Tags

, , , , , , , , , ,

Bernard en Lili Vera Gutmann met hun honden, West Highland-terriërs,  in goede tijden in het park van Bosbeek. 10 maart 1931 verscheen in het Haarlem’s Dagblad een advertentie dat 2 Schotse terriërs waren weggelopen met het verzoek deze tegen beloning terug te brengen.

Christie’s has announced the restitution of Cranach the Elder’s portrait of the Elector of Saxony

Lucas Cranach the Elder’s Portrait of John Frederick 1, Elector of Saxony, called John Frederick the Maganimous, once part of Fritz Gutmann’s renowned art collection in the pre-war Netherlands. Missing for almost 80 years before its recent rediscovery in America, Christie’s is privileged to have facilitated the return of this important work to the Gutmann family. Cranach’s Portrait of John Frederick 1, Elector of Saxony will be presented in public exhibitions in Hong Kong (Marc 3–April 4) and New York leading up the Old Master’s auction on April 19, 2018 in Christie’s Rockefeller Galleries with an estimate of 1.000.000 – 2.000.000 dollar. 

ABOUT THE GUTMANN COLLECTION: Cranach’s Portrait of John Frederick ! had occupied pride of place in the Gutmann family estate ‘Bosbeek’ in Heemstede, Netherlands. It was last publicly displayed in Rotterdam in 1938, on loan from Fritz Gutmann to the Museum Boymans. Following the rise of Nazism and then the Occupation of the Netherlands in May 1940, the Gutmann collection was a particular focus of interest for the Nazi high command and theur agents. The Gutmann collection was comprehensively looted (confiscated and forcibly “sold” during the war), with many works acquired for Hitler and Goering. The family’s possession were scttered and tragically Fritz and his wife Louise were murdered in the concentration camps of Theresianstadt and Auschwitz respectively. While the path of this painting after 1940 is unknown, the quest to trace and recover it has been a cherished hope for two generations of Gutmann heirs. Simon Goodman, grandson of Fritz, has dedicated many years to researching the lost collection,, succesfully reclaiming many works for his fmily. Simon hs written of his expeiences in his acclaimed book “The Orpheus Clock: the search for my family’s art treasures stolen by the Nazis. 

ABOUT THE RETURN: Following an approach by persons in possession of the work, who acknowledged and addressed the losses suffered by the family at the hands of the Nazis, Christoe’facilitated a return to the Gutamann heirs.The return of the painting honors international initiatives to address the ungoing challange of Holocaust-era assets. [CHRISTIE’s, March 21, 2018 by Marion Maneker]

Lucas Cranach (Kronach 1473 – 1553 Weimar) Portrait of John Frederick 1, Elector of Saxony. Oil on painting will be auctioned by Christie’s April 19th 2018.

( Roofkunst duikt op in VS (Haarlems Dagblad, door Jap Timmers, 5 april 2018)

vervolg van Roofkunst duikt op in VS; door Jaap Timmers (Haarlems Dagblad, 5 april 2018). Wat de herkomst van het doek is bekend dat het in 1851 in bezit was in Weimar van Christian Wilhelm Schweitzer, Minister van Staat in het groothertogdom Saksen-Weimar-Eisenach (1843-1848). Omstreeks 1880 kwam het in eigendom van Joseph Neustätter in Wenen. Vervolgens in bezit van Galerie Hellbing in München tot het in 1922 door Fritz Gutmann is aangekocht via Kurt Bachstitz in Den Haag. Tijdens WO II kwam het onrechtmatig in handen van de nazi’s. Uiteindelijk is het ontdekt het in een particuliere collectie in de Verenigde Staten. Na onderzoek en overleg tussen verschillende partijen is het teruggegeven aan de erfgenamen Gutmann en wordt het schilderij op 19 april 2018 geveild bij Christie’s in New York.

Vooromslag van boek ‘Betwist Bezit; de Stichting Nederlands Kunstbezit en de teruggave van roofkunst na 1945’; door Eelke Muller en Helen Schretlen. (Zwolle, Wanders, 2002)

Achteromslag boek ‘Betwist Bezit”. De collectie Gutmann kom ter sprake op de pagina’s 43,52,54,132,133,164,175 en 177.

In voornoemd boek ‘Betwust Bezit’ wordt het volgende over de Gutmann-collectie geschreven: ‘(…) Terwijl Auwerbach zijn kunstwerken weer in bezit kreeg, was een vergelijkbare, maar veel omvangrijkere claim in 1949 door de SNK niet gehonoreerd. De claim betrof de collectie van Friedrich Bernhard Eugen Gutmann, een joodse bankier en verzamelaar uit Heemstede die tijdens de oorlog een grote hoeveelheid kunstschatten had verkocht aan twee Duitse firma’s. Na de bevrijding verzochten zijn erfgenamen om teruggave  van het uit Duitsland gerecupereerde deel van de verzameling. Zij voerden aan dat Gutmann de kunstwerken destijds had verkocht uit vrees voor confiscatie door de bezetter. In dit geval bleek de SNK niet bereid om minnelijk rechtsherstel te verlenen op basis van een ruime interpretatie van dwang. In april 1949 schreef de Stichting aan de gemachtigde van de erven: “M.i. zijn de gestes van de heer Gutmann niet zo evident onder dwang geschied, dat een uitspraak van Rechtsherstel rechter reeds van tevoren bekend zou zijn. Op grond daarvan ben ik verplicht U in overweging te geven zo spoedig mogelijk een Rechtsherstel-procedure aanhangig te naken. De erven Gutmann, zoon Bernard en dochter Lily, hebben de zaak niet ,ten rusten. Op 24 juni 1950 dienden zij, samen met het familiebedrijf Trust- en Administrtie Maatschappij N.V., een verzoekschrift in bij de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel. Hierin verklaarden zij dat Gutmann omstreeks maart 1941 een mondelinge overeenkomst had gesloten met de firma Haberstock voor de verkoop van een hoeveelheid schilderijen en kunstvoorwerpen. Hij zou dat hebben gedaan omdat hij “bevreesd’ was, dat hij door de bezettende macht zou worden gedwongen Huize Bosbeek, waar zijn kuntschatten zich bevonden, te verlaten, en zijn kunstbezit zou worden geconfiskeerd. Na deze eerste transactie besloot Gutmann in februari en maart 1942 contacten met de firma’s Julius Böhler en Haberstock voor de verkoop van een ander deel van de collectie. Ook deze overeenkomsten ging hij volgens zijn erven van uit vrees voor inbeslagname van zijn kunstverzameling. Gutmann was er van tevoren over ingelicht ‘dat er een verordening van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied werd voorbereid, op grond waarvan joden aan hen toebehorende kunstvoorwerpen bij een bezettingsinstantie zouden moeten inleveren”. Wat volgens de erfgenamen ook een rol had gespeeld, waren de pogingen van hun ouders om met toestemming van de bezetter naar Italië te reizen, waar ze door hun relaties op bescherming tegen de anti-joodse maatregeken van de nazi’s hoopten. De erven stelden “dat bij deze emigratie het gehele in Nederland aanwezige bezit van Gutmann zou worden geconfiskeerd en hij ook daarom door de omstandigheden van de bezetting tot een regeling resp. verkoop van zijn kunstschatten genoodzaakt werd”.  De transacties waarbij hun vader zijn kunstbezit had verkocht, waren volgens Bernhard en Lily Gutmann verricht “onder dwang, bedreiging en/of onbehoorlijke invloed van of vanwege de vijand”. De opzet om naar Italië te ontkomen was uiteindelijk op tragische wijze mislukt. Het echtpaar Gutmann had een uitreisvisum gekregen en vertrok in mei 1943 onder geleide van een SS-officier naar Berlijn. Daar bleek dat de Duitse instanties hen hadden misleid: ze mochten niet naar Italië doorreizen; maar werden naar het kamp Theresienstadt gedeporteerd. Hier is F.B.E.Gutmann aan mishandelingen bezweken. Zijn echtgenote kwam later in Auschwitz om. In een pleidooi voor de rechtsherstelrechter verzette de SKN zich ertegen, dat de naar Nederland gerecupereerde kunstwerken tegen betaling naar de erven Gutmann zouden terugkeren. Ten aanzien van de mondelinge overeenkomst die Gutmann omstreeks maart 1941 met Haberstock sloot, wees de Stichting erop “dat er in Maart 1941 nog geen sprake was van confiscatie van Joods vermogen, dat er zelfs nog geen Jodenverordeningen bestonden”. Bovendien had Gutmann al voor de oorlog enkele van de schilderijen aan een kunsthandelaar in Parijs in consignatie gegeven, wat volgens de SNK bevestigde dat er “sprake was geweest van een volkomen normale transactie en voor rechtsherstel bijgevolg niet de minste aanleiding bestaat’.  De contracten de Gutmann afsloot in het voorjaar van 1942, kwamen volgens de SNK evenmin voor nietigverklaring in aanmerking. Het was weliswaar aannemelijk dat Gutmann zich, gezien zijn joodse afkomst, in deze tijd bedreigd voelde en dat hij plannen maakte om naar Italië te ontkomen, maar de Stichting meende ‘dat deze omstandigheden niet medebrengen dat aan de erven rechtsherstel verleend behoorde te worden, wijl het tevens aannemelijk is, dat het initiatief tot de verkoop van Gutmann zelf is uitgegaan, voorts omdat de kopers zijn vertrouwen genoten en hem behoorlijk behandeld hebben”. De SNK stelde dat Haberstock en Böhler “volkomen normale transacties met Gutmann hebben gesloten, waarbij met diens belangen ten volle rekening gehouden werd en dat van op deze uitgeoefende dwang door Haberstock of Böhler geen sprake is geweest’. Dwang of vrijwillige verkoop; hoe oordeelde de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel hierover? In het vonnis van 1 juli 1952 werden de erfgenamen wat dit punt betreft in het ongelijk gesteld. De rechtsherstelrechter verwierp hun beroep op het “in art. 25 sub a van het Besluit E 100 uitgedrukte vermoeden…, nu van dwang, bedreiging of onbehoorlijke invloed, hetzij door de kopers, hetzij van andere zij door of vanwege de vijand op Gutmann uitgeoefend, niet is gebleken”.  Dit wilde echter allerminst zeggen dat de erven het proces hadden verloren. De afdeling Rechtsspraak liet zich bij haar eindoordeel namelijk leiden door de “omstandigheden, welke Gutmannn er toe gebracht hebben zich van zijn kunstverzameling en inboedel te ontdoen – omstandigheden, nauw verband houdende met de Duitse bezetting en bijgevolg als bijzondere omstandigheden in de zin van art. 23 van genoemd  Besluit aan te merken”.  Met het oog op deze omstandigheden achtte de afdeling Rechtspraak het redelijk om de erven rechtsherstel te verlenen. Hierbij werd irrelevant geacht of het initiatief tot de transacties al dan niet van Gutmann was uitgegaan en of de kopers zijn vertrouwen hadden  genoten en hem behoorlijk hadden behandeld. ook ten aanzien van de mondelinge overeenkomst van maart 1941 verwierp de afdeling rechtspraak de visie van de SNK. In deze periode had weliswaar nog geen confiscatie van joods vermogen plaatsgevonden, maar Gutmann wist al dat hij door de bezetter als jood werd beschouwd door verordening nr. 189/1940 van 22 oktober 1940 (hier werd een meldingsplicht opgelegd aan joodse ondernemingen en werd een omschrijving gegeven van de begrippen jood en joodse onderneming). De afdeling Rechtspraak vond het aannemelijk dat Gutmann, gezien zijn  voornemen naar Italië te reizen en met het voorbeeld voor ogen hoe het de joden in Duitsland was vergaan, bevreesd was geweest voor confiscatie van zijn bezittingen. Het was plausibel dat hij. onder invloed van die vrees, begonnen was zich te ontdoen van zijn kostbare kunstschatten. In verband met deze “bijzondere omstandigheden” achtte de afdeling Rechtspraak het redelijk de erven ook voor de mondelinge overeenkomst rechtsherstel te verlenen. Het feit dat Gutmann al voor de oorlog onder andere omstandigheden, enkele schilderijen in consignatie had gegeven, stond dit niet in de weg. 

Inktkoker met klok, circa 1750 (Uit: Betwist Bezit, 2002, pagina 174)

De afdeling Rechtspraak verklaarde alledrie de koopovereenkomsten nietig, en veroordeelde de SNK tot afgifte van de uit Duitsland teruggevoerde goederen uit de collectie Gutmann. De erven dienden hiervoor een evenredig deel van dedestijds betaalde tegenprestatie af te dragen, vermeerderd met de gemaakte kosten van recuperatie, bewaring en reparaties. De erven Gutmann hebben daarna op 27 september 1952 nog verzocht om een herziening van de uitspraak: ze voerden aan dat de koopsom tijdens de oorlog uit het familiebedrijf Trustenad was was verdwenen en niet en ten goede was gekomen. Dit verzoek om herziening is echter door de afdeling Rechtspraak afgewezen. In 1953 en begin 1954 onderhandelden de rechthebbenden met het ministerie van Financiën over de praktische uitvooering van het vonnis. Hierbij overlegden de erven onder meer een lijst met goederen die ze wilden terugkopen. In de loop van 1954 zijn vervolgens 19 schilderijen en 40 voorwerpen van toegepaste kunst teruggegeven, tegen betaling van de naoologse taxatiewaarde. In 1960 is daarna op verzoek van der erven nog een kroonluchter geresttueerd. Momenteel bevinden zich in de NK-collectie onder beheer van het Nederlandse Rijk nog negen schilderijen en een groot aantal voorwerpen van toegepaste kunst uit de collectie Gutmann. In 1999 heeft Nichk Goodman, een kleinzoon van de oorspronkelijke eigenaar, een claim op de NK-werken met herkomst Gutmann ingediend bij de Inspectie Cultuurbezit van het ministerie van O.,C. en W. Op advies van de Commissie Rsstitutieverzoeken Cultuurgoederen en de Tweede Wereldoorlog (de Restitutiecommissie) is dit verzoek om teruggave in mei 2002 door het ministerie gehonoreerd (…)’  [Eelke Muller en Helen Schretlen. Betwist Bezir; de Stichting Nederlands Kunstbezit en de teruggave van roofkunst na 1945′(Zwolle, Waanders, 2009, p.173-177].

 

De belangrijkste Duitse organisaties die tijdens de Tweede Wereldoorlog te maken hadden met kunstroof waren:

1. Diensstelle Mühlmann   Vernoemd naar dr. Kajetan Mühlmann (1898-1958) een Oostenrijkse kunsthistoricus die zich bij de SS aansloot en een voorname rol speelde bij de inbeslagname van kunst door de nazi’s. Eerst in Polen en vanaf 15 mei 1940 in Den Haag, door rijkscommissaris belast met het “aankopen” van kunstvoorwerpen, vooral afkomstig van joodse particulieren. Duizenden schilderijen en kunstvoorwerpen zijn door de Diensstellen al dan niet onder dwang aangekocht. Afnemers waren Hitler en Göring, maar ook andere Duitse particulieren, veilinghuizen en musea.

 

Rechts Kajetan Mülmann met Hans Frank, gouverneur-generaal van het Pools Generaal-Gouvernement van 1939-1945. Laatstgenoemde is in 1946 bij de processen in Neurenberg als oorlogsmisdadiger ter door veroordeeld. Mühlmann wordt algemeen beschouwd als 1 van de grootste kunstrovers niet slechts onder de nazi’s maar van alle tijden. Na de bevrijding is hij door de Amerikanen ingezet om kunst- en antiekvoorwerpen te identificeren. Februari 1948 werd hij ziek en in een Oostenrijks hospitaal opgenomen. Vandaar vluchtte hij, is in 1951-1952 in afwezigheid gevonnist vanwege hoogverraad en heeft men zijn kunstbezit geconfisqueerd. Toch wist hij nadien nog bij vrienden verborgen kunstschatten in Beieren te verkopen. Op 2 augustus 1958 overleed Mühlmann na een maagkankeroperatie in een Münchens ziekenhuis.

2. De bank Lippmann, Rosenthal & Co (Liro) Met roofbank aangeduid, in juli 1941 opgericht in de Sarphatistrat met als doel het orivé-vermogen van Joden te registreren en onder beheer te nemen, tenrindelijk uiiteindelijk te confisqueren. Per 30 juni 1942 moesten alle Joden hun kunstvoorwerpen en andere waardevolle voorwerpen, zoals goud en juwelen inleveren. De schilderijen werden “doorverkocht aan Göring of voor het te stichten Führermuseum in Linz, of op veilingen verkocht.

Drukbezochte veiling van in beslag genomen Joods bezit in De Brakke Grond te Amsterdam, in opdracht van De Sammelverwaltung feindlicher Hausgeräte,

3. Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR) Vernoemd naar nazi-ideoloog Alfred Ernst Rosenberg (1893-1946) Al in 1933 betrokken bij de openbare boekverbrandingen, richting het oosten in 1939 bij de vernietiging van de bibliotheek van de Lublin Yeshiva. De Einsatzstab RR was belast met de plundering van joodse archieven en bibliotheken in alle door Duitsland bezette gebieden en telde in 1943 zo’n 350 leden, die speciale uniformen droegen. Het hoofdkwatrier was in Berlijn gevestigd (in 1943 door geallieerde luchtbombardementen getroffen) en er waren 14 filialen, voornamelijk in Oost-Europa, maar ook in Hohnschwangau, Amsterdam en Brussel. In ons land werd de organisatie  ingeschakeld bij het leeghalen van woningen van gedeporteerde Joden, meermaals tot ontevredenheid van Mühlmann die dan achter het net viste. Depots van de roofkunst waren gevestigd in Slot Neuschwanstein, Kloster Banz (Oberfranken), slot Grossbrück (Nedersilezië), Hotel Annenheim in Sankt Andrä, Karinthië nabij Villach,  en het onteigende Slotklooster Tanzenberg in Karinthië, sinds 1942 opslagplaats voor geroofde boekenbestanden, bedoeld voor een op te richten bibliotheek van de ‘Hohen Schule der NSDAP’.  Bij het Neurenberg-proces in 1946 werd  Rosenberg, die zich verdedigde door te zeggen  dat de ergste misdaden door SS’rs buiten zijn medeweten  hadden plaatsgevonden, ter dood veroordeeld. In 1995 publiceerde Peter Manasse een boek ‘Verdwenen archieven en bibliotheken; de verrichtingen van de Einsatzstab Rosenberg gedurende de Tweede Wereldoorlog’.

