Tags

, ,

LEESMUSEA EN LEESKABINETTEN IN BEELD

Naast een algemeen overzicht een illustratieve beschrijving van leesmusea in  Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Leiden, Haarlem, Groningen, Leeuwarden, Dordrecht, Rotterdam, Utrecht en Vlissingen. Voorts de damesleesmusea in Amsterdam en Den Haag. Ten slotte bibliotheek van: ‘Geloof en Wetenschap’ Amsterdam, sociëteit ‘De Witte’ in ‘s-Gravenhage, ‘de Groote Sociëteit’ in  Maastricht en ‘Katholieke Vereeniging’ Amsterdam.

In the reading room of a London Free Library (the Graphics, 1893)

rechts: het vroegere leesmuseum in Arnhem

Loosjes

litho-prent van de Erven Loosjes in Haarlem met reclame voor ‘de Hollandsche Revue’, circa 1900, voorstellende enkele  heren aan een bibliotheektafel met kranten en tijdschriften

 

De in de 18e en vooral 19e eeuw gestichte leesmusea ofwel leeskabinetten in de grote steden voor de gegoede burgerij kunnen naast de volksbibliotheken voor de arbeidersbevolking worden beschouwd als voorlopers van de openbare leeszalen en bibliotheken. In kleinere gemeenten was veelal sprake van leesgezelschappen ofwel leessociëteiten, welke met een vast aantal leden ook in de steden voorkwamen.

Bijlage gevoegd bij het boek ‘Eene kroon voor Karel den Stouten’ door A.L.G.Toussaint (Amsterdam, P.N.van Kampen, 1842), in gebruik geweest bij het Leesgezelschap: ‘Het doel van dezen Vriendenkring, Is Eendragt, Deugd en Oefening’ in Amsterdam, opgericht in 1808.

Dr.Henri Greve, promotor bij uitstek van de openbare bibliotheek naar Angelsaksisch voorbeeld, heeft er in zijn standaardwerk ‘Geschiedenis der leeszaalbeweging in Nederland’ (’s-Gravenhage, 1933) o.a. het volgende over geschreven: ‘De burgerij stichtte haar eigen, talrijke leesgezelschappen, leeskabinetten, leesmusea, openbare leesbibliotheken en andere varianten, waarvan nu en dan de restanten opduiken. Want weinig daarvan heeft de 19e eeuw overleefd. Het zal zéér veel nasporing eisen, het verspreide en tot uiteenvallen en verdwijnen als voorbestemde particulier bibliotheekwezen der 19de eeuwse burgerij te reconstrueren. Wat echter nu en dan voor de dag kwam, wettigt het vermoeden, dat een systematisch onderzoek naar de wijze, waarop de burgerij zich zelf vóór het ontstaan der leeszaalbeweging leeszaalbeweging aan lektuur hielp, – er zijn gevallen die tot diep in de 18de eeuw teruggaan, – een hoogst belangrijke bijdrage zou leveren tot de beschavingsgeschiedenis der 18de en 19de eeuw. Beets die in 1840 zijn Gerrit Witse in het Rotterdamse Leesmuseum – het “Leeskabinet” is eerst van 1859 -, zijn toevlucht laat nemen (2) en Limburg Brouwers ‘Leesgezelschap te Diepenbeek”(1847) leveren de literair-historische schakel.

 

boek

vooromslag van de vijfde druk van het boek ‘Het leesgezelschap te Diepenveen’ van P. van Limburg Brouwer (1879)

 

Ook de lektuurvoorziening door, – maar niet voor -, de burgerij der 19de eeuw vraagt nog om haar geschiedschrijver. De leerzame verpozing, de voorzichtige “Aufklärung” (pagina 198) (…) ‘Een bibliotheektype, waarvan onze tijd alleen het uitsterven en niet de opkomst en de bloei kent, zijn de leeskabinetten of leesmusea voor de gegoede burgerstand. Meer dan de volksbibliotheken zijn deze de aanvullingen van de openbare wetenschappelijke bibliotheken geweest. En, – wonderlijke tegenspraak -, staan deze besloten verenigingsbibliotheken, deze standen-leeszalen bij uitstek, van alle andere typen bibliotheken in Nederland de Public Library het naast. In beiden vindt de meer-vermogende, meer-ontwikkelde, meer-eisende zijn studie-, informatie- en ontspanningsboeken en periodieken. Financieel zijn zij in staat leestafel en uitleenboekerij behoorlijk te verzorgen, vakpersoneel aan te stellen; toonbare gebouwen te bewonen. Of het meer is dan louter toeval, valt moeilijk uit te maken; maar deze trek van overeenkomst is, vooral boek- en bibliotheekmensen opgevallen. Het is allereerst Frederik Muller, die in de “Economist” van 1860 een parallel trekt tussen het Rotterdamse Leeskabinet en de Engelse Free Libraries en in de “Practische volksalmanak’ spreekt van “Leesmuseum voor iedereen”. Een andere vakman tijdgenoot uit het bloeitijdperk der leesmusea, J.F.van Someren, heeft die verwantschap jaren later – in 1978- nog duidelijker aangevoeld. Hij schreef; “Mettertijd zullen denkelijk de leesmuseums, zoals die thans te Amsterdam, Arnhem, Haarlem, Rotterdam en andere plaatsen meer bestaan (wat inhoud betreft) het meest de openbare bibliotheken in Amerika en Engeland nabij komen”. Van één dezer, het in 1859 geopende Leeskabinet te Rotterdam, is trouwens algemeen bekend, dat bij de stichting de bedoeling vóórzat zo spoedig mogelijk, naar het Engels voorbeeld, de instelling om te zetten in een Free-Library.” De contributie werd ook op ƒ 10,- gezet (het Leesmuseum te Amsterdam vroeg ƒ 25,-), teneinde zoveel mogelijk personen tot de gebruikmaking in staat te stellen. Het is daartoe nooit gekomen. Ook elders bleven de leesmusea en leeskabinetten de besloten leesinstellingen der gegoede burgerij. Zij hadden, tijdig gereorganiseerd, de fundamenten kunnen worden onzer Leeszalen in plaats van stuk voor stuk te verkwijnen en verdwijnen.’(pagina 201-202.)

Nog bestaande gevelsteen van gebouw Leesmuseum aan het Rokin nummer 102  in Amsterdam, later veilighuis geweest van Mak en van Waay

Dr. Paul Schneiders (1), geschiedschrijver bij uitstek van het bibliotheekwezen in ons land wijdt in het standaardwerk:’Nederlandse bibliotheekgeschiedenis, van librije tot virtuele bibliotheek (NBLC uitgeverij Den Haag, 1997) een hoofdstuk over Leesmusea, waarin hij wat dieper ingaat op het Amsterdams Leesmuseum.

Het leesgezelschap: anonieme houtgravure uit de 19de eeuw (Rijksmuseum Amsterdam)

“ik zag eens een geestige oude gravure waarop eenige heeren met gewichtige gezichten (van die dorpsgewichtigheid die bij een grokje en een lange pijp over het lot van Europa beslist)  om een ronde tafel zitten, lezende in couranten en boeken, gebogen over hun ontspanningslektuur met den deftigen, pretentieusen ijver van professorale studievossen: een “Leesmuseum” uit overgrootvaders tijd’ (J.D.C.van Dokkum, Bibliotheekleven, 1917, pagina 5)

Vier citaten:
1) Leesgezelschappen en leesmusea: ‘Evenals in andere West-Europese landen schoten hier vanaf 1750 de leesgezelschappen als paddestoelen uit de grond. Gemeenschappelijk (“gezellig”) kiezen van informatieve boeken en vooral recente tijdschriftartikelen om vervolgens samen – binnen eigen stand – te discussiëren over de grote vragen van godsdienst, maatschappij, natuur, rede of opvoeding, werd de passie van duizenden burgers. En bovendien: boeken en tijdschriftabonnementen waren duur, het gemeenschappelijk dragen van de kosten was dus aantrekkelijk en daarmee een belangrijke overweging om zich bij een leesclub aan te sluiten. Leesgezelschappen blijken een belangrijke rol gespeeld te hebben in het sociaal-politieke en intellectuele leven, in het bijzonder in de jaren 1790-1795.  Zij hebben bijgedragen aan de emancipatie, het gevoel van eigenwaarde en de politieke bewustwording van de burgerij -een “leesrevolutie”- is het leesgezelschap een bijzonder interessant fenomeen, een uiting van emancipatiestreven en maatschappelijke bewustwording van ontwikkelde burgers die niet tot het regentendom behoorden. Dat duizenden mensen, en niet alleen mannen, zelf hun eigentijdse lectuur (Nederlandse en Frans vooral) gingen kiezen en de klassieken of stichtelijke lectuur niet meer als kompas aanhielden, dat de bestaande openbare bibliotheken met hun verouderd bezit kennelijk helemaal niet voldeden aan de wensen en verlangens van een nieuw lezerspubliek, is cultuurhistorisch gezien een opmerkelijk gegeven. Toch blijven de leesgezelschappn – hoe interessant ook – hier verder buiten beschouwing. In dit boek gaat ’t immers om de ontwikkeling van “institutionele bibliotheken”. In dat kader passen de leesgezelschappen strikt genomen niet. Vrijwel altijd wordt het gelezene bij opbod verkocht en van collectievormning is dus geen sprake. Over een eigen bibliotheek – materieel of ruimtelijk – beschikt een leesgezelschap niet, evenmin over catalogi of een bibliothecaris. Dat ligt anders bij gezelschappen van honderd, honderden of zelfs duizend en meer leden die over een eigen ruimte beschikken en een eigen boekerij. Zulke leesverbanden werden door de tijdgenoot ook wel eens leesgezelschap of leessociëteit genoemd, maar meestal leesmuseum of leeskabinet. Dit zijn allebei termen die pas in de negentiende eeuw opduiken en zijn dan ook latere verschijnselen, hoewel de term pas opdook toen het fenomeen al een kwart eeuw bestond. De bloeiperiode van de leesmusea – die term houden wij hier verder consequent aan – valt in de tweede helft van de negentiende eeuw met als hoogtepunt de jaren tachtig. Terwijl het “ouderwetse” leesgezelschap omwille van de intimiteit meestal niet meer dan rond de vijftien leden telde, moest een leesmuseum natuurlijk een veelvoud daarvan hebben om de kosten van een eigen lokaal of eigen gebouw, personeel en boekenbezit te kunnen dragen. Het waren in de regel chique clubs waar de geballoteerde leden – notabelen – meestal gezelligheid konden vinden in de rookkamer en conversatiezaal, waar ze konden kaarten, schaken en dammen, verversingen bestellen, in een enkel geval zelfs complete maaltijden. Ongestoord konden ze kranten, tijdschriften en boeken lezen in de leeskamer en daar ook in alle rust een brief schrijven. Een mengeling dus – voor heren van stand – van gezelligheid, relaties ontmoeten, op de hoogte blijven van het grote en kleine nieuws, vorming en ontwikkeling. En misschien ook wel een middel om het huis te ontvluchten. Er was bovendien in de grotere leesmusea een betaalde bibliothecaris, men kon materiaal lenen en hoefde er niet zelf mee te sjouwen, tegen een geringe vergoeding bracht de knecht van het leesmuseum het gewenste aan huis. Er waren ook simpele leemusea, die zich helemaal toelegden op lezen en lenen en geen ander vermaak boden. De bonte verscheidenheid van soorten leesgezelschappen vindt men terug bij de leesmusea.’

