ADRIAAN PAUW (1622-1697); PRESIDENT VAN HET HOF VAN HOLLAND EN EERSTE AMBACHTSHEER VAN EEN ZELFSTANDIG BENNEBROEK (1)

In de zomer van 1669 maakte Constantijn Huygens in een koets bespannen met twee paarden en in gezelschap van twee bedienden, een hond, een luit en wat boeken een reis door Holland en Utrecht om na 2 weken terug te keren op zijn fraaie buiten “Hofwijk” in de omgeving van ‘s-Gravenhage. Zijn indrukken heeft hij vastgelegd in het gedicht “Uytwandeling” dat in totaal 119 versregels bevat. In dit verband zijn vooral de regels 31-34 interessant:

“Korts vond ick Bennebroek sijn ‘hoven en sijn’ versche

Bleickerijen, Sijn ‘eicken’ Wilderniss en groene Galeryen,

En Vaer en Grootvaer en Grootevaer kinds kind.

Van velen om veel deughds, en ander veel, bemint”.

Met betrekking tot Bennebroek stelt Huygens drie onderwerpen aan de orde: 1) de fraaie natuur, 2) de buitenplaatsen en verder de lijnwaad- en garenblekerijen, waarvan er in het midden van de 17e eeuw in Heemstede en Bennebroek tezamen zeker 12 gevestigd waren, naast talrijke kleerblekerijen, 3) het geslacht Pauw. In 1669 was Adriaan Pauw jr. ambachtsheer van Bennebroek. Met “Grootevaer” wordt Reinier Pauw bedoeld, die behalve grootkoopman o.a. acht keer gekozen was tot burgemeester van Amsterdam. De “vaer” is Adriaan Pauw, de raadpensionaris, sedert eind 1620 Heer van Heemstede, tevens Bennebroek omvattende, en in 1653 overleden. Adriaan Pauw (jr.) was het jongste kind van raadpensionaris Adriaan Pauw (1585-1653). In 1606 was A. Pauw (sr.) gehuwd met Anna Seys, die 1,5 jaar later kwam te overlijden en uit welk huwelijk één zoon, Nicolaas, was geboren. In 1610 huwt weduwnaar Pauw met Anna van Ruitenburgh, uit welke verbintenis 1 dochter en 5 zonen volgen. Op 24 maart 1622 is Adriaan jr. gedoopt in de Oude Kerk te Amsterdam. Zijn vader was toenmaals pensionaris van Amsterdam en had intussen de ambachtsheerlijkheid Heemstede voor ƒ 36.000,- aangekocht. De jonge Adriaan krijgt onderwijs van een tutor of privé-leraar, sedert 1627 in Den Haag waar zijn vader zich met zijn gezin gevestigd heeft in een monumentaal pand aan de Herengracht, na diens benoeming bij de Rekenkamer. Op 14-jarige leeftijd laat Adriaan zich aan de Leidse Academie inschrijven, eerst in de filosofie (kennelijk bedoeld als algemene vorming) en vervolgens in de rechten. Na voltooiing van zijn studie wordt hij in 1641, dus op 19-jarige leeftijd, welhaast zeker op voorspraak van zijn invloedrijke pa, benoemd tot rentmeester-generaal van de Espargnes van Holland en West- Friesland. In 1652, ten tijde van het 2e raadpensionarisschap van zijn vader, vindt de verkiezing plaats als raad ordinaris ofwel raadsheer in het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland en in het Leenhof van Holland en West-Friesland.  Het Hof, hoogste rechtscollege in dit gewest, was evenals de Rekenkamer gelegen nabij Binnen- en Buitenhof. Als president van het Hof van Holland was de heer Dedel in 1665 overleden en werd deze functie tijdelijk waargenomen door de heer van Maasdam, de oudste raadsheer. Nadat laatstgenoemde baljuw in Rijnland was geworden achtte deze het niet goed mogelijk twee zware ambten te vervullen. Na enig gekonkel is toch met eenparigheid van stemmen de inmiddels ervaren rechter Adriaan Pauw op 18 juli 1670 gekozen tot voorzitter; sedertdien in officiële requesten ook vaak aangeduid als “President Bennebroeck”. Adriaan was o.a. één der rechters van Cornelis de Witt, die op (valse) beschuldiging van een zekere Tichelaar werd gearresteerd omdat hij een aanslag op prins Willem III zou hebben beraamd. (Zoals bekend werd Cornelis de Witt ondanks vrijspraak met diens broer, de raadpensionaris, in de Gevangenpoort, door het gepeupel vermoord). Eerder was de Heer van Bennebroek één van de acht rechters bij het destijds spraakmakende proces rond de Franse ritmeester Buat, die in het Staatse leger diende en in 1666 ter dood werd gebracht wegens landverraad. Ondanks zijn familierelatie met Buat was Pauw’s oordeel: “doodstraf en verbeurdverklaring van goederen” en viel het vonnis met in totaal 5 tegen 3 stemmen uit ten nadele van Buat. Geschiedschrijver Jan Wagenaar verhaalt dat in een zeker geval, waarbij de stad Amsterdam zich beriep op een privilege, de gemoederen zo hoog opliepen dat president Pauw dringend moest worden geraadpleegd, die “al enige tijd onpasselijk geweest zijnde, in zijn nachtgewaad ter vergadering verscheen“. Behalve nog als Hoofdingeland van Delfland, sinds 3 december 1670, heeft Adriaan Pauw verder geen openbare ambten bekleed en is hij op 75-jarige leeftijd in ‘s-Gravenhage overleden en op 18 januari van dat jaar te Bennebroek in de grafkelder van de door hem gestichte kerk ter aarde besteld. Adriaan Pauw was een vermogend man. Op 26-jarige leeftijd erfde hij van zijn overleden moeder een bedrag van maar liefst f 80.000,- (meer dan 1 miljoen gerekend naar de huidige waarde) en in 1653 volgde het kindsdeel van zijn overleden vader. In het gevolg van zijn internationaal georiënteerde vader maakte hij een enkele maal deel uit van diplomatieke reizen en bij één van die gelegenheden is hij door de Franse koning begiftigd met de Orde van St. Michaël en mocht zich om die reden ridder noemen. Op 1 mei 1644 is Adriaan in het huwelijk getreden met zijn nicht, de toen 18-jarige Cornelia, een dochter van oom Reinier Pauw, Heer van Ter Horst, Rijnenburg en Teylingerbosch. Cornelia moet volgens tijdgenoten beeldschoon geweest zijn en is in een lofdicht bezongen door de in de 17e eeuw befaamde dichter Jan Vos, naar aanleiding van een geschilderd portret door Geeraarts:

