederhorst den Berg kocht Hope bovendien in het land van Putten (Zuid-Holland) het ambacht Gravenambacht, dat eerder had tobehoord aan o.a. de oud-burgemeester van Tholen mr.Cornelis Willem Blankert.

Aangenomen wordt dat John Hope uitsluitend kocht om zich Heer van Nederhorst de kunnen noemen. Enige activiteit van hem in kasteel Nederhorst of de plaats in niet bekend. In 1690 heeft zoon Thomas Hope als erfgenaam een kerkklok geschonken toen Henricus Rappardus, die na het uitwijken naar Engeland in 1894 het beheer voerde, het kasteel in 1803 zou kopen (tot 1807), is de klok geplaatst met het volgende randschrift in versvorm, vermoedelijk van de hand van : ‘Mijn schoon geluid, wel eer verloren, Doch nu door Hope’s huis gerboren, Was wel Sankt Thomas toegewijd, Maar zal nu voor den Godsdienst strekken, Om ieder tot zijn plicht te wekken, So wel in Druk als vreugdens tijt.’

De broers Thomas en Adrian Elias Hope [later eigemaar van Bosbeek tot 1834], met rechts hun Schotse neef John Hope. Schilderij uit 1773 door Willem Joseph Laquy (738-1798). In bezit van de Hertog van Newcastle

De jonge broers Thomas en Adrian Elias Hope [later eigenaar van Bosbeek tot 1834] – de jongste broer Henry Philip was nog niet geboren –  met rechts hun Schotse neef John Hope in gezelschap van een Deense dog met halsband en opschrift ‘I.Hope”.  Schilderij uit 1772 of 1773  door Willem Joseph Laquy (1738-1798). In bezit van de Hertog van Newcastle

(c) National Galleries of Scotland; Supplied by The Public Catalogue Foundation. De Schotse neef John Hope (1785-1836) verkoos een loopbaan in het Britse leger en bracht het tot luitenant-generaal. Hij logeerde o.a. 1776 enkele maanden bij zijn Hollandse familie en zijn tante mevrouw Hope-van der Hoeven bedacht hem in haar testament met een legaat van 10.000 gulden.

Thomas Hope (1769-1831), oudste zoon van John Hope werd geboren in Amsterdam en bracht zijn jeugd door wisselend aan de Keizersgracht en zomers in het landhuis Groenendaal. Na het overlijden van zijn moeder in 1794 keerde hij terug naar het land van zijn voorouders Engeland, zette het verzamelen van zijn vader voort en vestigde zich uiteindelijk in Deepdene, Surrey. Op dit schilderij van Jacques Henri Sablet (1749-1903) is hij als cricketer afgebeeld in de omgeving van Venetië

Thomas Hope (1769-1830/1831), oudste zoon van John Hope werd geboren in Amsterdam en ook aldaar overleden.  Hij bracht zijn jeugd door wisselend aan de Keizersgracht en zomers in het landhuis Groenendaal. Als volwassene bewoonde hij met zijn broer Adrian Elias in het pand van zijn vader aan de Herengracht bij de Vijzelstraat, waar hij 7 paarden hield en 2 koetsen.Na het overlijden van zijn moeder  keerde hij in 1794 terug naar het land van zijn voorouders Engeland, zette het verzamelen van zijn vader voort, en kocht Duchess House in 1799. 16 april 1806 trouwde hij met Louisa Beresford. Ten slotte vestigde hij zich in Deepdene, Surrey, dat hij erfde van zijn oom Henry Hope.  Op dit schilderij van Jacques Henri Sablet (1749-1903) is hij als cricketer afgebeeld met enkele andere heren van stand in de omgeving van Venetië. [Volgens een andere bron zou het doek in 1792 door de zoon François Sablet in Rome zijn geschilderd]. Eigendom van Lords Cricket Gallery, Marlybone Cricket Club, London.  Behalve als verzamelaar bekend was hij een talentvol en invloedrijk ontwerper van interieurs en kunstnijverheidsproducten zoals stoelen, vazen etcetera.

cricketbadge met beeltenis van Thomas Hope, toegeschreven aan Jacques Henri Saillet

Stempel met wapen(-spreuk) van Thomas Hope

Thomas Hope reisde veel door Europa om zijn kunstverzameling uit te breiden. Op een doek uit 1798 van William Beechley is hij in Oriëntaalse kledij afgebeeld.

Thomas Hope reisde veel door Europa, Afrika en Azië, vooral naar het Nabije Oosten om inspiratie op te doen voor zijn creatieve werk als ontwerper en om zijn kunstverzameling uit te breiden. Op een doek uit 1798 van William Beechley is hij in Oriëntaalse kledij bij de Eyup-moskee in Istanbul afgebeeld.

De creatieve en veelzijdige Thomas Hope was ook auteur van o.a. ‘Designs of Modern Costumes’ (1812) en ‘A historical essay on architecture (postuum verschenen in 1835). In 1819 voltooide hij een roman: ‘Anastasius’ waarvan enkele herdrukken en vertalingen in het Frans, Duits en Nederlands zijn uitgekomen. Aanvankelijk anoniem gepubliceerd werd het door literaire critici toegeschreven aan de letterkundige Lord Byron

overlijdensbericht van Thomas Hope, 1831

Geschilderd portret van de echtgenote van Thomas Hope, Louisa Beresford met wie hij in 1806 trouwde en vervolgens Deepdene verwierf om zijn enorme collectie schilderijen, beeldhouwwerken en andere kunstvoorwerpen in onder te brengen

 

Alexander, Cosmo, 1724-1772; Mrs Thomas Hope

portret van Louisa de la Poer Beresford (1783-18510. Zij trouwde in 1806 met Thomas Hope. Het echtpaar kreeg 3 zonen: 1) Henry Thomas Hope, 2) Adrian John Hope, en 3) Alexander James Bereford Hope. Na het overlijden van Thomas Hope hertrouwde zij in 1832 met haar neef Willian Carr  Viscount Beresford.

 

gravure van Louisa Beresford Hope (1783-1851) door Edward Scrivers, 1830 (National Portait Gallery London)

 

beresford2

overlijdensbericht 1851

 

In 1799 kocht Thomas Hope (1769-1831), verzamelaar, reiziger en ontwerper/architect) Duchess House in Londen, waar hij zijn schilderijenverzameling onderbracht, waaronder veel Nederlandse/Vlaamse meesters. Aquarel van het interieur door Robert William Billings

Een van de oudheden door Thomas Hope tijdens zijn reizen verworven, het beeld van de god van de wijn Dionysius met een jonge vrouw, gedateerd tussen circa 27 voor en 50 na Christus. De sculptuur bevindt zich nu in het Metropolitan Museum of Art

plattegrond van Deepdene estate

In park Deepdene bevindt zich nog een oude bank met de wapenspreuk van de Hope’s: ‘At spes non fracta’ = nog is de hoop niet verloren. (foto uit 1990)

Het mausoleum in park Deepdene (na een grondige restauratie)  waar Thomas Hope, zijn echtgenote en verscheidene nazaten zijn begraven

foto van het interieur van het Thomas Hope mausoleum (credits: Alexander Bagnoll)

 

Voorgevel van Duchess House in Duchess Street. Londen. Op later leeftijd zou Thomas Hope zich vestigen in Deepdene-castle nabij Dorking in graafschap Surrey. Hij bleef ‘still vennoot’ in de firma Hope.

Wapen en spreuk van At Spes Non Fracta van Thomas Hope

thomas1

Thomas Hope was een talenrijk ontwerper van allerlei voorwerpen, vaak in oriëntaalse stijl. Bovenstaand twee op het oude Egypte geïnspireerde stoelen.

 

Thomas2

Thomas Hope (1769-1831). Klok in Egyptische stijl in verguld brons en Marmer. Aanwezig in The Royal Pavillon, Brighton [was te zien in de Teylers expositie van 2008]

Thomas3

Thomas Hope: sofa in Egyptische stijl. 1802. Zwart gekleurd en verguld beukenhout, brons, verguld koper en zijde. Aanwezig in The Powerhouse Museum, Sydney, Autralië

De familie Hope kwam oorspronkelijk uit Schotland. Onder John en Henry Hope (neven van elkaar) groeide het bankiershuis Hope in Amsterdam uit tot één van de grootste banken van de wereld.

Reidentie van het bankiers- en handelshuis Hope & Co aan de Keizersgracht (444-446). In 1761 opgericht door Thomas Hope damen met zijn zonen John en Henry Hope. Van 1919 tot 2007 was in het gebouw de centrale openbare bibliotheek van Amsterdam gevestigd. na een felle brand in de nacht van 12 op 13 juli 2011 is het monumentale pand gerestaureerd.

Residentie van het bankiers- en handelshuis Hope & Co aan de Keizersgracht (444-446). In 1761 in Amsterdam opgericht door Thomas Hope samen met zijn zonen John en Henry Hope. Belangrijkste bankiers zijn John Hope en diens neef Henry Hope geweest. Eerstgenoemde overleed in 1784. Tien jaar later vertrok Henry Hope naar Engeland en zijn de gescheiden bankzaken zowell in Londen als Amsterdam voortgezet. In 1802 is P.C.Labouchere in Amsterdam als firmant benoemd. Van 1919 tot 2007 was in het gebouw de centrale openbare bibliotheek van Amsterdam gevestigd. Na een felle brand in de nacht van 12 op 13 juli 2011 is het monumentale pand gerestaureerd. Thans is hier een hotel gehuisvest. Hope & Co werd overigens al in 1726 te Rotterdam gesticht door de broers Thomas Hope (1704-1779) en Archibald Hope Jr. (1698-1734).

De twee pakhuizen Kerkkroon A en B, Prinsengracht 659-661 te Amsterdam waar de handelswaar van het aanvankelijke koopmanshuis van de firma Hope werd opgeslagen

 

John

Vooromslag van een in 2010 verschenen publicatie in relatie tot de bank Hope en de tabakshandel. De Schotse koopman en publicist John Hope (1739-1785) was een neef van John Hope (1737-1784),  de Amsterdamse bankier van Hope & Co.

 

Voorbeeld van een aandeel uit 1804 van de Amsterdamse banken Hope & Co, R. en T.de Smeth en W. en .Willink, ten bedrage van vierhonderd dollar om de aankoop van Louisiana in de Verenigde Staten te financieren

Overzicht van het kapitaal van Hope & Co. Uit: M.G.Buist. At spes non fracta Hope & Co 1770-1815. 1974

Wat de Hope’s als bankiers in de 18e gold is vergelijkbaar met de Rotschilds’ in de 19e eeuw (uit: The Rise of Capitalism in Amsterdam)

met Van Ketwich Vroomberg en de weduwe Borski zijn de bankactiviteiten van Hope & Co in de 19e eeuw voortgezet

certificaat groot 100 dollar Verenigde Staten, 1824/1842 (Catawiki)

Met leningen aan tsaristisch Rusland zijn incidenteel verliezen gemaakt maar vooral ook grote winsten behaald. Bovenstaand een certficaat voor 500 roebel uit 1901. Hope & Co. financierde voor tsarina Catharina de door Rusland gevoerde oorlog tegen het Ottomaanse rijk. In 1793 heeft Robert Voûte zich als vertegenwoordiger van de Hope bank in Rusland gevestigd. In 1797 wist hij dat de Poolse leningen die in gevaar waren gebracht nadat Rusland een deel van Polen had ingelijfd door de Russen zijn overgenomen. Onder tsaar Alexander 1 kwam de aflossing van de staatsschuld vrijwel tot stilstand, maar na de overwinning op Napoleon en bezoek van de tsaar aan Amsterdam in 1814  en het Wener Congres van 1815 is een regeling getroffen. Tot 1917 heeft Hope & Co zijn activiteiten met Rusland voortgezet. Na de communistische revolutie kwam een abrupt einde aan de aflossing van leningen en moest Hope en Co een schuld van 25 miljoen gulden die de tsaar aan de bank nog had uitstaan als verliespost worden afgeschreven.

anoniem portret van Robert Voûte (1747-1823), vertegenwoordiger van Hope & Co in Rusland (Voûte Vereniging)

Uitgerekend is dat alleen al aan de Russische tsaren een bedag van 88 miljoen gulden is geleend, inclusief 17 miljoen aan tsarina Catharina de Grote. Met de Barings bank in Londen leende Hope in 1803 een bedrag van 15 miljoen dollar, dat de jonge Verenigde Staten aan Frankrijk moest betalen voor aankoop van het Louisiana Territorium – een gebied van ruim 2 miljoen vierkante kilometer, zo’n dertien staten van de huidige Verenigde Staten omvattende. In 1764 heeft de schatrijke bankier, tevens kunstverzamelaar, John Hope (neef en compagnon van Henry Hope) het buiten Groenendaal in Heemstede aangekocht. In 1781 liet hij op zijn buitenplaats door ingenieur Rhijnse Lieve Brouwer de eerste in Nederland gebouwde ‘vuurmachine’ ofwel stoommachine plaatsen. In 1784 volgde aankoop van het nabijgelegen Bosbeek en zijn beide landgoederen verenigd. Nog in hetzelfde dat jaar overleed John Hope en is het buitenhuis Bosbeek in de zomermaanden bewoond door de weduwe Philippina Barbara van der Hoeven totdat zij in 1789 in Den Haag kwam te overlijden. Het woonhuis van Groenendaal is in 1787 afgebroken met uitzondering van het middenstuk, de ‘koepel’, in het vervolg als tuinhuisje/theekoel aangewend.

Begin 1962 heeft de bank Hope & Co., formeel opgericht in 1762 met als firmanten de neven Henry en John Hope, het tweede eeuwfeest herdacht. In 1962 is Hope & Co gefuseerd met het (van oorsprong Rotterdamse )bankiershuis Mees en Zoon. Ten slotte in 1975 opgegaan in ABN, sinds 1991 ABNAMRO.

De kunstverzameling van John Hope is beschreven door dr.J.W.Niemeijer, terwijl kunsthistoricus en kunsthandlaar drs.M.Schreuder in het boek ‘Paviljoen Welgelegen 1789-1989’ (Haarlem, 1989) de volgende bijdragen verzorgde: ‘De kunstverzameling van Henry Hope’, p.93-122; bijlage III: ‘Schilderijencollectie van Henry Hope’. , p.206-228. In eerstgenoemde bijdrage schrijft Schreuder in de inleiding: ‘De schilderijenverzameling, het voornaamste onderdeel van de kunstcollectie van Henry Hope, is in het tweede decennium van de 19de eeuw uiteengevallen. De tenuitvoerlegging van een testamentaire bepaling van Henry Hope bracht met zich mee dat in een serie veilingen respectievelijk zijn schilderijen, de inboedel van zijn woning in Londen en zijn bibliotheek (1) door de erven te gelde werden gemaakt. In twee veilingen in Londen kwam het schilderijenbezit onder de hamer: op 6 juni 1811 werden 58, voornamelijk Vlaamse en Hollandse meesters geveild en van 27 tot en met 30 juni 1816 volgde de verkoop van de rest van de collectie; in drie dagen wisselden 286 schilderijen van eigenaar. Ook op de veiling van het ‘Household Furniture’ van 3 tot en met 17 juli 1816 werden nog enige schilderijen geveild, maar het betrof hier werken met een geringe marktwaarde’.  

(1) Vgl. cat. Hope, Henry, Esq., A Catalogue of the Elegant Library of Henry Hope, Esq. of Cavendish Square, deceased,comprising many Valuable Works in Natural and General History, Voyages and Travels, Philosophy, Arts and Sciences, and Miscallanious Literature; Splendid Books of Prints on Antiquities…which will be sold by auction by mr.Saunders – March 10th 1817 and five following days. London, 1817. 1252 items; geraadpleegd werd het exemplaar van de Newberry Library te Chicago’. 

Dit schilderij, 'het dansende paar' hing tot 1794 in Bosbeek, waarna het overging aar Henry Hope en naar Londen verhuisde. Thans aanwezig in de National Gallery of Art.

Dit schilderij, ‘het dansende paar’ hing tot 1794 in Bosbeek, waarna het overging naar Henry Hope en naar Londen verhuisde. Thans aanwezig in de National Gallery of Art.

Schilderij van Rembrandt uit 1633: Christus tijdens een storm op het meer van Genesareth, dat na 1771 het bezit was van John Hope en tot 1898 in bezit bleef van nazaten, totdat het is verkocht aan het Isabella Steward Gardner in Boston, alwaar het doek in 1990 met 12 andere kostbare kunstwerken is ontvreemd.

 

L12033_02

dubbelpaneel op hout met links een vrouw die een fazant toont en rechts een heer die een dame een tros druiven toont. Door Willem van Mieris, 1707.  Kwam in het bezit van de gebroeders Bisschop en in 1771 aangekocht aan Adrian Hope en diens neef John Hope. Na overlijden van Adrian en vervolgens John in bezit gekomen van de erfgenamen, de 3 zonen van John Hope, onder wie Henry Philip Hope. Het is in 1794, toen de Hope’s naar Engeland uitweken vanuit huize Bosbeek meegenomen naar Londen, waar het in bezit kwam van de neef van John Hope: Henry Hope. Na latere wisselingen kortgeleden bij Sotheby’s geveild en voor 193.250 Engelse pond gekocht door een particulier.

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Adriaen van Ostade, binnenplaatsje van een huis, 1673, vermoedelijk omgeving Haarlem. De provenance is als volgt: Adriaen Swalmius, in 1741 aankoop door Bisschop, in 1771 gekocht door Adrian en John Hope. Na overlijden van John Hope geërfd door zijn drie zonen. In 1794 via Henry Philip Hope vanuit huize Bosbeek verhuisd naar Londen en vervolgens in het bezit gekomen van Henry Hope. Tegenwoordig, na een schenking uit 1942, in eigendom van de National Gallery of Art in Washington, D.C.

Schilderij van Jan van der Heijden uit 1666, voorstellend een stadsgezicht Düsseldorff met de Sint Andreaskerk. Was in bezit van Jan Bisschop uit Rotterdam en is in 17777 gelegateerd aan John Hope. Bevindt zich nu in het Mauritshuis Den Haag.

 

Set van zeven zilveren zoutvaatjes, vervaardigd door de Amsterdamse zilversmit Johannes Schiotling in 1775 in opdracht van John Hope. Aan de binnenzijde is het Hope-familiewapen gegraveerd. De set wordt momenteel te koop aangeboden door John Endlich Antiquairs.

edelsmeedkunst in Rijksmuseum het zilverwerk door Schiotling vervaardigd in opdracht van John Hope (Leidsch Dagblad, 12-1-1977)

terrine van Schiotling voor John Hope met zijn wapen (Rijksmuseum Amsterdam)

zilveren bobeches (druppelvangers van brandende kaarsen) met de wapens van Hope en van zijn echtgenote van der Hoeven. Evenals o.a. zilveren kandelaars, vervaardigd door de Amsterdamse zilversmid Johannes Schiotling (Jacob J.Roosjen collectie)

(De Volkskrant, 15-1-1977)

Bestelling van John Hope bij Johannes Schiotling en het alliantiewapen van John Hope en Philippina Barbara van der Hoeven (Rijksmuseum)

Over de kunstverzameling van John Hope is om zijn precisie een indrukwekkende bijdrage verschenen van J.W.Niemeijer, opgenomen in het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 1981, deel 32 (Haarlem, 1982, p.127-230). Mede op basis van een inventarisatie uit 1795 [veel schilderijen bleken afkomstig van de overleden neef John Hope) en veilingcatalogi uit 1811 en 1816 is  de kunstcollectie van Henry Hope (bestaande uit Italiaanse, Engelse en Hollandse meesters) beschreven door drs. M.Schreuder, ‘Schilderijencollectie van Henry Hope’, in; Paviljoen Welgelegen 1789-1989; van buitenplaats van de bankier Hope tot zetel van de provincie Noord-Holland’. (Haarlem, Schuyt & Co., 1989).

Hope2

Wit-Marmeren schoorsteenmantel, naar ontwerp van prentkunstenaar en restorateur van antieken Piranesi, in 1761 door John Hope in Rome gekocht voor ƒ 400,-, onkosten inbegrepen. Na zijn overlijden opgesteld in de bibliotheek van het buitenhuis-museum Welgelegen van zijn neef Henry Hope Haarlem en tegenwoordig in bezit van het Rijksmuseum Amsterdam. Door Piranesi zijn opgegraven antieke restanten uit de oudheid verwerkt. Overgekomen van zijn overleden neef John Hope vanuit Groenendaal is dit pronkstuk ingemetseld in de bibliotheekruimte van ‘Welgelegen’. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is de schouw overgebracht naar Huis Barnaart aan de Nieuwe Gracht, bedoeld voor een niet gerealiseerd Empire-museum. Vervolgens omgeslagen en ten slotte door het provinciaal bestuur in bruikleen gegeven aan het Rijksmuseum.

Gravure van de schoorsteenmantel vervaardigd door Piranesi, opgenomen in zijn werk: ‘Opera’

Replica van de Piranesi schoorsteenmantel, tegenwoordig in het Rijksmuseum.

Hope3

Marmeren bad door John Hope in 1761 te Rome gekocht en tegenwoordig nog als tuinornament aanwezig op Bosbeek Heemstede

Het grote huis Deepdene in graafschap Surrey waar eerst Henry Hope woonde en nadat die in 1811 kinderloos overleed zijn neef en zoon van John Hope, Thomas Hope, op dat moment een van de rijkste mannen van Engeland. Het buiten bleef meer dan een eeuw in bezit van de familie Hope. In 1967 is het afgebroken om plaats te maken voor een modern kantoor.

 

grondplan

plattegrond van Deepdene in 1826

 

Gravure van de hal van Deepdene in de de periode van Thomas Hope en zoon Henry Thomas Hope omstreeks 1840  waar marmeren beelden stonden opgesteld.