‘das Lesekabinett” op een schilderij [en prent] van Johann Pieter Hasenclever, 1843 (Wuppertal, Stiftung Sammlung Vollmer)

2) ‘Leesmusea zijn van iets latere datum dan leesgezelschappen. De eerste leesmusea dateren waarschijnlijk van omstreeks 1770. Van de bibliotheek van de Groote Sociëteit in Maastricht is bekend dat deze in 1775 beschikte over de grote Franse Encyclopédie’ en dat de meest recente werken en progressieve kranten dar ter inzage lagen. In Breda werd in 1775 een sociëteit opgericht waarin het Nederlandsch en Fransch Leesgezelschap een onderkomen vond met “Hollandsche of Fransche Litterarische of Historische werken en Maandwerken.’ De kunstlievende Amsterdamse sociëteit “Doctrina et Amicitia”, opgericht in 1788, had een eigen gebouw met leestafel en bibliotheek. Als patriottische club werd zij zijn in oktober 1794 door de Staten van Holland verboden, om korte tijd later weer op te duiken. In Kampen werd in 1792 door een aantal patriotten de Leessociëteit (met boekerij) opgericht. Gaandeweg werd daar de “verlichte” literatuur door romans vervangen. De verzameling kreeg zelfs een min of meer openbaar karakter door de betrekkelijk geringe contributie van drie gulden per jaar – onveranderd gebleven tussen 1792 en 1929 – en door een subsidie van honderd gulden per jaar die de gemeente Kampen tussen 1847 en 1883 verleende. De sociëteit heeft tot 1929 bestaan en had tussen de honderd en tweehonderd leden. Men mag van de algemene verspreiding van leesmusea in het laatste kwart van de achttiende eeuw uitgaan, omdat zo’n sociëteitsachtige instelling beantwoordde aan de behoefte van de gegoede burger om in aangepaste omgeving (heren onder elkaar) met gelijken te verkeren, een glas of glaasje te drinken, te kaarten of te schaken, een boek of tijdschrift te lezen, voordrachten te beluisteren, aangenaam te keuvelen. De sociëteit kon ook dekmantel zijn voor politiek overleg. Wij beperken ons hier tot de meest vermaarde instelling, het Amsterdamsch Leesmuseum. Maar komen in de paragraaf 1815-1875 terug op dit bibliotheektype. Het maakte vooral furore in de tweede helft van de negentiende eeuw, net als het leesgezelschap, maar dan niet meer als “verlichte” instellingen, maar als plekken waar het gezellig was.’

3) ‘De eerste feministische golf die over de Verenigde Staten en West-Europa ging, had ook een bibliothecair element. Vrouwenleesgezelschappen ontstonden, allereerst in Scandinavië omstreeks 1870. Amsterdam volgde spoedig met een comité van vrouwen uit de gegoede stand. Zij mochten geen lid worden van het Leesmuseum en richtten daarom in 1877 het Vrouwenleesmuseum op. In de begintijd waren niet meer dan zo’n 150 vrouwen lid, maar vanaf 1900 ging het ledental fors groeien: 1080 vrouwen stonden ingeschreven in 1913. Haagse dames kwamen iets later in actie. Vanuit de deftige damesleeskring Mei 1893 werd het – nu nog steeds bestaande! – Damesleesmuseum in 1894 opgericht. Heel actief daarbij is Margareth Meyboom geweest, een vrouw die betrokken was bij de openbare bibliotheekbeweging.’

Voorgevel van nog bestaand Damesleesmuseum Nassauplein 15 in Den Haag (foto Jan Fokkema)

4) ‘In het voorname pand Nassaulaan 15 in Den Haag is – nog steeds en daarmee uniek – het Haagse Damesleesmuseum gevestigd. Het is opgericht in 1894 door Haagse vrouwen die wilden lezen, maar van de bestaande bibliotheken geen gebruik konden of wilden maken. Een openbare bibliotheek was er nog niet, andere bibliotheken waren te volks, te gespecialiseerd, lieten geen vrouwen toe of alleen in bijzondere gevallen (weduwen van voormalige sociëteitsleden bijvoorbeeld).Winkelbibliotheken deden niet moeilijk, maar die boden vrijwel nooit gelegenheid ter plaatse te lezen. Voor vouwen, die in een sfeer van vriendschap elkaar tussen de boeken wilden ontmoeten en hun bibliotheek zelf wilden opbouwen, was er maar één mogelijkheid: als pendant van het mannelijke leesmuseum zelf een vrouwenleesmuseum te stichten. Den Haag was niet het eerste, Het Amsterdamse Vrouwenleesmuseum was ouder, van 1877, maar is in 1960 opgeheven. De vrouwenleesmusea – er zijn er meer geweest – pasten in het patroon van het laat negentiende-eeuwse feminisme. Zij beantwoordden aan de wensen van vrouwen aan de betere standen naar gezelligheid, ontwikkeling, sociaal verkeer, eens zonder echtgenoot weg van huis zijn. In Amsterdam ging het initiatief uit van zeven vrouwen. Hun oproep kreeg daadwerkelijke steun van 80 andere vrouwen die ƒ 10,- per jaar betaalden. In het Leesmuseum voor Vrouwen, aanvankelijk in de Hartenstraat, lagen dag- en weekbladen, tijdschriften en boeken. Gaandeweg groeiden het ledental en het boekenbezit, waardoor naar ruimere behuizing moest worden uitgezien. Via een huis aan de Leidsekade werd in 1900 onderdak gevonden in het ruime pand Herengracht 50. Een jaar eerder had men een betaalde bibliothecaresse in dienst kunnen nemen. Het ledental liep op tot 640 in 1902 en bereikte met 1040 een hoogtepunt aan de Vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Amsterdamse vrouwen konden lid worden, eerst vanaf hun zestiende, vanaf 1901 vanaf hun achttiende. Na ballotage. Bij stemming over aspirant-leden stonden voor- en tegenstanders van royale toelating tegenover elkaar. Uit de wijken waar de leden woonden en uit hun beroepen of dat van hun echtgenoot of vader blijkt – niet verwonderlijk – dat de lezeressen gerecruteerd werden uit de hogere kringen van zakenlui en vrije beroepen. Het zal eveneens geen verbazing wekken dat men in de notulen en in het “klachten, wenschen en opmerkingenboekje” herhaaldelijk discussies vindt over de aanschaf van bepaalde auteurs. Emile Zola lag overal heel gevoelig en pas na heftige debatten werd één van zijn minst “aanstotelijke” romans opgenomen. En evenals de besturen van volksbibliotheken, zoals de Toynbeeleeszalen, en van openbare leeszalen steevast moeilijkheden hadden over bijvoorbeeld het vrijdenkersblad “De Dageraad”, was dat ook in het Vrouwenleesmuseum het geval. Hoewel de nadruk in de collectie lag op moderne romans en de klassieke literatuur (Shakespeare, Goethe, Molière), was een flink deel van populair-wetenschappelijke aard, terwijl ook materiaal over de “vrouwenquaestie” ruim aanwezig was. Veel van de boeken en brochures daarover waren geschonken of in bruikleen gegeven. Vooraanstaande figuren uit de vrouwenbeweging zijn lid geweest zoals Hélène Mercier – ook actief in het Toynbeewerk – , Henriëtte van der Mey, redactrice van het feministische tijdschrift “Belang en Recht”, Meta Hugenholtz, actief in de Nederlandse Coöperatieve Vrouwenbond. De eerste vrouwelijke arts, Aletta Jacobs, heeft lid willen worden, maar toen zij merkte dat het Vrouwenleesmuseum geen medische lectuur had, wendde zij zich tot het eerste “mannelijke” Amsterdamsche Leesmuseum. Dat liet haar na korte aarzeling toe, ondanks het protest van een paar echtgenotes van leden. Feministische vrouwen ontmoetten elkaar in de vrouwelijke leesmuseum, maar hebben kennelijk deze instellingen niet tot een soort actiegroepen willen maken, Het ging om onderling contact en lezen (3). Omdat er over het Haagse Damesleesmuseum een uitvoerige monografie verschenen is van Lizet Duyvendak, vermelden wij deze instelling slechts kort, ook al omdat de geschiedenis ervan veel overeenkomst vertoont met de Amsterdamse vereniging. De achtergrond van het Haagse gezelschap is evenwel anders, voortgekomen als dat is uit een door twaalf jonge vrouwen opgerichte leesclub “Mei 1893”. Het was ook chiquer, hoewel het lidmaatschap goedkoper was. In het Comité van aanbeveling zaten de echtgenotes van de voorzitter van de Rekenkamer en van de minister van financiën. Op politiek gebied was neutraliteit een strikte eis, in de “vrouwenquaestie” was men gematigd actief. Het Damesleesmuseum deed mee aan wat als een mijlpaal in de Nederlandse vrouwenbeweging gezien kan worden: de Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Den Haag in 1898. Van intensief contact tussen de leesmusea voor vrouwen is geen sprake geweest.’

Vooromslag van boek: Het Haagd Damesleesmuseum 1894-1994; door Lizet Duyvendak. 1994

interieur Damesleesmuseum (Hollandsche Revue 1913)

In haar boek ‘Leescultuur in Haarlem 1850-1920 Een stad vol lezers’ (Nijmegen, Vantilt, 2009) heeft Boudien de Vries behalve een hoofdstuk over het Haarlemse Leesmuseum (1862-1914) ook een paragraaf gewijd aan Leesmusea buiten Haarlem die voorkwamen in de grote steden zoals Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, maar ook in de provinciehoofsteden als Haarlem, Arnhem, Groningen en Leeuwarden en in de universiteitsstad Leiden. De leesmusea in Dordrecht (1867-1874) (4) en Vlissingen (1881-1187) mislukten al na enkele jaren (5).Boudien de Vries publiceerde voorts een bijdrage in het boek ‘Haarlemse kringen, vijftien verkenningen naar het literair-culturele leven in een negentiende-eeuwse stad (Hilversum, Verloren, 1993), onder de titel: ‘Leescultuur van de elite. Het Haarlemse leesmuseum aan het einde van de negentiende eeuw’, p. 175-191.

Interieur van voormalig leesmuseum aan het Prinsenhof in Haarlem

Opmerkelijk is dat in het bijna monumentale boekwerk ‘Stad van Boeken; handschriften en druk in Leiden 1260-2000 ((Leiden , Primavera Pers & uitgeverij Ginkgo, 2008) het Leesmuseum van LEIDEN onvermeld blijft. Aangevangen in 1819 is Januari 1822 is in de Sleutelstad in navolging van Amsterdam, Rotterdam en andere steden ‘definitief ‘een Leesmuseum opgericht door C.J.C.Reuvens, J.H.Kraane, J.Clarisse, D.van Leyden Gael en L.C.Luzac, die de functie van commissaris vervulden. Na een dip had op instigatie van professor een herleving plaats. In 1876 is de instelling opgeheven. De Leidse literatuurgeleerde dr.R.A.M. Honings heeft de geschiedenis in 2011 uitgezocht en beschreven.

