Tags

,

‘We liepen met knijpkatten om op duistere  plaatsen in het toch al donkere gebouw  schrijvers en titels te vinden’     een leeszaalassistente

 LOTGEVALLEN VAN DE STADSBIBLIOTHEEK HAARLEM TIJDENS DE DONKERE BEZETTINGSJAREN 1940-1945

Vier eeuwen bibliotheekhistorie

librije

Afbeelding van een 16e eeuwse librije

In 1996 herdacht de Stadsbibliotheek (SB) Haarlem het 400-jarig bestaan. Al of niet voortgekomen uit laat-middeleeuwse klooster- of kerkelijke boekerijen na onteigening van katholiek bezit zijn verscheidene academie- en stadsbibliotheken in de 16e eeuw ontstaan: Hoorn (1533), Deventer (1560), Zutphen (1561), Leiden (1575), Edam (circa 1576), Amsterdam (1578), Utrecht (1584), Arnhem (1588), Gouda (1590), Alkmaar (herinrichting 1594) en Haarlem in 1596 vrijwel gelijktijdig met de librije naast de Westerkerk van Enkhuizen (1).

stichting

De op de stichting van de stadsbibliotheek Haarlem betrekking hebbende vroedschapsnotitie van 22 mei 1596

Toen Haarlem in 1578 de beschikking kreeg over enige goederen van Haarlemse kloosters, nam de vroedschap het besluit boeken van het Predikheren- en Minderbroedersconvent te doen catalogiseren door rector Schonaeus van het gymnasium, Schonaeus, en deze aan te bieden aan de nieuwe Academie- bibliotheek in Leiden. In 1581 kwam voor het eerst het denkbeeld van een stadslibrije ter sprake en al op 22 mei 1596 nam de vroedschap van Haarlem het besluit tot de stichting daarvan: ‘is mede verhaelt ende voor goet innegesien ende verstaen, datmen eene Libry sal toerusten ter plaetse, die daer tot int predicarenconvente geordonneert es’.

Schonaeus

Portret van Cornelis Schonaeus (1540-1611), classicus, dichter, toneelschrijver, rector van het gymnasium in HaarlemEen bijschrift invoeren

De bibliotheek werd aldus gehuisvest in het in 1580 opgeheven klooster der Predikheren ofwel Dominicanen, omgedoopt tot ‘Princen-Hof’. Daar zou de bibliotheek met een onderbreking gedurende de Franse Tijd toen de publieke boekenschat in een pakhuis aan de Zoetestraat was ondergebracht ‘aan vochtigheid, lekkagie, dieren, wormen en dieren ten prooi’ tot de verhuizing van 1974 gehuisvest blijven. Zoals voortreffelijk beschreven door dr.G.J.Jaspers (2) zou een deel van het bezit van de Commanderij van Sint Jan in 1625 een eerste grote aanwinst van de bibliotheek betekenen.

Boven: de Librije in het stadduis van Haarlem na restauratie (oorspronkelijk kloosterbibliotheek). Onder: de vroegere kapittelzaal na inrichting van documenttiecentrum

Prinsenhof

Ets van het Prinsenhof met stadsbibliotheek in Haarlem, vervaardigd door Abraham Rademaker in 1720

trap

De stijlvolle toegangstrap naar de stadsbibliotheek in het Prinsenhof op een tekening van T.van Looy.  Hoofdassistente Guda Ratelband schreef in dichtvorm enige herinneringen aan de trap  van de 12de-13de eeuw tot de bezettingsperiode 1940-1945. Over de periode 1600-1800 schreef zij:

En over mijn treden daar gingen de voeten

Van hen, die er kennis en wijsheid zoeken moeten

Eerbiedwaardig en deftig en geleerd waren zij.

Ze droegen vaak pruiken en zwarte kleedy

En in het gebouw was het plechtig en stil.

Geen zon kwam ere haast, ’t was vochtig en kil,

jaren en jaren ging alles zoo voort

Zoo stil en zoo deftig, geen lach werd gehoord.

’t Was stil steeds maar studeeren in dikke folianten

Onder de hoede van predikanten.’

In hetzelfde jaar, 1794, dat te Haarlem het patriottisch Leesgezelschap ‘Het Schootsvel’ werd gesticht – met als doel: ‘algemene ontwikkeling en verlichting naast propaganda van de vrijheidsbeginselen’ – is op 19 april door het Departement der ‘Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’ de eerste volksbibliotheek opgericht. Honderden van deze nutsbibliotheken zouden in ons land volgen.

trap

Voorheen beheerd als nevenambt door predikanten en leraren van de Latijnse School is in 1821 Abraham de Vries als eerste eigenlijke stadsbibliotecaris benoemd, die na eerder uitgekomen catalogi van 1672, 1716 en 1768 tussen 1848-1864 het gehele bezit in drie delen catalogiseerde. In totaal 1380 bladzijden, waarvan liefst 293 pagina’s gewijd aan de uitvinding der boekdrukkunst en typografie en 358 aan het belangrijke legaat letterkunde bijeengebracht door Adriaan van der Willigen.

De stadsbibliotheek was tot 2001 gevestigd in gebouw Prinsenhof nabij stadhuis en gymnasium

In 1861 is door 22 notabelen, waaronder burgemeester Fock, A.C. Kruseman, Busken Huet, P.A.Tiele, Staring en Krelage het Leesmuseum gestart, dat in 1890 174 leden telde, welk aantal vervolgens jaarlijks daalde, waarna in 1910 tot opheffing is besloten en deze boekerij in het bezit kwam van de SB. Een eerste ‘Openbare Leeszaal’ met als doelstelling: ‘aan een ieder kosteloos de gelegenheid te geven tot het lezen van dag-, week- en vakbladen, tijdschriften, illustraties enz.’ is opgericht op 1 januari 1890, maar al na vijf jaar gesloten bij gebrek aan financiële middelen en publieke belangstelling. Sedert 1921 is de Haarlemse Stadsbibliotheek met vanouds voornamelijk wetenschappelijke boeken tevens een voor iedereen toegankelijk openbare leeszaal en bibliotheek.

Toegang naar de leeszaal van de bibliotheek met boven de ingang de volgende Latijnse tekst: ‘Hic locus invitat, prohibet desuiderat, arcet Musarum socius, turbas pia pectora, vulgus’, wat zoveel betekent als: Bibliotheek. Deze plaats verwelkomt mannen van de wetenschap, verbiedt de toegang aan het grote publiek, verlangt naar rechtschapenen, weert het volk. Het mogelijk 17de eeuwse bord heeft daar tot ver in de 20ste eeuw gehangen en is voor zover bekend niet bewaard gebleven.

VAN CRISIS- NAAR OORLOGSJAREN

entree.jpg

Entree naar Prinsenhof-stadsbibliotheek

Na jaren van planning, waarbij het vergevorderde plan voor nieuwbouw van een te stichten Haarlemse openbare leeszaal en bibliotheek (kosten ¦ 121.000,-) in 1914 door het College van Burgemeester en Wethouders is verworpen en daarmee ook het aangevraagd Rijkssubsidie verviel, is pas op 21 juli 1921 het voorstel aangenomen tot inrichting van een openbare leeszaal in het gebouw van de SB (3). Bij de opening telde de instelling  ongeveer 60.000 boeken, inclusief het waardevolle oude bezit. Het aantal uitleningen steeg nu fors van 4407 werken in 1920 tot 23.475 twee jaar later en in 1930 zijn voor het eerst meer dan 100.000 boeken uit het gesloten magazijn gehaald en over de uitleenbalie gegaan. Datzelfde jaar is tevens een eerste filiaal in gebruik genomen in het historische Huis te Zaanen (Haarlem-Noord).

De economische wereldcrisis, welke omstreeks 1933 inzette, hielden voor de bestaande openbare bibliotheken in financieel opzicht magere jaren in en stilstand betekende achteruitgang. De overheidssubsidies bleven karig gedurende de volgende oorlogsjaren, maar lichamelijke uitputting verdrong de geestelijke honger niet. Weliswaar daalde naarmate de tijd vorderde het leeszaalbezoek, ook al omdat veel periodieken vanwege de beperking der papiervoorraad hun uitgave moesten staken. Het aantal uitleningen stak met in totaal 1.129.970 exemplaren tijdens de vijf bezettingsjaren ver uit boven de voorgaande periode. Van het uitleenbureau op de bovenverdieping en via de historische trap naar de uitgang beneden stonden vaak lange rijen wachtenden, die hun boeken voor zichzelf, soms ook voor onderduikers haalden (4).