In 1794 zijn boedelbeschrijvingen vervaardigd van zowel het bezit in Amsterdam, Den Haag als Heemstede. Het meubilair op Bosbeek Henry Philip, terwijl Adria(a)n Elias onder meer het 240-delige Saksische servies, al het overige porselein en het meubilair in het Amsterdamse huis ontving. In datzelfde jaar weken de drie zonen van wijlen John Hope uit naar Engeland, de twee jongste broers na een kort verblijf in Duitsland, beducht als zij waren voor een vijandelijke invasie van de Fransen. 17 oktober scheepte hun oom Henry Hope zichzelf te Hellevoetsluis in richting Engeland, met medeneming van zijn eigen kunstbezit en schilderijen van zijn neef John Hope. Tot 1814 bleven de drie zonen van wijlen John Hope stille vennoten binnen het huis Hope & Co. De oudste, Thomas Hope, vestigde zich in Londen en trad in de voetsporen van zijn vader als verzamelaar van kunstschatten, weinig gehinderd door financiële belemmeringen. De buitenplaats Bosbeek kwam testamentair toe aan beide andere zonen Adrian Elias en Henry Philip. Beide broers ontvingen elk: 1) de helft van Groenendaal, 2) de helft van Bosbeek, 3) de helft van een boerderij, weleer Overthoorn. Adrian Elias keerde in 1802 metterwoon naar Holland terug en kocht kort na elkaar het huis van zijn ouders aan de Herengracht, door aan zijn beide broers elk één-derde deel, ƒ 100.000,- te betalen. Enkele dagen eerder, namelijk op 28 juni 1802, mocht hij zich al eigenaar noemen van het zomerverblijf Bosbeek, waarvan hij al voor de helft eigenaar was en de totale waarde getaxeerd op ƒ 85.000,-. Aan zijn jongere broer Henry Philip, die voor de transactie een gemachtigde uit Londen stuurde, betaalde hij grif ƒ 42.500,-. Jaarlijks hadden op Bosbeek-Groenendaal verkopingen van hakhout plaats onder leiding van tuinbaas A. de Wilde. Ook Adrian Elias die wisselend in Amsterdam en Heemstede verbleef, maar ook veel reisde naar Italië en zijn tweede vaderland Engeland had de passie geërfd van zijn kunstminnende vader. Zoals Groenendaal eerder werd Bosbeek nu nu een opslagplaats en doorgangshuis van vooral Italiaanse kunstschatten. Dr. J.W.Niemeijer (1) ontdekte dat Adrian Elias Hope – voor de buitenwereld anoniem ‘a gentleman of distinguished taste’ – bij Christie’s te Londen in 1813 antieke marmora , Etruskische en Griekse vazen en andere kunstvoorwerpen verkocht: “De collectie, hoewel aangekondigd als ‘exceedingly valuable’, maakt meer de indruk te zijn bijeengebracht door een vermogend liefhebber met een voorkeur voor mooi gepolijste materialen en elegante figuren, dan welbewust te zijn opgebouwd met een vast einddoel voor ogen.” (blz. 139-140).

Beeld van Venus (Aphrodite) en Cupido (Eros) dat op Bosbeek stond en na komst van Zusters van de Voorzienigheid verpaatst naar de tuin van het raadhuis Heemstede

Beeld van Venus (Aphrodite) en Cupido (Eros) dat op Bosbeek stond en na komst van Zusters van de Voorzienigheid is verplaatst naar de tuin van het raadhuis Heemstede

Het huis van bankier en verzamelaar Henry Hope in Londen bij Cavendish Square

Schilderij van Benjamin West (1738-1820)met familie van Henry Hope in 1802 Zittend rond tafel waarop boeken, papieren, klassieke vaas. Voor de tafel op de grond een mansportret (vermoedelijk voorstellend John Goddard (1736-…), echtgenoot van Harriet Maria Hope, vader van Ann Goddard, grootvader van de afgebeelde kinderen en koopman te Rotterdam of anders: Adriaan Hope (1709-1781), een van de oprichters van de firma Hope & Co en oom van John Hope en Henry Hope;  middenachter een zeegezicht. Op sokkel of kast maquette of model van het huis Welgelegen in de Haarlemmerhout.  (1). Van links naar rechts: 1) Henry Hope (1735-1811), 2) Henry Williams Hope (*1785), 3) Adrian Williams Hope (*1788),  4) Elisabeth Williams Hope (1794-1860), 5 Henrietta Dorothea Maria Hope (1790-1830), 6) Harriet Maria Hope (1757-1813)(zuster van Henry Hope en moeder van Ann Goddard), 7) John Williams Hope (1757-1813), echtgenoot van Ann Goddard, 8 Ann Goddard (1763-1820),echtgenote van voorgaande en moeder van de afgebeelde kinderen), 9) Francis Williams Hope, het jongste kind van het echtpaar Hope-Goddard het  (Museum of Fine Arts, Boston)

Henry Hope: mezzoprint door Charles Howard Hodges naar sir Joshua Reynolds

(1) op basis van het schilderij zijn mezzoprints vervaardigd door de befaamde graveur Charles Howard Hodges (1764-1837). In het catalogusboek van A.C.A.W. Baron van der Feltz (Assen, Van Gorcum, 1982) worden als zodanig vermeld: (1) Henry Hope, geb.1736, overl.1811, bankier, kunstverzamelaar en kunstminnaar; schilderij door sir Joshua Reynolds. Driekwart, zittend aan tafel. Titel: Henry Hope Esqr of Amsterdam. Published Jan.1st. 1788 by John & Josiah Boydell no.90 Cheapside London, 405x289mm; (2) mrs. Williams Hope (Anne Goddard), geb.1763, overl.1820. Naar het schilderij van sir Joshua Reynolds. Driekwart figuur naar rechts, de rechterarm leunt op de balustrade waarop links een stenen vaas met ramskop, waarop planten. Titel: mrs. William [moet zijn Williams]  Hope of Amsterdam. Published: Jan. 1st. 1788 by John & JosiahBoydell London. 406 x 291 mm.

Portret in mezzoprint van Anne Goddard door Charles Howard Hodges. Zij was de oogappel van Henry Hope, maar dat veranderde toen zij een verhouding begon met baron van Dopff met wie zij na een echtscheiding trouwde na het overlijden van Henry Hope in 1811

Uit het huwelijk tussen John Williams Hope en Anne Goddard is een dochter geboren Elisabeth Hope, die tijdens een tekenles door Christiaan Andriessen is getekend in een vertrek in het Hope-pand Keizersgracht 444-446. Op de rug gebogen is Christiaan Andriessen getekend, gedateerd 25 november 1708. Elisabeth trouwde in 1816 met de gefortuneerde H.J.C.J. Baron van Heeckeren (1785-1862) (Uit collectie Van Eeghen in stadsarchief Amsterdam)

Schilderij van Elisa(beth) van Heeckeren-Williams Hope, in 1828 vervaardigd door N.Garnier

Tot 1814 bleven de drie broers stille vennoten binnen de firma Hope & Co, voor hen een bron van niet geringe inkomsten. De activiteiten van Adrian Elias als ‘sleeping partner’ voor de bankiersfirma waren overigens te verwaarlozen. Feitelijk was de minder begaafde zoon Adrian Elias vanwege zijn zwakke gestel ongeschikt voor de handel. In 1802 is hij op basis van zijn “onvoorspelbaar gedrag” uitgesloten als actief partner. Zijn bijnaam in Heemstede was “Malle Jas’, volgens een tuinman die dat met een enkele anekdote van zonderling gedrag als overlevering doorgaf.  Hij kon beschikken over een persoonlijk vermogen van minstens 3 miljoen gulden. Omdat hij op een gegeven moment vanwege psychische ongesteldheid niet langer zijn financiële zaken kon beheren is hem de makelaar David Berck als ‘trustee’ ofwel vertrouwenspersoon toegevoegd [informatie M.G.Buist, in ‘At spes non fracta’, pagina 259.

Portret van Adrian Elias Hope? Zie: hans Krol: uit het archief, een onbekend portret van Adrian WElias Hope. In: Heerlijkheden, nummer 120, 2004 (foto Heerkens Thijssen)

Portret van Adrian Elias Hope? Zie: Hans Krol: uit het archief, een onbekend portret van Adrian Elias Hope. In: HeerlijkHeden, nummer 120, 2004 (foto van antiquair-taxateur J.H.Heerkens Thijssen)

Adrian Elias Hope, tweede  zoon  van John Hope,  is 8 juli 1772 geboren in Amsterdam en 12 juli gedoopt in de Engels-Presbiteriaanse kerk aldaar. Hij woonde op de Herengracht nabij de Vijzelhuis, welk pand in 1782 door zijn vader was gekocht. In 1794 benoemd tot commissaris bij de bank. In 1794 week hij met zijn broers uit naar Engeland met het oog op de komende inval van de Fransen. In 1802 keerde hij terug in ons land en kocht op 9 juli 1802 van zijn beide broers – zijn vader was in 1784 overleden en zijn moeder in 1789 – voor ƒ 100.000,- voor twee-derde hun vaders huis aan de Herengracht, dat hij sindsdien bewoonde. Verder had hij 28 juni 1802 voor ƒ 42.500,- van zijn broer Henry Philip de helft in de hofstede Bosbeek en Groenendaal gekocht, waarvan hij reeds zelf voor de helft eigenaar was. Hij verbleef daar in de zomermaanden, later permanent, totdat hij krankzinnig verklaard, naar wordt aangenomen in opdracht van zijn familie, in een kamer in het grote huis Bosbeek werd opgesloten en aldaar in 1834 kinderloos is overleden. In  navolging van zijn vader (en broer Thomas vooral) heeft ook Adrian Elias kunstvoorwerpen verzameld. Na zijn overlijden erfde de overgebleven broer Henry Philip Hope automatisch Bosbeek, de kunstverzameling van zijn broer, evenals een bedrag van 50 miljoen Britse pound, omgerekend naar huidige maatstaven bijna 500 miljoen pound met welk bedrag zonder enig probleem een belvedère kon worden gefinancierd evenals zijn collectie edelstenen (diamanten) en kunstschatten  verder  worden uitgebreid

Ook Adrian Elias die wisselend in Amsterdam en Heemstede verbleef, maar ook reisde naar Italië en zijn tweede vaderland Engeland had de passie geërfd van zijn kunstminnende vader. Zoals eerder Groenendal eerder werd Bosbeek nu een opslagplaats en doorgangshuis van vooral Italiaanse kunstschatten. Tot 1814 bleven de drie broers stille vennoten van de firma Hope & Co., voor hen een bron van niet geringe inkomsten, maar de ongeschikt geachte  Adrian Elias werd voordien uitgekocht. Op Bosbeek, intussen volledig verenigd met Groenendaal, liet hij zich niet onbetuigd. Zo liet hij aan het eind van de door zijn vader aangelegde Adriënnelaan een zogeheten schelpenhuisje ofwel schelpen-nis plaatsen met op een stenen voetstuk het beeld van een zeenimf en dolfijn aan de voeten. Op de nis met witte schelpen in grijze materie ingelegd, stond bovenop een vaas in een verbroken klassiek driehoekje.

Het huis van Bosbeek stond in die dagen door een zeer bochtige weg in verbinding met de Binnenweg. De Binnenweg liep van de Glip tot aan de grens van Haarlem. Bewoner Adrian Elias richtte een verzoek aan de Gemeente of hij die bochtige weg op zijn kosten recht mocht trekken. Zijn argumentatie was dat daar niemand in Heemstede schade of hinder van zou ondervinden. Hij zou door middel van drie kerkgeboden, steeds met 14 dagen tussenruimte, de inwoners oproepen om eventuele bezwaren tegen verlegging van de weg het plaatselijk bestuur kenbaar te maken. Het dorpsbestuur, schout en secretaris Jan Dolleman voorop, ging daarmee accoord en riep de ingezetenen op hun bezwaren kenbaar te maken ‘op penen dat bij nalatigheid van dien aan hun zal worden opgelegd een eeuwig stilzwijgen en silentium’.  Hope kon zijn voorstel laten uitvoeren. Al in 1802 is Adrian Elias ‘om zijn vreemd en onvoorspelbaar gedrag’ (aldus een passage in een brief van Henry Hope in Londen aan John Williams Hope in Norwich) uitgesloten als actief partner van de bank. later is David Berck als ‘trustee’ aangesteld, nadat vanwege voortgaande krankzinnigheid Adrian Elias niet meer in staat werd geacht zelfstandig zijn financiële zaken te regelen. Jonkheer C.C.van Valkenburg schreef eens: ‘Een oude tuinbaas heeft me over hem dingen verteld, in schrijnend contrast tot de ongeëvenaarde capaciteiten van het geslacht’. Volgens één van die verhalen liep hij soms in het bos rond met een paraplu mét baleinen, maar zonder stof. Op 18 oktober 1824 kocht Adrian Elias Hope de herberg ‘Het Bonte Paard’ na in 1808 (naast de tol)  een stuk land daaromheen te hebben verworven. Het zou in dit verband te ver voeren alle stukken duin-, teel- enhooiland tussen 1766 en 1873 onder Heemstede aan de Hope’s in erfpacht gegeven afzonderlijk te vermelden. In 1804 beschikte Adrian Elias Hope over 49 morgen en 325 roeden. Zijn geestelijke vermogens zijn kennelijk steeds verder aangetast en in Heemstede werd hij in de volksmond ‘malle jas’ genoemd. Een en ander tot grote ergernis van zijn familie, in het bijzonder van zijn broer Henry Philip, die naast zijn verblijf in Londen en op het landgoed in het graafschap Kent ook regelmatig in Den Haag vertoefde. In krankzinnige toestand is Adrian Elias – volgens de archieven “door zijn familie” op Bosbeek opgesloten en op 16 september 1834 door de rentmeester levenloos aangetroffen. daarmee is zijn broer Henry Philip automatisch de nieuwe eigenaar geworden, die het landgoed liet beheren door een rentmeester.

tekening van tuinhuis, de koepel van Groenendaal, in 1970 na verwaarlozing helaas afgebroken. Volgens één bron zou Adrian Elias Hope in 1834 niet in het hoofdhuis maar in de koepel zijn opgesloten

Met de dood van Adrian Elias in 1834 is het grachtenhuis in Amsterdam door Henry Philip – die al een woning had in Den Haag en Bosbeek aanhield – verkocht. De bibliotheek die aldaar in de grootste verwarring als een hoop zand op zolder lag’ moest ontruimd worden en is in 1835 tijdelijk naar Bosbeek overgebracht en in de koepel gecatalogiseerd door de jonge bibliograaf Frederik Muller (1817-1881. A.C.Kruseman schreef in 1881 (1) over de later befaamd geworden antiquaar, veilinghouder en bibliograaf Muller: ‘eene bibliotheek was zijne toevlucht, zijn heiligdom, zijn hemel op aarde. Als een staaltje daarvan diene de opgetogenheid, waarmee hij het feit herdacht, dat hem in dien tijd door de Executeuren van Hope met goedvinden van zijn patroon, de taak werd opgedragen om diens boekerij, die “in het huis van Six en Backer in de grootste verwarring als een hoop zand op den zolder lag” naar het buitenverblijf Boschbeek en Groenendaal bij Haarlem te verplaatsen en te catalogiseren”. Frederik Muller zei daarover in zijn memoires: ‘Dit is een van de genotrijkste tijden uit mijn leven geweest. Ik was mij zelf niet van geluk, als ik, in den koepel op Boschbeek gezeten, aan het werk was. Ik arbeidde daar weken, en de verrukking die ik daar genoot, maakt mij ’t hart nog warm. Toen is mij de kennis uit Ebert en van andere bibliographieën uitstekend te stade gekomen.’ Helaas kon tot op heden niet worden achterhaald waar en bij wie de Hope-boeken zijn geveild, aangenomen wordt dat deze naar Engeland zijn overgebracht.

De hofstede Bosbeek, circa 1839, aquarel door Gerrit Jan Schouten (1815-1878) met onbekende (tijdelijke) nevenbouw (Mellon Art Collection Yale New haven, USA)

(1). A.C.Kruseman, in: Handelingen en Mededellingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letteren te Leiden over het jaar 1881. Leiden, 1881, pagina 78.

Ansichtkaart uit 1918 met afbeelding van de walvisbank in het Engelse bos van Groenendaal

Adrian Elias Hope plaatste een wel zeer typische rustbank. Deze bestond uit walvisgraten: de palen waarop de bank rustte bestond uit de kaken; de leuning en zitting uit de ribben.

DE BELVEDERE DATEERT UIT 1839, 13 juli gereed gekomen en vanaf 24 juli door de tuinbaas opengesteld voor het publiek, ontworpen door John Thomas Hitchcock in opdracht van eigenaar Henry Philip Hope (jongste broer van de in 1834 overleden Adrian Elias Hope) , in 1864 hersteld en in 1995 gesloopt

Ansichtkaart van de onder Henry Philip Hope in 1838 ontworpen en juli 1839 op een kunstmatig aangelegde heuvel gereed gekomen   belvedère ofwel uitzichttoren, van waaruit men een prachtig uitzicht had op het Haarlemmermeer en bij helder weer op Amsterdam, Zandvoort en Leiden. Wilfred van Leeuwen schreef dat, ontworpen door architect John Thomas Hitchcock (1812-1844), eind jaren dertig van de vorige eeuw een monumentale uitzichttoren met omlopende, achthoekige veranda verrees. van De bovenste balustrade was even hoog als het dak van de Oude Haarlemse Bavokerk. In de as van het gebouwtje  was een gietijzeren wenteltrap van 68 treden geconstrueerd, rustend op drie ijzeren pijlen. een wijze van bouwen, die evenals de palen en de smalle balken die het overstekende dak droegen, door latere ingenieurs als een meesterwerk van technisch kunnen is beschouwd. In zijn boek ‘Heemstede’ uit 1854 geeft H.H.B.Binnewiertz een summiere opsomming van ‘de niet minder dan 19 lustwaranden’. Bij Groenendaal (en Bosbeek) noemt hij de heer Hope als eigenaar en voegt toe:  ‘Deze plaats, ruim 1 uur in omtrek, heeft een belvedère bijna 200 voeten hoog van den beganen grond; de kunstige wenteltrap strekt den maker tot eer.’  Op de toren was in steen uitgebeiteld het wapen van de Hope’s alsmede de wapenspreuk ‘At spes non fracta'[=Nog is de hoop niet verloren]. In 1864 heeft onder Adrian Elias Hope (junior) (1845-1919), die in 1873 Bosbeek-Groenendaal verkocht aan het echtpaar Van Merlen, een restauratie  plaatsgehad, blijkens twee bewaard gebleven stenen na de sloop, de ene met in letters ‘Anno’ en de andere met jaartal ‘1864’, tegenwoordig aanwezig in de archiefverzameling van de Historische Vereniging Heemstede Bennebroek. Tot sloop werd besloten in 1965 en deze heeft plaatsgehad in 1966.

Doorsnede van de belvédère in Groenendaal (1)

Tekening van dwarsdoorsnede met wenteltrap belvédère Bosbeek-Groenendaal

tekening van de belvedere, in 1966 gesloopt.

Van de belvedere bleef enkel deze jaarsteen + een steen met opschrift ANNO bewaard. (archief HVHB). In herinnering aan de grote restauratie die begin juli 1866 zou zijn voltooid. Precies een eeuw later, in 1966 heeft sloop plaatsgevonden. Voor zover bekend zijn helaas niet de (wapen)stenen met opschrift ‘At Spes Non Fracta’ (= ‘nog is de hoop niet verloren’, het motto van de Hope-familie) niet bewaard gebleven.

Charles Hope (1710-1791), 1st. Erarl of Hopetun, Schots politicus, gebruikte de Hope-spreuk At Spes Non Fracta in zijn ex libris.

(1) Omstreeks 1838 is de uitzichttoren ontworpen door architect John Thomas Hitchcock (1812-1844). Wilfred van Leeuwen publliceerde een artikel over hem een artikel met als titel ‘Architectuur in tijden van cholera en krimp’. Hitchcock had Engelse wortels, maar is in Amsterdam geboren als zoon van de koopman Charles Hitchcock en Ann Aitchison en had goede contacten met de Hope’s en David Borski  Om het vak te leren verbleef hij van 1828 tot 1836 in Londen.  Op zijn naam staan verder de sociëteit ‘De Vriendschap’ aan de Dam (1837-1838) in Amsterdam in 1914 afgebroken, de (thee-)koepel van Stoop tegenover de pyramide van Austerlitz  in Woudenberg, het huis Voorduin in Bloemendaal, Bloemendaalseweg 88 voor A.F.Insinger (gesloopt en op die plaats bouwde Haitsma Mulier de villa Duinrust), Vredehof in Soest voor B.J.Rothuijs, de Hoge Vuursche in Baarn – ter plaatse van het latere kasteel door Ed.Cuypers – voor Rutgers van Rozenburg, Horst en Berg in Soest (later Eikenhorst) in opdracht van Frans Boekhorst, de Villa-Carp in Arnhem bij de Velper barrière en Duin en Berg in Santpoort, op de plaats van het tegenwoordige Duin- en Kruidberg. Van Leeuwen schrijft: ‘Hitschcocks werk stond weliswaar in de traditie van de sterk Engels-palladiaanse en neoclassicitiche smaak van de Hope-familie – de verzamelaars John Hope (1737-1784), Henry Hope (1735-1811) en Thomas Hope (1769-1831) – maar zeker binnen de Nederlandse context gaf hij daarvan een frisse interpretatie.’  Volgens architectuurhistoricus A.W.Weissman was Hitchcock lange tijd de protégé van de bankier Hope, naar wordt aangenomen van Henry Philip Hope onder wie de belvedere in Groenendaal tot stand is gekomen – aldus niet ten tijde van de in 1834 overleden Adrian Elias Hope, zoals lange tijd verondersteld. [Wilfred van Leeuwen: ‘John Thomas Hope (1812-1844); architectuur in tijden van cholera en krimp’, in: Binnenstad 273, november/december 2015 – overgenomen op het internet]. De belvedère van steen gebouwd kreeg een ijzeren wenteltrap met 68 traptreden tot de tweede balustrade die op een hoogte lag van 10,25 meter exclusief een heuvel met terras van ook ongeveer 10,25 meter, terwijl de eerste balustrade zich op 5,25 meter hoogte bevond.