Het Leesmuseum van UTRECHT, bedoeld voor welgestelden, was gevestigd aan het Munsterkerkhof, aan de oostzijde van het Domplein. Het is opgericht in 1822 en men schafte kranten, tijdschriften en boeken aan en 1 tot twee maal per maand is een voordracht georganiseerd. Voor twaalf gulden per jaar konden de 230 leden daar in de rustige leeszaal verblijven. Zij hadden er in 1890 de beschikking over 29 theologische, 37 politie-juridische, 57 natuurkundige, 60 geneeskundige en 75 literaire tijdschriften. Verder lagen er 44 dagbladen, een weekblad en “een groot aantal vlugschriften en periodieke boekwerken”. Eerst lagen ze enkele maanden op de leestafel, daarna konden de lezers ze thuis bezorgd krijgen in een leesportefeuille. De gemeente subsidieerde het Leesmuseum. Na aanvankelijke bloei is het leesmuseum vanwege financiële tekorten al in 1833 opgeheven.

Gravure uit 1886 van het vm. leesmuseum aan het Munsterkerkhof (Domplein) in Utrecht

Het Leesmuseum van de stad GRONINGEN is 9 oktober 1868 gesticht. De vereniging Leesmuseum collectioneerde tijdschriften, kranten, romans, brochures en “andere boeken”. In 1894 zijn de statuten gewijzigd en konden na oudere tijdschriften ook geleend worden. Met de oprichting van een openbare bibliotheek wam een einde aan het leesmuseum.

NOTEN

(1)Paul Schneiders wijdde zijn proefschrift aan de oprichting van het ‘Institut Internationale de Bibliographie’, het Mundaneum, van de Belgen P.Othlet en H. la Fontaine, getiteld: ‘De bibliotheek- en documentatiebeweging 1880-1914: bibliografische ondernemingen rond 1900 (Amsterdam, 1982). Voorts publiceerde hij een aantal historische boeken over het Gooi (Bussum) en over afzonderlijke bibliotheken, zoals ’s-Gravenhage en Dordrecht. Daarnaast heeft hij diverse boeken gewijd aan bibliotheken en kenniscentra, zoals; – Papieren geheugen; boek en schrift in de Westerse wereld (1986), – Lezen voor iedereen; geschiedenis van de openbare bibliotheek in Nederland’(1990), – Van kleitablet tot databank (1991), – Nederlandse bibliotheekgeschiedenis, van librije tot virtuele bibliotheek (1997). Bij gelegenheid van zijn afscheid als docent aan de Frederik Muller Academie in Amsterdam verscheen een Liber Amicorum (Hogeschool van Amsterdam, 1995), tevens opgedragen aan Corrie Gideonse, Henk van den Ham, Nettie Heimeriks en Marijke Ruitenberg, dat behalve een aantal bijdragen een bibliografie van Schneiders’ publicaties van 1968 tot 1994 bevat. De volgende artikelen zijn opgenomen: -Flashback (door Judith den Dries en Jelke Nijboer); – Begripsverwarring onder professoren? (door Joan Hemels); -Informatiebeleid al cultuurbeleid (door Arnaud F.Marks); -De binnenkant van Informatie (door Louis Sicking); -Wordt het toch nog leuk in het HBO? (door Hans Wamsteker); -De opleiding (door Hugo Nierstrasz); -Waar staan de haaien? (door Willem Lamberix); -De noodzaak van hoorcolleges (door Daniël van Egmond); -Lesgeven in het vak informatiemanagement (door Corry Hopmans); -Ik ruik de nonnen (door Susanne van IJssel Smits-Hupperts); -Van verzuiling naar alzijdigheid (door Harm Drent); -Leesbibliotheken in Heemstede (door Hans Krol); -de disco-base (door Henk Magrijn); -De jeugdcatalogus (door Jelke Nijboer); -JIP wordt volwassen, JIP heeft toekomt (door Gerda Burgers); -Een stuk hout als ikoon van de ondeugendheid (door August Hans den Boef); -Laatste woorden; eerste aanzet tot een beschouwing over het colofon in de twintigste eeuw (door Sjaak Hubregtse).

(2) Citaat uit Na vijftig jaar de Camera Obscura (1888, pagina 91): ‘(…) Wat Dr.Witse betreft: hij zou, ter plaatse waar hij zich in het Leesmuseum [in Rotterdam] met boeken bezighield, en met uitkijken verpoosde, nu de Handelssociëteit vinden, de beursbrug dier vroegere dagen in een Beursplein herschapen zien (…)’. Een intensief gebruiker van het in 1859 opgerichte Leeskabinet, tot stand gekomen van o.a. Hendrik Muller Szn. en mr.Maarten Mees was de jong overleden Jacob Mees (1852-1875). Hij noteerde in zijn dagboek op 10 maart 1873: ‘Breng middag op leeskabinet door. Lees verschillende couranten. N.Rotterdammer, Independance en Charivari. Lees Chronique in Revue des Deux Mondes van 15 Febr. door Mazade. Lees een zeer goed stuk in Gids van Maart ’73 van Boissevain over Bulwer. Verder Gids van Maart ’73: Scheidsgerecht van Genève door Karnebeek en een gedeelte van een stuk in dezelfden Gids get. Wetenschappelijk Nederlandsch door dr.A.Pierson. Verder begin van de Guerre des Paysans van Conscience.’ Tot de hoofdcommisie van het Leeskabinet behoorden schrijvers als Simon Vestdijk, Peter Korteweg, Victor E.van Vriesland en Adriaan van der Veen.

Exlibris van Leeskabinet Rotterdam met het portret van Erasmus

 

Dordrecht

oprichting Leesmuseum Dordrecht – in 1874 alweer opgeheven – uit het Dagblad van Zuidholland en ‘Gravenhage, 1-2-1867

 

(4) In de catalogus van de tentoonstelling GEDRUKT IN DORDRECHT; vier eeuwen boek en prent. Dordrecht, gemeentelijke archiefdienst 1976, is een hoofdstuk gewijd aan Leesgezelschappen en het Leesmuseum in Dordrecht. Van de historische leesgezelschappen zijn beknopt beschreven: – ‘Eerste Leesgezelschap, opgericht in 1760; – in 1890 gefuseerd met de ‘Breeveertien, opgericht in 1832; – Leeslust, opgericht in 1765; – in 1871 is een tweede gezelschap met de naam Leeslust gestart; – Miscens Utile Dulce, gesticht in 1816, opgeheven in 1914 na WO1 heropgericht; – Vrede en Hoop, opgericht in 1845; – Engelsch Leesgezelschap, opgericht in 1847; – leesgezelschap verbonden aan de Ned.Hervormde gemeente, uit circa 1870; Nut en Genoegen (1855-1920) had als doeltelling “de lezing der nieuwst uitgekomen werken op het gebied der letterkunde, Vragen van den dag, enz.”.- Leesgezelschap van Tijdschriften, opgericht 1 januari 1880; – leesgezelschap verbonden aan de vereniging Kunstmin ; – Utile et Jucundum, het Hollandsch Leesgezelschap (later vereniging met Oranjepark); – Germania; – het Onderwijsleesgezelschap; – Mercurius; – de Leeskring; – de Leesvereeniging.
Opgemerkt wordt dat al voor 1572 er in Dordrecht drie bibliotheken (librijes) bestonden verbonden aan de kloosters van de Minderbroeders en de Augustijnen. Ook de Grote Kerk bezat een librije met een enigszins openbaar karakter, omdat studenten en leraren van de ‘Grote’ ofwel Latijnse school hiervan gebruik konden maken. In 1571 stelde de stad mr.Pieter Aertsz als bibliothecaris aan, een erebaan voorbehouden aan de pensionaris van de stad. Toen de dichter Jacob Cats in 1626 tot beheerder werd aangesteld leidde dat enige bloei nadat het aankoopbudget was verhoogd tot 100 gulden per jaar; in 1640 verscheen de eerste catalogus.
Over het Leesmuseum is het volgende vermeld: ‘Het “Dordrechtsch Leesmuseum” werd 1867 opgericht op initiatief van de heren dr. A.van Boven, M.A.Perk en mr.F.N.Sickenga, allen werkende leden van het genootschap “Diversa Sed Una”, daterend uit 1816. Het museum werd dan ook gevestigd in het lokaal van dit genootschap aan de Wijnstraat (lokaalVan Peeren). Ter lezing lagen daar de werken uit de bibliotheek van D.S.U., de belangrijkste brochures op ieder gebied en tijdschriften, nieuwsbaden e.d. tot de aankoop waarvan de algemene vergadering had besloten. De leden van het museum konden zowel boeken als periodieken ook thuis ter lezing ontvangen. Naast de gewone leden, die een kontributie van 10 gulden per jaar moesten betalen, kende men ook tijdelijke leden (mensen van buiten Dordrecht, Papendrecht of Zwijndrecht) en buitengewone leden, zijnde de officieren die te Dordrecht garnizoen hielden. Overluid spreken in de leeszaal alsmede het zich bezighouden met enig spel werden in het reglement uitdrukkelijk verboden. Het museum bestond slechts kort. In 1873 nam D.S.U. het bestuur geheel over, in het volgende jaar reeds werd tot opheffing besloten. De konkurrentie van leesbibliotheken en leesgezelschappen was te groot geworden.’ Het leesgezelschap Diversa Sed Una bestaat overigens vandaag de dag nog altijd. Boudewijn Büch wijdde hier een hoofdstuk aan in het boek ‘Bibliotheken (Amsterdam, de Arbeiderspers, 1e druk1984, derde druk 1993) onder de titel: ‘Zes uitleningen per jaar. De bibliotheek van het leesgezelschap Diversa sed Una’, p.108-117

Namen van leners op schutblad van het boek ;’Geschied en letterkundige mengelingen’; door Cornelis de Koning L.D.Z., 1814.

(5) In haar boek ‘Herinneringen’ (Nijmegen, SUN-reprint, 1978) schrijft Aletta Jacobs: ‘Men trachtte mij van mijn voornemen af te brengen, door de veronderstelling te opperen dat ik, een vrouw, groote kans liep gedeballotteerd te worden. Mocht dat tegen veler verwachting in niet geschieden, dan (…) zouden ongetwijfeld heel wat mannen bedanken, om huiselijke onaangenaamheden te voorkomen. Ik verklaarde het verband tussen beide feiten niet te begrijpen, waarop men mij uitlegde, dat de echtgenooten aan het lidmaatschap van het Leesmuseum een heel andere betekenis zouden hechten, als zij wisten dat de mannen er kans liepen een vrouw of vrouwen te ontmoeten.’
(4) Veelal nauwelijks als zodanig in de literatuur vermeld, in tegenstelling tot de Haagse sociëteit – met grote bibliotheek – De Witte, kan de boekerij van genootschap Felix Meritis (Gelukkig door Verdiensten), opgericht in 1777 en met een eigen gebouw aan de Keizersgracht sinds 1788 als leesmuseum worden beschouwd.