In de loop van 1944 konden geen romanlezers meer ingeschreven worden en zijn de avonddiensten gestopt. Op het laatst mocht men nog maar 1 boek meenemen. 26 Januari 1945 gelastte waarnemend-burgemeester Van Driel, na zich persoonlijk van de situatie op de hoogte te hebben gesteld, dat bij negen graden vorst, bloesem op de ramen en geen verwarming bij gebrek aan brandstoffen de bibliotheek drie weken te sluiten, later verlengd tot 15 maart. Bediende H. de Zaaijer, met een technische aanleg, die in 1942 het uitleenbureau van de muziekafdeling had getimmerd, kreeg toestemming om bij het gemeentepersoneel radio’s te repareren.

Het classificeren der collectie volgens een door directeur P.V.de Wit ontworpen systeem is tijdens de oorlogsjaren voortgezet. Aan een verzoek in 1942 van de Buurtvereniging Ramplaankwartier, verzoekende om een eigen lokaliteit met boeken van de SB, kon vanwege ‘overbelasting van de uitleening’ geen gevolg worden gegeven. De Haarlemse bibliotheek fungeerde tevens als opleidingsinstelling met tijdens het cursusjaar 1944/1945 twaalf leerlingen. Ook de volontairs werkten hard en maakten (zesdaagse) werkweken van 46 uur.

Gedurende de bezettingsjaren waren tussen de 16 en 22 personen in dienst, waaronder 5 à 6 dames. Het personeel was hard nodig om het boekenbedrijf draaiende te houden, maar kwam niet in aanmerking voor bonloze bijvoeding. Op 15 juli 1943 is de directeur door dr.Plutzar in Den Haag ontvangen om hem een lijst van functionarissen voor vrijstelling van de arbeidsdienst te overhandigen.

Al in een vroeg stadium zijn vanwege dreigend luchtgevaar 28 kisten met de kostbaarste boeken, zoals handschriften en incunabelen, van de SB in de kelder van de Vleeshal geborgen. Het tijdschrift Bibliotheekleven meldde in 1941 dat bij gebrek aan opslagruimte in het Stadhuispand zo’n 30.000 van de 116.000 boeken ‘naar de Vleeshal waren verhuisd in afwachting van een grootscheepsche oplossing, waarvan de teekeningen reeds klaar zijn’.

kamer.jpg

Directeurskamer in stadsbibliotheek Prinsenhof Haarlem

Aan de wens van een nieuwe huisvesting kon in de eerste naoorlogse jaren niet voldaan worden en het zou uiteindelijk nog tot 1974 duren alvorens de SB-Haarlem een eigen pand aan het Doelenplein kon betrekken.

 Lijsten en nog eens lijsten

lijsten

Uit: ‘Lezen voor iedereen; geschiedenis van de openbare bibliotheek in Nederland’ door dr. Paul Schneiders. NBLC, 1990.

Een assistente die in 1939 haar opleiding bij de Stadsbibliotheek is aangevangen herinnert zich: ‘Toen de bezetting een feit was en de rust enigszins was teruggekeerd, kregen we het druk met het uit de kasten en catalogi verwijderen, eerst van de Duits-Joodse en later Engelse en Amerikaanse schrijvers (oorspronkelijk en in vertaling), die na het begin van de 1e wereldoorlog hadden gepubliceerd, met uitzondering van de auteurs die de sociale toestanden in Amerika hekelden. Ook het werk van Russische schrijvers van na de Revolutie ging in de ban, maar ook voor moderne, volgens de bezetter “gedegenereerde” kunst. Dat gold ook voor boeken over het Koningshuis, vrijmetselarij en marxisme. Wijsbegeerte (Spinoza, Kierkegaard etc.), psychologie (Freud en Adler vanzelfsprekend, maar ook Jung werd argwanend bekeken) en bijvoorbeeld rechtswetenschappen waren niet langer relevant. We hadden het er druk mee! Desondanks liep het storm. Streekromans werden verslonden; zowat het enige genre dat je veilig aan de man kon brengen. Boeken over de natuur en reisbeschrijvingen waren zéér in trek (behalve richting Duitsland kon men nergens heen). De enige Duitse bestseller, vooral bij scholieren, was: Schiller’s “Wilhelm Tell”. Wat stukgelezen werd, kon veelal niet vervangen worden. Ook studie- en krantenzaal stonden de eerste oorlogsjaren volop in de belangstelling; kranten en tijdschriften waren letterlijk “uitgedund” en veel werd er niet gepubliceerd en wat uitkwam was sterk “gekleurd”, maar je zat warm!’

De ‘Corrigenda’ bij de romancatalogus van 1940

Het bezit van de Stadsbibliotheek is niet door de Duitse bezetter geplunderd. NSB’ers waren doorgaans tevreden wanneer Volk en Vaderland en het Nationale Dagblad in de leeszaal ter inzage lagen. Verboden boeken werden door de Nederlandse politie opgehaald en gingen eerst naar het bureau in de Smedestraat, vervolgens naar een opslagplaats bij Van Gend en Loos of naar de Duitse instanties in Den Haag.

Volgens een gemeentelijk verslag uit 1948 moesten ongeveer 5000 boeken uit de roulatie genomen worden en in het filiaal ongeveer 1000, echter geen onvervangbare publicaties (5). Het oude bezit was veilig opgeborgen en toen er in 1943 een verzoek kwam van het Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten om Het Oudt-Haerlems Liedtboeck te mogen lenen werd dit resoluut afgewezen met een aantekening van de directeur: ‘onder geen voorwaarde’.

Leeszaal van stadsbibliotheek Haarlem in de Prinsenhof

vernieuwde

Vernieuwde leeszaal van de stadsbibliotheek in het Prinsenhof

Direct na de capitulatie heersten verwarring en onzekerheid over wat komen zou. De historicus dr.J.S.Bartstra, lid van de Commissie van Toezicht bij de SB, werd door een redeloze angst overvallen en ging op 15 mei diens bibliotheek en archief zuiveren op wat voor de Duitsers onwelgevallig zou kunnen zijn. Hij noteerde in een dagboek: ‘Zo vijzelden wij elkaar op tot het verbranden en begraven van allerlei documenten – antifascistische kranten, brochures, zelfs correspondentie en enige boeken – klaarblijkelijk omdat wij ons voorstelden dat de Duitsers onmiddellijk huiszoeking en wel in het bijzonder op Zonnelaan 49 zouden doen’ (6).

Bartstra

Portret van historicus en bibliotheek-bestuurder Jan Steffen Bartstra (1887-1962)

De 121 openbare bibliotheken in ons land, inclusief van Protestants-Christelijke en Rooms-Katholieke signatuur, waren verenigd in de Centrale Vereniging voor Openbare Bibliotheken (CV). Een centrale rol binnen deze organisatie speelde de gezaghebbende (en gezagsgetrouwe) secretaris dr.H.E.Greve, tevens directeur van de Haagse OLB. Van Duitse zijde werd de Oostenrijker dr.F.E.Plutzar, hoofd van het ‘Ministerialrat Kulturverwaltung’ – een vertrouweling van Seyss Inquart en de commissaris-generaal voor bestuur en justitie dr.F.Wimmer – als contactpersoon aangesteld, die de leuze van laatstgenoemde ‘Wir steuern, die Holländer verwalten’ nauwgezet in praktijk bracht.

Greve

Portret van Henri Ekhard Greve (1878-1957)

In CV-circulaires van 4 en 21 september 1940 gaf dr. Henri Greve aan, ‘niet zonder overleg met de Duitse autoriteiten’, welke auteurs hij uit de Haagse bibliotheek had verwijderd met de overweging dit ook te doen, zo mogelijk aan te vullen met boeken in eigen bezit met een duidelijk Anti-Duitse strekking. Hij voegde daaraan toe dat de CV, althans voorlopig, geen complete lijst kon opmaken en aan de leeszalen toezenden.