 

John Thomas Hitchcock, in 1837 getrouwd te Nieuwer- Amstel met Johanna Christina de Wilde, vertrok in 1841 naar Nederlands Oost-Indië. Daar is hij op jonge leeftijd in maart 1845 overleden. De weduwe en 2 kinderen zijn eind 1847 na Amsterdam teruggekeerd, nadat het nodige te regelen moet zijn  geweest gelet op het faillissement van haar overleden man. In de Javase Courant van 16 juni 1847 heeft bovenstaande advertentie gestaan.

Ingekleurde litho van P.J.Lutgers uit circa 1842 met molentje en belvédère van Groenendaal

Citaat uit een van de talrijke 19de eeuwse toeristische gidsen: “Wegwijzer in Haarlem en Omstreken” uit 1848: ‘(…) Thans begeeft ge u naar het zeer nabijgelegen landgoed van de Heer Hope, Groenendaal en Bosbeek genaamd, en verzocht den tuinman het straks genoemde Belvedère te mogen beklimmen. Hij zal u langs bevallige paden en wateren derwaarts leiden, en u dan zien, hoe de Kunst hier de Natuur is te gemoet gekomen: hoe hier alles te zamen liep, om, van deze heuvelachtige grond, een der fraaiste plekjes van Nederland te maken. Maar opgetogen zult  gij staan, wanneer ge u op het hoogste gedeelte van het Belvedère bevindt. Wanneer ge daar ten westen het oog op Zandvoort slaat, het verder naar Haarlem wendt en zoo vervolgens naar Amsterdam;  wanneer je zuidwaarts Leyden, Hooglandsche Kerk, voorts Rijnsburg, Noordwijk en ten laatste de zee ontdekt (…)’.   

Een van de schetsen van Gerrit Jan Schouten uit 1839 met zicht op het Haarlemmermeer, 2 torens van Leiden, kerk Bennebroek molen de Glip, kerktoren Hillegom etc. (Mellon Art Collection, Yale Center for British Art, New Haven)

Houtgravure van de belvédère door F.van Emmerik

Bordje verwijzend naar de Belvedere in Groenendaal – Heemstede

Enkele oude prentbriefkaarten met afbeeldingen van de belvédère uit de eerste helft van de vorige eeuw

prentbriekaarten van belvédère Heemstede, 1922 en 1950

Belvedère Heemstede

Poserend voor de ingang naar de Belvedère van Groenendaal

Een schoolreisje naar de Belvedère van Groenendaal

Schoolreisje naar Bloemendaal en Heemstede (Groenendaal) Het Vaderland, 6 juli 1926

De belvedère van Heemstede omgeven door hoog geboomte

Burgemeester jonkheer mr.D.E.van Lennep met genodigden op de trap naar de Belvedère bij de opening van Groenendaal als openbaar wandelbos op 17 juli 1913

Belvédère Heemstede

Doorsnede en foto van Belvedère uit 1925

Aanrader voor de Pinksterdagen: de Belvédère (Eerste Heemsteedsche Courant, 2-6-1933)

De Belvedère in wintertooi, 1960 (Noord-Hollands Archief)

Herinneringen aan de Belvédère met met Cor Koren , Bayer Koch en Jantje Huiskamp (de Heemsteder, 23-1-2019)

’s Winters rodelbaan vanaf de Belvedere (Opr. Haarlemsche Courant, 22-1-1940)

Belvedère circa 1930

Belvedère 1965

Kaarten met panorama vanaf de belvedère Heemstede, In de verte de watertoren

Oude ansichtkaart met mogelijk mw. Verdonschot op de trap bij de entree.

In het blad HeerlijkHeden van HVHB, nummer 180, voorjaar 2019, is op p. 11-14 een artikel gepubliceerd door Marloes van Buuren onder de titel: ‘Als verkenner op wacht op de Belvedère.

Louis Goulmy met verrekijker als padvinder (verkenner) op de Belvédère. (HH, nummer 180, pagina 14)

De Luchtwachtdienst op Belvédère (Haarlem’s Dagblad, 23-8-1940)

Vervolg van De Luchtwachtdienst op de Belvéd~ere (H.D., 23-8-1940)

Nota Bene. Zie ook hoofdstuk: ‘Kroonjuweel Belvedère’, in: Groenendaal, van buitenplaats tot wandelbos. Historische Vereniging Heemstede Bennebroek, 2013, p. 178-179.

DE BELVEDERE ALS UITKIJK- EN LEVERPOST VAN DE PLAATSELIJKE LUCHTBESCHERMINGSDIENT (BURGERWACHT).

In een schrijven van 20 september 1940 berichtte politiechef A.Berentsen als hoofd van de luchtbeschermingsdienst o.a.: ‘Hierbij heb ik de eer U mede te deelen, dat met ingang van 21 september a.s. des voormiddags  om 8 uur de Uitkijk- en Luisterdienst op de Belvedère niet meer door vrijwilligers zal waargenomen behoeven te worden. Op dit tijdstip komt dus het lopende dienstrooster te vervallen (…)’.  Als reactie noteerde iemand die wachtdiensten had vervuld onder pseudoniem ‘Oude Wachter’ in het blad ‘Het Kompas’ van de St.Stanislaus-verkenners- en welpengroep, oktober 1940 het volgende: ‘BELVEDERE, Hoe dikwijls ben ik niet weet ik hoeveel trappen op- en afgeklauterd, al of niet bewapend met helm en gasmasker, hoe dikwijls heb ik niet de oude trans omlopen, tijdens de nachtvorsten in Maart, tijdens de somtijds gure lentestormen, tijdens de hitte van Juni, tijdens de zomerse onweders. Hoe menigmaal mochten we van trans oorlogsactiviteiten zien, waarvan goddank ons Heemstede tot nog toe bespaard gebleven is. Dit alles is nu voorbij. Onze voet zal het trappenhout niet meer doen kraken.’  

Groenendaal: de Belvedère (de Heemsteder, 2013)

Groenendaal: panorama vanaf de Belvedère (de Heemsteder, 2013)

Heuveltrap naar de Belvedère ofwel uitkijktoren van Groenendaal

Toen de boswachters van Groenendaal in 1921 een nieuw uniform ontvingen + een wandelstok poseerden zij voor de Belvedere. Op de foto zien we van links naar rechts: A.Willemse, T.Saarloos, Th.van den Berg, H.Walet, F.Burger, “Janbaas” Neeskens en D.Beck.

Drukte op de terrasvloer van de Belvedère, gelegen op een hoogte van  10,25  meter op een prentbriefkaart uit 1925. De hoogte op de tweede balustrade was + 10,25 meter; van een niet  gerealiseerde derde omwenteling zou deze 13,85 meter hebben bedragen. Vanaf 1 april 1914 fungeerde de heer A.Verdonschot van het restaurant/verversingshuis Groenendaal als kastelein. Later overgenomen door de Gebroeders Uitendaal. Men verkocht dranken en versnaperingen op het terras en prentbriefkaarten/terreinkaarten e.d. evenals toegangkaartjes voor de tweede balustrade aan bezoekers en droeg daarvoor 350 gulden per jaar af aan de gemeente

De belvédère op een foto uit 1917 (NHA)

Foto van de belvedère in Groenendaal met twee balustrades kort voor de afbraak

Sloop van de Belvedère (De Telegraaf, 21-8-1965)

Na overdracht van Groenendaal door de erven van Merlen werd de belvedère verpacht aan de huurders van uitspanning/restaurant Groenendaal (Uitendaal/Verdonschot). met A.Verdonschot in de zomermaanden als kastelein. [Na WO II aan de Gebroeders Uitenadaal] Vanwege de geringe inkomsten van toegangskaartjes, verkoop van prentbriefkaarten en gebruikte verversingen is eind 1914 van de inkomsten van nog geen 300 hulden  100 gulden naar diens rekening teruggestort. De  bezoekers hebben in de begintijd in een album hun handtekening geplaatst, tegenwoordig bewaard in het gemeentearchief Heemstede (NHA)

Vooraanzicht van niet uitgevoerd plan de belvedère met 1 verdieping (3.60 meter) te verhogen naar bijna 17,5 meter, inclusief de koepel, op de heuvel. Eind 1946 uitgevoerd door bouwkundig tekenaar ir.L.F.Dammers, geboren te Utrecht 10 mei 1926, die hieraan gewerkt heeft van 28 oktober 1946 tot 8 januari 1947 bij het bedrijf voor openbare werken in Heemstede (ondertekend juli 1965 door directeur Peterse en bouwkundige-opzichter R.Stegeman)

Getuigeschrift L.F.Lammers, ondertelemd door directeur Peterse van Openbare Werken Heemstede

Betreft restauratie Belvedere Groenendaal, voorbereid in 1947 na (niet uitgevoerd) plan tot herstel en uitbreiding, juli 1965

In 1965 is de intussen bouwvallig geworden uitzichttoren, die ook nauwelijks meer gebruikt werd in opdracht van de gemeente Heemstede gesloopt.

Afbraak belvedere (Raadsnotulen Heemstede, 26-8-1965)

vervolg raadsnotulen afbraak belvedere Groenendaal (26-8-1965)

Tekening van niet uitgevoerd plan om de uitzichttoren te verhogen, als gevolg waarvan weer uitzicht mogelijk zou zijn boven de hoge bomen uit te komen (ontwerp door L.F.Dammers)

Tekening doorsnede begane grond (L.F.Dammers)

Dwarsdoorsnede met afmetingen op basis van 1 extra tussenverdieping (ir.L.F.Dammers, 1946/1947)

Romantiek in gietijzer. Uit: Jan Bouman. Het merckwaerdigste meyn bekent. Nieuwkoop, Heuff, 1974, pagina 27. Op basis van bovenstaande tekening met onjuiste tekst heeft na Allan (1877)  de veronderstelling post gevat dat Adrian Elias bouwheer was van de uitzichttoren, terwijl dat feitelijk zijn broer Henry Philip is geweest.

Dat valt nog te bezien: Belvedere en theekoepel (De Volkskrant, 17 mei 1975)

Henriëtte Marcus: de Belvedère van Groenendaal

Foto van koepel op landgoed Backershagen nabij de Rijksstraatweg naar Den Haag in Wassenaar. Is in het verleden soms vergeleken met de belvedere in Heemstede. Echter, dateert  al uit 1771, gebouwd door Cornelis Backer. Ook gebouwd op een kunstmatige heuvel. Bevat tevens twee verdiepingen. Balustrade op het dak. Tegenwoordig eigendom van de Nederlandse Monumentenstichting en Rijksmonument. Het bouwwerk speelde een rol in “De geheimzinnige koepel” van C.Joh. Kieviet.

Binnenkort voorstel Belvédère (Haarlems Dagblad, 6-2-2019)

Belvedere20

‘Meer keuze bij Belvédère (H.D., 6 april 2-019)

Perikelen rond Belvédere (Heemsteedse Courant,23 november 2019)

Herstel Belvedere in oorspronkelijke stijl. Ingezonden bericht door Elly Olthoff (Haarlems Dagblad, 4 mei 2019)

Ingezonden bericht door F.H.van den Berg, in: de Heemsteder van 20 november 2019.

Zes ontwerpen voor nieuwe Belvedère (H.N., 7 november 2019. Met achtergrondinformatie op de gemeentesite: 1) Bids Belvedère, 2) Bosnest Belvedère, 3) Wandeling naar het verleden [- n.b. van staal, terwijl de opdracht was: baksteen], 4) Malle jas [n.b. geen juiste titel, omdat niet Adrian Eilas, bijgenaamd ‘Malle Jas’, maar zijn broer John Philip destijds opdracht gaf aan Hitchcock], 5) Mooi uitzicht en 6) Panorama Hope. Op de foto staat wethouder mw. Nicole Mulder op de beoogde plek van de Belvédère. Tot 5 december 2019 kunnen inwoners uit Heemstede stemmen op het ontwerp dat zijn/haar voorkeur heeft

1) Afbeelding van Bids Belvedère [Bids als verwijzing naar de schenking van een half miljoen euro voor de nieuwbouw

Afbeelding van ontwerp Bosnest Belvedère

3) afbeelding van ontwerp uitkijktoren, genaamd de Wandeling

4) Afbeelding van belvedère-ontwerp Malle Jas [een verwijzing naar de bijnaam van de geesteszieke Adrian Elias die vanwege zijn excentrieke gedrag in opdracht van de familie werd opgesloten op Bosbeek en overleed. Lange tijd heeft men verondersteld dat hij de bouwheer was van de belvedère, maar dat was zijn broer Heny Philip. Overigens erfde laatstgenoemde bij de dood van zijn broer in 1834 een bedrag van 500.000 Britse pond en voor een schijntje van dat enorme bedrag kon de uitzichttoren worden gefinancierd]

5) Afbeelding van ontwerp ‘Mooi Uitzicht’ [met reële verbeelding van de boompartijen rond het bouwwerk]

 

6) Panorama Hope [maar vergezichten zoals in de tijd van Hope kan men vergeten].

Commentaar: UITTKIJKTOREN OF KUNSTWERK?

De zes ontwerpers ontvingen als opdracht een nieuwe belvedère te ontwerpen op de fundamenten van de bestaande heuvel (10,25 meter) en een hoogte van ongeveer 14 meter – vergelijkbaar met de (totale) hoogte onder architectuur van J.Th. Hitchcock in 1939 gebouwde uitzichttoren – aan te houden.  Zoals o.a. uit een tekening van G.J. Schouten blijkt destijds ruim voldoende om boven het groen met een verrekijker uit te zien naar het Haarlemmermeer, de Oude Bavokerk in Haarlem en volgens oude beschrijvingen zelfs naar Leiden en Amsterdam. Een eeuw later waren de omliggende bomen van Groenendaal intussen dermate in de hoogte gegroeid dat boven de kruinen nauwelijks meer iets te zien was in de verte. Dat was reden om in 1946/1947 door technisch tekenaar L.F. Dammers en met medewerking van bouwkundige R.Stegeman een ontwerp te maken voor een verhoging. De eerste balustrade bevond zich op een hoogte van 5,25 meter boven het terras, de tweede op 10,25 meter.  Bij een derde niet gerealiseerde balustrade zou deze zich op 13,85 meter boven de heuvel uitkomen, mét koepel zelfs 17,45 meter. Zo kort na de Bevrijding kreeg uitvoering van dat plan geen prioriteit. Verwaarlozing trad op en op een gegeven moment dreigde gevaar voor instorting, zodat de gemeente in 1965 besloot tot sloop van het bouwsel, welke in 1966 plaatsvond. De bomen staan er anno 2019 nog steeds en er zijn vooralnog geen plannen deze te kappen of af te toppen. Het betekent dat volgens Groenvoorziening weliswaar zichtlijnen mogelijk zijn naar de directe omgeving zoals de vijver en het molentje, doch niet meer, zoals oorspronkelijk mogelijk, als échte uitkijktoren naar verder gelegen plaatsen.  De vraag is dan ook of in dat geval niet eerder sprake is van een ‘ kunstwerk’ [vergelijk de nieuwe ‘koepel’ van de Hartekamp met de oude theekoepel die helaas tot tweemaal toe werd geruïneerd in het verleden] dan van een ‘ouderwetse’ uitkijktoren? 

Reacties ontwerpen Belvédère (Haarlems Dagblad, 6 november 2019)

(Haarlems Dagblad, 30 november 2019)

(Haarlems Dagblad, 30 november 2019)

‘Belvédère, de blunder van de eeuw’. Dr. Wim de Wagt in Haarlems Dagblad van 3 december 2019

Raad zoekt oplossing Belvédère ‘Winnend ontwerp aanpassen’ (Haarlems Dagblad, 4 december 2019)

‘Balen van wedstrijd’ Belvédère (Haarlems Dagblad, 7 december 2019)

Regels tijdens wedstrijd Belvédère veranderd (Guusje Tromp, in Haarlems Dagblad van 7 december 2019)

De Belvédère van Groenendaal op een Engelse aquarel uit 1839; door  Gerrit Jan Schouten (1815-1878) met twee balustrates en een koepeltje ter afsluiting, gebouwd op een heuvel, toen het tweede balkon nog ver boven het groen van de bomen en struiken uitstak en bezoekers bij mooi weer tot Amsterdam en Leiden konden kijken. (Jan Holwerda)

Vooromslag HeerlijkHeden, 182, 2019 met aquarel door G.J.Schouten: gezicht vanaf de Belvedère richting Heemstede, o.a. huize Bosbeek en de Hervormde Kerk zichtbaar en in de verte de nog niet ingepolderde Haarlemmermeer

Aquarel van Gerrit Jan Schouten: vanaf de balustrade genomen gezicht op het herenhuis Ipenrode richting Aerdenhout/Zandvoort (Mellon Art Collection Yale University, New Haven)

Jan Gerrit Schouten (1815-1840) Aquarel vanaf de hoogste balustrade van de belvedère met zicht op het Haarlemmermeer en links de vuurbaak boven de bomen uitstekende, circa 1839 (Mellon Art Collection, Yale University New Haven)

Gerrit Jan Schouten, 1839. Aquarel vanuit uitzichtoren Bosbeek-Groenendaal richting De Glip (molen de Nachtegaal nog net Zichtbaar) en Bennebroek, Hillegom (kerktoren) links in de verte het Haarlemmermeer. (Mellon Art Collection, Yale University, New Haven, USa)

Gerrit Jan Schouten: schets voor landschappelijke aanleg park Bosbeek-Groenendaal, circa 1839 (Mellon Art Collection, Yale Univerity, New Haven)

Nog een park ontwerp in landschappelijke (Engelse) stijl van Schouten uit 1839 (Mellon Art Collection, Yale)

GERRIT JAN SCHOUTEN (1815-1878), geboren en overleden in Amsterdam stamt uit een familie van kunstenaars (schilders, tekenaars, graveurs van vooral landelijke en stedelijke taferelen (1). Meest bekend is Hermanus Petrus Schouten (1747-1822), zoon van Johannes (Jan) Schouten  (1716-1792), tekenaar, graveur, kunsthandelaar en zilversmid. Van H.P.Schouten, geboren in Amsterdam en overleden in Haarlem is veel tekenwerk aanwezig in de atlas van het Noord-Hollands Archief met topografische taferelen in Haarlem, Bloemendaal, Overveen, Haarlemmermeer en Heemstede (o.a. Bronsteeweg, kerk Wilhelminaplein en Achterweg, Schouwtjesbrug en hofstede Meer en Berg).  Terugkomend op Gerrit Jan Schouten; hij was leerling van J.H.L.(Louis) Meijer (1834-1835) en maakte reizen naar Frankrijk, Italië, Duitsland en Engeland. In 1838 kwam hij terug in Amsterdam. In 1840 maakte hij een aantal tekeningen en aquarels in opdracht van Henry Philip Hope, toenmalig eigenaar van Groenendaal en Bosbeek. In 1845 werd Schouten lid van kunstenaarsvereniging ‘Arti et Amicitiae’.  Tentoonstellingen van zijn werk zijn gehouden in Amsterdam en Den Haag, o.a. van gezichten in Bourgondië en Rochefort; de Sint Pieterskerk in Vaticaanstad, de omstreken van Terracina, gezicht bij de golf van Napels enz. Hij maakte gravures voor Le Vassor’s ‘Geschiedenis van Lodewijk den XIII’ en heeft volgens Fuezli de meeste portretten gesneden. G.J.Schouten was naar creatief kunstenaar ook veilinghouder en kunsthandelaar en mede-eigenaar van de firma Van Pappelendam en Schouten. In 1874 veilde deze firma de waardevolle collecte schilderijen, tekeningen, miniaturen en gravures van Haarlemmer jhr. L.J.Quarles van Ufford. Werk van Gerrit Jan Schouten is verspreid over musea en prentencollecties wereldwijd, o.a. in de Mellon kunstcollectie van de Yale Universiteit. Incidenteel wordt zijn werk aangeboden door kunsthandels en op kunstveilingen.   

Tekening van brug in Leiderdorp; door Gerrit Jan Schouten (Morgan Library, USA)

Door Gerrit Jan Schouten in 1839 vervaardigde aquarel vanaf de belvedère richting met top van kerkje Heemstede, de Glip (molen), Bennebroek en in de verte het Haarlemmermeer (Mellon Art Collection, Yale University) Zie artikel  van Jan Holwerda: Uitzicht vanaf de Belvedère van Groenendaal, in: Heerlijkheden, nummer 182, 2019, p.3-8

(1) Zie o.a. I.H.van Eeghen. De kunstenaarsfamilie Schoute(n), Maandblad Amstelodamum, jrg. 47, 1969, p.129-136; A.W.Gerlach, De familie Schouten, een 18e-eeuws  tekenatelier in de praktijk, Bulletin Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond (KNOB), 1985/5, p.20-29.

BEZOEKERSALBUM BELVEDERE VAN 24 JULI 1839 [eerste openstelling voor het publiek] tot 15 MAART 1913 [waarna overdracht door Van Merlen aan de gemeente Heemstede] bevindt zich in het Noord-Hollands Archief 

Titelblad van bezoekersalbum met handtekeningen (mederendeels door personen van adel en uit de aristocratie). De eerste bezoekers tekenden op 24 juli, eigenlijke openstelling voor het publiek. De laatste tekende 15 juli 1913  toen de zoon jhr.J.B.van Merlen uit Bilthoven, erfgenaam van de laatste particuliere eigenaar jhr. J.B.van Merlen Groenendaal overdroeg aan de gemeente Heemstede.