Interieurfoto van huidige bibliotheek van Nieuwe en Litteraire Sociëteit De Witte Plein 24 in Den Haag

Wèl voorkomend in het boekwerk ‘Boek en Bibliotheek’ door Ger Schmook, uitgegeven door de Sikkel in Antwerpen tussen 1937 en 1952. Citaat uit hoofdstuk VII, paragraaf 58-59: ‘Terwijl in het Noorden [Nederland] de Nutsbibliotheken academische gewoonten – in het kleinburgerlijke – aannamen (uitschrijven van prijsvragen), ontstond en bloeide voor de wel-ingezeten burgerij een gesloten sociëteit als “Felix Meritis’ te Amsterdam (omstreeks 1800) met een Leesmuseum als kern. Dát wordt tijdens de Franse overheersing een concentratiepunt met verzetstendenzen voor alle gezindheden. Onder het geleide van politicus Falck lezen Helmers en Loots er hun vrijheidsverzen voor. Een schakel van het openbaar – zij het dan klandestien – leven, die Zuid-Nederland door gebrek aan rijpheid in zijn geschiedenis mist. Als de Antwerpse Gouverneur De Keverberg de Kessel, in 1816, de initiatieven van “Openbare Onderstand” in Nederland wil leren kennen, raadt Min. Falck hem aan het Amsterdamse Leesmuseum als cultuurcentrum te bezoeken…en te Brussel komt tenslotte, naar analogie, “Concordia” tot stand (1818) , waar een leestafel onderhouden zal worden met 80 periodieken. Somerhausen, medewerker van de “Mercure belge” (1818) zal het “Musée de Lecture” van Amsterdam trouwens met enthousiasme beschrijven(…)’.

Gedenksteen eerste steenlegging Leesmuseum Amsterdam 26 juli 1820 door I.A.Laan Willink

Dr.P.J.Buijnsters schreef in een hoofdstuk: ‘Nederlandse Leesgezelschappen uit  de 18de eeuw [in het boek: ‘Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw’. Utrecht, HES uitgevers, 1984, het volgende over: ‘De 19e eeuwse leesmusea [van Amsterdam en Rotterdam]; besluit: ‘Op 17 november 1800 werd door twee advokaten, Anton Reinhardt Falck en Cornelis Vollenhoven, het Leesmuseum te Amsterdam opgericht met het doel “de lezing van buitenlandsche zowel als van Nederduitsche journalen voor een groot getal van menschen gemakkelijk te maken”. Ondanks deze laatste zinsnede droeg het Leesmuseum tot zijn liquidatie in 1933 het karakter van een exclusieve sociëteit, waar alleen gegoede Amsterdammers lid van konden worden tegen een jaarlijkse contributie van liefst 21 gulden. Het succes was enorm; in 1805 telde het genootschap al 210 leden, in 1832 waren dat er omstreeks 440. Een buitenlands reiziger die in mei 1806 het Amsterdamse Leesmuseum bezocht, toonde zich verbaasd over “hare deftige, eenigszins prachtige inrigting”, over de grote voorraad boeken en tijdschriften die aan de leden ten dienste stonden en vooral over de vrijheid om vreemdelingen hier te introduceren. [Anoniem. Reis door Holland in het Jaar 1806. Naar het Fransch deel 1. Amsterdam (1897), p.43-45] (1). Een gedetailleerde beschrijving van dit nieuwe trefcentrum zou ons bestek verre te buiten gaan. Voldoende is vast te stellen dat het Amsterdamse voorbeeld in diverse steden navolging vond. De grootste bekendheid en stellig het meest succes kreeg het tot in onze dagen in gewijzigde vorm nog bestaande Rotterdamsch Leeskabinet (opgericht 24 mei 1859). Dergelijke instituten verenigden in opzet eigenlijk drieërlei functies: die van de herensociëteit, die van studium generale met voordrachten op el terrein van kunst en wetenschap, en de functie van publieke bibliotheek annex leeszaal. Laatstgenoemde functie was alleen zinvol, zolang er in de loop van de 19e eeuw stedelijke of universitaire bibliotheken tegen relatief zeer geringe betaling de lectuurvoorziening ter hand gingen nemen, moesten de particuliere leesmusea en leeskabinetten de een na de ander het loodje leggen. Alleen op het platteland handhaafden de kleine leesgezelschappen zich nog geruime tijd. Blijkens de catalogi van hun boekenbezit waren het nu hoofdzakelijk populaire romans die in deze kring gelezen werden.’ Nota Bene: Het archief van het Amsterdamse Leesmuseum berust in het gemeentearchief aldaar onder nr. PA 130. Zie C.M.Faas. Inventaris van de archieven van het Genootschap Het Leesmuseum (1899-1933) en van het geneeskundig leesgezelschap Legendo Discimus, sinds 1841 voortgezet als Medisch Leesmuseum (1806-1857), Amsterdam, 1973; F.F.Barends, Het Rokin en de kunst, de kunst en het Rokin (Amsterdam, 1983), rijk geïllustreerd’.

(1) Van andere buitenlanders van wie uit gepubliceerde dagboeken [ beschreven door J.N.Jacobsen Jensen; Reizigers te Amsterdam. 1919] kunnen worden genoemd: – Joh.Friedr. Droysen. Bemerkungen gesammelt auf einer Reise durch Holland und einen Theil Frankreichs im Sommer 1801. Göttingen, 1802 [Leesmuseum Amsterdam bezocht in juni 1801]; – Aug.Herm. Niemeyer. Beobachtungen auf Reisen in und ausser Deutschland (…). Band III Reise durch einen Theil von Westphalen und Holland im Jahr 1806. Halle, 1823. [naast o.a. Felix Meritis en een aantal godshuizen, weeshuizen en bijzondere gebouwen in Amsterdam bezocht Niemeyer ook het Leesmuseum]; – B.G.Niebuhr. Nachgelassene Schriften B.G.Niebuhr’s nichtphilologischen Inhalts. Hamburg, 1842 [de schrijver bezocht in 1808 in Amsterdam o.a. het Leesmuseum, de Hollandsxce schouwburg, de beide synagoges, het tot paleis verheven stadhuis, het Brands-Rushofje etc., ook de particuliere schilderijenverzamelingen van P.de Smeth van Alphen en A,J.Brentano evenals de etnografische collectie van generaal Janssens].

Selectie van literatuur betreffende institutionele leesmusea/leeskabinetten:
-150 jaar Bibliotheek Arnhem: geschiedenis en collecties. Door H.Chr. van Bemmel e.a. Arnhem, 2003.
-Cl.Bienfait. Zestig jaar Damesleesmuseum 1894-1954. Den haag, 1954.
-De brochures van het Arnhemse Leesmuseum, spiegels van de tijd. In: Arnhems Historisch tijdschrift 1 (2010), p18-23.
-Catalogus van de oude drukken in het Rotterdamsch Leeskabinet. Rotterdam,1988.
-J.Craandijk, Het Rotterdamsch Leeskabinet , 1884, p.256-260.
-De problematische oprigting van het Leesmuseum in Batavia. In: Tijdschrift Nederlands Indië. 8e jaargang 1846. [De oprichting had uiteindelijk pas plaats in 1859].
– Diep, cultuurhistorisch magazine Dordrecht, december 2007. [Themanummer Lezen, bevat o.a. ‘Leesgezelschap: van vriendenclub tot mediatheek’].
-Lizet Duyvendak. Het Haags Damesleesmuseum. ‘s-Gravenhage, 1994
-Lizet Duyvendak, ‘Door lezen wijder horizont’: het Haags Damesleesmuseum. 2003 (Proefschrift Utrecht)
-Tiddo Folmer. Rariora en curiosa aanwezig in de bibliotheek van het Rotterdamsch Leeskabinet. Rotterdam, 1913.

-Rick Honings. Een Leesmuseum [in Leiden], als hoofdstuk van ‘Een zoet vergif van verstand en hart; de ontwikkeling van de leescultuur in Leiden 1760-1860. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (NTTL) 127, 2011, p.263-289.

-Dini M.Helmers. Leesgezelschappen en Leesmusea. In: Holland, juni 1989.

-Dini Helmers. Door lezen wijder horizont: het Leesmuseum voor vrouwen 1877-1966. In: Lust en Gratie, 1991, 32 (winter), p.25-37.
-B.de Vries. Een stad vol lezers: leescultuur in Haarlem 1850-1920. Nijmegen, Vantilt, 2011.
-Grenzeloos lezen: 150 jaar Rotterdams Leeskabinet. Uitgeverij Douane, 2009. Bevat bijdragen van dr. Lizet Duyvendak, drs. Pierre Pesch en drs. Marjolein van Herten. Voorts van prof.dr.Jan van Herwaarden: ‘Eene bibliotheek…naar de behoeften des tijds ingerigt’; impressies van het Rotterdamsch Leeskabinet in de negentiende eeuw.
-Leeskabinet. Grepen uit de geschiedenis en de boekerij van het Rotterdamsch Leeskabinet. Leiden. E.J.Brill, 1984. [Bevat bijdragen van E.Bos-Rietdijk, M.A.Drahmann-Meijer, J.van Herwaarden, J.W.de Jong, M.Kamp-Heering, P.W.Klein, G.G.de Kruijf, J.H.J.van der Pot, P.Ratsma, R.L.Schuurma, P.C.Spierenburg, J.Spoelder, E.F.T.Stakenburg-Mees, J.M.M.de Valk, Adriaan van der Veen, M.van der Velden en A.M.L.R. Veldhuisen-Djajasoebrata.

-Muller Fred. Het Rotterdamsch Leeskabinet. In: De Economist, 1860 (vol 9 (1), pp.321-330.

 

Wildenberg

Vooromslag van Catalogus van de oude drukken van het Rotterdamsch Leeskabinet; samengesteld door I.W.Wildenberg.

 

-Els Prinse. De collectie en de leden van het Leesmuseum voor vrouwen te Amsterdam op het eind van de negentiende eeuw. Leiden, Rijksuniversiteit. 1988 [3], 72 p.

-E.J.Potgieter. Het Leesmuseum voor vrouwen te Amsterdam. In: Proza 1837-1845, p.309vv.
M.Meyboom. Vrouwenleesmusea in Holland. In: De Hollandsche Revue, 8 (1903), p.818-822.
– J.E.van der Pot. Honderd jaar Rotterdamsch Leeskabinet. B1859 – 1959. Rotterdam, Ad.Donker, 1959.

 

Vooromslag van boekuitgave door J.E.van der Pot met afbeelding van vm. Rotterdamsch Leeskabinet voor WOII

-J.H.Rössing. Het honderdjrig bestaan van “Het Leesmuseum”te Amsterdam. Eigen Haard, nummer 46, 17 november 1900.

-D.Smit. Het Leesmuseum te Amsterdam. In: De Nederlandsche Spectator’, teven in: Nieuwsblad van den Boekhandel 44 (1877), p.109-110.
-Vier eeuwen Universiteitsbibliotheek Utrecht. Deel 1, door D.Grosheide, A.D.A.Monna en P.N.G.Pesch. (Utrecht, 1986), dat een hoofdstuk bevat: ‘Nieuwe vormen van collectievorming: dissertatieruil, het Leesmuseum, p.186-189.