Dr.Alfred Rosenberg in nazi-uniform. Op een vraag vóór de ophanging op 16 oktober 1946 of hij – in de nazi-periode nooit om woorden verlegen – nog enkele laatste woorden wilde uitspreken, antwoordde hij; ‘Nein!’.

4. Deutsche Revisions- und Treuhand Aktiengesellschaft (DRT). Deze had de bevoegdheid het beheer te voeren over de in Nederland aanwezige vijandelijke vermogens, waarmee personen, bedrijven en instellingen werden bedoeld die zich bevonden of gevestigd waren in landen waarmee Duitsland in oorlog was. Zowel inboedels als cultuurgoederen omvattende, in beslag genomen, verkocht of naar Duitsland overgebracht.

 

BIJ DE CHRISTIE’S VEILING IN NEW TORK HEEFT HET SCHILDERIJ EEN BEDRAG OPGEBRACHT VAN 7.735.000 dollar, ver boven eerdere schattingen.

Haarlems Dagblad, 21 april 2018

Simon Goodman over teruggave Cranach. Haarlems Dagblad, 10 april 2018

Catalogue exhition ‘Meesterwerken uit vier eeuwen 1400-1800’, in Museum Boymans Rotterdam 25 juni – 15 october 1938.

Page 20, picture nr.22 (Boymans-catalogue, 1938)

 

Fotokaart met afbeelding van Bosbeek als nieuwjaarskaart door Louise Gutmann-von Landau op 30 december 1927 verzonden naar professor Otto Lanz (in Zwitserland geboren chirurg en verzamelaar van vooral vroeg-Italiaanse kunst 1865-1935) in Amsterdam en doorgezonden naar Nice. Otto en Anna Lanz waren dierbare vrienden van het echtpaar Gutmann-von Landau.[Onlangs verworven via een veilingsite]

rape

In het boek ‘The Rape of Europe: the fate of Europe’s treasures in the Third Reich and the Second World War’ door Lyn H.Nicholas is  in 1994 voor het eerst uitvoerig geschreven over o.a. de Gutmann-collecties.

'Orpheus Clock', in 2015 te verschijnen boek over het onderzoek. Simon Goodman naar Duitse roofkunst afkomstig van zijn familie Gutmann, destijds woonachtig in het landhuis Bosbeek, Heemstede. Uitgave van Scribner, 352 pagina's. 28 dollar.

‘Orpheus Clock’, in juni 2015 te verschijnen boek over het onderzoek. Simon Goodman naar Duitse roofkunst afkomstig van zijn familie Gutmann, destijds woonachtig in het landhuis Bosbeek, Heemstede. Uitgave van Scribner, 368 pagina’s. 28 dollar.

The Orpheus Clock originally in the art and antiques collection of Fritz Gutmann in Bosbeek

The Orpheus Clock originally in the art and antiques collection of Fritz Gutmann in Bosbeek. A precious piece of art stolen by the nazis and found back in the Stuttgart Museum.

Simon Goodman: De wolven namen alles mee; op zoek naar door de nazi's geroofde kunsten van mijn familie. Amsterdam, Meulenhoff 2015 (Vertaling van 'The Orpheus clock')

Simon Goodman: De wolven namen alles mee; op zoek naar door de nazi’s geroofde kunsten van mijn familie. Amsterdam, Meulenhoff 2015 (Vertaling van ‘The Orpheus clock’)

De Gutmann familie: Eugen Gutmann (1840-1925) alsmede zonen Herbert Gutmann (1879-1942) en Fritz Gutmann (1886-1944) (Uit: Advies Restitutiecommissie, 2011)

Simon Goodman, auteur van 'The Orpheus Clock' (2015), thans ook in een Nederlandse vertaling verschenen.

Simon Goodman, auteur van ‘The Orpheus Clock’ (2015), thans ook in een Nederlandse vertaling verschenen.

‘Fritz Gutmann. een telg uit een rijk Duits-Joods bankiersgeslacht, beheerde voor de oorlog een Amsterdamse dependance van de Dresdner bank – opgericht door zijn vader Eigen Gutmann – aan de Gouden Bocht. Hij woonde met zijn gezin op het landgoed Bosbeek n Heemstede. Ze hadden een butler, een kok, een gouvernante, zeven dienstmeisjes en twee chauffeurs. Het huis stond vol kunst, dure meubels, tapijten, vazen, Chinees porselein en er hingen grote meesters aan de muren. Maar aan hun bekoorlijke leven kwam een einde toen op 10 mei 1940 de Duitsers Nederland binnen vielen. De nazi’s namen hun schitterende kunstcollectie in beslag. In ‘De wolven namen alles mee’ gaat kleinzoon Simon Goodman op zoek naar zijn bijzondere familiegeschiedenis. Als in 1944 zijn vader, de zoon van Fritz, overlijdt, blijkt uit zijn nagelaten papieren dat hij voor een groot deel van zijn leven bezig is geweest de door de nazi’s gestolen kunstcollectie van de familie weer bij elkaar te krijgen. Naast de verschrikkelijke lotgevallen van de familie beschrijft Goodman de geschiedenis van de enorme kunstcollectie. Hier ontpopt Goodman zich als een ware detective; hij gaat de wereld over en probeert op allerlei plekken belangrijke familiebezittingen terug te krijgen. Elk kunstwerk dat hij terugvindt, is voor hem een genoegdoening op de zo smadelijke geschiedenis’. 

HET TRIESTE LOT VAN DE JOODSE FAMILIE GUTMANN (BOSBEEK)

Bij de Joodse slachtoffers van de Holocaust behoren ook de volgende twee personen: 1) Friedrich (Fritz) Bernard Eugen Gutmann, geboren op 15-11-1886 in Berlijn, van 1924 tot 1943 woonachtig in Heemstede en op 30 april of 1 mei 1944 vermoord in Theresiënstadt, 2) zijn echtgenote baronesse Louise Gutmann-von Landau , geboren op 24 april 1892 in Berlijn en omgebracht juli 1944 in het vernietigingskamp Auschwitz. Bijgaand een beknopt levensoverzicht met dankzij beschikbare correspondentie van o.a. Lili Collas-Gutmann een uniek oogetuigeverslag over hun arrestatie op huize Bosbeek. Fritz Gutmann is in de Duitse hoofdstad geboren als zoon van Sophie Magnus en Eugen Gutmann (1840-1925) in 1872 oprichter van de Dresdner bank, die deze meer dan 40 jaar leidde en tot de tweede grootste van Duitsland uitgroeide, na 2008 deel uitmakend van de Commerzbank. Eugen Gutmann verzamelde een uitnemende collectie historisch Duitse Renaissance zilvervoorwerpen, o.a. de vermaarde 16e eeuwse Jamnitzer beker (1).

Portret van Eugen Gutmann, oprichter van de Dresdner Bank

Vooromslag catalogus ‘Die Kunstsammlung Eugen Gutmann’ von Otto von Falke’ (Berlin, 1912) UB-Heidelberg

Portret van Eugen Gutmann door Max Liebermann (1907)

Eugen Gutmann verzamelde antieke Duitse gouden en zilveren edelsmeedkunst o.a. van de kunstenaar Jamnzitzer. Deze verzameling ging grotendeels over naar zijn zoon Fritz in Heemstede. Bovenstaand de foto van een gouden snuifdoos met bloesemboeketten in email, vervaardigd door L.A.Clérin. (Rijksmuseum Amsterdam)

Eugen Gutmann verzamelde antieke Duitse gouden en zilveren edelsmeedkunst o.a. van de kunstenaar Jamnzitzer. Het beheer van deze verzameling ging grotendeels over naar zijn zoon Fritz in Heemstede. Bovenstaand de foto van een gouden snuifdoos met bloesemboeketten in émail, vervaardigd door de Fransman Lazare Antonie Clérin, 1851-1852 (Rijksmuseum Amsterdam)

Bos5

Majolica-bord met geschilderd portret van een jonge vrouw, Maria Bella, uit 1540, vervaardigd in Gubbio (Italië) was in bezit van Eugen en Fritz Gutmann. Claim van de erven Gutmann door de Restitutiecommissie afgewezen omdat men van mening is dat het bord door Fritz Gutmann is verkocht aan kunsthandel Bachstitz in Den Haag

Catalogus van de kunstcollectie van Eugen Gutmann, in 1912 vervaardigd door de Duitse kunsthistoricus Otto von Falke, die ook de kunst- en antiekcollectie van mw. Von Pannwitz catalogiseerde.

Scan1295

Overlijdensbericht Eugen Gutmann, op 86-jarige leeftijd overleden in 1925.

Overlijdensbericht Eugen Gutmann, op 86-jarige leeftijd overleden in 1925.

Gutmann1

Bericht van overlijden Eugen Gutmann (Uit Limburgsch Dagblad, 25-8-1925)

Eugen Gutmann die een Jood was bekeerde zich tot het protestantisme, niet zozeer uit overtuiging maar omdat Bismarck had gesuggereerd dat hij anders geen promotie kon maken. Van zijn kunstverzameling is in 1912 een catalogus samengesteld door kunsthistoricus Otto von Falke onder de titel: ‘Kunstsammlung Eugen Gutmann’. Dankzij Keizer Wilhelm kreeg hij de titel van baron en de belangrijke portretschilder Max Liebermann schilderde hem in 1907. Bij gelegenheid van het 130 jarig bestaan van de Dresdner Bank is in 2002 een ‘Eugen Gutmann Gesellschaft’ in het leven geroepen onder het motto “Zukunft braucht Erinnerung”.

Scan1325

 

Eugen Gutmann, zittend in het midden, omringd door familie. V.l.n.r. Lili Gutmann Orsini, Fritz Gutmann, vader Eugen Gutmann, Luca Orsini,  Herbert Gutmann (zoon van Eugen], Louise Gutmann-von Landau (echtenote van Fritz). Circa 1925 (foto uit boek Simon Gutmann)

 

Hieronder: foto uit circa 1890 van het hoofdkantoor van de Dresdner Bank in Berlijn, opgericht door Eugen Gutmann

 

 

Dresdner

Eugen

Vooraanzicht van het Eugen Gutmann Huis van de (nieuwe) Dresdner Bank, Pariser Platz, Berlijn, in 1997 gerealiseerd. De vooroorlogse bank werd in 2002 een dochterbedrijf van de (verzekerings)maatschappij Allianz en is vervolgens in 2008 verkocht aan de Commerzbank. Deze overname werd in 2009 definitief en de nieuwe bank telde toen meer dan 23.000 medewerkers en 910 kantoren.

briefhoofd

Briefhoofd/logo van in 2002 opgerichte Eugen-Gutmann-Gesellschaft

Bibliotheek/historisch archief van het Eugen Gutmann-Gesellschaft E.V. in Frankfurt am Main

Collas

Lili Collas Gutmann betreedt als eregaste op 12-6-2009 de grote zaal in het Sociëteitstheater in Dresden, vernoemd naar haar grootvader Eugen Gutmann (foto Eugen Gutmann Gesellschaft, Frankfurt)

Graf van Eugen Gutmann in Berlijn

Praalgraf van Eugen Gutmann in Berlijn dat ondanks enige beschadigingen door de nazi’s gespaard bleef

Grafmonument familie Gutmann op de begraafplaats van Berlijn-Wedding

Grafmonument familie Gutmann op de begraafplaats van Berlijn-Wedding

CLAIM VAN SIMON GOODMAN OM TERUGGAVE VAN 11 MAJOLICA SCHOTELS UIT DE VOORMALIGE  COLLECTIE VAN EUGEN GUTMANN / FRITS GUTMANN, VIA VERZEKERAAR-KUNSTVERZAMELAAR MR.J.W.FREDERIKS IN BEZIT GEKOMEN VAN MUSEUM BOYMANS VAN BEUNINGEN ROTTERDAM

Een van de geclaimde 11 schotels afkomstig van Eugen en Frits Gutmann in museum Boijmans, Rotterdam. Zouden in consignatie zijn gegeven aan kunsthandel van Kurt Walter Bachstitz. Vermeld in archief Bachstitz, inventariskaart 124, Den Haag (aanwezig bij RKD)

Museum Boymans schrijft op een site gewijd aan onduidelijke herkomst van een aantal kunstwerken in zijn bezit het volgende: ‘Sinds 1968 bevinden zich in Museum Boijmans Van Beuningen (eerst als bruikleen en sinds 1994 als schenking) elf Italiaanse majolica, daterend uit de eerste helft van de zestiende eeuw, uit de voormalige verzameling van de Duits-Joodse bankier Eugen Gutmann (1840-1925). De collectie van Eugen Gutmann. Zie: Otto von Falke, Die Kunstsammlung Eugen Gutmann. Berlin, 1912. Nummer 206.  kwam na zijn overlijden onverdeeld in gemeenschappelijk eigendom van zes kinderen waaronder zijn zoon F.B.E.Gutmann (Fritz) Gutmann (18886-1944) die de collectie beheerde. Fritz Gutmann (die vanaf 1924 de Nederlandse nationaliteit verkreeg) woonde met zijn gezin op het landgoed Huize Bosbeek bij Heemstede, waar ook hij een eigen omvangrijke kunstcollectie bijeenbracht. In 1941 en 1942 verkocht Fritz Gutmann objecten uit de collectie Eugen Gutmann en uit zijn eigen collectie aan diverse Duitse handelaren waaronder Karl Haberstock en Julius Böhler, om zijn vlucht met zijn echtgenote uit Nederland te bekostigen. In 1943 werden Fritz Gutmann en zijn echtgenote door de nazi’s opgepakt. Zij kwamen in concentratiekampen om het leven. Het is niet bekend of de elf stukken majolica eigendom waren van de erven Gutmann of van Fritz Gutmann en wanneer en op welke wijze ze van eigenaar zijn gewisseld. Uitgebreid herkomstonderzoek door het museum geeft geen uitsluitsel over de vraag van wie de stukken in de cruciale periode 1933-1945 waren. Vanaf 1955 waren in elk geval zeven en vermoedelijk alle schotels in het bezit van Mr.Johan Willem Frederiks (1889-1962), verzekeraar en kunstverzamelaar. Het is niet bekend waar en wanneer Frederiks de stukken verwierf. De elf stukken majolica werden in 1994 geschonken aan het museum als onderdeel van de collectie Frederiks (1889-1962). In oktober 2017 zijn de elf majolica schotels voorgelegd voor bindend advies bij de Restitutiecommissie’. 

 

Nog 1 van de 11 majolica schotels uit de collectie Gutmann in museum Boijmans van Beuningen Rotterdam

Een van de 11 majolica schotels, daterend uit de eerste helft van de 16e eeuw. Voormalig bezit van de familie Gutmann. Na de oorlog aangekocht door mr.J.W.Frederiks, en met andere kunstwerken, in 1968 als bruikleen en in 1994 geschonken  aan de stad Rotterdam, museum Boymans van Beuningen als onderdeel van de collectie mr.Johan Willem Frederiks (1889-1962).

========

Fritz Gutmann ontving zijn opleiding aan het Königliches Wilhelmgymnasium in zijn geboortestad en kwam vervolgens in het bankbedrijf. Zijn vader zond hem in 1914 naar Engeland gestuurd om een filiaal van de bank in Londen te leiden. Dat viel samen met de Eerste Wereldoorlog en als Duitser werd hij automatisch als mogelijke vijand beschouwd en op het eiland Man geïnterneerd. De Britse regering hield hier tussen 1914 en 1919 duizenden Duitse en Oostenrijkse burgers gevangen.

Onderstaand: huwelijksfoto van Fritz Gutmann en Louise von Landau, Baden Baden, 1913

huwelijjk

 

Louise Gutmann-von Landau (1892-1944) in 1919

Louise Gutmann-von Landau (1892-1944) in 1919

Zijn Joodse vrouw Louise von Landau afkomstig uit een adellijke bankiersfamilie in Silezië, met wie hij in 1913 was getrouwd, ging met de op 24 augustus 1914 in Surrey geboren zoon Bernard Eugen terug naar Duitsland. Begin 1918 is Fritz Gutmann als krijgsgevangene naar Noordwijk uitgewisseld, waar hij met zijn echtgenote en zoontje werd verenigd. Na de oorlog bleef hij met zijn vrouw en kind in ons land, in 1924 tot Nederlander genaturaliseerd. Op 17 juli 1919 is dochter Lili Vera in Leiden geboren.