Volgens tuinman A.de Wilde en zijn zoon is herbouw van de belvedère op 3 juli 1866 voltooid. Als laatste tekende jhr.B.C.van Merlen uit Bilthoven, zoon van de overleden J.B.van Merlen, is laatste bezoeker op 15 maart 1913 bij overdracht van de uitkijktoren en landgoed Groenendaal aan de gemeente Heemstede, 15 maart 1913

Belvédère op Leyduin gesloten (de Heemsteder, 5 juni 2019). Met het probleem van het vandalisme heeft men ook in Heemstede te maken gehad. Zo is de historische koepel op een duin op de overplaats van de Hartekamp tot twee maal zodanig vernield, dat thans op deze plaats een vandalismebestendig monumentje is geplaatst

Litho uit 1842 door P.J.Lutgers van de vroegere hofstede Duin en Berg in Santpoort, tegenwoordig Duin en Kruidberg. Jacob van Lennep noteerde in zijn toelichting: ‘De hofstede Duin en Berg aan de Achterweg onder Velzen, niet verre van de Ruïne van Brederode gelegen, is in 1841 geheel nieuw aangelegd geworden door den eigenaar, den Minister Mr.F.A.van Hall. Van al het zich daarop bevindende plantsoen bestond toen niets dan eenig geboomte, bij eene, aldaar aanwezige vinkebaan, gelegen. De bouw van het fraai en geriefelijk woonhuis, zoowel als de aanleg der partijen zijn bestuurd geworden door den Architect Hitchcock’.

Eerste steenlegging voor sociëteit de Vriendschap in Amsterdam (de Avondbode, 18-9-1838

Sociëteit de Vriendschap bij de Dam voor de sloop

De koepel van Stoop in Woudenberg bij Zeist, ontworpen door Hitchcock [met latere houten opbouw] (foto Wikimedia)

De veelbelovende architect John Thomas Hitchcock (1811-1844) is jong overleden in Ned.Oost Indië. Hij was architect aan de Prinsengracht in Amsterdam en ontwierp een sociëteit bij de Dam, in 1914 gesloopt. Verder koepels bij buitenplaatsen in  de provincie Utrecht. In Zuid-Kennemerland als opdracht van Henry Philip Hope (1774-1839) de Belvedère van Bosbeek-Groenendaal, in 1838/1839, in Bloemendaal de villa Voorduin, Bloemendaalseweg 88 voor A.F.Insinger en in Santpoort voor mr.F.A.van Hall de hofstede Duin en (Kruid)Berg. Wilfred van Leeuwen schreef over Hitchcock in ‘Binnenstad 273, november/december 2015. Bovenstaand bericht stond in de Javabode van 16-6-1847

 

litho door P.J.Lutgers van Duin en Berg in Santpoort, circa 1843. Jacob van Lennep schreef als bijbehorende tekst: ‘De Hofstede Duin en Berg, aan den achterweg onder Velsen, niet verre van de Ruïne van Brederode gelegen, is in 1841 geheel opnieuw aangelegd geworden door den eigenaar, den Minister Mr.F.A.van Hall. Van al het zich daarop bevindende plantsoen bestond toen niets dan eenig geboomte, bij eene, aldaar aanwezige vinkebaan gelegen. De bouw van het fraai en geriefelijk woonhuis, zoowel als de aanleg der partijen zijn bestuurd geworden door den architect Hitchcock’. 

Overlijdensbericht Adriaen Elias Hope (Rotterdamsche Courant, 23-9-1834). Hij is op 22 september begraven in de Westerkerk te Amsterdam, in graf 234M. Adriaan Elias Hope liet een bedrag van meer dan 1 miljoen pond na, waarvan de helft ging naar zijn jongere broer Henry Philip Hope, in 1839 overleden in het jaar dat de belvedère op Bosbeek-Groenendaal gereed kwam.

Van A.de Wilde sr. is bekend dat deze sinds 1807 gedurende 52 jaar als hovenier in dienst was op Bosbeek-Groenendaal, opgevolgd door de zoon A.de Wilde jr. Verder is overgeleverd dat Dina Lubberts uit Amsterdam als huishoudster in dienst was van Adriaan Elias Hope (bovenstaand bericht uit Algemeen Handelsblad van 16-9-1907)

vervolg bericht uit Algemeen Handelsblad van 16-9-1907)

=========

Marmeren bad met aan weerszijden uitgewerkte satermaskers met ringen, omstreeks 1761 in Rome gemaakt en aldaar gekocht door John Hope. Tegenwoordig nog als tuinornament aanwezig op Bosbeek

Marmeren bad met aan weerszijden uitgewerkte satermaskers met ringen, omstreeks 1761 in Rome gemaakt en aldaar gekocht door John Hope. Tegenwoordig nog als tuinornament aanwezig op Bosbeek

Achterzijde Bosbeek met wandelaars getekend, als steendruk uitgegeven door P.J.Lutgers, in: Gezichten in de omstreken van Haarlem, 1844. Jacob van Lennep noteerde als toelichting bij Boschbeek en Groenendaal: ‘Deze beide, door een overweg gescheiden lustplaatsen, behooren aan de Erven van den Heer H.P.Hope. Het heerenhuis  staat op Boschbeek en is een der fraaiste van den omtrek. Het uitgestrekte Goenendaal levert verrukkelijke partijen, en, van het hooge Belvedere, een ruim overgezigt over de omliggende landstreek, de Zee, het Meer, en den IJstroom op’.  

Certificaat van Hope & Comp, Ketwisch & Vroombergh en de Weduwe Willem Borski  over een actie van 100 dollar in de Bank der Vereenigde Staaten te Philadelphia 7 oktober 1842 

Het monumentale Hopetoun huis en tuinen nabij Queensferry, niet ver van Edinburgh in Schotland, waar vandaag de dag nog altijd nazaten van de bankiersfamilie Hope resideren.

Interieurfoto (‘dining room’) van  Hopetoun, tegenwoordig een gewilde trouwlocatie

wapenbord geplaatst bij de trap van Hopetoun

Foto van de bibliotheekkamer in Hopetoun met afgedekte biljarttafel en daarop een maquette van het huis geplaatst.

Fragmentgenealogie van de Schotse Hope’s (Hopetoun) met wie de Amsterdamse Hope’s verwant waren.

Het Bullenhofje, gebouwd onder Adrian Elias Hope, waar het dientpersoneel van Bosbeek woonde, hier op een houtgravure van F.H.van Emmerik

Het Bullenhofje, gebouwd onder Adrian Elias Hope, waar het dientpersoneel van Bosbeek woonde, hier op een houtgravure van F.H.van Emmerik

In Bosbeek/Groenendaal liet Adrian Elias Hope de intussen verdwenen schelpen-nis plaatsen met beeld van een zeenimf aan het eind van de Adriënnelaan, een zogeheten walvisbank en elders in het bos 2 reusachtige aarden potten in een laan vroeger de Pottenlaan genoemd. Deze zijn later aan Amsterdamse opkopers verkocht en waarvoor een wagen met zes paarden nodig was om er één te transporteren. Hij liet niet, zoals lang ten onrechte verondersteld,  een uitkijktoren, de zogeheten Belvedère  bouwen (later in 1863 verbouwd), een inwendig technisch hoogstandje, op een ten dele opgeworpen duin. Die opdracht aan architect John Thomas Hitchcock gaf zijn broer en erfgenaam Henry Philip [Bosbeek-Groenendaal en 500.000 Britse pound uit de nalatenschap van de als krankzinnige opgesloten en overleden Adrian Elias Hope].

Te gebruiken als dienstwoningen voor het personeel is het Bullenhofje met 2 x 5 huisjes gebouwd.

Dr.J.W.Niemeijer schreef in zijn studie “De kunstverzameling van John Hope, opgenomen in het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek  1981, deel 32 (Haarlem, 1982, pagina 169, o.a. het volgende: ‘(…) Intussen was in Holland een betrekkelijke rust weergekeerd. van John’s zonen vestigde zich Adrian Elias in 1802 weer in Amsterdam. Hij kocht van zijn broer Thomas het ouderlijk hui op de Herengracht, en van Henry Philip diens helft in het Haagse huis en in Bosbeek en Groenendaal, waarvan hij de andere helft zelf al bezat. Nederhorst werd verkocht. Hoe het kunstbezit van John Hope nu precies over de verschillende huizen verspreid werd is moeilijk na te gaan. De schilderijen bleven voor het merendeel in Londen, terwijl een klein aantal naar Deepdene verhuisde. Ze waren inmiddels het eigendom van Henry Philip geworden, die als vrijgezel echter een tamelijk ambulant leven leidde, afwisselend verblijvend in zijn Londense huis, nr.1 , Connaught Place, en bij zijn zwager en schoonzuster op Bledgbury Park. Hij liet de schilderijebn dus rustig waar ze waren. Zo bleef de situatie tot in de jaren ’30 van de 19e eeuw. Toen stierven niet lang na elkaar, in 831, 1834 en 1839, de drie zonen van John Hope. Een volgend drietal erfden hun vader en twee ongetrouwde ooms. Voor het schilderijenkabinet betekende het nauwelijks een verandering,  de collectie werd nu eigendom van Henry Thomas Hope. Maar een ander onderdeel van John Hope’s kunstbezit schijnt de bezitswisselingen niet te hebben overleefd: zijn bibliotheek, meer dan 50 jaar bewaard gebleven in het huis op de Herengracht. Of daar ook nog de collectie prenten en tekeningen bij was, waarmee ze bij de verwervingen in één adem genoemd werd, is nog onduidelijk, maar ook zonder dat is het begrijpelijk dat de jonge boekenliefhebber, wiens eerste werk het werd deze 18de-eeuwse bibliotheek te inventariseren, zijn geluk niet op kon. Dat was Frederik Muller (1817-181). Na het overlijden van Adrian Elias Hope, die het grote huis van zijn vader, dat in 1802  zijn eigendom was geworden, nauwelijks zelf bewoond had, omdat hij krankzinnig werd en, zoals Elias (II, 935) schrijft, door zijn familie op Bosbeek opgesloten werd, was het pand in bezit gekomen van zijn broer Henry Philip. Maar deze woonde in Engeland en had het dus een jaar later al weer verkocht. Toen, in 1835, moest het ontruimd worden. Aan de jonge Muller werd opgedragen de boekerij die “in grote verwarring als een hoop zand op zolder lag”, over  te brengen naar Bosbeek/Groenendaal en te catalogiseren. “Dit is een van de genotrijkste tijden uit mijn leven geweest”, schreef hij later, ik was mijzelf niet van geluk, als ik, in de koepel op Boschbeek gezeten, aan het werk was, Ik arbeidde daar weken, en de verrukking die ik daar genoot, maakt mij het hart nog warm”.  Wat het uiteindelijk lot is geworden van Hope’s bibliotheek toen Muller zijn werk klaar had? is zij door de fa. Radink, waar Muler in dienst was, verkocht, geveild? een catalogus heb ik niet gevonden. Allicht is alles niet in de koepel van Bosbeek blijven staan; Bosbeek werd trouwens in 1873 door de Hope’s verkocht’.   

Een afbeelding van Henry Philip Hoe in een typische uitdossing die men eerder van zijn zijn excentrieke broer Adrian Elias zou mogen verwachten

Een afbeelding van Henry Philip Hope in een typische uitdossing die men eerder van zijn zijn excentrieke broer Adrian Elias zou mogen verwachten. Henry Philip schijnt ook excentriek te zijn geweest. Hij liet de belvedere van Groenendaal bouwen naar een ontwerp van John Thomas Hitchcock. Geld was geen enkel probleem, omdat hij alleen al na het overlijden van zijn broer Adriaan Elias een bedrag van 500.000 Engelse pond had geërfd.

Henry Philip Hope (de derde zoon van John Hope) is 8 juni 1774 in Amsterdam geboren en op zijn landgoed Bledglury Park in het graafschap Kent op 5 december 1839 overleden. Hij was lid van de bankiersfirma Hope & Co van 1790 tot 1814. Hij woonde eerst in Den Haag en na 1794 wisselend te Londen, ‘s-Gravenhage en op genoemd landgoed in Kent.

De bezittingen in Heemstede werden beheerd door een rentmeester die in nog bestaande huize ‘Overlaan’ woonde. Hij was populair in Heemstede, vooral bij de regenten van het wees- en arnhuis. In november 1834 schonk hij een gift van ƒ 400,-.; in november 1836 (slachtmaand!) “een extra zware overheerlijke koe”. De huid bracht nog ƒ 8,88 op. In november 1836 volgde een ‘uitmuntende vette koe, wegende 734 pond benevens 75 pond vet’ . De huid van het rund woog 82 pond en bracht ƒ 8,20 op. In november schonk Henry Philip Hope ‘een uitmuntende zware vette koe, wegende aan den balk schoon 393,5 pond en ruim 50 pond vet”. Voor de huid ontving men ƒ 9,25. In 1839 gaf de heer Hope ƒ 100,- voor vlees. In 1839 kwam hij kort voor zijn overlijden met het plan voor een straatweg van Haarlem door het dorp Heemstede naar de Geleerde Man in Bennebroek, welk plan geen doorgang vond.  Aan het bestaande pad zijn toen verbeteringen  aangebracht. In 1840  was deze Hope-telg overleden en bleek dat hij aan het Wees- en Armhuis een legaat van 200 pond Sterling had vermaakt, waarvoor ƒ 2.400,- werd ontvangen [voor die tijd een substantieel bedrag]. Het is dan ook geen wonder dat in het memorieboek van het tehuis werd opgemerkt dat de dood van de heer Hope voor velen een zwaar verlies betekende. Pas in 1846 ontving men wederom van een weldoener een behoorlijk bedrag, namelijk van predikant N.Beets, die 100 pond rijst schonk ‘tot verkwikking onzer zieken, zwakken en hoogbejaarden’. 

A.E.H = Adrian Elis Hope en H.P.H. = Henry Philip Hope. Grenspaal no.16; aangetroffen in de tuin van het vroegere rentmeesterhuis Overlaan (Uit; Heerlijkheden, nummer 159, pagina 25 – foto Henk Kegtering)

Ten aanzien van Adriaan Elias Hope: de man werd alsmaar excentrieker en de plaatselijke bevolking noemde hem ‘Malle Jas’ [Jas als afkorting van Elias]. Zijn grillen waren een doorn in het oog van de andere Hope’s. In zijn tijd zijn o.a. de Walvisbak, de schelpen-nis en twee enorme potten in het bos van Groenendaal geplaatst.Volgens de archieven is hij in opdracht van zijn familie in krankzinnige toestand in Bosbeek opgesloten en aldaar op 16 september 1834 levenloos aangetroffen. In o.a de Rotterdamsche Courant en Opregte Haarlemsche Courant verscheen de volgende advertentie: “Op den 16 September 1834 is op deszelfs Hofstede Bosbeek en Groenendaal, onder Heemstede, in den ouderdom van 62 jaren, overleden de Wel Edel Geboren Heer ADRIAAN ELIAS HOPE.”  Zijn jongere broer Henry Philip werd automatisch de nieuwe eigenaar, maar liet het beheer grotendeels over aan een rentmeester.

Overdracht van gronden en opstallen in bezit van Henry Philip Hope nabij Groenendaal: ‘Westermeer’ en ‘Nieuw Westermeer’ ter hoogte van de algemene begraafplaats aan bloemist J.B.Rijfkogel.

Portret door Bouton van Henry Philip Hope, derde zoon van John Hope en eigenaar van Bosbeek van 1834-1839

Portret door Bouton van Henry Philip Hope, derde zoon van John Hope en eigenaar van Bosbeek van 1834-1839.Was eigenaar van een grote kunstcollectie, o.a. de kostbare Hope-diamant Hij is evenals zijn broer Adrian Elias kinderloos overleden.

Henry Philip Hope; miniatuur door Henry Bone (1756-1834) uit 1802 (in: Museum Cognacq, Parijs)

Portret van Henry Philip Hope

In 1829 vervaardigde Edouard Augustin enkele silhouetjes met Henry Philip Hope, waaronder bovenstaande, tegenwoordig aanwezig in de National Gallery

Overlijdensbericht van Henry Philip Hope uit de Rotterdamsche Courant en de Opr. Haerlemsche Courant van 21-12-1839

Borstbeeld van Henry Philip Hope (1774-1839), diamantenverzamelaar èn kunstverzamelaar van voornamelijk antiquiteiten, aanwezig in het Thorvaldsen museum te Nyso.

berichtje uit 1833 over de beroemde blauwe Hope diamant. Henry Philip overleed in 1839 kinderloos. De diamant ging naar zijn neef Henry Thomas Hope. In 1910 is deze door een nazaat verkocht en deze bevindt zich singd 1958 dankzij een schenking van Henry Winston in het Smithsonian Museum van Washington.  Veel juwelen afkomstig van de Hope-familie bevinden zich n het Victoia en Albert Museum te Londen.

Portret van Henry Philip Hope en de kostbare Hope diamant van 45.52 karaat, afkomstig uit India die hij verwierf. Deze bevindt zich tegenwoordig in het Smithonian Institute in Washington DC.

Afbeelding van: Henry Philip Hope’s ‘A Catalogue of Pearls and Precious Stones’, 1839. Enkel deze catalogus in leren band werd in 2010 bij Bonham geveild voor 40.984 dollar.

Henry Philip Hope woonde wisselend in Londen en Den Haag, en bezocht ook regelmatig zijn buitenhuis Bosbeek. Hij was evenals zijn directe familieleden een zeer vermogend man en beschikte via erfenis en aankopen over een collectie van oude Hollandse meesters, daarnaast een verzameling bronzen, chinees porselein, evenals diamanten en juwelen. Na zijn overlijden ontstond een conflict bij de nabestaanden. Zelf had hij in zijn testament geregeld dat van de drie neven, zonen van Thomas Hope en Lady Berseford, de oudste Henry Thomas Hope de schilderijen zou ontvangen, de tweede Adrian Hope de bronzen en het porselein en de derde Alexander Beresford (het meest kostbare bezit) de diamanten en juwelen. De ruzie die hierover bij de erfgenamen ontstond is beschreven in; Annual Register 1844, volume 86, p.361-368: Alexander Beresford Hope v. Harner and others, executors of Henry Philip Hope.

Henry Philip Hope kocht bovenstaand stilleven, een paneel, in Den Haag aan van Jan Fris (1627-1672). Na zijn dood in 1839 ging het naar zijn neef Thomas Hope (1808-1862), vervolgens naar diens echtgenote Anne Adèle Bichot en via haar naar kleinzoon Henry Francis Hope-Pelham-Clinton-Hope (1866-1943), achtste hertog van Newcastele-under-Lyne, in 1884. In 1889 geveild. momenteel sinds 22-2-2018 aangeboden door veilinghuis Sotheby’s in New York

 

parel1

de Hope parel, vernoemd naar Henry Philip Hope, 454 karaats de destijds grootste barokke zoutwater parel ter wereld

 

parel2

informatie over 2 van de kostbaarste parels: de Hope Pearl en Drexel Pearl

 

parel3

de Hope ‘spinel’ edelsteen, é 0n van de meeste kostbare uit de na de dood Van Henry Philip Hope uiteengevallen verzameling diamanten en andere edelstenen.

Na zijn overlijden kwam een deel van de erfenis terecht bij HENRY THOMAS HOPE, zoon van voornoemde broer Thomas Hope en kleinzoon van John Hope. Onder meer de hofstede Groenendaal-Bosbeek. Deze telg uit het Hope-geslacht gaf opdracht voor de bouw van de belvedère aan architect John Thomas Hitchcock. Voorts in 1840 aan kunstenaar Gerrit Jan Schouten voor een aantal tekeningen/aquarels van van Bosbeek en de uitzichttoren, die uiteindelijk via verzamelaar Paul Mellon in een universiteitscollectie van Yale University in New Haven zijn terecht gekomen. Via de vader is Groenendaal in bezit gekomen van  Adrian John Hope 

 

Bosbeek en Groenendaal nabij Heemstede. Litho van P.J.Lutgers uit circa 1843 die in zijn ‘Gezigten on de omstreken van Haarlem ook o.a. het Paviljoen met daarvoor een hertenkamp in de Haarlemhout tekende en graveerde.

Bij bovenstaande prent evenals van het volgende noteerde Jacob van Lennep in een toelichting: ‘Deze beide, door een overweg gescheiden lustplaatsen, behoren aan de Erven van den Heer H.P.Hope. Het heerenhuis staat op Boschbeek en is een der fraaisten in den omtrek. Het uitgestrekte Groenendaal levert verrukkelijke partijen, en, van het hooge Belvedere, een ruim overzigt over de omliggende landstreek, de zee, het Meer en den IJstroom op.’

gravure van P.J.Lutgers van Groenendaal met het molentje en belvedère. Het pomphuis met de stoommachine was intussen afgebroken.

Met het overlijden van Henry Philip Hope kwam Bosbeek in 1840 (tot 1850) in eigendom van de nazaten van Thomas Hope [= oudste zoon van John Hope], te weten, Henry Thomas Hope, Adrian John Hope en Alexander James Bereforth Hope (1820-1887). Omdat deze in Engeland woonden stond het huis veelal leeg en werd het incidenteel verhuurd. Van 1850 tot 1863 was enkel Adrian John Hope bezitter (overleden 18-12-1863). Met ingang van 1 mei 1855 is het huis ‘Overlaan’ door de gemeente via huur in gebruik genomen als raadhuis [14 oktober 1873 van de nieuwe eigenaar Van Merlen aangekocht voor ƒ 5.000,-] Ten slotte (zoon) Adrian Elias Hope (1845-1919). Deze bood zijn landgoed te koop aan. Op 22 november 1871 is een nauwkeurige omschrijving van alle bezittingen op schrift gesteld van de hofstede Groenendaal en Bosbeek, in totaal getaxeerd op ƒ 208.850,-. Grotendeels betrekking hebbende op huis en tuin en verder zijn de volgende bedragen geregistreerd: belvédère ƒ 1.600,-, biljartkamer [= koepel, een restant van het oude herenhuis Groenendaal] ƒ 2.000,-, bullenhofje met 10 huizen ƒ 3.500,-., boerderij ƒ 2.500,-; molentje en schuitenhuis samen ƒ 650,-; het buitentje Klein Bosbeek ƒ 3.000,-‘een aardappelland ƒ 9.000,-, het raadhuis (Overlaan) ƒ 3.200,-, een jagershuis ƒ 2.400,- etc.

 

borstbeeld

borstbeeld van een jonge Adrian John Hope (1811-1863), vervaardigd door de befaamde beeldhouwer Thorvaldsen

Het was Adrian John Hope die in 1855 voor 250 gulden per jaar het voormalige rentmeestershuis  ‘Overlaan’ verhuurde aan de gemeente Heemstede die het pand gebruikte als raadhuis en veldwachtwoning [tot 1906 toen een nieuw raadhuis gereed kwam].