Artikel over Leesmusea, in: Boekzaal , jaargang IV, 1910

LEESMUSEUM AMSTERDAM

 

Over het Leesmuseum Amsterdam; door dr.Paul Schneiders (uit: Nederlandse bibliotheekgeschiedenis, 1997)

Illustratie uit: Paul Schneiders, Nederlandse bibliotheekgeschiedenis, 1997

Vervolg Leesmuseum Amsterdam; door dr.Paul Schneiders, 1997

 

Amsterdam1

vervolg Amsterdams Leesmuseum. 1997

 

Amsterdam2

vervolg Amsterdams Leesmuseum, 1997. In het volgende hoofdstuk schrijft dr.Paul Schneiders: ‘Leeskabinetten en leesmusea beleefden rond 1900 een hoogtepunt. Meestal gehuisvest in fraaie, grote panden, druk gefrequenteerd, beschiktebn zij vaak over grote collecties en een leestafel met een keur van Nederlandse en buitenlandse dagbladen en tijdschriften. In Amsterdam bleef het Amsterdamsch Leesmuseum toonaangevend, in Rotterdam het Rotterdamsch Leeskabinet en in Den Haag de Sociëteit ‘”De Witte”, officieel genaamd de Nieuwe of Littérarische Sociëteit. Het royale gedenkboek dat in 1902 ter gelegenheid van het eeuwfeest verscheen, maakt duidelijk dat deze chique Haagse club de bibliotheek voor de circa 2200 leden niet de centrale plaats innam zoals in de Amsterdamse en Rotterdamse zusterverenigingen, “De Witte” was bovenal sociëteit met verschillende eet- en conversatiezalen, peelkamers (ombre, whist, domino- en kaartspsel), een voortreffelijke wijnkelder enzovoort. De leestafel was rijk voorzien van tijdschriften (78 Nederlandse, 31 Engelse en Amerikaanse, 29 Franse, 25 Duitse, 1 Italiaanse), maar de boekenverzameling was met 2500 titels betrekkelijk bescheiden. Verreweg de meeste waren van populair-wetenschappelijke aard, over geschiedenis, aardrijkskunde, koloniale zaken (375), recht, handel, nijverheid, godsdienst en kunst. Er waren 116 Franse, Duitse en Engelse romans, geen Nederlandse. Over de leeszaal wordt in 1902 geschreven: “In de nieuwe leeszal is alles aangewend om den lezer kalm en gemakkelijk in een of ander prettig hoekje te doen plaats nemen. Die afzonderlijke zitjes, droom- en overpeinzingsplekjes, zijn ene vinding, welke niet genoeg geroemd kan worden. Na afloop der tafel, wanneer sommigen bij voorkeur in zoo’n hoekje hunne siësta nemen, herinnert met luidruchtig neusgeluid dier goedverzadigden menigmaal zóó sterk aan de dieren, welke de verloren zoon hoedde, dat men ze eer eene snork- dan leeszaal zoude doopen”.’

In hert tijdschrift BIBLIOTHEEKLEVEN, , jaargang 1923, pagina 77, is het volgende bericht: ‘De Gemeenteraad heeft besloten om door een commissie een onderzoek te laten instellen naar de wijze, waarop men zal kunnen komen tot reorganisatie van het bibliotheekwezen in Amsterdam. Deze commissie zal bestaan uit de heren dr.T.P.Sevensma, bibliothecaris der O.L.B., dr.J.F.van Oss, Gem. bezuinigingsinspecteur, dr.W.L.Hendriks, directeur van de afd. Onderwijs en een vertegenwoordiger van Curatoren van de gemeentelijke Universiteit. Een eventuele samenvoeging van universiteitsbibliotheek en openbare leeszaal zal waarschijnlijk het karakter dragen van een personele unie – ’t Is gezegd geworden, dat het Leesmuseum op ’t Rokin nog gansch niet het aanzien bezit, dat het in de hoofdstad behoort te hebben. “Ook op grond van zijn geschiedenis” had men er bij kunnen zeggen: eene geschiedenis, die opklimt tot het jaar 1800. De grondlegger A.R.Falck, wiens portret nog in het gebouw hangt, had reeds te voren een leesgezelschap opgericht waartoe o.a. behoorden prof.D.J.van Lennep, Jeronimo de Vries, R.H.Arntzenius, e,..a. en waar men zich ook bezig hield met de lectuur van klassieke schrijvers. Uit dit z.g. Vrijdagsch gezelschap groeide het Leesmuseum, dat in 1820 een eigen gebouw stichtte op de plaats van het gesloopte logement “de Engelsche Bijbel”. Wanneer de muren van dat gebouw eens klappen konden, ze hadden heel wat kunnen verhalen van de bezoekers. Na Falck en zijn kring: figuren als Jacob van Lennep, Potgieter, Zimmerman, Quack, Martinus v.d. Hoeven enz. De laatste vond in het Leesmuseum zijn sterfhuis; Potgieter schreef in 1868: “Hij is, onverwachts nog, op het Leesmuesum gestorven. Morgen zal men hem op het Oosterkerkhof met groote pracht begraven.” Ook Multatuli kwam als geïntroduceerde op deze plaats, maar diens herinneringen waren niet van de plezierigste soort.’ 

 

 

lees

In de Amsterdamse Courant van 9 juni 1810 plaatste het Lees-Museum een advertentie met vermelding van enkele vermiste boekenEen bijschrift invoeren

 

Gedenkplaat met namen van oprichters Leesmuseum Amsterdam: A.R.Falck, J.R.Derman, D.J.van Lennep  en met handtekeningen van de personen die zich daarbij aansloten

tegeltableau Leesmuseum Amsterdam anno 1820 (Amsterdam Museum)

Etiketje uit boek Leesmuseum Amsterdam

Stempel uit afgeschreven boek van het Leesmuseum Amsterdam. Na de opheffing is een deel van de collectie naar de universiteitsbibliotheek overgebracht en een deel verwijderd. Mijn vader bezat een aantal van dergelijke boeken op het gebied van o.a. financiële en gemeentelijke administratie

Enkele van de boeken door mijn vader J.J.F.Krol, destijds gemeentesecretaris van Nederhorst den Berg, later burgemeester van Mierlo en vervolgens Gilze Rijen, bij de opheffingsveiling van het Leesmuseum Amsterdam aangekocht en nog in mijn bezit.

cartoon-ets met de leden van de snaaksche vergadering anno 1822. Rechts het Leesmuseum aan het Rokin

Kleine brand in Leesmuseum Amsterdam (Leydse Courant, 23-3-1853)

Amsterdam1

(bericht betreffende overlijden van professor Marrtinus des Amorie van der Hoeven in het Leesmuseum, Opregte Haarlemsche Courant van 15-10-1868)

 

bustefalck

(De Tijd, 16 maart 1877)

Buste van staatsman A.R.Falck, oprichter van het Leesmuseum Amsterdam (RKD, iconografisch bureau)

 

lees

bewijs van lidmaatschap leesmuseum van schrijver Albert Verwey, 13 september 1882

 

 

Leesmuseum Amsterdam 1890

Leesmuseum Amsterdam (Nieuwsblad voor den Boekhandel 2-9-1932)

Leesmuseum in Amsterdam omstreeks 1900 gesloopt om op die plaats het leesmuseum aan het Rokin te bouwen

brief van de schrijfster Carry van Bruggen aan Frans Coenen op briefpapier van het Leesmuseum

Tekening van bouw Leesmuseum door architect Posthumus Meijer, 1902

 

tekening

ontwerptekening Leesmuseum door Posthumus Meijer, 1902

 

tekening3

tekening voorgevel en doorsnede Leesmuseum Amsterdam door Posthumus Meijer, 1902

 

Eerste steenlegging van het nieuwe Leesmuseum aan het Rokin in Amsterdam in 1903 (beeldbank stadsarchief Amsterdam)

 

tekening1

tekening van het Leesmuseum aan het Rokin (Stadsarchief Amsterdam)

Steendruk van W.Hekking uit omstreeks 1857. Gezicht op het Rokin naar het Spui. Het Leesmuseum tweede van rechts en Arti et Amicitiae is het derde gebouw van links. (uitgave van G.W.Tielkemeijer, Amsterdam)

In Querido’s letterkundige reisgids van Nederland (Amsterdam, 1982) schrijft Ad Zuiderent: ‘In het gebouw van Arti, Rokin 112, maakte de toen jonge dichteres Henriëtte van der Schalck in 1892 voor het eerst kennis met het Amsterdamse kunstenaarsmilieu, waartoe haar latere echtgenoot R.N.Roland Holst (Amsterdam 1868 – Bloemendaal 1938) ook behoorde. Het gebouw is de sociëteit van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae, waarvan in onze tijd ook allerlei schrijvers lid zijn. Iets voorbij het Spui, Rokin 102, was het Leesmuseum gevestigd, vanwaar Warner Willem van Lennep (Amsterdam 1883-1903) – die met zijn Keats vertalingen de dichters van Tachtig een voorbeeld gaf – in 1881 zijn brieven over versbouw aan Jaques Perk moet hebben verstuurd. Ook een van Nescio’s Titaantjes, Hoyer, zit er in die periode dat hij een succesvol childer is, “en leest er ’t Berliner Tageblatt”(Titaantjes, 1915′) 

Titelblad van ‘Academiche Idyllen’ door mr.J.van Lennep. Marita Mathijsen schrijft in haar biopgrafie over Jacob van Lennep: ‘Vrijwel dagelijks kwam hij in het Leesmuseum op het Rokin, en zeker trof hij daar kennissen met wie hij aan de praat raakte‘. (pagina 237) De gravure is van J.E.Marcus, 1826.

 

tableau

tableau keramische tegels van plateelbakkerij de Distel voor Leesmuseum Amsterdam 1903

10 april 2013 zijn de aardewerk tegels van plateelbakkerij de Distel, afkomstig uit het Leesmuseum, geveild

 

oude foto van het Leesmuseum Amsterdam

Leesmuseum Amsterdam aan de overzijde Rokin, vierde gebouw van links

ansichtkaart uit begin vorige eeuw

kleurenansicht met leesmuseum Amsterdam

recente foto van het gebouw vm. Leesmuseum. In 2016 aangekocht door vastgoedbelegger Redevko met als directeur Clemens Breeninkmeijer wordt het Leesmuseum – een Rijksmonument – getransformeerd tot winkellocatie.

Obligatie Leesmuseum Amsterdam uit 1921

viering 125 jaar Leesmuseum Amsterdam in 1925

Gegevens van het Leesmuseum Amsterdam en het Leesmuseum voor vrouwen uit bibliotheekgids van 1913

Vooromslag catalogus Leesmuseum Amsterdam 1874

Begin van lijst der couranten en tijdschriften die in het Leesmuseum Amsterdam voorhanden waren.1910

Lezende heren van stand in de leeszaal van het Leesmuseum Amsterdam (1917)

D.Smit publiceerde als bibliothecaris van het Leesmuseum Amsterdam een ‘Woordentolk’

Door het Leesmuseum uitgegeven zak-agenda’s, 1913 en 1914 door het personeel aan de leden aangeboden met behalve genda om in te chrijven ook allerlei praktische informatie

Jubileum van adjunct-bibliothecaris van het Leesmuseum A.D.Löhning (De Prins 8 november 1919)

 

lees6

jubileum Leesmuseum Amsterdam (De Prins, 28 november 1925)

 

 

lees3

(De Prins, 1925)

 

Zilveren jubileum van J.A.de lange, portier van het Leesmuseum Amsterdam (De Stad Amsterdam, 15 juli 1927)

Tijdens een ledenvergadering in december 1931 stemde nog een meerderheid van de aanwezigen voor voortzetting van het Leesmuseum (De Tijd 19-12-1931)

Een groot deel van de collectie van het Leesmuseum Amsterdan is in oktober 1932 geveild bij Burgersdijk en Niermans in Leiden (Provinciale Noordbrabantsche Courant, 2-9-1932)

 

In 1932 kwam niettemin een definitief einde aan het Leesmuseum. Eén van de redenen was het succes van de openbare bibliotheek, opgericht in 1919. Een deel van de boeken is geveild (De Sumatra Post, 18-11-1932) [Mijn vader moet daarbij zijn geweest, in mijn ouderlijk huis in Nederhorst den Berg trof ik een aantal boeken aan met het stempel leesmuseum, vooral op het gebied van administratief recht].