Tekening van P.V.de Wit door Antoon Molkenboer

De Haarlemse bibliotheekdirecteur P.V.de Wit, die in een open brief, gepubliceerd in ‘Bibliotheekleven’ (1935) ten aanzien van de nieuwe openbare bibliotheek van ‘s-Gravenhage over ‘dat nieuwe bolwerk der waarachtige democratie’ had geschreven ging daarbij wel erg ver door een lijst van ongeveer 400 gesaneerde titels toe te zenden, op basis van een officieuze lijst voor boekhandel en winkelbibliotheken verboden boeken die in ‘De Telegraaf’ van 18 juli stond afgedrukt. ‘Mag ik U naar aanleiding van het schrijven van het bestuur der c.v. inzake verwijdering van drukwerken, die aan het Duitsche volk, zyn Führer enz. vyandige of afkeurende strekking hebben nadere inlichtingen vragen. (…) Dus heb ik alle emigrantenlectuur verwijderd en alles wat in verband met het Jodenprobleem aanstoot kon geven. Onder de verwijderde boeken waren er ook tal, waarbij van een Duitschvyandige houding geen sprake was. Wilt u tot betere inlichting en ter spoedigste afdoening van de door U gewenschten lijst mij even melden of deze laatste werken (hoofdzakelijk emigrantenlectuur en die betreffende het Jodenvraagstuk zonder Duitsch-vijandige strekking) weer uitgeleend kunnen worden en in den spoedig te drukken katalogus kunnen worden opgenomen? Om U een indruk te geven van de door ons verwijderde werken zend ik hierbij de volledige lijst’.

Greve antwoordde dat op de vanuit Haarlem toegezonden ‘lijst wel het een en ander staat wat er af zou kunnen. Aanwijzingen daaromtrent geef ik liever niet’.

Najaar 1940 maakte de heer P.V.de Wit, naast CV-secretaris dr.H. Greve en bibliotheekinspecteur dr. P.C.Molhuysen, met de directrices van Amsterdam en Utrecht deel uit van een ‘Leescommissie’, die met grote ijver werkend al in november een cartotheek van 3200 verschillende te verbieden titels had aangelegd, niet minder dan 30.000 tot 40.000 exemplaren in de Nederlandse openbare bibliotheken vertegenwoordigend, doch nauwelijks 1,5% à 2% van het toenmalig bezit. Op 20 december 1940 verspreidde de CV een (voorlopige) lijst verboden boeken, waarvan de uitlening verboden of voorbehouden is. Groep 1 (= uit de circulatie te nemen), Groep II (= voorbehouden belletrie), Groep III (= voorbehouden studieboeken). Intussen was een 110 bladzijden omvattende catalogus van Nederlandstalige en vertaalde romans in de Stadsbibliotheek reeds voorbereid en gedrukt en is na het titelblad een ‘Corrigenda’ ingevoegd. Een vergelijking leert dat hierop enkel drie auteurs voorkomen die niet op de CV-lijsten staan, te weten: H.Bettauer, De stad zonder joden; een roman van overmorgen (1929), N.van Suchtelen, Het Spiegeltje van Venus (1939) en van W.Speyer, De katten van Maineweh (1927). Nederlandse joodse auteurs als Herman Heijermans en Herman de Man kwamen nog met veel titels in de catalogus voor. Deze zijn medio 1943 via een besluit van dr.Plutzar officieel verboden en staan als zodanig vermeld op een in 1944 verschenen uitgebreide landelijke Lijst van verboden boeken en brochures.

Daarin zelfs De Zoon van Dik Trom door C.Joh.Kieviet, nadat dit werk door de hoogste Duitse politiechef Rauter op 29 september 1941 als opruiende lectuur werd gecensureerd, omdat er door jongens aangeheven kreten in voorkwamen als ‘Leve de Koningin’ en ‘Leve de Keizer’, wat op Wilhelmina en de Duitse Keizer sloeg. In 1942 heeft De Wit enkele boeken ter beoordeling of die uitgeleend konden worden (zoals over Heemkunde en Mendes da Costa) naar dr.Plutzar gezonden. Kort tevoren was in een schrijven van 30 januari door dr.Greve op de vingers getikt omdat de SB-Haarlem van de 10e jaargang der Aanwinsten, nr.5,januari 1942 vooraf geen verlof had gevraagd bij de Duitse instanties. In hetzelfde jaar verscheen een Supplement op de in 1940 uitgekomen Katalogus van Nederlandsche, Zuid-Nederlandsche en in het Nederlandsch vertaalde romans, novellen en schetsen. Opmerkelijk feit is, dat daarin weer werken van Duitse auteurs voorkomen, die blijkens de ‘Corrigenda’ eerder verboden waren, zoals werk van Vicki Baum, A.Döblin, L.Feuchtwanger, A.Latzko, Thomas Mann, Arnold Zweig en Stefan Zweig. Naast censuur had ook indoctrinatie plaats en zijn – in beperkte mate – boeken met een nationaal-socialistische strekking in de collectie opgenomen, al moet gezegd dat belangstelling hiervoor vrijwel nihil was. Van 26 april tot 7 october 1941 is in tien grote steden (niet te Haarlem) een tentoonstelling georganiseerd van het ‘Nieuwe Duitsche Boek’. Naar aanleiding hiervan zijn vanuit Haarlem ongeveer 200 boeken via de CV besteld met de mededeling ‘dat de eerder bestelde Duitsche boeken soms zeer op zich laten wachten of in het geheel niet komen’ en met een lijst van ongeveer 250 boeken uit voornoemde catalogus die de Stadsbibliotheek reeds bezat.

magazijn.jpg

Deel van boekenmagazijn stadsbibliotheek in Prinsenhof Haarlem, ziende naar het noorden. Eerder was hier de leeszaal gevestigd. Circa 1957.

Leeshonger en boekenvandalisme

Met een absoluut hoogtepunt in 1943 was de uitleen ten opzichte van 1929 verdubbeld tot 183.000 boeken in de centrale en 61.000 in filiaal De Zaanen. In de leeszaal zaten jongeren te studeren die later hoge posities hebben bereikt. De SB beschikte over relatief veel studieboeken en buitenlandse literatuur. In de bewaard gebleven correspondentie komen we ook verzoeken tegen van diverse schrijvers met verzoeken om boeken, met name van Marie van Zeggelen, J.G.de Roever en dr.E.J.Dijksterhuis. Ook van de Heemsteedse predikant G.A.Barger, wiens boek Vervolgd, maar niet verlaten; uit de strijd om de wording van ons zelfstandig volksbestaan, dat in 1941 normaal bij Tjeenk Willink in Haarlem was verschenen, maar drie jaar later op de verbodslijst stond. K.J.L.Alberdingk Thijm, beter bekend als als de letterkundige Lodewijk van Deyssel, woonachtig in pension Schreuder, Dreef 4, vroeg op 7 en 12 october 1943 in brieven aan de directeur met veel omhaal van woorden de werken van P.C.Boutens voor langere tijd dan gebruikelijk te mogen gebruiken voor een studie over deze dichter ‘hetzij door dit bij het begin te bepalen, hetzij door een of meermalige verlengingen van den uitleeningen’. Ook kwamen enkele verzoeken uit Duitsland, onder meer van de UB-Göttingen, geïnteresseerd in Jan Luyken.