Adrian John Hope  met Engelse en Nederlandse nationaliteit  is 18 december 1863 in Londen overleden. Gelet op zijn bezittingen in Heemstede en de geschiedenis van zijn voorgeslacht in Amsterdam was het zijn laatste wens in Amsterdam te worden begraven. Dat gebeurde in aanwezigheid van zijn familie ook met de personeelsleden die bij hem in dienst waren geweest 31 januari 1864 in de Westerkerk blijkens een bericht in onder andere het Algemeen Handelsblad van 1 februari 1864. Het grafnummer in de Westerkerk is 233M. In het maandblad Amstelodamum van 1989 ‘een fraaie zerk’ genoemd. Ook Thomas Hope (1779), Adrian Elias Hope (1834) en twee kinderen Hope, overleden op respectievelijk 5 maart 1732 en 30 november 1736, ontvingen een graf in de Westerkerk.

 

Portret van Henry Thomas Hope (1807-1862), was ook eigenaar van de beroemde ‘Hope diamant’ (Look and Learn).

 

Henrythomashope

Bericht van overlijden van de schatrijke Henry Thomas Hope uit de Provinciale Drentsche en Asser Courant, 24-2-1863

 

Stereokaart van Alexander James Beresford Hope (1820-1887), derde en jongste zoon van Thomas Hope. Hij was schrijver van een aantal boeken en conservatief politicus.

Geschilderd portret van Alexander James Beresford Hope (1820-1887)

Op 17 september 1872 heeft onder leiding van van de makelaars A.Langenhuizen, E.H.Coers en J.P.A.Kilsdonk ten overstaan van notaris F.H.Dolleman een inboedelveiling plaatsgehad in het Oude Zijds Heeren-Logement te Amsterdam. Onder de hamer kwamen “uitmuntend ingelegde antieke en andere meubelen, gedeeltelijk stijl Louis XVI, biljart met toebehooren, onderscheidene rijtuigen, tuigen en stalgoederen.” Ook tuinmeubelen, gereedschappen, planten, bloemen, kippen, eenden etc. van Bosbeek zijn toen verkocht.

boekenkast uit Deepdene in de stijl van Thomas Hope

 

In de inleiding op zijn uitvoerige studie van ‘de kunstverzameling van John Hope (1737-1784’ schrijft J.W.Niemeijer: ‘in de zomer van 1917 werd te Londen in een reeks van zes veilingen de inboedel van het buiten Deepdene (Surrey) verkocht, als deel der legendarische ‘Hope Heirlooms’. Twee veilinghuizen hadden samen enkele dagen nodig om successievelijk het zilver en de juwelen, het porcelein en de meubelen, de schilderijen en familieportretten, de wereldberoemde antieke sculptuur en vazencollectie, de bibliotheek en ten slotte alle overige objecten uit het reusachtige huis voor altijd te verspreiden. Deze uitverkoop, gehouden terwijl Engeland diep in de ellende van de wereldoorlog zat, baarde in wijde kring opzien.”One of the greatest sales in the history of Christie’s ‘ zei de “Manchester Guardian”, en een ander blad vroeg zich af “whether a collection so old and so famous should ever be broken up”. Opdrachtgevers voor de verkoop was Lord Francis Pelham-Clinton-Hope (1866-19141), jongere broer van de 7de Hertog van Newcastle, en na diens dood in 1928, zelf erfgenaam van de titel. Hij had Deepdene met al wat er in  en bij hoorde, in 1884 onder bepaalde voorwaarden geërfd van zijn grootmoeder Adèle Hope-Bichat. De veiling van de bibliotheek was misschien niet meest spectaculaire gedeelte van de hele happening -. “Nine tons of books” schreef een journalist van “The Times”, die blijkbaar vooral getroffen was door de kwantitatieve merites van de boekerij, maar insiders wisten dat hun hier de kans geboden werd iets te bemachtigen van de handbibliotheek van Thomas “Atanasius” Hope. Op de derde dag van de veiling 27 juli 1917, kwamen in lot 474 ook drie manuscript-catalogi (van de collectie Hope) onder de hamer, die volgens notities in het catalogus-exemplaar van het Rijksmuseum te Amsterdam, gekocht werden door E.Parsons te Londen. Wat deze antiquaar ermee deed, of hij ze voor zichzelf of in opdracht van derden, is onbekend. Maar in 1947 kwamen ze tevoorschijn op de veiling van “Une colleccion importante d’Amsterdam” (te weten van A.W.Mensing) bij Frederik Muller op 18 april 1947 (nrs. 2097 en 2098). Daar werden ze gekocht door F.Lugt, en deze gaf ze met al zijn andere catalogi in bruikleen aan het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag (…)’. 

In de Haagsche Courant van 21-7-1898 stond een artikel over o.a. de Hollandse collectie van de Hope-familie in Deepdene

beeldengalerij van Deepdene. Aquarel door Perray Williams uit 1825

vervolg van artikel over Deepdene in de Haagsche Courant van 21-7-1898

vooromslag catalogus van beeldhouwwerken en vazen Deepdene Hope collectie 1917

artikel over de in 1917 geveilde Hope collectie-Deepdene (the Illustrated News, 4 augustus 1919

Bericht over het laatste deel van de Deepdene veiling van de Hope-familie in het Algemeen Handelsblad van 11-9-1917. Ook de Telegraaf maakte hier melding van

Buiten reeds vermelde publicaties [Buyst en Niemeyer; laatstgenoemde beschrijft 467 schilderijen, kunstvoorwerpen en antiquiteiten uit het bezit van John Hope] enige andere literatuur gewijd aan 1) Groenendaal, 2) Bosbeek, 3) Paviljoen Welgelegen en 4) de firma Hope en familie Hope.

(Uit een besprekmg van de dissertatie van Marten G.Buist gewijd aan de bankgeschiedenis van Hope & Co. (NRC Handelsblad, 25-10-1989)

(1) Groenendaal (album), samengesteld door Ben van Tongeren. Vereniging Oud Heemstede Bennebroek, 1978; – Groenendaal van buitenplaats tot wandelbos. Historische Vereniging Heemstede Bennebroek. 2013;

(2) Bosbeek Hans Krol. Geschiedenis van het buitengoed Bosbeek in Heemstede en van het adellijk geslacht van Merlen. Heemstede, VOHB, 1987.

Vooromslag van geschiedenis Bosbeek door Hans Krol

aanwinsten Noord-Hollands Archief: 2 gouaches van Bosbeek door Herman Misset (1875-1985). Bijdrage van Klaartje Pompe, in: Heerlijkheden, zomer 2016, nummer 169, pagina 43)

(3) Paviljoen Welgelegen. – Paviljoen Welgelegen 1789-1989; van buitenplaats van de bankier Hope tot zetel van de provincie Noord-Holland. Haarlem, Schuyt & Co, 1989; – Jan Bomans. De villa Borghese in het hart van Holland. Rotterdam,/Tilburg, 1996; –  de Kunstcollectie van de provincie Noord-Holland, onder redactie van Gerrit Bosch. Haarlem, 1996; Noortje de Roy van Zuidewijn. Een huis met geschiedenis, het Provinciehuis in Haarlem. In: Haerlem jaarboek 1975. Haarlem, Schuyt & Co, 1976, p. 65-117; Gerrit Bosch. Een gemakkelijk gebouw; de restauratie/renovatie in 007-2008 van Paviljoen Welgelegen. In: Haerlem jaarboek 2008. Haarlem, Vereniging Haerlem, 2009, p. 152-189; Haarlemmerhout 400 jaar. Haarlem, Schuyt & Co, 1984; Gerrit Bosch. Paviljoen Welgelegen. Buitenplaats, paleis, museum en provinciehuis. Haarlem, 2011.

Vooromslag boek van Gerrit Bosch , gewijd aan Paviljoen Welgelegen, 2009

Vooromslag van een ander boek van conservator Gerrit Bosch over Paviljoen Welgelegen, 2011

 

Vooromslag van ‘De Kunstcollectie van de provincie Noord-Holland’, 1996, samengesteld door de van 1990 tot 2013 gewaardeerde conservator van het Paviljoen Welgelegen Gerrit Bosch

uit: De kunstcollectie van de provincie Noord-Holland; door Gerrit Bosch, 1996, pagina 11.

(4) firma en familie Hope – M.G.Buist. Hope & Co de familie en de firma. In: Spiegel Historiael, januari 976, p. 19-25; – Joh.E.Elias. De vroedschap van Amsterdam 1578-179. 2 delen. Uitgave Haarlem 1903-1905.; – Patricia Böschen. De bankiers De Smeth en Hope en Co en de Romanovs. In: Spiegel Historiael, juni 1989. . p.280-291; – Sandor Baumgarten. Le crépuscule néo-classique Thomas Hope. Parijs, Didier, 1958; – David Watkin. Thomas Hope 1769-1831 and the neo-classical idea. Uitg. John Murray; – Henry William Law and Irene Law. The book of the Beresford Hopes. London, Heath Cranton Ltd, 1925. (1); – Over het Huis Thomas en Adriaan Hope te Amsterdam, in: Amstelodamum 27 (1940), p.27-35; -Herinneringen aan Italië; kunst en toerisme in de 18de eeuw, onder redactie van Ronald de Leeuw. Zwolle, Waanders, 1984; verschenen in samenwerking met het Noordbrabants museum ‘s-Hertogenbosch, kasteel Nijenhuis Heinoo en Frans Halsmuseum Haarlem (2).

Hope in the East; a Dandy on the Grand Tour [= Thomas Hope], in: Cornucopia, issue 5, volume 1, 1993/1994

vooromslag van boek door David Watkin:Thomas Hope and the neo-Classical Idea.

(1) Citaat uit pagina 270-271: ‘The sons of John Hope lived in their father’s house in the Heerengracht until 1794, when they fled to England at the approach of the French invaders. With Thomas and Henry Philip we have aleady dealt. Adrian Elias, born in Amsterdam on July 8th, 1772, was a Commissary of the town  in 1794, but when he escaped to Enland his office was declared vacant by the Burgomaster. He returned to Amsterdam in 1802 and bought from his brothers their shares in the house in the Heerengracht and in the estate of Bosbeek, and thenceforward divided his time between these places. He was unmarried and in later years became excentric and died inestate at Bosbeek on September 16th 1834. All three brothers were sleeping partners in the family firm untill 1814 when they sold their interest to Alexander Baring, head of Bariing Brothers, thus closing the family connection with Holland and the great days of Hope & Co (…)’.  

Tekening van de ijskelder op Bosbeek; door Jurriaan Andriessen (NHA)

(2) Uit deze uitgave blijkt dat John Hope die in Italië samen reisde met zijn neef Oliver Hope daar in 1760 Hendrik en François Fagel en van laatstgenoemde diens Zwitserse gouverneur Salomon Tavel ontmoette. Travel schrift in zijn dagboek dat hij de jonge John wel sympathiek vindt. ‘Hij bezit “gevoel” voor de schone kunsten, in het bijzonder voor de architectuur, wat pretenties en affectaties die met het ouder worden en de ervaring gecorrigeerd kunnen worden, maar ook heeft hij een melancholiek humeur dat wel eens zou kunnen verergeren en hen zou kunnen verhinderen te genieten van het goede dat zijn situatie in het leven hem anderszins schijnt te beloven’ . De oudere Olivier Hope vindt Tavel echter een echte fat. Terwijl de een zich de airs van een Fransman aanmeet en zich daarom juist in Italië weinig geliefd maakt, en de ander de Engelsman uithangt, hebben ze – aldus Travel – allebei ongelijk zich zo te gedragen: “ze danken hun hele fortuin aan Holland, dat in de grond der zaak hun enig vaderland is”.’ Hendrik Fagel bericht  in zijn ‘Journaal, deel V, p.105-106, 1761) dat John Hope  bij Macpherson kocht een ‘Venus geheel naakt leggende op een Rustbedde met eenige bloemen in haar regterhand….Zynde een Extra Copy van het orgineel van Titiano Vecelli, berustende in de rotunda, in de galery te Florence’. Fagel schrijft verder dat onder de Nederlandse Grand-tour toeristen alleen John Hope zich onderscheidt door grootscheepse aankopen. Hij verwierf in 1761 in één klap maar liefst 26 gezichten op Venetië van de hand van Antonio Visentini.

Antonio Visentini (1688-1782): fantasie van klassieke architectuur

Deze kunstenaar is het bekendst geworden als graveur van de veduten [ een venduta is een zeer gedetailleerd schilderij, veelal op groot formaat, van een stadsgezicht of ander ergezicht] van Canaletto. ‘J.G.Links acht het in zijn boek ‘Canaletto and his patrons” (London, 1977) onwaarschijnlijk dat Visentini, die in dienst was bij consul Smith, ooit zelfstandig als vedutenschilder werkzaam was. Hope’s  inventaris laat echter niets aan duidelijkheid te wensen over, en bevestigt een opmerking van van de Engelse kunstenaar-dagboekschrijver Joseph Farrington, die in 1797 ook een schilderij van Visentini zag, en dat beschreef als “much in the stye of Canaletto and Marieski”. (…) Hope’s collectie bevatte voorts twee landschappen van de Venetiaan Zuccarelli en enkele Van Wittels. De laatste verwierf hij echter niet in Italië en schijnt hij ook spoedig weer van de hand te hebben gedaan. Hope kon echter dankzij enkele Italiaanse markttaferelen van Lingelbach, twee gezichten op Tivoli van Isaac de Moucheron of een stel Romeinse veduten van Van der Ulft zijn herinneringen aan Italië levend houden”. Ronald de Leeuw schrijft verder: ‘Portretten van Nederlanders op Grand Tour, zelfs door mindere grootheden geschilderd, zijn zeer zeldzaam. François Fagel zat bij Batoni voor een miniatuurportret, dat ons helaas niet meer bekend is. J.W.Niemeijer heeft enkele dergelijke portretten opgesomd in zijn artikel over John Hope: het portret van Aernout Leers, Heer van Ameyden en Herlaer en dat van Otto Frederik graaf van Lynden, beide van de hand van Domenica Dupra (1689-1770)’. 

Atelier van Bartolomeus Cavaceppi, waar replica van antieke beelden werden vervaardigd [illustratie uit diens ‘Raccolta d’antiche statue..’, 1769 ]

In 1778 bestelde een aantal afgietsels van beroemde beelden uit de klassieke oudheid bij C.Morrison in Rome. Zijn neef Henry Hope liet eveneens in Rome, niet minder dan 12 loden kopieën naar beroemde beelden gieten door Francesco Righetti in Rome, waaronder een kolossale Laokoon-groep. Penningen en vooral gesneden stenen (gemmen en cameeën)  hadden John Hope’s bijzondere interesse.‘Al in 1761 werd door Pichler de Oude in Rome een “hoofd van Medusa, regt van voren te zien, in een zeldzame witte en rode gstreepte “onic camea”speciaal voor John Hope gemaakt. Naast originele gemmen bezat Hope ook een collectie van “byna 2.500 zeer nette afgietsels in rood sulpher, van antique & van een Lyst daarby”. Deze waren gevat in een “rood houte Cabinek met Laden”. Vaak waren ze per onderwerp gerangschikt in dozen in boekvorm of in prachtige meubeltjes, zoals bij de monumentale dactyliotheek’van Lippert’. In een opgenomen catalogus is onder Rome vermeld: ‘Tot de geliefdste aankopen van Nederlandse Italiëreizigers behoorden tafelbladen van lavasteen of kostbare en kleurige marmersoorten (…) John Hope bezat een hele reeks tafels van de meest uiteenlopende steensoorten, waarvan enkele in zijn aanwezigheid in de Villa Hadriana in Tivoli waren opgegraven’. 

voorbeeld van een daktilyliotheek

In 1891 kwam via Lord Francis Pelham Clinton-Hope een groot deel van de collectie oude Hollandse en Vlaamse meesters in bruikleen bij het South Kensington Museum in Londen. Deze instelling bezit het grootste deel van de diamantenverzameling afkomstig van de in 1839 overleden John Henry Hope (De Vlaamsche Kunstbode, 1891)

Literatuur betreffende buitenlandse bezoekers aan John Hope (en Henry Hope) in Amsterdam en/of Heemstede

De gemeenschappelijke kunstverzameling van John Hope en zijn oom Adrian Hope (in 1781 overleden en overgegaan naar John die in 1784 overleed waarna een groot deel ging naar Johns’ neef en mede-firmant Henry, ten dele ook na overlijden van Johns echtgenote naar hun drie kinderen. De verzameling bevond zich tot circa 1782 op het adres aan de Keizersgracht in Amsterdam. [vervolgens grotendeels  in kisten ingepakt naar Groenendaal overgebracht]. Tot de bezoekers in Amsterdam behoorden o.a. de koning Gustaaf III van Zweden in 1780, keizer Jozef II van Oostenrijk in 1781 en tsaar Peter de Grote in 1782.

Bericht van bezoek tsaar Peter de Grote en echtgenote [hier genoemd ”Graaf en Gravin van het Noorden’] aan o.a. de schilderijenverzamelingen van John Hope en van Van Brienen in Amsterdam (Diemer- of Watergraafsmeersche Courant, 22-7-1782)

Advocaat, diplomaat en reiziger Louis-Charles Desjobert (1751-1822) was in 1777 zeer onder de indruk van de museumcollectie, zoals dat in 1781 evenzeer gold voor de Engelse kunstschilder Joshua Reynolds. Meermaals heeft prins Frederik Hendrik van Pruisen – een verzamelaar van kunst en boeken – John Hope bezocht, en gebruikte dan het middagmaal, volgens graaf  Lehndorffwerden zij steeds op elegante wijze ontvangen door mevrouw Hope,

-Dr.J.W.Niemeijer kon aan de hand van een gevonden brief in het Koninklijk Huisarchief aantonen dat in de zomer van 1773 John Hope op Groenendaal de Duitser Franz Michael Leuchsenring (1746-1827)  ontving, Hofraad van de Landgraaf van Hessen-Darmstadt en behorend tot het gevolg van de Erfprins Lodewijk, die in Leiden studeerde. Leuchsenring vraagt in juni van dat jaar in een brief het antwoord daarop  maar te willen zenden naar “Grounendahl campagne de Mr. Hope pres de Haarlem, ou j’irai diner apres demain”. [Eerder verbleef de Duitse klassieke filoloog J.J.Reiske tussen 1738 en 1748 regelmatig op Groenendaal bij de toenmalige eigenaar professor Jacob Philippe d’Orville. In 1783 schreef hij ‘D’Orville liess mich auf seinen Buytenplatz oder Landgut Groendal genannt (das zwiscge Leydn und Haarlem liegt, eine weile von den letzten Orte) kommen’. 

-Van de Zweed Jac.Jonas Björnstahl verschenen tussen 1777 en 1783 in Rostock en Leipzig (vertaald uit het Zweeds)  in  6 banden: ‘Briefe auf Reisen durch Frankreich, Italien, die Schweiz, Deutschland, Holland, England, und einen Theil der Morgenländer. Vermeld wordt een bezoek aan de schilderijenverzameling van John Hope.

-Van Louis Dajobert is ‘Voyage aux Pays-Bas en 1778. Edité par le Vicomte de Grouchy. Ook hij bezocht de schilderijenverzameling van John Hope in Amsterdam. [zie ook: de Navorscher, 1909, 1910, 11 [7 Juin 1778]

-Dr.J.W.Niemeijer, in ‘Kunstverzameling van John Hope’: ‘Onder de buitenlandse bezoekers die  Hope’s  schilderijen kwamen bezoeken was de Russische Prins Alexander Koerakin zeker één der allereersten.

Alexander Koerakin (1752-1818), onder een buste van tsaar Paul 1, geschilderd door Vladimir Borovilovski

 

Hij studeerde hier in Leiden en uit zijn “Souvenirs de voyage en Hollande et en Angleterre’ blijkt dat hij tussen 23 augustus en 20 september 1771 een dag of acht in Amsterdam was, waar hij ook Hope & Co. bezocht. Deze behartigden zijn fnanciën hier en waren door hun goede relaties in Rusland in staat de jonge Prins credietbrieven op zijn Europese reizen mee te geven. Hij ziet de schilderijen een paar maanden nadat uit Rotterdam het Kabinet Bisschop was aangekomen, en dit met de aankopen uit de collectie Braamcamp was uitgebreid. Het was toen nog gemeenschappelijk bezit van John Hope en zijn oom Adriaan Hope en Koerakin noemt alleen de senior partner:”M.Adriaen Hoop, grand amateur de peinture, a rassamblé, avec beaucoup de soins et a grands frais, un cabinet de tableaux qui me parait devoir devenir un des plus riches et des plus beaux de la Hollande. Les Hoop ont pour vrais chefs de leur maison Adrien et son frère, qui, aidés de leurs trois neveux, dirigent les comptoirs d’Amsterdam et de Rotterdam. Ils se bornent pas aux negoces de change, ils spéculent encore sur les marchandises, et ce dernier négoce a été la source principale de l”accroissement rapide de leur fortune. Malgr  leur opulence, l”esprit d’ordere et d” économie est la base de toutes leurs affaaires. Hoop, échevin [=schepen] d’Amsterdam – hier is het dus weer John – a épousé une van der Houff [= van der Hoeven} de Rotterdam, soeur de Mme Chanquion, de Leyde”.’ [bron gevonden door de heer J.Th.de Booy te Roozendaal, onbekend aan: J.N.Jacobsen Jense: Reizigers te Amsterdam. Amsterdam, 1919 met een supplement uit 1936, vornamelijk gebseerd op publicaties aanwezig in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam]. 

-De Engelse kunstschilder Joshua Reynolds, ook goed bekend met Henry Hope voor wie hij een familieportret vervaardigde bezocht in 1781 in Amsterdam het stadhuis, het admiraliteitsmagazijn, het anatomisch theater en enkele schilderijencollecties waaronder die van John Hope. [In 1885 door Henry Will. Beechy gepubliceerd in ‘The literary works of Joshua Reynolds]. De privé museumcollectie werd door Reynolds   ‘acknowledged as the first in Amsterdam’

-Baron de Frenilly (1768-1823) publiceerde zijn ‘Souvenirs’ van 1786 met bezoeken aan de Fransche Schouwburg en de Duitsche synagoge. Hij dineerde ten huize van bankier John Hope.