Begin1933 is het gebouw Leesmuseum in gebruik genomen  door veilinghuis Mak van Waay en vond de eerste veiling van kunst en antiek plaats (De Sumatra Post 5-1-1933)

Het vm. Leesmuseum aan het Rokin in Amsterdam met gedenksteen boven de ingang

BIJLAGE: J.H.Rössing. Het Honderdjarig Bestaan van “Het Leesmuseum” te Amsterdam (Eigen Haard, nummer 46, 17 november 1900)

 

lees1

(1)

 

lees2

(2)

 

lees3

(3)

 

LEES4

(4)

 

lees5

(5)

 

lees6

(6)

 

lees7

(slot van J.H.Rössing. Het Honderdjarig Bestaan van “Het Leesmuseum” te Amsterdam (Eigen Haard, 1900)

DAMESLEESMUSEUM AMSTERDAM (1877-1966)

In ‘Amsterdam’s Reading Society for Women’ geeft Susanne Parren in february 2007 (translated Brenda Mudde)  een beknopte geschiedenis. ‘The Leesmuseum voor vrouwen’ (Reading Society for Women) in Amsterdam was founded in 2 May 1877. Although there were reading societies in nearly all major Dutch cities the had been one in Amsterdam since 1802 these tended no admit women. Exceptions were made only for such exceptional women as the celebrated novelist Mrs. Bosboom-Toussaint and the female medical doctor and suffragette Aletta Jacob. Like other societies, the Leesmuseum voor vrouwen, targeted the upper middle class; the lower classes had their own libraries, the Nutsbibliotheken, which were operated by the Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Society for the Common Good) in addition, there were the commercial lending libraries (Kloek 1978, Luger1997). The Leesmuseum voor vrouwen occupied the building on the Hartenstraat 29, where members were welcome to read daily and weekly papers and magzines, brochures and books. At first, materials could not be borrowed and all the reading had to be done in house. This soon changed. Lending started with textbooks, and within a few years members were allowed to take home novels as well, provided they had been in the Leesmuseum’s possession for more than three months. The Leesmuseum was very popuilar. A membership list for the period 1888-97 that has survived shows a member of 321 members, including eight writers and transltors. Unlike the Damesleesmuseum is counterpart in The Hague, the Amsterdam reading society for women no longer exists. It was dissolved in 1966, its records were given in the City of Amsterdam and part of the book collection to the Amsterdam University Library. The catalogue for the year 1886 has survived and been included in Prince 1988. It lists books and brochures of which we know for that certain they were read, and selected for the Leesmuseum’s collection, by women. It is ot clear how the society went about selecting books, but it is likely that until 1899 this task was performed by to cimmittee members. And a time-consuming job this must have been, because these two women read everything. Nor did their choices meet the universal approval: the records show that the purchasing policy was the subject of occasional criticism at members’ meetings. The Leesmuseum’s catalogue contained 1.439 volumes in four languages: Dutch (Original works and translations), French, German and English. Obviously, not all these titles were by women writers. To be exact, 193 works were by women, 83 of them by Dutch women. These reception data have been included in the database WOMENWRITERS.  Which authors were well represented in the catloqgue? Among the foreign authors, George Eliot (14 titles) and George Sand (10 titles). It is interesting that all these titles were all original versions: these authors were apparently not read in translation. Elise Adelaide Haighton (4 titles and herself a member of the Leesmuseum, Catharina F.van Rees (4 titles) and Mrs. Bosboom-Toussaint (14 titles) top the list of Dutch writers. This also shows that the Leesmuseum’s collections of works by authors such as Ouida, Sand, Van Rees and Bosboom-Toussaint was far from complete and onky a (smll) selection was available to its members.’

BIBLIOGRAPHY:

-Helmers, Dini. De geschiedenis van het Leesmuseum voor vrouwen, Master’s dissertation, 1987 (in HAV Amsterdam Ned 7 1987).

-Kloek,JJ. ‘Uitnodiging tot onderzoek: een kijkje in de Nutsbibliotheken van 1901′. in R.T.Segers (red), Receptie-esthetica, grondslagen, theorie en toepassing (19780, 183-198.

-Luger, Bernt. Wie las wat in de negentiende eeuw? (Utrecht: Matrijs, 1997), 21-26.

-Prinse, Els. De collectie en de leden van het leesmuseum te Amsterdam op het eind van de negentiende eeuw. Master’s dissertation. Leiden. Leiden University History Department, 1988 (in HV Amsterdam NED 7 1988).

Hartenstraat 29 Amsterdam

Circulaire van het Damesleesmuseum in Amsterdam

het Damesleesmuseum in Amsterdam (Hollandsche Revue, 1903)

Het voormalige leesmuseum voor vrouwen in Amsterdam, opgericht in 1877 Hartenstraat 29, verhuisd naar Herengracht 450

Een van de laatste selectiecommissies van het dames leesmuseum in Amsterdam (uit: Recht op lezen; voorlopers van de openbare bibliotheek, door Boudien de Vries)

 

SAMSUNG CAMERA PICTURES

titelblad catalogus Leesmuseum voor vrouwen. Mei 1905 (Bijzondere collecties Universiteit Amsterdam)

 

aankondiging van leziing door Dini Helmers bij antiquariaat Lorelei over lees het leesmuseum voor vrouwen in Amsterdam, 1877-1966,  op 29 januari 1988

Leesmuseum ARNHEM

Vooromslag van ‘150 jaar Bibliotheek Arnhem’, 2003. Menno Potjer schrijft dat naast de in 1856 opgerichte openbare stadsbibliotheek ‘er destijds vooral voor de elite minstens drie mogelijkheden waren om op de hoogte te blijven van de mest recente studies. Men kon naar het Leesmuseum gaan, opgericht in 1872 met 150 leden, opnieuw een initiatief van Prodesse. De contribututie is hier erg hoog, 10 gulden per jaar, maar daarvoor worden dan ook maar liefst 90 tijdschriften in vier talen aangeboden. Bij haar aanvang had deze leeszaal, die overdag en ’s avonds open was, een onderkomen gevonden op de bovenverdieping van café Muller in de Ketelstraat. In 1874 is men verhuisd naar Trans. Toen mochten ook dames lid worden, in 1880 waren dat er al 35 tegen 320 mannen. Een nog grotere ruimte had men op het Nieuwe Plein en later op het Willemsplein. Na 1900 komt de klad er wat in. In 1916 zijn er nog 216 leden en dat is bijna te weinig om stand te houden. In 1924 trok men in bij de Grote Sociëteit aan de Koningstraat (…)’.

gravure met rechts het Leesmuseum Arnhem aan het Nieuwe Plein

vooromslag catalogus der bibliotheek van het Arnhemsche Leesmuseum 1872-1890

Het vroegere gebouw van het leesmuseum Arnhem, Willemsplein 36. In 1879 gebouwd in neoclassicistische stijl naar een ontwerp van J.J.Weve. Tot 1924 in gebruik als leesmuseum, tegenwoordig een kantoorfunctie.

Sociëteit Leesmuseum Rotterdam

Voordat in 1850 in Rotterdam het – nog bestaande – Leeskabinet werd opgericht is al eind jaren 20 van de 19e eeuw een Leesmuseum gesticht dat tot de jaren 50 van die eeuw heeft bestaan. (bericht van bibliothecaris B.Nieuwland, uit: Nieuwe Rotterdamsche Courant van 19-12-1949)

Leesmuseum Den Haag  (1836-1843)

In ‘s-Gravenhage is in 1836 een leesmuseum (voor mannen) opgericht, o.a. door de oprichter van het leesmuseum van Amsterdam mr.A.R.Falck en de onderbibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek dr.J.W.Holtrop. Na 7 jaar is deze instelling opgeheven.

Bezoek van de Prins van Oranje aan hert Leesmuseum in ‘s-Gravenhage (Rotterdamsche Courant, 27-4-1843)

DAMESLEESMUSEUM ‘s-GRAVENHAGE

Bordje aan de gevel van het damesleesmuseum Den Haag

 

Denhaagdamesleesmuseum1913

gegevens Damesleesmuseum uit bibliotheekgids 1913

 

Vooromslag van Zestig jaar Damesleesmuseum Den Haag 1894-1954

oude interieurfoto van Leesmuseum Den Haag met mej. Walburg Schmidt en op het trapje mej. van Agten. De leden schreven zelf hun boeken in.

 

jubileum

Jubileum van het 40-jarig bestaan van het Damesleesmuseum. Zittend: de dames C.Bienfait, E.Kann-Polak Daniëls, A.Bienfait (presidente van 1894-1940), C.H.J.de Vries, B.Stolk, W.M.G.Monté Verloren-Willumier. Staande v.l.n.r.:M.Braat-Ingen Housz, A.Weijer, onbekende, J.Th.Löhnis, Th.J.van Aken, G.Plantenga, M.H.J.P.Buthinga Wichers-van Voorst tot Voorst, en een onbekende (beeldbank stadsarchief DenHaag).

 

In 1928 verscheen een postuum vriendenboek voor wijlen Margareta Meijboom (1856-1927), samengesteld door Cl.Bienfait (bibliothecaresse van 1894-1954 (!)) M. Meijbooom was feministe en vertaalster van Scandinavische boeken, schreef in 1903 over de vrouwenleesmusea in Den Haag (waarvan zij van 1894-1899 tweede penningmeesteresse was en van1902-1909 bestuurslid), Amsterdam en Nijmegen. Via haar waren er ook contacten met het vrouwenleesmuseum in Kopenhagen. In 197 publiceerde zij in de Gids, een bijdrage over ‘de reorganisatie van de volksbibliotheken in Noorwegen

interieurfoto damesleesmuseum Den Haag, 2008 (Beeldbank Den Haag)

interieur Nassauplein, jaren vijftig (boek het Haags Damesleesmuseum)

Damesleesmuseum Den Haag

Een hoekje in de boekerij van het damesleesmuseum, Den Haag

recente foto van interieur damesleesmuseum Den Haag

Exlibris van het damesleesmuseum in Den Haag, ontworpen oor Hein van Essen

Getekende menukaart van het damesleesmuseum Den Haag, 1935 door B.Midderigh-Bokhorst (?)  (uit  boek het Haags Damesleesmuseum van Lizet Duyvendak)

kleine tentoonstelling in het damesleesmuseum Den Haag

 

damesleesmuseum

Dames lezend een leestafel in het Leesmuseum aan de Lange Voorhout, 1934

 

Aan de arbeid in het damesleesmuseum Den Haag

Damesleesmuseum Den Haag 1894-1954 (Het Vaderland, 15 mei 1954)

Lezen op z’n Haags. Uit: de Volkskrant van 2 april 1969. Op de foto mevrouw Lely Kuenen, presidente (link) en mevrouw Hooykaas-Schiff.

foto bij een artikel over het damesleesmuseum Den Haag in NRC Handelsblad van 9-9-1988. Op de foto v.l.n.r.: mw.W.van Buttingha Wickers, mw.A.van der Burcht van Lichtenbergh en mw.G.H.Post Uiterweer (foto Crien Folmer)

Leesmuseum Leiden (1819/1826- 1876)  