Vordering tot strafrechtelijk vooronderzoek met betrekking tot Harry Kurt Victor Mulisch zie ook bijlage 3

Een vaste bezoeker van de bibliotheek was de jonge Harry Mulisch, welke daar naar eigen zeggen ‘bijna dagelijks een paar uur doorbracht’ (8). Hij stal verscheidene boeken, waaronder naar zijn zeggen ook Freud (die voor studiedoeleinden gebruikt mocht worden). Verder een groot plaatwerk met tekeningen van Van Meegeren, maar liep ten slotte – net als Van Meegeren – tegen de lamp toen een huisgenoot deze diefstal aangaf bij de politie. Huidig ereburger Mulisch had alle platen er uit gescheurd en aan de muren opgehangen en moest uiteindelijk een schadevergoeding van  ƒ 65,- en ƒ  40,- boete voldoen subsidiair 24 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar, tijdens welke hij zich aan de reclassering had te onderwerpen. Mulisch was overigens lang niet de enige boekenschender. In het gemeentelijk verslag der oorlogsjaren werd vastgesteld ‘dat veel meer lezers dan vroeger zich tot diefstal lieten verleiden en vooral boeken en tijdschriften schonden door er platen uit te scheuren. Diefstal kon vrij afdoend worden tegengegaan, maar bestrijding van het andere kwaad eiste meer zorg. Geïllustreerde werken en tijdschriften worden alleen nog uitgeleend aan hen die bewijzen kunnen ze voor studie nodig te hebben; en als ze worden teruggebracht, gaat een der bedienden van bladzij tot bladzij na of het werk ongeschonden is’. In het archief bevindt zich ook een lijst van 53 door een Haarlemse muziekleraar beschadigde boeken. Een apothekersassistent heeft uit bijna alle Baedecker-reisgidsen van de SB de kaarten gesloopt voordat hij kon worden aangehouden. Deze bij hem thuis aangetroffen en weer met grote moeite in de gidsen geplakt.

Een vroegere medewerkster: ‘In het vakblad werd gewaarschuwd voor een “bende”, die door het hele land encyclopedieën bij elkaar stal. Daarom stelden we in de studiezaal een “gastenboek” in, waarin naam en adres van de bezoeker werd genoteerd aan de hand van het inmiddels ingestelde persoonsbewijs. Een oudere heer was hierover zo verbolgen, dat hij het “gastenboek” onder mijn handen vandaan trok en me er links en rechts mee om de oren sloeg, tot een paar lezers hem tot rede brachten. Toevallig viel deze gebeurtenis samen met een bevel van de NSB-burgemeester, die het betreden van openbare gebouwen aan Joodse medeburgers verbood. Hij verdacht ons ervan met de bezetter samen te werken. Hij was zelf niet Joods en bood me zijn excuses aan. Ik kon zijn woede begrijpen, want ik had een Joodse collega, mej.Reina van Dijk, dochter van de toenmalige bibliothecaris in Leeuwarden, die wij pas waren kwijtgeraakt, omdat Joden geen overheidsbetrekking meer mochten uitoefenen. Jaren later ontmoette ik iemand die haar in Theresiënstadt had gesproken, vanwaar zij niet levend is teruggekomen’.

Openstelling van een muziekbibliotheek

De muziekbibliotheek kort na de oorlog met de functionarissen J.M.Kingma (rechts) en H.,Bres en het hoofd van de afdeling mej. C.M. (Do) Reeser

Ondanks de donkere tijden met gebrek aan vrijwel alles was een lichtpuntje de opening op 1 mei 1942 van een een muziekafdeling met in totaal 3700 werken praktische en 700 theoretische muziek, waarvan een groot deel geschonken was. Tien jaar voordien was men met de voorbereiding begonnen na de ontvangst van een legaat der familie Enschedé, met inbegrip van veel kamermuziek in goede staat. Feitelijk was de uitlening in 1937 te vroeg gestart, want vanwege de enorme belangstelling stond op een gegeven moment bijna geen boek meer in de kast, reden waarom de uitleen is gestopt. Toen mej. C.M.Reeser in 1941 bij de Stadsbibliotheek kwam was het grootste deel der 2000 beschikbare banden al ingewerkt. Uitbreiding had plaats met doubletten uit andere muziekbibliotheken, zoals van de muziekafdeling van het Gemeentemuseum in Den Haag. Voorts aankopen van de muziekhandels Alphenaar en Goldschmeding alsmede van antiquariaten in Haarlem (Hovingh), Utrecht, Amsterdam, Leiden en ‘s-Gravenhage. We citeren uit haar ‘dagboek‘ op rijm (1941):

“Het bezit steeg snel tot boven 2500 banden,

Toen kwam de catalogus onderhanden.

De copie werd eerst weer grondig doorgezien;

Ja, minstens wel een keer of tien,

En kwam daarna bij Loosjes op de persmachien.

Met Kerstmis kwam de drukproef eindlijk klaar

Maar toen rees er een groot bezwaar:

’t Papierverbruik kwam juist in distributie,

Dat bracht in de drukkerij complete revolutie!

Niets mocht men drukken zonder absolute sanctie

Van de daartoe ingestelde Duitse instantie.

En verder moest de tekst eerst goedgekeurd,

wat later in Den Haag ook is gebeurd.

Maar o! wat hadden ze daar veel geschrapt

En wàt een musici er uit getrapt!

De Amerikanen werden soms sans pardon geweerd,

De Russen op het kantje af getolereerd;

Intussen echter met dit Unterschreiben:

“Falls Volksmusik oder klassisch kann es bleiben”

De grote Mendelssohn en Mahler zijn subiet geweerd,

Maar ja, dat waren dan ook onvervalste joden.

Sindsdien doen we het zonder ‘Lied ohne Worte’

En zonder Offenbach, Sem Dresden en consorten.

Hiermee verdween toen ook “Das Lied der Erde”

Omdat dit ’t Arische gevoel te veel bezeerde.

De catalogus vertoont hierdoor verschillende hiaten,

Want de drukker wilde van verschuiven niet meer praten.

Ook was daarvoor een ander groot bezwaar:

’t Hele register was al klaar!’

ddd_010452426_mpeg21_p001_image

Bericht over opening van de muziekafdeling in de stadsbibliotheek Haarlem uit Haarlem’s Dagblad van 5 januari 1942

De catalogus kon voor ƒ 1,35 worden aangeschaft. De muziekbibliotheek kreeg onderdak in een apart lokaal in de Noorderpandkamer. Ook daar was het plaatsgebrek een permanent probleem. Op de kasten van de partituren stonden de Handelingen van de Staten-Generaal, hetgeen bij organist Nelissen de opmerking ontlokte: ‘Daar heb je de composities in C-mineur!’. Op 23 juli 1942 kwam een schrijven van de CV binnen naar aanleiding van een oekaze van Plutzar, dat alle composities van Jan van Gilse onmiddellijk uit de circulatie moesten worden genomen. Deze toonkunstenaar had zich namelijk schuldig gemaakt aan acties tegen de Nederlandse Kultuurkamer. Vanaf de begintijd heeft de SB-Haarlem zich gespecialiseerd in orgelmuziek. Het aantal leden verdubbelde tussen 1 mei 1943 en 1 augustus 1944 van 200 tot 400 en vóór het nieuwe jaar is de 500ste persoon ingeschreven. Gedurende de eerste zeven maanden zijn meer dan 1000 boeken uitgeleend, evenals aan musici, instrumentalisten zoals Jos en Albert de Klerk, maar ook aan koor- en concertzangers. Sinds invoering van de Kultuurkamer meden velen principieel het Concertgebouw en is daarvoor in de plaats huismuziek gekomen. Via een speciaal in het leven geroepen Muziekfonds konden nieuwe aankopen gefinancierd worden. In mei 1944 is ondanks de papierschaarste een 1e gedrukte supplement van de muziekafdeling verschenen met 1500 titels.

In het Haarlems Dagblad van 19 december 1995 zei Piet Veenstra, programmeur van het Noordhollands Philharmonisch, vijftig jaar bij “het orkest”: ‘De basis van zijn enorme repertoire-kennis left Veenstra tijdens de oorlog. “Ik heb toen de Openbare Muziekbibliotheek van A tot Z doorgenomen en ik vond er stukken die nog nooit waren uitgevoerd. Muziek van de Groupe des Six, liederen van Ives (…)’.