“Uw beeldt is schoon gemaalt, dit stuk vertoont de blyken;

Nochtans gelykt het niet: want hier is nauwlyks schyn..

Vraagt gy hoe ‘t weezen moet zoo ‘t u in all’s zal lyken ?

Uw aanzicht schoon van glans, moet noch veel schoonder zyn.

Noch heeft de kunst gelyk dat zy u niet kan maaien.

Wie ‘t zonlicht schildren wil die staaroogt door de straaien”.

Als huwelijksgeschenk stond zijn vader de jonge Adriaan het leen Schakenbos onder Voorschoten af. Oudtijds lag hier een bos met gave eikenbomen, 47 morgen groot. Onder prins Maurits was veel jong wild in het bos gezet en een geliefd jachtgebied geweest zijn. Plannen tot rooiing waren slechts ten dele afgewend. In 1672 werd bij de inval der Fransen in ons land een aantal bomen gekapt, gebruikt om de toegang tot Den Haag te verhinderen. Aan de gewoonte van Hagenaars om hier op Tweede Pinksterdag tenten op te slaan, waarbij met kruiwagens eetwaren en vooral drank werden aangevoerd, alsook lustig gevreeën is eerst in 1729 door een beschikking van het Hof van Holland een eind gemaakt. Overigens kwam de jaarlijkse rente van het afgehouwen bos sinds 1653 toe aan de oudste in leven zijnde zoon van de overleden raadpensionaris Gerard, Heer van Heemstede. Toen de oudste zoon Nicolaas in 1630 met veel pracht en praal trouwde in de Kerk van Heemstede met de 16-jarige Anna van Lockhorst werd na de plechtigheid nog drie dagen feest gevierd op het Kasteel. Als huwelijksgeschenk kreeg hij het deel vanouds Bennebroek geheten van de Heerlijkheid Heemstede. Nicolaas, die een zwakke gezondheid had, ging echter in Beverwijk wonen en na de ontbinding van zijn huwelijk acht jaar later gaf hij Bennebroek onderhands door aan zijn jongste halfbroer Adriaan. Echter, eerst na het overlijden van de raadpensionaris wordt Bennebroek, gescheiden van Heemstede, officieel als zelfstandige gemeente erkend door de Staten van Holland, beleend aan Adriaan Pauw jr. (acte van 28 mei 1653). De acte waarin de grenzen werden vastgelegd, sindsdien  nauwelijks gewijzigd, dateert van 31 mei. Adriaan Pauw bewoonde in Den Haag een groot herenhuis, op zijn verzoek gebouwd, aan de Herengracht, nabij de Fluwelen Burgwal. Deze gracht werd in de tweede helft van de 17e eeuw in de volksmond soms “Pauwegraft” genoemd naar de eigenaar, ridder Adriaan Pauw, terwijl de woning algemeen bekend stond als “Het Huis van de Heer van Bennebroek”. In zijn Heerlijkheid nam hij vooral des zomers zijn intrek in een huis op de hoek van de Schoollaan en de Meerweg aan het dorpsplein, de latere pastorie waar meer dan 20 predikanten hebben gewoond en in 1961 helaas afgebroken. Het was, zoals mr. Groesbeek terecht heeft opgemerkt, met de Hervormde Kerk en het in 1971 afgebroken “Huis te Bennebroek” één van de weinige historische gebouwen die Bennebroek nog rijk was. Begin 1657 kocht Adriaan de hofstede “Duinwijk”, later veelal bekend afs het “Huis te Bennebroek”, bestaande uit “huysinghe, stallinge, wagenhuys, schuyren ende aencleven, met boomgaerden, plantagiën, weylant enz.”