Voor de geschiedenis van het Leidse Leesmuseum neem ik de bijdrage over van dr. Rick Honings (zie literatuuropgave)

vervolg van bijdrage Rick Honings over het Leesmuseum in Leiden

Slot van bijdrage Rick Honings gewijd aan de historie van het Leidse Leesmuseum

Schrijven van professor Clarisse, gedateerd 28 maart 1826  aan de leden van het bestaand hebbende Leesmuseum in Leiden (Bijzondere collectie UB Leiden)

Portret van de predikant en hoogleraar theologie in Leiden Joannes  dr. Joannes Clarisse (1770-1846)

vervolg van circulaire de dato 28 maart 1826 verzonden door dr. J.Clarisse (Bijzondere collecties Universiteitsbibliotheek Leiden)

 

Leiden

bericht uit de Leydse Courant van 10-1-1853

 

Leesmuseum HAARLEM

Over het leesmuseum in de Spaarnestad schrijft dr.Paul Schneiders: ‘Het Haarlems leesmuseum werd in 1861 gesticht door 22 vooraanstaande inwoners, onder wie Conrad Busken Huet, toen predikant te Haarlem. Ook de uitgever A.C.Kruseman behoorde tot de initiatiefnemers. Artikel 1 van de Statuten luidde: “Het doel van het Leesmuseum is, op weinig kostbare wijze aan zijn leden gelegenheid te geven tot het lezen der voornaamste binnen- en buitenlandsche tijdschriften en brochures”. Van boeken werd dus niet gesproken, maar uit andere bepalingen blijkt dat men wel degelijk boeken had. De verzameling was ondergebracht in een leeskamer op het Haarlemse stadhuis, vermoedelijk gratis door de gemeente ter beschikking gesteld; een rookkamer, conversatiezaal of sociëteitsachtige ruimte ontbrak. Het aantal leden is nooit meer geweest dan circa 130. Aan het begin van de twintigste eeuw zette een daling in, waardoor er in 1910 nog maar zeventig leden waren. Bij de opheffing in 1914 was dat geslonken tot een handjevol.’ 

 

Funckler

in 1861 is in Grand Hotel Funckler in de Kruisstraat te Haarlem het Leesmuseum opgericht

 

Het Prinsenhof, vroegere ingang van het Leesmuseum, tevens van de Stadsbibliotheek

De leeszaal van het Leesmuseum omstreeks 1900 (NHA)

De gang naar het Leesmuseum, circa 1900 (NHH)

Oprichters van het Leesmuseum in Haarlem: dr.D.Lubach (bibliothecaris van Teylers Stichting) , T.C.Winkler (conservator van Teylers Museum), P.van Reijsen (arts) en D.J.Mom Visch (advocaat)  (uit: Boudien de Vries, Een stad vol lezers) Andere oprichters cwaren de schrijver Conrad Busken Huet, uitgever A.C.Kruseman  en bloemkweker en verzamelaar van boeken J.H.Krelage.

entree naar het Leesmuseum Haarlem

leeringen van de HBS Haarlem voor het Leesmuseum in 1899 (NHA)

toegang naar het Leesmuseum in Haarlem (NHA)

Benoeming bibliothecaris E.M.Broeksma bij Leesmuseum Haarlem (Het Centrum, 26-3-1928)

illustratie uit het boek van Boudien de Vries. een stad vol lezers, 2013

Over sluiting Leesmuseum Haarlem. Uit: Maandblad voor Bibliotheekwezen, 1914

Leesmuseum Haarlem (uit: Maandblad voor Bibliotheekwezen, 1914)

N.B. Boudien de Vries en Femke van der Meulen publiceerden een uitvoerig artikel: ‘Van stuiberroman tot de Gids; lezers en lezeressen van het Haarlems Leesmuseum 1880-1890, in; Haerlem Jaarboek 1998. Haarlem, 1999, p. 93-118.

Uit het leenregister van het Leesmuseum uit 1882 met namen als Teding van Berkhout, Schorer, de Laoiy, Krelage, Winkler en mevrouw van Eeden (NHA)

INDISCH LEESMUSEUM DELFT: in Amsterdam zijn vergeefse pogingen ondernomen naast het algemene leesmuseum een Indisch Leesmuseum op te richten. Dat is in ons land enkel in Delft gelukt. De oprichtingsdatum was 15 september 1859 en het Indisch leesmuseum heeft nog tot circa 1875 in Leiden voortgezet). Het archief van 1859 tot 1865 is aanwezig in het stadsarchief van Delft. Als doelstelling is geformuleerd: ‘voorziening in de behoefte om zich door lectuur kennis te verschaffen voor koloniale aangelegenheden in het algemeen en wel hoofdzakelijk van onze eigen koloniën’. Oprichters waren F.D.Levysohn Norman (voorzitter), J.de Blaauw (secretaris), D.F.W.Lucassen (bibliothecaris – later opgevolgd door J.J.Meinsma), C.S.Verys (onderbibliothecaris – opgevolgd door C.M.Ketting Olivier) en F.L.F.E.de Vogel. De jaarlijkse contributie bedroeg 6 gulden en ƒ 2,50 entreegeld. 

 

lees1

dr.Paul Schneiders over het Indisch Leesmuseum te Delft (in: Nederlandse Bibliotheekgeschiedenis, 1997, pagina 156)

 

Litho van het Stads-Koffyhuis aan de Groote Markt in Delft uit omstreeks 1830 (met dank aan Rien de Koster, informatiemedewerker stadsarchief Delft)

Plannen  tot oprichting van een leesmuseum op Indisch terrein (Delftsche Courant, 14-6-1859)

(Delftsche Courant, 20-6-1859)

(Delftsche Courant, 20-6-1862)

stempel van het Indisch Leesmuseum Delft

 

Delft6

bericht over lezing van bibliothecaris J.J.Meinsma (Delftsche Courant, 19-4-1864)

 

Delftsche Courant, 25-1-1867)

(uit; Bijdragen tot de taal- land- en volkenkunde van Nederlandsche Indië, 1875)

Leesmuseum GRONINGEN

 

Groningen3

In 1868 is het leesmuseum van Groningen gesticht (bericht uit Opregte Haarlemsche Courant van 18-12-1868)

 

wijziging statuten van het leesmuseum Groningen (Nederlandse Staatscourant, 1-7-1894). Na oprichting van een openbare bibliotheek in Groningen in 1908 is het leesmuseum opgeheven.

Het Groninger Leesmuseum. Uit: ‘van knekelhuis tot kloppend hart; geschiedenis van de bibliotheek van de rijksuniversiteit van Groningen 1815 tot heden; door Alex C.Klugkist en Sybren Sybrandy. 20122.

vervolg van Het Groninger Leesmuseum (2012)

Leesmuseum Leeuwarden

 

leeuwarden4

Het leesmuseum van Leeuwarden werd opgericht door de Friese uitgever Hugo Suringar (Leeuwarder Courant, 17-112-1871)

 

leeuwarden3

(Leeuwarder Courant van 14-1-1872)

 

leeuwarden1

eind 1888 is het leesmuseum van Leeuwarden opgeheven (Leeuwarder Courant, 18-12-1888)

 

Leeuwarden2

vervolg van bericht opheffing leesmuseum, uit de Leeuwarder Courant van 18-12-1888)

3-1-1891 berichtte de Leeuwarder Courant: ‘Het hier in 1872 gestichte Leesmuseum is wegens al meer en meer toegenomen gebrek aan belangstelling met 31 december j.l. [1890] opgeheven’.  

Leesmuseum DORDRECHT

 

diversa

openbare bibliotheek Dordrecht in de Wijnstraat met aan de achterzijde de boekerij van leesgezelschap ‘Diversa Sed Una’, 1939 (beeldbank regionaal archief Dordrecht

 

diversa1

de bibliotheek van Diversa Sed Una, 1939 (beeldbank regionaal archief Dordrecht)

 

 

De bibliotheek van het leesgezelschap Diversa Sed Una in regionaal archief Dordrecht (uit: Boudewijn Büch, Bibliotheken)

Leeskabinet ROTTERDAM

De eerste huisvesting van het Rotterdamse Leeskabinet, opgericht in 1859, was tot 1865 in de bovenzaal van het ‘Groot Londensch Koffyhuis’, het middelste pand (uit: Grenzeloos lezen). Tot de initiatiefnemers behoorden Hendrik Muller Szn., mr.Marten Mees en mr. P.F.Hubrecht. In  1861 is D.Mulder Bosgoed aangesteld al (hoofd-)bibliothecaris, welke functie hij tot 1880 vervulde.

Circulaire gedateerd 20 Februarij van de penningmeester aan obligatiehouders over een lening van 100.000 gulden nodig om een gebouw voor het Leeskabinet in Rotterdam te stichten.

Vervolg van circulaire

 

leeskabinet

Tentoonstelling in 1923 in het Leeskabinet aan de Geldersekade (Atlas van Stolk)

 

Gravure door H.W.Last (1817-1879) met gebouw leesmuseum en de Koninginnebrug in Rotterdam

Leeskabinet Rotterdam aan de Gelderschekade Rotterdam (in de oorlog verwoest)

Leeszaal Leeskabinet aan de Gelderschekade, kort voor het bombardement van 14 mei 1940, getekend door Ed van der Zanden

De in 1940 door een bombardement verwoeste leeszaal van het Rotterdams Leeskabinet uit 1865

het Leeskabinet Rotterdam kreeg in 1940 na het bombardement van 14 mei 1940 al snel een nieuw onderkomen in het voormalige woonhuis van dr.Elie van Rijckevorsel, Parklaan 3 (foto 1950 door J.A.Vrijthof)

Etiket met ontvangen geschenk Rotterdamsch Leeskabinet in 1870 van mej.J.M.Bogaers uit de bibliotheek van wijlen mr.A.Bogaers

Burgemeester mr.G.E.van Walsum van Rotterdam als spreker bij de viering van het honderdjarig bestaan in 1959 in de tuin van het Leeskabinet aan de parklaan. Staande van links naar rechts: mr.G.H.Hintzen, dr.J.H.van der Pot (bibliothecaris), mr.H.J.F.Heyman – de latere voorzitter – , dr.E.L.Ruitenberg en mr.D.G.Postma (uit: Leeskabinet, 1984)

Recente folder van het Rotterdamsch Leeskabinet, tegenwoordig gevestigd in het gebouw van de Erasmus Universiteit Rotterdam

Ommezijde folder van het Rotterdamsch Leeskabinet

Overzicht van bibliothecarissen en adjunct-bibliothecarissen van het Rotterdamsch Leeskabinet. sinds het recente afscheid van drs. P.N.G.Pesch  is de heer Roman Koot bibliothecaris van het Leeskabinet

Vooromslag van: Leeskabinet; grepen uit de geschiedenis en de boekerij van het Rotterdamsch Leeskabinet 1859-1984

vooromslag van ‘Grenzeloos lezen; 150 jaar Rotterdamsch Leeskabinet, onder redactie van Lizet Duyvendak en Pierre Pesch, 2009

Tekening (en gravure)  van de leeszaal het Rotterdamsch Leeskabinet door P.A.Schipperus, anno1884

Gegevens Leeskabinet Rotterdam uit bibliotheekgids van 1924

Het Leeskabinet zoals tegenwoordig aanwezig in de bibliotheek van de Erasmus Universiteit omvat ongeveer 250.000 boeken

Leeskabinet in Erasmus Universiteit Rotterdam

Tijdschriften aanwezig in het Rotterdamsch Leeskabinet (Paul Schneiders, Nederlandse bibliotheekgeschiedenis)

De nieuwe leeszaal van het Leeskabinet aan de Parklaan, december 1941  (Grenzeloos lezen)

Dames van de uitleen in het Rotterdams Leeskabinet, 1958

Leeszaal eerste verdieping gebouw Parklaan, 1958 (Grenzeloos Lezen)

bladwijzer van het Leeska-binet in Rotterdam

Prentbriefkaart van leeszaal Rotterdamsch Leeskabinet, 1958, Parklaan 3 ‘Daar was in het voormalige woonhuis van Dr.E.van Rijckevorsel sedert december 1940 het Leeskabinet gevestigd’.