Een nieuw begin

2804d2c6-4ce0-8182-6936-2ebbb64db31a

Tijdelijke sluiting van de stadsbibliotheek (Haarlemsche Courant, 7 maart 1945)

Ruim een maand voor de Bevrijding overleed de voorzitter van de Commissie van Toezicht, de heer D.J.A.Westerveld, wethouder voor Onderwijs vanaf 1939 die bij het optreden van NSB-burgemeester Plekker was afgetreden. Aan de SB is een groot deel van zijn boekerij vermaakt. Na 5 mei kon voor zover mogelijk het herstel van veel intensief gebruikte boeken die er slordig en haveloos uitzagen worden begonnen (9). De lijst van uiteindelijk behouden boeken is aanzienlijk groter dan de inventaris van niet teruggekomen publicaties. Eerst zijn de in een goederenloods bij Van Gend en Loos opgeslagen boeken met een aanhangwagen teruggehaald. Via de CV werd in Bibliotheekleven gemeld, dat ruim 1100 door de Duitsers in beslag genomen boeken voor rekening van de rechtmatige eigenaars vanuit Den Haag zouden worden geretourneerd, waaronder ook 98 uit Haarlem. Uit een later herhaalde oproep bleek dat de SB niet had gereageerd. Van de ‘Help Holland Council’ (British Council) ontving de Stadsbibliotheek 613 Engelse boeken ten geschenke. Nadat hier in de oorlogs- en bezettingsjaren geen neiging toe was geweest zijn in 1946 weer drie tentoonstellingen door de SB georganiseerd, gewijd aan sport, reizen en het recente Amerikaanse en Engelse boek en bij het 325-jarig bestaan in 1947 had een grote expositie uit eigen bezit plaats van ‘boeken uit zeven eeuwen’.

bevrijding

Direct na de Bevrijding is bovenstaande foto gemaakt van het personeel van de Stadsbibliotheek. In het midden staande directeur P.V.de Wit

 

Na de Bevrijding bleek dat de Haarlemse bibliotheken van Joh.Enschedé en Zonen, de Geologische Stichting en Teyler’s Stichting geheel gespaard waren gebleven en geen schade hadden geleden. Wèl is in de Spaarnestad de bibliotheek van de anti-fascistische essayist Jacques de Kadt in beslag genomen. De Kadt zelf was in mei 1940 naar Londen en vandaar naar Nederlands-Indië gevlucht. In tegenstelling tot zijn ouders en één van zijn broers overleefde hij de internering in Japanse kampen. De Kadt is in 1988 overleden en heeft aldus niet mogen beleven dat vier jaar later een aantal boeken uit zijn privé-bibliotheek uit Rusland is teruggekeerd.

Tot besluit: het personeel van de bibliotheek is, alle geleden ontberingen daargelaten, op één assistente na de oorlog goed doorgekomen. Eind 1940 vermeldde een landelijke CV-opgave van Joods personeel 11 personen. Drie van hen zijn omgekomen in een concentratiekamp, met inbegrip van J.van Dijk, voormalig directeur van de bibliotheek in Leeuwarden. Zijn dochter Reina, die in Haarlem als assistente in dienst was en daar behulpzaam was bij de catalogisering van bladmuziek, moest eind 1940 haar ontslag nemen en is op 30 september 1942 gelijktijdig met haar vader, twee broers en twee zusters in Auschwitz overleden (10).

Dijk

Jacques van Dijk (1878-1942) is met zijn echtgenote en dochter Reina in 1942 omgebracht in Auschwitz (Joods Monument)

Guda1

Uit een vers: HERINNERINGEN van de Oude Trap bij het 350-jarig bestaan van de Stadsbibliotheek, door Guda Ratelband; periode 1940-1945 (Gedenkuitgave 1947)

Guda2.jpg

Vervolg vers: Herinneringen van de Oude Trap door Guda Ratelband (1947)

Noten

(1) In anciënniteit neemt de Stadsbibliotheek van Haarlem van de nog functionerende boekerijen in ons land een vijfde plaats in na de Stads- of Athenaeumbibliotheek Deventer en Universiteitsbibliotheken te Leiden, Amsterdam en Utrecht. De ‘Librije’ van de St.Walburgskerk in Zutphen is thans een museuminstelling.

(2) G.J.Jaspers, De blokboeken en incunabelen in Haarlems Libry. Haarlem 1988. Voor de geschiedenis van de Stadsbibliotheek, zie o.a.: P.V.de Wit 1947 (lit.opgave) en de publicatie: Uit de voorgeschiedenis van de Stadsbibliotheek te Haarlem; met een ten geleide door L.Hellinga-Querido. Haarlem/Amsterdam 1971.

(3) In hetzelfde jaar (1921) is een Rooms Katholieke Openbare Leeszaal en Bibliotheek aan de Nieuwe Gracht geopend.

(4) Dat door onderduikers veel werd gelezen blijkt onder meer uit het dagboek van Anne Frank, die op 11 juli 1943 noteerde, dat Miep Gies iedere week vijf bibliotheekboeken meebracht: ‘Wij kijken altijd reikhalzend naar de Zaterdag uit, omdat dan de boeken komen. Net als kleine kinderen die een cadeautje krijgen’. Deze boeken werden voor de families Van Daan en Frank gehaald uit een winkelbibliotheek in de Rijnstraat en uit de openbare bibliotheek op de Keizersgracht.

(5) In het gedenkboekje uit 1947 noemt de directeur een wel erg laag aantal verloren boeken: ‘De duizenden boeken van Hoofdbibliotheek en Filiaal, die in de bezettingsjaren òf geheel “weggerechercheurd” waren òf aan de uitleening moesten worden onttrokken, maar opgeborgen mochten worden in eigen localiteit, zijn op hoogstens 200 na weer in de boekerij teruggekeerd, zoodat van eenig belangrijk verlies voor de bibliotheek geen sparke is, ook al omdat de verloren gegane werken door andere exemplaren vervangen konden worden of dikwijls niet meer de moeite van het vervangen waren’ (blz.22). Ten aanzien van de oorlogstijd wordt verder enkel gewezen op de geleden ontberingen, de zeer drukke uitleen en de drukte ‘achter de coulissen‘, waar het vele werk op katalogus- en administatief gebied werd voorbereid.

(6) Dagboek (augustus 1939 – 11 mei 1945; 255p.) aanwezig in de collectie dagboeken van het RIOD-Amsterdam. Citaat naar P.Schneiders (zie lit.opgave).

(7) 2,5 Jaar voor alle Joodse schrijvers van de Duitse bezetter uit bibliotheken geweerd moesten worden, verordonneerde ‘kameraad’ S.L.A.Plekker, regeringscommissaris voor Haarlem, eind maart 1941 dat met het oog ‘op de handhaving van de openbare orde, het aan Joden werd verboden hotels, restaurants, café’s, bioscopen, schouwburgen, openbare leeszalen (…) binnen de gemeente te betreden’. Daartoe moesten biljetten met het opschrift ‘verboden voor joden’ in deze openbare inrichtingen worden opgehangen. Een gruwel voor velen en voor leeszaalbestuurder en geschiedenisleraar dr.Bartstra aanleiding zijn leerlingen op het hart te drukken niet de SB te mijden, maar juist nu boeken voor joodse medeburgers te halen.

(8) Harry Mulisch, Mijn Getijdenboek. Amsterdam 1975,p. 93.

(9) Enigszins ongelukkig was een hartekreet geweest van De Wit, gepubliceerd in Bibliotheekleven enkele maanden na de capitulatie, waarin hij, teleurgesteld over het feit dat de overheid openbare bibliotheken zo minimaal subsidieerde, zijn collega’s had opgeroepen oog te hebben voor de tekenen van een nieuwe tijd. Terwijl hij in deze bijdrage de indruk wekte dat door de gewijzigde politieke omstandigheden de toestand voor het bibliotheekwerk in dit alles verbetering zou brengen, blijft De Wit in een tweede artikel in Bibliotheekleven van 1941 deze zaken voor later claimen ‘als de tijden hun verschrikking verloren hebben’. Dr.O.Noordenbos, die begin 1943 om principiële redenen uit het bestuur der Nederlandse Vereniging van Bibliothecarissen (N.V.B.) was getreden, schreef hierover na de Bevrijding: ‘Op zijn zachtst gezegd, getuigde het op zijn minst van grote naïeviteit ten aanzien van onze bezetters, wier aard en bedoelingen ons zoo overduidelijk zijn geworden’.