 

Fritz Gutmann met zijn zoon Bernard  (foto Atelier Merkelbach), 1923

Lili

Kinderfoto van Lili en Bernard Gutmann (familiefoto)

F.B.E.Gutmann en zoon Bernard (Atelier Merkelbach, Stadsarchief Amsterdam)

F.B.E.Gutmann en zoon Bernard (Atelier Merkelbach, Stadsarchief Amsterdam), 1923

Lili Vera Gutmann (Atelier Merkelbach, Stadsarchief Amsterdam)

Lili Vera Gutmann (Atelier Merkelbach, Stadsarchief Amsterdam)

Bernhard Gutmann (Atelier Merkelbach, Stadsarchief Amsterdam)

Bernard Gutmann (Atelier Merkelbach, Stadsarchief Amsterdam)

ddd_010009901_mpeg21_p004_image

Advertentie uit het Vaderland van 12 september 1925

Mevrouw Louise Gutmann-von Landau met zoon Bernard en dochter Lili in 1919 (foto Atelier Merkelbach)

Kraamzuster met Lili Gutmann op de arm (1919 atelier Jacob Merkelbach, Amsterdam)

Bernard Gutmann. Foto: Atelier Jacob Merkelbach

Bernard Gutmann in matrozenpakje. Atelier Jacob Merkelbach, 1923

Lili Gutmann in 1923 (Atelier Jacob Merkelbach)

Gutt1

Bernard en Lili Gutmann (atelier Merkelbach, Stadsarchief Amsterdam)

Gutt2

Nog een foto van Lili en broer Bernard Gutmann (Merkelbach Atelier, Stadsarchief Amsterdam)

Aanmeldingslijst 10 februari 1941 waarbij alle in Heemstede woonachtige Joden (ook halfjoden) zich moesten melden in het raadhuis van Heemstede. Daaronder F.B.E.Gutmann evenals zijn echtgenote Louise von Landau, geboren in 1892. Ook Harry Mulisch (met een joodse moeder) komt op de lijst voor. Enkel Catalina von Pannwitz-Roth van joodse afkomst en haar dochter Ursula (met een joodse moeder en een arische vader) was van aanmelding vrijgesteld. In totaal bevat de lijst 323 namen. Zes personen waren vanwege onvermogen vrijgesteld om leges te betalen, zijnde 1 gulden per persoon [= 9 tot 10 euro in huidige waarde omgerekend]. Per 25 maart 1942 is de Jodenvervolging in ons land definitief een feit geworden. Na de registratie  mochten joden geen goederen meer uit hun huizen halen en over hun tegoeden bij banken beschikken. Per 29 april 1942 moesten Joden op hun overkleding zichtbaar een Joden- of Davidster dragen. 6 mei 1942 werden de in Heemstede (en elders in Kuststreek) wonende Joden met de Nederlandse nationaliteit naar Amsterdam geëvacueerd als onderdeel van hun deporatie via doorgangskamp Westerbork naar de Duitse vernietigingskampen. Op 16 1942 september zijn door de Sicherheitspolizei de buitenlandse Joden gearresteerd. Eind juli, begin augustus  1942 hadden nog de families Loeb, Leefman, Beent, Sephos, Kaufmann, Franco, Dias Santilhano en GUTMANN van Bosbeek uitstel gekregen. 26 mei 1943 is  het echtpaar Gutmann met een Mercedes door  SS Untersturmbannführer Werner in aanwezigheid van J.E.Westerbeek die voor de Familie Trust was ingehuurd opgehaald en via Hollands Spoor in Den Haag naar Berlijn op de trein gezet. Op 24 juni 1943 informeerde de Sipo bij de politie Heemstede naar de sleutel van het verzegelde perceel Glipperweg 91 (Bosbeek).  Op 2 juni 1945 hebben de (laatste) Duitsers het huis ‘Bosbeek’ verlaten (1) en in verwaarloosde toestand achtergelaten. Bij de politie kwam een klacht binnen dat goederen van de Gutmann worden weggehaald. Wand- en plafondschilderingen zijn verdwenen. [later bleek dat deze door de heer J.E. Westerbeek, een Amsterdamse jurist  die de familie en firma Gutmann  vertegenwoordigde in de kelder  waren opgeborgen.  Simon Goodman schrijft in zijn monografie dat Westerbeek de plafondschildering van Jacob de Wit heeft aangeboden aan Görings kunstagent dr. Erhard Göpel (2) voor 50.000 gulden. ‘maar voor de koop kon worden gesloten, werd het hele landgoed Bosbeek gevorderd door de Nederlandse Volksdienst, de lokale tak van de Nazionalsozialistische Volkswohlfahrt – een afdeling van de NSDAP). Bijna direct viel het een hogere beambte van de NSV op dat de plafondschildering weg was en kreeg Westerbeek opdracht het doek terug te plaatsen. Maar de gewone spullen uit het huishouden – keukentafels, potten en pannen, dagelijkse gebruiksapparaten, het beddengoed en de kleren die mijn gootouders hadden achtergelaten – waren door de sprinkhanen allemaal ingepikt’.  

(1) Deze Duitse soldaten die in Heemstede waren gelegerd zijn niet direct door de geallieerden afgevoerd omdat zij de manschappen moesten leveren voor het opruimen van landmijnen, tankversperringen en andere verdedigingswerken in de omgeving.

(2) Feitelijk werkte dr. Erhard Göpel als kunstagent ‘Sonderauftrag Linz’ voor het Führermuseum van Hitler in Linz

 

2086ba2c-ad81-8833-a98e-559a7ef30e08

Het echtpaar Gutmann had Duits maar voornamelijk Nederlands personeel in dienst (advertentie uit het Haarlem’s Dagblad van 17 januari 1941)

Bericht uit Italië, gedateerd 12 maart 1943, over een gunstige beschikking van de Duce voor het echtpaar Gutmann om zich in Italië te vestigen (boek Simon Goodman, pagina 159)

Schrijven van 11 juni 1942, ondertekend door Reichsfürer SS Heinrich Himmler, dat het echtpaar gevrijwaard is van arrestatie. Vanuit Heemstede gereisd naar Berlijn om via Wenen verder te reizen naar hun dochter in Florence, die 28 me1 1942 tevergeefs op hun aankomst op het station wachtte,  is het paar door de Gestapo aangehouden en naar kamp Theresienstadt overgebracht. Eerder had Himmler in een brief van 31 maart 2942 aan de Italiaanse ambassadeur laten weten ‘dat tegen de Jood en Nederlands staatsburger, woonachtig in Heemstede bij Den Haag, Glipperweg 91, niets is ondernomen. Ik heb in overeenstemming met uw wens mijn bureau in Den Haag opdracht laten geven, Gutmann in zijn woning te laten en zowel hem als zijn vrouw van algemene maatregelen van de veiligheidspolitie uit te zonderen’. Na de Bevrijding bleek dat op 1 mei 1944 Friedrich Bernhard Eugen Gutmann op 57 jarige leeftijd is omgebracht en zijn echtgenote Louise Gutmann-Von Landau, 52 jaar,  ?juli 1944 in Auschwitz is vermoord.  (Brief gepubliceerd in: Simon Goodman, De wolven namen alles mee, pagina  224)

826231e3-5c4f-d4de-ff91-e0291e54f488

September 1945 verscheen bovenstaande oproep in de pers (Haarlem’s Dagblad, 26-9-1945)

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De houten garage van Bosbeek. Privé-chauffeur was de heer H.Leloux, die met zijn gezin in de dienstwoning Glipperweg 91c woonde.

Scan1357

Baronesse Louise Gutmann-von Landau in een de La Salle-cabrio uit 1927  op Bosbeek, Heemstede (Simon Goodman monografie)

Advertentie uit het Algemeen Dagblad van 12 september 1925

Advertentie uit het Algemeen Dagblad van 12 september 1925 waarin mevrouw L. Gutmann-von Landau een gouvernante vraagt voor zoon Bernard (Algemeen Dagblad, 12-9-1925)

Melding van huwelijk Lili Gutmann in Florence (Het Vaderland, 13-9-1938), in welke plaats zij nog altijd woont.

Melding van huwelijk Lili Gutmann in Florence met Lorenzo Bosi (Het Vaderland, 13-9-1938), in welke plaats zij nog altijd woont.

Sinds haar huwelijk in 1938 is Lili Gutmann in Italië woonachtig.

Over Thekla von Landau, de moeder van de echtgenote van Frits Gutmann, baronesse Louise von Landau schrift Simon Goodman in zijn boek op pagina122 :  ‘(…) Nederland had nu weer meer, dan weer minder Duitse Joden toegelaten, maar na de Kristallnacht mochten er ongeveer zevenduizend Joden het land in, die zich bij de vijfentwintigduizend al aanwezige Duitse Joden voegden. Onder hen was Louises moeder Thekla, die bij haar dochter op Bosbeek introk. Verder kwam Louises achterneef Franz Ledermann, een Joodse advocaat uit Berlijn  naar Nederland. Ze gingen in Amsterdam wonen waar hun tienjarig dochtertje Susi een van de beste vriendinnetjes van een ander Duits-Joods meisje werd, Anne Frank. Elke dag speelden de meisjes na schooltijd verstoppertje. In de weekenden luisterden de Franks en  de Ledermann in het overvolle appartement van de laatsten bij de thee naar kamermuziek. Immigranten zonder familie of geldmiddelen werden ondergebracht in een vluchtelingenlamp in Westerbork, waar hun verblijf werd betaald door het Nederlands Comité voor Joodse Belangen, waaraan Fritz en Louise substantiële bijdragen gaven (…) 

Thekla von Landau, geboren 24-12-1861 in Breslau en 3-9-1940 overleden in Heemstede (genealogie Simon Goodman)

Begin september 1940 is haar grootmoeder baronesse Thekla von Landau op Bosbeek een natuurlijke dood overleden en op de Algemene Begraafplaats ter aarde besteld [locatie H-019H].

 

Familiebericht in Algemeen Dagblad van 4 september 1940

Familiebericht in Algemeen Dagblad van 4 september 1940. Tevens verschenen in  het Haarlems Dagblad en De Telegraaf.

Oproep van  mw.Gutmann-von Landau in het Algemeen Handelsblad van 12 september 1925

Vermissing van Schotse terriërs op Bosbeek (De Telegraaf, 17-3-1931)

(Eerste Heemsteedsche Courant, 5 juni 1936)

Eerste Heemsteedsche Courant, 1 juni 1939)

Jeugdkerkdienst op Bosbeek (De Telegraaf, 24-6-1941)

Bosbeek in Heemstede

Eerst als vertegenwoordiger van een filiaal van de Dresdner Bank in Amsterdam richtte Fritz Gutmann met E.P.C.H.Proehl in 1919 een eigen bankfirma op [Proehl & Gutmann], gericht op de internationale handel en zich bezighoudend met accept- en krediet-transacties, in samenwerking met de Nederlandse banken. De onderneming die in ruime mate meewerkte aan het emissiebedrijf is op 1 januari 1921 omgezet in een commandite der Dresdner Bank.

E.P.C.H.Proehl is in 1885 geboren in Hamburhg. Hijzelf niet, maar zijn echtgenote Julia Ilse Schwarz (in 1883 in Oostenrijk geboren) was van Joodse afkomst. Het echtpaar had twee kinderen. Met Fritz Gutmann richtte hij in Amsterdam de bank Proehl & Gutmann op met steun van de Dresdner Bank in Berlijn. In 1934 is deze bankinstelling opgeheven en werkte hij samen met de door zijn zoon opgerichte financiële instelling Proehl & Co. Hij was evenals Gutmann kunstverzamelaar. [Zie ook verslag Resitutiecommissie]. In 1944 is Proehl door de Duitse bezetters gearresteerd en kwam hij als politiek gevangene via Vught in Sachsenhausen-Oranienburg terecht. Na de bevrijding keerde hij terug in Amsterdam. Bovenstaande gescande levensbeschrijving uit: Persoonlijkheden in het koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (1938).

E.P.C.Heinrich Proehl is in 1885 geboren in Hamburg. Hijzelf niet, maar zijn echtgenote Julia Ilse Schwarz (in 1883 in Oostenrijk geboren) was van Joodse afkomst. Het echtpaar had twee kinderen. Hij is in 1916 met zijn gezin verhuisd naar Nederland en verkreeg een jaar later als Fritz Gutmann in 1925 de Nederlandse nationaliteit. Samen met Fritz Gutmann richtte hij in Amsterdam in 1920 de bank Proehl & Gutmann op waarin de Dresdner Bank in Berlijn. een belang had. Eind 1933, begin 1934 is deze bankinstelling opgeheven, enerzijds vanwege de economische crisis, maar mede vanwege de anti-joodse maatregelen die in Duitsland tegen de Dresdner bank werden getroffen.  Sindsdien werkte hij samen met de door zijn zoon Ernst Walter Proehl opgerichte financiële instelling Proehl & Co. Hij was evenals Gutmann kunstverzamelaar. [Zie ook verslag Resitutiecommissie]. In 1944 is Proehl door de Duitse bezetters gearresteerd en kwam hij als politiek gevangene via Vught in Sachsenhausen-Oranienburg terecht. Na de bevrijding keerde hij terug in Amsterdam. Bovenstaande gescande levensbeschrijving uit: Persoonlijkheden in het koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (1938).

Proehl

Portretfoto van Fritz Gutmann’s collega bankier Ernst Paul Caesar Heinrich Proehl (Merkelbach atelier, Stadsarchief Amsterdam)

bank

De bank Proehl & Gutmann, Herengracht 134-136, destijds gevestigd in een omstreeks 1750  in opdracht  van de familie Van Beeck gebouwd grachtenpand. Tegenwoordig Rijksmonument

Ook Ernst Proehl (1885-1973), collega bankier van Fritz Gutmann, was  geïnspireerd door de chirurg-kunstkenner dr.Otto Lanz tot het verzamelen van vroege Italiaanse kunst. Onderstaand een fraai schilderij uit Proehl’s collectie van Carlo Crivelli. Proehl, fel anti-nazi,  was weliswaar arisch, maar zijn vrouw Joods Vanwege de Duitse bezetting was hij genoodzaakt kunstwerken te verkopen. In 2009 is na een claim van enkele nazaten een gunstig advies van de Restitutiecommissie een schilderij van Prometheus uit het atelier van P.P.Rubens aan de erven teruggegeven.

Proehl1

 

Herengracht 501.jpg

Het kantoorbankgebouw Van Gutmann vanaf 1934 aan de Herengracht in Amsterdam

In 1928 zijn o.a. de heren E.P.C.H.Proehl en F.B.E.Gutmann benoemd tot commissarsisen van de opgerichte Maatschappij tot financiering van elektrische ondernemingen (De Telegraaf, 11 december 1928):

ddd_110566198_mpeg21_p014_image

In 1923 verbouwde ade Duitse architect H.C.Berchtenbreiter voor de fianciële handelsfirma Pröhl en Gutmann in Amsterdam het pand Keizersgracht 569, verenigd met nummer 571.

In 1923 verbouwde de Duitse architect Hanns Carl Berchtenbreiter, die in de jaren 20 van de vorige eeuw kantoor hield in Amsterdam, Herengracht 134, voor de bancaire handelsfirma Pröhl en Gutmann in Amsterdam het pand Keizersgracht 569, verenigd met nummer 571.

Tekening Kerziersgracht 569-573 ontwoipen door Caspar Philips. In 1923 verbouwd voor Pröhl en Gutmann door H.C.Berchtenbreiter.

Tekening Kerziersgracht 569-573 ontworpen door Caspar Philips. In 1923 verbouwd en van een neogotische voorgevel voorzien voor Pröhl en Gutmann door H.C.Berchtenbreiter.

In verband met met de in 1931 in Duitsland gerezen bankmoeilijkheden is per ultimo 1933 tot liquidatie der firma Proehl & Gutmann besloten en sinds 1934 was Fritz Gutmann enig deelgenoot in de firma F.Gutmann, gevestigd aan de Herengracht. Vijf jaar eerder was Gutmann als lid van de Vereeniging voor den Effectenhandel aan de Amsterdamse Beurs toegelaten. Gutmann liet in 1938 in het biografisch woordenboek ‘Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld’ zijn grote belangstelling voor antiquiteiten, i.z. oude schilderijen opnemen, evenals het feit dat hij drager was van het kruis van verdienste 2e klasse van het Duitse Rode Kruis.

Gutmann, Fritz Bernard Eugen – Bankier – Op 15 November 1886 te Berlijn geboren – Vader: Geh. Kommerzienrat Eugen Gutmann, oprichter der Dresdner Bank, geboren 24 Juni 1841…

vervolg uit Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld.1938:Scan1351

Portret van Louise Gutmann, Baronesse von Landau door Man Ray, Parijs 1936

 

Portret van Fritz Gutmann door Man Ray, Parijs 1936

Na de vlucht van keizer Wilhelm II naar Nederland behartigde Gutmann diens financiële belangen. Mede dankzij een kolossale erfenis was hij vermogend en werd in 1924 het buiten Bosbeek te Heemstede aangekocht van papierfabrikant P.Smidt van Gelder.

1c0bb225-23fe-1386-9508-21122285d84a

Jaarlijks stelde de heer Gutmann tot en met 1940 zijn landgoed ter beschikking voor een jeugdkerkdienst in de open lucht (Eerste Heemsteedsche Courant 5 juni 1936)

================================================

24c3522f-015f-b33c-53e7-aa6daaab23f7

Bosbeek te koop aangeboden. Bericht uit het Haarlem’s Dagblad van 24 februari 1950

24c3522f-015f-b33c-53e7-aa6daaab23f7 (1)

Haarlem’s Dagblad van 24-20-1950

bbf2a056-dab3-5b9e-b1fd-0bc2358e248b

Advertentie landgoed Bosbeek te koop uit Het Haarlem’s Dagblad van 25 februari 1950. Na in gebruik te zijn geweest (1949-1950) bij de Broeders van Onze Lieve Vrouw van Lourdes voor de verpleging van psychiatrische patiënten is Bosbeek angekocht door Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid (Sint Hiëronymus Aemilianusstichting).