-Van John Sinclair verscheen in 1831 in 2 delen in Londen: ‘The correpondence – with reminiscences of the most distinquished characters who have appeared in Great-Britain, and in foreign countries, during the last fifty years. Hij roemt de gastvrijheid en welwillende ontvangt van de hoofden der bankiershuizen Hope, Wilkinson, Muilman, van en Bosch en bezocht de beroemde bibliotheek van de koopman Crevenna.

-Van de Duitse natuurgeleerde en schrijver Georg Forster zijn ‘Ansichten vom Niederhein, von Vrabant, Flandern, Holland und Frankreich’ in 1790 gepubliceerd. Hij bezocht de bankier Henry Hope  en bezocht diens vorstelijk huis in Haarlem.

-Samuel Ireland publiceerde ‘A picturesque tour through Holland, Brabant and part of France, made in the autumn of 789. In deel 2, p.124-125 noemt hij de schilderijenverzameling van mevrouw Hope-van der Hoeven. ‘We were likewise introduced to the house of mrs. Hope, a widow lady, who has an excellent well chosen colleccion of cabinet pictures, all by the best msters, and in fine preservation’. 

ingekleurde gravure van Welgelegen ‘de villa van Mr. Hope near Haarlem’, opgenomen in het boek van Samuel Ireland, 1790.

In 1970 verscheen als uitgave van de Bank en Assurantie Associatie N.V. een gedenkboek over de bank Mees en Hope 1720-1970., in het jaar dat 250 jaar daarvoor de basis werd gelegd voor de Rotterdamse bankiers- en assurantiemakelaarsfirma R.Mees & Zoonen, in 1962 gefuseerd met bankiershuis Hope & Co [tevens geassocieerd met De Nederlandse Overzee Bank N.V., waarmee in 1968 volledig is samengegaan]. Onderstaand 2 pagina’s uit deze publicatie.

 

meeshope1

uit gedenkuitgave Mees en Hope 1720-1920, pagina 18

vervolg uit gedenkuitgave Mees & Hope, pagina 19.

=======================================

carte-de-visite van J.B.van Merlen

Carte de visite van Jean Baptiste van Merlen (1833-1909), circa 47 jaar (Binger-Haarlem)

De onderhandelingen over het landgoed met de belangrijkste gegadigde, de familie Van Merlen-Visser, liepen via notaris J.W.H.H.Druyvesteyn in Amsterdam die meermaals naar Londen reisde om met de makelaar van Hope te onderhandelen. Uiteindelijk is men het eens geworden over een bedrag ter hoogte van ƒ 210.000,-. en had op 31 januari 1873 de overdracht plaats. Koper was feitelijk mevrouw Clasina Alida Visser, met geld van haar vader Gerrit Visser van Hazerswoude, die een vermogen beheerde dat door voorouders in de Zaanstreek was verworven. Met deze transactie is een nieuwe periode van bloei ingeluid voor Bosbeek. Na een korte loopbaan bij de cavalerie zou jonkheer J.B.van Merlen vanaf 1873 als beroep ‘grondeigenaar’ invullen. Hij gaf opdracht door het landgoed een vaart te graven en een brug te bouwen (allebei naar hem genoemd). Van het dienstpersoneel hebben drie generaties De Wilde als ‘tuinbaas’ op Bosbeek gewerkt [overigens ook op Huis te Manpad]

 

overzicht

Overzicht van papieren betreffende Bosbeek (inclusief Groenendaal) in het Noord-Hollands Archief van 1784 tot 1835. In 1873 ten slotte door de erven Hope verkocht aan het echtpaar Van Merlen-Visser van Hazerswoude. Omvattende o.a. de hofstede  Bosbeek met herenhuis, stalling, oranjerie, tuinmanswoning, koepel, ijskelder ‘en verder getimmerten’. Voorts een boerenwoning vanouds geweest zijnde een hofstede, genaamd Overtoorn met stalling voor koeien en paarden, schuren, hooiberg en landerijen, in totaal ruim 21 bunders,  huize Overlaan, evenals een perceel teel- of aardappelenland van 1 bunder, 66 roeden en 80 ellen nabij de Binnenweg.

Huize Overlaan, hier op een prentbriefkaart uit 1912, hoorde vroeger bij Bosbeek-Groenenendaal, Het is vanaf 1855 verhuurd aan de gemeente door Hope in 1905 voor ƒ 5.000,- doorverkocht aan de gemeente die op de nabijgelegen grond het nieuwe raadhuis liet bouwen

 

De heer J.B. van Merlen en mevrouw C.A. Van Merlen – Visser van Hazerswoude voor het huis Bosbeek omstreeks 1905

Bericht over een zeldzaam jubileum van hoveniersgeslacht De Wilde in het Algemeen handelsblad van 16 september 1907 De gelijknamige zoon A. de Wilde volgde voor ruim 30 jaar zijn vader op als tuinman van de nieuwe eigenaar jonkheer J.B. van Merlen.

In 1909 is jonkheer J.B. van Merlen overleden en drie jaar later zijn echtgenote, vrouwe C.A. Visser van Hazerswoude. Erfgenamen waren hun vier kinderen: 1. jonkheer mr. Bernard Cornelis van Merlen, ex-burgemeester van Heiloo, te Bilthoven; 2. jonkvrouw Adriana van Merlen en haar echtgenoot George Conrad Everwijn Lange, dijkgraaf van de Haarlemmermeer, 3. jonkvrouw Margaretha Diederica van Merlen, gehuwd met Jakob Fontein, lid van de firma Guépin en van der Vlugt in Haarlem, 4. jonkheer Jean Baptiste van Merlen, electro-technisch ingenieur te Cöthen (Duitsland).

Uitvaart J.B.van Merlen (uit: Geillustreerd Zondagsblad van de Nieuwe Haarlemsche Courant van 6 maart 1909)

 

Enschede2

Toegang naar grafkelder Van Merlen (J.P.Teengs)

 

 

grafkelder

interieur grafkelder van Merlen

 

Op 27 maart 1913 is met algemene stemmen door de gemeenteraad van Heemstede Bosbeek-Groenendaal (62 hectare + percelen elders ongever 12,5 hectare) voor  318.000 gulden  exclusief overdrachtskosten. Van Groenendaal is een openbaar wandelbos gemaakt.

Verkoop van Bosbeek aan Ch.F. van de Poll. Uit: De Telegraaf van 24-2-1915.

Verkoop van Bosbeek aan Ch.F. van de Poll. Uit: De Telegraaf van 24-2-1915.

Bosbeek kwam in 1915 in eigendom van jonkheer Charles Fredrik van de Poll (tot 1919), directeur van de ‘Haarlemsche Katoenmaatschappij'(voorheen ‘de fabriek van Prévinaire’) en vervolgens van de heer P. Smidt van Gelder, papierfabrikant en kunstverzamelaar tot hij met zijn vrouw naar Zwitserland verhuisde.

Portret uit 1905 van jonkjeer Charles Fredrik van de Poll (1855-1936)

Portret uit 1905 van jonkheer Charles Fredrik van de Poll (1855-1936)

Pieter Smidt van Gelder (1878-1956). Een erfenis stelde hem in staat de papierfabricage vaarwel te zeggen om te reizen en in Antwerpen het verzamelen van kunst

Pieter Smidt van Gelder (1878-1956). Een erfenis stelde hem in staat de papierfabricage vaarwel te zeggen om te reizen en na Parijs in Antwerpen het verzamelen van antiek en kunst voort te zetten.

Portret van Pieter ridder Smidt van Gelder op latere leeftijd. Hij is geboren op 10 maart 1978 in Wormerveer en is 11 december 1956 te Antwerpen overleden.

Portret van Pieter ridder Smidt van Gelder op latere leeftijd. Hij is geboren op 10 maart 1978 in Wormerveer en is 11 december 1956 te Antwerpen overleden.

In 1921 liet P.Smidt van Gelder, eigenaar van Bosbeek, een deel van zijn verzameling antiquiteiten veilen bij Frederik Muller in Amsterdam (NRC, 26-11-1921)

In 1921 liet P.Smidt van Gelder, eigenaar van Bosbeek, een deel van zijn verzameling antiquiteiten veilen bij Frederik Muller in Amsterdam (NRC, 26-11-1921)

[Pieter Smidt van Gelder, uit een geslacht van papierfabrikanten, was een zoon van de familie Pieter Smidt van Gelder-Kaars Sijpesteyn die van 1904 tot 1921 op de Hartekamp woonde. Dankzij een erfenis kon hij zich vanaf 1908 wijden aan zijn grote passie: het verzamelen van kunst. Hij trouwde in 1912 met Elisabeth Cecilia Jacoba Dolleman (1879-1955), lid van een bekend Heemsteeds geslacht. Het huwelijk is in 1922 door echtscheiding ontbonden. In 1919 was hij eigenaar geworden van Bosbeek maar 5 jaar later verkocht hij het buiten om naar Zwitserland te verhuizen, maar zich al spoedig in Parijs te vestigen. Pas op bijna 60-jarige leeftijd kocht hij een prachtig herenhuis in het centrum van Antwerpen, in 1905 gebouwd in opdracht van de Antwerpse bankier Edouard Thijs. Hiervan maakte hij een privé-museum. In 1949 schonk hij huis alsmede kunst- en antiekcollectie aan de stad Antwerpen en op 11 maart 1950 is het Museum Ridder Smidt van Gelder voor het publiek geopend. In 1987 brak in het pand een brand uit en het museum is mede als gevolg van bezuinigingen gesloten. De verzameling bevindt zich tegenwoordig in het nieuwe museum Mas. In 1949 was P.Smidt van Gelder genaturaliseerd tot Belg en in 1954 werd hij door koning Boudewijn in de erfelijke adelstand verheven, met de persoonlijke titel van ridder].

In 1924 is het aangekocht door de joodse bankier F.B.E.Gutmann, die een prachtige verzameling oude schilderijen en antiquiteiten bijeenbracht en evenals zijn echtgenote door de nazi’s in een concentratiekamp is omgebracht.

Salon Bosbeek op foto uit 1928 (Rijksdienst Cultureel Erfgoed)

Salon Bosbeek op foto uit 1928 (Rijksdienst Cultureel Erfgoed)

Na de oorlog fungeerde het pand enkele jaren als opvoedingshuis voor kinderen wier ouders ‘fout’ waren geweest en in interneringskampen in afwachting van berechting zijn opgesloten. Sedert 1951 is op Bosbeek een zorgcentrum en verpleeginrichting van zusters van ‘de Voorzienigheid’ (Sint Hiëronymus Aemilianusstichting) gevestigd. In het tweede deel van het in 1987 verschenen boek over de geschiedenis wordt de familiegeschiedenis verhaald van het sedert 1950 in de mannelijke lijn uitgestorven adellijke geslacht Van Merlen.

(1) J.W.Niemeijer. ‘De kunstverzameling van John Hope (1737-1784)’, in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek. Deel 32 (Haarlem, 1982, blz. 127-230). Omtrent het bankiershuis Hope en Co verscheen een engelstalig proefschrift van Marten G.Buist: ‘At spes non fracta’Hope en Co. 1770-1815’, uitgegeven door de bank Mees en Hope in 1974.

Luchtfoto van het Bosbeek-complex uit ongeveer 1970. Met herenhuis en uitbreiding met verpleeghuis en rustoord van de zusters van 'de Voorzienigheid'

Luchtfoto van het Bosbeek-complex uit ongeveer 1970. Met herenhuis en uitbreiding met verpleeghuis en rustoord van de zusters van ‘de Voorzienigheid’

Foto van Aerocarto uit 1961 van Bosbeek en na 1951 aangebouwde accommodaties zoals kapel, klooster, rust- en verpleeghuis

Foto van Aerocarto uit 1961 van Bosbeek en na 1951 aangebouwde accommodaties zoals kapel, klooster, rust- en verpleeghuis

HET GESLACHT VAN MERLEN

Beknopte stamreeks Van Merlen

1. Marcelis Roelofs, burger van Grave. Overleden tussen 1530 en 1535.

2. Otto Marcelis Roelofszoon. Grave. Overleden in 1584.

3. Dirck Otto Roelofs; komt sedert 1571 voor onder naam Dirck van Merlen; vestigde zich 1566 in Antwerpen. Procureur. Overleden aldaar in 1603.

4. Abraham Dirckszoon van Merlen (1579-1660), kunstgraveur in Antwerpen.

Ingekleurde gravure van Maria en kind door Abraham van Merlen (1579-1660), leerling van Adrian Collaert

Ingekleurde gravure van Maria en kind door Abraham van Merlen (1579-1660), leerling van Adrian Collaert

5. Dirck (Theodorus II) van Merlen (1609-1672), kunstgraveur

Gravure door Theodorus van Merlen (1609-1672), vervaardigd in Antwerpen

Gravure door Theodorus van Merlen (1609-1672), vervaardigd in Antwerpen

6. Dirck (Theodorus III) van Merlen (1661-1748), kunstgraveur

7. Edmundus Bernardus van Merlen (1709-1746)

8. Bernardus Josephus Antonius van Merlen (1746-1819)

 

9. Joannes Baptista van Merlen (* 11 mei 1772 Antwerpen, overleden 18 juni 1815, baron de l’Empire, generaal-majoor der cavalarie. Geboren in Antwerpen; gesneuveld op het slagveld van Waterloo. 1799 gehuwd met Reina Gesina Star Lichtenveld in Sappemeer. Uit dit huwelijk 1 zoon.

Litho uit 1850 naar het schilderij van J.W.Pieneman; 'De slag van Waterloo 18 juni 1815' in het Rijksmuseum. Te paard in het midden de hertog van Wellington. Links wordt de gewonde prins van Oranje weggedragen. Helemaal rechts staande naast de man te paard met Sabel (=kolonel Colborn) zien we v.l.n.r. generaal J.B.van Merlen, generaal Wood, generaal Chassé en luitenant-kolonel Tielen

Litho uit 1850 naar het schilderij van J.W.Pieneman (1779-1853): ‘De slag bij Waterloo 18 juni 1815’ in het Rijksmuseum. Te paard in het midden de hertog van Wellington, bevelhebber van de Brits en Nederlandse toepen (Von Blücher was dat voor de Duitse/Pruisische soldaten). Links wordt de gewonde kroonprins Willem II van Oranje weggedragen. Helemaal rechts staande naast de man te paard met een sabel in zijn rechterhand [= kolonel Colborn, kolonel bevelhebber 52ste regiment] zien we verdervan links naar recht voorgesteld: generaal J.B.van Merlen, generaal Wood, generaal Chassé en luitenant-kolonel Tielen

10. Jonkheer Bernard van Merlen (1800-1890). Geboren in Groningen; overleden te Haarlem. Generaal-majoor der cavalerie. In 1827 gehuwd met Gerigje Adriana van Everdingen in Deil. Uit dit huwelijk van dochter en 1 zoon.

Generaal Bernard van Merlen (1800-1890) de oude (oud geworden). Circa 1875 (75 jaar)?

Generaal Bernard van Merlen (1800-1890) de oude (oud geworden). Circa 1875 (75 jaar)?

Heraldisch wapen van generaal Bernard van Merlen

11. Jonkheer Jean-Baptiste van Merlen (1833-1909). Geboren in Deil; overleden in een inrichting te Ermelo. 1e luitenant der cavalerie; gemeenteraadslid Heemstede; lid Provinciale Staten van Holland; verder o.a. hoofdingeland en heemraad van de Beemster, hoofdingeland Haarlemmermeerpolder en hoofdingeland van Rijnland. Op 17 september 1859 in Heemstede (buiten gemeenschap van goederen) gehuwd met Clasina Alida Visser in Heemstede, een dochter van de schatrijke Gerrit Visser van Hazerswoude.  Uit deze echtverbintenis twee zonen en twee dochters. In 1887 was jonkheer van Merken als rijkste persoon in de provincie Noord-Holland aangeslagen in de belastingen voor en bedrag van ƒ .6424,24

12. Jonkheer mr. Bernard Cornelis van Merlen (1862-1942).

jonkheer Bernard Cornelis van Lennep als student in de rechten bij professor Noorthey. Hij promoveerde in 1890 tot doctor in de rechtswetenschap te Utrecht

jonkheer Bernard Cornelis van Merlen (1862-1936) als student in de rechten bij professor Noorthey. Hij promoveerde  tot doctor in de rechtswetenschap te Utrecht: ‘Eenige opmerkingen over art. 266 strafrecht (Utrecht, Lentz & en Haan, 1890).

Geboren te Haarlem, overleden in Bilthoven. Was o.a. van 1896 tot 1905 burgemeester en secretaris van Heiloo, waar een straat naar hem is vernoemd. In 1898 gehuwd met Carolina van Notten in Urecht. Uit dit huwelijk 1 zoon en 1 dochter (laatstgenoemde baronesse van Till in 1990 te Heemstede overleden.

merlen

Portret van Carolina van Merlen-van Notten (1871-1971), echtgenote van jhr. Bernard Cornelis van Merlen (1862-1942; was burgemeester van Heiloo], met kinderen: jhr.Jean Baptiste van Merlen (1899-1923) en jkvr. Arnolda van Merlen (1901-overleden in Heemstede 28 mei 1990), was gehuwd met Willem Ernst baron van Till (1899-1942). (foto Utrechts Archief)

13. Jonkheer Jean-Baptiste van Merlen (1899-1923). Geboren in Heiloo; overleden in De Bildt.

Jean Baptiste van Merlen (1899-1923) en zuster Arnolda van Merlen (1901-1990)

Jean-Baptiste van Merlen (1899-1923)

N.B. Met het overlijden van jonkheer Jean-Baptiste van Merlen in 1950 (tweede zoon van jhr. Jean-Baptiste van Merlen van Bosbeek) is de Nederlandse adellijke tak Van Merlen uitgestorven.

Het voorgeslacht van J.B. van Merlen gaat terug naar Grave (begin 16e eeuw), waarbij leden van dit geslacht voorkomen als Van Merler en Van Merlair. [Zoals in het verleden gesuggereerd is er geen relatie met Merula].  Dirck van Merlen (zoon van Otto en geboren circa 1640 te Grave) oefende het beroep van procureur uit en vestigde zich in Antwerpen en in 1603 overleed. Zijn afstammelingen bleven 6 generaties in Antwerpen wonen, huwden met Zuidnederlandse vrouwen. Deze familie heeft talrijke kunstgraveurs in Antwerpen voortgebracht. De Belg Alphonse Goovaerts beschrijft in de Biographie Nationale de Belgique, deel 14, 1897, min of meer uitvoerig acht leden uit dit geslacht. De bekendsten zijn: Abraham van Merlen (1579-1660), zoon van Dirck van Merlen, tekenaar, plaatsnijder en drukker. Hij was leerling van Adriaan Collaert en graveur van religieuze voorstellingen Jeroen Wiericx.

Gezicht op Parijs. Ets door Abraham van Merlen uit 1640

Gezicht op Parijs. Ets door Abraham van Merlen uit 1640

Het graveren en de handel in prenten legde hem geen windeieren. Hij liet 18.000 gulden na, voor die tijd een aanzienlijk fortuin. Tot zijn leerlingen behoorden zijn broer Jonas van Merlen (1578 – vòòr 1622), die tevens schilder was en in Amsterdam werkte. Ook zijn oudste zoon Theodoor/Dirk II (1609-1672) ontwikkelde zich tot een uitnemend graveur van losse prenten met afbeeldingen van heiligen, ook bidprentjes e.d., of bedoeld als boekillustratie.

St.Helea. Ets door Theodoor II van Merlen

St.Helena. Ets door Theodoor II van Merlen

De zonen van Theodoor II, Theodoor III (1661-1748) en Cornelis van Merlen (1654-1723) hebben het grafisch werk van hun vader voortgezet.

Sint Lambertus gegraveerd door Cornelis van Merlen

Sint Lambertus gegraveerd door Cornelis van Merlen

Portret door Cornelis van Merlen van William Ireland (1636-1679), een Jezuïet en martelaar uit Lincolnshire. Onder koning Karel II geëxecuteerd

Portret door Cornelis van Merlen van William Ireland (1636-1679), een Jezuïet en martelaar uit Lincolnshire. Onder koning Karel II geëxecuteerd

Plaatsnijder/prenthandelaar Theodoor/Dirk III van Merlen was overigens in tegenstelling tot zijn voorvaders middelmatig getalenteerd. Geen van de 12 kinderen heeft de loopbaan van hun voorouders gevolgd, waarmee een eind kwam aan de eens zo florerende Antwerpse grafiekdynastie der Van Merlens. Een kleinzoon van genoemde Dirk III was Bernardus Josephus Antonius van Merlen, die o.a. een functie vervulde bij de stad Antwerpen. Dit echtpaar Van Merlen-Ligeois kreeg veertien kinderen, zeven zonen en zeven dochters. Jean Baptiste van Merlen, geboren in mei 1772 is de grote zoon van de familie geweest, de beroemde generaal van keizer Napoleon, die zich later bij de geallieerden aansloot en tegen zijn vroegere meester vocht, wat behalve voor de keizer ook van Merlen’s Waterloo is geworden. Hij is de grootvader van jonkheer Jean-Baptiste van Merlen van Bosbeek.

 

De voornaamste graveurs uit het Antwerpse geslacht Van Merlen zijn: 1) Abraham van Merlen (1579-1660), 2) Theodoor van Merlen (1609-1672), 3)Cornelis van Merlen (1654-1723) en Guillermus van Merlen (1779-1872).