Reclameaffiche van het Rotterdamsch Leeskabinet met het standbeeld van Erasmus op de achtergrond, 1936

Folder uit 1957 van het Leeskabinet. De ledenwerving leverde 70 nieuwe leden.

Sinds 1971 heeft het Rotterdamsch Leeskabinet een nieuwe locatie bij de Erasmus Universiteit. Foto van de uitleen in de periode 1971-1974 (Grenzeloos Lezen)

foto van de uitleenbalie in 2008 (Grenzeloos Lezen)

aanwinsten van het Rotterdamsch Leeskabinet (uit jaarverslag UB-Rotterdam 2013)

bibliotheek van het Leeskabinet in V-gebouw van de Erasmus Universiteit in Rotterdam (foto Ronald van den Heerik) 

In de loop van de tijd ontving het Rotterdamse Leeskabinet enkele bijzondere collecties, zoals de boekerij uit de nalatenschap van Elie van Rijckevorsel (1845-1928), een geleerde weldoener, die zijn boeken van een ex-libris met drie kikkers en een R voorzag, omdat in zijn familienaam de [kik]vors herkenbaar is. Van belang is ook de cartografische verzameling van het Leeskabinet.

November 2017 is de boekencollectie van taalkundige en zanger/cabaretier drs. P. (=Heinz Polzer 1919-2005) dankzij bemiddeling van uitgever Vic van de Reijt overgebracht naar het Rotterdamsch Leeskabinet

Erfenis van drs. P. naar het Rotterdmasch Leeskabinet, 18-11-2018

 

Leesmuseum UTRECHT

In Utrecht was van 1822 tot 1833 een leesmuseum, heropgericht in 1833 in een pand nabij de Dom ontworpen door Floris van Embden. Een tweede leesmuseum gesticht in 1867 is drie jaar later vanwege te geringe interesse opgeheven.

Gebouw van het Leesmuseum Utrecht nabij de Dom

Geschiedenis leesmuseum Utrecht (uit: vier eeuwen Universiteitsbibliotheek Utrecht, deel 1, 1986)

vervolg leesmuseum Utrecht (1997)

slot leesmuseum Utrecht (1997)

prent van leesmuseum Utrecht (rechts)

 

Utrecht2

(de Nederlander, 9-11-1850)

 

het Leesmuseum van Utrecht op een kabinetfoto door A.W.van Leeuwen uit omstreeks 1900 (Rijksmuseum Amsterdam)

Zoals in Amsterdam, Arnhem, en elders werden ook door het Utrechtse Leesmuseum regelmatig lezingen en voordrachten georganiseerd (Utrechtsch advertentieblad 5-2-1868)

interieur van leeszaal in leesmuseum Utrecht

 

manuscript

deel manuscript van Schrijver Johannes van Vloten voor lezing in Leesmuseum Utrecht, 1882 (Stadsarchief-atheneumbibliotheek Deventer)

 

vooromslag van catalogus van boeken en periodieken aanwezig in het Utrechtsch Leesmuseum. Utrecht, Kemink en Zoon, 1900.

Kamer van de bibliothecaris van het leesmuseum Utrecht, dr. G.C.J.Vosmaer

Het leesmuseum van Vissingen, opgericht in 1881 is in 1888 opgeheven. 

leesmuseum leesmuseum

=================

Opgericht door H.Frijlink verscheen van 1834 tot de opheffing in 1874 een jaarboek onder de titel Leeskabinet met mengelwerk op cultureel-litwerair gebied. In 1847 telde men nog 40.000 abonnementen. Daarnaast is in Gent van 1856 tot 1859 een tijdschrift verschenen onder de naam ‘LEESMUSEUM”, tijdschrift voor letteren en kunsten’.

=========

In 1912 is de bibliotheek Apeldoorn opgericht onder naam LEESMUSEUM. Dit was echte geen leesmuseum voor welgestelden, maar naar aanleiding van de dissertatie van H.E.Greve, getiteld: ‘Openbare leesmusea en volksbibliotheken’ (Amsterdam-Leipzig, Maas & Van Suchtelen, 1906).is uiteindelijk de naam ‘leeszaal en (openbare) bibliotheek ingeburgerd.

=============

bibliotheek van de vereeniging “Geloof en Wetenschap’, Herengracht 415 Amsterdam

Uit dr.Paul Schneiders. Nederlandse bibliotheekgeschiedenis

Oproep Algemeene Vergadering 1910

circulaire 1911

aankondiging catalogus Geloof en Wetenschap

aanbieding van te verkopen tijdschriften. Secretaris van het genootschap was dr. A.M.A.A. (Alphonse) Steger (1873-1953), was hoogleraar chemie aan TU Delft en Lid van de Eerst Kamer voor RKSP van 1922-1923 en 1926-1945, en woonachtig aan de Lanckhorstlaan in Heemstede

vervolg van aangeboden tijdschriften ver. Geloof en Wetenschap 1913

ansichtkaart van de leeszaal der bibliotheek Geloof en Wetenschap

Het pand Herengracht 415 waar later de rooms-katholieke openbare leeszaal en bibliotheek is gehuisvest

vooromslag van prospectus en reglement der bibliotheek ‘Geloof en Wetenschap’

interieurfoto van verbouwing naar r.k.openbare leeszaal in 1930 , Herengracht 415 Amsterdam

Bestuur en personeel van de rooms katholieke leeszaal aan de Herengracht in Amsterdam


Sociëteitsbibliotheek van de Nieuwe of Litteraire Sociëteit De Witte in ‘-Gravenhage

Informatie van de Nieuwe of Litteraire Sociëteit: ‘De bibliotheek van de sociëteit kent een lange geschiedenis. Een leeszaal of bibliotheek waren in de negentiende eeuw voor grote sociëteiten een vanzelfsprekende zaak. Vanaf het prille begin beschikte De Witte over een rijk voorziene leestafel met dag-, week en maandbladen uit binnen- en buitenland. In 1855 is besloten tot een statutaire erkenning en de promotie van leestafel tot “leesinriging”. Met de uitbreiding van het sociëteitsgebouw in 1900 kreeg de Bibliotheek er een tweede ruimte bij, de huidige Leeszaal, aanvankelijk in art-nouveau- en dertig jaar later verbouwd in Haagse art-decostijl. De bibliotheek van De Witte behoort met ruim 26.000 boeken tot een van de grootste particuliere bibliotheken van Nederland. De collectie wordt maandelijks aangevuld. Zwaartepunten zijn Nederlandse geschiedenis, koningshuis, krijgsmacht, Den Haag, biografieën, politiek, diplomatie en buitenlandse gelauwerde literatuur. Aanwezig zijn een aanwezige alfabetische en systematische catalogus. Tevens kan men deze digitaal raadplegen. In de Leeszaal bevindt zich de Indische collectie, te weten boeken betreffende de militaire en antropologiscge geschiedenis van het voormalig Nederlands-Indië uit de periode vanaf 1860. Deze zijn ter inzage en worden niet uitgeleend. Een speciale kast in de Leeszaal is bestemd voor boeken van de hand van en aangeboden door De Witteleden. Verder staan in de diverse kasten de complete series rode boekjes en almanakken van studentencorpora. Voor meer informatie kan men contact opnemen met de Bibliotheekcommissie, de heer drs. R.Wijnands’.  

Gebouw van Nieuwe of Litteraire sociëteit de Witte, Plein 24 Den Haag. Bibliotheek en leeszaal bevinden zich op de verdieping.

bibliotheekzaal van sociëteit de Witte

bibliotheek sociëteit de Witte, Den Haag

Sociëteitsleden in de bibliotheek

DE GROOTE SOCIëTEIT MAASTICHT

De Groote Sociëteit in Maastricht bij het Vrijthof omstreeks 1800

In 1760 is in Maastricht de ‘Groote Sociëteit’ opgericht. Het was vooral en ontmoetingsplaats voor officieren van het garnizoen en voorts magstraatsleden. Men kwam bij elkaar om te converseren, te drinken, te karten maar ook om te lezen. Binnen het culturele heven van de stad nam de sociëteit een voorname plaats in. Men beschikte over een beroemde leestafel. Alle goede kranten en tijdschriften uit West-Europa waren aanwezig. Het voorstel uit 1769 om de Encyclopédie van Diderot en d’Alembert aan te schaffen is echter pos in 1774 gehonoreerd.

 

Meisonnier

Gravure van Jean Louis Meisonnier: Diderot en zijn encyclopedisten aan het werk

 

Het gebouw bestond uit een grote zaal met leesruimte, een biljartkamer, een rookkamer. Bij het Beleg van Maastricht in 1794 is het gebouw ten gevolge van een bombardement door de Franse revolutionairen beschadigd. Voor het  herstel zijn boeken uit de bibliotheek verkocht. In 1796 is sprake geweest van opheffing van de Sociëteit, maar zover kwam het niet, in 1803 telde men alweer 66 leden en dat aantal nam nog toe, zich beperkend tot prominente burgers. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn de intussen weer aangevulde ‘groote’ bibliotheek door bezetters geroofd van oude boeken, evenals tijdschriften, dagbladen en schilderijen. De Groote Sociëteit bestaat nog altijd en sinds 1985 kunnen ook vrouwen lid worden. In 985 is het pand , een monument, gerestaureerd.

Entree van de huidige Groote Sociëteit. In 1960 verscheen bij het 200 jarig bestaan een gedenkboek, geschreven door Charles Thewissen.

 


Katholieke Vereeniging Amsterdam

Van 1873 tot circa 1906 heeft de ‘Katholieke Vereeniging’ met bibliotheek aan het Singel, op de hoek van het Koningsplein bestaan – op de plaats waar zich thans de UB Amsterdam bevindt. (berichtje van jaarvergadering uit Gooi- en Eemlander van 24-5-1905)

 

 

=

 

 

Óntwerp van Sociëteits- en bibliotheekgebouw der Katholieke Vereeniging te Amsterdam op de hoek van het Singel en het Koningsplein. De Katholieke Illustratie van 1877 bericht hierover dat de verening/sociëteit in 1873 is gesticht. ‘Het bestuur deed een beroep op zijne katholieke stadgenooten en zag zich weldra voor de som van ongeveer ƒ 60.000,- in het bezit van eenige perceelen op den Singel bij het Koningplein, genoegzaam midden in de stad Op het terrein dier thans gesloopte perceelen verrijst nu het sociëteitsgebouw der Katholieke Vereeniing, naar het plan van den bekwamen architect Th.Asseler. De herbouw, die in den zomer des vorigen jaars aanbesteed werd voor de som van ƒ 42.000,-, is aangelegd op twee verdiepingen, die bevatten: een sociëteitszaal,een bibliotheek en leeskamer, een gehoorzaal en een bestuurskamer. Het gebouw moet op 15 Juli des jaars (1877) voltooid zijn (…)’.