Bericht over verkoop kunstverzameling Eigen Gutmann uit het Algemeen Handelsblad van 9-10-1950. Uiteindelijk zou het nog meer dan een halve eeuw durenvoordat de collectie vrijkwam om door de nazaten te worden geveild

In 2015 verscheen het boek ‘The Orpheus Clock; the search for my family’s treasures stolen by the nazis’, geschreven door de in de Verenigde Staten woonachtige kleinzoon van Fritz Gutman: Simon Goodman. Uitgegeven door Scribner, imprint of Simon & Schuster, Inc.

De Nederlandse vertaling onder de titel: ‘De wolven namen alles mee. Amsterdam, door Simon Goodman. Amsterdam, Meulenhoff, 2015.

Tekst op achteromslag van het boek ‘De wolven namen alles mee; op zoek naar de door de nazi’s geroofde kunstverzameling van mijn familie’.

Fragmentgenealogie Gutmann. Uit: Simon Goodman, De wolven namen alles mee. 2015, pagina’s 48-49

Intermezzo: de collectie van Fritz’ broer Herbert Gutmann (1879-1942)

Een zoon van Eugen Gutmann en broer van Fritz Gutmann was Herbert (Maximilian) Gutmann (1879-1942). Bankier en ook verzamelaar van (Islamitische) kunst. Hij week uit naar Engeland waar hij op 22 december 1942 na een ongeneeslijke ziekte overleed in Paignton. Op deze foto zit hij in het midden naast links de Italiaanse ambassadeur Orsini-Baroni in hotel 'Esplanade' in Berlijn (1930).

Een zoon van Eugen Gutmann en broer van Fritz Gutmann was Herbert (Maximilian) Gutmann (1879-1942). Bankier en ook verzamelaar van (Islamitische) kunst. Hij week uit naar Engeland waar hij op 22 december 1942 na een ongeneeslijke ziekte overleed in Paington. Op bovenstaande foto zit hij in het midden naast links de Italiaanse ambassadeur Orsini-Baroni in hotel ‘Esplanade’ (1930).

Villa 'Herbertshof', in 1913 gebouwd in opdracht van Herbert M.Gutmann, bedoeld als zomerverblijf in Potsdam en tussen 1919 en 1926 uitgebreid (foto Sebastian Berlin, 2010).

Villa ‘Herbertshof’, in 1913 gebouwd in opdracht van Herbert M.Gutmann, bedoeld als zomerverblijf in Potsdam en tussen 1919 en 1926 uitgebreid (foto Sebastian Berlin, 2010). Tot regelmatige bezoekers behoorden ook de prinsen Aschwin en Bernhard von Lippe-Biesterfeld. Vorstelijke gasten waren o.a. de koningen Gustaaf, Fuad en Faisal van respectievelijk Zweden, Egypte en Irak.

Scan1356

Links de prinsen Aschwin en Bernhard von Lippe-Biesterfeld. Vooral Aschwin was een huisvriend van de Gutmanns. Rechts: een NSNAP-pamflet verschenen voorafgaand aan de parlementsverkiezingen van november 1932. Bevat karikaturen van Joodse magnaten, meest links  de karikatuur van bankier Herbert Gutmann. (Uit: Annejet van der Zijl, Bernhard – een verborgen geschiedenis, 2010, pagina 193)

Ui

Ui”: Herbert M.Gutmann und der Golf- und Land-Club Berlin-Wannsee.

Het terras van de door Gutmann opgerichte eerste Duitse golfclub aan de Wannsee. V.l.n.r.: Herbert Gutmann, de Egyptische polospeler Saïd Bey, Daisy Gutmann en de Duitse staatsman en winnaar in 1926 van de Nobelprijs voor de Vrede Gustav Stresemann, enkele weken voor zijn overlijden in 1929. (foto uit: Annejet van der Zijl, Bernhard een verborgen geschiedenis).

Het terras van de door Gutmann opgerichte eerste Duitse golfclub aan de Wannsee. V.l.n.r.: Herbert Gutmann, de Egyptische polospeler Saïd Bey, Daisy Gutmann en de Duitse staatsman en winnaar in 1926 van de Nobelprijs voor de Vrede Gustav Stresemann, enkele weken voor zijn overlijden in 1929. (foto uit: Annejet van der Zijl, Bernhard een verborgen geschiedenis).

Voorzijde veilingcatalogus Herbert M.Gutmann

Voorzijde veilingcatalogus Herbert M.Gutmann geveild bij de Joodse kunsthandelaar Paul Graupe die vanwege het naziregime in 1936 naar Parijs uitweek en aldaar een kunsthandel begon

Biografie Paul Graupe (1881-1953); ein Berliner Kunsthändler zwischen Republik, Nationalsozialismus und Exil. Von Patrick Golema, Kristina Kratz-Kessemeyer und Isabelle le Masne de Chermont

Vooromslag van door Vivian J.

Vooromslag van door Vivian J.Rheinheimer over H.M.Gutmann gepubliceerde monografie. O.a. in 2009 is het schilderij ‘Pappenheimers Tod’ uit het Wien Museum aan de erfgenamen van Herbert Gutmann gerestitueerd en in 2010 een door Franz von Lenbach geschilderd portret van Bismarck.  Herbert Gutmann werd door de nazi’s als symbool gezien van het ‘verjoodste bankwezen’. Na in april 1944 zijn rijke kunstverzameling te hebben geveild is hij 30 juni van dat jaar gearresteerd en enige dagen vastgehouden. In 1936 week hij uit naar Engeland.

Voorbeeld van 18e eeuws Meissen-bord in het Rijksmuseum Amsterdam

Voorbeeld van 18e eeuws Meissen-bord in het Rijksmuseum Amsterdam. Andere delen van het servies kwamen terecht in Paleis Het Loo, het Streekmuseum van Tiel, het Historisch Museum in Deventer en het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen.

Volstrekt onjuiste informatie over mogelijke roofkunst ten aanzien van Friedrich Gutmann in Heemstede, moet zijn Herbert Gutmann in Berlijn (Haarlems Dagblad 15 mei 2014). De journalist geattendeerd op gemaakte vergissingen, maar een rectificatie bleef uit.

Artikel 'Geroofd Meissen-servies Gutmann nog niet opgeëist' uit het Haarlems Dagblad van 21 augustus 2014

Artikel ‘Geroofd Meissen-servies Gutmann nog niet opgeëist’ uit het Haarlems Dagblad van 21 augustus 2014

Nicholas Purdeck, kleinzoon van Herbert M.Gutmann sprak in 2009 in het 'Wien Museum' over het gerestitueerde schilderij 'Pappenheim's Dood' door Hans Makart (1840-1884).

Nicholas Purdeck, kleinzoon van Herbert M.Gutmann sprak in 2009 in het ‘Wien Museum’ over het gerestitueerde schilderij ‘Pappenheim’s Dood’ door Hans Makart (1840-1884).

Herbert Gutmann bezat naast talrijke andere kunstwerken over deze schets van P.P.Rubens. Deze is in 1934 bij Graupe veiling verkocht. De Oostenrijkse autoriteiten waren van mening dat deze en andere schilderijen verkocht bij Graupe als 'roofkunst' aan de erven van H.Gutmann zouden moeten teruggegeven. De Britse restitutiecommissie wees de claim van de kleinkinderen om diverse redenen af, o.a. omdat Gutmann voor het werk bij de veiling 1.100 Rijksmark heeft ontvangen, ruim boven de toenmalige raming van 5.000 mark.

Herbert Gutmann bezat naast talrijke andere kunstwerken deze schets van P.P.Rubens. Deze is in 1934 bij Graupe veilingen verkocht. De Oostenrijkse autoriteiten waren van mening dat deze en andere schilderijen verkocht bij Graupe als ‘roofkunst’ aan de erven van H.Gutmann zouden moeten teruggegeven. De Britse restitutiecommissie wees de claim van de kleinkinderen om diverse redenen af, o.a. omdat Gutmann voor het werk bij de veiling 8.100 Rijksmark heeft ontvangen, ruim boven de raming van 5.000 Mark. In april 1934 heeft min of meer onder druk van de nazi’s onder leiding van Paul Graupe in Berlijn een veiling plaatsgevonden met kunstvoorwerpen en antiek uit het bezit van Herbert M.Gutmann, voornamelijk schilderijen, meubels en zilverwerk. Tevens enkele borden en kommen van een oorspronkelijk 435-delig in opdracht van de VOC in Meissen vervaardigd servies voor stadhouder Willem V met Hollandse motieven zoals stadsgezichten en heraldische wapens.

‘Fout’ Meissen servies Juliana terug naar eigenaar. (Haarlems Dagblad, 7-1-2020). Again mentioning Heemstede in this connection is wrong!

Zuiderzeemuseum ‘aan de zijlijn’ bij nazi-roofkunst (Haarlems Dagblad, 8 januari 2020)

Vervolg van: Zuiderzeemuseum ‘aan de zijlijn’ bij nazi-roofkunst (Haarlems Dagblad, 8 januari 2020)

==================================================

Eugen Gutmann en echtgenote Sophie Mangus kregen zeven kinderen: Walter, Lili, Toinon, Herbert, Kurt, Max en Fritz. Teneinde de zakelijke belangen van de erfgenamen te behartigen is in 1921 de N.V.Trust & Administratie Maatschappij opgericht (Trustenad). Ondanks het feit dat hij jongste zoon was kreeg Fritz Gutmann het beheer van de kunstcollectie van zijn vader. Naast succesvol zakenman ontwikkelde hij zich tot een groot collectioneur van kunstwerken en antiquiteiten, van o.a. schilderijen uit de Gouden Eeuw en het Impressionisme. Daarvoor maakte hij behalve zakelijk ook privé reizen naar de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk. Eén van zijn topstukken was het portret van Isaac Abrahamsz Massa door Frans Hals, tegenwoordig in bezit van Fine Arts Gallery in San Diego, in 1937 bij gelegenheid van het 75 jarig bestaan van het Frans Hals Museum daar voor het laatst als bruikleen tentoongesteld.

=====================================================

ddd_010658123_mpeg21_p009_image

Eind 1926 had een expositie plaats in het Frans Hals Museum te Haarlem met schilderijen van Franz Koenigs (Florapark Haarlem), mw. Cat. von Pannwitz van de Hartekamp en F.B.E.Gutmann, Bosbeek, o.a. ‘de verzoeking van de heilige Antonius’, toegeschreven aan Hiëronymus Bosch. [dat vervolgens  in 1939 op de New York World’s Fair in bruikleen is tentoongesteld] (Algemeen Handelsblad, 19-12-1926).

Scan0003

Van de Bosbeek-collectie Gutmann zijn allerlei lijsten gemaakt. Bovenstaand 1 pagina van 10 van de verzameling 19 mei 1942 vanuit Amsterdam vertrokken en circa 15 juni aangekomen bij de nazi-kunsthandelaar Julius Böhler in München.

Bosbeek1

Lijst van schilderijen enz. die zich op 10 mei 1940 te Huize Bosbeek, Heemstede bij Haarlem bevonden (Gutmann)  (1) NUMMER 6: portret van de markgraaf van Saksen door Lucas Cranach wordt 19 april 2018 geveild bij Christie’s  in New York

Bosbeek2

Vervolg lijst van 10 mei 1940.

In Heemstede-collectie van het Noord-Hollands Archief zijn verder de volgende inventarislijsten van Bosbeek (collectie Gutmann) aanwezig: 3) Collection Gutmann (Inventory 1). Lijst A. bevat 200 nummers; 4) zilververzameling Eugen Gutmann (245 nummers); 5) collectie Gutmann lijst B42  182 nummers; 6) Gutmann lijst 9 pagina’s  218 nummers; 7) Aenderung und Ergaenzung 1 pagina; 8) List of Pictures belonging to Fritz B.Gutmann (23-10-1945) 23 nummers.

 

Portret van nazi-bankier en kunstambtenaar voor Goering Alois Miedl (1903-1990),die zich vooral met kunst van Joodse eigenaren bezighield zoals Goudstikker en Gutmann. Voor uitvoerige informatie over Miedl, die na de oorlog nauwelijks gestraft is voor zijn roofzuchtige daden, wordt verwezen naar het boek van Simon Goodman: ‘De wolven namen alles mee’ (2015).

KBNRC01_000067795_mpeg21_p004_image

Uit Algemeen Handelsblad van 9-10-1950

In 1950 is een deel van de Eugen Gutmann-zilvercollectie verkocht. Simon Gutmann meldt daarover in zijn boek ‘De wolven namen alles mee'(2015, p.206-207): ‘(…) Wat volgde was misschien nog wel treuriger. De overgebleven 150 stukken van de zilvercollectie 150 stukken van de zilvercollectie hadden onder Eugens rechtmatige erfgenamen een geniepige strijd doen ontbranden. Opeens lag mijn vader met al zijn familieleden overhoop. Het was één ding te vechten tegen tegen een botte bureaucratie of een hebzuchtig museum, maar Bernard had geen zin in een gevecht met de paar overgebleven leden van de gedecimeerde familie. Met tegenzin gaf hij toe aan zijn verwanten. De resterende onverdeelde kunstwerken uit de collectie van Eugen Gutmann werden begin 1950 naar New York gestuurd. Daar zouden ze stuk voor stuk worden verkocht door een bekende antiquair die was gespecialiseerd in Fabergé-eieren. Zeggen dat de resultaten teleurstellend waren, is een veel te zwakke beschrijving van de gevoelens van mijn vader en mijn tante. De beroemde “Jamnitzer Becher”, die een aantal nazi’s had doen watertanden, was ondanks de lage waarden van 1945 aan het eind van de oorlog geschat op 50.000 Reichsmark, ongeveer 20.000 dollar. Toen hij tien jaar later uiteindelijk werd verkocht, kreeg mijn familie er precies 5273,78 dollar voor. Het sublieme beeldje “Een geselaar van Christus” werd verkocht voor de verbijsterende prijs van $ 78,95 (na aftrek van de commissie). Het was oorspronkelijk toegewezen aan de grote Bernini, en nu staat het zilveren beeldje trots tentoongesteld in de National Gallery in Washington. De magere opbrengst werd vervolgens verdeeld over de ruziënde Gutmann-erfgenamen, daarbij inbegrepen Bernard en Lili, hun twee tantes en de kinderen van Herbert. Doordat het geld over zo veel personen moest worden verdeeld, waren de bedragen belachelijk klein. Bernard werd heel erg somber toen hij nacht over de enorme moeite die zijn vader had gedaan om de Gutmann-zilvercollectie te beschermen. Als de arme Fritz een graf had gehad, zou hij zich erin hebben omgedraaid.

=====================’

Portret van koopman Isaac Abrahamsz. Massa, geschilderd door Frans Hals (1635). Was o.a. in bezit van M.Kappel uit Belijn en vervolgens van F.B.E.Gutmann, Heemstede. In 1947 door Anne R. en Amy Putnam geschonken aan Fine Arts Gallery in San Diego [zie: Slive, Frans Hals, volume 3: catalogue, nr. 103, p.58].

Portret van koopman Isaac Abrahamsz. Massa, geschilderd door Frans Hals (1635). Monogram: FH. Was o.a. in bezit van M.Kappel uit Berlijn en vervolgens van F.B.E.Gutmann, Heemstede. In 1937 tent65oongesteld geweest in het Frans Hals Museum. In 1947 door Anne R. en Amy Putnam geschonken aan Fine Arts Gallery in San Diego [zie: Slive, Frans Hals, volume 3: catalogue, nr. 103, p.58].

Artikel over portretten Isaac Massa door Frans Hals in: Historia, jrg.3, 1937, nummer 6.

Tirol

Portret van een Tiroler nar. Anonien. Tiroolse School, Insbruck, circa 1515. Was in bezit van Fritz Gutmann, Bosbeek, in 1942 onvrijwillig verkocht aan Julius Böhler en in 1954 gerestitueerd aan erfgenamen Gutmann.

Botticelli

Botticelli, 1484, Portret van een jongeman in het rood gekleed. Uit collectie Fritz Gutmann, tegenwoordig in Denver Art Museum

botticelli.jpg

Aangifteformulier herkomst schilderij Botticelli uit vm. bezit Frits Gutmann

Liotard.jpg

J.E.Liotard. Stilleven servies op een dienblad.Was in bezit van Frits Gutmann. In 1939 in bewaring gegeven aan Paul Graupe, Prijs. Na de Bevrijding gerestitueerd aan de erven Gutmann. In 1984 aangekocht door een particulier in Zwitserland.

 

Baldung

Portret van een jongeman; door Hans Baldung (Grien) (1484/1485-1545) uit bezit Fritz Gutmann, Bosbeek, gerestitueerd aan de Erven.

Stuck

Schilderij ‘Sensualiteit” van Franz von Stuck. (1863-1913). Was in bezit van Fritz Gutmann en is gerestitueeerd an de erven. In december 2010 geveld bij Christie’s voor ruim 246.000 dollar.