(10) In tegenstelling tot andere oorlogsslachtoffers is zij niet herdacht op de Algemene Ledenvergadering van de CV 8 october 1946 en haar naam ontbreekt ook in de geschiedschrijving van de Nederlandse openbare bibliotheken tijdens W.O.II (lit.opg.: Van Riemsdijk).

Foto van directeur P.V.de Wit (1891-1970) , die tevens mede-oprichter en directeur is geweest van de openbare bibliotheken in Zandvoort en Heemstede

bijlage: lijst van verboden boeken Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels in op dracht van het Departement van Volksvoorlichting van Kunsten, januari 1942

verboden1.jpg

Verboden boeken en auteurs voor lees- en openbare bibliotheken (1)

vervolg verboden boeken en auteurs: Em. van Loghem: Asfelt en horizon; Vicky Baum: alle boeken; Madame Eva Curie: alle boeken; Herman Rauschling: alle boeken; Wilhelm Speyer: alle boeken; Lord Marley: het bruinboek; Antal Maros: De “Roode Donau”; Emid Ludwig: alle boeken: mr.H.J.Kruis en H.Staring: op de bres voor Bederlandsch Onafhankelijkheid.

 

 Opgave van bronnen en literatuur

 Noord-Hollands Archief Haarlem: archief Stadsbibliotheek Haarlem

Gemeentelijke openbare bibliotheek Heemstede: catalogi Stadsbibliotheek

– ‘Dagboek’ in rijmvorm 5-12-1942/8-5-1945 door mevrouw C.M.Reeser

Mondelinge informatie, o.a. van mw.M.Warns en mw.M.Wijnstroom

-Bibliotheekleven; orgaan der Centrale Vereniging voor openbare bibliotheken en van de Nederlandse Vereniging van Bibliothecarissen. Jaargangen 1935 en 1940-1947.

-Wim Cerutti. van koosterlibrije tot stadsbibliotheek; boeken in het Haarlemse stadhuis 1296-2001. Haarlem, 1999.

-H.E.Greve, In nacht en ijs; openbare leeszalen en bibliotheken van september 1944 tot juni 1945. ‘s-Gravenhage, 1945 (Leeszaalwerk; nr.23).

-Hans Krol. Lotgevallen van de Stadsbibliotheek Haarlem tijdens de donkere oorlogsjaren 1940-1945. In: Waardevol oud papier; feestbundel bij het tienjarig bestaan van Bubb Kuyper veilingen boeken en grafiek. Haarlem. 1996, p. 162-170.

Manasse

Voorzijde van boekuitgave: ‘Verdwenen archieven en bibliotheken’door Peter Manasse

P.Manasse, Verdwenen archieven en bibliotheken; de verrichtingen van de Einsatzstab Rosenberg gedurende de Tweede Wereldoorlog. ‘s-Gravenhage 1995

G.M.Nieuwenhuis, Vijf jaren oorlog over Haarlem; verslag van de gemeentelijke bemoeiingen van 1940-1945. Haarlem 1948

G.A.van Riemsdijk, Geschiedenis van de openbare bibliotheek in Nederland. Deel 2 van mei 1940 tot mei 1945. ‘s-Gravenhage 1979.

P.Schneiders, Lezen voor iedereen; geschiedenis van de openbare bibliotheek in Nederland. ‘s-Gravenhage 1990. (Hoofdstuk 3: p.135-186; fragmenten van dit oorlogshoofdstuk zijn verschenen in het tijdschrift Maatstaf (1989) nr.10, p.75-102.

P.V.de Wit, Bij het herdenken van 350 jaar Stadsbibliotheek (en leeszaal) van Haarlem, 1596-1947. Haarlem 1947.

Vooromslag van gedenkboekje stadsbibliotheek Haarlem 1596-1947 door P.V.de Wit

Tijdens de bezettingsperiode (mei 1940-mei 1945) door de Stadsbibliotheek-Haarlem uitgegeven catalogi:

Katalogus van Nederlandsche, Zuid-Nederlandsche, Zuid-Afrikaansche en in het Nederlandsch vertaalde romans, novellen en schetsen aanwezig in de Stads-Bibliotheek en Leeszaal van Haarlem. 1940 Supplement 1942 (stencil).

Katalogus der exacte en technische wetenschappen van de Stads-Bibliotheek en Leeszaal van Haarlem. 1941. Supplement 1943.

Katalogus aardrijkskunde, land- en volkenkunde van de Stads-Bibliotheek en Leeszaal van Haarlem. 1942. (stencil)

Katalogus der muziekafdeeling van de Stads-Bibliotheek en Leeszaal van Haarlem. 1942. Supplement 1944.

cartoon

Cartoon van Duitse censuur ten aanzien van bibliotheekboeken. Uit: ‘De boekenkast in oorlogstijd; door Ad Leeflang. In: Uitgelezen boeken, 2e jaargang nummer 1 januari 1983.

 

kroniek

In 1940 is vanwege ruimtegebrek een deel van de boeken van de stadsbibliotheek Haarlem opgeslagen in de kelder van de Vleeshal op de Grote Markt (Bibliotheekleven, maart 1941, pagina  16).

Bijlage 1: enkele knipsels uit oorlogstijd 

ddd_010380256_mpeg21_p002_image

Bericht uit: De Tijd van 17 januari 1942

kroniek1

Uit: Bibliotheekleven 1942, pagina 118.

 

Bijlage 2: verslag stadsbibliotheek Haarlem, in: ‘In nacht en ijs; openbare leeszalen en bibliotheken van september 1944 tot juni 1945. Samengesteld door dr.H.E.Greve (Leeszaalwerk, nummer 23) 

verslag1.jpg

Stadsbibliotheek Haarlem (1944-1945)  (1)

verslag2

Vervolg van Stadsbibliotheek Haarlem (1944-1945)