. Toen de eigenaar Jan L. Hooft het huis voor 9.000 gulden verkocht drukte er op het pand nog een hypotheek van 1.875 carolingische gulden. Dit was bewust verzwegen, maar vijfjaar later werd alsnog door het Hof van Holland – met Adriaan Pauw als mede-rechter – vonnis gewezen, dat deze schuld door Hooft moest worden vereffend, door betaling aan Cornelis van Sijpesteyn te Hillegom. Uit het huwelijk van Adriaan en Cornelia Pauw sproten zes kinderen, 5 dochters en 1 zoon, welke laatste vóór zijn vader ongehud is overleden. Door de gevierde portret- en genreschifder Johan Mijtens is de familie,dat wil zeggen met twee dochters, onder wie Anna Christina, in 1654 vereeuwigd. Zoals in die tijd gebruikelijk in een romantische setting: de familieleden gehuld in prachtige gewaden, op de achtergrond een arcadisch landschap en boven de beide echtgenoten twee engeltjes. Thans bevindt het doek zich in familiebezit Pauw van Wieldrecht.

Van Adriaan Pauw bestaat voorts een fraai gegraveerd portret (groot folio), waarop hij is afgebeeld in de rechterstoga met grote pruik en omhangen met de orde van St. Michaël. Achter hem een beeldvan Themis (godin van recht en orde), in het verschiet het Buitenhof. Van boven zijn spreuk: “Amor meus crucifixus”. Hij houdt een wetboek in de hand en naast hem op een tafel ligt de voorzitterhamer die hij zo vaak als President van het Hof van Holland hanteerde. Van onderen zijn geslachtswapen: Ie en 4e kwartier het wapen van Pauw, 2e en 3e kwartier het wapen van Bennebroek, verder twee hartschildjes: boven de Franse lelie en onder de Engelse roos – beide eretekenen aan zijn vader met recht van vererving verleend. Deze zeldzame gravure -wordt toegeschreven aan de Haarlemse kunstenaar Romeyn de Hooghe.

Adriaan Pauw jr. was evenals zijn vader een liefhebber van kunst en boeken. Bij gelegenheid van zijn huwelijk op 18 mei 1644 maakte P.S. Kagman een bruiloftsdicht, in een album amicorum aanwezig bij de Koninklijke Bibliotheek. Verschillende publikaties zijn aan Pauw opgedragen, o.a. van de geleerde predikant Willem Saldenus het boek “De libris varioque eorum usu et abusu” (Amsterdam, 1688) en van Jacobus Gronovius in 1689 een uitgave van “Cebes’ Tafereel”. Verder droeg P. Schenk hem een folio-kaart op van Guinea, Jaloffe en Sierra Leone. Constantijn Huygens jr., die in 1649 de buitengewone missie van Adriaan Pauw sr. naar Engeland vergezelde, noemt de Heer van Bennebroek meermalen in zijn “Journalen”. In de populaire historische roman “Elisabeth Musch” (1850) van Jacob van Lennep is raadsheer “mr. Adriaan Pauw, heer van Bennebroek” één van de hoofdfiguren die met mr. Honert het door het Hof van Holland uitgesproken doodvonnis overbrengt aan de eerder genoemde Franse ritmeester Buat. Adriaan Pauw bezat sedert 1686 het graf in de Grote of St. Jacobskerk te ‘s-Gravenhage, oorspronkelijk toebehorend aan zijn schoonvader. Bij zijn overlijden zijn al zijn goederen (bij testament van 3 maart 1681 gepasseerd ten overstaan van notaris Jan Populeus te Leiden) nagelaten aan zijn enig overlevende dochter Anna Christina (1649-1719), sedertdien Vrouwe van Bennebroek. Deze jonkvrouw was in 1671 gehuwd op “Duinwijk” met baron Nikolaas Sohier de Vermandois. Onder de genodigden bevond zich de toenmaals bekende kanselredenaar en dichter Joannes Vollenhove, die een gelegenheidsvers schreef, waarin als een vriendelijk gebaar tegenover het bruidspaar en vader Adriaan o.a. de volgende regels neerschreef:

“Nu naar Bennebroek getogen.

Met een blyde bruilofswys.

Want ons Hollandsch paradys,

‘s-Gravenhaag behaagt elx ogen

Nu zo trots niet, noch zo schoon.

Nu spant Bennebroek de kroon”.

De dochter van voornoemd echtpaar Adriana Constantina bestuurde Bennebroek van 1719 tot haar kinderloos overlijden in 1735, De Heerlijkheid, inclusief “Duinwijk”, kwam terug aan de fidei-commissionaire erven van haar grootvader die deze gemeente publiek hebben doen veilen, waarna ene Willem de Bruin uit Haarlem als hoogstbiedende voor ƒ 50.400,- Heer werd. 23 jaar later verkoopt deze Bennebroek door voor ƒ 55.000,- aan Johannes Nutges. Freule  Arnoldine Leonie Willink, in 1950 overleden, was de laatste nazaat uit dat geslacht en laatste “Ambachtsvrouwe van Bennebroek”.

Adriaan Pauw (1622-1697) en echtgenote Cornelia Pauw (1626-1692) + 2 van hun zes kinderen van wie alleen Anna Christina (rechts op het schilderij) in leven bleef. Doek van Johannes Mijtens uit 1653. (foto RKD-Den Haag)

Adriaan Pauw (1622-1697) en echtgenote Cornelia Pauw (1626-1692) + 2 van hun zes kinderen van wie alleen Anna Christina (rechts op het schilderij) in leven bleef. Doek van Johannes Mijtens uit 1653 of 1654 (foto RKD-Den Haag)