 

 

Degas

Landschap met schoorstenen; pastel door Edgar Degas, 1890 (collectie Gutmann, Bosbeek) In 1931 aangekocht door Frits Gutmann. Vervolgens in bewaring gegeven bij antiquair Paul Graupe aan de boulevard Raspail in Parijs. Tussen 1940 en 1944 door ERR (Rosenberg) naar de Galerie Nationale Jeu de Paume overgebracht. In 1948 door Wendland begin 1948 verkocht aan diens zwager Hans Frankhauser, die de pastel in 1951 verkocht aan een collectioneur uit new York: Emile Wolf.  Ten slotte in 1987 doorverkocht voor 850.000 dollar aan de magnaat/verzamelaar Daniel Searle uit Chicago. 

Interieur van de galerie Jeu de Paume in Parijs, waarde geroofde kunst werd opgeslagen, in opdracht van Goering gecatalogiseerd door Rose Valland

Albert Goering 2 december 1941 in Galerie Nationale Jeu de Paume, waar hij de door de ‘ambtenaren’ van Rosenberg bijeengebrachte kunstschatten bewondert

degas1.jpg

Uit: Anders Rydell. De plunderaars; de naziobsessie met kunst (Amsterdam, Atlas, 2013, pagina 248)

Nicolas Goodman (links) en Simon Goodman hebben zich zeer veel moeite en hoge  advocaatskosten moeten getroosten om het werk van hun grootvader in bezit te krijgen., 1998. Hoofdstuk 10 ‘Op zoek naar Degas’ vertelt de hele onverkwikkelijke geschiedenis, p.213-237 in het boek van Simon Goodman: ‘De wolven namen alles mee’. Amsterdam, Meulenhoff, 2015.

Scan1358

 

Pierre-Auguste Renoir, De perenboom (uit collectie Gutmann)

Erfgenaam claim in oorlog gestolen schilderij Renoir (De Volkskrant, 12-9-1997)

Verder waren meer dan 50 topwerken van andere meesters in zijn bezit: Hiëronymus Bosch, Albert Cuyp, Willem van der Velde, Memling, Cranach, Botticelli, Guardi, Hans Baldung, Grien, Holbein, Degas en Renoir. Voorts Aubusson tapisserieën, antiek meubilair, porselein en glaswerk van grote waarde. Na de Duitse bezetting is het Fritz Gutmann door de Duitse bezetters verboden werk te verrichten. De zoon Bernard, in Engeland geboren, was eind jaren 30 kunstgeschiedenis in Cambridge gaan sturen en wijzigde zijn naam in Goodman. Dochter Lili trouwde in 1938 met een Italiaan en had zich in Florence gevestigd – zij woont nu nog in deze Italiaanse stad, waar zij jarenlang als journaliste heeft gewerkt (2). Met het oog op de politieke ontwikkelingen in Duitsland heeft Gutmann in 1939 al een deel van zijn kunstcollectie ondergebracht bij kunsthandelaar Paul Graabe in Parijs. Die verzameling is bij de Duitse bezetting van Frankrijk geconfisqueerd (3). Gutmann kreeg na de Duitse bezetting met zowel Haberstock die voor een op te richten Füher museum werkte te maken en Hans Posse, als directeur benoemd van het museum in Linz. Ook met kunsthandel Rosenberg, die ‘aangekochte’ schilderijen al in 1940  doorverkocht aan grootverzamelaar Hermann Goering. In 1941 en 1942 hadden drie door de omstandigheden gedwongen overeenkomsten plaats met zowel Karl Haberstock in Berlijn als Julius W.Böhler in München. Overwogen is een vluchtpoging door het echtpaar maar zover is het niet gekomen. Ze hadden een “Freigeleit” van Himmler, – maar Goering die slechts belangstelling had voor de kunstcollectie van Eugen Gutmann, trok zich daar niets van aan – voor een pas om een doorreis naar Italië mogelijk te maken. Nadat de ‘evacuatie’ naar Amsterdam van alle Joodse burgers in Heemstede in maart 1942 was verordonneerd gold dat nog  niet voor het echtpaar Gutmann. Op 31 juli 1942 ontvingen zij schriftelijk bericht dat evacuatie was uitgesteld. Dat gold tevens voor de families Loeb, Leefman, Beent, Serphos, Kaufmann en Franco. Juni 1942 werd een brief vanuit Berlijn ontvangen door de Italiaanse ambassadeur in ‘s-Gravenhage, ondertekend door Heinrich Himmler; Reichsführer SS und Chef der Deutschen Polizei im Reischsministerum des Inneren, met het volgende bericht: ‘Sehr geehrter Herr Botschafter!  Auf Ihr Schreiben vom 31.3.1942 teile ich Ihnen mit, dass bisher den Juden und Niederländischen Staatsangehörigen Gutmnn , wohnhaft in Heemstede bei Den Haag, Glipperweg 91, nichts unternommen worden ist. Ich habe Ihrem Wünschen  enstprechend, meinen Dienststellen  in Den Haag Anweisung geben lassen, Gutmann in seiner Wohnung  zu belassen und Ihn und seine Ehefrau von sicherheitspolizeilichen Massnahmen allgemeiner Art auszunehmen. Mit besonderer Hochachtung verbleibe ich Ihr. H.Himmler.

=========

5 porseleinen vazen uit China, dynastie Qing, tijdperk Kangxi (1662-1722). Eind 2012 geveild bij Christie’s. Provenance: aanwezig in de verzameling van de familie van Andringa de Kempener. Fritz Gutmann schafte de vazen aan op een veiling van Frederik Muller, Amsterdam, 6 mei 1919, lot 91. Vervolgens door onvrijwillige verkoop in 1942 in bezit gekomen van Nicolaas Beets. Door Erhard Göpel, kunstagent voor Führermuseum Linz, verworven in 1944. In 1951 uit Duitsland  teruggekeerd in Nederland en in 1954 overgebracht naar het Rijksmuseum Amsterdam. Februari 2011 geresitueeerd aan de erfgenamen van Friedrich Bernhard Eugen Gutmann. 19 december 2012 geveild bij Christie’s. Geschat op 40.000 tot 60.000 euro, afgeslagen voor 193.000 euro.

Fritz

Fritz Gutmann in 1919 gefotografeerd

Portretfoto van F.B.E.Gutmann 1938

Op Op12Scan1326

Op 12 maart 1943 schreef een dochter van Lili Gutmann (zuster van Fritz Gutmann, Luca Orsini Baroni aan haar oom: ‘Ik heb een officieel schrijven ontvangen over de gunstige beslissing van Il Duce betreffende jullie toegang tot het koninkrijk [Italië]. Ik heb [ambassadeur]  Alfieri in Berlijn getelegrafeerd om bij de Duitse autoriteiten te bemiddelen en dat hij jullie legale vertrek uit Duitsland [sic!]  zou moeten vergemakkelijken. Laat ons weten wanneer en waar jullie in Italië  zullen zijn. Groeten Luca’.  (Uit boek Simon Gutmann).

De heer J.E. Westerbeek, zaakwaarnemer voor de familie is aanwezig geweest bij de arrestatie en heeft daarvan in een brief van 1 oktober 1943 schriftelijk verslag uitgebracht aan dochter Lili Collas-Gutmann. Na een inleiding schreef hij haar o.a. het volgende: “Toen de mogelijkheid werd geopend dat uw ouders naar Italië mochten vertrekken, heb ik zo veel mogelijk de formaliteiten voor hen vervuld. Daarna kwam alles op een dood spoor en was afwachten het parool. Toevalligerwijze was ik de 26ste mei 1943 reeds in de late ochtenduren op Bosbeek, om uw vader een belangrijke zakelijke aangelegenheid mede te delen en had van de vriendelijke uitnodiging van uw charmante moeder, met hen de lunch te gebruiken aanvaard. Te midden van het genoeglijke lunchen werd zeer dringend gebeld, nadat wij eerste een auto vóór horen rijden. Toen Piet opendeed, kwam deze even daarna, doodsbleek, met een in burger geklede Duitser de kamer binnen, gevolgd door iemand in uniform. Hij stelde zich voor als Untersturmführer Werner van de S.S. en vroeg op de, de S.S. eigen, onsympathieke wijze, wie mijnheer en mevrouw Gutmann waren en toen vervolgens naar mij. De kamer werd daarop afgesloten en moesten uw ouders en ik in de kamer blijven, terwijl hij verder het huis Bosbeek doorkeek. U begrijpt in welke toestand wij ons bevonden, en dit vermeerderde kort daarop nog, doordat Werner terugkwam en vertelde, dat uw ouders met hem mee moesten. Ze hoefden evenwel geen angst te hebben, want er zou niets gebeuren. Na herhaald aandringen vertelde hij toen, dat de reis naar Berlijn zou zijn, dat alle comfort werd toegestaan en dat vanuit Berlijn de reis zou worden voortgezet “nach den Süden”, zoals hij zich uitdrukte. Uw ouders mochten geld, sieraden, bagage enz. meenemen en hij zou voor het vervoer zorgen. Uw vader noemde nog de bijzondere bevoordeling, die hij middels zijn Italiaanse relaties genoot en toen suggereerde Werner min of meer, dat Italië het einddoel was, maar dat hij niets mocht zeggen. Evenmin mocht ik weggaan, want precedenten mochten niet geschapen worden. Hij sprak toen af, dat wij allen in huis moesten blijven, dat de koffers zouden moeten worden gepakt en dat hij tegen 5 uur zou terugkomen met een extra auto, om alle bagage te halen en op tijd in Den Haag terug te zijn voor de D-trein naar Berlijn van 6.45 uur. Daarna vertrok hij onder bewaking van een soldaat achterlatende en nam geld mee, om voor de plaatskaarten te zorgen. Inderdaad heeft hij voor 2de klas-plaatskaarten en voor een slaapwagen gezorgd. Na zijn vertrek werd er druk gepakt en de zenuwachtige stemming daalde aanmerkelijk. Uw moeder was zeer nerveus. Maar uw vader kreeg hoe langer hoe meer vertrouwen in de aangelegenheid en werd zelfs wat monter. De hele middag werd druk gepakt met uiteindelijk het respectabele aantal van 14 grotere en kleinere koffers, die echter niet allemaal meekonden. Drie grote koffers bleven in Bosbeek achter en werden de volgende dag opgehaald en nagestuurd. Al het lijfgoed, een flinke voorraad linnengoed, toiletartikelen etc. behoorde tot de uitrusting, alsmede wat proviand. Kort nadat we gereed waren kwam Werner terug, werden alle deuren verzegeld en de sleutels door hem meegenomen en toen ging het in volle vaart van Bosbeek naar Den Haag. Ik had het buitengewone voorrecht deze laatste tocht ook mee te mogen maken en zat naast uw moeder in de auto. Uw vader zat in de andere wagen met koffers en ging regelrecht naar het station. Wij gingen eerst naar het huis van Werner om zijn eigen koffer op te halen. Op het allerlaatste nippertje kon de trein gehaald worden en hadden uw ouders en ik geen gelegenheid elkaar nog te groeten (…) Een paar zwaaiende armen was het laatste, wat ik van uw ouders mocht zien.”

Op 24 juni 1943 heeft de SIPO bij de politie in Heemstede geïnformeerd naar de sleutel van perceel Glipperweg 91, voorheen bewoond door F.B.E.Gutmann. In dat jaar is een politiedossier opgesteld (A111/43) over het zoekraken van het persoonsbewijs van Gutmann en contacten met inbrekers.   Pas op 2 juni 1945 lezen we meer over Bosbeek in de poltiedagrapporten: ‘De Duitsers hebben op 2 juni 1945 het Huis ‘Bosbeek’ verlaten en in verwaarloosde toestand achtergelaten. Er komt een klacht binnen dat goederen van de familie Gutmann worden weggehaald. Wand- en plafondschilderingen zijn verdwenen. [Een gisaille van Jacob de Wit  achteraf in de kelder te zijn opgeborgen en kwamen pas na enige tijd beschadigd te voorschijn].

Fritz Gutmann is met zijn echtgenote in plaats van naar zijn familie in Milaan via Belijn door de nazi’s naar kamp Theresienstadt overgebracht. Na ontberingen is hij daar volgens een getuige met knuppels doodgeslagen omdat hij weigerde de eigendomsrechten van de zilvercollectie over te dragen. Gezegd wordt dat de sadistische kapo Spielmann hem bovendien met een stuk ijzerdraad heeft gewurgd. Hij zou de gouden manchetknopen hebben afgepakt en in een andere broekzak van Gutmann zat een visum voor Italië, getekend door de Duce Mussolini. Later viel genoemde SS’r Spielmann in ongenade en is hij na een geheim proces naar Auschwitz vervoerd. Daar werd hij herkend door gevangenen die met hem  in Theresienstadt te maken gehad. Zij hebben hem na folteringen omgebracht.

De echtgenote van Gutmann is begin juli 1944 vanuit Theresienstadt naar Auschwitz overgebracht en aldaar op een onbekend tijdstip vermoord.

Bosbeek6

Ansichtkaart van Bosbeek uit 1924, in welk jaar Fritz Gutmann vanuit Noordwijk het landgoed aankocht.

Deel tuin van Bosbeek omstreeks 1930

Toegangspoort naar Bosbeek vanaf Glipper Dreef

Toegangspoort naar Bosbeek vanaf Glipper Dreef

bbf2a056-dab3-5b9e-b1fd-0bc2358e248b (1)

Adv. uit het Haarlem’s Dagblad, 25-2-1950, betreffende verkoop  Bosbeek. De deal had plaats eind december 1950, waarbij de erven Gutmann circa 2 ton ontvingen.

Eugen

Bericht over collectie Eugen Gutmann, uit Algemeen Handelsblad van 9-1-1950. Uitendelijk bleef de verzameling in Nederland en is een groot deel na restitutie door de Nederlandse staat aan de erven Gutmann bij veilinghuis Christie’s geveild.

Schoorsteenmantel salon Bosbeek [foto Nick Goodman]

Plafondschildering Jacob de Wit in de salon van Bosbeek

Schildering ‘de Herfst’, 1751 door Jacob de Wit. Deurstuk salon: hoogte 147 cm, breedte 155 centimeter. In 1942 is Bosbeek geconfisceerd; na 1951 door de zusters die het in de kelder in een desolate staat aantroffen aan de Nederlandse staat gegeven en bevindt zich tegenwoordig  in het Drenths Museum te Assen.

Grisaille de Herfst, in 1954 verkocht door de zusters van Bosbeek, thans in bezit van het Drenths Museum, waar het mag blijven na een bindende uitspraak van de Restitutiecommissie.

Grisaille de Herfst, in 1954  door de zusters van Bosbeek aan de Nederlandse staat gegeven via inspecteur A.F.Lunsingh Scheurleer, thans in bezit van het Drenths Museum, waar het mag blijven na een bindende uitspraak van de Restitutiecommissie.

Scan1340

De salon van Bosbeek nu zonder grisaille boven de deur, circa 1970

 

Interieurfoto van salon Bosbeek met 'witje' boven de deur

Interieurfoto van salon Bosbeek toen nog  met ‘witje’ boven de deur

plafondschildering

Nog een foto van de plafondschildering met een voorstelling van Bacchus en Ceres in de wolken. In 1771 vervaardigd voor Bosbeek  door Jacon de Wit in odracht van toenmalig eigenaar, burgemeester mr.G.A.Hasselaer uit Amsterdam.

Bosbeek, 1928

Bosbeek, 1928

Bosbeek, 1928

Bosbeek, 1928

‘Venus, Bacchus en Ceres met slapende Amor. Schildering van Jacob de Wit. Als schoorsteenstuk in bezit van F.B.E.Gutmann, Heemstede. Omstreeks 26 augustus 1940 naar kunsthandelaar A.J.Spyer & Zoon, Amsterdam en eind december 1941 verworven door Ehrhardt, München. Thans in bruikleen Rijksmuseum Twenthe.

Gut

Bovenstaand werk van Lucas Cranach werd door Fritz Gutmann in bruikleen gegeven voor de tentoonstelling: ‘Meesterwerken uit vier eeuwen 1400-1800’ in Museum Boymans te Rotterdam in 1938 (foto uit catalogus). Het wordt 19 april 018 geveild bij Christie’s  in New York

 

7907 Nederlands kunstbezit terug uit Duitsland A'dam 20-4-1950

7907 Nederlands kunstbezit terug uit Duitsland A’dam 20-4-1950 tot 9 juli 1950 is uit Duitsland gerecupereerde kunst uitgestald in het Rijksmuseum

In het geciteerde schrijven van de heer Westerbeek volgen nog drie kantjes met informatie. Zoals dat de kennissen van Gutmann van het gebeurde op de hoogte zijn gesteld . De heer Scheller waarschuwde de Italiaanse gezant de dochter Lili en schoonzoon via een telegram van de spoedige komst van het echtpaar Gutmann in Florence. Verder inlichtingen over de recente verkoop van kunstvoorwerpen uit Bosbeek aan twee Duitse antiquairs, Bühler en Haberstock. Een groot deel was toen al weg een ander deel zou volgen. Westerbeek regelde hiervoor de contracten, want Bosbeek moest voor andere doeleinden zoveel mogelijk ontruimd worden omdat de Duitsers hier naar hun zeggen een “Mütterheim” wilden vestigen. Westerbeek zorgde er voor dat de wandbekleding, grisaille en plafondschildering van Jacob de Wit – hij schrijft per abuis Van Eyck, H.K. – werden weggehaald. Toen Duitsers kwamen controleren eisten zij dat de plafondschildering in de Grote Zaal weer zou worden aangebracht, hetgeen geschiedde. De firma F.Gutmann waarvoor Westerbeek een volmacht had is door de Duitsers geliquideerd op een klein bedrag van ƒ 20.000,- na, “daar deze bestemd waren voor dekking van een garantie, die ten behoeve van uw vader was gesteld. Wel werden alle kasmiddelen in beslag genomen evenals de effecten. (…) Mijnheer Scheller die als bewindvoerder is aangesteld, doet zijn uiterste best een overzicht te verkrijgen en om activa in het buitenland op te sporen (…)”.