Joannes Baptista van Merlen (1772-1815), een generaal gedood door zijn vroegere makkers

Gravure van generaal-majoor J.B. van Merlen

Gravure van generaal-majoor J.B. van Merlen

Al op 16-jarige leeftijd trad de jonge Jean-Baptiste van Merlen als vrijwilliger in dienst van de Staten van Brabant, binnen twee jaar opgeklommen tot onderluitenant. Zijn militaire loopaan verliep voorspoedig. In 1792 is hij overgeplaatst in het 1e Belgische regiment in Franse dienst. Hij nam deel aan verschillende veldslagen en is spoedig bevorderd tot ritmeester. In de slag bij Lincelle raakte hij voor het eerst gewond. Na herstel nam Van Merlen deel in het leger van generaal Pichegru, snel achtereen de Hollandse steden innemende, zoals ‘s-Hertogenbosch op 10 oktober 1794, Amsterdam 20 januari 1795 en vier dagen later ‘s-Gravenhage. J.B.van Merlen ging over in dienst van de Bataafse Republiek en onder bevel van graaf Johannes Baptista Dumonceau zijn de Engelsen en Russen aan land gekomen in de kop van Noord-Holland, verdreven. In datzelfde jaar, 1799, huwde hij met Reina Gesina Star Lichtenvoort (geboren in 1768, overleden te Bergen op Zoom in 1841), afkomstig uit Sappemeer en precies negen maanden later is hun eerste en enige kind geboren in Groningen. Op verschillende slagvelden in Europa werd Van Merlen ingezet en na de slag van Austerliz (20 december 1805) is hij om zijn verdiensten benoemd tot ridder van het Legioen van Eer. Bij de vrede van Tilsitt (8 juli 1807) keerde hij naar Holland terug in de rang van majoor; één jaar later is hem om zijn bravour en ijver de rang van kolonel bij de kurassiers en huzaren van de koninklijke garde toegekend. Na o.a. in Spanje gestreden te hebben en na zich onderscheiden te hebben in de voor de Franse legers onfortuinlijke slag nabij Salamanque (2 juli 1812), waarbij lord Wellington de overhand had, werd hij om zijn verdienste – de samenzweerder Malet te helpen arresteren, die het keizerlijk bewind omver wilde werpen – na terugkomst in Parjs aangesteld tot generaal-majoor der cavalerie. Na het debâcle van keizer Napoleon in Rusland hergroepeerde hij zijn troepen in de lente van 1813. Gedurende dat jaar is Van Merlen te vinden op alle belangrijke slagvelden van Miden-Europa: Lützen, Bautzen, Wurschen, Dresden, Leipzig en Hanau. Bij het oversteken van de Neisse is zijn paard dodelijk getroffen door het Russisch-Pruisische leger en in de slag bij Leipzig op 16, 18 en 19 oktober verloor hij zelfs tot twee maal toe zin paard in de strijd tegen de Oostenrijkers. Van Merlen keerde terug op het grondgebied van het keizerrijk en behaalde nog een éclatant succes in de slag bij Brienne op 29 januari 1814, waar de Russen de toegang tot de stad bezet hielden, zijn verdreven. Als beloning is per decreet van keizer Napoleon de dato 5 april verheven tot Baron de l’Empire. Na de val van het keizerrijk is Van Merlen – militair in hart en nieren – in de rang van generaal-majoor toegelaten in het leger van de Nederlanden. De terugkeer van Napoleon van zijn verbanning uit Elba moet hem in een innerlijke tweestrijd gebracht hebben, doch heeft hem niet doen besluiten wederom in dienst te reden van de keizer. Als generaal der cavalerie streed hij nog eenmaal als commandant van een brigade, nu in de strijd van de geallieerden tegen de Franse troepen van Napoleon. Waterloo zou behalve voor Napoleon ook hem persoonlijk zijn Waterloo worden. Hij nam deel in de slag  te Quatre-Bras op 16 juni 1815, alwaar hij om drie uur met zijn brigade lichte cavalerie aankwam ter ondersteuning van de tweede divisie Perponcher en wist er het legioen van maarschalk Ney, die in mankracht een enorme overmacht had, met succes te stoppen. De precaire situatie baarden Wellington zorgen. Verscheidene geallieerde bataljons hebben dan al veel manschappen verloren of verkeren in een deplorabele toestand.’ Op dat moment komt de brigade lichte cavalerie Van Merlen vanuit Nivelles op het slagveld aan. De ruiters hebben sinds de vroege morgen veertig kilometer in drukkende hitte afgelegd. Het is iet meer te achterhalen waar en wanneer de brigade het bevel om naar Quatre Bras te komen heeft ontvangen. Zij had reeds opdracht, met de twee andere brigades van de Nederlandse cavalerie-brigades, terug te trekken van het riviertje de Haine naar Arquennes ten zuiden van Nivelles. Men krijgt niet de indruk dat de brigade de laatste etappe van Arquennes naar Quatre-Bras, veertien kilometer, met bekwame spoed heeft afgelegd. Tegelijkertijd naderen de voorste troepen Picton uit Brus-

Uit: H.Krol: Het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol: Het adellijk geslacht Van Merlen

Het opschrift van het ene luidt als volgt: “A la mémoire du Général van Merlen, tué au champ d’honneur, le 18 juin 1815 à la Bataille de Waterloo à la la tête de a Brigade de Cavalerie Légère belge no. 1. Dans ce champ belliqueux, où sa valeur succombe, Sa gloire et nos regrets environnement sa tombe.”

De andere marmeren plaat is opgericht in dezelfde kerk door de officieren van het 6e regiment huzaren, ter herinnering aan generaal Van Merlen, hun brigadecommandant en hun talrijke wapenbroeders, evenals hij gevallen bij Waterloo. Ziehier de Nederlandse inscriptie: “De Heeren Officieren van het regiment Huzaren no.6 in dienst van: Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden. Aangevoerd door den Colonel Boreel, Ridder der Militaire Willems Orde, 3e klasse. Aan hunne brave Wapenbroeders, gesneuveld op den 18 junij bij de bataille van Waterloo. Generaal-Majoor Van Merlen Comandeerende de Brigade Ligte Cavallerie.”

Buiten de kerk kan men in de souvenirwinkels tegeltjes aantreffen, met geluk ook een met een tekst van Godfried Bomans

Wandtegeltje met een vers van Godfried Bomans

Siertegel met een vers van Godfried Bomans

Noot 2. Het verslag van de strijd in Quatre Bras en Waterloo is talrijke malen geboekstaafd. Hier is een deel van de strijd geciteerd uit de publicatie van N.Vels Heijn, Glorie zonder helden. Amsterdam, 1974, blz. 143-144.

Noot 3. Informatie betreffende gedenkborden in Waterloo uit: A. van der Marel, Van Merlen te Antwerpen. In: De Nederlandsche Leeuw, juni 1967, blz. 220.

 

Panorama van de Slag bij Waterloo, waar de Belgische generaal J.B.van Merlen 18 juni 1815 dodelijk werd verwond. De grote verliezer was Napoleon Bonaparte, al tijdens zijn leven een legende. Hij kreeg niet de doodstraf maar is voor het leven naar een Engels eilandje in de Atlantische Oceaan, Sint Helena, verbannen, waar hij zwaar werd bewaakt ter voorkoming van een herhaling van zijn eerdere vlucht vanuit Elba. Napoleon schreef in St. Helena zijn memoires en is in 1821 op 51-jarige leeftijd overleden. Zijn stoffelijk overschot bevindt zich sinds 1840 in een enorm marmeren praalgraf in de Dôme (Hôtel) des Invalides, veelvuldig bezocht door Fransen maar ook een toeristische attractie voor buitenlandse toeristen. Vrij zeker zijn over geen andere sterveling op aarde zoveel publicaties, groot en klein, verschenen. De Bibliothèque Nationale in Parijs telde er een halve  eeuw geleden al meer dan 600.000, intussen vermoedelijk gestegen tot ongeveer 1 miljoen.

Graftombe van keizer Napoleon Bonaparte in de Parijse Dôme des Invalides

prentbriefkaart met zich op Rue Général Van Merlen in Antwerpen, eigenlijk generaal van Merlenstraat in Berchem-Antwerpen. Ook Den Haag heeft een generaal van Merlenstraat. Verder sinds 1911 Haarlem een Van Merlenstraat, vernoemd naar van vader Jean-Baptiste en zoon Bernard, beiden generaals. In Heemstede is de Van Merlenlaan vernoemd naar de kleinzoon, ritmeester, grootgrondbezitter en gemeenteraadslid, kleinzoon Jean-Baptiste van Merlen.

====

Intermezzo: mijn bezoek aan Waterloo 5 september 2019 in verband met informatie/monumenten met betrekking tot generaal Jean-Baptiste van Merlen, 18 juni 1815 op het slagveld gesneuveld. 

J.B.van Merlen, geboren in Antwerpen in 1772, telg uit een oud Antwerpse katholieke familie, vocht reeds op 16-jarige leeftijd tijdens de Brabantse Omwenteling. Hij voegde zich bij het Franse leger, eerst als onderluitenant bij het eerste regiment dat diende in de ‘Grande Armee’ onder Napoleon. Zijn specialiteit werd het gevecht op paarden, de cavalerie. Van Merlen verwierf faam tijdens de slag bij Ulm in 1805 en nam deel aan de campagnes van Napoleon in de slag van Almonacid, 11 augustus 1809, streed in de slag bij Lützen (2 mei 1813) als bevelhebber van de 1e brigade in de 3e divisie van de Lichte Cavalerie van divisiegeneraal Chastel. Tijdens de slag bij Leipzig, 9-13 oktober 1813, werden twee paarden onder hem uit geschoten. Zijn brigade telde 22 officieren en 520 troepen. Op 31 januari 1814 geraakte hij gewond tijdens een cavalerieschermutseling en werd hij gewond als gevolg van drie lansstoten. Van Merlen bleef krijgsgevangen tot begin juni. Hij vernam bij zijn vrijlating dat Napoleon hem tot baron had verheven op de dag voor diens abdicatie. Hij kon de keizer nog spreken voor diens verbanning naar het Italiaanse eiland Elba. Op 16 juni 1814 ontving hij op zijn verzoek eervol ontslag uit het Franse leger van de Bourbonregering. Nadat Napoleon 26 februari naar Frankrijk wist te ontvluchten schaarde de meeste Franse soldaten zich achter de keizer en formeerde die een leger om op te rukken naar de Zuidelijke Nederlanden, met als eerste doel weer Brussel in te nemen. Van Merlen was in tweestrijd, maar besloot zich te keren tegen Napoleon en zich aan te sluiten bij het geallieerde leger van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Na het einde van de Franse overheersing in 1815 werd in opdracht van koning Willem I door jonkheer Willem van Boreel  een regiment lichte cavalerie (huzaren) opgericht te Haarlem. Dit regiment zou uiteindelijk 600 man omvatten. Voorts formeerde Baron van Sytezema in Leeuwarden een regiment zware cavalerie (Karabiniers).  Toen Napoleon in 1815 terugkeerde in Frankrijk, maakten de geallieerden (Rusland, Engeland (onder leiding van de hertog lord Wellington), Oostenrijk, Pruisen (onder leiding van Von Blücher) en Nederland, het vijfde bataljon Nationale Militie,  onder leiding van de prins van Oranje, de latere koning Willem II) zich gereed voor de te verwachten slag. Cavalerist Van Merlen kreeg van koning Willem I een aanstelling als bevelhebber van de 2e Lichte Brigade Cavalerie met 741 ruiters, onder het bevel van luitenant-generaal Jean Antoine de Collaert. In juni 1815 stond Van Merlen aan het hoofd van zijn goed herkenbare huzaren in hemelsblauwe uniformen. Het leger nieuwe Nederlands-Belgische leger bestond in 1815 naast de cavaleriedivisie van Collaert en Van Merlen met 3064 ruiters en 241 artilleristen uit drie infanteriedivisies waaronder een gemengde afdeling onder lord Hill met 5.907 Britten en 4.514 soldaten van andere nationaliteiten., luitenant-generaal Hendrik de Perponcher Sedlinsky met 7.878 man en luitenant-generaal David Hendrik Chassé met 8.253 soldaten. Op 16 juni voerde het regiment Huzaren van Boreel een vergeefse aanval uit bij Quatre Bras op de Franse cavalerie met veel verliezen. De brigade van generaal van Merlen trok zich na de cavalerieaanvallen ten noorden van Quatre Bras terug. Op 17 juni, nadat de troepen van Van Merlen de nacht hadden doorgebracht in Quatre-Bras, trok de gehavende cavalerie over de weg naar Brussel richting Zoniënwoud. Op 18 juni zag Van Merlen op een afstand de strijd die ontstond om Hougoumont, een voorname fase tijde Slag van Waterloo. Hij voorvoelde zijn dood toen hij tegen Charles Etienne de Ghigny en Edward Nevil Macreay zei: ”en voor mij zal het de laatste dag worden’. Generaal Uxbridge voerde ’s middags aan de oostelijke zijde van de weg naar Brussel een roekeloze charge uit. Bij een Franse tegenaanval werden de ruiters van Uxbridge neergesabeld en gespiest. Dankzij de charge van dragonders en huzaren onder De Gighny en Van Merlen stopte de Franse tegencharge en konden een aantal Britse ruiters ontsnappen. Bij een volgende voor hem fatale slag riep Van Merlen – zoals later opgetekend in een verslag van Mark Atkin –  naar de hem bekende Franse generaal Ney met wie hij tot 1813 onder Napoleon samen had gevochten: ‘Dit is mijn gevecht, het jouwe is aan de andere kant. Let goed op jezelf, vaarwel’. Toen de Franse maarschalk  Michel Ney  zijn befaamde cavaleriecharge lanceerde kwam Van Merlen opnieuw in actie. Toen hij hiervan terugkeerde en zichzelf en zijn paard rust gunde, werd hij in de buikstreek getroffen door een laagvliegende kanonkogel, waardoor zijn ingewanden uit zijn buik puilden. Een van zijn adjudanten, Jan Baptist van Doren, bleef bij hem tot hij  twee uur later overleed.(1). Na de eerste slag op 16 juni telde de Nederlandse cavaleriedivisie, op 15 juni een sterkte van 3.400 man,  173 doden, 814 gewonden en 450 vermisten, het gros daarvan gesneuveld. Van de paarden weren er ongeveer 900 gedood, 500 vermist en 300 gewond  (2).  In totaal heeft de bloedige slag bij Waterloo (die zich uitstrekte over Quatre Bras, Braine-l’Alleud [= Eigenbrakel], Wavre en Ligne) tussen de 10.000 en 11.000 doden, en meer dan 30.000 gewonden gekost. Ook zijn minstens 10.000 paarden gedood.

(1) Berichten dat hij nog zou zijn vervoerd naar een nabijgelegen ziekenhuis en in Brussel begraven in de ‘Temple des Augustins’ kloppen niet. Door zijn vroegere strijdmakkers is hij vermoedelijk dermate toegetakeld dat men zelfs het lijk van Van Merlen heeft men niet meer heeft teuggevonden. Men vond wel op de tafel van zijn laatste rustplaats, een afscheidsbrief die gericht was aan zijn echtgenote Reina Gesina Star Lichtenvoorde die weduwe zou blijven en  waaruit eens  te meer blijkt dat hij zijn sneuvelen voorvoelde aankomen.

Portret van generaal-majoor baron van Merlen met de Franse ridderorde van het Légion d’Honneur, de hoogste en belangrijkste Franse Nationale onderscheiding.

Litho van generaal-majoor van Jean Baptiste van Merlen door E.Spanier, circa 1850 + figuurtjes cavalerie

Postuum vervaardigd getuigschrift J.B.van Merlen

(2) Citaat: Tijdens de Slag bij Quatre Bras op 16 juni 1815 droeg van Merlens brigade bij aan het slechte imago van de Nederlands-Belgische troepen toen een van Van Merlens commandanten, de onervaren Nederlandse royalist Willem van Boreel, onder de ogen van de Britten zijn 6e regiment Huzaren een roekeloze charge liet aanvatten die uitmondde in een chaotische vlucht (…)’. In tegenstelling tot wat in de algemene literatuur vermeld, schreef Napoleon in zijn memoires opmerkelijk positief over de Nederlandse bijdrage aan de Slag bij Quatre Bras. Citaat: ‘Zonder de heldhaftige vastberadenheid van de prins van Oranje, die met enkele manschappen gedurfd heeft om zijn positie bij Quatre Bras in te nemen, had ik het Engelse leger zonder slag of stoot overwonnen.’ Zonder de inbreng van de prins van Oranje zou hij het geallieerde leger hebben vernietigd, meende  Napoleon. ‘De prins van Oranje heeft op die dag het bewijs geleverd dat hij een geboren militair is, Alle eer van deze campagne komt hem toe. Zonder hem zou het Engelse leger verslagen zijn zonder slag geleverd te hebben en had Blücher pas aan de andere kant van de Rijn zijn toevlucht kunnen nemen’, aldus Napoleon, algemeen beschouwd als een geniaal veldheer en strateeg, die nochtans op twee beslissende momenten in de militaire geschiedenis het onderspit dolf.

Deel van kaart met Waterloo en omgeving waar de gevechten in juni 1815 plaatsvonden tussen de Franse troepen van Napoleon en de legers van de geallieerden.

De koninklijke Sint Joseph kerk in Waterloo alwaar zich verscheidene marmeren platen bevinden met inscripties gewijd aan in de strijd gesneuvelde Nederlandse soldaten, waaronder generaal-majoor van Merlen

Hoek aan de achterzijde van de Joseph kerk van Waterloo met een aantal herinneringsplaten

Plakaat gewijd aan generaal-majoor van Merlen in Waterloo, de ritmeesters Willem van Wynbergen, Maurits van Heyden, de luitenants Willem van Heyden, Willem Wolff en jonker Cornelis Breda.

Plaquette gewijd aan generaal majoor Baron van Merlen (Hoornebeeck)

Gedenksteen in herinnering aan gesneuvelde Nederlandse officieren gesneuveld in de slag bij Waterloo onder wie van de cavaleriestaf:  luitenant-generaal-majoor J.A.Baron de Collaert [= 18 juni 1815 gewond geraakt en aan de gevolgen daarvan op 17 juni 1816 in Brussel overleden]en generaal-majoor J.B.van Merlen. [karabiniers = cavaleriesoldaten]. (De duizenden omgekomen gewone soldaten blijven onvermeld).

Gedenkplaat voor de 18 juni 1815 in de slag van Waterloo gesneuvelde C.F.S. Baron van Haren, kamerheer van Z.M. Koning Willem 1,1ste luitenant bij de Generale Staf en  luitenant-kolonel en adjudant van generaal-majoor Graaf van Bylandt, geboren 21 juni 1793. Tevens bedoeld als herinnering aan zijn vader C.W.Baron van Haren, luitenant-kolonel in de gardes Dragonders der Nederlanden, die zijn leven voor het vaderland gaf op 18 september 1793 in de Slag bij Wervik. [toelichting: Tijdens de Eerste Coalitieoorlog vochten circa 13.000 Nederlanders tegen het Franse revolutionaire leger onder leiding van de Nederlandse patriot H.W. Daendels (en de Franse generaal Dumouriez). De Nederlanders waren getalsmatig ver in de minderheid en moesten zich terugtrekken, waarna Wervik in handen viel van de Fransen Nota Bene: Op initiatief van de heer Jan Bomans uit Heemstede is op 12 september 1971 een monument onthuld in herinnering aan prins Willem George Frederik van Nassau (1774-1799) die op 12 september 1793 bij de slag van Wervik gewond raakte].

Gedenkplaat in de St.Josephkerk ter ere van twee  op 17 juni omgekomen Britse officieren van het zevende regiment huzaren, majoor Edward Hodge en luitenant Arthur Myers.

Gedenkplaat ter nagedachtenis van de op 18 juni 1815 bij de  slag van Waterloo gesneuvelde Willem Anne Baron van Pallandt als ritmeester bij het regiment lichte dragonders [= infanteristen die zich te paard verplaatsten en te voet vochten], nummer 4.

Op 21 september 1990 is te Quatre Bras een monument onthuld door de Wapenoudste der Nederlandse Cavalerie ter ere van de gevallenen van de Nederlandse Cavalerie en huzaren in de veldslagen bij Quatre Bras en Waterloo van 16 tot 18 juni 1818. Het monument heeft de vorm van een zwaard, maar het verbeeldt ook de Franse opmars van zuid naar noord. Bij Quatre Bras werd hierin een wig geslagen en bij Waterloo breekt de punt af.

Het cavaleriemonument bij Waterloo

De monumentale heuvel met op de top een sculptuur voorstellende de Leeuw van Vlaanderen, de titel van een befaamd boek van Hendrik Conscience

Bezoek aan de openbare bibliotheek van Waterloo

Het vanwege de tentoongestelde voorwerpen en documenten indrukwekkende Wellington museum in Waterloo

In de shop zijn talrijke boeken, kaarten, curiosa etc. te vinden met betrekking tot de Slag bij Waterloo. Bovenstaand drie boekenleggers betreffende de hertog van Wellington en Napoleon.

Gravure in het Wellingtonmuseum met afbeelding van de privébibliotheek van Arthur Wellesley, hertog van Wellington (1769-1852), Iers-Engels militair leider en politicus, die als opperbevelhebber van de Britse strijdkrachten, die in juni 1815 Napoleon versloeg in de Slag bij Waterloo

Een herinnering aan de generaals Van Merlen in bezit van de schietvereniging generaal van Merlen in haarlem

Een herinnering aan beide generaals Van Merlen in bezit van de Schietvereniging Generaal van Merlen in Haarlem

Mw. dr. Natasja Peeters, conservator bij het Koninklijk Legermuseum te Brussel wees me op bovenstaand bericht over een sabel van generaal Van Merlen

Mw. dr. Natasja Peeters, conservator bij het Koninklijk Legermuseum te Brussel wees me op bovenstaand bericht over een sabel van generaal Jean-Baptiste van Merlen

Naar aanleiding van bovenstaand bericht het volgende: in 1789 kwam de latere generaal Jean-Baptste van Merlen (1773-1815) in Brabantse dienst. Louis Jacobs van Merlen (1882-1963), die in het bezit kwam van de sabel, was advocaat en kunstverzamelaar. Zijn vader was Victor Jacobs (1838-1891) en grootvader Louis Jacobs (1803-1847). Laatstgenoemde was gehuwd met Marie-Anne van Merlen, een nicht van de in Waterloo gesneuvelde generaal. In 1936 heeft de kleinzoon Louis Jacobs het recht verkregen om de naam van zijn grootmoeder bij zijn familienaam te voegen. In 1951 volgde verheffing in de erfelijke adelstand. [Marie-Anne van Merlen is op 1 juli 1812 geboren in Straatsburg en overleden in St.Gilles op 2 juni 1891. Zij trouwde 12 augustus 1833 Pierre Martin Louis Jacobs, advocaat en o.a. lid van het Nationaal Belgisch Congres in 1830. Voornoemde Marie-Anne van Merlen was een dochter van Philippe Joseph van Merlen (1779-1848)].