BETEKENIS VOOR BENNEBROEK

Zijn taak als eerste ambachtsheer van het zelfstandige Bennebroek heeft Adriaan Pauw jr. met inzet en toewijding vervuld. Van de bijna 45 jaar dat hij Bennebroek bestuurde zijn als stoffelijk bewijs talrijke archiefstukken bewaard gebleven betrekking hebbende op infrastructurele openbare werken, verpachtigen van land en blekerijen e.d. Hij stelde een college van schout en schepenen in en stichtte een eigen kerkgebouw’en lagere school.’ De schout (tevens secretaris) en 5 schepenen vormden het dagelijkse bestuur, dat in feite het in grote lijnen door Pauw uitgestippelde beleid uitvoerde. Dit college was tevens vierschaar voor lagere rechtspraak. Hun salariëring geschiedde uit het innen van boeten, accijnsen etc. Daarentegen werden – indirect – predikant, schoolmeester (tevens koster en voorzanger) wèl uit door Pauw gefourneerd geld (en collectes) betaald. Omdat het kerkgebouw eerst na 1680 gereedkwam werden kerkdiensten voordien gehouden in de eerste woning van Pauw, die intussen “Duinwijk” had betrokken. Voor het maken van een kerktorentje op het predikhuis werd ƒ 98,- uitgetrokken, de aankoop van een klok kostte ƒ 20,- meubilair ƒ 190,- en het vergulden van de pauw (in plaats van haan) op het torentje ƒ 3, —. Als architect voor het kerkje, nu rijksmonument, vroeg Pauw de grote bouwmeester Pieter Post, die zeker niet verwacht zal’hebben dat de ambachtsheer de eerste twee ontwerpen zou afkeuren. Zoals bekend staat op het fraai gesmede doop hek in de kerk het monogram van Adriaan en op het orgel prijkt een pronkende pauw, als een eerbetoon aan de stichter in de 18e eeuw aangebracht. Ook na 1653 werden nog talrijke overeenkomsten gesloten met zijn oudere broer Gerard, Heer van Heemstede, zoals bijvoorbeeld over de verdeling van de helft der hun dóór de baljuw van Kennemerland uitgekeerde boeten naar aanleiding van delicten begaan door ingezetenen van Heemstede in Bennebroek en omgekeerd. Tot 1666 waren er regelmatig geschillen rond de weliswaar wederzijds overeengekomen beslissing waarbij, om de kerkelijke scheiding van Heemstede en Bennebroek te vergemakkelijken, de helft van de gelden gecollecteerd in de kerk te Bennebroek aan de diakenen van Heemstede diende te worden uitgekeerd. In 1657 werd de Leidsevaart gegraven als vaartverbinding tussen Haarlem en Leiden langs Heemstede en Bennebroek. Aan beide zijden van de Rooheller Santvaert, thans Bennebroekervaart, werden lijnwaad- en kleerblekerijen, eerst door Adriaan Pauw sr., later zijn zoon geëxploiteerd. Eén daarvan werd verpacht aan Pieter van Hulle, wellicht de belangrijkste bleker uit de 17e eeuw die zijn tijd ver vooruit was en ondanks tegenwerking onverdroten pleitte voor bedrijfsorganisatorische verbeteringen ten behoeve van de gehele bedrijfstak. Adriaan Pauw stond ook aan de wieg van de befaamde herberg “De Oude Celeerde Man”, gelegen aan de “Groote Heerewech”. De eerste eigenaar Hendrik Bakker, timmerman van beroep leende van ƒ 500,- van Pauw voor de bouw van “Het huys ter Leer”, maar ging al spoedig failliet met een schuld aan de aannemer van ƒ 1.200,-. Het plaatselijk bestuur van Bennebroek vergaderde overigens in de herberg de “Swarte Hond”, die ook het Rechthuis genoemd werd. Het inwonertal nam onder Pauw gestadig toe en behalve blekerijen verschenen geleidelijk buitenplaatsen. Van de 17e (en 18e) eeuwse buitens is, in tegenstelling tot Heemstede, geen enkele bewaard gebleven en ook de blekerijen zijn successievelijk verdwenen. De Kerk bleef, weliswaar met een ander torentje, gelukkig intact, maar het Huis te Bennebroek is in 1971 afgebroken om plaats te maken voor het gelijknamige verzprgingscomplex. De schaarse overblijfselen van het landgoed der Heren van Bennebroek zijn de tot woningen verbouwde stallen en de tuinmanswoning aan de Binnenweg. Aan deze straat (nr. 12a) en de Reek (nr. 22) zijn slechts nog wat 17e eeuwse restanten in de vorm van oude balklagen en metselwerk een niet.meer dan flauwe herinnering aan die bloeiperiode. Van de in 1663 gestichte herberg “De Grave Tromp” is de 19e eeuwse gedaante overeind gebleven, thans in gebruik als woonhuis (Binnenweg nr. 14). Adriaan Pauw jr. was intellectueel minder begaafd, maar ook minder controversieel dan zijn vader. Méér dan zijn vader, die zich vooral op Heemstede richtte (slot, kerk etc.) en daar een nieuwe buurt stichtte (de Heeren Zandvaart), heeft de zoon bijgedragen tot de ontwikkeling van Bennebroek, over welke gemeente een romantische geest in de 18e eeuw, schreef: “Een der vermaaklijkste gedeelten van het grijze Kennemerland dat met ‘t naburig Heemstede den voorrang van landlijk schoon betwist.”. Hij was een man van innerlijke beschaving, soms zeer kritisch maar evenzeer verzoenend ingesteld en (gold als een beschermer van kunsten en wetenschappen. De heer M. Verkaik heeft in zijn boekje over de Hervormde Kerk het vermoeden uitgesproken dat de grote grafsteen in de grafkelder van Adriaan Pauw in de woelige jaren omstreeks 1795 is omgekeerd, zodat eventuele aanduidingen als een heraldisch wapens thans niet te zien zijn en heeft daarom gepleit voor lichting van deze steen. Omdat al zoveel reminiscenties aan Adriaan Pauw in Bennebroek door dé tijd zijn uitgewist verdient deze wens zoveel mogelijk ondersteuning. Ten slotte: het recente vernoemen van een vereniging (bridgeclub) naar Adriaan Pauw is een teken dat de huidige bewoners de feitelijke grondlegger van het zelfstandige Bennebroek niet vergeten zijn.

Hans Krol

(1) Verkorte versie van een artikel met opgave van bronnen, aanwezig in ‘Heemstede-collectie’ in depot bij het Noord-Hollands Archief.

About these ads