Na de oorlog bleek dat voornoemde heer Westerbeek uit Den Haag die zich bezighield met allerlei handelszaken geen  frisse tol heeft gespeeld en allerlei eigendommen uit het huishouden/keuken van het pand zijn door zijn toedoen verdwenen. De plafondschildering (een doek van 5.80 bij 3.60 meter) en grisaille, een allegorie op de Herfst, had hij losgewrikt en in de kelder opgeslagen met de bedoeling deze te verkopen aan dr. Göpel, een agent van Goering voor meer dan 50.000 gulden. Bosbeek was onder beheer  van de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV) en is op 14 februari 1944 voor 135.000 gulden verkocht aan de   de Nederlandse Volksdienst, de Nederlandse tak van de Nazional Sozialistische Volkswolhlfahrt eigener Verein (NSV) te Berlijn, een afdeling van de NSDAP. Hiervan is ƒ 65.000,- aangewend ter besteding van een krediethypotheek ter behoeve van Trustenad te Amsterdam, een n.v. Trust- en Administratie Maatschappij, in 1821 opgericht om de zakelijke belangen van Fritz Gutmann en zijn broers en zusters te behartigen. Een beambte van de NSV gaf opdracht het pafonddoek terug te plaatsen. De laatste maanden voor de bevrijding, toen alle schatten al lang en breed waren verdwenen, hebben Duitse soldaten bezit genomen van Bosbeek, waarbij parketvloeren, lambriseringen e.d. ernstig geleden hebben. Na de bevrijding zijn krijgsgevangen Duitse soldaten nog enige tijd gebleven en kregen zij van de geallieerden opdracht de mijnen en tankwallen op het terrein te verwijderen. Pas hierna nam het Nederlandse ministerie van Justie Bosbeek over om hier een opvoedingstehuis van geïnterneerde collaborateurs in te vestigen. Na de nodige problemen, zolang het overlijden van F.Gutmann niet bekend was, zijn de erfgenamen formeel in het beheer van Huize Bosbeek hersteld. De afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel besloot in vonnis van 7-1-1950 dat de vorderingen van Gutmann en Trustenad, behoudens enkele ondergeschikte punten, toegewezen werden en herstelde daarmee de erven in de eigendomsrechten van het Heemsteedse landgoed. Voor derving en toegebrachte schade werd aan de erven Gutmann een bedrag van ƒ 19.669,48 toegekend. Op 20 december 1950 is Bosbeek ten slotte door de erfgenamen van F.Gutmann voor ongeveer 200.000 gulden verkocht aan de Sint Hiëronymus Stichting in Amsterdam (Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid.

===================================

 

Graupe

Vooromslag van een in december 2015 te verschijnen monografie over Paul Graupe (1881-1953). Deze Joodse kunsthandelaar uit Berlijn ontvluchtte Duitsland in 1936 en verstigde zich met zijn compagnon Arthur Goldschmidt aan de Place Vendôme in Parijs. Vanaf 1939 heeft Fritz Gutmann uit voorzorg van wat komen ging een aantal van zijn schilderijen ondergebracht bij Paul Graupe, welke na 1940 in handen zijn gekomen van de nazi’s.

Haberstock

Vooromslag van een in 2008 uitgegeven biografie over de zeer omstreden kunsthandelaar en -ambtenaar Karl Haberstock (1878-1956)  uit Augsburg die voor het te stichten Führermuseum in Linz werkte maar tevens als kunstagentvoor Goering. In 1941 meldde hij zich op Bosbeek om allerlei kunst en vooral de zilvercollectie van Eugen Gutmann in handen te krijgen. De biografie van Horst Kessler verscheen in 2008. In het in 2015 verschenen boek van Simon Goodman is ook veel informatie te vinden over de zeer verwijtbare werkwijze van Haberstock.  Haberstock getuigde tegen Göring in de Neurenberg-processen en heeft slechts korte tijd vastgezeten. Begin jaren vijftig opende hij een kunstgalerie in München in een appartement beneden dat van die andere nazi-kunstagent Walter Andreas Hofer. 

 

carinhall

Op verscheidene plaatsen zijn de door rijksmaarschalk ‘verworven’ kunstobjecten  opgeslagen, o.a. in kasteel Veldenstein en in de ‘Jeu de Paume’ in Parijs, maar vooral in zijn geliefde residentie Carin Hall nabij Berlijn. Bovenstaande foto uit 1945 geeft een beeld van de aldaar gevestigde (kunst)bibliotheek.  

fotopagina.jpg

Fotopagina Karinhaal en Hermann Göring, uit: Gerard Aalders. Roof. 1999

Bosch2

Middendeel van triptiek: ‘De verzoeking van de heilige Antonius’ toegeschreven aan Hiëronymus Bosch, in 1926 in Madrid verworven, was een van de topstukken in bezit van Gutmann en is in het Frans Hals Museum tentoongesteld en in 1939 tijdens de wereldtentoonstelling in  New York. Het drieluik uit omstreeks 1501 bevindt zich tegenwoordig in de National Gallery of Canada in Ottawa. Andere versies zijn te vinden in het  Museum voor Antieke Kunsten in Lissabon. het MASP in Sao Paulo, Brazilië, en het Prado-museum in Madrid.

Goering2

Amerikaanse soldaten van 101st. Airborne Division ontdekken verborgen kunstschatten in een van de opslagbunkers van Hermann Goering

 

Geallieerde soldaten bekijken teruggevonden schilderijen

DEU NS-Zeit Kunst

ARCHIV – Ein amerikanische Soldat betrachtet am 29. Mai 1945 Bilder, die Reichsmarschall Hermann Goering waehrend des Krieges aus ganz Europa zusammengetragen hat. Als preussischer Ministerpraesident, Reichsjaegermeister, Oberbefehlshaber der Reichsluftwaffe, Chef der Vierjahresplanbehoerde und des Devisenschutzkommandos war er einer der einflussreichsten Maenner des nationalsozialistischen Regimes und einer der groessten Kriegsverbrecher. Er war der foermliche Auftraggeber des Holocausts. Goering sammelte auch Kunst. Der Mann, der von seinen Biografen als medikamentenabhaengiger, grossmannssuechtiger Beau beschrieben wird, machte sich dabei seine Aemter gnadenlos zu Nutze. (AP Photo) —–FILE – An American Soldier studies various paintings, one of them resting in a wash basin, May 29, 1945 in Germany. The paintings were part of the loot gathered from all parts of Europe by Hermann Goering. (AP Photo)

Naast Hitler, opgeleid als kunstschilder, was rijksmaarschalk Hermann Göring de grootste opdrachtgever voor ‘kunstaankopen’. Samen met kunstagent Walter Hofer (1893-1971) stroopte hij intensief de Nederlandse kunsthandel af Met naderende einde van de oorlog deed hem het meeste pijn dat hij zijn kunstcollectie zou verliezen. Bij de verdediging voerde hij aan steeds alle kunstvoorwerpen met geld te hebben betaald. Göring pleegde zelfmoord. Walter Andreas Hofer (1893-1971)  is bij afwezigheid door een Frans militair tribunaal veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf maar wist vrij te blijven en heeft nog een aantal jaren als kunsthandelaar in München gewerkt.

Walter Hofer (rechts) met Herman Göring in Carinhall bij Berlijn een nieuwe aanwinst bewonderend

In het boek van Simon Goodman ‘De wolven namen alles mee’ komen zowel Hofer als Karl Haberstock als Alois Miedl (portret bovenstaand) meermaals ter sprake. Miedl, in 1903 in München geboren en in 1990 overleden) was een Duitse kunsthandelaar, speculant en vriend van en verzamelaar voor Goering. Hij oefende druk uit op Joodse kunstbezitters hun kunstwerken aan Hermann Goering te verkopen.

Nadat Goudstikker bij zijn vlucht naar Engeland was verongelukt “kochten” Miedl en Göring tegen de wil van de weduwe 1300 oude meesterwerken en andere antiquiteiten, waarvoor 2 miljoen gulden waad betaald, een fractie van de eigenlijke waarde. Van Fritz Gutmann kocht Miedl voor Göring drie 16de eeuwse zilveren bekers. Andere collecties die hij verwierf waren o.a. schilderijen van kunsthandel Benjamin Katz, de Mannheimer-collectie en 19 schilderijen uit de verzameling van de Haarlemse bankier en kunstverzamelaar Franz Koenings. Göring betaalde voor de laatstgenoemde transactie 500.000 gulden. In 1962 kocht Miedl voor 1,65 miljoen gulden ‘Christus en de overspelige vrouw’, toegeschreven aan Johannes Vermeer, maar zoals later bleek een vervalsing door Han van Meegeren. In 1944 vluchtte Miedl naar Spanje. Later teruggekeerd heeft hij nog enige jaren als bankier gewerkt.

(De Volkskrant, 3 mei 1980)

In het boek ‘De zaak Goudstikker’ (Amsterdam, Meulenhoff, 1998) wijdt de auteur Peter Hollander hoofdstuk 5 aan de kameleon-koopman Alois Miedl. In een inleiding daarop schrijft hij op pagina 57: ‘Alois Miedl (geboren op 3 maart 1903 te München) was een bijzondere man. Al vroeg in de jaren dertig was hij in Nederland komen wonen, nadat hij in Duitsland moeilijkheden met de fiscus had gekregen. Hij had een klein handelsbankje in Amsterdam en creëerde van daaruit in de loop der jaren een bijna mondiaal web van allerlei onderneminkjes. Zo bezat hij op zeker moment firma’s in Nederland, Duitsland, Indonesië, India, Zuid-Afrika en zelfs in Canada. Tijdens en vlak na de oorlog waren de Amerikaanse inlichtingendiensten zeer in hem geïnteresseerd. Hij had dan ook een gevarieerde kring van familie, vrienden en relaties. Hij was getrouwd met een joodse, Dora Fleischer, en tegelijkertijd bevriend met Hitlers rechterhand Hermann Göring. Hij was zakenpartner van de in Nederland wonende Duitse bankier Franz Koenigs, kende ook Prins Bernhard persoonlijk , en was stevig bevriend met de later voor nazi-spionage aangehouden voorzitter van de Duitse Kamer van Koophandel in Nederland Alfred Flesche. Tijdens de oorlog stond hij ook op goede voet met de Duitse rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied Arthur Seyss-Inquart en met het hoofd van de Duitse Sicherheitspolizei in Amsterdam, W.Lages. Ook bij de top van het Duitse zakenleven was Miedl gedurende de oorlog een goede bekende. Al vóór de Duitse bezetting van Nederland had Miedl zijn kansen in de kunsthandel geroken. Dat was verwonderlijk, want direct na de Duitse bezettingslegers zwermden overal  in Europa steevast de persoonlijke agenten van Hitler en Göring uit om de particuliere kunstverzamelingen van hun bazen aan te vullen met het “erfgoed van het Groot-Duitse Rijk”. Göring gaf zijn transacties zoveel mogelijk een legaal tintje, onder het motto van “fatsoenlijk handelen”, door officiële overeenkomsten op te stellen en bepaalde bedragen uit te keren. daarbij werd de eigenaren vaak wel duidelijk te verstaan gegeven dat Göring niet meer voor hun veiligheid zou kunnen instaan als ze iets aan de transacties zouden meewerken. “Het was zijn tactiek […] om de meest begeerde kunstvoorwerpen uit handen van de eigenaars los te krijgen […]. Tenslotte kostte het gebruik van zijn onbeperkte macht hem niets”., zo oordeelde de rechter tijdens de behandeling van de zak-Miedl na de oorlog bij de Raad voor het Rechtsherstel. En over Görings tussenpersonen, in dit geval Miedl: “Het beeld is hetzelfde als in de zaag Goudstikker: gebruik maken van de omstandigheden waarin de wederpartij door de bezetting verkeert, teneinde winstgevende zaken te kunnen doen”. Zo opererend probeerde Göring zijn rivaal in het verzamelen van roofkunst Adolf Hitler zelf altijd net een slag voor te zijn. Ter compensatie liet Göring nadat gij zijn eigen keuze had gemaakt voor zijn museum Karinhall, Hitler altijd van zijn “aankopen” meeprofiteren door hem een aantal belangrijke werken toe te zenden voor diens collectie in het geplande Führermuseum in Linz, de stad van Hitlers jeugd in Oostenrijk.

Hermann Göring verlaat het pand van Goudstikker aan de Herengracht met achter hem Alois Miedl, 15 mei 1941

Zo laveerde Göring in de concurrentie met zijn baas tussen hebberigheid en loyaliteit. Essentieel daartoe was wel dat hij altijd de eerste keus had. Om dat te bewerkstelligen had Göring al jaren vóór de oorlog diepgaand studie laten maken van de kunstschatten in Europa. Ook kunsthandel Goudstikker was voor hem een bekende naam. Maar als “opkoper” voor Göring in Nederland maakte Miedl geen kans, dat was het werk van Andreas Hofer, directeur van Görings persoonlijke museumcollectie Karinhall. “Alois Miedl is een intelligent man met grote suggestieve kracht, slagvaardig en amusant. Het ontbrak hem evenmin aan ondernemingsgeest”, schreef mr. von Saher. Het behoeft derhalve een verbazing te wekken, dat hij voor deze nieuwe mogelijkheid om geld te verdienen niet ongebruikt voorbij wilde laten gaan. Er deed zich echter een moeilijkheid voor. Hij was van Duitse zijde niet aangewezen als koper. […] Alois Miedl moest daarom de zaak van de andere kant aanpakken. De enige plaats die hem overbleef was niet om als koper voor, maar als verkoper aan Duitsland op te treden. Om dit te kunnen doen, moest Alois Miedl over een orgaan in Nederland beschikken”. En daarvoor deed zich een uitgelezen mogelijkheid voor: de jood Goudstikker had zijn firma achtergelaten als een weerloze prooi. Door haar te “kopen” voodat Hitlers agenten haar in beslag zouden nemen, zou Miedl zich een uitstekende uitgangspositie als kunsthandelaar voor de Duitsers kunnen verwerven met de internationaal erkende naam van Goudstikker en met diens uitgebreide collectie als handelsvoorraad. En dat had Miedl goed gezien. Want naast de transacties die hij deed met Göring en Hitler zou hij gedurende de oorlogsjaren nog veel meer kunst “verhandelen ; schilderijen die meestal afkomstig waren van joodse eigenaren en waar allerlei museumdirecteuren, hooggeplaatste partijfunctionarissen, topmilitairen en andere notabelen in Duitsland goud geld voor over hadden. Onder de naam Goudstikker zou Miedl in vier jaar tijd voor bijna achttien miljoen gulden aan schilderijen verhandelen, omgerekend naar huidige begrippen voor meer dan tweehonderd miljoen gulden. Daarbij vergeleken was de bemiddelingspremie van vier ton die hij aan het Goudstikker-personeel uitkeerde een schijntje, en tegelijkertjd een uitstekende investering'(…)’.  

 

 

Hermann Goering na een bezoek in 1941 aan de collectie Goudstikker, gevestigd aan de Herengracht 458  in Amsterdam. Andere delen van de collectie Goudstikker waren ondergebracht in kasteel Nijenrode en buitenplaats Oostermeer in Ouderkerk aan de Amstel.

Simon Goodman schrift in zijn boek ‘De wolven namen alles mee’: ‘Göring was een verzamelaar van in wezen kleptomane proporties. Hij vulde zijn jachthut ‘Carinhall” (en andere woningen) met meer dan vierduizend kunstwerken, waaronder zo’n vijftig schilderijen van Lucas Cranach de Oude en dertig van Rubens. Typerend voor Görings smaak was dat ze werden tentoongesteld met ertussen wat vervalsingen en “meesterwerken” als een aquarel van Adolf Hitler, nog afgezien van talloze jachttrofeeën. Hoewel Göring openlijk de grenz n van de entartete Kunst opzocht, verzamelde hij ook honderden moderne schilderijen die hij als een soort ruilmiddel gebruikte om acceptabelere werken te kunnen aanschaffen”.  

 

Het gebouw in Palazzotijl van de neorenissance der kunstfirma Julius Böhler aan de Briener Strasse in München

Deutsches Zentrum Kulturgutverluste: ‘Böhler, Julius (Kunsthandlung) ‘Fa. Julius Böhler”, Kunsthändlerdynastie in München und Luzern. Adresse: München, Brenner Strasse 12 (Stammhaus), gegründet 1880 von Julius Böhler (1860-1934), München, seit 1906. Teilhaber dessen ältesten Sohn Julius Wilhelm Böhler (1883-1934), München in1910 auch der jüngere Sohn Otto Alfons Böhler (1887-1950), 1919 Übersiedelung von Julius Wilhelm Böhler nach Luzern und Gründung der “Kunsthandel AG” zusammen mit Fritz Steinmeyer, ab 1928 führten das Münchner Stammhaus Julius Harry Böhler (1907-1979). Sohn von Julius Wilhelm Böhler, Luzern, weiterhin Otto Alfons Böhler und der Kunsthistoriker Hans Sauermann (1885-1960); enge Verbindung zu Haberstock, reiste in den Niederlanden und Italien, erwarb mit Haberstock einen dedeutenden Anteil der Sammlung Gutmann in Heemstede. Anno 2020 is de firma Böhler gespecialiseerd  in Europese beeldhouwkunst en kunstvoorwerpen vanaf de middeleeuwen  tot de achttiende eeuw.