Tinnen soldaat te paard, voorstellende generaal J.B. van Merlen

Tinnen soldaat te paard, voorstellende generaal J.B. van Merlen

Ten aanzien van generaal-majoor J.B.van Merlen, tot 1814 in dienst van het Franse leger totdat hij zich in 1815 aansloot bij het leger van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, is in Maastricht het volgende verhaal overgeleverd, gepubliceerd in: ‘In Maastricht waait weer de Oranje vlag’:  ‘Tijdens het beleg van de Fransen in 1793 werd de Groote Sociëteit in Maastricht gebruikt door de Franse officieren, waaronder generaal van Merlen, de bevelhebber van de bezetter. In Maastricht deed men alle moeite iets te weten te komen van wat er buiten de stad gebeurde. Kranten uit het bevrijde Luik werden op slinkse manier binnengesmokkeld. In de Grote Sociëteit op het Vrijthof werden die dan druk gelezen en over de inhoud lange twistgesprekken gehouden. Ook de Franse officieren deden daar ijverig aan mee, wat natuurlijk aanleiding gaf tot ruzie en gekrakreel onder elkaar. Zo zaten op een winteravond een groepje militairen, waaronder de generaal zelf, samen met enkele hoge ambtenaren en Maastrichtenaars, gezellig rond het open haardvuur in de Grote Sociëteit aan het Vrijthof. Er waren juist weer wat gesmokkelde Luikse kranten aangekomen. Behaaglijk zuigend aan zijn lange pijp zat generaal van Merlen achter zijn krantje verscholen, het nieuws uit te spellen. Naast hem zat de directeur van de belastingen ook al verslonden in de laatste berichten. Opeens werd de gezellige rust wreed verstoord door opgewonden en hard gepraat uit de andere hoek van de zaal “En ik zeg je dat ze al die vijandelijke kranten moeten verbranden!!” riep een ruziestem., “en de kerels die zo iets lezen moeten ze samen met hun prullen in het vuur gooien. “Dat was klare taal! Verstoord keken de generaal en de belastingdirecteur over hun krantje naar die herrieschopper. Wie was die brutale vent! Die brutale vent, een klerk van de belastingen, kreeg de schrik van zijn leven, toen hij ineens opmerkte dat zijn eigen baas ook achter zo’n  krantje zat. “Nu is het genoeg”, riep de generaal boos. Hij stond op en griste de blaadjes uit de handen van de lezers en van de tafel en gooide ze met een nijdig gebaar in het vuur. “Kastelein! Voortaan komt hier geen krant meer in huis zonder mijn verlof!’

============.  

Jonkheer Generaal Bernard van Merlen (1800-1890); ‘Een sieraad van het Nederlandse leger’ genoemd

De enige zoon jonkheer Bernardus van Merlen (1800-1890) was evenals zijn vader generaal-majoor der cavalerie. Hij was geen gemakkelijk heerschap en is door zijn superieuren op het ministerie van Oorlog met vervroegd pensioen gestuurd. Eerst veel later moest men konstateren dat hij als militair strateeg zijn tijd ver vooruit was. Bernardus van Merlen woonde in het Florapark Haarlem in huize ‘Vredelust’. Hij beschikte over veel grond in de Beemster. Op zaterdag 18 december 1886 berichtte het Haarlems Dagblad: “Alle pachters van boerenplaatsen in de Beemster, toebehoorende aan jhr. van Merlen te Haarlem, ontvingen dezer dagen, toen zij hem de pachtsom kwamen betalen ƒ 20,- per H.A. terug, met de belofte, dat zij ook in het vervolg dit bedrag minder per H.A. behoefden te voldoen. Bij den zwaren strijd om het bestaan, dien de meeste huurboeren tegenwoordig te voeren hebben, zeker een navolgenswaardig voorbeeld!”

Jonkheer Bernard van Merlen, gepensioneerd generaal-majoor op 90-jarige leeftijd. Houtgravure van A.C.Verhees, gepubliceerd in 'Eigen Haard', 1890

Jonkheer Bernard van Merlen, gepensioneerd generaal-majoor op 90-jarige leeftijd. Houtgravure van A.C.Verhees, gepubliceerd in ‘Eigen Haard’, 1890

ontwerp gebouw voor schietvereeniging Generaal van Merlen, (Geillustreerd Zondagsblad van de Nieuwe Haarlemsche Courant 13 februari 1909)

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol. het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol. het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

In Haarlem wordt de herinnering aan generaal B. van Merlen levendig gehouden via o.a. een straatnaam en een (militaire) schietvereniging.

Toegangspoort naar Bosbeek

Toegangspoort naar Bosbeek, Glipper Dreef

Toegangspoort naar Groenendaal vanaf de Glrpper Dreef., Andere toegangen zijn vanaf de Herenweg en de Molenlaan/Vrijheidsdreef naar deBurgemeester van Rappardlaan met kinderboerderij.

Toegangspoort naar Groenendaal vanaf de Glipper Dreef., Andere toegangen zijn vanaf de Herenweg en de Molenlaan/Vrijheidsdreef naar de Burgemeester van Rappardlaan met kinderboerderij.

Noten

1. Aangehaald uit de anonieme bijdrage: Generaal-majoor Jhr. B. van Merlen. In: Militaire Gids, 1890, blz. 61.

2. Hij was begiftigd met het commandeurskruis der orde van de Eikenkroon, was gerechtigd tot het dragen van het Zilveren Kruis van Waterloo en had om zijn moedig gedrag bij de Tiendaagse veldtocht in 1831 het ridderkruis der Militaire Willemsorde verkregen.

3. Hun tweede dochter jonkvrouw Gesina Huberta van Merlen was gehuwd met Dirk Frederik Hardenberg, generaal-majoor der infanterie en adjudant des konings in buitengewone dienst. Hij overleed in Heemstede in 1902. Een andere dochter, jonkvrouw Marie Anne Catherina van Merlen, trouwde met mr. Dirk Visser, Heer van Hazerswoude, lid van de 1e Kamer der Staten-Generaal en overleden op Huize Westerhout te Heemstede in 1890.

4. “Wijlen ritmeester V.d.Wedden herinnerde in de Ver. tot beoef. der krijgswetenschap, dat de formatiën die thans algemeen in Europa worden gehuldigd, reeds voor 40 jaar door V. Merlen werden aanbevolen en toegepast (…) En nu is zijn levensdraad afgesneden: het heeft den schijn alsof de Voorzienigheid hem zulk een hoogen ouderdom heeft doen bereiken om hem de voldoening te schenken, dat hij nog zelf kon opmerken, hoe de Cavalerie langs een omweg tot het standpunt is gekomen, dat door hem reeds bijna een halve eeuw geleden, als met den vinger werd nagewezen.” (Militaire Gids, 1890).

5. Het exercitieveld in Bloemendaal was rond 1850 een bron van onaangenaamheden tussen enerzijds de militairen die zich niet aan de grenzen van het toegewezen terrein hielden en anderzijds de heer Willem Borski en diens rentmeester van Elswout Johan Jacob Janssen. Ook de wegen hadden het zwaar te verduren wegens het berijden ervan door de cavalerie. Na enige correspondentie stelde jonkheer van Merlen voor de Elswoutlaan net te doen berijden, mits het exercitieveld uitbreiding zou ondergaan, hetgeen door Borski III van de hand werd gewezen. Uiteindelijk besloot jonkheer van Spengler, minister van oorlog, op 6 februari 1851 dat gebruik van de Elswoutlaan als openbare weg aan het garnizoen niet kan worden ontzegd, echter met de toezegging dat het korps cavalerie er zo weinig mogelijk gebruik van zou maken en dat er dan stapvoets gereden zou worden (Zie: C.W.D.Vrijland, Elswout c.a. en de militairen sedert de Bataafse republiek. In: Jaarboek Haarlem 1940, blz, 126.)

JEAN-BAPTISTE VAN MERLEN (1833-1909)

De enige zoon van generaal Bernardus van Merlen: jonkheer Jan-Bapiste van Merlen heeft zijn beoogde militaire loopbaan vroegtijdig afgebroken.

Voorzijde zakboekje van jhr. J.B. van Merlen, officier regiment Dragonders 2e escadron cavalerie tot 1872. Daarna rentenier.

Voorzijde zakboekje van jhr. J.B. van Merlen, officier (ritmeester) regiment Dragonders 2e escadron cavalerie tot 1872. Daarna rentenier.

In 1859 is hij gehuwd met Clasina Aleida Visser. Na een korte periode in Arnhem verhuisde het echtpaar naar Haarlem tot 1873 toen men zich op Bosbeek vestigde. Dankzij de erfenis van een vermogende schoonvader Dirk Visser van Hazerswoude, fortuin gemaakt in de Zaanstreek, kon hij namelijk dat buiten landgoed aankopen en ging hij met als beroep “grondbezitter” door het leven. Hij ontwikkelde verdienstelijke activiteiten voor de gemeenschap, o.a. als lid van Provinciale Staten in Noord-Holland en van 1891 tot 1905 gemeenteraadslid te Heemstede. In 1891 was hij de eerste particulier in Heemstede met een telefoonaansluiting van Bell-Telephoon, naast makelaar J.H.Brinkman van Postlust en huisarts dr.K.Prins, met huis en praktijk aan de Binnenweg. (1). Voorts ontving J.B. van Merlen als één van de eerste Heemstedenaren met een provinciale vergunning voor een motorrijtuig (onder de 150 kg.) te besturen en te gebruiken. Eerder had A.H.van Wickevoort Crommelin (van Berkenrode) hiervoor een rijksvergunning ontvangen. In 1893 berichtte het Handelsblad over de lijst der hoogstaangeslagenen voor de belasting in Noord-Holland. De laagste op die lijst was de heer Levie Duitz te Amsterdam met ƒ 544,- en de hoogste jhr. J.B. van Merlen te Heemstede met ƒ 4.682,-.

(1) Op 23 november 1880 berichtte ‘de Standaard’: “Op het landgoed ‘Boschbeek en Groenendaal’ onder Heemstede, van jonkh. van Merlen, wordt een telephoonomleiding gelegd van omstreeks 500 meters, die het huis met tuinmans- en koetsierswoning enz. verbinden zal. Het werk is opgedragen aan den heer Funckler te Haarlem, agent der Londensche General Telephone Agency. Indien wij ons niet bedriegen, is dit de eerste telephoonleiding in Noord-Holland op eenigszins groote schaal en in elk geval de eerste, waarbij van deze Engelsche telephoon gebruik gemaakt wordt.”

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Het 19e eeuwse Bullenhofje nabij de Glipperweg en Algemene Begraafplaats waar dienstpersoneel van Bosbeek woonde. Het was er armoedig en op 8 juni 1928 zijn de onbewoonbaar verklaarde huizen die vol ongedierte zaten in brand gestoken. Voor het brandweercorps was het een leerzame oefening en het nablussen duurde tot in de kleine uurtjes.

Het 19e eeuwse Bullenhofje nabij de Glipperweg en Algemene Begraafplaats waar dienstpersoneel van Bosbeek woonde. Het was er armoedig en op 8 juni 1928 zijn de onbewoonbaar verklaarde huizen die vol ongedierte zaten in brand gestoken. Voor het brandweercorps was het een leerzame oefening en het nablussen duurde tot in de kleine uurtjes.

Schilderij van het Bullenhofje (dienstwoningen van Bosbeek) (HVHB)

Schilderij van het Bullenhofje (dienstwoningen van Bosbeek) (HVHB)

Afbraak van het zogeheten 'Bullenhofje'in 1928 waar voordien personeel van Bosbeek woonde

Afbraak van het zogeheten ‘Bullenhofje’ in 1928 waar voordien personeel van Bosbeek woonde (Noord-Hollands Archief)

Nog een foto van afbraak Bullenhofje op Bosbeek. thans deel uitmakend van de begraafplaats (NHA)

Nog een foto van afbraak Bullenhofje op Bosbeek. thans deel uitmakend van de begraafplaats (NHA)

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

De gemeenteraad van Heemstede in 1904 bijen in het raadhuis (toenmaals 'Overlaan'). Van links naar rechts staande: J.H.M.van Houten, H.H.Höcker, A.G.A.baron Collot d'Escury (gemeentesecretaris), jhr.A.H.van Wickevoort Crommelin, J.Beelen sr., J.C.van de Eijcken. Zittend: M.J.Roosen, J. van den Berg, A. van de Weiden, A.v.d.Horst, H.Peeperkorn Jz., jhr. J.B. van Merlen.

De gemeenteraad van Heemstede in 1904 bijeen in het raadhuis (toenmaals ‘Overlaan’). Van links naar rechts staande: J.H.M.van Houten, H.H.Höcker, A.G.A.baron Collot d’Escury (gemeentesecretaris), jhr.A.H.van Wickevoort Crommelin, J.Beelen sr., J.C.van de Eijcken. Zittend: M.J.Roosen, J. van den Berg, A. van de Weiden, A.v.d.Horst, H.Peeperkorn Jz., jhr. J.B. van Merlen.

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

 

Overtoorn

de boerenhofstede Overthoorn, tegenover Bosbeek, in 1774 getekend oor P.van Loo. Later ook van Merlenstal genoemd en als boerderij aangewend door P.van Schie.

 

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Koetsier Van Breemen (of Wissink?) voor het huis Bosbeek klaar om jonkheer Van Merlen te vervoeren. Rechts tuinbaas De Wilde.

Koetsier Van Breemen (of Wissink?) voor het huis Bosbeek klaar om jonkheer Van Merlen te vervoeren. Rechts tuinbaas A. de Wilde. Vanaf 1807 tot 1913 waren telgen uit het geslacht De Wilde tuinbaas op Bosbeek-Groenendaal

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Handschrift van jhr.J.B.van Merlen die de Franse taal uitstekend besheerste (Bosbeek, 1904)

Handschrift van jhr.J.B.van Merlen die de Franse taal uitstekend besheerste (Bosbeek, 1904)

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Mevrouw Clasina Alida Visser (1839-1912), echtgenote van J.B. van Merlen

Mevrouw Clasina Alida Visser van Hazerswoude  (1839-1912), echtgenote van J.B. van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Merlen

Foto van  J.B.van Merlen (Binger Haarlem)

 

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Koetshis en tuinmanswoning van Bosbeek-Groenendaal naar oude 'photographie' van omstreeks 1900. Verbouwd tot restaurant Groenendaal.

Koetshuis en tuinmanswoning van Bosbeek-Groenendaal naar oude ‘photographie’ van omstreeks 1900. Verbouwd tot restaurant Groenendaal.

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht van Merlen

Salon in huize Bosbeek, zoals bewoond door familie Van Merlen in 1912. Boven de deur een grisaille ofwel ‘witje’ van Jacob de Wit [tegenwoordig aanwezig in het Drents Museum te Assen]. December 1912 stelde makelaar Sarlet een taxatie samen van de inboedel van Bosbeek, nagelaten door Vrouwe Douairëre J.B.van Merlen geb. Visser, gewaardeerd voor in  totaal ƒ 29.637,-

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

Uit: H.Krol, het adellijk geslacht Van Merlen

interieur foto van de uitgeleefde koepel van Groenendaal, op het laatst gebruik als honk van padvinders. De grisailles van weleer [zoals links boven de deur] waren intussen verdwenen.

=======BIJLAGE 1: HERALDISCH WAPEN VAN MERLEN=====

Uit wapenboek Vorsterman van Oyen

Uit stam- en wapenboek van Vorsterman van Oyen

Heraldisch wapen van het adellijk geslacht Van Merlen

Bij Keizerlijk (Frans) besluit van 5 april 1814 is Joannes Baptista van Merlen, brigade-generaal, verheven tot baron de l’empire; geen diploma. Bij Koninklijk Besluit van 12 juni 1836, nr. 12, werd Bernard van Merlen verheven (jonkheer). Bij K.B. van 6 januari 1885, nr. 17, is aan jonkheer Bernard van Merlen toestemming verleend zijn wapen te wijzigen. Wapen 1836: gevierendeeld; 1 in goud een zwarte kraai (1); II in rood een zilveren zwaard met gouden gevest’; III in rood drie gouden kandelaars; IV in zilver een zwarte burcht; in een blauw hartschild een vijfpuntige gouden ster. Wapen 1885: gevierendeeld: 1. als kwartier I van 1836, maar de vogel een merel; II in zilver een zwart molenijzer; III geruit, zwart en zilver; IV als kwartier II van 1836; in een goud omboord zwart hartschild een achtspakig gouden rad met op de velg drie gouden merletten, één rechtsboven, één linksboven; één beneden. Een halfaanziende helm; een ridderkroon; dekkleden: goud en zwart; helmteken: een uitkomende leeuw van natuurlijke kleur, rood getongd; schildhouders: twee paarden van natuurlijke kleur met gouden weerschijn; het geheel geplaatst op een grasgrond; wapenspreuk: vincenti laurus in zwarte letters op een wit lint.

(1) Volgens de tekst, maar waarschijnlijk een merel.

P.S. In 1822 is door Reina Star Lichtenvoort, weduwe van de bij Waterloo in 1815 aan Nederlandse zijde gesneuvelde generaal Joannes Baptista van Merlen, aan de Hoge Raad gevraagd de titel van baron de l’Empire (1) te verlenen aan haar zoon Bernard van Merlen. De Raad wees het rekest af, mede omdat geen diploma kon worden overlegd. In 1836 heeft Bernard van Merlen opnieuw een verzoek ingediend, nogmaals in 1855, 1866, 1885 en 1887 maar steeds zijn de rekesten niet ontvankelijk verklaard.

(1) Deze titel is in de Napoleontische tijd ook verleend aan Abraham Johannes van Lennep (1778-1841) bij decreet van 24 oktober 1811. Hij voerde deze titel tijdens de veldtocht van 1813 als ‘écuyer’ van de Keizer – hij begeleidde Napoleon te paard bij zijn reis door Nederland – , maar heeft de titel nadien niet meer gevoerd, noch heeft hij verzocht de titel van baron voor zijn nakomelingen te mogen voeren.

======================================================

Jonkheer Jean-Baptiste van Merlen

Jhr. J.B.van Merlen als rijkste particulier in de provincie Noord-Holland. Uit: Middelburgsche Courant van 5 mei 1886

Jhr. J.B.van Merlen als rijkste particulier in de provincie Noord-Holland. Uit: Middelburgsche Courant van 5 mei 1886

Hoogstaangeslagenen in Noord-Holland. Uit: Algemeen Handelsblad van 5 mei 1893

Hoogstaangeslagenen in Noord-Holland. Uit: Algemeen Handelsblad van 5 mei 1893

NAGESLACHT VAN MERLEN

Fragment genealogie van Merlen

 

Het echtpaar van Merlen-Visser van Hazerswoude op latere leeftijd

Clasina Alida Visser van Hazerswoude (1839-1909) was een dochter van Adriana van Everdingen en (generaal) Bernard van Merlen en  getrouwd met een broer van haar schoonzuster (1), jonkheer Jean-Baptiste van Merlen (1833-1909), uit een geslacht van militairen.

Begrafenis mw. Visser van Hazerswoude (Amersfoortsch Dagblad 23-1-1922)

(1) jonkvrouwe Marie Anne Catharine van Merlen (1835-1922) en mr. Dirk Visser (advocaat, politicus (lid van de Eerste en Tweede Kamer), landeigenaar, bewoners van het buiten Westerhout in Heemstede.

Overlijden van Clasina Alida Van Merlen-Visser van Hazerswoude, 1909 (NHA)

Het buiten Bosbeek-Groenendaal van de erven Hope werd in 1873 feite betaald uit de erfenis van haar vader. Bij de erfenis die Clasina ontving behoorde o.a.  de boerderijen  Spitsbergen, Schermerhornerweg 3 in de Beemster en boerderij de Burcht, Zuiddijk 6, De Beemster

De boerderij Spitsbergen in de Beemster, gebouwd in 1881.

Boerderij de Burcht in De Beemster

Uit hun huwelijk zijn geboren: 1) Adriana van Merlen (*1860), is getrouwd geweest met mr. George Conrad Everwijn Lange (188-1945), 2) jhr.mr.Bernard Cornelis van Merlen (1862-1942). Hij was hoofdingeland van het waterschap De Beemster. Van 1896 tot 1905 burgemeester van Heiloo. Later verhuisde hij naar Bilthoven. (De Bildt). Uit de erfenis ontving hij o.a.voornoemde boerderij ‘Spitsbergen’. Voorts boerderij de Burcht, die hij in 1918 verkocht aan Willem Smit Leendertszoon. In 1898 is hij gehuwd met Carolina van Notten (1862-1942), uit welk huwelijk zijn geboren Jean-Baptiste van Merlen (1899-1923).  3) Margaretha Diederica van Merlen (*1877 Heemstede, overleden op 16 november 1926 te Aerdenhout (gemeente Bloemendaal), 4) jkvr. Arnolda van Merlen (*1901-1990 Heemstede), was gehuwd met mr.E.E. baron van Till (1899-1942). 5) jhr. Jean-Baptiste van Merlen (*1880 Heemstede – 1950 Potsdam, Duitsland). Na het overlijden van zijn oudere broer ging de boerderij Spitsbergen naar hem over. Hij trouwde met de Duitse Marie Strittich (1880-1965) in 1910  Het huwelijk bleef kinderloos, zodat de Nederlandse adellijke tak van Merlen daarmee uitstier