Bijlage 3: over wat Harry Mulisch schreef over zijn boekendiefstallen uit de Stadsbibliotheek Haarlem in ‘Mijn getijdenboek’, 1975: ‘(…) Kunst en misdaad, Genie und Irrsin, dat waren de thema’s die mij in mijn mefistofelische periode biologeerden. Weliswaar had ik bij Weiniger gelezen, dat “der verbrecherische Trieb im grossen Menschen vergeistert”  wordt “zum Künstlermotiv wie bei Zola, oder zur philosophischen Konzeption des “Radikal Bösen” wie bei Kant’en dat zij daarom niet “zur verbrecherischen Tat” leidt, dat na niet weg dat Han van Meegeren mij toen verscheen als het radikaal boosaardige oerbeeld van de Grote Mens, die ik graag zelf wilde zijn. Zijn affaire dook op alsof ik haar geroepen had. In een map verzamelde ik alle knipsels; ik ging naar Amsterdam, naar Annie van Ees, die ooit door hem geschilderd was en hoorde haar uit over hem. Urenlang zat ik in meditatie voor haar portret. En toen besloot ik zelf ook tot een misdaad over te gaan. De leeszaal van de Haarlemse stadsbibliotheek, waar ik bijna dagelijks een paar uur doorbracht, bezat een groot plaatwerk van tekeningen van Van Meegeren. Dat moest ik hebben. Maar het boek was een halve meter hoog en viel niet onder een regenjas te verbergen, zoals de andere werken die ik placht te stelen. Er was maar één mogelijkheid om met zo’n foliant de leeszaal te verlaten: wanneer men er ook mee binnengekomen was. Nu bezat mijn vader een ongeveer even groot plaatwerk van Rembrandt . Gedurende verscheidene dagen ging ik met dat kostbare, in bruin leer gebonden boek naar de leeszaal, zodat de bibliothekaresse achter de lessenaar er aan zou wennen, dat ik altijd grote boeken onder mijn arm had. Tot mijn vreugde hield zij mij meteen de eerste dag bij het weggaan aan – toen het Rembrandtboek mijn eigendom bleek te zijn, noodzakelijk voor mijn vergelijkende studies van het clair-obscur, kon er weinig meer gebeuren. Zou ik toch nog gesnapt worden, dan was het eenvoudig een vergissing, – ik zou in de lach schieten en zeggen: “Dat zou een mooie manier zijn om te stelen!” Maar ik werd niet gesnapt, en met Van Meegeren verborgen achter Rembrandt wandelde ik het Prinsenhof op – ongeveer zoals hij zelf zich had verborgen achter Vermeer. Maar net als hij liep ook ik ten slotte tegen de lamp, – zij het door mijn eigen schuld: ik had mijn mond niet kunnen houden en was door een huisgenoot aangegeven bij de politie. De twee andere boeken, die de Vordering tot Gerechtelijk Vooronderzoek van 14 februari 1946 vermeldt, had ik al in de oorlog gestolen; die had ik uit eigen beweging opgegeven om te voorkomen, dat mijn hele bibliotheek uitgekamd zou worden, wat mij vermoedelijk op op levenslang was komen te staan. Nu werd het een schadevergoeding van ƒ 65,- (want ik had alle platen er uit gescheurd, en aan de muur opgehangen), ƒ 40,-  boete sbs. 24 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van drie jaar, tijdens welke ik mij aan de reklassering had te onderwerpen. De ambtenaar van dit instituut, die mij spoedig na mijn proces kwam opzoeken gaf Frieda zijn kaartje, dat luidde: J.J.Dorrepaal Ouderling der Nederlandsch Hervormde Gemeente. Ik zie nog het gezicht van Frieda, die mij het kaartje kwam brengen: of ik als laatste snufje nu christelijk aan het worden was. De brave Dorrepaal wist natuurlijk niet dat zo’n  funktie bij ons heel wat meer opzien baarde dan wanneer er eenvoudigweg had gestaan: Ambtenaar van het Nederlandsche Genootschap tot Reclassering, want dat ik een gangster was had Frieda altijd wel vermoed. Dorrepaal leek precies op de oude Freud. Ondanks dat mag ik mij er geloof ik op beroemen, dat hij al na een paar bezoekjes volslagen onder mijn invloed was gekomen. Misschien was hij – na Henny – de tweede, die de Grote Mens in mij herkende. In elk geval zei hij na drie weken – dat was in 1947 – en niet na drie jaar, dat hij geen reden zag om mij verder nog te bezoeken. Ook zou hij er voor zorgen, dat de veroordeling niet op mijn strafregister werd vermeld, want anders, zei hij “zul je niet meer naar Amerika kunnen emigreren”. Hij was een lieve man, die mij een vreselijk lot heeft bespaard. Ik had hem uitgelegd, dat ik mijn misdaad uitsluitend had gepleegd, uit een schuldige identifikatiebehoefte met mijn vader, die ook in de gevangenis zat. Die wijsheid had ik uit de echte Freud – maar ik verzweeg, dat ik diens werken eveneens had gestolen (…)’.  

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Van de zomer 1938 tot de zomer 1941 woonde Mulisch op het adres Spaarnzichtlaan 23 Heemstede  en na verhuizing in de Anna van Burenlaan, Haarlem-Zuid. Op bovenstaande foto zien we vader Mulisch, huishouster Fried Falk en zoon Harry Mulisch

Bijlage 4; lijsten van boeken WOII

lijsten1

Uit: Paul Schneiders. Nederlandse bibliotheekgeschiedenis. 1997, pagina 287.

====================================================

librije

De Librije in het stadhuis Haarlem, waar zich in de Middeleeuwen de kloosterbliotheek bevond, tegenwoordig is de ruimte in gebruik als trouwlocatie

prent

In 1946 uitgegeven prent bij het 350 jarig bestaan van de Stadsbibliotheek en -leeszaal 1596-1946

Coster1

De stadsbibliotheek Haarlem beschikt over een uitgebreide collectie 15e eeuwse ‘Costeriana’, tegenwoordig in depot bij het Noord-Hollands Archief in de Janskerk.

Coster2

Gouache met voorstelling van Coster zijn drukproeven vertonende, omstreeks 1850 vervaardigd door Willem Alexander Alting Lamoraal von Geusau in Stadsbibliotheek Haarlem (uit: Nederlandse Bibliotheekgeschiedenis van dr.Paul Schneiders. NBLC, 1997).

Vries.jpg

Geschilderd portret van Abraham de Vries (1773-1863) was behalve doopsgezind predikant van 1821 tot 1861 stadsbibliothecaris. Hij stelde de ‘Catalogus Bibliotecae Publicae Harlemenis’. Samen (boekuitgave 1848; Supplementum Catalogi, 1852) en heeft veel van zijn energie gestoken om bewijzen te vinden dat Laurens Janzoon Coster de boekdrukkunst in Haarlem had uitgevonden.

Wit4

Bij zijn afscheid als directeur van de openbare leeszaal en bibliotheek van Laren-Blaricum op 20 november 1934 vanwege zijn benoeming als directeur van de stadsbibliotheek Haarlem is de heer P.V.de Wit een boek aangeboden met cartoontekeningen van de kunstenaar Willem van Schaik (1874-1938), behorend tot de Larense School.

Wit3

Schrijven van de directeur der Stadsbibliotheek, gedateerd 3 november 1949 (Uit: ‘Lezen voor iedereen’, 1990, pagina 203)

haar1

Belangrijke aanwinst Koninklijke Bibliotheek Den Haag (1996) van een middeleeuws Haarlems getijdenboek(verwerving 1991-2008 STIJL; bijzondere aanwinsten van de Koninklijke Bibliotheek tijdens het directoraat van Wim van Drimmelen)

haar2

Illustratie uit Haarlems Getijdenboek (KB-Den Haag)

De hal van de stadsbibliotheek op de verdieping van het Prinsenhof, gezien naar het westen. Links van de gang de bibliotheekkamer, rechts de leeszaal. De tudorboog stamt uit de tijd van de verbouwing door Lieven de Key (circa 1595). Daarboven een tekstbord. Foto uit circa 1900. (Uit: W.G.M.Cerutti, Het stadhuis van Haarlem. 2001, pagina 324)

Leeszaal van de stadsbibliotheek, gezien naar het noorden. De leeszaal was her gevestigd van 1876 tot 1910. Foto circa 1900 (W.G.M.Cerutti).

Jaspers2

Vooromslag van boek door dr.Gerard Jaspers: ‘De zestiende eeuw in de Stadsbibliotheek Haarlem’

Coster4

Centsprent uit omstreeks 1870, behorend tot de collectie van ruim 400 centsprenten in de Stadsbibliotheek Haarlem (uit: Nederlandse Bibliotheekgeschiedenis; door dr.Paul Schneiders, NBLC, 1997)

Coster3

Vier kinderboeken uit de rijke collectie kinderboeken van de Stadsbibliotheek Haarlem. Bij het Ogenboek van Godfried Bomans en Harry Prenen uit 1953 lopen de ogen door het boekje heen en passen onder andere bij een heks, kabouter en een Kwattasoldaat. Het boekje was een reclame-uitgave van de N.V. Stoom Chocolade- en Cacaofabriek Kwatta in Breda. Uit: Nederlandse bibliotheekgeschiedenis; van librije tot virtuele bibliotheek – door dr. Paul Schneiders. ‘s-Gravenhage,  NBLC, 1997, pagina 305)

Filiaal Noord, jeugdafdeling, van de R.K.Openbare Bibliotheek Haarlem in 1960

Interieur bibliobus Haarlem in 1968

Opening van het gemeenschappelijk filiaal van R.K.O.L.B. en de Stadsbibliotheek in 1964  in de Haarlemse wijk Schalkwijk door cultuurwethouder D.J.A. Geluk (rechts op de foto).

poort

De historische poort naar de Kloveniersdoelen in de Gasthuisstraat Haarlem (Oneindig Noord-Holland)

Hals1

Frans Hals. De schutterij van de Kloveniersdoelen (Frans Hals Museum)

schutterij2feestmaal

Frans Hals: feestmaaltijd in de Kloveniersdoelen Haarlem (Frans Hals Museum)

 

 

 

stads.jpg

De centrale stadsbibliotheek van Haarlem is tegenwoordig gevestigd aan het Doelenplein in de voormalige Kloveniersdoelen en aanbouw uit de periode 1971-1975

klovenier.jpg

Gilde nuttigt gildemaal op het plein van de Kloveniersdoelen (Katholieke Illustratie 1958)