Dr. Hans Posse (1906-1966). (foto Bundesarchiv) Duits museumdirecteur die door Hitler was aangesteld om schilderijen en kunstvoorwerpen voor het te bouwen Führermuseum’ in Linz te verwerven. Simon Goodman schrijft in zijn ‘De wolven namen alles mee’: ‘Ik ontdekte dat Haberstock mijn grootvader twee maanden later nauwelijks een kwart van het overeengekomen bedrag – was 122.000 gulden – betaalde, en dat die schamele som werd overgemaakt naar een bevroren rekening. Verder had Haberstock de Baldung Grien, de Cranach, de Elsner en de Isenbrandt meteen doorverkocht, rechtstreeks aan het kantoor van de Führer, dit alles voor een aardig bedrg. Hitlers hoofdcurator voor het nuseum , Hans Posse, maakte duidelijk dat de Führer de Baldung Grien boven alles wilde hebben en er het meest voor had betaald. Later werden de Van Goyen en de Holbein ook aangekocht voor het geplande Führermuseum’. (pagina 296-297)

Hans Posse en rechts Eduard Plietzsch (1886-1961) in Dresden, 1939. Laatstgenoemde was een bekend Duits kunsthistoricus, gespecialiseerd in Nederlandse en Vlaamse schilderkunst, o.a. Ter Borch.  Tijdens de nazitijd werkte hij voor Dienststelle  Kajetan Mühlmann in Den Haag en hield hij zich bezig met het samenstellen van een inventaris van gestolen kunst bestemd voor het geplande Führermuseum in Linz. In 1952 doeg hij zijn archief over aan het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie. Belangrijker als bron van informatie over roofkunst blijkt het Bundesarchv in Koblenz te zijn.

Dr. Erhard Göpel geportretteerd door Theo Garve in 1948. (Städelmuseum Frankfurt). Göpel (1906-1966) was kunsthistoricus en tijdens de naziperiode betrokken bij de kunstroof ten gunste van Goering maar vooral Hitler als medewerker van Hermann Voss ‘Leiter des Sonderauftrags Linz’, als opvolger van de in 1943 overleden Hans Posse. Göpel nam vooral kunst in beslag uit Joods bezit in de bezette gebieden Frankrijk, België en vooral Nederland, waar hij overigens in het geheim als bemiddelaar goed werk deed voor de in exil in Amsterdam levende en door de nazi’s verafschuwde kunstenaar Max Beckmann , die Göpel al vanaf 1932 kende. Beckmann vervaardigde ook een portet van Göpel in 1944. Laatstgenoemde gaf na de oorlog de dagboeken uit van Max Beckmann.

 

pieta2

Een middeleeuwse piëta (circa 1425, Zuid-Duitsland) was bezit van Fritz Gutmann. Het beeld is door de Nederlandse staat gerestitueerd aan de erven en vervolgens na onderhandelingen legaal verworven door het Catharijne Convent in Utrecht Links een foto van geallieerde soldaten bij een ‘Sonderzug’ met de Bosbeek-piëta uit Goerings trein, Berchtesgaden, 1945.

gut1

Amerikaanse soldaten met de piëta van Gutmann, Bosbeek, in een trein te Berchtesgaden in 1945

geroofde

Wagon met geroofde kunst in Berchtesgaden, 1945

elsner

Portret van Jacob Elsner, circa 1486 tot 1517. Via zijn vader in bezit gekomen van Fritz Gutmann.In mei 2002 door de Nederlandse Staat gerestitueerd aan de erven Gutmann/Goodman en vervolgens geveild.

Eén van de toptukken uit de collectie van Fritz Gutmann op Bosbeek: Portret van de Haarlemse koopman Isaac Abrahamsz. Massa uit 1635. In 1946 in bezit gekomen van (zoon) Bernard Gutmann. Aanwezig in Museum of Art, San Diego, USA

Schlderij door Jan Hackaert. Hertenjacht in een bos, na 1660. Mauritshuis Den Haag

Provenance: ‘ Voor 1831 Aernout van Beeftingh, Rotterdam veiling Rotterdam (Lamme), 30 april 1832, nummer 3 voor 9,400 gulden aan kunsthandel A.J.Lamme Rotterdam; jonkheer Johan Steengracht van Oostcapelle, Den Haag 1832-1846; verworven op een familieveiling door zijn tweede zoon, jonkheer Hendrik Steengracht van Oostcapelle, Den Haag 1846-1875; vererfd aan zijn neef Hendricus Adolphus Steengracht van Duivenvoorde, Den Haag en Voorschoten, 1875-1912; zijn veiling Parijs 9 juni 1913 (Lugt 72900), nummer 27 (voor 7.000 francs aan Muller voor Janssen); August Janssen, Amsterdam, 1913-1918; kunsthandel Jacques Goudstikker, Amsterdam 1919 (catalogus 1919, nummer 47); Eugen Gutmann (1840-1925), in of na 1919; vererfd aan zijn zoon Friedrich (Fritz) B.E.Gutmann (1866-1944) Heemstede (door hem uitgeleend aan tentoonstelling in Haarlem, 1940, nummer 29); door hem onder dwang  verkocht aan kunsthandel Karl Haberstock, Berlijn 1942; Kunstmuseum Düsseldorf 1942 (inv.nr.1942-13); Stichting Nederlands Kunstbezit (inv.nr.NK 2410); in 1954 gerestitueerd aan de erven Gutmann en door hen verkocht aan kunsthandel S.Nystad, Den Haag, 1970-1971; aankoop Mauritshuis in 1971’.   

Een winters tafereel van de heer Gutmann in het park van Bosbeek, 1939

In mei 1943 stond dochter Lili, die bericht had ontvangen over tijdstip van aankomst, twee dagen tevergeefs op het station in Florence te wachten. Na de val van Mussolini in juli 1943 was het onmogelijk om vanuit Italië nog iets te ondernemen, wat uiteindelijk nog over de Nunzio Apostolico en de Ialiaanse ambassadeur Alfieri geprobeerd werd, maar zonder enig resultaat. Pas na de oorlog werd duidelijk dat haar ouders onderweg uit de trein waren gehaald om naar het ‘modelkamp’ Theresiënstadt te worden overgebracht. Daar werd Fritz Gutmann ondervraagd over het verblijf van o.a. de door Goering gewenste zilververzameling, maar hij weigerde hierover iets te zeggen. Na ondertekening van overdracht van de collectie zou hij vrijgelaten worden, maar Gutmann volhardde in zijn weigering. Volgens een ooggetuige is hij daarna meegenomen, en zodanig geslagen tot hij buiten bewustzijn raakte en overleed. Zijn echtgenote is naar Auschwitz gezonden waar zij op een onbekend tijdstip ergens in de maand juli 1944 in een gaskamer omkwam. Hun laatste teken van leven in bezit van de dochter is een voorgedrukte kaart uit Theresiënstadt.

Geregistreerd is dat F.B.E.Gutmann op 1 mei 1944 inkamp Theresienstadt is overleden, terwijl zijn echtgennote in de maand juli 1944 te Auschwitz is vermoord. Op de begraafplaats bij het kamp Theresienstadt zijn circa 30.000 slachtoffers begraven.

Geregistreerd is dat F.B.E.Gutmann op 1 mei 1944 [Yad Vashem houdt het op 30 april]  in kamp Theresienstadt [thans Terezin, Tsjechië] is overleden, terwijl zijn echtgenote op een onbekende datum  in de maand juli 1944 te Auschwitz werd vermoord. Op de begraafplaats bij het kamp Theresienstadt zijn circa 30.000 slachtoffers begraven. Van Fritz Gutmann zijn geen stoffelijke resten teruggevonden.

Af en toe haalt ze als troost haar boek met op Bosbeek gemaakte jeugdfoto’s te voorschijn. Zelf heb ik deze stijlvolle vrouw tweemaal in Heemstede ontmoet, waar zij o.a.vertelde over de contacten van prins Bernhard met Ursula von Pannwitz van de Hartekamp, haar jeugdvriendin. Tot haar 19de jaar woonde ze hier waar de familie er een levensstijl op na hield die men zich nu moeilijk kan voorstellen. Voor het huis en de familie stonden dag en nacht 12 personeelsleden klaar en er waren twee limousines met chauffeur. A. Nobbe, Glipperweg 91b,  werkte als tuinman en H.G.L.Leloux, Glipperweg 91c als chaufeur. Aan journalist Olof van Joolen die haar in 1999 in Florence opzocht vertelde ze o.a. “Aan mijn tijd in Heemstede heb ik hele mooie herinneringen. Het eerste waar ik aan denk, zijn de feesten die mijn ouders gaven, Voor hun koperen bruiloft lieten ze een compleet circus komen. Toen de Duitse ruiter Freiherr Von Langen in 1928 op de Olympische Spelen van Amsterdam goud won, nodigde mijn moeder de hele Duitse hippische equipe uit om de overwinning te komen vieren. En Aschwin von Lippe Biesterfeld, de broer van prins Bernhard kwam ook bij ons, Ach, Aschwin, verarmde Duite adel. Zijn nicht werkte bij mijn vader op kantoor.”

Lili Gutmann in Bosbeek, circa 1936

kaststel

Kaststel: vijf 18e eeuwse vazen. Op 24 maart 1942 onder dwang verkocht aan nazi-handelaren Böhler en Haberstock. In 2010 dankzij een gunstig advies van de Resitututiecommmissie teruggegeven aan de Erven Gutmann/Goodman.

De 84-jarige mevrouw Lile Gutmann bij de teruggave van de Gutmann-collectie in de chaise longue die vroeger in de kamer van haar ouders op Bosbeek stond (foto Harmen de Jong, Haarlems Dagblad 19 september 2002)

De 84-jarige mevrouw Lile Gutmann bij de teruggave van de Gutmann-collectie in de chaise longue die vroeger in de kamer van haar ouders op Bosbeek stond (foto Harmen de Jong, Haarlems Dagblad 19 september 2002)

‘Rijen borden en schalen: Meissner porselein teruggehaald uit de Nederlandse ambassade in Moskou; zilverwerk uit het Rijksmuseum, negen schilderijen waaronder een Cuyp, Chinese beeldjes, Florentijnse dressoirs, in april 2002 viel het besluit dat de Gutmann-collectie zal worden teruggegeven aan de erven van de omgekomen joodse bankier Friedrich Gutmann. De ruim 230 kunst- en antiekvoorwerpen, die na de Tweede Wereldoorlog via de nazi’s in handen kwamen, zijn voor de overdracht vandaag bijeengebracht in het Instituut Collectiebeheer Nederland’. Erfgenamen zijn Lili Collas-Gutmann, haar zoon Lorenzo Bosi en 2 in de Verenigde Staten woonachtige neven Nick en Simon Goodman. In 2003 is een deel van de uit musea terugontvangen kunstwerken afkomstig van Bosbeek en door de Duitsers geroofd bij Christie’s in Amsterdam geveild. Als een souvenir aan een mooie jeugd in Heemstede behield zij voor zichzelf de schetsen van Jacob de Wit voor de 18e eeuwse plafondschildering op Bosbeek, die haar vader bij toeval bij een antiquair had ontdekt en meteen gekocht.

Simon Goodman (rechts) ontvangt namens zijn familie het schilderij terug van Hans Baldung Grie

Namens zijn familie ontvangt Simon Goodman (rechts) een schilderij dat oorspronkelijk in Bosbeek hing van Hans Baldung Grien: Portret van een jongeman. tijdens een ceremonie 14-1-2011 in het Zimmeli Art Museum van museumdirecteur Suzanne Delehanty en dr. Philip Furmanski van de Rutgers Universiteit. Op 26 januari 2011 werd het doek vervolgens bij Christie’s in New York geveild voor 218.500 dollar.

Goud-zilveren Renaissanceklok ontdekt in hetLandesmuseum Württemberg Stuttgart uit de collectie Eugen/Fritz Gutmann

Goud-zilveren Duitze Renaissanceklok in 2011 ontdekt in het Landesmuseum Württemberg Stuttgart oorspronkelijk afkomstig uit de collectie Eugen/Fritz Gutmann in Bosbeek.

Scan1296

Zilveren drinkbeker, vervaardigd door Johannes Lencker in Augsburg tussen 1625 en 1630. Uit catalogus Christie’s Amsterdam Property from the Gutmann Collection, Tuesday 13 May 2013. Auctioned at Christie’s London.

Op 13 juni 2003 publiceerde NRC: Rijksmuseum koopt kunst Gutmann terug. ‘Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft woensdag op de veiling van de Gutmann-collectie een zilveren geschenkkan gekocht. De kan was reeds jarenlang te zien in het museum. Het Rijksmuseum betaalde er ruim 1,5 miljoen euro voor [Christie’s schatte de waarde vooraf op een bedrag tussen 740.000 en 1.200.000 euro. H.K]. zo maakte het museum donderdag bekend. De Nederlandse overheids gaf vorig jaar 233 kunstwerken terug aan de nazaten Gutmann. De kunst van de familie uit Heemstede werd in de Tweede Wereldoorlog opgeëist door de nazi’s. Na de oorlog viel de verzameling in handen van de Nederlandse staat. De zilveren kan gemaakt door Johannes Lencker 1 was sinds 1954 te zien in het Rijksmuseum. De veiling bij Christie’s  in Londen leverde enkele miljoenen op. Midden mei verwisselden voorwerpen uit de collectie bij een veiling in Amsterdam voor bijna een miljoen euro van eigenaar (ANP)

Scan1299

Bericht over oorlogskunst Gutmann en Goudstikker in het voormalig Paushuis Utrecht (NRC, 15 december 2001). 

Over een van de ‘witjes’ ofwel grisailles uit Bosbeek, momenteel in bruikleen bij het Drents Museum in Assen heeft de officiële Restitutiecommissie ten aanzien van mogelijke teruggave een advies uitgebracht en is het besluit genomen dat het in eigendom blijft van de Nederlandse staat (zie addendum).

Hans Krol

Louise Gutmann-baronesse Von Landau. Foto door Man Ray uit Parijs, 1926

Bosbeek met vijver (vanaf Glipper Dreef) omstreeks 1930

Bosbeek met tuin (vanuit Glipper Dreef) op een foto zomer 1973

Beeld van Venus en Cupido, afkomstig van Bosbeek

De markeren badkuip met aan weerszijden uitgewerkte satermaskers, die een handvat in de bek houden. Omstreeks 1761 in Rome vervaardigd en aldaar op zijn grand-tour door John Hope, eigenaar van Groenendaal en in zijn stervensjaar ook van Bosbeek  aldaar geplaatst.

Tuinhuisje Bosbeek uit de tijd van Gutmann

Tuinhuisje Bosbeek uit de tijd van Gutmann

Getuigenis van overlijden F.Gutmann uit de databank van Yad Vashem

Getuigenis van overlijden F.B.E. Gutmann uit de databank van Yad Vashem

Noten (1) Na de Bevrijding zijn omstreeks 1950 70 gerecupereerde stukken uit de antiek-Duitse zilvercollectie, die Fritz Gutmann van zijn vader had geërfd, voor 150.000 pond sterling verkocht aan de Amerikaanse miljardair J.Pierpont Morgan. Op 13 mei 2003 is het restant geveild bij Christie’s.

Veilingatalogus Christie’s Amsterdam van o.a. zilvercollectie Gutmann, 13 mei 2003. Bevat tevens ‘Three Magnificent Renaissance Silver-Gilt Works of Art from the Collection of Fritz and Eugen Gutmann to be included in the sale of Important Silver’, Wednesday 11 Juni 2003 Christie’s London, viz. G1 Silver-gilt ewer by Johannes Lencker; G2 Silver-gilt double cup by Hans Petzolt (1596); G3 Parcel-gilt cup and cover by Hans Ludweg Kienle (Kienlin), Ulm and signed and dated ‘Hans Ludouickh. Kienle. f.Vimae, 1630’.

In de inleiding was een beknopt essay opgenomen over de uitzonderlijke verzameling van juwelen, goud, brons, porselein, majolica, miniaturen e.d. met nadruk op Duits Renaissance zilveren voorwerpen. In 1912 was hiervan al door de historicus Otto von Falke een catalogus in boekvorm samengesteld met 70 werken van erkende meesters als Petzolt, Jamnitzer, Eisenholt, Lencker, Ritter, Straub, Drentwett e.a. Hoogtepunt betrof een ‘olifantenpoot’ met daarom het model van een kasteel door de zestiende eeuwse zilversmid Abraham Jamnitzar.

Zilverwerk uit 1591 van de Duitse zilversmid Abraham Jamnitzar uit Neurenberg

Schatten oorspronkelijk van Eugen Gutmann (Uit: Simon Goodman, De wolven namen alles mee, illustratie t.o.pagina 225)

Teruggegeven stukken uit de Eugen Gutmann-collectie, Thans in Landesmuseum Württemberg in Stuttgart. (Uit: Simon Goodman, De wolven namen alles mee, pagina 352)

Beschreven zijn verder drie uitzonderlijke stukken uit de collectie Gutmann, die voor teruggave aan de erfgenamen gedurende bijna een halve eeuw in bruikleen waren van het Rijksmuseum, zilveren bekers van Johannes Lencker, Hans Ludwig Kienle en Hans Petzoldt, die voordat Eugen Gutmann deze aankocht deel uitmaakten van de collectie  van baron Karl von Rothschild uit Frankfurt. (2) Lili Collas-Gutmann had haar man in Italië ontmoet, trouwde en woonde sinds 1938 in Florence. Ze kreeg drie kinderen. In hoofdzaak werd in Milaan gewoond. Na een echtscheiding is zij met een Griek hertrouwd en verbleef toen ongeveer tien jaar in Athene. Nadat haar man was overleden is zij vanwege haar in Italië wonende kinderen naar Florence teruggekeerd, waar zij nu nog woont. Zij bezocht nog een aantal keren Bosbeek waaraan zij zegt de mooiste herinneringen van haar leven te bewaren. Vele jaren is zij tot nog op dit moment, vooral echter haar twee Amerikaanse neven Simon en Nick Goodman (zonen van Bernard en kleinzonen van Fritz Gutmann) in de Verenigde Staten bezig geweest om een vergoeding te ontvangen voor de nazi-roofkunst. In het Rotterdams Dagblad van 14 mei 2003 zei Lili Gutmann tegen Marjolijn de Cocq kort voor een veiling van enkele belangrijke zilverstukken bij Christie’s die jarenlang in het Rijksmuseum stonden :  “(…) Ieder van de erven heeft wel iets uitgezocht als ‘souvenir’. Lili’s keuze? “Het enige wat er nog in het leeggeroofde Bosbeek was, is het plafond van Jacob de Wit, in wat wij de grote zaal noemden.” (Schilder Jacob de Wit (1695-1754) werd beroemd door zijn bedrieglijk echte ‘beeldhouwwerken’ in olieverf, Witjes in de volksmond). “Er waren ook kleine Witjes in Bosbeek, maar die hebben de moffen er gewoon uitgeknipt. Die zijn verdwenen. Mijn vader had toevallig bij een antiquair de schets gevonden van dat plafond. En die houd ik.” Jaren ’70 was ze nog eens naar Huize Bosbeek gegaan, inmiddels een klooster. “Wat er toen met me gebeurde weet ik niet, maar ik begon vreselijk te huilen. Vreselijk, vreselijk.”Dat haar ouders vermoord zijn, is iets waar ze nooit overheen zal komen. “Eigenlijk gaat er geen dag voorbij, dat ik er niet aan denk. maar ik vind het wel mooi dat mijn ouders, ook door de veilingen, nu weer tot gelding komen.”

portret van Bernard Gutmann, geboren 24 augustus 1914 in Surrey, USA, getogen in Heemstede (Bosbeek), overleefde de oorlog, woonde daarna in Engeland en is op 26 augustus 1994 overleden in Venetië

portret van Bernard Gutmann, geboren 24 augustus 1914 in Byfleet, UK, getogen in  Heemstede (Bosbeek), overleefde de oorlog, studeerde en woonde in Engeland en is op 26 augustus 1994 overleden in Venetië

Lili Gutmann geportretteerd op 9-jarige leeftijd in Bosbeek door de Amerikaanse fotograaf Man Ray.

Schrijven van mevrouw Lili Collas Gutmann uit Florence van 12 juli 1995

Schrijven van mevrouw Lili Collas Gutmann uit Florence van 12 juli 1995

Mw. Lili Collas-Gutmann tijdens een bezoek aan Heemstede, met rechts van haar een medewerkster van Christie’s en links Hans Krol, directeur van de bibliotheek.

Gutmann1

Bericht van bezoek mw.Lili Collas-Gutmann aan Heemstede (Heemsteder, 7-12-1994)

 

(3) Van de kunstverzameling Gutmann op Bosbeek bestaan diverse inventarislijsten, van welke afschriften aanwezig zijn in de Heemstede-collectie van het Noord-Holland Archief.

Een intussen bijna 96-jarige Lili Collas-Gutmann in haar appartement te Florence

Mw. Lili Gutmann in 2003 gefotografeerd door Phil Nijjhuis (krantefoto Rotterdams Dagblad)

Mw. Lili Gutmann in 2003 gefotografeerd door Phil Nijhuis (krantenfoto Rotterdams Dagblad)

Scan1319

De kinderen Nick en Simon Goodman (zonen van Bernard Gutmann) met hun vader op bezoek bij Bosbeek in 1952. Ze poseren bij het beeld van Venus en Cupido “een van de zeldzame beelden die de nazi’s niet hebben meegenomen’, thans te vinden in de tuin van het raadhuis Heemstede, omdat rector Starrenburg het ongeschikt achtte in de tuin van de Zusters. (Uit boek Simon Goodman, pagina 195).

De familie Gutmann/Goodman 2002 op het bordes van Bosbeek. In het midden mevrouw Lili Collas-Gutmann. Links May en Simon Goodman en rechts Nick Goodman en echtgenote

Dr. Wolfgang Röller en Lili Collas-Gutmann op 26 maart 2009 aanwezig bij een bijneekomst van Eugen-Gutmann-Gesellschaft in Frankfurt am Main

Dr. Wolfgang Röller en Lili Collas-Gutmann op 26 maart 2009 aanwezig bij een bijeenkomst van Eugen-Gutmann-Gesellschaft in Frankfurt am Main

Simon Goodman, kleinzoon van Fritz Gutmann en zoon van Bernard Gutmann/Goodman is bijna zijn hele leven bezig met het achterhalen van de kunstcollectie die in Bosbeek aanwezig was (foto Rick Loomes/Los Angeles Times)

Simon Goodman, kleinzoon van Fritz Gutmann en zoon van Bernard Gutmann/Goodman is bijna zijn hele leven bezig met het achterhalen van de kunstcollectie die in Bosbeek aanwezig was (foto Rick Loomes/Los Angeles Times)

Simon Goodman ontvngt van Suzanne Delehanty, directeur van het Zimmerli Art Museum in New Brunswick een schilderij terug van Hans Baldung Grien (1509), leerling van Dürer. Het doek behoorde toe aan zijn grootvader Fritz Gutmann en was door de Duitse bezetters in 1943 in beslag genomen.

Simon Goodman ontvangt januari 2011 namens zijn familie van Suzanne Delehanty, directeur van het Zimmerli Art Museum in New Brunswick, een schilderij terug vervaardigd door Hans Baldung Grien (1509), leerling van Dürer. Het doek behoorde toe aan zijn grootvader Fritz Gutmann op Bosbeek en was door de Duitse bezetters in 1943 in beslag genomen.

Renoir

Erfgenaam claimt in oorlog gestolen schilderij Renoir (De Volkskrant van 12-9-1997)

 

Gutmann

Informatie over documentairefilm ‘De grote nazi-Kunstroof’, in Nederland uitgezonden door de NCRV, Nederland1, 8 november,  1998.

Gutmann1

Einde van een halve eeuw procederen over oorlogskunst; in Heemstede woonachtige bankier Gutmann bezat uitgelezen collectie. (1) Haarlems Dagblad 19 april 2002.

Gutmann2

Vervolg van: Eind aan een halve eeuw procederen over oorlogskunst (H.D., 19 april 2002)

Vooromslag van ‘De plunderaars; de nazi-obsessie met kunst’ Door Anders Rydell. Uitgeverij Atlas, 2015.

ADDENDUM: Drents Museum mag deurstuk ‘Allegorie op de Herfst’ behouden

Interieurfoto van salon met grisaille ‘de Herfst’ (foto Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed)

(Novum) “Het Drents Museum in Assen mag het omstreden kunstwerk Allegorie op de Herfst behouden. Het museum hoeft het werk niet terug te geven aan de erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaren. Dat heeft de Restitutiecommissie aanbevolen in een gepubliceerd advies. Het deurstuk, dat in de achttiende eeuw werd vervaardigd door Jacob de Wit, was voor de oorlog als deel van het landhuis Bosbeek in Heemstede eigendom van de joodse bankier en kunstverzamelaar Fritz Gutmann. Gutmann en zijn vrouw overleefden de Tweede Wereldoorlog niet, maar hun huis dat tijdens de oorlog in handen was geweest van de nazi’s, werd teruggegeven aan Gutmanns kinderen. De grauwschildering kwam bij het Drents Museum terecht, nadat de erfgenamen Huize Bosbeek in 1950 hadden verkocht. Het deurstuk dat in 1944 al was losgehaald van zijn vaste plek boven de salondeur, werd pas in 1954 teruggevonden. De erfgenamen zeggen dat ze dachten dat het kunststuk was verloren gegaan. De restitutiecommissie vond echter bewijs dat de familie wel wist van het bestaan van het werk en merkt de verkoop niet aan als ‘onvrijwillig bezitsverlies als direct gevolg van het naziregime.’ Een tweede claim van de erfgenamen van de familie Gutmann werd ook door de commissie afgewezen. In dit geval ging het om een zestiende-eeuwse schaal, die geclaimd werd door zowel de erven van Fritz Gutmann als zijn broer Herbert Gutmann. De schaal zou ten tijde van de verkoop ervan in 1942 al niet meer in bezit zijn geweest van de familie”. (18 september 2012)

Luchtfoto van Bosbeek na de uitbreidingen

Luchtfoto van Bosbeek na de uitbreidingen

Binnentuin Bosbeek met nieuwbouw verpleeghuis en kapel

Binnentuin Bosbeek met nieuwbouw verpleeghuis en kapel

Verpleeghuis Bosbeek Heemstede

Verpleeghuis Bosbeek Heemstede

P1000885

Ingang naar het monumentale landhuis van Bosbeek. Via een gang is dit pand met het Zorgcentrum verbonden.  Thans Gastenhuis genoemd, welke naam herinnert aan de tijd dat de zusters naar Bosbeek kwamen voor retraites en vakanties en hier te gast waren. Sinds 1951 eigendom van de Zusters van ‘De Voorzienigheid;. In 1960 is hiernaast een klooster met ziekenafdeling gebouwd – hieruit zijn het Verpleeghuis en Zorgcentrum Bosbeek ontstaan. Deze zijn in 1997 gefuseerd met de Stichting Sint Jacob. Het Gastenhuis, in gebruik voor het bestuur, bleef van de Congregatie.

P1000884.JPG

De door John Hope uit Italië overgebrachte antieke marmeren badkuip met aan beide zijden een sater is in de tuin van Bosbeek blijven staan.

Appendix Joods Monument Heemstede

4 mei 2015 is aan de Vrijheidsdreef een Joods monument onthuld met 162 namen van slachtoffers uit Heemstede

4 mei 2015 is aan de Vrijheidsdreef een Joods monument onthuld met 162 namen van slachtoffers uit Heemstede, waaronder Friedrich Eugen Bernard Gutmann en zijn echtgenote Louise Gutmann-von Landau.

Op het Joods monument in Heemstede staan ook de namen van het echtpaar Gutmann van Bosbeek

Op het Joods monument in Heemstede staan ook de namen van het echtpaar Gutmann van Bosbeek

P1000874

Foto van de voorzitter mw. Paola Koningsveld en secretaris Harald van Perlstein van de stichting Joods Monument Heemstede, op Koningsdag 27 april 2017 genomen bij de Treurbeuk van Bosbeek bij gelegenheid van het bezoek van Simon Goodman en echtgenote aan het huis van zijn grootvader in verband met een te verschijnen filmdocumentaire.

BIJLAGE: hoofdstuk de collectie Gutmann en Koenigs, uit: Gerard Aalders. Roof; de ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Den Haag, Sdu uitgevers, 1999

‘In 1941 wist Posse via een Berlijnse kunsthandelaar en Karl Haberstock, een prominent lid van de beoordelingscommissie voor Entarte Kunst, de hand te leggen…op vier schilderijen uit de Gutmann-collectie in Heemstede.

Gut1.jpg

vervolg collecties Gutmann en Koenigs, uit G.Aalders: ROOF. 1999, pagina 90

Gut2.jpg

Slot verzamelingen Gutmann en Koenigs. Uit: G.Aalders. Roof, pagina 91.

 

gut3

De in verband met Gutmann en Koenigs van belang zijnde noten (86-89) in het boek van G.Aalders. Roof, 1999, pagina 271.

Annex:  DEUTSCHES ZENTRUM KULTURVERLUSTE Jüdischer Sammler und Kunsthändler (Opfer der naziona;sozilistischer Verfolgung und Enteigning)

gut1.jpg

GUTMANN, Friedrich (Fritz)

gut2.jpg

Vervolg: GUTTMANN, Friedrich (Fritz)

Kulturgutverluste: Bagio d’Antonio. Cassone. [Heemstede (Beschlagnahme) 1942

Voorstelling: Cassone: Bagio d’Antonio

Tentoonstelling over roofkunst in Bergkerk Deventer van 12 mei tot 27 augustus 2017

roofkunst

Bosbeek1.jpg

Artikel over tentoonstelling roofkunst in Deventer; door Daaf Ledeboer. De Volkskrant, 13 mei 2017 (1) Een bijschrift invoeren

Bosbeek2

Vervolg tentoostelling roofkunst, De Volkskrant (2)

Bosbeek4.jpg

In Deventer wordt de tentoonstelling Roofkunst voor, tijdens en na WOII ingericht. Eva Kleeman (links) en Daaf Ledeboer kijken toe. Foto Harry Cock/De Volkskrant, 13-5-2017

Bosbeek3.jpg

Slot van artikel over expositie Roofkunst in Deventer. De Volkskrant, 13 mei 2017

 

 

 

good

Bij de buste van pater familias Eugen Gutmann, oprichter van de Dresdner Bank, met rechts kleindochter Lili Collas Gutmann, woonachtig in Florechts en links achterachterkleinzoon Simon, woonachtig in Californië, die zijn achternaam veramerikaanste tot Goodman.

‘Blij dat on Cranach-schilderij terug kwam'(Haarlems Dagblad, 10 april 2018)

 

Simon

Simon Goodman uit Los Angeles voor het doek ‘hertenjacht in een bos ‘van Jan Hackaert in het Mauritshuis, 2017

simon2.jpg

Jan Hackaert (1628-na 1685) voor het doek van een hertenjacht, Mauritshuis.Het was bezit van Eugen Gutmann en kwam via erfenis bij zoon Fritz Gutmann van Bosbeek terecht. In 1942 is het onder dwang verkocht aan Karl Haberstock, Berlijn. In 1952 gerecupereerd naar erven Gutmann en door hen verkocht aan kunsthandelaar S.Nijstadt. Vervolgens is het in 1971 verworven door het Mauritshuis en zal het schilderij te zien zijn op de tentoonstelling over roofkunst in de Bergkerk van Deventer.

APPENDIX; artikel over lot Piëta, herkomst erven Gutmann; door Micha Leefland en Ruud Priem, tegenwoordig in Museum Catharijneconvent. (Bulletin van de Vereniging Rembrandt, jaargang 22, nummer 1, voorjaar 2002, p. 18-20)

 

pieta1

Piëta 1 (Bulletin Ver. Rembrandt voorjaar 2012)

 

pieta2

vervolg Piëta, Gutmann

 

pieta3

Piëta (3)

 

pieta4.jpg

Vervolg Piëta (4)

 

pieta5.jpg

vervolg Piëta (5)

 

pieta6

Slot van artikel over Piëta (6)

 

pieta1.jpg

Vermelding op inventarislijst Gutmann van de Piëta

 

Onder bestuur gestelde ondernemingen (Het Financieele Dagblad, 26-11-1945) Fa. F.Gutmann, in liquidatie Heerengracht 501, dr.Joh.R.R.Scheller, Cliostraat v5 Amsterdam )

Scheller.png

Bevat opschrift van bewindvoerder J.R.R. Scheller, Cliostraat 5, Amsterdam

De in 1935 tot Nederlander genaturaliseerde Duitser Johann Richard Robert Scheller overleed op 61-jarige leeftijd 19 oktober 1957 in Wiesbaden (Algemeen Handelsblad, 24-10-1957)

ANNEX: TEIL 3 aus: ‘Zwischen Rembrandt und Kaiser ilhelm. Das glamouröse Leben der Catalina von Pannwitz (1876-1959). Von Sieghard von Pannwitz, 2019: Die Geschichte der Gutmanns. (…) “Während der deutschen Besarzung ereilte 1944 dasEhepaar Gutmann ein grauenvollen Schicksals, als Sie von der SS abgeholt worden, wil Fritz Gutmann sich geweigert hatten, eine

 

Vervolg van ‘Die Gutmanns auf Haus Bosbeek’

Slot van ‘Die Geschichte der Gutmanns’ door Sieghard von Pannwitz, 2019.

Portret van de op 17 juli 2019 honderd jaar geworden Lili Gutmann (geboren 17 juli 1919 in Leiden. CONGRATULATIONS AND CELEBRATIONS FROM HEEMSTEDE

Portret van Jacob Kohnstamm, oud-politicus van D66, in 2020 benoemd als voorzitter van een nieuwe commissie die als taak heeft tet beleid te onderzoeken ten aanzien van het beleid van al of niet teruggave van roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog. Deze commissie is in het leven geroepen door de Raad van Cultuur op verzoek van Cultuurminister Ingrid van Engelshoven. De vraag is namelijk gerezen of het gevoerde restitutiebeleid van de laatste jaren aanpassing verdient. ‘In de commissie nemen verder deel Lennart Booij, Hagar Heijmans, Nina Polk, Rob Polak, Emile Schrijver en Henny Troostwijk. ‘Het college moet ijken naar allerlei juridische en morele aspecten, naar hoe dit soort kwesties in het buitenland wordt aangepakt en naar mogelijke verbeteringen. De commissie moet ook bezien hoe toegankelijk en bekend het beleid is voor mensen die aanspraken op teruggave willen maken. Sinds 2001 adviseer de zogeheten Restitutiecommissie over claims op basis van internationaal vastgestelde uitgangspunten. Inmiddels zijn ongeveer 460 objecten aan de rechtmatige eigenaren of hun erfgenamen toegewezen’,   aldus een uitgegeven persbericht.