 

bieb

Aanbouw stadsbibliotheek Haarlem, 1971-1975, een ontwerp van het bureau Bijvoet en Holt. De bibliotheek was het laatste gebouw dat door architect Bernard B.Bijvoet op 85-jarije leeftijd is voltooid (foto Ronald Zoetbrood)

 

bijvoet1.jpg

Vooromslag van biografie gewijd aan architect Bernard Bijvoet (1889-1979) door Jan Mollema & Suzy Leemans. Vantilt, 2017

Bijvoet7.png

Entree Stadsbibliotheek Haarlem aan het Doelenplein (foto Ronald Zoetbrood)

Travintin-steen, 1 x 2.20 x 1.60 m., vervaardigd door Bernd Lohaus en geplaatst op het Doelenplein nabij Kloveniersdoelen/Stadsbibliotheek in het kader van de manifestatie Antwerpen – Haarlem 1990

Hoofdstuk over nieuwe stadsbibliotheek aan het Doelenplein In Haarlem uit biografie Bernard Bijvoet, ontwerper van de centrale bibliotheek Haarlem in samenwerking met G.H.M.Holt. (Met dank aan ir. Jan Dekker, die zich verder zorgen maakt om de manoeuvres van de bibliotheek om de “tweederangs-voorraad” op te doeken, omdat er een paar scholieren willen studeren. ‘En diezelfde scholieren zijn waarschijnlijk – in de meeste gevallen – niet eens lid/contribuant.  Ik vind de bibliotheek een prachtig instituut. maar als het zo gaat kan ik ook mijn lidmaatschap wel opzeggen.’

bijvoet2.jpg

Stadsbibliotheek Haarlem Bijvoet (1)

bijvoet3.jpg

Uit biografie Bijvoet (2)

bijvoet4.jpg

Biografie Bijvoet (3)

Bijvoet8

interieurfoto stadsbibliotheek Haarlem

 

bijvoet5

Biografie Bijvoet (4)

bijvoet9.jpg

interieur stadsbibliotheek Haarlem

 

bijvoe6.jpg

Biografie Bijvoet  (5)

BREAKING NEWS:  STADSBIBLIOTHEEK HAARLEM STOPT MET EEUWENLANGE FUNCTIE VAN BEWAARBIBLIOTHEEK?!

bestaande

Een al aanwezige boekenstoel in de Haarlemse stadsbibliotheek, 2016. De keren dat ik in de bibliotheek was heb ik nog niemand zien zitten/liggen op de ligstoel die kennelijk niet zo comfortabel is

uit

Uit: Haarlems Dagblad: ‘Boeken kelder bibliotheek Haarlem selectief geruimd’

In een artikel in het Haarlems Dagblad van 6 mei 2017 deelt een medewerkster van de stadsbibliotheek Haarlem mede: ‘(…) Het is gezellig met al die lerende kinderen. Wij vinden het zelfs zo belangrijk dat we extra studieplekken gaan creëren. De boeken die in de kelder staan gaan naar de kunstacademie in Amsterdam, die maken er vervolgens tafels en stoelen van. Zo zal ook die ruimte in de toekomst benut kunnen worden om te studeren. (…)

Bovenstaande opmerkingen hebben o.a. geleid tot een  reactie van de heer Dick Kortekaas, een opiniestuk van drs. Wim de Wagt en ingezonden berichten van Anja Kroon, T.Beer en Kees Schabbing.

sb1

Reactie van Dick Kortekaas uit het Haarlems Dagblad van 9 mei 2017

sb2.jpg

Opiniestuk van Wim de Wagt, Haarlems Dagblad van 11 mei 2017

reactie

Reacties in het Haarlems Dagblad van 16 mei 2017

biblio

(Haarlems Dagblad van 24 mei 2017)

SCHATTEN UIT DE STADSBIBLIOTHEEK HAARLEM. Uit: verslag van het jubileumjaar 1996: 

schatkamer

Bij de viering van het 400 jarig bestaan van de Haarlemse stadsbibliotheek is veel aandacht besteed aan de in 4 eeuwen opgebouwde collectie, aangeduid als ‘de schatkamer van Haarlem’.  Zo verscheen een serie artikelen  van Nop Maas in het Haarlems Dagblad, publiceerde dr. Gerard Jaspers onder de titel ‘Oude boeken, nieuwe verhalen’ een artikel in de speciaal uitgegeven jubileumkrant, verscheen op basis van de collecties een pop-up boek en fraaie kalender, werd een symposium gehouden over ‘Het oude boek, een waardebepaling’ etcetera.

schatten1.jpg

Uit de serie ‘Schatten uit de Stadsbiliotheek Haarlem’ door Nop Maas (Haarlems Dagblad, 4 juli 1996)

schatten2.jpg

‘Onze Coster’, uit: Schatten uit de Stadsbibliotheek Haarlem door Nop Maas (Haarlems Dagblad van 11 juli 1996)

Haarlem

In 1996 werd vanwege het vierde eeuwfeest van de stadsbibliotheejk Haarlem een fraaie kalender uitgegeven. Voorts een pop-up boek, gebaseerd op de oude collectie kinderboeken

Jaspers

Dr. G.J.Jaspers wijdde twee wetenschappelijke boekwerken aan de collecties van de Haarlemse stadsbibliotheek. In 1987 publiceerde hij ‘De blokboeken en incunabelen in Haarlems Libry’ en in 1997 verscheen: ‘De zestiende eeuw in de stadsbibliotheek Haarlem’.

Cerutti

Wim Cerutti publiceerde in 1999 vooruitlopend op een historische boekuitgave een concept ‘Van Kloosterlibrije tot stadsbibliotheek; boeken in het Haarlemse stadhuis 1296-2001.

 

 

toekomst

Gerecycleerde boeken als stoel (design Eichard Hulten). De toekomst van Haarlemse magazijnboeken?

ency

Encyclopedieën lenen zich uitstekend voor een leesfauteuil

roberts.png

Boekenzetel ontworpen door Steve Roberts

papier

‘Tussen de regels’, afgeschreven boeken. Kunstproject in Huis De Pinto Amsterdam van Lynne Leegte, november 2015

boeken

Drugs verstopt in een boek klaar voor verzending. Volgens de politie worden boeken vaak opengesneden om daarin  daarin wiet en andere drugs te verzenden. (Haarlems Dagblad 5 juli 2017)

P.S. Gelukkig is dankzij een wethouder met vooruitziende blik en een directeur die wèl de waarde en betekenis hiervan hebben ingezien de oude collectie (waaronder de zogeheten ‘Costerina’ al verhuisd naar het Noord-Holland Archief in Haarlem. Jarenlang heeft de stadsbibliotheek zich geprofileerd als ‘de schatkamer van Haarlem’. Die eretitel komt te vervallen nu managers de boventoon voeren boven bibliothecarissen. Het is toch te zot voor woorden dat als alternatief voor boeken met een bewaarfunctie  een kunstacademie daar design-stoelen en tafels van gaat vervaardigen. Boudewijn Büch zaliger zou spreken van cultuurbarbarisme, en hij niet alleen. In dit verband wordt verder opgemerkte dat de bibliotheek/mediatheek van de Hogeschool InHolland te Haarlem, naar werd gezegd vanwege digitalisering,  enkele jaren geleden is wegbezuinigd en dat het personeel (geruisloos) is ontslagen.

Haarlem

Oproep van de Bibliotheek Zuid-Kennemerland, in: Haarlems Dagblad van 9 juni 2017

digiboek

Uit: Haarlems Dagblad van 12 juni 2017

bibliotheek1

Promotiekaart bibliotheek Zuid-Kennemerland ‘In Spannend Gezelschap'(foto Wiebrig Krakau)

catalogus1

Titelblad van gedrukte catalogus Bibliothecae Publicae Harlemensis uit 1848

catalogus2

Supplement op catalogus van 1848, uit 1852.

catalogus3

Tweede supplement  op catalogus van de stedelijke bibliotheek Haarlem. 1864.

 

 

 

 

 

 

Volgende Bijdragen:

-Herinneringen van en aan Harry Mulisch in Heemstede en Haarlem (1927-1958)

Boekenzegeltjes van boekhandels en leesbibliotheken in Zuid-Kennemerland